Handelingen
1-3 Terugblik 4-5 De belofte van de Heilige Geest 6-8 Het koninkrijk en getuigen 9-11 De hemelvaart 12-14 Volhardend in het gebed 15-19 Het einde van Judas 20-26 De opvolger van Judas gekozen
Terugblik

1Het eerste boek heb ik gemaakt, Theófilus, over alles wat Jezus is begonnen zowel te doen als te leren, 2tot op de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij door [de] Heilige Geest Zijn opdrachten had gegeven aan de apostelen die Hij had uitverkoren; 3aan wie Hij Zich ook, nadat Hij had geleden, levend heeft vertoond met vele duidelijke bewijzen, terwijl Hij gedurende veertig dagen door hen werd gezien en met hen sprak over de dingen die het koninkrijk van God betreffen.

“Het eerste boek” dat Lukas heeft “gemaakt”, is zijn evangelie dat hij, net als dit boek Handelingen, heeft geschreven aan een zekere “Theófilus”. De inhoud van zijn evangelie betreft alles wat de Heer Jezus zowel gedaan als geleerd heeft toen Hij lichamelijk op aarde was. Lukas spreekt in dit verband over wat de Heer “begonnen” is te doen en te leren. Dat betekent dat Hij daar nog steeds mee doorgaat, ook al is Hij nu niet meer lichamelijk zichtbaar en tastbaar aanwezig. Het werk is nog niet klaar. Dat zien we in dit boek, waarin wordt beschreven hoe Hij op machtige wijze vanuit de hemel door Zijn Geest op aarde werkt. Dat doet Hij nog steeds, vandaag ook door ons.

Lukas heeft in zijn evangelie beschreven wat de Heer begonnen is “zowel te doen als te leren”. Doen en leren horen bij elkaar. Bij Hem staat ‘doen’ voorop. Hij was de levendige belichaming van wat Hij leerde. Hij deed Zelf wat Hij aan anderen leerde. Zijn daden waren niet anders dan Zijn woorden. Wij zeggen vaak meer dan we in de praktijk laten zien. Onze woorden gaan vaak verder dan onze daden. Een heilig leven geeft enorme kracht aan wat we prediken.

Lukas heeft in zijn evangelie het leven van de Heer op aarde beschreven tot de dag van Zijn hemelvaart. In dit eerste hoofdstuk van Handelingen beschrijft hij die hemelvaart nog een keer omdat het voor dit boek het uitgangspunt is. De hemelvaart van de Heer is bepalend voor alles wat er verder op aarde door en voor Hem gebeurt. Het belang van Zijn opname blijkt ook wel uit het feit dat het woord ‘opgenomen’ vier keer in dit hoofdstuk voorkomt (verzen 2,9,11,222tot op de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij door [de] Heilige Geest Zijn opdrachten had gegeven aan de apostelen die Hij had uitverkoren;9En terwijl Hij dit zei, werd Hij opgenomen, terwijl zij toekeken, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.11die ook zeiden: Galilese mannen, wat staat u naar de hemel te kijken? Deze Jezus Die van u is opgenomen naar de hemel, zal zó komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.22te beginnen bij de doop van Johannes tot op de dag dat Hij van ons werd opgenomen, een van hen met ons getuige van Zijn opstanding worden.).

Lukas wijst er nog op dat de Heer Jezus na Zijn opstanding, net zoals tijdens Zijn leven tot en met Zijn dood, alles deed “door [de] Heilige Geest” (Hd 10:3838[met] Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Hij is [het land] doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem.; Hb 9:1414hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door [de] eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd, ons geweten reinigen van dode werken, om [de] levende God te dienen.). Het herinnert ons eraan dat ook wij de Heilige Geest na onze opstanding evenals ervoor zullen bezitten (Jh 14:1616En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid:). Door de Heilige Geest heeft Hij aan de apostelen die door Hem waren uitverkoren toen Hij door Israël begon te trekken (Lk 6:1313En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf van hen uit, die Hij ook apostelen noemde:), Zijn opdrachten gegeven. Om hen in die opdracht te bemoedigen heeft Hij Zich levend aan hen vertoond nadat Hij geleden had.

Zijn discipelen hadden die bemoediging nodig omdat zij terneergeslagen waren door wat er met Hem was gebeurd. Ze hadden geloofd dat Hij de Messias was Die Zijn beloofde rijk zou oprichten. Maar in plaats van te gaan regeren moest Hij lijden en is Hij gestorven. Zij dachten dat alles voorbij was, maar Hij heeft Zich levend aan hen en ook aan veel anderen vertoond.

Daarbij heeft Hij ook nog “vele duidelijke bewijzen” gegeven dat Hij het echt was. Hij verscheen bij allerlei gelegenheden en heeft ook in woorden en daden laten horen en zien dat Hij dezelfde Heer was Die dood was geweest, maar nu leefde. We kunnen lezen in de evangeliën hoe Hij Zich aan de Emmaüsgangers bekendmaakte, hoe Hij verschillende keren aan Zijn discipelen is verschenen, hoe Hij Petrus herstelde in een dienst voor Hem, hoe Hij Maria Magdalena troostte.

Het is ook onze roeping ons ‘levend’ te tonen. Dat betekent voor ons dat wij Christus laten zien in ons leven. Het gaat erom dat wij leven voor God, dat wij daarbij zichtbaar zijn voor de mensen en dat wij niet lijken op de doden (Ef 5:1414Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.).

De periode waarin de Heer Zich aan Zijn discipelen toonde, bedroeg “veertig dagen”. Het getal veertig is het getal van beproeving. Israël bijvoorbeeld was veertig jaar in de woestijn en de Heer Jezus werd veertig dagen verzocht in de woestijn. Tijdens die veertig dagen heeft de Heer met hen gesproken over “de dingen die het koninkrijk van God betreffen”. Het koninkrijk van God is het koninkrijk waarover God regeert door Zijn Zoon. Dat koninkrijk is in het Oude Testament beloofd, maar toen het koninkrijk kwam in de Persoon van Zijn Koning, is Hij verworpen.

Daarmee is het koninkrijk wat zijn openlijke verschijningsvorm op aarde betreft, uitgesteld. Tot het op aarde zal worden gevestigd, neemt het een verborgen vorm aan. Daarover heeft de Heer onderwijs gegeven door middel van de gelijkenissen in Mattheüs 13. Het koninkrijk van God wordt sinds de hemelvaart van Christus gevestigd in de harten van mensen die Hem als hun Heer erkennen. Zijn regering over hun leven wordt zichtbaar als zij zich door de Heilige Geest laten leiden. In zulke levens worden “rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest” zichtbaar (Rm 14:17b17Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest.).


De belofte van de Heilige Geest

4En terwijl Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun zich niet van Jeruzalem te verwijderen, maar op de belofte van de Vader te wachten, die u [zei Hij] van Mij hebt gehoord. 5Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met [de] Heilige Geest worden gedoopt, niet vele dagen hierna.

De Heer geeft Zijn discipelen de opdracht in Jeruzalem te blijven. Hij geeft die opdracht, terwijl Hij met hen vergaderd is. Hij kent Zijn discipelen. Als het wat te lang zou duren, zouden ze weer ongeduldig worden en weer aan hun dagelijks werk gaan (vgl. Jh 21:33Simon Petrus zei tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u mee. Zij gingen naar buiten en stapten in het schip; en in die nacht vingen zij niets.). Maar ze moeten geduldig wachten op de belofte van de Vader. Hij herinnert hen eraan dat Hij hun daarover al bij een eerdere gelegenheid heeft gesproken (Jh 14:16-17,2616En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid:17de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, omdat zij Hem niet aanschouwt en Hem niet kent; u kent Hem, omdat Hij bij u blijft en in u zal zijn.26Maar de Voorspraak, de Heilige Geest, Die de Vader zal zenden in Mijn Naam, Die zal u alles leren en u in herinnering brengen alles wat Ik u heb gezegd.; 15:2626Maar wanneer de Voorspraak is gekomen, Die Ik u zal zenden van de Vader, de Geest van de waarheid Die van de Vader uitgaat, zal Die van Mij getuigen.).

Ook Johannes de doper heeft gesproken over de doop met de Heilige Geest (Mt 3:1111Ik doop u wel met water tot bekering; maar Hij Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens sandalen ik niet waard ben te dragen; Hij zal u dopen met [de] Heilige Geest en vuur;). Bij die gelegenheid heeft hij ook gewezen op het verschil tussen zijn doop met water en de doop met de Heilige Geest waarmee de Heer Jezus doopt. De Heer maakt die vergelijking hier ook. De komst van de Heilige Geest is ook een doop, maar die is van geheel andere aard dan die van Johannes. Johannes doopte met water. Dat was tastbaar water, op aarde en van de aarde, waarin iemand werd ondergedompeld.

De doop met de Heilige Geest vindt wel plaats op aarde, maar komt uit de hemel en verbindt met de hemel. Het is geen tastbaar gebeuren, hoewel er zichtbare begeleidende tekenen zijn. De doop met de Heilige Geest is vooral een innerlijk gebeuren: de Heilige Geest komt in de gelovigen wonen. Tegelijk is het ook een uiterlijke gebeurtenis: de Heilige Geest wordt uitgestort, waardoor het hele gezelschap als het ware ondergedompeld wordt in de Heilige Geest. Nergens is er sprake van dat een individu wordt gedoopt met de Heilige Geest.

De Heer noemt hier niet de doop met vuur waarover Johannes de doper wel spreekt (Mt 3:1111Ik doop u wel met water tot bekering; maar Hij Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens sandalen ik niet waard ben te dragen; Hij zal u dopen met [de] Heilige Geest en vuur;). De doop met vuur staat niet in verbinding met de komst van de Heilige Geest op de Pinksterdag, maar stelt oordeel voor en is alleen voor de ongelovigen. Dit oordeel zal komen wanneer de Heer terugkomt op aarde.


Het koninkrijk en getuigen

6Zij dan die waren samengekomen, vroegen Hem aldus: Heer, zult U in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen? 7Hij echter zei tot hen: Het komt u niet toe tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht heeft gesteld. 8Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als <in> heel Judéa en Samaria en tot aan [het] einde van de aarde.

Een samenkomst met de Heer is een mooie gelegenheid om vragen te stellen. De discipelen maken daar gebruik van. Ze stellen geen vraag over de Heilige Geest, maar over het koninkrijk. Ze willen graag weten of Hij nu gaat doen waar ze altijd al naar hebben uitgezien.

Hun vraag toont aan dat ze nog steeds aan een aards koninkrijk denken, misschien wel juist omdat Hij is opgestaan. Met Zijn opstanding zijn ook hun oude verwachtingen weer opgestaan. Mogelijk hebben ze aan Joël 2 gedacht waar de komst van de Geest verbonden wordt met de komst van het koninkrijk (Jl 2:2828Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.
)
. Over de christelijke vorm van het koninkrijk, de verborgen vorm, wordt hier niet gesproken.

Hun vraag geeft de Heer gelegenheid hun te vertellen wat er gaat gebeuren en hoezeer de situatie is veranderd in vergelijking met de tijd van vóór Zijn lijden. Het koninkrijk in zijn openbare vorm is uitgesteld tot een tijdstip dat de Vader heeft gepaald. De Heer Jezus heeft voor hen een taak die past bij de ontstane situatie. Ze moeten zich verder niet druk maken over het tijdstip van het herstel van het koninkrijk. Ook wij moeten niet speculeren over de duur van de nieuwe tijdsperiode die met de hemelvaart van de Heer Jezus is begonnen.

De uitdrukking “tijden en gelegenheden” komen we ook tegen in 1 Thessalonicenzen 5 (1Th 5:11Maar wat de tijden en de gelegenheden betreft, broeders, hebt u niet nodig dat u geschreven wordt.; vgl. Dn 2:2121Hij verandert de tijden en gelegenheden,
Hij zet koningen af en stelt koningen aan,
Hij geeft de wijsheid aan wijzen,
de kennis aan wie verstand hebben.
; Pr 3:11Voor alles is er een vastgestelde tijd,
en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.
)
. Daar gaat het over de vraag wat er naar Gods plan gaat gebeuren met de aarde. Hier gaat het over de vraag wanneer het koninkrijk wordt opgericht. Zowel met ‘tijden’ als met ‘gelegenheden’ worden bepaalde tijdsperioden bedoeld. Het zijn synoniemen die elkaar aanvullen. Maar er is een opmerkelijk verschil.

Bij ‘tijden’ gaat het om tijdsduur, om iets wat na verloop van tijd gebeurt. In het Grieks wordt het woord chronos gebruikt. We herkennen dat woord in ons woord ‘chronometer’, een apparaat waarmee wordt gemeten hoe lang iets heeft geduurd. Zo lezen we in Galaten 4 dat God in “de volheid van de tijd (chronos)Zijn Zoon zond (Gl 4:44maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder [de] wet,). Dat betekent dat de Heer Jezus op aarde is gekomen nadat er een bepaalde tijd verstreken was en God de tijd gekomen achtte voor het zenden van Zijn Zoon.

Bij ‘gelegenheden’ gaat het niet om tijdsduur, maar om wat een bepaalde tijd kenmerkt, om het karakter van die tijd. In het Grieks wordt hier het woord kairos gebruikt. Zo is er sprake van een tijd dat de mens zonder wet leefde (Rm 5:1313(want tot aan [de] wet was er zonde in [de] wereld, maar zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is;). Na verloop van tijd gaf God door Mozes Zijn volk de wet en leefden zij daaronder (Jh 7:1919Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Waarom tracht u Mij te doden?). De volken liet Hij in “[de] tijden van [de] volken” (Lk 21:2424En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.) hun eigen gang gaan. Die verschillende tijdsperioden, die soms na elkaar liggen en soms samenlopen, hebben allemaal een eigen kenmerk. Elke tijd heeft duidelijk gemaakt wie de mens is en dat hij volkomen faalt in het dienen van God. Al deze verschillende tijden lopen uit op de “volheid der tijden” (meervoudsvorm van kairos) (Ef 1:1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;), dat is de tijd van het duizendjarig vrederijk. Die tijd zal worden gekenmerkt door vrede, omdat dan de Vredevorst zal regeren. Dan zullen “[de] tijden (meervoudsvorm van kairos) van verkwikking komen” (Hd 3:1919Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat [de] tijden van verkwikking komen van [het] aangezicht van de Heer).

Nadat de Heer heeft gezegd waarmee ze zich niet moeten bezighouden, geeft Hij aan waarmee ze zich wel moeten bezighouden, namelijk Zijn getuigen zijn. Voordat Hij hun die opdracht geeft, zegt Hij hun eerst toe dat zij daarvoor de kracht van de Heilige Geest zullen ontvangen. Hij heeft hun de komst van de Heilige Geest al toegezegd in de verzen 4-54En terwijl Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun zich niet van Jeruzalem te verwijderen, maar op de belofte van de Vader te wachten, die u [zei Hij] van Mij hebt gehoord.5Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met [de] Heilige Geest worden gedoopt, niet vele dagen hierna., maar hier (vers 88Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als <in> heel Judéa en Samaria en tot aan [het] einde van de aarde.) zegt Hij dat de Heilige Geest hen in staat zal stellen om aan hun opdracht te voldoen. De kracht van de Heilige Geest is nodig om een werkelijk christelijk getuigenis te kunnen geven.

‘Getuigen’ is een sleutelwoord in dit bijbelboek. Het komt rond de dertig keer voor. We hebben niet allemaal de gave van evangelist, maar we kunnen wel allemaal getuigen zijn. Het resultaat is dat we mensen redden (Sp 14:25a25Een betrouwbare getuige is een redder van levens,
maar wie leugens blaast, is een bedrieger.
)
.

De Heer zegt dat ze met getuigen moeten beginnen in Jeruzalem, de stad waar Hij werd gekruisigd. Dan wordt de kring wijder en komen ook Judéa en Samaria onder het bereik van Gods Woord. Ten slotte laat Hij het licht van Zijn evangelie schijnen tot aan het einde van de aarde (Js 49:66Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
)
.

Praktisch betekent het voor ons dat wij allereerst ons getuigenis moeten geven in het huis en de straat waar we wonen en op de plek waar we werken (vgl. Lk 8:3939Keer terug naar uw huis en vertel alles wat God u heeft gedaan. En hij ging weg en verkondigde door de hele stad alles wat Jezus hem had gedaan.). Vervolgens kan de Heer ons dan in een ruimere kring als Zijn getuigen inzetten. Het licht dat het helderst thuis schijnt, schijnt het verst. Met het noemen van de steeds groter wordende kring waar het getuigenis aangaande Hem wordt gegeven, geeft de Heer tevens een onderverdeling van het boek Handelingen:
1. Het getuigenis in Jeruzalem hebben we in Handelingen 1-7.
2. Het getuigenis in Judéa en Samaria loopt van Handelingen 8:1-9:31.
3. Het getuigenis tot aan het einde van de aarde zien we in de rest van het boek, in Handelingen 9:32-28:31.


De hemelvaart

9En terwijl Hij dit zei, werd Hij opgenomen, terwijl zij toekeken, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. 10En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenging, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleren, 11die ook zeiden: Galilese mannen, wat staat u naar de hemel te kijken? Deze Jezus Die van u is opgenomen naar de hemel, zal zó komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.

Met de opdracht aan Zijn discipelen om Zijn getuigen te zijn is de taak van de Heer op aarde voleindigd. Voor de ogen van de discipelen wordt Hij opgenomen. Het is een spectaculair gebeuren dat op eenvoudige en rustige wijze wordt beschreven. Het is geen plotselinge wegneming zoals bij Henoch (Hb 11:55Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.) of opgehaald worden door een vurige wagen en vurige paarden zoals bij Elia (2Kn 2:1,111Het gebeurde nu, toen de HEERE Elia in een storm zou opnemen in de hemel, dat Elia met Elisa uit Gilgal wegging.11Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verdergingen, zie, dat er een vurige wagen met vurige paarden kwam, die tussen hen beiden scheiding maakte. Zo voer Elia in een storm naar de hemel.). De wolk die Hem aan hun ogen onttrekt, zal de wolk zijn die enkele discipelen ook gezien hebben toen ze op de berg der verheerlijking waren (Lk 9:3434Toen hij nu dit zei, kwam er een wolk en overschaduwde hen, en zij werden bang toen zij de wolk ingingen.). De wolk is het symbool van de heerlijkheid van God.

Als ze de Heer Jezus zo naar de hemel zien opvaren, moet dat een buitengewone aanblik zijn geweest. Ze staren Hem na tot Hij de wolk ingaat. Keken ze verdrietig, aanbiddend, verbaasd? Het zal wel een mengeling van deze gevoelens zijn geweest.

Terwijl ze naar de hemel staan te staren, de Heer nakijkend Die van hen heengaat, zijn er twee mannen bij hen komen staan. Het zijn twee engelen. Van enige verbazing bij de discipelen over de verschijning en de woorden van de engelen lezen we niets. De engelen roepen hen weer tot de orde.

De vraag “wat staat u naar de hemel te kijken?” is misschien wel als een vermaning op te vatten die ook voor ons geldt. Het is niet de bedoeling dat wij, nu de Heer in de hemel is, met de armen over elkaar Zijn wederkomst gaan afwachten. Er is werk te doen. Zeker is het belangrijk Hem te blijven verwachten, maar juist een levende verwachting van Hem zal ons tot activiteit aanzetten.

De engelen spreken over de wederkomst van de Heer Jezus als een belofte. Deze belofte betreft niet Zijn komst voor de gelovigen om hen op te halen (1Th 4:15-1815(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)), maar betreft Zijn wederkomst op aarde. Hij Die dan terugkomt, is “deze Jezus”, en niemand anders. Hij zal ook terugkomen op deze zelfde plaats vanwaar Hij naar de hemel is gegaan, de Olijfberg (Zc 14:44Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.). Hij zal zichtbaar terugkomen, Hij zal terugkomen in de wolken en Hij zal met kracht en grote heerlijkheid terugkeren (Mt 24:3030En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in [de] hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid.). Dit wordt hun allemaal, naast de opdracht van vers 88Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als <in> heel Judéa en Samaria en tot aan [het] einde van de aarde., als hoop voorgesteld.


Volhardend in het gebed

12Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, Olijfberg geheten, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis er vandaan. 13En toen zij [de stad] waren binnengekomen, gingen zij op naar de bovenzaal, waar zij verblijf hielden: Petrus, Johannes, Jakobus en Andréas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus [de zoon] van Alfeüs, Simon de Zeloot en Judas, [de broer] van Jakobus. 14Deze allen volhardden eendrachtig in het gebed, met [enige] vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en Zijn broers.

De discipelen doen wat de Heer heeft gezegd. Ze gaan niet weer ieder naar zijn huis (Jh 20:1010De discipelen dan gingen weer naar huis.), maar ze verlaten de Olijfberg en gaan naar Jeruzalem. Ze hoeven niet ver te lopen. De afstand wordt gegeven naar de Joodse wijze van meten, een sabbatsreis. Het is de afstand die de Joden op de sabbat mochten afleggen, ongeveer achthonderd meter. Alles ademt nog de sfeer van het Jodendom.

De plaats waar ze heengaan, is een bekende plaats. In die zaal heeft de Heer Jezus hun laten zien dat Hij gemeenschap met hen wil hebben en wat de voorwaarden daarvoor zijn (Jh 13:1-201Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.2En tijdens [de] maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, [de zoon] van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren,3stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op4en legde Zijn kleren af; en Hij nam een linnen doek en omgordde Zich.5Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek waarmee Hij omgord was.6Hij kwam dan tot Simon Petrus; deze zei tot Hem: Heer, wast U mijn voeten?7Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar je zult het hierna begrijpen.8Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.9Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!10Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.11Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.12Toen Hij dan hun voeten gewassen en Zijn kleren genomen had en weer aanlag, zei Hij tot hen: Begrijpt u wat Ik u heb gedaan?13U noemt Mij Meester en Heer, en u zegt het terecht, want Ik ben het.14Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook u elkaars voeten te wassen;15want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u doet zoals Ik u heb gedaan.16Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een slaaf is niet groter dan zijn heer, en een gezant niet groter dan hij die hem heeft gezonden.17Als u deze dingen weet, gelukkig bent u als u ze doet.18Ik spreek niet van u allen; Ik weet wie Ik heb uitverkoren; maar de Schrift moet worden vervuld: ‘Hij die met Mij het brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven’.19Nu al zeg Ik het u, voordat het gebeurt, opdat u, wanneer het gebeurt, zult geloven dat Ik het ben.20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie ontvangt wie Ik ook zend, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij heeft gezonden.). Daar heeft Hij ook verteld over het Vaderhuis en de Heilige Geest (Jh 14:1-121Laat uw hart niet ontroerd worden. U gelooft in God, gelooft ook in Mij.2In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, <want> Ik ga heen om u plaats te bereiden.3En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.4En waar Ik heenga, <weet u, en> de weg weet u.5Thomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet waar U heengaat, hoe kunnen wij de weg weten?6Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.7Als u Mij had gekend, zou u ook Mijn Vader hebben gekend; en van nu aan kent u Hem en hebt Hem gezien.8Filippus zei tot Hem: Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg.9Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader?10Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet vanuit Mijzelf, maar de Vader Die in Mij blijft, Die doet de werken.11Gelooft Mij dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; en zo niet, gelooft <Mij> om de werken zelf.12Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal hij ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, omdat Ik heenga naar de Vader.). Het is “de bovenzaal”, dat wil zeggen een verheven plaats. Het is de plaats waar Hij Zijn gedachten bekendmaakt.

Daar zijn in de eerste plaats de elf apostelen bij elkaar. Lukas noemt van alle elf de naam. Petrus wordt weer als eerste van de hele groep genoemd en dus ook als eerste van de eerste groep van vier, Filippus als eerste van de tweede groep van vier en Jakobus als eerste van de derde groep die nu slechts uit drie mannen bestaat omdat Judas Iskariot ontbreekt. Voor Judas Iskariot zal een ander worden gekozen.

Het eerste wat van de apostelen wordt vermeld, is dat zij volharden in het gebed. Dat is een prachtig begin. De eerste bijeenkomst na de hemelvaart van de Heer Jezus is gewijd aan gebed. Daarbij zijn alle apostelen aanwezig. Ze zijn voortdurend en ook eendrachtig aan het bidden. Het woord ‘eendrachtig’ komt elf keer in Nieuwe Testament voor, waarvan tien keer in Handelingen (Hd 1:1414Deze allen volhardden eendrachtig in het gebed, met [enige] vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en Zijn broers.; 2:4646En met volharding waren zij dagelijks eendrachtig in de tempel en braken brood aan huis en namen samen voedsel met vreugdegejuich en eenvoud van hart,; 4:2424Toen zij nu dit hoorden, verhieven zij eendrachtig [hun] stem tot God en zeiden: Heer, U bent het Die gemaakt hebt de hemel en de aarde en de zee en alles wat daarin is;; 5:1212Door de handen van de apostelen nu gebeurden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtig in de zuilengang van Salomo;; 7:5757Zij echter schreeuwden met luider stem, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem af,; 8:66En eendrachtig gaven de menigten acht op wat door Filippus werd gezegd, toen zij [hem] hoorden en de tekenen zagen die hij deed.; 12:2020Hij nu was hevig vertoornd op [de] Tyriërs en Sidoniërs; zij kwamen echter eendrachtig naar hem toe en nadat zij Blastus, de kamerheer van de koning, hadden overreed, vroegen zij om vrede, omdat hun land door dat van de koning werd gevoed.; 15:2525hebben wij, eendrachtig geworden, besloten mannen te kiezen en naar u toe te zenden met onze geliefden, Barnabas en Paulus,; 18:1212Toen echter Gallio proconsul van Achaje was, keerden de Joden zich eendrachtig tegen Paulus, brachten hem voor de rechterstoel en zeiden:; 19:2929En de stad raakte vol van de verwarring en zij stormden eendrachtig naar het theater en sleurden Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, reisgenoten van Paulus mee.). De elfde keer lezen we het in Romeinen 15 (Rm 15:66opdat u eendrachtig, uit één mond, de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt.). Eendracht is de praktijk van Psalm 133 (Ps 133:1-31Een pelgrimslied, van David.
Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen.
2Het is als de kostelijke olie op het hoofd,
die neerdaalt op de baard, de baard van Aäron,
die neerdaalt op de zoom van zijn priesterkleed.
3Het is als de dauw van de Hermon
die neerdaalt op de bergen van Sion.
Want daar gebiedt de HEERE de zegen
[en] het leven tot in eeuwigheid.
)
. Nu komt er geen vraag bij hen op wie de grootste is.

Deze saamhorigheid die zo prachtig in het volhardend samen bidden wordt beleefd, is de vooraankondiging van de uitstorting van de Heilige Geest. Zo zijn ze tien dagen bij elkaar, onder andere om te bidden voor de komst van de Heilige Geest (Lk 11:1313Als dan u die boos bent, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal de Vader Die van [de] hemel is, [de] Heilige Geest geven aan hen die er Hem om bidden.). Voor ons is dat niet anders als wij Zijn machtige werking willen ervaren. Geen enkele dienst gaat goed zonder dat deze is voorafgegaan door gebed.

NB In het boek Handelingen komt het gebed vaak voor. Het loopt als een rode draad door het boek heen: Hd 1:14,2414Deze allen volhardden eendrachtig in het gebed, met [enige] vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en Zijn broers.24En zij baden aldus: U, Heer, Kenner van aller harten, wijs van deze twee één aan die U hebt uitverkoren; 2:4242Zij nu bleven volharden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden.; 4:2424Toen zij nu dit hoorden, verhieven zij eendrachtig [hun] stem tot God en zeiden: Heer, U bent het Die gemaakt hebt de hemel en de aarde en de zee en alles wat daarin is;; 6:4,64Wij echter zullen volharden in het gebed en in de bediening van het Woord.6die zij voor de apostelen stelden; en na gebeden te hebben legden zij hun de handen op.; 7:6060En terwijl hij neerknielde, riep hij met luider stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe. En toen hij dit gezegd had, ontsliep hij.; 8:1515Toen dezen tot hen waren afgedaald, baden zij voor hen dat zij [de] Heilige Geest mochten ontvangen;; 9:11,4011En de Heer zei tot hem: Sta op en ga naar de straat, de Rechte geheten, en zoek in [het] huis van Judas naar iemand van Tarsus, genaamd Saulus; want zie, hij bidt.40Petrus echter dreef allen naar buiten, knielde neer en bad. En hij keerde zich om naar het lichaam en zei: Tabitha, sta op! En zij opende haar ogen, zag Petrus en ging overeind zitten.; 10:2,92vroom en [een man] die God vreesde met zijn hele huis, vele aalmoezen gaf aan het volk en voortdurend tot God bad, –9De volgende dag nu, terwijl dezen onderweg waren en de stad naderden, klom Petrus omstreeks [het] zesde uur op het dak om te bidden.; 12:55Petrus werd dus in de gevangenis bewaakt, maar door de gemeente werd vurig een gebed tot God voor hem gedaan.; 13:33Toen vastten en baden zij, legden hun de handen op en lieten hen gaan.; 14:2323Nadat zij nu voor hen in elke gemeente oudsten hadden gekozen, baden zij met vasten en droegen hen op aan de Heer in Wie zij hadden geloofd.; 16:13,2513En op de sabbatdag gingen wij de poort uit naar [de] rivier, waar wij dachten dat een gebedsplaats zou zijn; en wij gingen zitten en spraken tot de vrouwen die waren samengekomen.25Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen.; 20:3636En toen hij dit had gezegd, knielde hij neer en bad met hen allen.; 21:55Toen het nu gebeurde dat wij die dagen ten einde hadden gebracht, gingen wij weg en reisden verder, terwijl zij allen met vrouwen en kinderen ons uitgeleide deden tot buiten de stad; en wij knielden neer op het strand en baden,; 27:3535Toen hij nu dit had gezegd en brood had genomen, dankte hij God in bijzijn van allen; en hij brak het en begon te eten.; 28:88Het gebeurde nu, dat de vader van Publius door koorts en ingewandsziekte bevangen op bed lag; Paulus ging naar hem toe, en na te hebben gebeden legde hij hem de handen op en maakte hem gezond..

Bij dit bidden van de apostelen zijn ook enige vrouwen aanwezig, van wie Maria, de moeder van de Heer, met name wordt genoemd. Het is de laatste keer dat ze in het Nieuwe Testament wordt genoemd. Zij bidt mee. Er wordt dus niet tot haar gebeden, zoals in de rooms-katholieke kerk zeer onjuist wordt geleerd en daar ook gebeurt. Ze wordt “de moeder van Jezus” genoemd en niet ‘moeder Gods’, zoals de roomse kerk zeer ten onrechte leert.

Behalve de apostelen en de vrouwen zijn ook de broers van de Heer aanwezig. Zij waren eerst ongelovig (Mk 3:2121En toen Zijn verwanten dit hoorden, gingen zij heen om Hem te grijpen, want zij zeiden: Hij is buiten Zichzelf.; Jh 7:55Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem.), maar hebben Hem later aangenomen als de Zoon van God. Het lijkt erop dat zij daarvan door Zijn opstanding overtuigd zijn geworden.


Het einde van Judas

15En in die dagen stond Petrus op te midden van de broeders en zei: – er was nu een menigte bijeen van ongeveer honderdtwintig personen – 16Mannen broeders, het Schriftwoord moest vervuld worden, dat de Heilige Geest door [de] mond van David tevoren heeft gezegd over Judas, die de leidsman is geweest van hen die Jezus gevangennamen; 17want hij werd onder ons gerekend en had zijn deel aan deze bediening gekregen. 18Deze dan heeft een akker verworven voor [het] loon van de ongerechtigheid, en voorover gevallen is hij midden opengereten en al zijn ingewanden zijn uitgestort. 19En het is bekend geworden aan allen die in Jeruzalem wonen, zodat die akker in hun eigen taal Akeldama genoemd wordt, dat is: bloedakker.

Tijdens de bijeenkomst, waarbij ongeveer honderdtwintig personen aanwezig zijn, staat Petrus op. Hij staat op “te midden van de broeders”. Uit het vervolg blijkt dat hiermee vooral de apostelen worden bedoeld, want tot hen richt hij het woord. Petrus neemt niet het woord om de stilte te verbreken. Wat hij te zeggen heeft, is een boodschap uit de Schrift. Hij laat zich leiden door de Schrift. Zijn verstand is geopend (Lk 24:4545Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden,) en daardoor begrijpt hij de Schrift, hoewel de Heilige Geest nog niet is uitgestort. Hij heeft het inzicht van de nieuwe mens van de Heer ontvangen toen Hij in hem blies (Jh 20:2222En toen Hij dit had gezegd, blies Hij in hen en zei tot hen: Ontvangt [de] Heilige Geest.).

Hij gelooft ook onvoorwaardelijk in de inspiratie van het Oude Testament door de Heilige Geest. Wat David heeft gezegd (Ps 41:1010Zelfs de man met wie ik [in] vrede [leefde],
op wie ik vertrouwde, die mijn brood at,
heeft zich tegen mij gekeerd.
; Jh 13:1818Ik spreek niet van u allen; Ik weet wie Ik heb uitverkoren; maar de Schrift moet worden vervuld: ‘Hij die met Mij het brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven’.)
, schrijft Petrus toe aan de Heilige Geest Die de mond van David heeft gebruikt om het verraad van Judas te voorzeggen. Dat wil niet zeggen dat David zich bewust was dat hij over Judas sprak, maar de Heilige Geest geeft een toepassing die verder strekt dan de actuele situatie die David tot zijn uitspraak bracht. Wat David zei, zei hij over iemand die eerst zijn vriend was, op wie hij vertrouwde, maar die later zijn tegenstander werd. Door het inzicht van dezelfde Heilige Geest past Petrus wat David heeft gezegd op de juiste manier toe en stelt dat Judas de voornaamste tegenstander van de Heer was. Hij was de leidsman van de bende die Hem gevangen kwam nemen.

Het heeft Petrus misschien moeite gekost om te zeggen dat Judas “onder ons” gerekend werd. Judas was samen met hen achter de Heer aangegaan en had ook zijn aandeel in de dienst die de Heer hun had opgedragen. Ze hebben als apostelen nooit enige argwaan tegen Judas gekoesterd. Dat hij zich zo ontpopte, moet voor de apostelen schokkend zijn geweest.

Het is niet duidelijk of de verzen 18-1918Deze dan heeft een akker verworven voor [het] loon van de ongerechtigheid, en voorover gevallen is hij midden opengereten en al zijn ingewanden zijn uitgestort.19En het is bekend geworden aan allen die in Jeruzalem wonen, zodat die akker in hun eigen taal Akeldama genoemd wordt, dat is: bloedakker., die gaan over het dramatische einde van Judas, woorden van Petrus zijn of een toelichting van Lukas. We lezen dat deze valse apostel zich heeft laten leiden door het geld, dat “loon van de ongerechtigheid” wordt genoemd. Het is hetzelfde loon als het loon dat Bileam liefhad (2Pt 2:1515Door [de] rechte weg te verlaten zijn zij afgedwaald en volgen de weg van Bileam, [de zoon] van Bosor, die [het] loon van [de] ongerechtigheid liefhad,). Het is het loon dat iemand verdient als hij de rechte weg verlaat.

Voor dit loon heeft Judas een akker verworven, zonder deze in levenden lijve te hebben bezeten. Het is de akker die de overpriesters kochten van het geld dat Judas had verdiend met zijn verraad en dat hij had terug gesmeten in de tempel (Mt 27:3-83Toen kreeg Judas, die Hem had overgeleverd, berouw, toen hij zag dat Hij was veroordeeld, en bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug en zei:4Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren! Zij echter zeiden: Wat gaat ons dat aan? Dat is uw zaak.5En na de zilverlingen in het tempelhuis geworpen te hebben vertrok hij en ging weg en hing zich op.6De overpriesters nu namen de zilverlingen en zeiden: Het is niet geoorloofd ze in de offerkist te werpen, omdat het bloedgeld is.7Nadat zij nu hadden beraadslaagd, kochten zij daarmee de akker van de pottenbakker als een begraafplaats voor de vreemdelingen.8Daarom wordt die akker bloedakker genoemd, tot op heden.). Het geld bleef echter zijn geld en de akker werd zijn akker.

Judas, de valse apostel, komt op dramatische wijze aan zijn einde. Hij heeft zich opgehangen, is voorover gevallen en door zijn val op de rotsen is hij in het midden opengereten waardoor al zijn ingewanden zijn uitgestort (Mt 27:3-83Toen kreeg Judas, die Hem had overgeleverd, berouw, toen hij zag dat Hij was veroordeeld, en bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug en zei:4Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren! Zij echter zeiden: Wat gaat ons dat aan? Dat is uw zaak.5En na de zilverlingen in het tempelhuis geworpen te hebben vertrok hij en ging weg en hing zich op.6De overpriesters nu namen de zilverlingen en zeiden: Het is niet geoorloofd ze in de offerkist te werpen, omdat het bloedgeld is.7Nadat zij nu hadden beraadslaagd, kochten zij daarmee de akker van de pottenbakker als een begraafplaats voor de vreemdelingen.8Daarom wordt die akker bloedakker genoemd, tot op heden.). Zijn verdorven innerlijk is in dit oordeel in al zijn afschuwelijkheid naar buiten gekomen. Het vreselijke einde van Judas is in heel Jeruzalem bekend geworden.

In hun eigen taal wordt daarna over die akker als “Akeldama” gesproken. De betekenis van dit woord is: bloedakker. Er is nog twee keer sprake van een geschiedenis die ons doet denken aan een bloedakker, beide keren (in beeld) in verbinding met het bloed van Christus: in Genesis 4 (Gn 4:8-158En Kaïn sprak met zijn broer Abel. En het gebeurde toen zij op het veld waren, dat Kaïn zijn broer Abel aanviel en hem doodde.9En de HEERE zei tegen Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet [het] niet; ben ik de hoeder van mijn broer?10En Hij zei: Wat hebt u gedaan! Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept.11Nu dan, u bent vervloekt, weg van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan om het bloed van uw broer uit uw hand op te nemen.12Als u de aardbodem bewerkt, zal die u zijn volle opbrengst niet meer geven; u zult dolend en dwalend over de aarde [gaan].13En Kaïn zei tegen de HEERE: Mijn misdaad is te groot om vergeven te worden.14Zie, U verdrijft mij heden van het aangezicht van de aardbodem en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn en dolend en dwalend over de aarde [gaan]; en het zal zo zijn dat al wie mij tegenkomt, mij zal doden.15Maar de HEERE zei tegen hem: Daarom zal al wie Kaïn doodt zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE merkte Kaïn met een teken, zodat niemand die hem tegenkwam, hem zou doden.) en in Deuteronomium 21 (Dt 21:1-91Wanneer in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen, iemand gevonden wordt die gedood is, liggend in het [open] veld, en niet bekend is wie hem doodgeslagen heeft,2dan moeten uw oudsten en uw rechters eropuit gaan om [de afstand] te meten tot de steden rondom degene die gedood is.3En [in] de stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, waarmee [nog] niet gewerkt is, die [nog] niet onder een juk [de ploeg] getrokken heeft.4En de oudsten van die stad moeten de jonge koe brengen naar een dal waar altijd water stroomt, waar niet gewerkt of gezaaid is. Daar in het dal moeten zij de jonge koe de nek breken.5Daarna moeten de priesters, de zonen van Levi, naar voren komen, want hen heeft de HEERE, uw God, uitgekozen om Hem te dienen en om in de Naam van de HEERE te zegenen, en overeenkomstig hun uitspraak moet elk geschil en elke [zaak van] geweldpleging afgehandeld worden.6En alle oudsten van die stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten hun handen wassen boven de jonge koe waarvan in het dal de nek gebroken is.7Zij moeten het woord nemen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien.8Doe verzoening over Uw volk Israël, dat U, HEERE, verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed te midden van Uw volk Israël! Dan zal die bloed[schuld] voor hen verzoend zijn.9Zo moet ú het onschuldige bloed uit uw midden wegdoen. U moet immers doen wat juist is in de ogen van de HEERE.).


De opvolger van Judas gekozen

20Want er staat geschreven in [het] boek van [de] Psalmen: ‘Laat zijn woonplaats woest worden en laat er niemand zijn die daarin woont’, en: ‘Laat een ander zijn opzienerschap nemen’. 21Er moet dan van de mannen die met ons samen kwamen al [de] tijd dat de Heer Jezus onder ons inging en uitging, 22te beginnen bij de doop van Johannes tot op de dag dat Hij van ons werd opgenomen, een van hen met ons getuige van Zijn opstanding worden. 23En zij stelden er twee: Jozef, Barsabas geheten, die bijgenaamd was Justus, en Matthias. 24En zij baden aldus: U, Heer, Kenner van aller harten, wijs van deze twee één aan die U hebt uitverkoren 25om de plaats van deze bediening en dit apostelschap in te nemen, waarvan Judas is afgevallen om naar zijn eigen plaats te gaan. 26En zij wierpen het lot over hen en het lot viel op Matthias; en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.

Petrus weet dat de woorden “in [het] boek van [de] Psalmen” (Ps 69:2626Laat hun tentenkamp verwoest worden,
in hun tenten geen bewoner zijn.
; 109:88Laten zijn dagen weinig zijn
[en] laat een ander zijn ambt nemen.
)
op Judas van toepassing zijn, hoewel zijn naam daar niet wordt genoemd. Dat wil ook zeggen dat wat met Judas gebeurde, geen overwinning van de satan is. Judas werd slechts gebruikt om het Woord van God te vervullen. Dat doet niets af van de eigen verantwoordelijkheid die Judas had. Hij heeft zich voor de satan opengesteld.

De aanhaling uit Psalm 69:26 kondigt zijn oordeel aan, terwijl de aanhaling uit Psalm 109:8 spreekt over de opvolging van de vacant gekomen plaats bij de twaalf. In hun keus van een opvolger laten de apostelen zich leiden door de Schrift (vers 1616Mannen broeders, het Schriftwoord moest vervuld worden, dat de Heilige Geest door [de] mond van David tevoren heeft gezegd over Judas, die de leidsman is geweest van hen die Jezus gevangennamen;) en ze willen daaraan ook gehoorzaam zijn. Ze geloven in de inspiratie van de Schrift en in de praktische toepassing ervan in hun situatie.

Dat is ook voor ons belangrijk. De kracht van de Schrift om ons ook vandaag in allerlei situaties in de gemeente te leiden is onverminderd aanwezig. De vraag is echter of wij dat nog met dezelfde overtuiging geloven als de discipelen destijds. Te oordelen naar onze kennis van de Schrift en het geven van een eigen uitlegging daaraan is het te vrezen dat we ver zijn afgeweken van het geloof van de eerste discipelen.

Petrus heeft niet alleen inzicht in de Schrift, hij heeft ook inzicht in de voorwaarden waaraan de opvolger van Judas moet voldoen. Hij weet dat er mannen zijn, buiten de twaalf die de Heer Jezus tot een speciale dienst heeft uitgekozen, die ook met Hem zijn meegetrokken als Zijn discipelen. Zulke discipelen hebben Hem ook leren kennen als Iemand Die onder hen “inging en uitging”, wat wijst op de vrije manier van omgaan van de Heer met Zijn discipelen.

De periode van de openbare dienst van de Heer Jezus is begonnen bij de doop van Johannes en is doorgegaan tot Zijn hemelvaart. Om tot de apostelen te worden gerekend moest iemand al die tijd bij Hem zijn gebleven. Als iemand aan die voorwaarde voldeed, was hij ook een getuige van Zijn opstanding en daar is het voornamelijk om te doen.

Het gaat er niet om te kunnen getuigen van de omwandeling van de Heer, maar van Zijn opstanding. Hier wordt het belang van de opstanding onderstreept. Daarvan moet getuigenis kunnen worden gegeven. De opstanding neemt in Handelingen een belangrijke plaats in. Zonder de opstanding hebben prediking en lering geen kracht of helderheid.

Er zijn twee mannen die aan de voorwaarden voldoen om de plaats van Judas in te nemen. Het is de bevoorrechte plaats waarvan Judas is afgevallen omdat hij het geld liefhad. Zijn keus voor het geld was een fatale keus en deed hem gaan naar zijn eigen afschuwelijke plaats in het eeuwig verderf (Jh 17:1212Toen Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam. Hen die U Mij hebt gegeven, heb Ik bewaakt en niemand van hen is verloren gegaan dan de zoon van het verderf, opdat de Schrift vervuld werd.). De twee kandidaten worden voorgesteld aan de Heer. Mogelijk hebben ze deel uitgemaakt van de zeventig die door Hem zijn uitgezonden (Lk 10:11Daarna nu stelde de Heer <nog> <twee en> zeventig anderen aan en zond hen twee aan twee voor Zich uit naar elke stad en plaats waar Hijzelf zou komen.).

Na het raadplegen van de Schrift en het zich daardoor laten leiden en het toepassen van de voorwaarden leggen ze nu in gebed de zaak aan de Heer voor. Het lezen van Gods Woord en het gebed horen altijd bij elkaar. Gesteund door de Schrift vragen ze of Hij van de twee die aan de gestelde voorwaarden voldoen de ene wil kiezen. De apostelen bepalen niet zelf wie de plaats van Judas moet innemen. Zij laten de keus over aan de Heer. Zoals Hij de nacht doorbracht in gebed voordat Hij de twaalf uitkoos (Lk 6:12-1312Het gebeurde nu in die dagen dat Hij naar buiten ging naar de berg om te bidden, en Hij bracht de nacht door in het gebed tot God.13En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf van hen uit, die Hij ook apostelen noemde:), zo bidden de discipelen hier ook voor de juiste keus.

Ze spreken de Heer aan als “de Kenner van aller harten” (vgl. Hd 15:88En God, Die de harten kent, heeft getuigenis gegeven door aan hen de Heilige Geest te geven evenals ook aan ons;). Hij alleen kent het hart van ieder mens en weet wat daarin is voor Hem. Deze houding van afhankelijkheid en overgave aan Zijn wil 3is van beslissende betekenis voor het leren kennen van Zijn wil. Ze zeggen in hun gebed ook waarom ze tot dit gebed komen. Ze verantwoorden zich als het ware met te verwijzen naar de gebeurtenissen. Dat weet de Heer allemaal wel, maar Hij wil graag dat wij Hem vertellen waarom we van Hem een beslissing vragen. Het is voor ons belangrijk dat wij onze motieven om iets te vragen onder woorden brengen.

Nadat ze zich zo in het gebed tot de Heer als de Kenner van het hart van allen hebben gericht, werpen ze het lot. Dat is op dat ogenblik nog een geoorloofd middel om Gods wil te leren kennen (Sp 16:3333Het lot wordt in de schoot geworpen,
maar elke beslissing daardoor komt van de HEERE.
)
. Het is tevens de laatste keer dat we in de Bijbel over het gebruik van het lot lezen. Na de komst van de Heilige Geest is er van het werpen van het lot geen sprake meer. Als de Heilige Geest gekomen is, maakt Hij Gods wil duidelijk (Hd 13:22Terwijl zij nu de Heer dienden en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe Ik hen heb geroepen.).

Het lot valt op Matthias. Hij wordt aan de elf toegevoegd. Daardoor kan er weer worden gesproken over ‘de twaalf’ (Hd 6:22De twaalf nu riepen de menigte van de discipelen bijeen en zeiden: Het is niet bevredigend dat wij het Woord van God nalaten en [de] tafels dienen.). Door het gebruik van de uitdrukking ‘de twaalf’, maakt de Heilige Geest duidelijk dat de keus door God is erkend.


Lees verder