1 Kronieken
Inleiding 1-31 1. De zangers
Inleiding

David organiseert in deze hoofdstukken de dienst aan God in de tempel. Hij is een type van de Heer Jezus in de toekomst. Hoe deze dienst zal zijn in het duizendjarig vrederijk, wordt beschreven in Ezechiël 40-48. David is ook een type van de Heer Jezus nu, hoe Hij de dienst organiseert in de gemeente. Ook nu zijn er priesters, op grond van Zijn werk (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.; Op 1:66en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen.). Het doel van deze dienst is dat er offers van lof, dank en aanbidding worden gebracht.

Als we een taakomschrijving van de Levieten en de priesters moeten geven, kunnen we het volgende zeggen. Levieten zijn als geschenk aan de priesters gegeven, om de priesterdienst mogelijk te maken en die te bevorderen en te verdiepen. Priesters brengen offers.

In beginsel is iedere gelovige een Leviet, niet alleen zij die dienen met het Woord. De Heer heeft ieder een bepaalde taak toevertrouwd. Het grote kenmerk van de dienst van de Levieten is dat zij de gelovigen helpen om betere priesters of betere aanbidders en betere dienaren worden. Iedere gelovige is daartoe een gave aan iedere andere gelovige. Het is een dienst die gelovigen aan elkaar doen met het doel te komen tot een betere dienst aan God.

De taken van de Levieten worden in 1Kronieken 25-27 genoemd. Er worden zeven taken genoemd, wat niet betekent dat er niet meer taken zijn:
1. Zangers (1Kr 25:1-311Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.2Wat betreft de zonen van Asaf: Zakkur, Jozef, Nethanja en Asarela, zonen van Asaf; onder leiding van Asaf, die profeteerde onder leiding van de koning.3Wat betreft Jeduthun: de zonen van Jeduthun waren Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes. [Zij stonden] onder leiding van hun vader Jeduthun die bij [het spel van] de harp profeteerde onder het loven en prijzen van de HEERE.4Wat betreft Heman: de zonen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, Romamti-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir [en] Mahazioth.5Deze allen waren zonen van Heman, de ziener van de koning, met woorden van God om de hoorn op te heffen. God had Heman veertien zonen gegeven en drie dochters.6Deze allen [stonden] onder leiding van hun vader [opgesteld] voor het lied in het huis van de HEERE met cimbalen, luiten, en harpen, voor de dienst in het huis van God, onder leiding van de koning – Asaf, Jeduthun en Heman.7Hun aantal was [samen] met hun broeders die onderwezen waren in het lied voor de HEERE, tweehonderdachtentachtig, allen volleerd.8Zij wierpen het lot over de taken, zowel de jongste als de oudste, de volleerde [samen] met de leerling.9Het eerste lot kwam uit op Asaf, [namelijk] op Jozef. Het tweede [kwam uit op] Gedalja, hij en zijn broeders en zijn zonen, twaalf.10Het derde [op] Zakkur; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.11Het vierde op Jizri; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.12Het vijfde [op] Nethanja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.13Het zesde [op] Bukkia; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.14Het zevende [op] Jesarela; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.15Het achtste [op] Jesaja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.16Het negende [op] Mattanja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.17Het tiende [op] Simeï; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.18Het elfde [op] Azareël; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.19Het twaalfde op Hasabja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.20Het dertiende op Subaël; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.21Het veertiende op Mattithja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.22Het vijftiende op Jeremoth; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.23Het zestiende op Hananja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.24Het zeventiende op Josbekasa; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.25Het achttiende op Hanani; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.26Het negentiende op Mallothi; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.27Het twintigste op Eliatha; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.28Het eenentwintigste op Hothir; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.29Het tweeëntwintigste op Giddalti; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.30Het drieëntwintigste op Mahazioth; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.31Het vierentwintigste op Romamti-Ezer; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.)
2. Poortwachters (1Kr 26:1-191Wat betreft de afdelingen van de poortwachters: van de Korachieten: Meselemja, de zoon van Kore, uit de zonen van Asaf.2Meselemja had de [volgende] zonen: Zecharja, de eerstgeborene, Jediaël de tweede, Zebadja de derde, Jathniël de vierde,3Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljehoënai de zevende.4Obed-Edom had de [volgende] zonen: Semaja, de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, Sachar de vierde en Nethaneël de vijfde,5Ammiël de zesde, Issaschar de zevende, Peüllethai de achtste; want God had hem gezegend.6Bij zijn zoon Semaja werden ook zonen geboren, die heersten over hun familie; zij waren namelijk strijdbare helden.7De zonen van Semaja waren Othni, Refaël, Obed en Elzabad; [met] zijn broers, dappere mannen: Elihu en Semachja.8Deze allen waren uit de nakomelingen van Obed-Edom: zij, hun zonen en hun broeders, strijdbare mannen, bekwaam tot het dienstwerk; er waren er tweeënzestig van Obed-Edom.9Meselemja had zonen en broeders, strijdbare mannen, achttien.10Hosa, uit de zonen van Merari, had de [volgende] zonen: Simri was het hoofd (hoewel hij niet de eerstgeborene was, stelde zijn vader hem toch aan tot hoofd).11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de zonen en broers van Hosa, dertien.12Deze afdelingen van de poortwachters, de hoofden van de mannen, hadden evenals hun broeders de taak om te dienen in het huis van de HEERE.13En zij wierpen, zowel de jongste als de oudste, naar hun families, voor elke poort het lot.14Het lot voor de Oost[poort] viel op Selemja; maar voor zijn zoon Zecharja, een verstandig raadsman, wierp men het lot, en zijn lot kwam uit op de Noord[poort].15Obed-Edom [kwam uit] op de Zuid[poort] en zijn zonen [kwamen uit] op de voorraadkamers.16Suppim en Hosa op de West[poort], met de Schallechetpoort, bij de oplopende hoofdweg, wacht naast wacht.17Aan de oostkant waren zes Levieten, aan de noordkant elke dag vier, [en] aan de zuidkant elke dag vier; maar bij de voorraadkamers steeds twee.18Voor het bijgebouw aan de westkant waren er vier bij de hoofdweg [en] twee voor het bijgebouw.19Dit zijn de afdelingen van de poortwachters van de zonen van de Korachieten, en van de zonen van Merari.)
3. Bewakers van de schatkamers (1Kr 26:20-2820Van de Levieten ging Ahia over de schatkamers van het huis van God, en over de schatkamers van de geheiligde [gaven].21De zonen van Ladan, zonen van de Gersoniet die bij Ladan hoorden, de familiehoofden die bij Ladan, de Gersoniet, hoorden: Jehiëli.22De zonen van Jehiëli, Zetham en zijn broer Joël, gingen over de schatkamers van het huis van de HEERE.23Van de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten [en] van de Uzziëlieten,24was Sebuel, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, leider over de schatkamers.25Zijn broeders, [die] van Eliëzer [afstamden], waren: zijn zoon Rehabja, zijn zoon Jesaja, zijn zoon Joram, zijn zoon Zichri en zijn zoon Selomith.26Deze Selomith en zijn broeders gingen over al de schatkamers van de geheiligde [gaven], die koning David, met de hoofden van de families, de leiders over duizend en honderd, en de legerbevelhebbers, geheiligd had.27Uit de oorlogen en van de buit hadden zij dit geheiligd om het huis van de HEERE te onderhouden.28Ook alles wat de ziener Samuel geheiligd had, met Saul, de zoon van Kis, Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja. Alles wat [iemand] geheiligd had, stond onder de verantwoordelijkheid van Selomith en zijn broeders.)
4. Opzichters en rechters (1Kr 26:29-3229Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen in de buitendienst als voormannen en rechters in Israël [werkzaam].30Van de Hebronieten gingen Hasabja en zijn broeders, zeventienhonderd dappere mannen, over het opzicht in Israël aan deze zijde van de Jordaan aan de westkant, over heel het werk voor de HEERE en de dienst van de koning.31Van de Hebronieten was Jeria het hoofd. Wat zijn afstammelingen en de families van de Hebronieten betreft: in het veertigste jaar van Davids koningschap werd er [naar hen] onderzoek gedaan en er werden onder hen strijdbare helden gevonden in Jaëzer in Gilead.32En zijn broeders waren dappere mannen, zevenentwintighonderd familiehoofden. Koning David stelde hen aan over de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van de Manassieten, voor alle zaken van God en de zaken van de koning.)
5. Legeroversten (1Kr 27:1-151Dit zijn de Israëlieten volgens hun aantal, de hoofden van de families, de bevelhebbers over duizend en over honderd, met hun voormannen die de koning dienden in alle zaken betreffende de [leger]afdelingen die opkwamen en [met verlof] gingen, van maand tot maand, gedurende alle maanden van het jaar; elke afdeling telde vierentwintigduizend [man].2Over de eerste afdeling in de eerste maand ging Jasobam, de zoon van Zabdiël; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].3Hij was [een] van de nakomelingen van Perez, [en] was het hoofd van alle legerbevelhebbers in de eerste maand.4Over de afdeling in de tweede maand ging Dodai, uit Ahoah, en [in] zijn afdeling was ook Mikloth de leider; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].5De derde legerbevelhebber in de derde maand was Benaja, de zoon van Jojada, de hoofdpriester; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].6Deze Benaja was [een] van de dertig helden en ging over de dertig; [over] zijn afdeling ging Ammizabad, zijn zoon.7De vierde, in de vierde maand, was Asahel, de broer van Joab, en na hem zijn zoon Zebadja; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].8De vijfde, in de vijfde maand, was Samhuth, de Jizrahiet, de bevelhebber; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].9De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].10De zevende, in de zevende maand, was Helez uit Pelon, [een] van de nakomelingen van Efraïm; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].11De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai uit Husa, van de Zerahieten; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].12De negende, in de negende maand, was Abiëzer uit Anathoth, van de Benjaminieten; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].13De tiende, in de tiende maand, was Maharai uit Netofa, van de Zerahieten; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].14De elfde, in de elfde maand, was Benaja uit Pirhathon, [een] van de nakomelingen van Efraïm; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].15De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai uit Netofa, van Othniël; tot zijn afdeling behoorden vierentwintigduizend [man].)
6. Hoofden van de twaalf stammen (1Kr 27:16-2416Over de stammen van Israël gingen: bij de Rubenieten Eliëzer, de zoon van Zichri, leider; bij de Simeonieten: Sefatja, de zoon van Maächa;17bij de Levieten: Hasabja, de zoon van Kemuel; bij [de afstammelingen] van Aäron: Zadok;18bij Juda: Elihu, [een] van de broers van David; bij Issaschar: Omri, de zoon van Michaël;19bij Zebulon: Jismaja, de zoon van Obadja; bij Naftali: Jerimoth, de zoon van Azriël;20bij de nakomelingen van Efraïm: Hosea, de zoon van Azazja; bij de halve stam van Manasse: Joël, de zoon van Pedaja;21bij half Manasse in Gilead: Jiddo, de zoon van Zecharja; bij Benjamin: Jaäsiël, de zoon van Abner;22bij Dan: Azarel, de zoon van Jeroham. Dit waren de leiders van de stammen van Israël.23David nam echter het aantal van hen die twintig jaar oud en daarbeneden waren, niet op, omdat de HEERE gezegd had dat Hij Israël zo talrijk zou maken als de sterren aan de hemel.24Joab, de zoon van Zeruja, was [wel] begonnen met tellen, maar hij voltooide het niet, omdat er daardoor grote toorn over Israël gekomen was. Daarom is het aantal niet opgenomen in de [lijst met] aantallen in de kronieken van koning David.)
7. Andere beambten en raadsheren (1Kr 27:25-3425Over de schatkamers van de koning ging Azmaveth, de zoon van Adiël; en over de voorraadschuren op het land, in de steden, in de dorpen en in de torens ging Jonathan, de zoon van Uzzia.26Over de landarbeiders, voor het werk op het bouwland, ging Ezri, de zoon van Chelub.27Over de wijngaarden ging Simeï uit Rama, maar over wat van de wijngaarden in de voorraadschuren voor de wijn kwam, ging Zabdi uit Sefam.28Over de olijfbomen en de wilde vijgenbomen die in het Laagland waren, ging Baäl-Hanan uit Geder; en Joas ging over de schatkamers voor de olie.29Over de runderen die in Saron weidden, ging Sitrai uit Saron, maar over de runderen in de dalen ging Safat, de zoon van Adlai.30Over de kamelen ging de Ismaëliet Obil, en over de ezelinnen ging Jechdeja uit Meronoth.31Over het kleinvee ging de Hagariet Jaziz. Dezen waren allen opzichters over de bezittingen die koning David had.32Jonathan, de oom van David, was raadsman, een verstandig man; ook was hij schrijver. Jehiël, de zoon van Hachmoni, [trok op] met de zonen van de koning.33Achitofel was raadsman van de koning; en Husai, de Archiet, was een vriend van de koning.34Na Achitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; Joab was legerbevelhebber van de koning.)


1. De zangers

1Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk. 2Wat betreft de zonen van Asaf: Zakkur, Jozef, Nethanja en Asarela, zonen van Asaf; onder leiding van Asaf, die profeteerde onder leiding van de koning. 3Wat betreft Jeduthun: de zonen van Jeduthun waren Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes. [Zij stonden] onder leiding van hun vader Jeduthun die bij [het spel van] de harp profeteerde onder het loven en prijzen van de HEERE. 4Wat betreft Heman: de zonen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, Romamti-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir [en] Mahazioth. 5Deze allen waren zonen van Heman, de ziener van de koning, met woorden van God om de hoorn op te heffen. God had Heman veertien zonen gegeven en drie dochters. 6Deze allen [stonden] onder leiding van hun vader [opgesteld] voor het lied in het huis van de HEERE met cimbalen, luiten, en harpen, voor de dienst in het huis van God, onder leiding van de koning – Asaf, Jeduthun en Heman. 7Hun aantal was [samen] met hun broeders die onderwezen waren in het lied voor de HEERE, tweehonderdachtentachtig, allen volleerd. 8Zij wierpen het lot over de taken, zowel de jongste als de oudste, de volleerde [samen] met de leerling. 9Het eerste lot kwam uit op Asaf, [namelijk] op Jozef. Het tweede [kwam uit op] Gedalja, hij en zijn broeders en zijn zonen, twaalf. 10Het derde [op] Zakkur; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 11Het vierde op Jizri; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 12Het vijfde [op] Nethanja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 13Het zesde [op] Bukkia; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 14Het zevende [op] Jesarela; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 15Het achtste [op] Jesaja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 16Het negende [op] Mattanja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 17Het tiende [op] Simeï; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 18Het elfde [op] Azareël; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 19Het twaalfde op Hasabja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 20Het dertiende op Subaël; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 21Het veertiende op Mattithja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 22Het vijftiende op Jeremoth; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 23Het zestiende op Hananja; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 24Het zeventiende op Josbekasa; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 25Het achttiende op Hanani; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 26Het negentiende op Mallothi; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 27Het twintigste op Eliatha; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 28Het eenentwintigste op Hothir; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 29Het tweeëntwintigste op Giddalti; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 30Het drieëntwintigste op Mahazioth; zijn zonen en zijn broeders, twaalf. 31Het vierentwintigste op Romamti-Ezer; zijn zonen en zijn broeders, twaalf.

In 1 Kronieken 15-16 heeft David de zangers al benoemd en aangesteld. De zang ontbreekt in de tabernakeldienst. In de tempel moet er op geregelde wijze gezongen worden. Iedere gelovige is een zanger. Wij hebben samenkomsten om te zingen. De Heer Jezus heeft Zelf na de paasmaaltijd met de discipelen de lofzang gezongen. Dat is vlak voordat Hij naar het kruis gaat (Mt 26:3030En nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen zij naar buiten naar de Olijfberg.).

David kiest samen met de legeroversten de zangers uit (vers 11Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.). Dat wijst erop dat er een verband is tussen zingen en strijd. Een voorbeeld daarvan hebben we in de geschiedenis van Josafat in 2 Kronieken 20. Josafat krijgt een bijzondere bemoediging van een profeet, die hem aanmoedigt onbevreesd op te trekken. Dan loven de Levieten de HEERE met krachtige stem. Vervolgens trekken de zangers voor de legers uit en op het moment dat zij de lofzang aanheffen wordt de vijand verslagen door de HEERE (2Kr 20:2222Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen, legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.). Juist op kritieke ogenblikken mag de gelovige bidden en zingen. Als Paulus en Silas vanwege hun strijd in het evangelie gevangengenomen zijn, zingen zij in de nacht in de kerker (Hd 16:25a25Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen.). In het lied verheft de gelovige zijn hart in lofzegging tot God.

Voor het dienstwerk van de zang worden “de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun” afgezonderd (vers 11Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.). Asaf is de dichter van de Psalmen 50 en 73-83, Heman van Psalm 88 en Jeduthun van Psalm 39 en mogelijk Psalm 62. Asaf betekent ‘een die vergadert’, Jeduthun ‘een koor van lofprijzing’ en Heman ‘getrouw’. In deze namen zien we wat een plaatselijke gemeente moet kenmerken die samenkomt om te aanbidden.

Het zingen tot eer van God wordt drie keer profetie genoemd (verzen 1-31Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.2Wat betreft de zonen van Asaf: Zakkur, Jozef, Nethanja en Asarela, zonen van Asaf; onder leiding van Asaf, die profeteerde onder leiding van de koning.3Wat betreft Jeduthun: de zonen van Jeduthun waren Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes. [Zij stonden] onder leiding van hun vader Jeduthun die bij [het spel van] de harp profeteerde onder het loven en prijzen van de HEERE.). W kunnen zeggen dat deze dienst, naar de nieuwtestamentische betekenis van het woord ‘profetie’, een opbouwend, vermanend en vertroostend karakter heeft (1Ko 14:33Maar wie profeteert, spreekt voor mensen [tot] opbouwing, vermaning en vertroosting.). Het wordt ook een “dienstwerk” genoemd. Dat betekent dat we in een tijd waarin alles in verval is, ons ervoor moeten inzetten dat deze dienst ook door ons wordt verricht. De dienst van zingen is een dienst net als het prediken van het evangelie of een andere dienst onder de gelovigen. Deze dienst van zingen is op God gericht.

De dienst van de zangers is een geestelijke dienst. Zoals gezegd, lezen we enkele keren dat zangers door het zingen ‘profeteren’, wat wil zeggen dat hun dienst een geestelijke uitwerking heeft. Dat toont aan dat er verband is tussen het lied en profetie. In die zin spreekt Paulus daar ook over tot de gemeente in Efeze: “En spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen” (Ef 5:19a19en spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer,).

Het aspect van het “tot elkaar” spreken komt in verschillende liederen voor. We moeten daar maar eens op letten als we een lied zingen. Liederen waarin we ‘tot elkaar spreken’, zijn liederen waarin een oproep aan elkaar wordt gedaan. Een voorbeeld daarvan is het lied ‘Voorwaarts christenstrijders’, waarin we elkaar oproepen en aanmoedigen om voorwaarts te gaan in de strijd die we ondervinden als we in het spoor van de Heer Jezus gaan.

Iemand heeft in de betekenis van een aantal namen van de zonen van Heman (vers 44Wat betreft Heman: de zonen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, Romamti-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir [en] Mahazioth.) een gebed gezien. Te beginnen met Hananja, de zesde zoon van Heman, kunnen de namen van de rest van zijn zonen uit het Hebreeuws worden vertaald. Als we de betekenis van deze namen in volgorde nagaan, ontstaat een gebed dat goed het werk van Heman als “de ziener van de koning” (vers 55Deze allen waren zonen van Heman, de ziener van de koning, met woorden van God om de hoorn op te heffen. God had Heman veertien zonen gegeven en drie dochters.) en als dichter beschrijft:

(6e-Hananja)           Wees genadig, Jahweh,
        (7e-Hanani)           wees mij genadig!
(8e-Eliatha)              Mijn God, U,
        (9e-Giddalti)           heb ik geprezen
        (10e-Romamti-Ezer)       en verhoogd vanwege hulp.
(11e Josbekasa)          Hoewel troosteloos neergezeten,
        (12e-Mallothi)         heb ik geproclameerd
        (13e-Hothir)                     hoogste
        (14e-Mahazioth)                       gezichten.

Liederen moeten ook in overstemming zijn met Gods Woord (vers 55Deze allen waren zonen van Heman, de ziener van de koning, met woorden van God om de hoorn op te heffen. God had Heman veertien zonen gegeven en drie dochters.), ze moeten dat Woord ‘vertolken’. Als een lied in overeenstemming met het Woord van God is, geeft het kracht in de dienst, waarvan het opheffen van de hoorn spreekt. Veel liederen in onze tijd bevatten weinig uit het Woord van God of hebben zelfs een inhoud die ermee in strijd is of puur op de emoties is gericht, met veel herhalingen. Het verband tussen het Woord van God, ofwel de dienst van de profetie, en het lied zien we op een prachtige manier in wat Paulus tegen de Kolossers zegt: “Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen” (Ko 3:1616Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.).

Het huis van de HEERE (vers 66Deze allen [stonden] onder leiding van hun vader [opgesteld] voor het lied in het huis van de HEERE met cimbalen, luiten, en harpen, voor de dienst in het huis van God, onder leiding van de koning – Asaf, Jeduthun en Heman.) is een huis van gezang. De zangers worden verondersteld daar te zijn en niet thuis te blijven of met iets anders bezig te zijn. Dit vindt zijn toepassing in het samenkomen van de gemeente, “[het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God” in deze tijd (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). We worden vermaand dat “wij onze eigen bijeenkomst niet verzuimen” (Hb 10:2525en laten wij onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen gewoon zijn, maar [elkaar] vermanen en dat zoveel temeer naarmate u de dag ziet naderen.).

Heman heeft als vader in zijn (muzikale) gezin de leiding. Hij stelt zijn kinderen op voor de zangdienst. Het moet een genot zijn geweest Heman met zijn kinderen naar de tempel te zien komen en daar te horen zingen. De kinderen maken de dienst niet uit, niet thuis en niet in het huis van God, maar volgen hun vader en doen wat hij zegt. Het is niet in overeenstemming met Gods gedachten dat er lofprijzingdiensten alleen voor jongeren zijn, of dat zij de dienst in de gemeente bepalen.

Vader Heman geeft het goede voorbeeld, omdat hij zelf ook onder “leiding van de koning” staat. In geestelijk opzicht gaan de vaders in Christus de jongeren en kleine kinderen in Christus voor in het lofprijzen van God. Dat kunnen zij ook alleen doen als zij zelf het gezag van Christus over hun leven erkennen. Zij staan onder Goddelijke controle (vgl. Jh 4:2424God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.). In de brief aan de Hebreeën worden de offers van lof ook direct verbonden met hen die voorgaan en waken over de zielen (Hb 13:15-1715Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.16En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen.17Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig.).

Van het zingen van liederen gaat kracht uit. Het opgeven van een lied in de samenkomst dat door de gemeente gezongen wordt, behoort het resultaat van geestelijke oefening te zijn. Het gebeurt “onder leiding van de koning” of ‘op aanwijzing van de koning’ (vers 66Deze allen [stonden] onder leiding van hun vader [opgesteld] voor het lied in het huis van de HEERE met cimbalen, luiten, en harpen, voor de dienst in het huis van God, onder leiding van de koning – Asaf, Jeduthun en Heman.), wat voor ons betekent op aanwijzing van de Heer Jezus. Het vraagt oefening in de school van God, een “onderwezen” worden in “het lied voor de HEERE” (vers 77Hun aantal was [samen] met hun broeders die onderwezen waren in het lied voor de HEERE, tweehonderdachtentachtig, allen volleerd.), om een lied op te geven dat door allen kan worden gezongen. Het gaat om “het lied voor de HEERE”. Daarin is iedere gelovige, jong en oud, betrokken (verzen 7-87Hun aantal was [samen] met hun broeders die onderwezen waren in het lied voor de HEERE, tweehonderdachtentachtig, allen volleerd.8Zij wierpen het lot over de taken, zowel de jongste als de oudste, de volleerde [samen] met de leerling.; 1Kr 24:3131Ook zij wierpen het lot – evenals hun broeders, de zonen van Aäron – in tegenwoordigheid van koning David, Zadok en Achimelech, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; het familiehoofd evenals zijn jongste broer.; vgl. Mt 21:1616en zeiden tot Hem: Hoort U wat dezen zeggen? Jezus nu zei tot hen: Jawel, maar hebt u nooit gelezen: ‘Uit [de] mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U Zich lof bereid’?).

De uitdrukking “lied voor de HEERE” komt drie keer voor in het Oude Testament. De eerste keer wordt het “lied voor de HEERE” gezongen door Mozes en de Israëlieten, als het volk uit de slavernij in Egypte is verlost (Ex 15:11Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
Ik zal zingen voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
. De bevrijding is de aanleiding van dit lied. Hier, in 1 Kronieken 25, wordt het voor de tweede keer genoemd. De nadruk ligt hier op wie deze dienst kunnen doen: zij die geroepen en geestelijk onderwezen zijn. De derde keer dat het voorkomt, gaat het erom wanneer er gezongen moet worden: op het ogenblik dat het brandoffer begint (2Kr 29:2727En Hizkia beval dat men het brandoffer op het altaar moest offeren. Juist op de tijd dat het brandoffer begon, begon [ook] het lied voor de HEERE, met de trompetten, onder begeleiding van de instrumenten van David, de koning van Israël.). Er is ook nog een keer sprake van een “lied van de HEERE” (Ps 137:44[zeiden wij:] Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen
in een vreemd land?
)
. Daar gaat het om de vraag waar gezongen moet worden: niet in een vreemd land, maar in Jeruzalem.


Lees verder