Leviticus
Inleiding 1 Schuldig door te zwijgen 2-3 Schuldig door onvoorzichtigheid 4 Schuldig door ondoordacht spreken 5-13 Zondoffers naar draagkracht 14-16 Zonde tegen de heilige dingen 17-19 Overtreding van een gebod
Inleiding

De verzen 1-131Als een persoon zondigt doordat hij een uitgesproken vervloeking hoort en hij [dus] getuige is, of dat hij het gezien heeft of [het] te weten gekomen is, als hij het niet vertelt, dan draagt hij zijn ongerechtigheid.2Of als een persoon ook maar iets onreins aanraakt – het kadaver van een onrein wild dier, of het kadaver van een onrein stuk vee, of het kadaver van een onrein kruipend dier – ook al is het voor hem verborgen gebleven, dan is hij [toch] onrein en schuldig.3Of als hij iets onreins van een mens aanraakt, wat voor onreins van hem het ook is, waardoor hij onrein wordt, [ook] al is het voor hem verborgen gebleven, en hij het [later] te weten komt, dan is hij [toch] schuldig.4Of als een persoon zweert om iets goeds te doen of iets kwaads, terwijl de woorden onbedacht over zijn lippen komen – naar alles wat de mens ondoordacht in een eed kan uitspreken – hoewel het voor hem verborgen is, en hij het [later] te weten komt, dan is hij [toch] aan een van die [woorden] schuldig.5Het zal gebeuren, als [iemand] aan een van deze dingen schuldig is, dat hij dan moet belijden waarin hij gezondigd heeft.6Hij moet vervolgens als zijn schuldoffer vanwege zijn zonde, die hij begaan heeft, aan de HEERE een vrouwtje uit het kleinvee brengen: een lam of een geit als zondoffer. Zo zal de priester verzoening voor hem doen vanwege zijn zonde.7Maar als zijn vermogen ontoereikend is voor een [stuk] kleinvee, dan moet hij de HEERE zijn schuldoffer brengen voor de zonde die hij begaan heeft: twee tortelduiven of twee jonge duiven, één als zondoffer en één als brandoffer.8Hij moet die vervolgens naar de priester brengen, die eerst de ene aanbiedt die voor het zondoffer bestemd is. Hij moet haar kop vlak achter haar nek afknijpen, zonder [die] eraf te trekken.9Dan moet hij [een deel] van het bloed van het zondoffer tegen de zijwand van het altaar sprenkelen, maar de rest van het bloed moet tegen de voet van het altaar uitgedrukt worden. Het is een zondoffer.10En de andere moet hij volgens de bepaling als een brandoffer bereiden. Zo zal de priester verzoening voor hem doen vanwege zijn zonde, die hij begaan heeft, en het zal hem vergeven worden.11Maar als zijn vermogen ontoereikend is voor twee tortelduiven of twee jonge duiven, dan moet degene die gezondigd heeft, als offergave het tiende [deel] van een efa meelbloem als zondoffer brengen. Hij mag er geen olie op doen en er [ook] geen wierook op leggen, want het is een zondoffer.12Hij moet het naar de priester brengen, en de priester moet daarvan een handvol nemen, als gedenkoffer, en het op het altaar in rook laten opgaan, boven de vuuroffers van de HEERE. Het is een zondoffer.13Zo zal de priester verzoening voor hem doen over zijn zonde, die hij begaan heeft, in deze of gene zaak, en het zal hem vergeven worden. Het zal voor de priester zijn, net zoals het graanoffer. van Leviticus 5 zijn een soort tussenvorm tussen zondoffer en schuldoffer. Het zondoffer in Leviticus 4 laat zien wat het karakter van de zonde is, dat zonde in strijd is met de heilige natuur van God, en niet zozeer waaruit die zonde bestaat, welke zondige daad begaan is. Het laat ook zien dat de positie van iemand die zondigt van belang is. Bij het schuldoffer gaat het meer om de daad die is gedaan en de genoegdoening aan de HEERE ten opzichte van Wie de daad is gedaan.

Het woord ’schuld’ betekent schuldig zijn tegenover iemand aan wie wij verantwoording schuldig zijn. Het gaat om schuld die wij op ons laden als wij ons het bezit van een ander wederrechterlijk toe-eigenen of aan iemand iets onthouden waarop hij recht heeft. Het kan gaan om materiële dingen, maar ook om immateriële dingen, zoals iemands goede naam of iets waardoor hij nadeel ondervindt.


Schuldig door te zwijgen

1Als een persoon zondigt doordat hij een uitgesproken vervloeking hoort en hij [dus] getuige is, of dat hij het gezien heeft of [het] te weten gekomen is, als hij het niet vertelt, dan draagt hij zijn ongerechtigheid.

Bij „een uitgesproken vervloeking” die iemand hoort, gaat het om de situatie dat een rechter een aangeklaagde door het uitspreken van de eedformule onder ede bezweert ( Nm 5:20-2120Maar u, indien u, terwijl u uw man toebehoorde, bent afgeweken, en indien u uzelf hebt verontreinigd en een [andere] man met u de geslachtsdaad verricht heeft, en niet uw [eigen] man,21dan moet de priester de vrouw met de eed van de vervloeking laten zweren. De priester moet tegen de vrouw zeggen: De HEERE zal u tot een vervloeking en tot een verwensing stellen, te midden van uw volk, doordat de HEERE uw heup doet invallen en uw buik doet opzwellen.; Mt 26:6363Jezus echter zweeg. En de hogepriester <antwoordde en> zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God!). Dat legt op de aangeklaagde de verplichting de waarheid te spreken. Doet hij dat niet en er is iemand aanwezig die de toedracht kent, maar die niet vertelt, dan is ook hij daardoor schuldig. Het gaat er dus om dat iemand zondigt en schuld op zich laadt als hij zwijgt, terwijl hij moet spreken.

We kunnen dit toepassen op de verantwoordelijkheid die we hebben tegenover mensen die het evangelie niet kennen. Dan zijn we er verantwoordelijk voor om ons getuigenis te geven dat we de Heer Jezus kennen. God kan ons in omstandigheden brengen waarin we duidelijk Zijn hand zien om daar een getuigenis te geven van Wie Hij is. Als we dan zwijgen, zijn we schuldig. We behoren altijd bereid te zijn “tot verantwoording aan ieder die u rekenschap vraagt van de hoop die in u is” (1Pt 3:1515maar heiligt Christus als Heer in uw harten, altijd bereid tot verantwoording aan ieder die u rekenschap vraagt van de hoop die in u is, maar met zachtmoedigheid en vrees,).


Schuldig door onvoorzichtigheid

2Of als een persoon ook maar iets onreins aanraakt – het kadaver van een onrein wild dier, of het kadaver van een onrein stuk vee, of het kadaver van een onrein kruipend dier – ook al is het voor hem verborgen gebleven, dan is hij [toch] onrein en schuldig. 3Of als hij iets onreins van een mens aanraakt, wat voor onreins van hem het ook is, waardoor hij onrein wordt, [ook] al is het voor hem verborgen gebleven, en hij het [later] te weten komt, dan is hij [toch] schuldig.

Iemand zondigt en laadt schuld op zich door aanraking van iets onreins, ook al gebeurt het per ongeluk. Het is een zonde door onvoorzichtigheid. Het zal hem echter op de een of andere manier duidelijk worden dat hij onrein geworden is. Pas dan ook is hij in staat het in te zien en het passende offer te brengen.

Het gaat om een directe, persoonlijke aanraking met iets wat onrein is. De Schrift spreekt niet over iemand die deze onrein geworden persoon weer aanraakt. Het gaat altijd om een directe aanraking en niet om een ‘vervolgaanraking’. De zogenaamde ‘kettingverontreiniging’ kent de Schrift niet en is een menselijke conclusie.

Er zijn twee vormen in het oplopen van verontreiniging. Het eerste is door aanraking van het kadaver van onreine dieren. Dat stelt de dood in de wereld om ons heen voor. De dood staat voor alles wat niet in verbinding met de levende God staat. We kunnen de dood niet uit de wereld wegnemen en daardoor lopen we op allerlei manieren kans ermee in aanraking te komen.

Ook het aanraken heeft voor ons een geestelijke betekenis. Dat gebeurt bijvoorbeeld door het zien van onreinheid en geweld en het horen van leugenpraat. Het is onze verantwoordelijkheid dat we er niet naar (blijven) kijken en er niet naar (blijven) luisteren leggen. In gevallen waarin we het niet kunnen helpen, kunnen we geestelijke lessen trekken uit de voorschriften van Numeri 19.

Het tweede is het aanraken van de onreinheid van een mens. Dat kunnen we toepassen op bijvoorbeeld het overnemen van dingen van de mensen van de wereld, zoals hun gedrag, gepraat, streven. Dat gebeurt als wij vriendschap met de wereld sluiten, vrienden hebben die de Heer niet kennen. De Schrift noemt dat “vijandschap jegens God” (Jk 4:44Overspeligen, weet u niet dat de vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God.). Vriendschap met de wereld maakt dat wij onder de invloed ervan komen. Niet wij hebben invloed op hen, maar zij op ons. “Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden” (1Ko 15:3333Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden.).

De christen kan niet door het letterlijk aanraken van bepaalde dingen onrein worden. De Heer Jezus heeft er al met een nadrukkelijk “hoort en verstaat” op gewezen: “Niet wat de mond inkomt, verontreinigt de mens, maar wat de mond uitgaat, dat verontreinigt de mens” (Mt 15:1111Niet wat de mond inkomt, verontreinigt de mens, maar wat de mond uitgaat, dat verontreinigt de mens.), want “wat de mond uitgaat, komt voort uit het hart, en dat verontreinigt de mens. Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moorden, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen. Deze dingen zijn het die de mens verontreinigen” (Mt 15:18-2018Maar wat de mond uitgaat, komt voort uit het hart, en dat verontreinigt de mens.19Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moorden, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen.20Deze dingen zijn het die de mens verontreinigen; het eten met ongewassen handen echter verontreinigt de mens niet.).


Schuldig door ondoordacht spreken

4Of als een persoon zweert om iets goeds te doen of iets kwaads, terwijl de woorden onbedacht over zijn lippen komen – naar alles wat de mens ondoordacht in een eed kan uitspreken – hoewel het voor hem verborgen is, en hij het [later] te weten komt, dan is hij [toch] aan een van die [woorden] schuldig.

Iemand zondigt en laadt schuld op zich als hij overhaast en overmoedig spreekt. Dit is falen in zelfbeheersing, er is geen controle over het vlees. Petrus beweert eerst bij hoog en laag in schromelijke zelfoverschatting dat, al komen al zijn medediscipelen over de Heer ten val, hij niet (Mt 26:3333Petrus echter antwoordde en zei tot Hem: Al zullen allen over U ten val komen, ik zal nooit ten val komen.). Maar een poosje later zweert hij dat hij de Heer niet kent (Mt 26:69-7569Petrus nu zat buiten in de voorhof; en een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: Ook u was met Jezus de Galileeër.70Hij loochende het echter ten aanhoren van allen en zei: Ik weet niet wat u zegt.71Toen hij nu naar buiten ging naar de voorpoort, zag een andere [vrouw] hem en zij zei tot hen die daar waren: <Ook> deze was met Jezus de Nazoreeër.72En hij loochende het opnieuw met een eed: Ik ken de Mens niet!73Kort daarna nu kwamen zij die [daar] stonden naar hem toe en zeiden tot Petrus: Werkelijk, ook u bent een van hen, want ook uw spraak maakt u openbaar.74Toen begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken de Mens niet!75En terstond kraaide [de] haan. En Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, Die gezegd had: Voordat [de] haan kraait, zul je Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter.). Beide keren is hij de beheersing over zichzelf kwijt en handelt hij vleselijk.

We kunnen dit toepassen op goedbedoelde beloften, zoals tegen iemand zeggen dat we wel een keer op bezoek komen, maar we doen het niet. We doen een dergelijke belofte meer om de ander op het moment van de belofte te bemoedigen dat we hem niet vergeten, dan dat we werkelijk van plan zijn hem te bezoeken. Ook als we iemand hardop iets kwaads toewensen, omdat hij ons onrecht heeft gedaan – waarbij we gelukkig in het algemeen niet tot de daad komen –, zijn dat woorden die “onbedachtzaam” zijn uitgesproken. Door die woorden zijn we schuldig. Als ons later op onze belofte wordt gewezen, zullen we moeten belijden dat we die woorden ondoordacht hebben uitgesproken.


Zondoffers naar draagkracht

5Het zal gebeuren, als [iemand] aan een van deze dingen schuldig is, dat hij dan moet belijden waarin hij gezondigd heeft. 6Hij moet vervolgens als zijn schuldoffer vanwege zijn zonde, die hij begaan heeft, aan de HEERE een vrouwtje uit het kleinvee brengen: een lam of een geit als zondoffer. Zo zal de priester verzoening voor hem doen vanwege zijn zonde. 7Maar als zijn vermogen ontoereikend is voor een [stuk] kleinvee, dan moet hij de HEERE zijn schuldoffer brengen voor de zonde die hij begaan heeft: twee tortelduiven of twee jonge duiven, één als zondoffer en één als brandoffer. 8Hij moet die vervolgens naar de priester brengen, die eerst de ene aanbiedt die voor het zondoffer bestemd is. Hij moet haar kop vlak achter haar nek afknijpen, zonder [die] eraf te trekken. 9Dan moet hij [een deel] van het bloed van het zondoffer tegen de zijwand van het altaar sprenkelen, maar de rest van het bloed moet tegen de voet van het altaar uitgedrukt worden. Het is een zondoffer. 10En de andere moet hij volgens de bepaling als een brandoffer bereiden. Zo zal de priester verzoening voor hem doen vanwege zijn zonde, die hij begaan heeft, en het zal hem vergeven worden. 11Maar als zijn vermogen ontoereikend is voor twee tortelduiven of twee jonge duiven, dan moet degene die gezondigd heeft, als offergave het tiende [deel] van een efa meelbloem als zondoffer brengen. Hij mag er geen olie op doen en er [ook] geen wierook op leggen, want het is een zondoffer. 12Hij moet het naar de priester brengen, en de priester moet daarvan een handvol nemen, als gedenkoffer, en het op het altaar in rook laten opgaan, boven de vuuroffers van de HEERE. Het is een zondoffer. 13Zo zal de priester verzoening voor hem doen over zijn zonde, die hij begaan heeft, in deze of gene zaak, en het zal hem vergeven worden. Het zal voor de priester zijn, net zoals het graanoffer.

Als we ons aan een van de hiervoor genoemde zonden hebben schuldig gemaakt, moet deze worden beleden zodra deze bekend is geworden. Belijden houdt in dat de zonde met naam wordt genoemd – hij “moet belijden waarin hij heeft gezondigd”. Ook moet een zondoffer worden gebracht. Dat betekent voor ons – niet dat de Heer Jezus opnieuw moet sterven maar – dat wij ons moeten realiseren dat Hij voor die zonde, die we zojuist hebben gedaan, heeft moeten sterven. Het moet ook goed tot ons doordringen dat God door die zonde is onteerd.

De grootte van het offer bepaalt de mate waarin we ons bewust zijn hoe erg God door de zonde is onteerd en hoe erg de Heer Jezus heeft moeten lijden. Een groter offer geeft een groter besef daarvan aan, een kleiner offer een kleiner besef. Maar los van het besef is er op grond van het offer vergeving. Dat laat zien dat het uiteindelijk God is Die handelt naar de waarde die het offer voor Hem heeft. En het is maar gelukkig ook dat wij geen vergeving ontvangen op grond van ons inzicht in het werk van de Heer Jezus, maar door wat God daarin ziet. Dat wil overigens niet zeggen dat het dus niets uitmaakt in hoeverre wij doordringen in de betekenis van het kruis.

Iemand die met twee vogels komt (verzen 7-107Maar als zijn vermogen ontoereikend is voor een [stuk] kleinvee, dan moet hij de HEERE zijn schuldoffer brengen voor de zonde die hij begaan heeft: twee tortelduiven of twee jonge duiven, één als zondoffer en één als brandoffer.8Hij moet die vervolgens naar de priester brengen, die eerst de ene aanbiedt die voor het zondoffer bestemd is. Hij moet haar kop vlak achter haar nek afknijpen, zonder [die] eraf te trekken.9Dan moet hij [een deel] van het bloed van het zondoffer tegen de zijwand van het altaar sprenkelen, maar de rest van het bloed moet tegen de voet van het altaar uitgedrukt worden. Het is een zondoffer.10En de andere moet hij volgens de bepaling als een brandoffer bereiden. Zo zal de priester verzoening voor hem doen vanwege zijn zonde, die hij begaan heeft, en het zal hem vergeven worden.), brengt een gering offer. Het brandoffer, waartoe de tweede vogel bereid moet worden, dient als vervanging van het vet van de grotere zondoffers. Het zondoffer is iets afschuwelijks voor God, maar het vet is dat niet. Nu zit er aan een vogel geen vet. Daarom is de tweede vogel als brandoffer bestemd. Hoe afschuwelijk het zondoffer ook is, toch is er ook iets in aanwezig waardoor God wordt verheerlijkt. God wil graag van ons horen dat Hij Die voor onze zonden heeft willen sterven, toch ook Degene is Die Hem heeft verheerlijkt en in Wiens werk Hij volkomen genoegdoening heeft gevonden.

Iemand kan zo arm zijn, dat hij slechts een handvol meelbloem als zondoffer brengt (verzen 11-1311Maar als zijn vermogen ontoereikend is voor twee tortelduiven of twee jonge duiven, dan moet degene die gezondigd heeft, als offergave het tiende [deel] van een efa meelbloem als zondoffer brengen. Hij mag er geen olie op doen en er [ook] geen wierook op leggen, want het is een zondoffer.12Hij moet het naar de priester brengen, en de priester moet daarvan een handvol nemen, als gedenkoffer, en het op het altaar in rook laten opgaan, boven de vuuroffers van de HEERE. Het is een zondoffer.13Zo zal de priester verzoening voor hem doen over zijn zonde, die hij begaan heeft, in deze of gene zaak, en het zal hem vergeven worden. Het zal voor de priester zijn, net zoals het graanoffer.). Dat is zeer uitzonderlijk: een niet bloedig offer tot verzoening. Dit spreekt van iemand die bijzonder weinig besef heeft van het werk van de Heer Jezus. Het is iemand die nauwelijks besef heeft dat bloed moest vloeien tot vergeving van zonden. Het enige wat zo iemand ziet, is dat de Heer Jezus een volmaakt Mens is, Die de zonde die hij heeft gedaan, niet heeft gedaan. Hij beseft dat er alleen door Hem redding is, zonder dat hij zich bewust is dat de dood noodzakelijk is als oordeel van God over zijn zonde.

Dit offer van meelbloem doet denken aan het graanoffer of spijsoffer, maar het is het niet. De olie en de wierook mogen er niet aan toegevoegd worden. Het is een zondoffer en dat is niet aangenaam voor God.

Deze regeling voor de allerarmsten onder Gods volk is ook een bewijs dat God niet vergeeft naar ons inzicht in het werk van de Heer Jezus, maar naar Zijn waardering ervan. Voor God is het belangrijk dat Hij de oprechtheid van de belijdenis ziet, dat iemand zijn daad werkelijk als zonde voor Hem erkent.


Zonde tegen de heilige dingen

14De HEERE sprak tot Mozes: 15Wanneer een persoon trouwbreuk pleegt en zonder opzet zonde begaat tegen de heilige dingen van de HEERE, dan moet hij als zijn schuldoffer een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee aan de HEERE brengen, tegen een door u bepaalde waarde van enkele sikkels zilver, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom, als schuldoffer. 16Zo moet hij het heilige waartegen hij gezondigd heeft, vergoeden en er een vijfde [deel] aan toevoegen. Hij moet dat aan de priester geven. Zo zal de priester met de ram van het schuldoffer verzoening voor hem doen, en het zal hem vergeven worden.

Het schuldoffer voorziet in twee vormen van schuld, want schuld kan op twee manieren ontstaan: schuld tegenover God (Lv 5:14-1914De HEERE sprak tot Mozes:15Wanneer een persoon trouwbreuk pleegt en zonder opzet zonde begaat tegen de heilige dingen van de HEERE, dan moet hij als zijn schuldoffer een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee aan de HEERE brengen, tegen een door u bepaalde waarde van enkele sikkels zilver, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom, als schuldoffer.16Zo moet hij het heilige waartegen hij gezondigd heeft, vergoeden en er een vijfde [deel] aan toevoegen. Hij moet dat aan de priester geven. Zo zal de priester met de ram van het schuldoffer verzoening voor hem doen, en het zal hem vergeven worden.17En wanneer een persoon zondigt en één van alle geboden van de HEERE overtreedt, wat niet gedaan mag worden, [ook] al wist hij het niet, dan is hij [toch] schuldig en moet hij zijn ongerechtigheid dragen.18Hij moet een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee tegen een door u bepaalde waarde als schuldoffer naar de priester brengen. De priester zal zo verzoening voor hem doen voor zijn zonde, die hij zonder opzet en zonder het te weten gedaan heeft, en het zal hem vergeven worden.19Het is een schuldoffer, want hij heeft zich zeker schuldig gemaakt tegenover de HEERE.) en schuld tegenover de naaste (Lv 6:1-71De HEERE sprak tot Mozes:2Wanneer een persoon zondigt en trouwbreuk pleegt tegen de HEERE, doordat hij tegenover zijn naaste ontkent dat hem iets in bewaring gegeven of ter hand gesteld is, of dat hij iets geroofd heeft, of zijn naaste iets met geweld afgeperst heeft,3of een verloren voorwerp gevonden heeft, en hij ontkent dat en legt een valse eed af over één ding van alles wat een mens kan doen om zich daarmee te bezondigen,4dan moet het [zó] zijn – omdat hij gezondigd heeft en schuldig bevonden is – dat hij het geroofde, dat hij wegroofde, terugbrengt, of het afgeperste, dat hij met geweld afhandig maakte, of het in bewaring gegevene, dat hem in bewaring gegeven was, of het verloren voorwerp, dat hij gevonden had,5of alles waarover hij een valse eed afgelegd heeft. Daarvan moet hij de volle waarde vergoeden en er [bovendien nog] een vijfde [deel] aan toevoegen. Hij moet het geven aan degene die het toebehoorde, op de dag dat hij zijn schuldoffer brengt.6Hij moet zijn schuldoffer voor de HEERE naar de priester brengen, een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee, tegen een door u bepaalde waarde, als schuldoffer.7Zo moet de priester verzoening voor hem doen voor het aangezicht van de HEERE, en het zal hem vergeven worden ten aanzien van welke zaak dan ook waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt.). Schuld tegenover God kan ook op twee manieren ontstaan: door Hem iets te onthouden wat Hem toekomt (Lv 5:15-1615Wanneer een persoon trouwbreuk pleegt en zonder opzet zonde begaat tegen de heilige dingen van de HEERE, dan moet hij als zijn schuldoffer een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee aan de HEERE brengen, tegen een door u bepaalde waarde van enkele sikkels zilver, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom, als schuldoffer.16Zo moet hij het heilige waartegen hij gezondigd heeft, vergoeden en er een vijfde [deel] aan toevoegen. Hij moet dat aan de priester geven. Zo zal de priester met de ram van het schuldoffer verzoening voor hem doen, en het zal hem vergeven worden.) en door iets te doen wat Hij verboden heeft (Lv 5:17-1917En wanneer een persoon zondigt en één van alle geboden van de HEERE overtreedt, wat niet gedaan mag worden, [ook] al wist hij het niet, dan is hij [toch] schuldig en moet hij zijn ongerechtigheid dragen.18Hij moet een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee tegen een door u bepaalde waarde als schuldoffer naar de priester brengen. De priester zal zo verzoening voor hem doen voor zijn zonde, die hij zonder opzet en zonder het te weten gedaan heeft, en het zal hem vergeven worden.19Het is een schuldoffer, want hij heeft zich zeker schuldig gemaakt tegenover de HEERE.).

Bij het ontrouw worden tegen “de heilige dingen van de HEERE” kunnen we denken aan het wegnemen van iets wat voor Hem afgezonderd is (‘heiligen’ betekent ‘afzonderen voor’). Het kan iets zijn wat Hij voor Zichzelf heeft afgezonderd, het kan ook iets zijn wat wij voor Hem hebben afgezonderd. Wij zijn “voor een prijs gekocht” (1Ko 6:2020Want u bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw lichaam!) en we zijn voor God gekocht”(Op 5:99En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,). We behoren God toe. Hij heeft recht op onze offers van lof en dank, onze stoffelijke gaven (Hb 13:15-1615Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.16En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen.), ja, ons hele leven (Rm 12:11Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, [dat is] uw redelijke dienst.).

Als we Hem onze dank, onze gaven, ons leven onthouden, zijn we schuldig. We kunnen bijvoorbeeld in de samenkomsten zijn en meezingen, zonder Hem werkelijk te danken vanuit ons hart. We kunnen ons geld uitgeven alleen maar voor ons eigen plezier. We kunnen onze tijd besteden aan waardeloze zaken. In al die aspecten, die allemaal aan de HEERE geheiligd behoren te zijn, kunnen we ontrouw worden.

Er wordt aangenomen dat het “zonder opzet” gebeurt. Toch kunnen we schuldig worden als we niet in de gaten houden dat alles van de Heer is. Als we ons dat bewust worden, moet er een schuldoffer worden gebracht en nog twintig procent daarbij. Het voorgeschreven dier als schuldoffer is een ram. Over een ander soort offer wordt niet gesproken. Dat geeft aan dat dit offer voor ieder gelijk is.

De ram is het dier dat spreekt van de toewijding van de Heer Jezus. De Heer Jezus heeft altijd volmaakt alles aan God geheiligd. Alles in Hem is voor God. Zijn toewijding is tot in de dood geweest. Die dood is nodig geweest, ook voor mijn gebrek aan heiliging van alles waar God recht op heeft. Ik moet me dat weer realiseren. Ik moet me weer aan Hem toewijden en dat met nog meer toewijding, twintig procent erbij.

De schatting waarvan sprake is, wordt door Mozes gedaan. De HEERE spreekt hem aan. Mozes is het beeld van de Heer Jezus als de grote Leraar, Die het Woord van God met gezag spreekt, de grote Profeet, Die het Woord van God toepast op hart en geweten. Het schatten naar de waarde in zilveren sikkels verwijst naar de prijs die de Heer Jezus heeft betaald aan het kruis. Het doet denken aan Zijn bloed. De schatting gebeurt naar de heilige sikkel. Dat brengt ons in verbinding met het heiligdom, de plaats waar God woont. Niet wij bepalen de waarde van het schuldoffer. Dat doet de Heer Jezus, in het heiligdom, voor God.

De schuld moet niet alleen worden beleden, maar ook worden terugbetaald, met een extra bedrag van een vijfde deel. Als wij onze schuld voor God belijden en ons opnieuw aan Hem toewijden, zullen we dat met grotere ijver doen dan daarvoor. Dat komt, omdat we weer iets meer van de genade van God en van het werk van de Heer Jezus hebben leren kennen.


Overtreding van een gebod

17En wanneer een persoon zondigt en één van alle geboden van de HEERE overtreedt, wat niet gedaan mag worden, [ook] al wist hij het niet, dan is hij [toch] schuldig en moet hij zijn ongerechtigheid dragen. 18Hij moet een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee tegen een door u bepaalde waarde als schuldoffer naar de priester brengen. De priester zal zo verzoening voor hem doen voor zijn zonde, die hij zonder opzet en zonder het te weten gedaan heeft, en het zal hem vergeven worden. 19Het is een schuldoffer, want hij heeft zich zeker schuldig gemaakt tegenover de HEERE.

Voor het overtreden van een gebod van de HEERE mag niet als excuus worden aangevoerd dat we onbekend zijn met dat gebod. Het is ermee als met het gezegde: iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen. Wetten worden altijd gepubliceerd. Op overtreding ervan staat een sanctie. Wat in de rechtspraak van een volk vanzelfsprekend is, lijkt ten opzichte van God niet te gelden. Althans, zo gedragen wij ons wel eens.

Maar zelfs al zijn we pas bekeerd, dan hebben we de Heilige Geest in ons wonen, door Wie wij alle dingen weten (1Jh 2:20,2720En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.27En wat u betreft, de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert; maar zoals Zijn zalving u over alles leert, en waar is en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, blijft u in Hem.). Dus zijn we niet te verontschuldigen als we iets doen wat de Heer verboden heeft. Wat Hij van ons wil, is altijd te controleren aan de hand van Zijn Woord. Nooit zal Hij iets van ons vragen dat in strijd is met Zijn Woord.


Lees verder