1 Kronieken
1-19 Indeling van de priesters 20-31 De Levieten helpen de priesters
Indeling van de priesters

1Wat de nakomelingen van Aäron betreft, waren [dit] hun afdelingen. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar. 2Nadab stierf echter met Abihu tijdens [het leven] van hun vader, en zij hadden geen zonen, zodat Eleazar en Ithamar als priester dienden. 3[Samen] met Zadok uit de nakomelingen van Eleazar, en Achimelech uit de nakomelingen van Ithamar, deelde David hen in, in hun dienstwerk voor hun ambtsgroep. 4Van de zonen van Eleazar werden er meer gevonden als hoofden van de mannen dan van de zonen van Ithamar, toen zij hen indeelden; van de zonen van Eleazar waren er [namelijk] zestien familiehoofden, maar van de zonen van Ithamar waren er acht familiehoofden. 5Zij deelden hen in door het lot, zowel de ene als de andere groep, want de leiders van het heiligdom en de door God [aangestelde] leiders waren uit de zonen van Eleazar en uit de zonen van Ithamar. 6Semaja, de zoon van Nethaneël de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, in tegenwoordigheid van de koning, de vorsten, de priester Zadok, Achimelech, de zoon van Abjathar, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; één familie werd genomen voor Eleazar, en dan weer [één] voor Ithamar. 7Het eerste lot kwam uit op Jojarib, het tweede op Jedaja; 8het derde op Harim, het vierde op Seorim; 9het vijfde op Malchia, het zesde op Mijamin; 10het zevende op Hakkoz, het achtste op Abia; 11het negende op Jesua, het tiende op Sechanja; 12het elfde op Eljasib, het twaalfde op Jakim; 13het dertiende op Huppa, het veertiende op Jesebeab; 14het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer; 15het zeventiende op Hezir, het achttiende op Happizzes; 16het negentiende op Petahja, het twintigste op Jehezkel; 17het eenentwintigste op Jachin, het tweeëntwintigste op Gamul; 18het drieëntwintigste op Delaja, het vierentwintigste op Maäzja. 19Dit zijn hun ambtsgroepen voor hun dienstwerk om het huis van de HEERE binnen te gaan, overeenkomstig de bepaling door de hand van hun vader Aäron, zoals de HEERE, de God van Israël, hem geboden had.

Hier zien we dat de priesters wel door David worden ingedeeld, maar dat wie de dienst verricht, wordt aangewezen door het lot. Dat betekent dat God aanwijst en bepaalt wie dienst doet en niet David (Lk 1:8-98Het gebeurde nu, toen hij de priesterdienst vervulde voor God, in de beurt van zijn afdeling,9dat hij naar de gewoonte van het priesterambt door het lot werd aangewezen om te reukofferen, na het tempelhuis van de Heer te zijn binnengegaan.). Omdat van de vier zonen van Aäron Nadab en Abihu gestorven zijn (Lv 10:1-21De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had.2Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.), zijn er nog twee lijnen waarlangs het priesterschap wordt ingedeeld.

Eleazar is door God aangewezen om hogepriester te zijn, maar de lijn van Ithamar is het geworden. Na Salomo verdwijnt het geslacht van Ithamar. Zadok uit de lijn van Eleazar is de priester naar Gods gedachten. Van de vierentwintig orden die David instelt, gaan er zestien naar Eleazar en acht naar de nakomelingen van Ithamar.

Ieder is priester van zijn eigen orde. Dat leert ons dat ieder een aanbidder is op zijn eigen wijze, ieder heeft zijn eigen gevoelens. Ieder van de vierentwintig is verschillend. Toch zijn we nooit een alleenstaande priester, we zijn een van de vierentwintig. Als we gezamenlijk priesterdienst doen tijdens de eredienst, verloopt de eredienst het meest voldoening gevend als we merken dat alle broeders als een eenheid optreden en niet ieder maar individueel zijn gang gaat, zonder zich aan anderen te storen. Het gaat om samen “met alle heiligen” (Ef 3:1818opdat u ten volle in staat bent te begrijpen met alle heiligen, wat de breedte, lengte, hoogte en diepte is,).

De gelovige die priesterdienst met anderen doet, maakt deel uit van het hele gezelschap van priesters, terwijl hij toch zijn eigen plaats heeft. Kleine gemeenschappen van christenen hebben het voordeel dat iedere broeder gelegenheid krijgt om zich te uiten. Niemand zal ook domineren. In grote samenkomsten ligt het gevaar van passiviteit van het merendeel voor de hand.

Aäron had vier zonen (vers 11Wat de nakomelingen van Aäron betreft, waren [dit] hun afdelingen. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar.; Ex 6:2222Aäron nam Eliseba, dochter van Amminadab [en] zuster van Nahesson, voor zichzelf tot vrouw. Zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.), die alle vier met het volk uit Egypte zijn vertrokken. Ze leken alle vier priesters, maar toch was er een onderscheid tussen twee die ‘geestelijke’ priesters waren en de andere twee die ‘godsdienstige’ priesters waren. Dat kwam tot uiting in de wijze waarop zij tot God naderden. Twee van hen brachten vreemd vuur op het altaar dat de HEERE hun niet had geboden. Dat moest Hij met de dood bestraffen (vers 22Nadab stierf echter met Abihu tijdens [het leven] van hun vader, en zij hadden geen zonen, zodat Eleazar en Ithamar als priester dienden.; Lv 10:1-21De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had.2Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.).

De godsdienst van het vlees, het op eigen manier en naar eigen inzicht tot God willen naderen, kan voor God niet bestaan. Dat moet Hij oordelen. Hun status als priester en dat zij nakomelingen zijn van een zo uitnemende man in Israël als Aäron, verhinderden niet dat zij Gods oordeel over zich haalden. Dit soort priesterschap houdt op te bestaan, want we lezen dat zij geen zonen hadden. De vleselijke gezindheid van de gemeente in Korinthe bracht ook oordeel van God met zich mee (1Ko 3:11En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot kleine kinderen in Christus.; 11:27-3427Daarom, wie op onwaardige wijze het brood eet of de drinkbeker van de Heer drinkt, zal schuldig zijn aan het lichaam en het bloed van de Heer.28Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker.29Want wie eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, als hij niet het lichaam <van de Heer> onderscheidt.30Daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken en nogal velen zijn ontslapen.31Als wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet geoordeeld worden;32maar als wij geoordeeld worden, dan worden wij door <de> Heer getuchtigd, opdat wij niet met de wereld veroordeeld worden.33Daarom, mijn broeders, als u samenkomt om te eten, wacht op elkaar.34Als iemand honger heeft, laat hij thuis eten, opdat u niet tot een oordeel samenkomt. – De overige dingen nu zal ik ordenen als ik kom.).

David, de koning, verdeelt samen met Zadok en Ithamar, de priesters – met elkaar zijn zij een beeld van de Heer Jezus als de Koning-Priester – het werk van de priesters (vers 33[Samen] met Zadok uit de nakomelingen van Eleazar, en Achimelech uit de nakomelingen van Ithamar, deelde David hen in, in hun dienstwerk voor hun ambtsgroep.). Alleen de Heer Jezus wijst aan wie priesters zijn. Dat zijn allen die door het geloof in Hem met Hem verbonden zijn. Hij wijst ook aan hoe en wanneer zij hun dienst moeten verrichten.

Het indelen van de priesterorden gebeurt door het werpen van het lot (vers 55Zij deelden hen in door het lot, zowel de ene als de andere groep, want de leiders van het heiligdom en de door God [aangestelde] leiders waren uit de zonen van Eleazar en uit de zonen van Ithamar.). Het werpen van het lot om de wil van de HEERE te kennen, is kenmerkend voor het Oude Testament. Het lot is ook gebruikt bij het verdelen van het land (Jz 18:8-108Toen maakten die mannen zich gereed en gingen [op weg]. En Jozua gebood hun die [op weg] gingen om het land te beschrijven: Ga, trek door het land en beschrijf het. Kom dan [weer] bij mij terug, dan zal ik voor u hier in Silo het lot werpen voor het aangezicht van de HEERE.9De mannen gingen [op weg]. Zij doorkruisten het land en beschreven het per stad in zeven delen in een boekrol. Daarna kwamen zij [weer terug] bij Jozua in het kamp in Silo.10Toen wierp Jozua het lot voor hen in Silo, voor het aangezicht van de HEERE. En Jozua verdeelde daar voor de Israëlieten het land, volgens hun indelingen.). In het Nieuwe Testament is er nog één keer sprake van het werpen van het lot en dat is om te weten wie de Heer aanwijst als apostel in de plaats van Judas (Hd 1:2626En zij wierpen het lot over hen en het lot viel op Matthias; en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.). In Handelingen 2 vindt de uitstorting van de Heilige Geest plaats (Hd 2:1-41En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.2En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.3En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.4En zij werden allen vervuld met [de] Heilige Geest en ze begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.). Vanaf dat moment is er geen sprake meer van het lot. De Heer maakt door de Geest duidelijk wat Hij wil, zoals Hij Zijn wil in Zijn Woord heeft bekendgemaakt.

Semaja legt de orde vast, zodat die later kan worden geraadpleegd (vers 66Semaja, de zoon van Nethaneël de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, in tegenwoordigheid van de koning, de vorsten, de priester Zadok, Achimelech, de zoon van Abjathar, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; één familie werd genomen voor Eleazar, en dan weer [één] voor Ithamar.). In de wijze waarop dat gebeurt, zien we, in beeld, weer de Koning-Priester: de Heer Jezus heeft gezag en is de ware Hogepriester. Voor Zijn aangezicht, in Zijn tegenwoordigheid, onder Zijn toeziend oog, vindt alles plaats. Zoals Semaja alles vastlegt voor latere raadpleging, hebben wij het Woord van God waarin is vastgelegd hoe de dienst ‘in orde’ kan gebeuren, zoals God het wil en door Zijn Geest wil leiden.

Zacharia, de vader van Johannes de doper, behoort tot de achtste priesterorde, die van Abia (vers 1010het zevende op Hakkoz, het achtste op Abia;), want hij is “uit [de] afdeling van Abia” (Lk 1:55In de dagen van Herodes, koning van Judéa, was er een priester, Zacharia genaamd, uit [de] afdeling van Abia, en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron en haar naam was Elizabeth.). Het getal acht geeft een nieuwe orde van dingen aan. Met de aankondiging van de geboorte van Johannes is dat het geval.

Aäron (vers 1919Dit zijn hun ambtsgroepen voor hun dienstwerk om het huis van de HEERE binnen te gaan, overeenkomstig de bepaling door de hand van hun vader Aäron, zoals de HEERE, de God van Israël, hem geboden had.) is een type van de Heer Jezus als de Hogepriester. Aan Hem is iedere priester vandaag onderworpen.


De Levieten helpen de priesters

20Wat de nakomelingen van Levi betreft die overbleven: bij de zonen van Amram hoorde Subaël, bij de zonen van Subaël [hoorde] Jechdeja. 21Wat betreft Rehabja: van de zonen van Rehabja was Jissia het hoofd. 22Wat betreft de Jizharieten: Selomoth; van de zonen van Selomoth: Jahath. 23Van de zonen [van Hebron] was Jeria [de eerste], Amarja de tweede, Jahaziël de derde, Jekameam de vierde. 24[Van] de zonen van Uzziël: Micha; van de zonen van Micha: Samir. 25De broer van Micha was Jissia; van de zonen van Jissia: Zecharja. 26De zonen van Merari waren Maheli en Musi, de zonen van zijn zoon Jaäzia. 27De zonen van Merari, van [zijn zoon] Jaäzia, waren Soham, Zakkur en Hibri. 28Van Maheli was Eleazar [een zoon], en die had geen zonen. 29Wat betreft Kis: de zoon van Kis was Jerahmeël. 30De zonen van Musi waren Maheli, Eder, Jerimoth. Dit zijn de zonen van de Levieten, naar hun families. 31Ook zij wierpen het lot – evenals hun broeders, de zonen van Aäron – in tegenwoordigheid van koning David, Zadok en Achimelech, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; het familiehoofd evenals zijn jongste broer.

Levieten en priesters zijn broeders (vers 3131Ook zij wierpen het lot – evenals hun broeders, de zonen van Aäron – in tegenwoordigheid van koning David, Zadok en Achimelech, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; het familiehoofd evenals zijn jongste broer.), de een staat niet boven de ander. Zo is het ook voor ons. De dienst van ieder van ons is verschillend, maar we zijn allemaal onderworpen aan de Koning-Priester. Ook het ‘familiehoofd’ staat niet boven de jongste broeder. Verschillend in leeftijd is ieder onderworpen aan de Koning-Priester.

Dat wil niet zeggen dat er geen wederzijds respect moet zijn in de dienst en ook niet dat jongeren niet onderdanig zouden moeten zijn aan de ouderen (1Pt 5:5a5Evenzo u jongeren, weest aan [de] oudsten onderdanig. En weest allen tegenover elkaar met nederigheid omgord; want ‘God weerstaat [de] hoogmoedigen, maar [de] nederigen geeft Hij genade’.). In Christus zijn die verschillen er niet, maar wel geeft Hij aan ieder een eigen taak en een eigen verantwoordelijkheid in het functioneren in de gemeente op aarde.

Zo is er ook in Christus geen verschil tussen man en vrouw, terwijl dat in de gemeente als zij samenkomt wel zo is (1Ko 14:3434Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt.). Dit verschil moet ook bij het bidden en profeteren in het openbaar zichtbaar zijn door de hoofdbedekking en door het haar, (1Ko 11:1-161Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus.2En ik prijs u, dat u in alles aan mij denkt en de inzettingen vasthoudt, zoals ik ze u heb overgeleverd.3Maar ik wil dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man [het] hoofd van [de] vrouw, en God [het] Hoofd van Christus.4Iedere man die bidt of profeteert met [iets] op zijn hoofd, onteert zijn Hoofd;5en iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en hetzelfde alsof zij geschoren was.6Want als een vrouw niet gedekt is, laat zij zich ook [maar] het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw een schande is zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, laat zij zich dan dekken.7Want [de] man behoort zijn hoofd niet te dekken, daar hij [het] beeld en [de] heerlijkheid van God is; maar de vrouw is [de] heerlijkheid van [de] man.8Want [de] man is niet uit [de] vrouw, maar [de] vrouw uit [de] man;9want [de] man is ook niet geschapen om de vrouw, maar [de] vrouw om de man.10Daarom behoort de vrouw een macht op haar hoofd te hebben ter wille van de engelen.11Evenwel is noch [de] vrouw zonder [de] man, noch [de] man zonder [de] vrouw, in [de] Heer.12Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God.13Oordeelt bij uzelf: is het gepast dat een vrouw ongedekt tot God bidt?14Leert ook de natuur zelf u niet, dat als een man lang haar draagt het een oneer voor hem is?15Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.16Maar als iemand meent te moeten twisten, wij hebben zo’n gewoonte niet, en evenmin de gemeenten van God.).


Lees verder