1 Kronieken
Inleiding 1-3 David tot koning over Israël gezalfd 4-8 David neemt Jeruzalem in 9-10 De helden van David 11 Jasobam 12-14 Eleazar 15-19 Drie helden halen water voor David 20-21 Abisaï 22-25 Benaja 26-47 Overige helden
Inleiding

De gebeurtenissen in 1 Kronieken 11-20 vinden plaats in de periode van 1003-995 v.Chr. In die tijd groeit David naar het toppunt van zijn macht. Aan alles wat heeft plaatsgevonden voordat het volk tot David in Hebron komt, wordt stilzwijgend voorbij gegaan. De fouten en het lijden van David worden niet genoemd. De geschiedenis begint met het voorstellen van wat de kracht en de heerlijkheid van het koninkrijk van David vormt. We kunnen deze geschiedenissen verbinden met de toekomstige vestiging van de macht van Christus, de Zoon van David, op aarde.


David tot koning over Israël gezalfd

1Toen kwam heel Israël bij David te Hebron bijeen, en zij zeiden: Zie, wij zijn uw beenderen en uw vlees. 2Al eerder, ook toen Saul koning was, liet ú Israël uitgaan en ingaan. Ook heeft de HEERE, uw God, tegen u gezegd: Ú zult Mijn volk Israël weiden, en ú zult vorst zijn over Mijn volk Israël. 3Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël overeenkomstig het woord van de HEERE door de dienst van Samuel.

Hier komt gelijk heel Israël om David koning te maken en niet, zoals beschreven wordt in 2 Samuel, eerst de twee stammen en daarna alle stammen (2Sm 2:44Toen kwamen de mannen van Juda en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda. Men vertelde David: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead die Saul begraven hebben.; 2Sm 5:11Toen kwamen alle stammen van Israël naar David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw beenderen en uw vlees.). Vanaf nu tot het einde van dit boek (1Kr 11-29) gaat het om David. Het hele volk erkent dat ze zijn beenderen en zijn vlees zijn. Daarin kunnen we herkennen wat het nieuwtestamentische volk van God, de gemeente, tot Christus kan zeggen in het bewustzijn van hun innige verbondenheid met Hem. In Hebreeën 2 wordt deze verbondenheid door de Heer Jezus tot uiting gebracht (Hb 2:11-1411Want én Hij Die heiligt én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt:12‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.13En opnieuw: ‘Ik zal in Hem vertrouwen hebben’. En opnieuw: ‘Zie, Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft’.14Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,). Onze vereniging met Hem is mogelijk gemaakt omdat Hij aan “bloed en vlees … deelgenomen” heeft (Hb 2:1414Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,), maar “met uitzondering van [de] zonde” (Hb 4:1515Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.).

Er wordt teruggedacht aan wat David vroeger voor het volk heeft gedaan, toen Saul nog koning over hen was (vers 22Al eerder, ook toen Saul koning was, liet ú Israël uitgaan en ingaan. Ook heeft de HEERE, uw God, tegen u gezegd: Ú zult Mijn volk Israël weiden, en ú zult vorst zijn over Mijn volk Israël.). We zien hierin een beeld van wat de Heer Jezus vroeger heeft gedaan in ons leven. Hij heeft ervoor gezorgd dat wij niet zijn omgekomen onder de heerschappij van de satan en het vlees, waarvan Saul een beeld is. Toen Saul heerste, kwam de ware zegen in werkelijkheid van David.

David heeft het volk laten “uitgaan en ingaan”. Dit herinnert aan de woorden van de Heer Jezus die Hij uitspreekt als de goede Herder (Jh 10:99Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.). Daarom is het ook goed om te zien dat de HEERE, de God van David, David in de eerste plaats een herder voor Zijn volk wil laten zijn. Daarna en daardoor kan hij ook koning zijn. Dit geldt ten volle voor de ware David, de Heer Jezus (Ez 34:23-2423Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn.24En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken.; 37:2424En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.).

Voorop staat de zorg voor Gods volk en dan komt de regering. Eerst herder zijn, dan koning worden. Zo is het ook in het leven van de Heer Jezus. Hij is nu de goede Herder, terwijl Hij binnenkort openlijk Zijn koningschap zal aanvaarden. Voor ons valt het samen. Wij zullen Zijn heerschappij over ons leven nu al graag erkennen omdat Hij als de goede Herder voor ons Zijn leven heeft gegeven en ons ook als de overste Herder elke dag verzorgt. Er is toch niemand aan wie wij ons liever onderwerpen dan aan Iemand Die Zich zo voor ons heeft gegeven en Die elke dag voor ons zorgt?

Hieruit is ook veel te leren door allen die een bepaald gezag over anderen hebben. We kunnen denken aan de houding van de man ten opzichte van zijn vrouw en aan de houding van ouders ten opzichte van hun kinderen. Het is ook van belang voor het erkennen van gezag in de gemeente van God. Als God personen een plaats van gezag heeft gegeven, kunnen die personen dat gezag alleen goed uitoefenen als zij zelf weten wat het is om te dienen, de minste te zijn en zorg te besteden aan hen die aan hen zijn toevertrouwd. Zulke personen laten het beeld van de Heer Jezus zien.

Onderdanigheid is heel wat gemakkelijker op te brengen ten opzichte van iemand die om je geeft, die met liefde voor je zorgt, dan ten opzichte van iemand die alleen maar de baas over jou wil spelen en daarvoor zijn positie van gezag misbruikt. Gezag staat bij God nooit los van zorg en liefde en dat is in de Heer Jezus volmaakt zichtbaar geworden.

Na de verklaring van het hele volk komen de oudsten als de vertegenwoordigers van heel Israël naar David toe (vers 33Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël overeenkomstig het woord van de HEERE door de dienst van Samuel.). David sluit met hen “een verbond voor het aangezicht van de HEERE”. Hij zal zich hebben verplicht om een goede koning voor zijn volk te zijn en te regeren in overeenstemming met Gods wet voor de koning (Dt 17:14-2014Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, en u [dan] zegt: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals al de volken die rondom mij zijn,15dan moet u voorzeker hem tot koning over u aanstellen die de HEERE, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een koning over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is.16Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar Egypte om veel paarden aan te schaffen, omdat de HEERE tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren.17Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn hart afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen.18Verder moet het [zó] zijn, als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, dat hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift van deze wet schrijft, vanuit [de rol] die onder het toezicht van de Levitische priesters is.19Dat moet bij hem zijn en hij moet er alle dagen van zijn leven in lezen om de HEERE, zijn God, te leren vrezen [en] om alle woorden van deze wet en deze verordeningen in acht te nemen door [ze] te houden,20opdat zijn hart zich niet verheft boven zijn broeders, opdat hij niet afwijkt van het gebod, naar rechts of naar links en opdat hij [zijn] dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, te midden van Israël.; vgl. 1Sm 10:2525Samuel sprak tot het volk over de bepalingen met betrekking tot het koningschap, schreef ze op een boekrol, en legde die voor het aangezicht van de HEERE. Toen liet Samuel het hele volk gaan, ieder naar zijn huis.). Daarbij is hij zich bewust dat hij een taak op zich neemt, waarvan hem door God rekenschap zal worden gevraagd. Tevens zal hij beseffen dat hij van Hem afhankelijk is voor het verrichten van zijn taak.

De reactie daarop is dat de oudsten David tot koning over heel Israël zalven. Daardoor wordt hij een aan de HEERE gewijde persoon, waardoor hij in Diens Naam, met Diens gezag kan optreden. Het is dan ook geen eigenmachtige handeling, maar gebeurt overeenkomstig het woord van de HEERE door de dienst van Samuel”. Hier wordt David voor de derde keer in zijn leven gezalfd (Elisa is één keer gezalfd, Aäron twee keer en David drie keer):
1. De eerste keer is David gezalfd in het huis van zijn vader, in vernedering en te midden van zijn broers (1Sm 16:1313Toen nam Samuel de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broers. En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan. Daarna stond Samuel op en ging naar Rama.). Dit kunnen we verbinden met de zalving van de Heer Jezus met de Geest, ook te midden van Zijn broeders, in de Jordaan in vernedering (Mt 3:1616Nadat nu Jezus was gedoopt, steeg Hij terstond op uit het water; en zie, de hemelen werden <Hem> geopend, en Hij zag <de> Geest van God neerdalen als een duif <en> op Zich komen;).
2. De tweede keer wordt David, direct nadat Saul gestorven is, gezalfd door de twee stammen (2Sm 2:44Toen kwamen de mannen van Juda en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda. Men vertelde David: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead die Saul begraven hebben.). Hij is dan nog geen koning over heel Israël, maar alleen over Juda. Dit verwijst naar de tijd dat de Heer Jezus terugkomt naar de aarde. Dan zal Hij eerst komen in verbinding met Juda, dat is het overblijfsel van de twee stammen die op dat moment in het land zijn. Zij zullen Hem met vreugde ontvangen als de beloofde Messias.
3. De derde keer wordt hier beschreven, als hij koning wordt over heel Israël (vers 33Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël overeenkomstig het woord van de HEERE door de dienst van Samuel.). Dat ziet vooruit naar de tijd dat de Heer Jezus terugkeert en openlijk, voor iedereen zichtbaar, Zijn koningschap over heel Israël aanvaardt.


David neemt Jeruzalem in

4David trok met heel Israël op naar Jeruzalem, dat is Jebus, want daar waren de Jebusieten, de inwoners van dat land. 5Toen zeiden de inwoners van Jebus tegen David: U komt hier niet binnen! David nam echter de vesting Sion, dat is de stad van David, in. 6David zei namelijk: Al wie de Jebusieten de eerste slag toebrengt, zal hoofd en bevelhebber worden. Toen klom Joab, de zoon van Zeruja, het eerst naar boven en werd hij hoofd. 7Zo ging David in de bergvesting wonen; daarom noemt men deze: stad van David. 8Hij bouwde [een muur] rond de stad, vanaf de Millo en er omheen, en Joab herstelde de rest van de stad.

De eerste handeling die hier van David wordt vermeld, is dat hij vanuit Hebron tegen Jebus optrekt om die stad in te nemen. De nieuwe koning kiest deze stad als nieuwe hoofdstad. De keus van deze stad is zeker ook strategisch van belang, want Jeruzalem ligt veel meer centraal in het land en is ook op een berg gelegen, waardoor de stad moeilijk voor vijanden in te nemen is. Toch is de eerste overweging niet het strategisch belang. Met zijn keus voor deze stad als koningsstad sluit David aan bij de keus van God. Het is de plaats die Hij gekozen heeft om Zijn Naam daar te laten wonen.

David maakt van de inname van Jebus een zaak van eer voor zijn aanvoerders. Joab blijkt de man te zijn die de uitdaging aanneemt en wint en de nieuwe bevelhebber van Davids leger wordt. Joab wordt hier in positieve zin genoemd en niet negatief zoals in 2 Samuel. Het gaat hier immers over de vestiging van het rijk van David; alles gebeurt met het oog op hem, op hem is alle aandacht gericht.

Na deze inname neemt David het gezag over de stad in handen. Hij gaat er wonen. Daardoor kan de stad nu “stad van David” genoemd worden. Zo’n verandering van gezag vindt plaats in het leven van iedere pasbekeerde. Op het moment van zijn bekering gaat hij over van de macht van de satan tot God en erkent hij de heerschappij van de Heer Jezus over zijn leven. De Heer Jezus komt in het leven van zo iemand wonen en heeft er de beschikking over.


De helden van David

9David nam gaandeweg toe in aanzien, want de HEERE van de legermachten was met hem. 10Dit waren de hoofden van de helden die David had, die hun positie mét hem verstevigd hadden voor zijn koningschap over heel Israël, om hem overeenkomstig het woord van de HEERE over Israël koning te maken.

David woont nu in Jeruzalem en neemt in aanzien toe (vers 99David nam gaandeweg toe in aanzien, want de HEERE van de legermachten was met hem.). Dat de HEERE van de legermachten met hem is, blijkt uit de lijst met helden. David neemt toe in aanzien vanwege de grote mannen om hem heen, zijn helden. Bovenal neemt hij in aanzien toe, omdat de HEERE van de legermachten met hem is. De mannen die helden zijn geworden, zijn door de HEERE tot David geleid. Zij zijn hem in de tijd van zijn verwerping gevolgd en zijn daarbij uitgegroeid tot helden. Door de HEERE van de legermachten, waartoe ook de legermacht van David behoort, worden zij genoemd als mannen die David hebben geholpen bij het verwerven van zijn koningschap en de verovering van de koningsstad.

Deze mannen danken hun aanzien aan hem (vers 1010Dit waren de hoofden van de helden die David had, die hun positie mét hem verstevigd hadden voor zijn koningschap over heel Israël, om hem overeenkomstig het woord van de HEERE over Israël koning te maken.). Door hem te versterken versterkten zij zichzelf en hun eigen belangen. Zij hebben “hun positie mét hem verstevigd”. Zijn voorspoed is hun voorspoed. Door hun verbinding met David delen zij in alles wat zijn deel is. Zo is het ook met ons in onze verbinding met de Heer Jezus. Wat wij doen ter bevordering van het koninkrijk van de Zoon van David, zal tot onze winst zijn. Wat iemand groot maakt, is het goede dat hij doet. Die grootheid is niet zonder arbeid en gevaar voor eigen leven te verkrijgen. Het gaat om de goede strijd van het geloof in de Heer Jezus.

Hierna volgt de lijst met de namen van Davids helden (verzen 11-4711Dit nu is het aantal van de helden die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was de belangrijkste van de dertig. Hij doorboorde bij één gelegenheid met zijn speer driehonderd [man].12Na hem [kwam] Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van een man uit Ahoah; hij was [een] van de drie helden.13Hij was met David in Pas-Dammim, toen de Filistijnen daar voor de strijd verzameld waren. Een stuk van het land stond vol met gerst, en het volk vluchtte voor de Filistijnen.14Toen stelden zij zich op midden op dat stuk [land], ontrukten het [aan de vijand] en versloegen de Filistijnen. De HEERE bracht een grote verlossing.15Drie van de dertig hoofdmannen gingen eens op weg naar de rots, naar David, in de grot van Adullam; en het leger van de Filistijnen had zijn kamp opgeslagen in het dal Refaïm.16Toen David in de vesting was – er was toen een garnizoen van de Filistijnen in Bethlehem –17kreeg David dorst en zei: Wie geeft mij water te drinken uit de bron van Bethlehem, die bij de poort ligt?18Toen baanden die drie zich een weg door het kamp van de Filistijnen en putten water uit de bron van Bethlehem, die bij de poort ligt, droegen [het mee] en kwamen bij David. David wilde het echter niet drinken, maar goot het uit voor de HEERE,19en zei: Er is bij mij geen sprake van, mijn God, dat ik dit zal doen! Zal ik het bloed van deze mannen drinken? [Met gevaar voor] hun leven, ja, [met gevaar voor] hun leven hebben zij dat [hier] gebracht. En hij wilde het niet drinken. Zo deden deze drie helden.20Abisaï, de broer van Joab, die was het hoofd van [deze] drie. Hij zwaaide zijn speer over driehonderd gesneuvelden; en hij had een naam onder [deze] drie.21Onder [deze] drie was hij geëerd boven de twee. Daarom was hij hun tot bevelhebber. Hij reikte echter niet tot aan het [eerste] drietal.22Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dappere man, groot van daden, uit Kabzeël. Hij was het die de twee [zonen] van Ariël uit Moab versloeg. Ook was hij het die [eens] in het midden van een kuil afdaalde en [daar] een leeuw doodsloeg, in de sneeuwtijd.23Hij versloeg ook een Egyptenaar, een man van grote lengte, vijf el [lang]. In de hand van de Egyptenaar was een speer als een weversboom, maar [Benaja] ging op hem af met een staf, rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met diens [eigen] speer.24Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; daarom had hij een naam onder de drie helden.25Zie, hij was de meest geëerde onder de dertig, maar hij reikte niet tot dat [eerste] drietal. David stelde hem aan over zijn lijfwacht.26De strijdbare helden waren: Asahel, de broer van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, uit Bethlehem;27Sammoth uit Harod; Helez uit Pelon;28Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; Abiëzer uit Anathoth;29Sibbechai uit Husa; Ilai, de Ahohiet;30Maharai uit Netofa; Heled, de zoon van Baëna uit Netofa;31Ithai, de zoon van Ribai, uit Gibea van de Benjaminieten; Benaja uit Pirhathon;32Hurai uit de dalen van Gaäs; Abiël uit [Beth-]Araba;33Azmaveth uit Barhum; Eljachba uit Saälbon;34de zonen van Hasem, de Gizoniet; Jonathan, de zoon van Sage, uit Harar;35Ahiam, de zoon van Sachar, uit Harar; Elifal, de zoon van Ur;36Hefer uit Mechera; Ahia uit Pelon;37Hezro uit Karmel; Naärai, de zoon van Ezbai;38Joël, de broer van Nathan; Mibhar, de zoon van Hagri;39Zelek, de Ammoniet; Nahrai uit Beëroth, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja;40Ira uit Jether; Gareb uit Jether;41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Achlai;42Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, hoofd van de Rubenieten, met dertig [man] boven hem;43Hanan, de zoon van Maächa, en Josafat uit Methen;44Uzzia uit Astaroth; Sama en Jeïel, de zoon van Hotham uit Aroër;45Jediaël, de zoon van Simri en Joha, zijn broer, uit Tiz;46Eliël uit Mahanaïm; Jeribai en Josavia, de zonen van Elnaäm, en Jithma, de Moabitische;47Eliël, Obed en Jaäziël uit Mezobaja.). Die lijst staat ook in 2 Samuel 23:8-39. In 2 Samuel 23 wordt deze lijst gegeven aan het einde van Davids leven, terwijl de helden hier aan het begin van zijn regering worden genoemd. De helden en hun daden worden hier in herinnering gebracht met betrekking tot de tijd dat David nog geen koning is.

Hieruit kunnen we de les trekken dat wij helden zijn als wij de heerschappij van de Heer Jezus in ons leven nu al waarmaken. Dat zal Hij Zich, als we later bij Hem zijn, herinneren en waarderen. Niets van wat gedaan wordt voor de Heer in de tijd van Zijn verwerping, wordt door Hem vergeten (vgl. Lk 22:28-3028En u bent het die steeds bij Mij bent gebleven in Mijn verzoekingen.29En Ik beschik u een koninkrijk, zoals Mijn Vader Mij heeft beschikt,30opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn koninkrijk en op tronen zit om de twaalf stammen van Israël te oordelen.).

De helden worden genoemd in verband met hun daden op drie terreinen. Ze hebben gestreden
1. met de vijanden,
2. voor het land en
3. voor David.
De heldendaden zijn een afspiegeling van de grote heldendaad van David in het verslaan van Goliath.

De HEERE heeft David koning gemaakt, maar hier wordt de inzet van Davids volgelingen gezien om hem koning te maken. Hun levens laten ons zien wat voor mensen het zijn die David hebben geholpen om het koningschap te verwerven. We zien welke geest hen heeft bezield en wat hen tot hun intense persoonlijke toewijding heeft gebracht.

Dit kunnen we ook op onszelf toepassen. Mede door onze trouw, inzet en toewijding wordt de weg gebaand voor de Heer Jezus om hier op aarde Zijn koningschap te vestigen. Zodra de laatste persoon aan de gemeente van God is toegevoegd, komt de Heer Jezus. Wat onze verantwoordelijkheid betreft, kunnen wij eraan meewerken dat dit snel gebeurt. Door onze trouw, inzet en toewijding kunnen wij het aanbreken van de dag van God verhaasten, dat wil zeggen spoediger laten aanbreken (2Pt 3:1212terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan [de] hemelen in vuur gezet zullen vergaan en [de] elementen brandend zullen wegsmelten.). De dag van God is de dag waarin “God alles in allen zal zijn” (1Ko 15:2828Maar wanneer Hem alles onderworpen is, dan zal <ook> de Zoon Zelf onderworpen zijn aan Hem Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.)) en alles zal beantwoorden aan Wie Hij is.


Jasobam

11Dit nu is het aantal van de helden die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was de belangrijkste van de dertig. Hij doorboorde bij één gelegenheid met zijn speer driehonderd [man].

De naam van Jasobam komt hier voor het eerst voor. Hij wordt niet genoemd in de beschrijving van het leven van David tijdens diens verwerping. Hij behoort tot hen die bij David komen als David in Ziklag is (1Kr 12:1,61Dezen zijn het die naar David in Ziklag kwamen, toen hij nog uitgesloten was van de nabijheid van Saul, de zoon van Kis. Zij waren onder de helden, die in die strijd hielpen,6Elkana, Jissia, Azareël, Joëzer en Jasobam, de Korachieten;). Hier zien we dat hij als de belangrijkste held van David wordt genoemd. Zijn heldendaad bestaat uit het verslaan van driehonderd man bij één enkele gelegenheid. Hij doorboort al deze vijanden met zijn speer en rekent op radicale wijze met hen af.

Er wordt niet vermeld wie deze vijanden zijn. Het geeft ons het voorbeeld dat we een overmachtige vijand die ons of het volk van God wil overmeesteren, kunnen verslaan als we gehecht zijn aan de Heer Jezus. Daarvoor moeten we weten hoe we met de speer moeten omgaan. De speer is hier een beeld van het Woord van God. Alleen daarmee kunnen we de vijand verslaan.


Eleazar

12Na hem [kwam] Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van een man uit Ahoah; hij was [een] van de drie helden. 13Hij was met David in Pas-Dammim, toen de Filistijnen daar voor de strijd verzameld waren. Een stuk van het land stond vol met gerst, en het volk vluchtte voor de Filistijnen. 14Toen stelden zij zich op midden op dat stuk [land], ontrukten het [aan de vijand] en versloegen de Filistijnen. De HEERE bracht een grote verlossing.

Eleazar verdedigt het voedsel van het volk tegen de vijand, de Filistijnen. Filistijnen zijn mensen die in het beloofde land wonen en het voor zichzelf opeisen, zonder er enig recht op te hebben. Zij stellen mensen voor die op het christelijk erf verblijven en zich christen noemen, terwijl ze geen leven uit God hebben. Ze matigen zich aan dat het christelijk terrein hun toebehoort en dat alleen zij weten hoe men zich er moet gedragen. Zij vullen het christen-zijn in naar eigen believen, waardoor zij Gods volk van het voedsel van Gods Woord beroven. Zulke mensen zijn bijvoorbeeld de modernistische predikanten.

Er is behoefte aan helden die het geestelijk voedsel tegen deze invloeden verdedigen. Tot een dergelijke heldendaad komt iemand alleen als hij liefde voor Gods volk heeft. Hier ligt een belangrijke taak voor gelovigen die door de Heer als leraar aan Zijn gemeente zijn gegeven. Zij moeten het Woord van de waarheid recht snijden (2Tm 2:1515Beijver je, je aan God beproefd voor te stellen als een arbeider die zich niet hoeft te schamen, die het Woord van de waarheid recht snijdt.), dat wil zeggen elk deel van de waarheid op de juiste manier uitleggen, zodat het Woord van God voedsel voor het hart voor de hoorder is en hij er in zijn geloof door wordt opgebouwd.


Drie helden halen water voor David

15Drie van de dertig hoofdmannen gingen eens op weg naar de rots, naar David, in de grot van Adullam; en het leger van de Filistijnen had zijn kamp opgeslagen in het dal Refaïm. 16Toen David in de vesting was – er was toen een garnizoen van de Filistijnen in Bethlehem – 17kreeg David dorst en zei: Wie geeft mij water te drinken uit de bron van Bethlehem, die bij de poort ligt? 18Toen baanden die drie zich een weg door het kamp van de Filistijnen en putten water uit de bron van Bethlehem, die bij de poort ligt, droegen [het mee] en kwamen bij David. David wilde het echter niet drinken, maar goot het uit voor de HEERE, 19en zei: Er is bij mij geen sprake van, mijn God, dat ik dit zal doen! Zal ik het bloed van deze mannen drinken? [Met gevaar voor] hun leven, ja, [met gevaar voor] hun leven hebben zij dat [hier] gebracht. En hij wilde het niet drinken. Zo deden deze drie helden.

De drie helden die water voor David halen, worden gekenmerkt door liefde tot David. Wat deze drie mannen doen, kan voor het ongeloof een onredelijke of misschien wel een onzinnige liefde lijken. De aanleiding voor deze liefdedaad is een jeugdherinnering die David uitspreekt. Hij zou wel willen dat iemand hem water uit de bron van Bethlehem, waar hij is opgegroeid, te drinken zou geven. Dit verlangen spreekt hij uit zonder iemand rechtstreeks aan te spreken. Hij geeft geen bevel, maar slaakt als het ware een verzuchting.

Deze verzuchting, dit verlangen, wordt door deze mensen opgevangen. Wat ze uit Davids mond en hart horen, is voldoende om zich ervoor in te zetten dat David krijgt wat hij verlangt. Ze handelen niet op grond van een bevel, maar op grond van een wens. Ze overleggen niet, maar gaan. Ze moeten twee keer door de vijandelijke linies breken. Dat weerhoudt hen er niet van toch te gaan. Ze volbrengen hun missie en brengen – we kunnen ons voorstellen, met stralende gezichten – het water bij David. Juist omdat er geen enkel zinnig argument is te bedenken voor hun handeling, kan het enige motief hun liefde tot David zijn.

David waardeert hun daad. Het dringt diep tot hem door welke inspanningen deze mannen hebben geleverd en welke gevaren ze hebben getrotseerd. Daarom wil hij het water dat zij bij hem brengen niet drinken, maar giet het uit als een plengoffer. Dit water staat voor hem gelijk aan hun “bloed”, dat is “hun leven”, dat zij voor hem in de waagschaal hebben gesteld (vers 1919en zei: Er is bij mij geen sprake van, mijn God, dat ik dit zal doen! Zal ik het bloed van deze mannen drinken? [Met gevaar voor] hun leven, ja, [met gevaar voor] hun leven hebben zij dat [hier] gebracht. En hij wilde het niet drinken. Zo deden deze drie helden.). De mannen kennen de betekenis van het plengoffer. Daarom is, wat David doet, voor hen geen belediging, maar een bewijs van zijn grote waardering voor hun daad. Het uitgieten van het water is overigens de enige daad die, tussen de vermelding van alle heldendaden van zijn mannen, van David zelf wordt vermeld.


Abisaï

20Abisaï, de broer van Joab, die was het hoofd van [deze] drie. Hij zwaaide zijn speer over driehonderd gesneuvelden; en hij had een naam onder [deze] drie. 21Onder [deze] drie was hij geëerd boven de twee. Daarom was hij hun tot bevelhebber. Hij reikte echter niet tot aan het [eerste] drietal.

Abisaï wordt meerdere keren in de geschiedenis van David genoemd. Hij is de oudste van de drie zonen van Zeruja, de zus van David (1Kr 2:1616Hun zusters waren Zeruja en Abigaïl. De zonen van Zeruja waren Abisaï, Joab en Asaël, drie [zonen].). De eerste keer wordt zijn naam genoemd als David vraagt wie er met hem naar Saul wil gaan, als deze hem najaagt. Dat is een gevaarlijke onderneming. Abisaï biedt zich dan aan (1Sm 26:66Toen nam David het woord en zei tegen Achimelech, de Hethiet, en tegen Abisai, de zoon van Zeruja, de broer van Joab: Wie gaat er met mij mee naar Saul in de legerplaats? Toen zei Abisai: Ik ga met u mee.). Abisaï is steeds bij David gebleven in de tijd dat David achterna wordt gezeten door Saul.

De daad die hier wordt vermeld, vinden we niet terug in de beschrijving van zijn lotgevallen met David. Het is een indrukwekkende daad. Binnen de tweede groep van drie neemt hij de eerste plaats in en is zelfs de bevelhebber van de andere twee helden. Tegelijk wordt vermeld dat hij toch niet de hoogte bereikt heeft van het eerste drietal.

Dat kan een domper lijken, een schaduw over zijn knappe prestatie. Toch is dat alleen zo, als hij een eerzuchtig man zou zijn. Daar hebben we geen aanwijzingen voor. Zijn broer Joab is wel eerzuchtig. Dat dit van Abisaï wordt opgemerkt, is dan ook niet bedoeld als een kleineren van zijn heldendaad. Het gaat om de waardering van zijn daad in vergelijking met de daden van anderen. De Heer bepaalt van alles de waarde.

Het kan zijn dat anderen meer voor de Heer hebben gedaan dan wij. Wij hoeven daar niet verdrietig om te worden, dat oneerlijk te vinden of jaloers op die anderen voor te worden. Wij mogen weten dat wat wij hebben mogen doen, door Hem ten volle wordt gewaardeerd.


Benaja

22Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dappere man, groot van daden, uit Kabzeël. Hij was het die de twee [zonen] van Ariël uit Moab versloeg. Ook was hij het die [eens] in het midden van een kuil afdaalde en [daar] een leeuw doodsloeg, in de sneeuwtijd. 23Hij versloeg ook een Egyptenaar, een man van grote lengte, vijf el [lang]. In de hand van de Egyptenaar was een speer als een weversboom, maar [Benaja] ging op hem af met een staf, rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met diens [eigen] speer. 24Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; daarom had hij een naam onder de drie helden. 25Zie, hij was de meest geëerde onder de dertig, maar hij reikte niet tot dat [eerste] drietal. David stelde hem aan over zijn lijfwacht.

Benaja verricht drie heldendaden door drie vijanden te verslaan die een bedreiging vormden voor het volk van God. Achtereenvolgens
1. verslaat hij twee zonen van Ariël uit Moab,
2. slaat hij een leeuw dood in een kuil in een tijd dat er sneeuw ligt en
3. verslaat hij een reus van een Egyptenaar, die hij met diens eigen wapen doodt.

Benaja was dus niet voor een kleintje vervaard. Het is ook niet zo, dat hij het na één overwinning wel welletjes vond. Hij heeft een scherp oog voor alles wat Gods volk bedreigt. Telkens als zich nieuw gevaar aandiende, bezwoer hij dat gevaar door een kordaat en krachtig optreden. Bij het verslaan van de leeuw en de Egyptenaar gaat hij op de vijand af, hij neemt het initiatief. Benaja is een man met moed en met volharding.

Uit zijn wapenfeiten kunnen we belangrijke geestelijke lessen leren. Daarbij moeten we bedenken dat onze strijd niet tegen vlees en bloed is, “maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten]” (Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].). De drie vijanden die Benaja verslaat en doodt, zijn een beeld van drie vijandelijke geestelijke machten waarmee wij in ons leven te maken hebben. Moab is een beeld van het vlees in de gelovige, de leeuw is een beeld van de satan en de Egyptenaar is een beeld van de macht van de wereld.

In de geestelijke betekenis vindt het verslaan van de vijanden plaats als iemand door de prediking van het evangelie tot geloof komt. Elke keer dat iemand tot geloof komt, worden de satan en de wereld verslagen. We zien het ook als gelovigen ertoe worden gebracht door de Geest te leven en daardoor de werkingen van het vlees te doden. [Voor uitvoeriger toepassingen van de heldendaden van Benaja zie het artikel ‘Benaja, een van de helden van David’ op www.oudesporen.nl.]

Benaja wordt geëerd, maar niet als de anderen. Toch komt zijn beloning na jaren, als de omzwervingen van David voorbij zijn en David koning over Israël is geworden. Dat is de tijd van de decoratie. Dan stelt David hem aan tot hoofd van zijn lijfwacht (vers 2525Zie, hij was de meest geëerde onder de dertig, maar hij reikte niet tot dat [eerste] drietal. David stelde hem aan over zijn lijfwacht.). De lange tijd die is verstreken voordat Benaja deze belangrijke positie krijgt, mag een bemoediging zijn voor gelovigen die lang op Gods openlijke erkenning moeten wachten. Gelovigen die zien dat minder geestelijke of zelfs vleselijke gelovigen ogenschijnlijk meer voorspoed hebben, hoeven niet ontmoedigd te worden. Eens, op Gods tijd, misschien pas over jaren of bij de openlijke regering van de Heer Jezus, komt Gods openlijke erkenning van wat voor Hem is gedaan.

Tijdens de verwerping van David is Benaja hem trouw gebleven. Zonder te bibberen is hij de strijd aangegaan met vijanden die een bedreiging voor de samenleving vormden. Het maakte hem niet uit of ze nu op hem afkwamen of dat hij er zelf op af moest gaan. Waar hij gevaar zag, handelde hij onverschrokken. We hebben dat in de vorige verzen gezien.

David erkent de indrukwekkende staat van dienst van Benaja en maakt hem tot hoofd van zijn lijfwacht. Deze ‘promotie’ moet voor Benaja een geweldige vreugde zijn geweest. Hij was al zo verknocht aan zijn koning en nu zal hij nog nauwer betrokken worden bij het leven van David. Als hoofd van de lijfwacht zal hij veel overleg met David moeten voeren. David zal hem inlichten over zijn verblijfplaats en zijn dagelijkse bezigheden. David zal hem zeggen waar hij van plan is heen te gaan. Op grond daarvan zal Benaja moeten nagaan waar gevaren dreigen en hoe die omzeild of onschadelijk gemaakt kunnen worden.

We kunnen hierin de volgende les zien. Elke overwinning op het vlees, de duivel of de wereld, wordt door de Heer Jezus beloond met iets van Zichzelf. De kracht om ‘nee’ zeggen tegen iets wat de duivel of de wereld aanbiedt, vinden we alleen in onze liefde voor de Heer Jezus. Voor de Heer Jezus is dit bewijs van onze liefde zo belangrijk, dat Hij ons meer gaat vertellen over Zichzelf. We gaan steeds meer in de Bijbel ontdekken over de manier waarop Hij denkt en hoe Hij handelt, nu en in de toekomst.

Tegelijk geeft Hij ons daarmee de verantwoordelijkheid om wat Hij ons toevertrouwt, te bewaren en het ons niet afhandig te laten maken. Zo zegt Paulus tegen Timotheüs: “Timotheüs, bewaar het [jou] toevertrouwde pand” (1Tm 6:20a20Timotheüs, bewaar het [jou] toevertrouwde pand, terwijl je je afwendt van het ongoddelijk gezwets en [de] tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde kennis.). Vervolgens is de opdracht dat we ons niet inlaten met ongoddelijk gezwets en mensen die de mond vol hebben over hun zogenaamde kennis (1Tm 6:20b20Timotheüs, bewaar het [jou] toevertrouwde pand, terwijl je je afwendt van het ongoddelijk gezwets en [de] tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde kennis.). Dit treffen we aan bij vrijzinnige theologen die met een beroep op de Bijbel de grofste zonden goedpraten en zo talloze mensen misleiden.

Een voorbeeld las ik over een predikant die met een beroep op ‘alles is geoorloofd’ (1Ko 10:2323Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig; alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op.) een homoseksuele relatie goedpraat! Alsof dat een relatie is waarin Gods gedachten van liefde tussen man en vrouw ook tot uitdrukking komen. Dit zijn vijanden van de ergste soort. De Heer Jezus wil dat wij vasthouden aan wat we hebben – in dit voorbeeld: het huwelijk zoals Hij het heeft ingesteld –, totdat Hij komt (vgl. Op 3:1111Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt.).

Als David oud geworden is, krijgt Benaja te maken met een groot gevaar dat zijn koning bedreigt. Het gevaar komt van binnenuit. Een zoon van David, Adonia, wil koning worden, terwijl duidelijk is dat Salomo de rechtmatige opvolger van David is. Deze geschiedenis staat in 1 Koningen 1. Adonia is een knappe jongen en een gewiekste prater. Hij weet ook wie hij in zijn samenzwering kan betrekken en wie hij erbuiten moet houden. Benaja hoeft hij niet te benaderen. Het is hem duidelijk dat hij hem niet onder zijn invloed kan krijgen.

Kent onze omgeving ons ook als iemand met karakter? Of gaan we nogal snel mee met iemand die ‘uitstraling’ heeft, die over een zeker ‘charisma’ beschikt? Gaan we af op de manier waarop iemand overkomt, terwijl we niet letten op de inhoud? Dan heeft ’Adonia’ vat op ons gekregen. We letten dan niet meer op de Heer Jezus, Die door ons voor ‘oud’ in de zin van ouderwets wordt versleten. We zoeken naar nieuwe impulsen om ons geloof te beleven. Hoe God het wil hebben, is niet meer zo van belang. ‘Beleving’, daar gaat het om. Niet, dat beleving niet belangrijk is, maar het ‘kick’geloof is niet uit God. Daarin staat niet de Heer Jezus centraal, maar de mens en zijn gevoel.

Laten we er eens over nadenken of we ons wel in het juiste gezelschap bevinden. Dat is bij Benaja wel het geval. Hij heeft in de priester Zadok en de profeet Nathan goede kameraden. Ook zij worden niet door Adonia uitgenodigd. Wie zijn onze kameraden, aan wie hebben wij steun als het erop aankomt? Zijn onze vrienden geestelijk gezinde mensen die met de Heer Jezus willen leven?


Overige helden

26De strijdbare helden waren: Asahel, de broer van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, uit Bethlehem; 27Sammoth uit Harod; Helez uit Pelon; 28Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; Abiëzer uit Anathoth; 29Sibbechai uit Husa; Ilai, de Ahohiet; 30Maharai uit Netofa; Heled, de zoon van Baëna uit Netofa; 31Ithai, de zoon van Ribai, uit Gibea van de Benjaminieten; Benaja uit Pirhathon; 32Hurai uit de dalen van Gaäs; Abiël uit [Beth-]Araba; 33Azmaveth uit Barhum; Eljachba uit Saälbon; 34de zonen van Hasem, de Gizoniet; Jonathan, de zoon van Sage, uit Harar; 35Ahiam, de zoon van Sachar, uit Harar; Elifal, de zoon van Ur; 36Hefer uit Mechera; Ahia uit Pelon; 37Hezro uit Karmel; Naärai, de zoon van Ezbai; 38Joël, de broer van Nathan; Mibhar, de zoon van Hagri; 39Zelek, de Ammoniet; Nahrai uit Beëroth, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja; 40Ira uit Jether; Gareb uit Jether; 41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Achlai; 42Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, hoofd van de Rubenieten, met dertig [man] boven hem; 43Hanan, de zoon van Maächa, en Josafat uit Methen; 44Uzzia uit Astaroth; Sama en Jeïel, de zoon van Hotham uit Aroër; 45Jediaël, de zoon van Simri en Joha, zijn broer, uit Tiz; 46Eliël uit Mahanaïm; Jeribai en Josavia, de zonen van Elnaäm, en Jithma, de Moabitische; 47Eliël, Obed en Jaäziël uit Mezobaja.

God heeft het van betekenis geacht de namen van deze helden op te sommen en ze te bewaren. Wij kennen van hen alleen de namen, maar God weet precies wat zij voor David en voor Hem hebben gedaan. Zo houdt God ook vandaag Zijn registers bij. Er zijn daden die in het oog lopen, terwijl talloze andere daden verborgen blijven. God weet echter elke heldendaad te waarderen en op Zijn tijd te belonen (vgl. Mt 25:14-2314Want [het is] als een mens die buitenslands ging en zijn eigen slaven riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde.15En de een gaf hij vijf talenten, de ander twee, de derde één, ieder naar zijn eigen bekwaamheid; en hij ging terstond buitenslands.16Hij nu die de vijf talenten had ontvangen, ging heen en handelde daarmee en won er vijf andere bij.17Evenzo won <ook> die met de twee er twee bij.18Degene echter die het ene had ontvangen, ging weg en groef in [de] grond en verborg het geld van zijn heer.19Na lange tijd nu kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen.20En hij die de vijf talenten had ontvangen, kwam bij hem en bracht vijf andere talenten en zei: Heer, vijf talenten hebt u mij toevertrouwd, zie, vijf andere talenten heb ik [daarbij] gewonnen.21Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.22Degene <nu> met de twee talenten kwam ook bij hem en zei: Heer, twee talenten hebt u mij toevertrouwd, zie, twee andere talenten heb ik [daarbij] gewonnen.23Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.; Lk 19:11-1911Toen zij nu dit hoorden, sprak Hij bovendien een gelijkenis uit, omdat Hij dicht bij Jeruzalem was en zij meenden dat het koninkrijk van God onmiddellijk openbaar zou worden.12Hij zei dan: Een man van hoge geboorte reisde naar een ver land om voor zich een koninkrijk te ontvangen en terug te keren.13Hij nu riep zijn tien slaven en gaf hun tien ponden en zei tot hen: Doet zaken totdat ik kom.14Zijn burgers echter haatten hem en zonden hem een gezantschap achterna om te zeggen: Wij willen niet dat deze over ons regeert.15En het gebeurde toen hij terugkwam, nadat hij het koninkrijk had ontvangen, dat hij zei dat die slaven aan wie hij het geld had gegeven, bij hem geroepen moesten worden, om te weten wat zij aan de zaken hadden verdiend.16De eerste nu verscheen en zei: Heer, uw pond heeft tien ponden opgebracht.17En hij zei tot hem: Goed zo, goede slaaf; omdat je in [het] geringste trouw bent geweest, heb gezag over tien steden.18En de tweede kwam en zei: Uw pond, heer, heeft vijf ponden opgeleverd.19Hij nu zei ook tot deze: En jij, wees [heer] over vijf steden.). God beloont naar de trouw, niet naar de grote van de daad.

We hebben meerdere lijsten waarin gelovigen worden genoemd, soms met vermelding van daden. In de lijst met geloofshelden in Hebreeën 11 worden eerst veel namen genoemd, maar aan het einde komen er geen namen meer, daar lezen we alleen over daden. Zie ook de lijst met namen in Romeinen 16, waar Paulus gelovigen noemt, soms met, soms zonder een toevoeging. Zo is het ook bij de discipelen van de Heer Jezus. Van sommige weten we veel, van anderen minder, van een enkeling alleen de naam. Maar ze zijn bij de Heer geweest en zijn Hem gevolgd. Dat onthoudt Hij en zal Hij belonen.

Enkele namen van de lijst zijn ons bekend. We kennen de eerste naam, Asahel. Hij wordt de broer van Joab genoemd. Daardoor valt des te meer op dat behalve deze vermelding om duidelijk te maken om welke Asahel het gaat, de naam van de eerzuchtige Joab niet op de lijst voorkomt als held van David.

Een opmerkelijke, bekende, naam op de lijst is nog die van Uria (vers 4141Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Achlai;). David heeft hem vermoord om diens vrouw, Bathseba, te kunnen bezitten (2Sm 11:14-17,22-2714Het gebeurde de [volgende] morgen dat David een brief aan Joab schreef. Hij stuurde [die] door de hand van Uria.15Hij schreef in die brief: Plaats Uria vooraan in de strijd, waar deze het hevigst is, trek dan van achter hem terug, zodat hij getroffen wordt en sterft.16Het gebeurde, toen Joab de stad verkend had, dat hij Uria opstelde op de plaats waarvan hij wist dat daar strijdbare mannen waren.17Toen de mannen van de stad naar buiten kwamen en met Joab streden, vielen er van het volk, van de manschappen van David. Ook Uria, de Hethiet, stierf.22De bode ging [op weg], en toen hij aangekomen was, vertelde hij David alles waarvoor Joab hem gestuurd had.23De bode zei tegen David: Voorzeker, die mannen hadden de overhand over ons. Ze kwamen [de stad] uit het veld in, op ons af. Wij drongen hen [echter] terug tot aan de poortdeur,24maar toen schoten de schutters vanaf de muur op uw dienaren, zodat er van de dienaren van de koning stierven. Uw dienaar Uria, de Hethiet, is ook dood.25Toen zei David tegen de bode: Dit moet u tegen Joab zeggen: Laat deze zaak niet kwalijk zijn in uw ogen, want het zwaard verslindt zowel de één als de ander. Verhevig uw strijd tegen de stad en maak haar met de grond gelijk. Bemoedig [Joab] daarmee!26Toen de vrouw van Uria hoorde dat haar man Uria dood was, bedreef zij rouw over haar echtgenoot.27Toen de [tijd van] rouw voorbij was, stuurde David [een bode] en haalde haar in zijn huis. Zij werd hem tot vrouw en baarde hem een zoon. Maar wat David gedaan had, was slecht in de ogen van de HEERE.). Dat zijn naam wordt genoemd, hoeft ons niet te verbazen. Hij heeft grote trouw aan David getoond.


Lees verder