Handelingen
1-4 Timotheüs, Paulus’ nieuwe reisgenoot 5 Bevestiging en toename van de gemeenten 6-10 Kom over … en help ons 11-15 Bekering van Lydia 16-18 Een waarzeggende geest uitgedreven 19-24 In de gevangenis geworpen 25-26 Bidden en zingen in de gevangenis 27-34 Bekering van de gevangenbewaarder 35-40 Vrijlating van Paulus en Silas
Timotheüs, Paulus’ nieuwe reisgenoot

1Hij nu kwam <én> in Derbe en <ook> in Lystra. En zie, daar was een discipel, genaamd Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader, 2die een [goed] getuigenis had van de broeders in Lystra en Iconium. 3Paulus wilde dat deze met hem mee zou vertrekken en hij nam hem en besneed hem ter wille van de Joden die in die plaatsen waren; want zij wisten allen dat zijn vader een Griek was. 4Toen zij nu de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen over die door de apostelen en de oudsten in Jeruzalem waren vastgesteld om die te onderhouden.

Na door Syrië en Cilicië te zijn gegaan komt Paulus in de steden Derbe en Lystra in Lycaonië (Hd 14:66vluchtten zij toen zij het gewaar werden, naar de steden van Lycaónië, Lystra en Derbe en de omstreken,). In Lystra treft hij een discipel die Timotheüs heet. Timotheüs wordt hier voor de eerste keer genoemd. In het vervolg van Handelingen en ook in de brieven van Paulus zullen we veel over hem horen.

Het lijkt erop dat hij door de prediking van Paulus tijdens diens eerste zendingsreis tot geloof is gekomen. Dat kunnen we opmaken uit de brieven die Paulus later aan Timotheüs schrijft. Daarin noemt hij hem zijn “echt kind in [het] geloof” (1Tm 1:22aan Timotheüs, [mijn] echt kind in [het] geloof: genade, barmhartigheid en vrede van God <de> Vader en van Christus Jezus, onze Heer.) en richt hij zich tot hem als zijn “geliefd kind” (2Tm 1:22aan Timotheüs, [mijn] geliefd kind: genade, barmhartigheid, vrede van God [de] Vader en van Christus Jezus, onze Heer.; vgl. 1Ko 4:1717Daarom <juist> heb ik Timotheüs naar u toe gezonden, die mijn geliefd en trouw kind in [de] Heer is; die zal u mijn wegen, die in Christus <Jezus> zijn, in herinnering brengen, zoals ik overal in elke gemeente leer.). Hij zal Paulus’ meest gewaardeerde medewerker worden.

Het huwelijk waaruit Timotheüs geboren is, is naar de maatstaven van de wet verboden (Dt 7:33U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.; Ne 13:2525Ik had onenigheid met hen en ik vervloekte hen. En ik sloeg [sommige] mannen van hen en trok hun de haren uit. Ik liet hen zweren bij God: U zult uw dochters niet aan hun zonen geven en van hun dochters niemand voor uw zonen of voor uzelf nemen!). Maar de genade overwint en maakt van hem, die uit een onwettig huwelijk is geboren, een instrument tot eer van God – zijn naam betekent ‘God erend’. Zijn moeder en ook zijn oma waren gelovige vrouwen (2Tm 1:55als ik mij in herinnering breng het ongeveinsd geloof in jou, dat eerst gewoond heeft in je grootmoeder Loïs en in je moeder Eunice, en ik ben ervan overtuigd ook in jou.), die hem hebben onderwezen in de Schriften. Hij kent de Schriften van jongs af (2Tm 3:1515en omdat je van jongs af <de> heilige Geschriften kent, die je wijs kunnen maken tot behoudenis door [het] geloof dat in Christus Jezus is.).

Sinds zijn bekering is Timotheüs in het geloof gegroeid. Door zijn kennis van de heilige Schriften is hij al snel in staat om ook met het Woord te dienen. Zijn geestelijke ontwikkeling is opgemerkt door de broeders in Lystra waar hij woon, maar ook door de broeders in Iconium, waar hij blijkbaar wel eens komt om ook daar met het Woord te dienen.

Als Paulus weer in Lystra komt en zijn aandacht ongetwijfeld op deze veelbelovende jongeman wordt gericht, wil hij dat Timotheüs met hem mee op reis gaat. Uit de brieven die Paulus later aan Timotheüs zal schrijven, weten we dat deze op een speciale manier voor de dienst is toegerust. We kunnen daarin vier aspecten ontdekken die een rol hebben gespeeld:
1. voorafgegane profetieën (1Tm 1:1818Dit bevel vertrouw ik je toe, [mijn] kind Timotheüs, overeenkomstig de voorafgegane profetieën over jou, opdat je door deze de goede strijd strijdt,),
2. genadegave van God (1Tm 4:1414Verwaarloos niet de genadegave in je, die je gegeven is door profetie met oplegging van de handen van de gezamenlijke oudsten.; 2Tm 1:6a6Om die reden herinner ik je eraan de genadegave van God aan te wakkeren, die in je is door de oplegging van mijn handen.),
3. handoplegging door Paulus (2Tm 1:6b6Om die reden herinner ik je eraan de genadegave van God aan te wakkeren, die in je is door de oplegging van mijn handen.) en
4. handoplegging door de gezamenlijke oudsten (1Tm 4:1414Verwaarloos niet de genadegave in je, die je gegeven is door profetie met oplegging van de handen van de gezamenlijke oudsten.).

Zoals al eerder is opgemerkt, betekent het opleggen van de handen niet inwijding of roeping, maar zich een maken met, gemeenschap (Hd 6:66die zij voor de apostelen stelden; en na gebeden te hebben legden zij hun de handen op.; 13:33Toen vastten en baden zij, legden hun de handen op en lieten hen gaan.).

Dan doet Paulus iets wat op het eerste gezicht merkwaardig lijkt omdat het gaat om iets wat hij kortgeleden nog zo heeft bestreden. Hij besnijdt namelijk eigenhandig Timotheüs. De reden volgt er direct op. Zijn doel met de besnijdenis van Timotheüs is om daardoor Joodse vooroordelen te overwinnen (1Ko 9:2020En ik ben de Joden geworden als een Jood, om [de] Joden te winnen; hun die onder [de] wet zijn, als onder [de] wet (hoewel ik zelf niet onder [de] wet ben), om hen die onder [de] wet zijn te winnen;). Timotheüs zal voor Joden niet aanvaardbaar zijn als hij niet volledig Jood is.

Paulus staat in de vrijheid van de Geest. Daarom kan hij Timotheüs besnijden. Hij doet het ook zonder dat er enige dwang op hem wordt uitgeoefend. Toen hij verplicht werd om Titus te besnijden, deed hij dat niet (Gl 2:33(maar ook werd Titus, die bij mij was, hoewel hij een Griek was niet genoodzaakt zich te laten besnijden;)). Christelijke vrijheid erkent de wet ten volle op zijn plaats, hoewel de wet in die christelijke vrijheid zelf geen plaats heeft. Bij Titus gaat het om de christelijke leer, alsof je zonder besnijdenis niet behouden kunt worden. Daarom wordt Titus niet besneden.

Bij Timotheüs gaat het om wat nuttig is voor het werk en dan is het wel nuttig om hem te besnijden om daardoor beter ingang bij de Joden te hebben en de Joden te winnen. De besnijdenis van Timotheüs heeft dus niets te doen met zijn behoudenis, maar uitsluitend met zijn functioneren te midden van Joodse gelovigen.

Door zijn geboorte uit een Joodse moeder is Timotheüs Jood. Dat is zo gesteld – zo wordt gezegd – uit de praktische overweging dat het eenvoudiger te bewijzen is dat een moeder Jodin is dan een vader Jood. Ook wordt een kind door de moeder op veel sterkere wijze beïnvloed door haar godsdienst dan dat de vader dat zou kunnen doen door zijn godsdienst.

Paulus heeft nergens de Joden opgeroepen zich niet meer aan de wet te houden. Waar het nuttig was, onderwierp hij zich er zelf aan met het oog op het evangelie onder de Joden. Pas in de brief aan de Hebreeën schrijft hij over het verdwijnen van het tijdperk van de wet en daarmee het belang ervan voor de Joden en roept hij hen op de legerplaats of het kamp te verlaten (Hb 13:1313Laten wij daarom tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij Zijn smaad dragen.).

Met Silas en Timotheüs reist Paulus de steden door om overal in de gemeenten door te geven wat er in Jeruzalem is beslist aangaande de noodzakelijke dingen die door de gelovigen uit de volken moeten worden onderhouden. Van een onderhouden van de geboden van de wet is geen sprake.


Bevestiging en toename van de gemeenten

5De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof en namen dagelijks in aantal toe.

Hier geeft Lukas weer een ´tussenstand´ van de ontwikkeling van de gemeente. Het vers markeert de overgang tussen twee gedeelten van het boek. Het deel dat in vers 66Zij nu doorreisden het land van Frygië en Galatië, terwijl zij door de Heilige Geest werden verhinderd het Woord in Asia te spreken; begint, loopt door tot Handelingen 19:20 waar Lukas weer zo’n ‘tussenstand’ geeft (Hd 19:2020Zo nam het Woord van de Heer toe met macht en werd sterker.).

Nu de kwestie met de wet is geregeld, is er ruimte voor verdere groei. Vrij zijn van de wet schept een atmosfeer waarin de gemeenten kunnen worden bevestigd in het geloof. Het is nog de begintijd met het krachtige werk van de Geest en toegewijde dienaren. Dat er dagelijks aan de gemeenten worden toegevoegd, spreekt ook van de machtige werking van de Geest. Bekeringen zijn geen incidenten. Ze vinden niet zo af en toe hier en daar eens plaats, maar elke dag komen er mensen tot bekering.


Kom over … en help ons

6Zij nu doorreisden het land van Frygië en Galatië, terwijl zij door de Heilige Geest werden verhinderd het Woord in Asia te spreken; 7en bij Mysië gekomen probeerden zij naar Bithynië te gaan, en de Geest van Jezus liet het hun niet toe. 8Toen zij nu Mysië waren voorbij gereisd, kwamen zij in Troas. 9En Paulus kreeg ‘s nachts een gezicht: een Macedonisch man stond [daar] en smeekte hem aldus: Kom over naar Macedonië en help ons. 10Toen hij nu het gezicht had gezien, trachtten wij terstond naar Macedonië te vertrekken, daar wij [daaruit] opmaakten dat God ons had geroepen om hun het evangelie te verkondigen.

Omdat het terrein van de dienst van het evangelie de hele schepping is, is er leiding nodig om te weten welke weg er moet worden gegaan. Voor zijn eerste zendingsreis kan Paulus wijzen op een duidelijke opdracht van de Heilige Geest (Hd 13:22Terwijl zij nu de Heer dienden en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe Ik hen heb geroepen.). Zijn tweede zendingsreis onderneemt hij zonder een dergelijke opdracht, maar wel met duidelijke aanwijzingen.

De aanleiding voor deze tweede zendingsreis is het verlangen om nazorg te gaan geven in de gebieden waar hij op zijn eerste zendingsreis is geweest (Hd 15:3636Na enige dagen echter zei Paulus tot Barnabas: Laten wij toch terugkeren en de broeders bezoeken in elke stad waar wij het Woord van de Heer hebben verkondigd, om te zien hoe het hun gaat.). Daar is geen speciale opdracht van de Geest voor nodig, want dit werk is in overeenstemming met het algemene bevel uit de Schrift dat er zorg moet zijn voor de pasbekeerden, de lammeren van de kudde. Paulus is uit op het welzijn van de gelovigen. Dat brengt hem tot handelen. Een dergelijk handelen getuigt van geestelijke volwassenheid. Het is de normale wijze van leiding door de Heilige Geest, want Hij woont in de gelovige onder andere om hem altijd te kunnen leiden (Rm 8:1414Want allen die door [de] Geest van God geleid worden, die zijn zonen van God.).

Op de tweede zendingsreis trekt Paulus Frygië en Galatië door, waar hij ook het Woord heeft gesproken en waardoor er gemeenten zijn ontstaan. Ze gaan verder naar het westen, naar Asia. Asia is een deel van Klein-Azië met Efeze als hoofdstad. Daar worden ze “door de Heilige Geest” verhinderd het Woord te spreken. Later zal hij daar meerdere jaren werken en er uitvoerig het evangelie verkondigen, met Efeze als hoofdzetel van zijn werk. Het is nu nog niet Gods tijd (Hd 20:3131Daarom waakt, en herinnert u dat ik drie jaar, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder met tranen terecht te wijzen.).

Door over de Heilige Geest te spreken lijkt Lukas er de nadruk op te leggen dat Paulus en de zijnen zijn omgeven door onheilige geesten die hen tot onheilige handelingen willen brengen. Die onheilige handelingen kunnen het gevolg zijn van allerlei goede bedoelingen, maar die niet van de Heilige Geest zijn. Het is een waarschuwing dat we ons niet moeten laten leiden door ‘wensdenken’. De Heer kan ons leven op verschillende manieren leiden. Zo kan Hij leiden door de Schrift, omstandigheden, medegelovigen, de Heilige Geest, nuchter nadenken.

Na de verhindering in Asia het Woord te spreken trekken ze naar het noorden en proberen via Mysië naar Bithynië te gaan. Die weg wordt geblokkeerd door “de Geest van Jezus”. De Geest van Jezus is natuurlijk niemand anders dan de Heilige Geest. Dat Hij nu “de Geest van Jezus” wordt genoemd, bepaalt ons bij het leven van de Heer Jezus in vernedering op aarde, want daar herinnert Zijn Naam ‘Jezus’ aan. De Heer Jezus heeft Zich op aarde in alles en altijd laten leiden door de Heilige Geest. De Geest en de Heer Jezus zijn zo nauw aan elkaar verbonden, dat er gesproken kan worden over de ‘Geest van Jezus’. Zo afhankelijk als de Heer Jezus was van de Vader, zo afhankelijk moet ook Paulus leren zijn van God. Dat kan niemand hem beter leren dan de Geest van Jezus.

Op welke wijze de Geest de weg naar Bithynië heeft geblokkeerd, weten we niet. Nu de weg naar Bithynië afgesloten is, buigen ze af naar het westen. We zien dat Paulus wel voor de Heer op reis wil, maar dat hij niet van de Heer een hele routebeschrijving krijgt. Hij moet leren van stap tot stap afhankelijk te zijn. Zo komen ze in Troas terecht.

In Troas krijgt Paulus in de stilte van de nacht nieuwe marsorders. Hiervoor gebruikt God een droom (Jb 33:1515in een droom, een visioen in de nacht,
als een diepe slaap op de mensen valt,
in de sluimer op de slaapplaats.
)
. De man die aan Paulus in een gezicht zichtbaar wordt, kunnen we zien als een symbolische verschijning. In deze man doemt heel Europa voor de geest van Paulus op. De man roept niet of ze willen komen om het evangelie te verkondigen, maar roept om hulp. Er is een werelddeel in nood. Een evangelist is een helper in de nood. Hij is een helper van mensen die onder de last van hun zonden gebukt gaan om die last van de schouders te nemen en de verlichting van het geloof te bieden.

Het gezicht geeft geen nadere bijzonderheden over de reis en het doel. Het is een globale aanduiding van Gods leiding. Over de details moeten ze nog duidelijkheid krijgen. Die duidelijkheid komt door er met elkaar over te spreken wat er uit het gezicht moet worden opgemaakt. Ze komen tot de conclusie dat God hen, en niet alleen Paulus, heeft geroepen om aan de Macedoniërs het evangelie te verkondigen.

In dit overleg doet de schrijver van Handelingen, Lukas, mee. Hij heeft zich onopvallend bij het gezelschap gevoegd. Tot nu toe heeft Lukas steeds over ‘zij’ geschreven. Vanaf vers 1010Toen hij nu het gezicht had gezien, trachtten wij terstond naar Macedonië te vertrekken, daar wij [daaruit] opmaakten dat God ons had geroepen om hun het evangelie te verkondigen. spreekt hij over ‘wij’. Hij wordt deelnemer van het gezelschap en ooggetuige van de gebeurtenissen. Het gezelschap bestaat nu uit vier personen.


Bekering van Lydia

11Wij nu voeren van Troas af en liepen recht op Samothráce aan, en [gingen] de volgende [dag] naar Neápolis, 12en vandaar naar Filippi, dat [de] eerste stad is van dit deel van Macedonië, een kolonie. En wij verbleven enige dagen in die stad. 13En op de sabbatdag gingen wij de poort uit naar [de] rivier, waar wij dachten dat een gebedsplaats zou zijn; en wij gingen zitten en spraken tot de vrouwen die waren samengekomen. 14En een vrouw genaamd Lydia, een purperverkoopster van [de] stad Thyatira, die God vereerde, hoorde toe; en de Heer opende haar hart, zodat zij acht gaf op wat door Paulus werd gesproken. 15Toen zij nu was gedoopt en haar huis, verzocht zij ons aldus: Als u van oordeel bent dat ik de Heer trouw ben, komt dan in mijn huis en blijft er. En zij drong er bij ons op aan.

Van Troas in Asia vaart het gezelschap naar het iets hoger in Asia gelegen Samothráce. Vandaar wordt de oversteek naar Macedonië in Europa gemaakt, waar ze in Neápolis aan land gaan. Van Neápolis gaan ze te voet naar het twintig kilometer verder gelegen Filippi, de voornaamste stad van dat deel van Macedonië.

Voordat er sprake is van enige activiteit in verbinding met het evangelie, brengen Paulus en de zijnen enige dagen in de stad door. Zo kunnen ze de mensen van de stad wat leren kennen. Het is belangrijk eerst belangstelling te tonen voor de mensen om hen daarna het evangelie te kunnen brengen.

Filippi is een Romeinse kolonie, dat wil zeggen een gebied waar de burgers dezelfde rechten hebben als in de steden in Italië. Je kunt je in Filippi als het ware in Rome wanen. Het gaat er net zo aan toe als in Rome. De mensen in Filippi leven als Romeinen onder het gezag van Rome. Paulus zal in de brief die hij later aan de gelovigen in deze stad schrijft, erop wijzen dat gelovigen in de wereld ook op een dergelijke manier leven. Zoals de inwoners van Filippi in een vreemde omgeving toch leven als Romeinen, zo leven gelovigen als burgers van de hemel naar de normen van de hemel op aarde omgeven door een wereld waarvan ze geen deel uitmaken (Fp 3:2020Want ons burgerschap is in [de] hemelen, waaruit wij ook [de] Heer Jezus Christus als Heiland verwachten,).

Ze zullen bij hun kennismaking met de stad ook tot de conclusie zijn gekomen dat er geen synagoge was, maar wel een gebedsplaats. Het schijnt dat een gebedsplaats gebruikelijk was als er geen synagoge was. In deze echt Romeinse stad is het niet vanzelfsprekend dat er een synagoge zou zijn. Voor een synagoge zijn volgens de overlevering minstens tien Joden nodig, waarbij men zich baseert op het gebed van Abraham voor Sodom waarin hij tot tien rechtvaardigen gaat (Gn 18:3232Verder zei hij: Laat de Heere toch niet [in toorn] ontbranden, omdat ik nog eenmaal spreek: Misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die tien.).

Paulus zoekt de gebedsplaats op om ook hier eerst het evangelie aan de Joden te prediken. Als het sabbat is geworden, gaan ze naar de plaats waarvan ze tot de veronderstelling zijn gekomen dat daar mensen komen om te bidden. Als ze daar komen, zien ze dat er vrouwen zijn samengekomen. Paulus en de zijnen gaan bij hen zitten. In die houding van rust spreken ze tot de vrouwen.

In de reactie van de vrouwen en met name van Lydia zien we dat God al bezig is met een werk in Filippi. Op Zijn tijd heeft Hij Paulus daarheen gebracht om Zijn werk in zielen te voltooien. Dat er ook een gemeente ontstaat die wordt gekenmerkt door liefde en zorg zoals blijkt uit de brief die Paulus later aan hen schrijft, daarover spreekt Lukas hier niet.

Lydia is waarschijnlijk een tot het Jodendom bekeerde Griekse. Zij vereert niet meer de veelheid van afgoden van het Romeinse rijk, maar de ene God van de Joden. Ze komt oorspronkelijk uit Thyatira, dat bekendstond om zijn ververij van stoffen. Lydia handelt daarin in Filippi. Terwijl Paulus spreekt – er is dus meer een soort conversatie dan een formele prediking –, hoort Lydia toe. Dan opent de Heer haar hart, waardoor ze acht geeft op wat Paulus heeft gesproken. Ze neemt Gods Woord ter harte, ze aanvaardt in geloof wat God zegt.

Hier zien we de twee kanten van de waarheid die we de hele Bijbel door vinden. Aan de ene kant zien we Lydia die toehoort, ze luistert, en aan de andere kant opent de Heer haar hart, zodat zij aanneemt wat is gezegd. Zo gaat het ook in het leven van ons als gelovigen. We gaan naar de samenkomst om naar het Woord te luisteren en tevens bidden we dat het Woord zijn werk in ons zal doen.

Na haar bekering wordt ze direct gedoopt, wat erop wijst dat Paulus daarover ook zal hebben gesproken. Niet alleen zij wordt gedoopt, maar ook haar huis, dat wil zeggen allen die daartoe behoren. De behoudenis is een individuele zaak. Niemand wordt behouden omdat iemand anders een gelovige is. Kinderen worden niet behouden omdat de ouders gelovigen zijn. Ieder mens moet zich persoonlijk bekeren tot God en in de Heer Jezus geloven.

Tegelijk is het Gods bedoeling om niet alleen personen te behouden, maar huisgezinnen. Ook dat vinden we in de Schrift. Zo zei God al tegen Noach dat hij een ark gereed moest maken tot behoudenis van zijn huis (Hb 11:77Door [het] geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is.). God geeft ouders een grote verantwoordelijkheid om hun kinderen op te voeden in de tucht en vermaning van de Heer (Ef 6:44En u, vaders, prikkelt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in [de] tucht en vermaning van de Heer.). De andere kant is de genade van God dat Hij, als ouders dat doen, daaraan Zijn belofte verbindt dat Hij de kinderen redt. Daarvoor zullen de kinderen zelf tot bekering en geloof moeten komen. Waar mensen hoofd zijn van een gezin, brengen zij het hele gezin in de sfeer van het Woord van God.

Als Lydia is gedoopt en haar huis, beweegt ze Paulus ertoe enige tijd bij haar in huis te blijven. Ze doet daarbij een beroep op haar trouw aan de Heer. Uit alles blijkt dat zij God vereert. Haar doop bewijst dat zij gehoorzaam wil zijn. Haar gastvrijheid bewijst dat ze nieuw leven heeft en de nieuwe betrekkingen die er nu als kinderen van God zijn, wil beleven. Ze zal graag meer hebben gehoord over de Heer Jezus en Zijn werk.


Een waarzeggende geest uitgedreven

16Het gebeurde nu, toen wij naar de gebedsplaats gingen, dat een slavin die een waarzeggende geest had, ons ontmoette, die haar meesters veel winst aanbracht met waarzeggen. 17Deze liep Paulus en ons achterna en schreeuwde aldus: Deze mensen zijn slaven van God de Allerhoogste, die u [de] weg van behoudenis verkondigen. 18En dit deed zij vele dagen lang. Paulus echter, hierover zeer verstoord, keerde zich om en zei tot de geest: Ik beveel je in [de] Naam van Jezus Christus dat je van haar uitgaat. En hij ging uit op hetzelfde ogenblik.

Op weg naar de gebedsplaats komen Paulus en de zijnen een slavin tegen die een Pythons-geest bezit, door wie zij waarzeggerij pleegt. Het meisje is werkelijk bezeten, werkelijk in de macht van een boze geest, waardoor haar identiteit verloren is gegaan. Ze is een werktuig van de satan die haar op onbarmhartige manier uitbuit. De meesters van het meisje verdienen goed aan haar. Er zijn mensen genoeg die haar tegen betaling komen raadplegen.

Als zij de weg van Paulus kruist, openbaart de waarzeggende geest in haar zich luidruchtig. Hij prijst “deze mensen” aan als “slaven van God de Allerhoogste” die een weg van behoudenis verkondigen. Hier zien we de misleidende tactiek van de satan. Hij gaat hier in Europa niet openlijk in de aanval tegen het evangelie, maar probeert zich door misleidende ondersteuning met het werk van het evangelie te verbinden om evangelie en dwaling met elkaar te vermengen en zo het evangelie te verderven.

Het is belangrijk te zien dat hier voor het woord “weg” geen lidwoord staat. Het meisje spreekt niet over ‘de’ weg, maar over ‘een’ weg. Ze heeft het ook over “die u” een weg verkondigen en niet over ‘die ons’ de weg verkondigen. Ze maakt geen reclame voor het evangelie, maar is erop uit het evangelie als een van de vele wegen van behoudenis voor te stellen. Het is typisch demonisch om de exclusiviteit van het evangelie te ontkennen. In wereldgodsdiensten als het boeddhisme en het mohammedanisme is plaats voor Jezus, maar dan wel naast andere afgoden.

Ook haar spreken over hen als slaven van de allerhoogste god betekent in de Griekse context dat zij zegt dat Paulus en de zijnen slaven zijn van Zeus. Ze spreekt over een weg van behoudenis, niet als redding van zonden, maar de redding uit bepaalde onaangename omstandigheden van het leven die zij als waarzegster ook verkondigt. Ze stelt een weg voor die tot welzijn van de mens zou moeten leiden, maar die in werkelijkheid in het eeuwig verderf eindigt.

Paulus is niet direct tegen het meisje opgetreden. Hij heeft haar geschreeuw vele dagen lang verdragen. Dan komt toch het moment dat hij het niet langer kan verdragen. Het betekent niet dat hij geïrriteerd raakt, maar dat een nog langer verdragen ervan het evangelie krachteloos zou maken. Het geschreeuw van het meisje richtte de aandacht van de mensen op hen en niet op het evangelie. Op een gegeven moment keert Paulus zich om en beveelt de geest in de Naam van Jezus Christus van haar uit te gaan. Paulus drijft de geest niet uit in eigen kracht, maar met het gezag van de Naam van de Heer Jezus. Die Naam is verheven boven elke macht en kracht (Hd 3:6,166Petrus echter zei: Zilver en goud heb ik niet; maar wat ik heb, dat geef ik u: in de Naam van Jezus Christus de Nazoreeër, <sta op en> loop!16En op grond van het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam deze die u ziet en kent, sterk gemaakt; en het geloof dat door Hem is, heeft hem deze volledige gezondheid gegeven in tegenwoordigheid van u allen.; 4:1010laat dan aan u allen en aan het hele volk van Israël bekend zijn, dat door de Naam van Jezus Christus de Nazoreeër, Die u hebt gekruisigd, Die God uit [de] doden heeft opgewekt, door die [Naam] deze gezond voor u staat.). De geest gehoorzaamt onmiddellijk.

Helaas is veel evangelieprediking vandaag een prediking die de instemming van de wereld heeft omdat de evangelist het toelaat dat de wereld zich met zijn prediking verenigt. Het gaat om de ingang, zo klinkt het als rechtvaardiging. Dat is niet de manier waarop Paulus te werk gaat. Zijn afwijzing van vermenging komt hem duur te staan, zoals uit het vervolg blijkt.


In de gevangenis geworpen

19Toen nu haar meesters zagen dat hun hoop op winst weg was, grepen zij Paulus en Silas en sleepten hen naar de markt voor de overheid; 20en toen zij hen bij de praetoren hadden gebracht, zeiden zij: Deze mensen, die Joden zijn, brengen onze stad in verwarring 21en verkondigen gebruiken die wij niet mogen aannemen of doen, daar wij Romeinen zijn. 22En de menigte stond mee tegen hen op; en de praetoren scheurden hun de kleren af en bevalen hen te geselen. 23En nadat zij hun vele slagen hadden gegeven, wierpen zij [hen] in de gevangenis en bevalen de gevangenbewaarder hen zorgvuldig te bewaren. 24Daar deze zo’n bevel had ontvangen, wierp hij hen in de binnenste gevangenis en sloot hun voeten zorgvuldig in het blok.

Als de satan zijn doel niet met vleierij kan bereiken, verandert hij in een brullende leeuw (1Pt 5:88Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, [de] duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden.). Zijn instrumenten zijn de meesters van het meisje. Hun bron van inkomsten is verloren gegaan door deze mensen. Ze zijn dan ook allerminst dankbaar voor de bevrijding van het meisje, maar enorm kwaad nu ze hun winst zien verdampen. Ze slepen Paulus en Silas direct voor de overheid die wordt vertegenwoordigd door twee praetoren. De praetoren waren de Romeinse bestuurders, een soort burgemeesters.

De meesters van het door Paulus bevrijde meisje beschuldigen Paulus en Silas van het veroorzaken van oproer. Dit is een zware aanklacht, want alles wat de eenheid en de rust van het Romeinse rijk in gevaar brengt, wordt streng bestraft. In hun doortraptheid maken deze mensen wat Paulus en Silas hebben gedaan tot een politiek thema. Ze weten dat ze daarmee een goede kans maken op een veroordeling. Ook spelen ze in op de haat tegen de Joden door te spreken over “deze mensen, die Joden zijn”.

Verder beschuldigen ze Paulus en Silas ervan dat zij gebruiken verkondigen die tegen de Romeinse gebruiken ingaan. (Lukas en Timotheüs vinden ze kennelijk minder belangrijk, zodat ze die laten lopen.) Gebruiken hebben met cultuur te maken. Ze beschuldigen hen ervan dat ze hun cultuur kapot willen maken met dat evangelie. Cultuur is door God in de volksaard gelegd en is voor alle volken anders, maar kan in de hand van de satan een middel worden om het evangelie tegen te staan. Als de beschuldigingen zijn geuit, staat ook de menigte, die altijd uit is op een verzetje, tegen Paulus en Silas op.

De praetoren vinden nader onderzoek niet nodig. Zonder verdere vorm van proces worden van beide dienaren van God door de rechters de kleren van het lijf gescheurd, waarna die bevel geven hen te geselen. Zij die de geseling uitvoeren, vatten hun taak niet licht op en brengen de beide predikers “vele slagen” toe.

God laat toe dat Zijn dienaren worden geslagen en het is hun eer zich daar niet tegen te verzetten. Het wordt een middel waardoor een nog schitterender getuigenis van Zijn Woord en van Zijn dienaren wordt gegeven. Wat het lichaam betreft, is de wereld sterker dan de christen, als God het toestaat; maar in zijn hart is de christen boven de omstandigheden als hij de tegenwoordigheid van God kan realiseren. Zijn aanwezigheid is groter dan alle omstandigheden en kan al het andere overwinnen (1Jh 5:44Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof.). Men kan zich dan verheugen in het lijden (Hd 5:4141Zij dan gingen weg van voor de Raad, verblijd dat zij waardig waren geacht voor de Naam oneer te verdragen.; Rm 5:33En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten dat de verdrukking volharding werkt,).

Na de geseling worden ze in de gevangenis geworpen. De gevangenbewaarder krijgt het bevel hen zorgvuldig te bewaren. Hij laat niets aan het toeval over en werpt hen in de binnenste gevangenis. Dieper weg kan niet. Alsof dat toch nog niet genoeg zekerheid biedt, sluit hij ook hun voeten nog eens zorgvuldig in het blok. Ontkomen is onmogelijk. Het lijkt erop dat ze helemaal uitgeschakeld zijn en de vijand gewonnen heeft. Wat zou het ontmoedigend kunnen werken als ze eraan dachten dat dit hun ontvangst in Europa was, terwijl ze duidelijk de leiding van de Heer hebben herkend om hier naar toe te gaan.


Bidden en zingen in de gevangenis

25Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen. 26En plotseling ontstond er een grote aardbeving, zodat de fundamenten van de kerker schudden; en onmiddellijk gingen alle deuren open en van allen gingen de boeien los.

Maar zie, en vooral, luister, hoe de evangelisten op alle aangedane pijniging en vernedering reageren. In plaats van moedeloos te worden of klaagzangen aan te heffen of tot God te roepen om wraak over de hun aangedane smaad bidden en zingen ze. Bidden en zingen zijn machtige wapens waarmee grote overwinningen op de vijand worden behaald (2Kr 20:1-221Hierna gebeurde het dat de Moabieten en de Ammonieten, en met hen [een deel] van de Meünieten, ten strijde trokken tegen Josafat.2Toen kwam men Josafat de boodschap brengen: Er komt een grote troepenmacht op u af van de overkant van de zee, uit Syrië, en zie, zij zijn bij Hazezon-Thamar. (Dat is Engedi.)3Josafat werd bevreesd en zette er zijn zinnen op om de HEERE te zoeken. Hij riep een vasten uit in heel Juda.4En Juda werd bijeengeroepen om bij de HEERE [hulp] te zoeken. Zij kwamen zelfs uit alle steden van Juda om de HEERE te raadplegen.5Toen ging Josafat tussen de gemeente van Juda en Jeruzalem staan, in het huis van de HEERE, vóór de nieuwe voorhof,6en zei: HEERE, God van onze vaderen, bent U niet die God Die in de hemel is? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenvolken. In Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand tegen U kan standhouden.7Hebt U, onze God, niet de inwoners van dit land van voor [de ogen van] Uw volk Israël verdreven, en dat voor eeuwig aan het nageslacht van Abraham, die U liefhad, gegeven?8Zij zijn daarin gaan wonen en hebben daar voor U een heiligdom gebouwd, voor Uw Naam, [en gezegd]:9Als ons [enig] onheil overkomt, het zwaard van het gericht, de pest of een hongersnood, zullen wij voor dit huis en voor Uw aangezicht staan, omdat Uw Naam in dit huis is. Wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en U zult verhoren en verlossen.10Welnu, zie de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte, tegen wie U Israël niet toestond op te trekken toen zij uit het land Egypte kwamen. Daarom trokken zij bij hen vandaan en vaagden hen niet weg,11en zie, zij vergelden het ons, door ons te komen verdrijven uit Uw bezit dat U ons in bezit hebt gegeven.12Onze God, zult U geen gericht over hen oefenen? In ons is immers geen kracht tegen deze grote troepenmacht die op ons af komt, en wij weten niet, wat wij moeten doen, maar op U zijn onze ogen [gericht].13Heel Juda stond voor het aangezicht van de HEERE, ook hun kleine kinderen, hun vrouwen en hun zonen.14Toen kwam de Geest van de HEERE in het midden van de gemeente op Jahaziël, de zoon van Zecharja, de zoon van Benaja, de zoon van Jeïel, de zoon van Mattanja, de Leviet, uit de zonen van Asaf,15en hij zei: Sla er acht op, heel Juda, inwoners van Jeruzalem, en [u], koning Josafat! Zo zegt de HEERE tegen u: Weest u niet bevreesd en wees niet ontsteld vanwege deze grote troepenmacht, want niet aan u is de strijd, maar aan God.16Ga morgen op hen af. Zie, zij trekken [nu] over de pas van Ziz. U zult hen aantreffen aan het einde van het dal, vóór de woestijn van Jeruel.17Het is niet aan u in deze [oorlog] te strijden. Stel uzelf op, blijf staan en zie het heil van de HEERE [dat] met u [is], Juda en Jeruzalem. Wees niet bevreesd en wees niet ontsteld. Trek morgen tegen hen op, want de HEERE zal met u zijn.18Toen boog Josafat zich met het gezicht ter aarde, en heel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen voor het aangezicht van de HEERE neer en bogen zich neer voor de HEERE.19En de Levieten van de nakomelingen van de Kahathieten, en van de nakomelingen van de Korachieten, stonden op om de HEERE, de God van Israël, met luide stem ten hoogste te prijzen.20De [volgende] morgen stonden zij vroeg op, en vertrokken naar de woestijn van Tekoa. Toen zij vertrokken, bleef Josafat staan en zei: Luister naar mij, Juda, en [u], inwoners van Jeruzalem. Vertrouw op de HEERE, uw God, dan zult u standhouden. Vertrouw op Zijn profeten, dan zult u voorspoedig zijn.21Hij pleegde overleg met het volk en stelde voor de HEERE zangers aan en [mensen] die de heilige Majesteit prijzen zouden, terwijl zij voor de gewapende [mannen] uit trokken en zeiden:
Loof de HEERE,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!
22Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen, legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.
; Hd 4:23-3723Toen zij nu waren losgelaten, gingen zij naar de hunnen en berichtten alles wat de overpriesters en de oudsten tot hen hadden gezegd.24Toen zij nu dit hoorden, verhieven zij eendrachtig [hun] stem tot God en zeiden: Heer, U bent het Die gemaakt hebt de hemel en de aarde en de zee en alles wat daarin is;25Die <door [de] Heilige Geest> bij monde van <onze vader> David, Uw knecht, hebt gezegd: ‘Waarom hebben [de] naties gewoed en [de] volken ijdele dingen bedacht?26De koningen van de aarde zijn opgestaan en de oversten zijn samen bijeenverzameld tegen de Heer en tegen Zijn Gezalfde’.27Want in waarheid zijn in deze stad verzameld tegen Uw heilige Knecht Jezus, Die U hebt gezalfd, zowel Herodes als Pontius Pilatus met [de] naties en volken van Israël,28om te doen alles wat Uw hand en Uw raad tevoren had bestemd dat zou gebeuren.29En nu, Heer, zie op hun dreigingen en geef Uw slaven met alle vrijmoedigheid Uw Woord te spreken,30doordat U Uw hand uitstrekt tot genezing en tekenen en wonderen gebeuren door de Naam van Uw heilige Knecht Jezus.31En terwijl zij baden, werd de plaats waar zij waren vergaderd, bewogen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid.32De menigte nu van hen die geloofden, was een van hart en ziel, en niemand zei dat iets van zijn bezittingen zijn eigendom was, maar zij hadden alle dingen gemeenschappelijk.33En met grote kracht gaven de apostelen getuigenis van de opstanding van de Heer Jezus; en er was grote genade over hen allen.34Want er was ook niemand noodlijdend onder hen; want allen die eigenaars van landerijen of huizen waren, verkochten die en brachten de opbrengsten van het verkochte en legden die aan de voeten van de apostelen;35en aan ieder werd uitgedeeld naardat elk nodig had.36Jozef nu, door de apostelen bijgenaamd Barnabas (wat vertaald is: zoon van [de] vertroosting), een Leviet, een Cypriër van geboorte,37die een akker bezat, verkocht die en bracht het geld en legde het aan de voeten van de apostelen.)
. Ze zoeken hun kracht bij God en prijzen Hem voor Wie Hij is. Ze doen dat niet zachtjes, maar voor alle gevangenen verstaanbaar.

De gevangenen schreeuwen hun niet toe dat ze hun mond moeten houden, maar luisteren naar hen. Zoiets hebben ze nog nooit meegemaakt en gehoord. Hoe moeilijker onze omstandigheden zijn, des te groter zal de indruk zijn die onze blijdschap maakt op hen die ons in onze moeilijkheden gadeslaan.

Terwijl Paulus en Silas bidden en zingen en de gevangenen ernaar luisteren, laat God ineens van Zich horen. Hij antwoordt op het bidden en zingen van Zijn dienaren door een plotselinge, grote aardbeving. Het is een zeer speciale aardbeving. Hij is beperkt tot een gebouw. De grond scheurt niet open en alle muren blijven staan. Alleen de deuren gaan open en de boeien van alle gevangenen gaan los! Een bijkomend en mogelijk nog groter wonder is dat er niemand van de gelegenheid gebruikmaakt om te ontsnappen. Ze blijven allen, als aan de grond genageld, waar ze zijn. Zulke speciale aardbevingen zijn nodig in iemands leven om hem de noodzaak van de behoudenis te doen inzien.


Bekering van de gevangenbewaarder

27Toen nu de gevangenbewaarder wakker was geworden en de deuren van de gevangenis open zag, trok hij <het> zwaard en stond op het punt zichzelf te doden, in de mening dat de gevangenen waren ontvlucht. 28Paulus echter riep met luider stem de woorden: Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier! 29En hij vroeg om licht, sprong naar binnen en viel bevend voor Paulus en Silas neer. 30En hij bracht hen naar buiten en zei: Heren, wat moet ik doen om behouden te worden? 31En zij zeiden: Geloof in de Heer Jezus en u zult behouden worden, u en uw huis. 32En zij spraken het Woord van de Heer tot hem, met allen die in zijn huis waren. 33En hij nam hen bij zich in dat uur van de nacht, waste hun striemen af en werd onmiddellijk gedoopt, hij en al de zijnen. 34En hij bracht hen in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich met zijn hele huis, dat hij tot het geloof in God was gekomen.

Door de aardbeving is ook de gevangenbewaarder wakker geworden. Als hij ziet dat de deuren openstaan, kan hij geen andere conclusie trekken dan dat alle gevangenen zijn gevlucht. Het is zijn werk hen te bewaken en daarin voelt hij gefaald te hebben. Hij wil de hand aan zichzelf slaan, maar God komt tussenbeide en laat aan hem de behoudenis verkondigen. Als de man op het punt staat zichzelf te doden, klinkt de stem van Paulus in de duisternis.

Paulus kan niet gezien hebben dat de man zelfmoord wil plegen. Het is pikdonker en hij is in de binnenste gevangenis. God maakt hem de situatie duidelijk. Zijn woorden “wij zijn allen hier”, getuigen van hetzelfde. De God Die de boeien heeft losgemaakt, verhindert ook dat er ook maar één gevangene ontsnapt. Niemand kan Hem weerstaan en ontkomen. Zo zullen alle zondaars in de hel daar tot in alle eeuwigheid door Gods macht worden vastgehouden.

De woorden van Paulus weerhouden de man ervan de hand aan zichzelf te slaan. Dat betekent dat hij Paulus gelooft. Hij wil naar Paulus toe, maar daarvoor heeft hij licht nodig. Dat krijgt hij en dan springt hij naar binnen en valt bevend voor Paulus en Silas neer. We lezen niet dat de aardbeving de gevangenbewaarder heeft doen beven, maar wel de stem van Paulus die vanuit het stikdonker tot hem is gekomen. Hij moet dat als de stem van God hebben ervaren, de God voor Wie de duisternis licht is als de dag (Ps 139:1212Zelfs de duisternis maakt het voor U niet duister,
maar de nacht licht op als de dag,
de duisternis is als het licht.
)
.

Genade werkt voor de overtuigde zondaar verpletterend. Tegelijk werkt genade ook de vraag naar behoudenis. Met die vraag richt de gevangenbewaarder zich tot Paulus en Silas, die hij nu met “heren” aanspreekt en daarmee als zijn meerderen erkent. Hij vraagt naar de weg van behoudenis. Mogelijk heeft hij daar eerder van gehoord. Hij zal daar toen om hebben gelachen, maar nu in zijn nood vraagt hij daarnaar. Zo werkt God altijd in de bekering van zondaars.

In de vraag van de gevangenbewaarder “wat moet ik doen om behouden te worden?”, ligt de gedachte dat hij denkt dat hij iets moet doen voor zijn behoudenis. Maar om behouden te worden hoeft niemand iets te doen, het is zelfs onmogelijk om er zelf iets aan te doen. Hij krijgt dan ook geen opdracht om bepaalde werken te doen. Paulus stelt hem de enige weg voor waardoor iemand behouden kan worden en dat is geloof in de Heer Jezus.

Het gaat erom dat hij zijn vertrouwen stelt op de Heer Jezus. Hij moet zijn anker uitwerpen in Hem. Dat is geen prestatie, maar noodzaak. Geloof is net zomin een prestatie als het een prestatie is dat iemand in doodsnood de reddingsboei grijpt die hem wordt toegeworpen.

Paulus spreekt niet alleen over de behoudenis van de gevangenbewaarder, maar ook over de behoudenis van diens huis. Behoudenis wil zeggen dat er een radicale scheiding is gekomen met de wereld. Zoals we al bij Lydia hebben gezien, is het de normale orde dat waar het hoofd tot geloof komt, God de behoudenis ook uitstrekt tot de huisgenoten (vers 1515Toen zij nu was gedoopt en haar huis, verzocht zij ons aldus: Als u van oordeel bent dat ik de Heer trouw ben, komt dan in mijn huis en blijft er. En zij drong er bij ons op aan.). Het huis waar het licht van het evangelie is ontstoken, is niet meer op het terrein van de wereld, maar op het terrein waar de Heilige Geest werkt en het Woord door Hem wordt gesproken. De orde in dat huis is Zijn orde.

Na als de kern van de behoudenis het geloof in de Heer Jezus te hebben gegeven spreken Paulus en Silas “het Woord van de Heer” tot hem en tot allen die met hem in zijn huis zijn. Wie tot geloof is gekomen, heeft zijn leven onder het gezag van de Heer geplaatst. Die Heer maakt door Zijn Woord – ‘het Woord van de Heer’ – duidelijk hoe Hij gediend wil worden. Paulus en Silas geven daar nader onderwijs over.

De gevangenbewaarder geeft blijk van zijn bekering door Paulus en Silas in dat uur van de nacht bij zich te nemen. Van slapen komt niets meer, daar is ook helemaal geen behoefte aan. Hier is een man die innerlijk een grote verandering heeft ondergaan en daar ook uiterlijk de bewijzen van geeft. Hij neemt zijn voormalige gevangenen, van wie hij nu een broeder is geworden, op in zijn huis en verzorgt hen door hun striemen af te wassen. Direct na de goede zorgen wordt hij gedoopt, hij en al de zijnen. In Filippi is in nog een huis het licht gaan schijnen nadat het al in dat van Lydia is ontstoken. De gevangenbewaarder verheugt zich in het geloof nadat hij eerst de droefheid over zijn ellende heeft gekend en het evangelie van zijn behoudenis heeft gehoord en aangenomen.

Lydia was al een Godvrezende vrouw (vers 1414En een vrouw genaamd Lydia, een purperverkoopster van [de] stad Thyatira, die God vereerde, hoorde toe; en de Heer opende haar hart, zodat zij acht gaf op wat door Paulus werd gesproken.), maar die toch nog behouden moest worden, evenals we dat bij Cornelius hebben gezien (Hd 10:1-21Een man in Caesaréa nu, genaamd Cornelius, – een hoofdman van [de] legerafdeling, de Italische geheten,2vroom en [een man] die God vreesde met zijn hele huis, vele aalmoezen gaf aan het volk en voortdurend tot God bad, –; 11:1414die woorden tot u zal spreken waardoor u zult behouden worden, u en uw hele huis.). De gevangenbewaarder was een goddeloze man. Ook hij had behoudenis nodig. Goede en slechte mensen hebben beiden de behoudenis nodig.


Vrijlating van Paulus en Silas

35Toen het nu dag was geworden, zonden de praetoren de gerechtsdienaars om te zeggen: Laat die mensen los. 36De gevangenbewaarder nu berichtte deze woorden aan Paulus: De praetoren hebben [de boodschap] gezonden dat u moet worden losgelaten; gaat dan nu naar buiten en vertrekt in vrede. 37Paulus echter zei tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in het openbaar geslagen en in [de] gevangenis geworpen; en nu zetten zij ons in het geheim eruit? Niets daarvan; maar laten zij zelf komen en ons naar buiten leiden. 38De gerechtsdienaars nu berichtten deze woorden aan de praetoren; en zij werden bang toen zij hoorden dat het Romeinen waren. 39En zij kwamen het hun verzoeken; en na hen naar buiten geleid te hebben vroegen zij hun uit de stad weg te gaan. 40Toen zij nu de gevangenis waren uitgegaan, gingen zij naar Lydia; en toen zij de broeders zagen, vermaanden zij hen en gingen weg.

Het lijkt erop dat de praetoren niets weten van wat er in de nacht is gebeurd. Ze willen dat Paulus en Silas worden losgelaten. Een geseling en een nacht in de gevangenis is in hun ogen genoeg om deze mensen een lesje te hebben geleerd. De gevangenbewaarder brengt de boodschap over aan Paulus. Als hij erover heeft ingezeten wat hij verder met Paulus en Silas moest doen, is het bericht dat hij de gevangenen vrij kan laten voor hem een grote opluchting. Hij kan hun zeggen dat ze naar buiten kunnen gaan en in vrede kunnen vertrekken.

Maar Paulus is het niet met het voorstel van de praetoren eens. Hij doorziet wat het betekent als zij zo de stad zouden verlaten. Als zij in het geheim eruit zouden worden gelaten, zou altijd de verdenking op hen gebleven zijn dat ze opruiers waren. Ze waren immers, en dat nog wel onveroordeeld, in het openbaar geslagen en in de gevangenis geworpen. Iedereen had dat gezien. Daarom moest er openlijke rechtvaardiging plaatsvinden, waardoor iedereen ervan op de hoogte zou zijn dat zij geen opruiers waren. De verdenking moest worden weggenomen dat zij iets hadden gedaan wat tegen de overheid gericht was. Dat was immers de openbare beschuldiging die op de markt tegen hen was ingebracht.

Voor deze rechtvaardiging doet Paulus een beroep op zijn Romeins burgerrecht. Ook Silas blijkt dat burgerrecht te hebben daar Paulus spreekt over “ons, die Romeinen zijn”. Ze hebben van dat burgerrecht geen gebruikgemaakt om de brute behandeling en mishandeling te voorkomen. Ze wilden niet ontkomen aan het lijden voor Christus. Hij maakt van zijn recht alleen gebruik om de schijn weg te nemen dat ze enige misdaad zouden hebben begaan.

Hun rechtvaardiging is ook nodig voor de jonge gemeente, opdat voor hen duidelijk zal zijn dat Paulus en Silas bedacht waren op wat eerlijk was. De pasbekeerden zouden dan ook niet door de buitenwacht met hen als boosdoeners vereenzelvigd worden, wat anders wel het geval zou zijn geweest.

Als de praetoren horen dat ze Romeinen hebben gegeseld en gevangengezet, worden ze bang. Ze beseffen dat het hun het leven kan kosten als Paulus en Silas een aanklacht tegen hen zouden indienen. De praetoren kunnen niets anders doen dan op de eis van Paulus en Silas ingaan. Zij begeleiden hen naar buiten uit de gevangenis en vragen hen uit de stad weg te gaan. Ze hebben niets op met de evangelisten en met hen zenden zij ook het evangelie weg als iets waarmee ze niets te maken willen hebben (vgl. Mt 8:3434En zie, de hele stad liep uit, Jezus tegemoet; en toen zij Hem zagen, smeekten zij Hem uit hun gebied te vertrekken.).

Paulus en Silas geven niet direct gehoor aan het verzoek om de stad te verlaten. Als ze uit de gevangenis komen, gaan ze eerst nog naar Lydia om afscheid te nemen van haar. Als ze bij haar komen, treffen ze er meer gelovigen aan. Het evangelie is door meerderen aangenomen. Mogelijk zijn het zij van vers 1515Toen zij nu was gedoopt en haar huis, verzocht zij ons aldus: Als u van oordeel bent dat ik de Heer trouw ben, komt dan in mijn huis en blijft er. En zij drong er bij ons op aan., die tot ‘haar huis’ behoorden.

Er staat zo opmerkelijk dat zij “de broeders zagen”. Ze zien gelovigen met wie zij het nieuwe leven delen en in wie zij dat herkennen, ze zien nieuwe familieleden in Gods gezin. Als ze hen zien, nemen ze de gelegenheid te baat om hen te vermanen, dat wil zeggen dat ze hen bemoedigen om trouw aan de Heer te blijven. Dan gaan ze weg.

De ‘zij’ die weg gaan, zijn Paulus, Silas en Timotheüs. Lukas blijft in Filippi achter. Hij legt geen nadruk op zichzelf. Zo onopvallend als hij zich in Handelingen 16 bij het gezelschap van Paulus heeft gevoegd, waar hij schrijft over ‘wij’ (Hd 16:1010Toen hij nu het gezicht had gezien, trachtten wij terstond naar Macedonië te vertrekken, daar wij [daaruit] opmaakten dat God ons had geroepen om hun het evangelie te verkondigen.), zo onopvallend verlaat hij het weer. We kunnen wel zeggen dat mede door zijn werk Filippi tot een gemeente is geworden waar liefde en zorg rijkelijk aanwezig waren.


Lees verder