1 Kronieken
Inleiding 1-15 Het hogepriesterlijk geslacht 16-30 De nakomelingen van Levi 31-47 De zangers 48-49 Dienst van Levieten en priesters 50-53 De nakomelingen van Aäron 54-60 De priestersteden 61-81 De Levietensteden
Inleiding

Dit hoofdstuk heeft vier hoofdonderwerpen:
1. de lijn van de hogepriesters (verzen 3-15,49-533De kinderen van Amram waren Aäron, Mozes en Mirjam; en de zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar.4Eleazar verwekte Pinehas [en] Pinehas verwekte Abisua.5Abisua verwekte Bukki en Bukki verwekte Uzzi.6Uzzi verwekte Zerahja en Zerahja verwekte Merajoth.7Merajoth verwekte Amarja en Amarja verwekte Ahitub.8Ahitub verwekte Zadok en Zadok verwekte Ahimaäz.9Ahimaäz verwekte Azarja en Azarja verwekte Johanan.10Johanan verwekte Azarja. Hij is het die als priester diende in het huis dat Salomo in Jeruzalem gebouwd had.11Azarja verwekte Amarja en Amarja verwekte Ahitub.12Ahitub verwekte Zadok en Zadok verwekte Sallum.13Sallum verwekte Hilkia en Hilkia verwekte Azarja.14Azarja verwekte Seraja en Seraja verwekte Jozadak.15Jozadak ging mee, toen de HEERE Juda en Jeruzalem door de hand van Nebukadnezar in ballingschap liet voeren.49Aäron en zijn zonen lieten [offers] in rook opgaan op het brandofferaltaar en op het reukaltaar. [Zij waren aangesteld voor] al het werk in het heilige der heiligen, en om over Israël verzoening te doen, overeenkomstig alles wat Mozes, de knecht van God, geboden had.50Dit zijn de zonen van Aäron: Eleazar was zijn zoon, Pinehas diens zoon, Abisua diens zoon,51Bukki diens zoon, Uzzi diens zoon, Zerahja diens zoon,52Merajoth diens zoon, Amarja diens zoon, Ahitub diens zoon,53Zadok diens zoon, Ahimaäz diens zoon.),
2. de drie geslachten van Levi (verzen 16-3016De zonen van Levi waren Gersom, Kahath en Merari.17En dit zijn de namen van de zonen van Gersom: Libni en Simeï.18De zonen van Kahath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël.19De zonen van Merari waren Maheli en Musi. Dit zijn de geslachten van de Levieten, [ingedeeld] naar hun [stam]vaders.20Van Gersom: zijn zoon was Libni, diens zoon Jahath, diens zoon Zimma,21diens zoon Joah, diens zoon Iddo, diens zoon Zerah, diens zoon Jeathrai.22De zonen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab, diens zoon Korach, diens zoon Assir,23diens zoon Elkana, diens zoon Ebjasaf, diens zoon Assir,24diens zoon Tahath, diens zoon Uriël, diens zoon Uzzia en diens zoon Saul.25De zonen van Elkana waren Amasai en Ahimoth.26Elkana, diens zoon Elkana, diens zoon Zofai en diens zoon Nahath,27diens zoon Eliab, diens zoon Jeroham, diens zoon Elkana.28De zonen van Samuel waren [zijn] eerstgeborene Vasni, daarna Abia.29De zonen van Merari waren Maheli, diens zoon Libni, diens zoon Simeï, diens zoon Uzza,30diens zoon Simea, diens zoon Haggia, [en] diens zoon Asaja.),
3. de zangers (verzen 31-4831Dezen zijn het die David heeft aangesteld om de zang in het huis van de HEERE te leiden, nadat de ark [op zijn] rustplaats [gekomen] was.32Zij dienden vóór de tabernakel, de tent van ontmoeting, met zingen, totdat Salomo het huis van de HEERE in Jeruzalem bouwde. Zij verrichtten hun dienst volgens de bepaling voor hen [vastgesteld].33Dit zijn zij die daar stonden, met hun zonen: van de nakomelingen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuel,34de zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah,35de zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai,36de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja,37de zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach,38de zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël.39Zijn broeder Asaf stond aan zijn rechterzijde. Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea,40de zoon van Michaël, de zoon van Baëseja, de zoon van Malchia,41de zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja,42de zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï,43de zoon van Jahath, de zoon van Gersom, de zoon van Levi.44Hun broeders, de zonen van Merari, [stonden] aan de linkerzijde, [namelijk] Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,45de zoon van Hasabja, de zoon van Amazia, de zoon van Hilkia,46de zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer,47de zoon van Maheli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi.48Hun broeders, de Levieten, waren aangesteld voor allerlei dienst in de tabernakel, het huis van God.) en
4. de steden waar de Levieten mochten wonen (verzen 54-8154Dit waren hun woongebieden, [ingedeeld] naar hun tentenkampen, op hun grondgebied, [namelijk dat] van de nakomelingen van Aäron, van het geslacht van de Kahathieten, want dat lot was voor hen.55Zij gaven hun Hebron, in het land Juda, met zijn weidegronden eromheen.56Maar het akkerland van de stad en zijn dorpen gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne.57Aan de nakomelingen van Aäron gaven zij de vrijsteden Hebron en Libna met hun weidegronden, Jattir en Estemoa met hun weidegronden,58Hilen met zijn weidegronden, Debir met zijn weidegronden,59Asan met zijn weidegronden en Beth-Semes met zijn weidegronden.60En van de stam Benjamin: Geba met zijn weidegronden, Alemeth met zijn weidegronden en Anathoth met zijn weidegronden. Al hun steden, aan hun geslachten [toegewezen], waren dertien steden.61Maar aan de nakomelingen van Kahath die overgebleven waren van het geslacht van de stam, [gaf men] door het lot tien steden van de halve stam: half Manasse.62En aan de nakomelingen van Gerson [gaf men, ingedeeld] naar hun geslachten, van de stam Issaschar, van de stam Aser, van de stam Naftali en van de stam van Manasse in Basan dertien steden.63Aan de nakomelingen van Merari [gaf men, ingedeeld] naar hun geslachten, van de stam Ruben, van de stam Gad en van de stam Zebulon door het lot twaalf steden.64Zo gaven de Israëlieten de Levieten deze steden met hun weidegronden.65Zij gaven ze door het lot, van de stam van de nakomelingen van Juda, van de stam van de nakomelingen van Simeon en van de stam van de nakomelingen van Benjamin; deze steden, die zij met name noemden.66[De overigen] uit de geslachten van de nakomelingen van Kahath [ontvingen] steden als hun grondgebied van de stam Efraïm,67want zij gaven hun de vrijsteden Sichem met zijn weidegronden in het bergland van Efraïm, Gezer met zijn weidegronden,68Jokmeam met zijn weidegronden, Beth-Horon met zijn weidegronden,69Ajalon met zijn weidegronden en Gath-Rimmon met zijn weidegronden.70En uit de halve stam van Manasse: Aner met zijn weidegronden en Bileam met zijn weidegronden. [Deze steden waren] voor de overige geslachten van de nakomelingen van Kahath.71De nakomelingen van Gersom ontvingen van de geslachten van de halve stam Manasse: Golan in Basan met zijn weidegronden en Astharoth met zijn weidegronden.72Van de stam Issaschar: Kedes met zijn weidegronden, Dobrath met zijn weidegronden,73Ramoth met zijn weidegronden en Anem met zijn weidegronden.74Van de stam Aser: Masal met zijn weidegronden, Abdon met zijn weidegronden,75Hukok met zijn weidegronden en Rehob met zijn weidegronden.76Van de stam Naftali: Kedes in Galilea met zijn weidegronden, Hammon met zijn weidegronden en Kirjathaïm met zijn weidegronden.77De overige nakomelingen van Merari ontvingen, van de stam Zebulon: Rimmono met zijn weidegronden [en] Tabor met zijn weidegronden;78en aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho, ten oosten van de Jordaan, van de stam Ruben: Bezer in de woestijn met zijn weidegronden, Jahza met zijn weidegronden,79Kedemoth met zijn weidegronden en Mefaäth met zijn weidegronden.80Van de stam Gad: Ramoth in Gilead met zijn weidegronden, Mahanaïm met zijn weidegronden,81Hesbon met zijn weidegronden en Jaëzer met zijn weidegronden.).

In 1 Kronieken 23-26 wordt de dienst van de Levieten nader geregeld. Vandaag is iedere gelovige een priester (1Pt 2:5a5en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.; Op 5:9-109En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,10en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.), is iedere gelovige een Leviet dat wil zeggen heeft een taak, een gave (1Ko 12:1111Maar al deze dingen werkt een en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk toedeelt zoals Hij wil.) en zijn alle gelovigen ook zangers (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.).


Het hogepriesterlijk geslacht

1De zonen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari. 2De zonen van Kahath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël. 3De kinderen van Amram waren Aäron, Mozes en Mirjam; en de zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar. 4Eleazar verwekte Pinehas [en] Pinehas verwekte Abisua. 5Abisua verwekte Bukki en Bukki verwekte Uzzi. 6Uzzi verwekte Zerahja en Zerahja verwekte Merajoth. 7Merajoth verwekte Amarja en Amarja verwekte Ahitub. 8Ahitub verwekte Zadok en Zadok verwekte Ahimaäz. 9Ahimaäz verwekte Azarja en Azarja verwekte Johanan. 10Johanan verwekte Azarja. Hij is het die als priester diende in het huis dat Salomo in Jeruzalem gebouwd had. 11Azarja verwekte Amarja en Amarja verwekte Ahitub. 12Ahitub verwekte Zadok en Zadok verwekte Sallum. 13Sallum verwekte Hilkia en Hilkia verwekte Azarja. 14Azarja verwekte Seraja en Seraja verwekte Jozadak. 15Jozadak ging mee, toen de HEERE Juda en Jeruzalem door de hand van Nebukadnezar in ballingschap liet voeren.

Eerst wordt het hogepriesterlijk geslacht beschreven. De lijst begint met de zonen van Levi (vers 11De zonen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.). Zij worden genoemd in volgorde van hun geboorte (Gn 46:1111De zonen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.; Ex 6:1515Dit zijn de namen van de zonen van Levi, met hun afstammelingen: Gerson, Kahath en Merari. De levensjaren van Levi waren honderdzevenendertig jaar.; Nm 3:1717Dit waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, Kahath en Merari.; 26:5757Dit zijn degenen van Levi die geteld zijn, [ingedeeld] naar hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten; van Kahath het geslacht van de Kahathieten; van Merari het geslacht van de Merarieten.). Na het noemen van de drie zonen gaat de lijst verder met Kahath (vers 22De zonen van Kahath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël.), omdat uit zijn geslacht Aäron (vers 33De kinderen van Amram waren Aäron, Mozes en Mirjam; en de zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar.), de eerste hogepriester, voortkomt.

Van de zonen van Aäron sterven de eerste twee, Nadab en Abihu, door het oordeel van de HEERE. Zij zijn het heiligdom binnengegaan met vreemd vuur, wat de HEERE hun niet heeft geboden (Lv 10:1-21De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had.2Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.). Dat zij, hoewel zij geen opvolgers hebben, hier toch worden genoemd, zal zijn om te waarschuwen tegen een eigenwillig priesterschap. De lijn van het hogepriesterlijk geslacht wordt voortgezet met Eleazar (vers 44Eleazar verwekte Pinehas [en] Pinehas verwekte Abisua.).

De naam van Eli komt niet in deze lijst voor. Eli is wel hogepriester in de tijd van het boek Richteren (1Sm 1-4), maar hij is dat via de lijn van de vierde zoon van Aäron, Ithamar. Hoe het hogepriesterschap van de lijn van Eleazar is overgegaan naar de lijn van Ithamar, is niet bekend. Ithamar vertegenwoordigt echter niet de lijn van God.

Het hogepriesterschap naar Gods gedachten loopt via Zadok (vers 88Ahitub verwekte Zadok en Zadok verwekte Ahimaäz.). Zadok is de trouwe hogepriester die God Zich zou verwekken (1Sm 2:3535Ik zal voor Mij een trouwe priester doen opstaan; die zal doen zoals het in Mijn hart en Mijn ziel is. Voor hem zal Ik een blijvend huis bouwen, en hij zal alle dagen voor [de ogen van] Mijn gezalfde wandelen.; Ez 40:4646De kamer waarvan de voorkant op het noorden uitziet, is voor de priesters bestemd die [hun] taak ten behoeve van het altaar vervullen. Dat zijn de zonen van Zadok, die uit de Levieten tot de HEERE mogen naderen om Hem te dienen.; 43:1919moet u de Levitische priesters die van het nageslacht van Zadok zijn [en] die tot Mij naderen – spreekt de Heere HEERE – om Mij te dienen, een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer geven.; 44:1515Maar de Levitische priesters, de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mijn heiligdom vervuld hebben toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, díe mogen in Mijn nabijheid komen om Mij te dienen. Zij mogen voor Mijn aangezicht staan om aan Mij vet en bloed aan te bieden, spreekt de Heere HEERE.; 48:1111Het zal bestemd zijn voor de priesters die geheiligd zijn uit de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mij vervuld hebben, die niet afgedwaald zijn toen de Israëlieten afdwaalden, zoals de [andere] Levieten afgedwaald zijn.). Zadok en David horen bij elkaar (2Sm 8:1717En Zadok, de zoon van Ahitub, en Achimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.; 15:2424En zie, Zadok was daar ook en al de Levieten met hem, die de ark van het verbond van God droegen, en zij zetten de ark van God neer. En Abjathar klom naar boven, totdat al het volk uit de stad het oversteken beëindigd had.; 1Kn 1:88Maar de priester Zadok, Benaja, de zoon van Jojada, de profeet Nathan, Simeï, Reï en de helden die bij David hoorden, waren niet met Adonia.). Samen zijn ze een beeld van de Heer Jezus als Koning-Priester.

Jozadak, de laatst genoemde hogepriester, wordt in ballingschap gevoerd (vers 1515Jozadak ging mee, toen de HEERE Juda en Jeruzalem door de hand van Nebukadnezar in ballingschap liet voeren.). Hij is de vader van Jozua, de hogepriester die uit de ballingschap terugkeerde.


De nakomelingen van Levi

16De zonen van Levi waren Gersom, Kahath en Merari. 17En dit zijn de namen van de zonen van Gersom: Libni en Simeï. 18De zonen van Kahath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël. 19De zonen van Merari waren Maheli en Musi. Dit zijn de geslachten van de Levieten, [ingedeeld] naar hun [stam]vaders. 20Van Gersom: zijn zoon was Libni, diens zoon Jahath, diens zoon Zimma, 21diens zoon Joah, diens zoon Iddo, diens zoon Zerah, diens zoon Jeathrai. 22De zonen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab, diens zoon Korach, diens zoon Assir, 23diens zoon Elkana, diens zoon Ebjasaf, diens zoon Assir, 24diens zoon Tahath, diens zoon Uriël, diens zoon Uzzia en diens zoon Saul. 25De zonen van Elkana waren Amasai en Ahimoth. 26Elkana, diens zoon Elkana, diens zoon Zofai en diens zoon Nahath, 27diens zoon Eliab, diens zoon Jeroham, diens zoon Elkana. 28De zonen van Samuel waren [zijn] eerstgeborene Vasni, daarna Abia. 29De zonen van Merari waren Maheli, diens zoon Libni, diens zoon Simeï, diens zoon Uzza, 30diens zoon Simea, diens zoon Haggia, [en] diens zoon Asaja.

Het belang van het geslachtsregister van Levi zien we na de terugkeer van een overblijfsel uit de Babylonische ballingschap in het land Israël in de dagen van Ezra. Ieder die aanspraak maakt op het priesterschap, maar van wie de naam niet in het geslachtsregister wordt gevonden, wordt als onrein van het priesterschap geweerd (Ea 2:61-6261en van de nakomelingen van de priesters: de nakomelingen van Habaja, de nakomelingen van Hakkoz [en] de nakomelingen van Barzillai, die een vrouw genomen had uit de dochters van Barzillai uit Gilead, en naar hun naam genoemd was.62Dezen zochten naar hun inschrijving onder hen die in het geslachtsregister waren ingeschreven, maar zij werden niet gevonden; [daarom] werden zij als onrein van het priesterschap geweerd.).

Korach (vers 2222De zonen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab, diens zoon Korach, diens zoon Assir,) is de leider die in opstand is gekomen tegen Mozes en die door de aarde verzwolgen is (Nm 16:3232De aarde opende haar mond en verzwolg hen, met hun gezinnen, en alle mensen die Korach toebehoorden, en al [hun] bezittingen.).


De zangers

31Dezen zijn het die David heeft aangesteld om de zang in het huis van de HEERE te leiden, nadat de ark [op zijn] rustplaats [gekomen] was. 32Zij dienden vóór de tabernakel, de tent van ontmoeting, met zingen, totdat Salomo het huis van de HEERE in Jeruzalem bouwde. Zij verrichtten hun dienst volgens de bepaling voor hen [vastgesteld]. 33Dit zijn zij die daar stonden, met hun zonen: van de nakomelingen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuel, 34de zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah, 35de zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai, 36de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja, 37de zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, 38de zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël. 39Zijn broeder Asaf stond aan zijn rechterzijde. Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea, 40de zoon van Michaël, de zoon van Baëseja, de zoon van Malchia, 41de zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja, 42de zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï, 43de zoon van Jahath, de zoon van Gersom, de zoon van Levi. 44Hun broeders, de zonen van Merari, [stonden] aan de linkerzijde, [namelijk] Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch, 45de zoon van Hasabja, de zoon van Amazia, de zoon van Hilkia, 46de zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer, 47de zoon van Maheli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi.

Het lijkt om drie groepen van zangers te gaan. De hoofdgroep wordt gevormd door Heman met zijn zonen (vers 3333Dit zijn zij die daar stonden, met hun zonen: van de nakomelingen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuel,), met rechts van hem als tweede groep Asaf en zijn zonen (vers 3939Zijn broeder Asaf stond aan zijn rechterzijde. Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea,), en links van hem als derde groep Ethan en zijn zonen (vers 4444Hun broeders, de zonen van Merari, [stonden] aan de linkerzijde, [namelijk] Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,). Elk van deze drie groepen komt voort uit een van de zonen van Levi. Heman behoort tot de Kahathieten, Asaf tot de Gersonieten en Ethan tot de Merarieten.

Voor de tempeldienst zijn ook de zangers van belang. In 1 Kronieken 25 wordt uitvoeriger over de zangers gesproken. Ook in 1 Kronieken 15-16 komen we hen tegen. Bij de tabernakeldienst, als het volk in de woestijn is, zijn geen zangers. De drie hoofdzangers komen in het boek Psalmen voor, evenals de in vers 3737de zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, genoemde zonen van Korach.

De drie zonen van Levi hebben ieder een verschillende dienst. Toch is er een dienst die ze gemeenschappelijk hebben. Ieder van de zonen heeft een familie van zangers (verzen 33,39,4433Dit zijn zij die daar stonden, met hun zonen: van de nakomelingen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuel,39Zijn broeder Asaf stond aan zijn rechterzijde. Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea,44Hun broeders, de zonen van Merari, [stonden] aan de linkerzijde, [namelijk] Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,). Na het lied van Mozes (Ex 15:11Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
Ik zal zingen voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
horen we niet meer over zingen. Pas hier wordt er weer over gesproken. Er kan pas gezongen worden als de ark – een type van de Heer Jezus – een rustplaats heeft gevonden (vers 3131Dezen zijn het die David heeft aangesteld om de zang in het huis van de HEERE te leiden, nadat de ark [op zijn] rustplaats [gekomen] was.). Waar de Heer Jezus in het midden kan wonen, daar kan gezongen worden.

De “tent van ontmoeting” of “tent der samenkomst” (vers 3232Zij dienden vóór de tabernakel, de tent van ontmoeting, met zingen, totdat Salomo het huis van de HEERE in Jeruzalem bouwde. Zij verrichtten hun dienst volgens de bepaling voor hen [vastgesteld].) is niet in de eerste plaats belangrijk omdat de leden van Gods volk daar elkaar kunnen ontmoeten, maar omdat God daar met hen kan samenkomen. Iedere zanger vervult zijn dienst door Gods lof te bezingen. Zo mag elke dienst die in de gemeente gebeurt, gebeuren met gezang, zelfs als het gaat om de dienst van terechtwijzing (vgl. Ko 3:1616Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.). De Levieten “verrichtten hun dienst volgens de bepaling voor hen [vastgesteld]”, wat voor ons overeenkomt met “laat alles welvoeglijk en met orde gebeuren” (1Ko 14:4040Maar laat alles welvoeglijk en met orde gebeuren.).

Heman (vers 3333Dit zijn zij die daar stonden, met hun zonen: van de nakomelingen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuel,) is de kleinzoon van Samuel. Heman wandelt niet in de weg van zijn vader (1Sm 8:2-32De naam van zijn eerstgeboren zoon was Joël en de naam van zijn tweede was Abia; zij waren richters in Berseba.3Maar zijn zonen gingen niet in zijn wegen; zij waren uit op winstbejag, namen geschenken aan en bogen het recht.), maar in die van zijn grootvader.


Dienst van Levieten en priesters

48Hun broeders, de Levieten, waren aangesteld voor allerlei dienst in de tabernakel, het huis van God. 49Aäron en zijn zonen lieten [offers] in rook opgaan op het brandofferaltaar en op het reukaltaar. [Zij waren aangesteld voor] al het werk in het heilige der heiligen, en om over Israël verzoening te doen, overeenkomstig alles wat Mozes, de knecht van God, geboden had.

In deze twee verzen zien we het onderscheid tussen de Levieten en de priesters. De verschillende dienst van de Levieten is een beeld van wat we in het Nieuwe Testament vinden in de verschillende gaven die alle leden van de gemeente hebben (Rm 12:4-84Want zoals wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werking hebben,5zo zijn wij, de velen, één lichaam in Christus, en elk afzonderlijk leden van elkaar.6Daar wij nu verschillende genadegaven hebben, naar de genade die ons gegeven is,7hetzij profetie, [laat het zijn] naar gelang van het geloof; hetzij dienst, in het dienen; hetzij wie leert, in het leren;8hetzij wie vermaant, in het vermanen; wie meedeelt, in eenvoudigheid; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid.; 1Ko 12:4,114Nu is er verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest;11Maar al deze dingen werkt een en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk toedeelt zoals Hij wil.; Ef 4:7,117Maar aan ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus.11En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,). Er is echter ook een gemeenschappelijke dienst en dat is de priesterdienst. Die dienst bestaat uit zingen, dat is een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden” (Hb 13:15b15Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.). Dat wordt niet overgelaten aan speciale gaven en is daarvan ook niet afhankelijk.


De nakomelingen van Aäron

50Dit zijn de zonen van Aäron: Eleazar was zijn zoon, Pinehas diens zoon, Abisua diens zoon, 51Bukki diens zoon, Uzzi diens zoon, Zerahja diens zoon, 52Merajoth diens zoon, Amarja diens zoon, Ahitub diens zoon, 53Zadok diens zoon, Ahimaäz diens zoon.

Deze verzen zijn een herhaling van de priesterlijke lijn van Aäron tot op Zadok en Ahimaäz (verzen 4-84Eleazar verwekte Pinehas [en] Pinehas verwekte Abisua.5Abisua verwekte Bukki en Bukki verwekte Uzzi.6Uzzi verwekte Zerahja en Zerahja verwekte Merajoth.7Merajoth verwekte Amarja en Amarja verwekte Ahitub.8Ahitub verwekte Zadok en Zadok verwekte Ahimaäz.). Deze herhaling bevestigt dat de priesters uit de lijn van Zadok als enigen onder de Levitische afdelingen in de dagen van David bevoegd zijn om offers te brengen.

Tegelijk vormt dit gedeelte de overgang naar de priestersteden die hierna worden genoemd.


De priestersteden

54Dit waren hun woongebieden, [ingedeeld] naar hun tentenkampen, op hun grondgebied, [namelijk dat] van de nakomelingen van Aäron, van het geslacht van de Kahathieten, want dat lot was voor hen. 55Zij gaven hun Hebron, in het land Juda, met zijn weidegronden eromheen. 56Maar het akkerland van de stad en zijn dorpen gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne. 57Aan de nakomelingen van Aäron gaven zij de vrijsteden Hebron en Libna met hun weidegronden, Jattir en Estemoa met hun weidegronden, 58Hilen met zijn weidegronden, Debir met zijn weidegronden, 59Asan met zijn weidegronden en Beth-Semes met zijn weidegronden. 60En van de stam Benjamin: Geba met zijn weidegronden, Alemeth met zijn weidegronden en Anathoth met zijn weidegronden. Al hun steden, aan hun geslachten [toegewezen], waren dertien steden.

Onder de priestersteden bevinden zich ook de vrijsteden (vers 5757Aan de nakomelingen van Aäron gaven zij de vrijsteden Hebron en Libna met hun weidegronden, Jattir en Estemoa met hun weidegronden,). Voor de zes vrijsteden zie Numeri 35; Deuteronomium 19:1-10; Jozua 20.


De Levietensteden

61Maar aan de nakomelingen van Kahath die overgebleven waren van het geslacht van de stam, [gaf men] door het lot tien steden van de halve stam: half Manasse. 62En aan de nakomelingen van Gerson [gaf men, ingedeeld] naar hun geslachten, van de stam Issaschar, van de stam Aser, van de stam Naftali en van de stam van Manasse in Basan dertien steden. 63Aan de nakomelingen van Merari [gaf men, ingedeeld] naar hun geslachten, van de stam Ruben, van de stam Gad en van de stam Zebulon door het lot twaalf steden. 64Zo gaven de Israëlieten de Levieten deze steden met hun weidegronden. 65Zij gaven ze door het lot, van de stam van de nakomelingen van Juda, van de stam van de nakomelingen van Simeon en van de stam van de nakomelingen van Benjamin; deze steden, die zij met name noemden. 66[De overigen] uit de geslachten van de nakomelingen van Kahath [ontvingen] steden als hun grondgebied van de stam Efraïm, 67want zij gaven hun de vrijsteden Sichem met zijn weidegronden in het bergland van Efraïm, Gezer met zijn weidegronden, 68Jokmeam met zijn weidegronden, Beth-Horon met zijn weidegronden, 69Ajalon met zijn weidegronden en Gath-Rimmon met zijn weidegronden. 70En uit de halve stam van Manasse: Aner met zijn weidegronden en Bileam met zijn weidegronden. [Deze steden waren] voor de overige geslachten van de nakomelingen van Kahath. 71De nakomelingen van Gersom ontvingen van de geslachten van de halve stam Manasse: Golan in Basan met zijn weidegronden en Astharoth met zijn weidegronden. 72Van de stam Issaschar: Kedes met zijn weidegronden, Dobrath met zijn weidegronden, 73Ramoth met zijn weidegronden en Anem met zijn weidegronden. 74Van de stam Aser: Masal met zijn weidegronden, Abdon met zijn weidegronden, 75Hukok met zijn weidegronden en Rehob met zijn weidegronden. 76Van de stam Naftali: Kedes in Galilea met zijn weidegronden, Hammon met zijn weidegronden en Kirjathaïm met zijn weidegronden. 77De overige nakomelingen van Merari ontvingen, van de stam Zebulon: Rimmono met zijn weidegronden [en] Tabor met zijn weidegronden; 78en aan de overzijde van de Jordaan bij Jericho, ten oosten van de Jordaan, van de stam Ruben: Bezer in de woestijn met zijn weidegronden, Jahza met zijn weidegronden, 79Kedemoth met zijn weidegronden en Mefaäth met zijn weidegronden. 80Van de stam Gad: Ramoth in Gilead met zijn weidegronden, Mahanaïm met zijn weidegronden, 81Hesbon met zijn weidegronden en Jaëzer met zijn weidegronden.

De Levietensteden die hier worden opgesomd, vinden we ook in Jozua 21 (zie voor verdere toelichting het commentaar Jozua Toegelicht & toegepast 06). Het zijn er achtenveertig. Ze liggen verspreid door het hele land, zoals Jakob over Levi heeft voorzegd in zijn profetische toespraak tot zijn zonen (Gn 49:77Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.
)
.

Deze steden worden door de andere stammen aan de Levieten gegeven. Dat wil niet zeggen dat ze deze steden ook daadwerkelijk in bezit hebben gekregen. We weten bijvoorbeeld uit Richteren 1 dat het de stammen niet is gelukt om alle steden te veroveren. Dit kan ook een verklaring zijn voor het enkele verschil dat bestaat tussen de opsomming hier en die in Jozua 21.


Lees verder