Leviticus
Inleiding 1-7 Het sabbatsjaar 8-13 Het jubeljaar 14-17 Jubeljaar als uitgangspunt 18-22 Zegen bij houden sabbatsjaar 23-28 Lossing van land 29-34 Lossing van huizen 35-55 Houding tegenover de arme
Inleiding

In Leviticus 23 gaat het over het herstel van Israël als volk. Maar niet alleen het volk staat God voor ogen, Zijn ogen zijn ook op het land gericht. Land en volk horen bij elkaar (Gn 15). In dit hoofdstuk gaat het over het land: “Het land behoort Mij toe” (vers 2323Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.). Als het volk zo verarmt dat het land verkocht moet worden, zal dit Gods plannen niet verstoren. Hij stelt een jubeljaar in het vooruitzicht. Daarin zal alles weer terugkeren naar de oorspronkelijke eigenaars.


Het sabbatsjaar

1De HEERE sprak tot Mozes bij de berg Sinaï: 2Spreek tot de Israëlieten, en zeg tegen hen: Wanneer u gekomen bent in het land dat Ik u geven zal, dan moet het land rust krijgen, een sabbat voor de HEERE. 3Zes jaar mag u uw akker bezaaien, zes jaar mag u uw wijngaard snoeien en de opbrengst ervan inzamelen. 4Maar in het zevende jaar moet het voor het land sabbat zijn, een periode van volledige rust, een sabbat voor de HEERE. Uw akker mag u niet bezaaien en uw wijngaard mag u niet snoeien. 5Wat er na uw [laatste] oogst [nog] opkomt, mag u niet oogsten, en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok mag u niet plukken. Het is een jaar van volkomen rust voor het land. 6[De opbrengst van] de sabbat van het land zal voor u als voedsel dienen: voor u en uw slaaf en uw slavin, uw dagloner en uw bijwoner, die bij u als vreemdeling verblijven. 7Ook voor uw vee en voor de [wilde] dieren die in uw land [leven], mag heel de opbrengst ervan als voedsel dienen.

Deze verzen gaan over het sabbatsjaar, niet over het jubeljaar. Het sabbatsjaar is eens in de zeven jaar, het jubeljaar eens in de vijftig jaar. Er is een overeenkomst. Beide zijn een beeld van het vrederijk. Het verschil is dat het sabbatsjaar spreekt van rust (Hb 4:99Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God.) en het jubeljaar van herstel (Hd 3:2121Die [de] hemel moet opnemen tot op [de] tijden van [de] herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door [de] mond van Zijn heilige profeten van oudsher.) en vrijheid (Rm 8:2121in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.). Zoals het volk zes dagen moet werken en moet rusten op de zevende dag, zo moet het land waarin het straks leeft, zes jaar bewerkt worden en in het zevende jaar een jaar rust krijgen.

Wat de HEERE te zeggen heeft over het sabbatsjaar en het jubeljaar, zegt Hij tegen “Mozes bij de berg Sinaï” (vers 11De HEERE sprak tot Mozes bij de berg Sinaï:; Lv 7:3838die de HEERE Mozes gebood op de berg Sinaï, op de dag dat Hij de Israëlieten gebood om hun offergaven voor de HEERE in de woestijn Sinaï aan te bieden.; 26:4646Dit zijn de verordeningen, de bepalingen en de wetten die de HEERE gegeven heeft, [over de verhouding] tussen Hem en de Israëlieten, op de berg Sinaï, door de dienst van Mozes.; 27:3434Dit zijn de geboden die de HEERE Mozes gegeven heeft, voor de Israëlieten, op de berg Sinaï.). In het voorgaande vinden we vooral dat de HEERE tot Mozes spreekt vanuit de tent der samenkomst (Lv 1:11De HEERE riep Mozes en sprak tot hem vanuit de tent van ontmoeting:). Dat benadrukt meer dat God met Zijn volk wil samenkomen om de gedachten van Zijn hart met hen te delen over wat Hij voor hen heeft. Hier gaat het om wat God in Zijn hart heeft ten aanzien van Zijn land. Daarover heeft Hij al met Mozes op de Sinaï gesproken, waar Hij ook aan Mozes de tabernakel heeft laten zien, wat Zijn wens toont om bij Zijn volk te wonen. Volk en land horen bij elkaar.

Het sabbatsjaar staat in het teken van Gods trouw en het geloof van het volk in die trouw. In het zesde jaar mag het volk niet zaaien, wel oogsten (verzen 21-2321dan zal Ik Mijn zegen over u in het zesde jaar gebieden, zodat het een opbrengst geeft, [genoeg] voor drie jaar,22zodat u het achtste jaar [opnieuw] kunt zaaien, terwijl u van de oude opbrengst kunt eten tot het negende jaar toe. Tot de [nieuwe] opbrengst van [het land] binnenkomt, kunt u van de oude eten.23Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.). In het zevende jaar zullen ze eten van wat vanzelf opkomt. God zal ervoor zorgen dat er voldoende is. Hij zal in het zesde jaar zoveel in het land geven, dat het volk het zesde, zevende en achtste jaar genoeg te eten zal hebben. Dat Hij dat belooft, moet voldoende zijn voor het volk. In het zevende jaar mogen ze niets doen. Pas in het achtste jaar mogen ze weer zaaien, zodat ze in het negende jaar weer kunnen oogsten.

De Israëlieten zijn pachters van het land. Ze zijn knechten van de HEERE (vers 5555Want de Israëlieten behoren Mij als dienaren toe. Zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte geleid heb. Ik ben de HEERE, uw God.). God wil dat Zijn volk dat goed beseft. Zes jaar lang mogen zij genieten van alles wat het land oplevert. Maar van het zevende jaar geldt: “Het land behoort Mij toe” (vers 2323Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.). Dat is geen straf, maar een zegen: ze hoeven niet te werken. We zien dat ook bij het verzamelen van het manna. Op de zesde dag kan het volk twee keer zoveel verzamelen, zodat ze de zevende dag niet hoeven te verzamelen.

Het is “een sabbat voor de HEERE” (vers 44Maar in het zevende jaar moet het voor het land sabbat zijn, een periode van volledige rust, een sabbat voor de HEERE. Uw akker mag u niet bezaaien en uw wijngaard mag u niet snoeien.), niet alleen voor het volk of voor het land. Het gaat om de rust van God. Het houden van dit sabbatsjaar voor het land betekent dat het volk Gods rechten op het land erkent. Deze erkenning zal grote zegen geven: rust en voorspoed voor drie jaar (verzen 20-2220En wanneer u zegt: Wat moeten wij in het zevende jaar eten? Zie, wij mogen niet zaaien en onze opbrengst niet inzamelen! –21dan zal Ik Mijn zegen over u in het zesde jaar gebieden, zodat het een opbrengst geeft, [genoeg] voor drie jaar,22zodat u het achtste jaar [opnieuw] kunt zaaien, terwijl u van de oude opbrengst kunt eten tot het negende jaar toe. Tot de [nieuwe] opbrengst van [het land] binnenkomt, kunt u van de oude eten.). Israël heeft die sabbatsjaren nooit gevierd, zoals ze zich aan geen enkel gebod van God hebben gehouden. Dan zorgt God ervoor dat Zijn land rust krijgt door het volk in ballingschap te sturen (2Kr 36:2121om het woord van de HEERE, bij monde van Jeremia [gesproken], te vervullen, totdat het land behagen zou scheppen in zijn sabbats[jaren]. Het rustte al de dagen van de verwoesting, totdat de zeventig jaar vervuld waren.).

God laat ons in Zijn rust delen. Het is de enige rust die echt rust genoemd kan worden. Niets anders dan wat Gods rust is, kan onze rust zijn. God rust in de Heer Jezus en Zijn werk, en dat is ook onze rust. Die rust mogen we nu al kennen in ons hart. Straks zal die over de hele aarde zijn. De Heer verlangt ernaar dat wij ook nu al tijden van rust kennen, om samen met Hem te genieten van het erfdeel. Voor ons betekent dat: genieten van de zegeningen in de hemelse gewesten.

Er wordt nog een bepaling toegevoegd aan het gebruik van het voedsel dat in het sabbatsjaar vanzelf opkomt: dat voedsel is voor iedereen, niet alleen voor de bezitter van het land. Deze bepaling leert hen dat ze barmhartig en vrijgevig moeten zijn en anderen moeten laten delen in de mildheid van God die in wat de aarde vanzelf voortbrengt tot uiting komt.


Het jubeljaar

8Verder moet u voor uzelf zeven sabbatsjaren tellen, zeven keer zeven jaar, zodat de perioden van de zeven sabbatsjaren negenenveertig jaar voor u zijn. 9Dan moet u in de zevende maand, op de tiende [dag] van de maand, bazuingeschal laten klinken. Op de Verzoendag moet u de bazuin in heel uw land laten klinken. 10U moet het vijftigste jaar heiligen en vrijlating in het land uitroepen voor alle bewoners ervan. Het is jubeljaar voor u: ieder zal terugkeren naar zijn [eigen] bezit en ieder zal terugkeren naar zijn familie. 11Elk vijftigste jaar moet jubeljaar voor u zijn. U mag [dan] niet zaaien, niet oogsten wat er na uw [laatste] oogst [nog] opkomt, en [de druiven] van uw ongesnoeide wijnstok mag u niet plukken, 12want het is jubeljaar. Het moet heilig voor u zijn. U mag van de akker eten wat het uit zichzelf opbrengt. 13In dit jubeljaar mag u terugkeren, ieder naar zijn [eigen] bezit.

Het sabbatsjaar is naast een jaar van rust in bepaalde gevallen ook een jaar van herstel en vrijheid. Zo wordt de Hebreeuwse slaaf in het zevende jaar vrijgelaten (Ex 21:22Wanneer u een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende mag hij zonder te betalen als vrij [man] vertrekken.) en worden schulden kwijtgescholden (Dt 15:1-181Na verloop van zeven jaar moet u kwijtschelding verlenen.2Dit nu is wat de kwijtschelding [inhoudt]: iedere schuldeiser die [iets] aan zijn naaste geleend heeft, moet [hem dat] kwijtschelden. Hij mag van zijn naaste of zijn broeder geen betaling eisen, aangezien men een kwijtschelding heeft uitgeroepen voor de HEERE.3Van een buitenlander mag u betaling eisen, maar wat er van u bij uw broeder is, moet u kwijtschelden.4Overigens hoeft er onder u geen arme te zijn, want de HEERE zal u overvloedig zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen,5als u tenminste de stem van de HEERE, uw God, nauwgezet gehoorzaamt, door al deze geboden die ik u heden gebied, nauwlettend in acht te nemen.6Wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, dan zult u aan vele volken leningen verstrekken, maar zelf zult u niets hoeven te lenen; en u zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen.7[Maar] als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is.8Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.9Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbijkomt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is.10U moet hem overvloedig geven, en laat uw hart niet verdrietig zijn als u hem geeft. Want vanwege deze zaak zal de HEERE, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat u ter hand neemt.11Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land.12Als uw broeder, een Hebreeuwse man of Hebreeuwse vrouw, aan u verkocht is, dan zal hij u zes jaar dienen; maar in het zevende jaar moet u hem vrij van u laten weggaan.13En als u hem vrij van u laat weggaan, mag u hem niet [met] lege [handen] laten gaan.14U moet hem overvloedig geven van uw kleinvee, uw dorsvloer en uw perskuip; van dat waarmee de HEERE, uw God, u gezegend heeft, moet u hem geven.15En u moet bedenken dat u een slaaf geweest bent in het land Egypte, en dat de HEERE, uw God, u verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak.16Maar het moet [zó] zijn, als hij tegen u zegt: Ik wil niet bij u weggaan, omdat hij u en uw gezin liefheeft, omdat hij het goed bij u heeft,17dat u een priem neemt en die door zijn oor en in de deur steekt; dan zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Ook bij uw slavin moet u zo doen.18Laat het niet moeilijk zijn in uw ogen als u hem vrij van u laat weggaan, want hij heeft u zes jaar dubbel zoveel opgeleverd als een dagloner. Dan zal de HEERE, uw God, u zegenen in alles wat u doet.). Maar in het jubeljaar gaat het veel verder. Dan vindt er een herstel van het erfdeel plaats. Alles keert terug in zijn oorspronkelijke situatie, zoals God die heeft bedoeld. Personen worden vrij en keren terug naar hun bezit; een eigendom komt weer in handen van zijn oorspronkelijke eigenaar.

Het woord “jubel” in “jubeljaar” betekent ‘blazen op de ramshoorn’. Het woord ‘jubeljaar’ komt behalve hier in Leviticus alleen nog voor in Numeri (Nm 36:44En wanneer de Israëlieten [dan] het jubeljaar zouden hebben, dan zou hun erfelijk bezit [voorgoed] toegevoegd worden aan het erfelijk bezit van de stam waartoe zij zouden behoren, en zou hun erfelijk bezit afgenomen worden van het erfelijk bezit van de stam van onze vaderen.). De gedachte aan vrijlating (vers 1010U moet het vijftigste jaar heiligen en vrijlating in het land uitroepen voor alle bewoners ervan. Het is jubeljaar voor u: ieder zal terugkeren naar zijn [eigen] bezit en ieder zal terugkeren naar zijn familie.) komt nog voor in Jesaja 61:1, waar we lezen; “Om voor de gevangenen vrijlating uit te roepen en voor wie gebonden zaten, opening van de gevangenis.” In het volgende vers wordt dan gesproken over “een jaar van het welbehagen van de HEERE” (Js 61:22om uit te roepen het jaar van het welbehagen van de HEERE
en de dag van de wraak van onze God;
om alle treurenden te troosten;
; Jr 34:8,15,178Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, nadat koning Zedekia een verbond had gesloten met heel het volk dat in Jeruzalem was, om voor hen vrijlating af te kondigen,15Ú hebt zich heden [wel] bekeerd en gedaan wat recht is in Mijn ogen door ieder voor zijn naaste vrijlating af te kondigen, en u hebt [wel] een verbond gesloten voor Mijn aangezicht in het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen,17Daarom, zo zegt de HEERE: Ú hebt naar Mij niet geluisterd door vrijlating af te kondigen, ieder voor zijn broeder en ieder voor zijn naaste. Zie, [dan] kondig Ik voor u een vrijlating af, spreekt de HEERE, voor het zwaard, voor de pest en voor de honger. Ik zal u tot een schrikbeeld stellen voor alle koninkrijken van de aarde.; Ez 46:1717Maar wanneer hij een geschenk uit zijn erfelijk bezit aan een van zijn dienaren geeft, zal dat van hem zijn tot het jaar van [zijn] vrijlating. Dan zal het naar de vorst teruggaan. Voorwaar, het is zijn erfelijk bezit, het zal zijn zonen toebehoren.)
.

Gemiddeld genomen is iedere Israëliet één keer in zijn leven er getuige van hoe alles in de oorspronkelijke toestand wordt teruggebracht. Als hij het meemaakt, zal hij worden herinnerd aan het paradijs, waar de mens ook niet heeft hoeven te werken, maar vrij heeft mogen genieten van alles wat God heeft laten groeien. Tevens krijgt hij een voorproef van de toekomstige zegen die God aan Israël en de hele aarde zal geven onder de regering van de Heer Jezus in het duizendjarig vrederijk. Dan zal ook ieder genieten van wat de schepping aan heerlijks levert.

In zijn rede tot het volk Israël, in de zuilengang van Salomo, spreekt Petrus daarover. Hij roept het volk op tot berouw en bekering, “opdat de tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus, zendt, Die de hemel moet opnemen tot op de tijden van de herstelling van alle dingen, waarvan God tevoren heeft gesproken door de mond van Zijn heilige profeten van oudsher” (Hd 3:20-2120en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus zendt,21Die [de] hemel moet opnemen tot op [de] tijden van [de] herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door [de] mond van Zijn heilige profeten van oudsher.).

Het jubeljaar, een vijftigste jaar, volgt op een sabbatsjaar, een negenenveertigste jaar. Het vijftigste jaar ziet daarmee ook op een nieuw begin. Het is ermee als met de achtste dag, die ook volgt op een periode van zeven dagen. Dit nieuwe begin staat ook in verbinding met de hemel en met de eeuwige dingen. Het vrederijk kent niet alleen een aardse zijde, maar ook een hemelse (Mt 13:43a43Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft <om te horen>, laat hij horen.). Abraham heeft daarnaar uitgezien: “Want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is” (Hb 11:1010want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is.; Dn 7:2727Maar het koningschap en de heerschappij
en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel
zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste.
Zijn koninkrijk zal een eeuwig koninkrijk zijn,
en alles wat heerschappij heeft, zal Hem eren en gehoorzamen.
)
. De hemelse rust en heerlijkheid zullen hun afstraling op aarde hebben.

Alles in Gods Woord wat over Israël gaat, alle profetieën, het loopt allemaal uit op het jubeljaar. Daar vindt de uiteindelijke vervulling van al Gods voorzeggingen plaats. Dan breekt het “jaar van het welbehagen van de HEERE” (Js 61:22om uit te roepen het jaar van het welbehagen van de HEERE
en de dag van de wraak van onze God;
om alle treurenden te troosten;
)
aan. Voor allen die de Heer Jezus hebben aangenomen, is dit “jaar van het welbehagen” al begonnen (Lk 4:19,2119Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te prediken en aan blinden [het] gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijlating, om te prediken [het] aangename jaar van [de] Heer’.21en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. Hij nu begon tot hen te zeggen: Heden is dit Schriftwoord in uw oren vervuld.). In de prediking van het evangelie mag daarvan melding worden gemaakt: Maar als medearbeiders vermanen wij [u] ook, dat u de genade van God niet tevergeefs ontvangt (want Hij zegt: ’In [de] aangename tijd heb Ik u verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik u geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis)” (2Ko 6:1-21Maar als medearbeiders vermanen wij [u] ook, dat u de genade van God niet tevergeefs ontvangt2(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik u verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik u geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis),).

Het bazuingeschal zal in het vijftigste jaar net zo klinken als in alle voorgaande jaren op de eerste dag van elke maand (Lv 23:2424Spreek tot de Israëlieten en zeg: In de zevende maand, op de eerste [dag] van de maand, moet u een rustdag houden, een gedenkdag [aangekondigd] door [bazuin]geschal, een heilige samenkomst.). Maar in dit vijftigste jaar zal de bazuin in de zevende maand nog een keer klinken. Ook op de tiende dag, dat is de grote Verzoendag (Lv 23:2727Alleen op de tiende [dag] van deze zevende maand is de Verzoendag. U moet een heilige samenkomst houden. U moet uzelf dan verootmoedigen en de HEERE een vuuroffer aanbieden.), zal er bazuingeschal zijn. Het hele land zal het horen (vers 99Dan moet u in de zevende maand, op de tiende [dag] van de maand, bazuingeschal laten klinken. Op de Verzoendag moet u de bazuin in heel uw land laten klinken.). Het zal betekenen dat alle stammen terug zullen zijn in het land en elke stam weer zal wonen in het erfdeel dat God hem heeft toebedeeld. Het bazuingeschal op de eerste dag van de zevende maand zal dit herstel inluiden. Het herstel zal gebaseerd zijn op het verzoeningswerk van de Heer Jezus als het “Lam van God Dat de zonde van de wereld wegneemt” (Jh 1:2929De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.).

Voordat de bazuin klinkt als teken van het aanbreken van het jubeljaar, zal er een andere bazuin klinken, de laatste bazuin, de bazuin van God. Als die bazuin klinkt, zal de gemeente worden opgenomen van de aarde en de Heer tegemoet gaan in de lucht (1Ko 15:52b52in een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.; 1Th 4:15-1815(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)).


Jubeljaar als uitgangspunt

14Wanneer u dan aan uw naaste iets verkoopt wat verkocht kan worden, of [iets] uit het bezit van uw naaste koopt, mag u elkaar niet uitbuiten. 15Overeenkomstig het aantal jaren vanaf het jubeljaar moet u van uw naaste kopen en overeenkomstig het aantal opbrengstjaren moet hij het aan u verkopen. 16Bij een groot aantal jaren moet u de prijs ervan hoger stellen, en bij een klein aantal jaren moet u de prijs ervan verlagen, want hij verkoopt u het aantal opbrengsten. 17En niemand mag zijn naaste uitbuiten. Vrees echter uw God, want Ik ben de HEERE, uw God.

Bij de verkoop van een stuk land wordt in werkelijkheid niet het land, maar een aantal oogsten verkocht. Voor de berekening van de prijs wordt uitgegaan van het komende jubeljaar. Deze wijze van vereffening van schuld voorkomt kapitalisme (steeds meer bezit) en communisme (geen bezit, alles van iedereen).

Door deze gang van zaken kan de Israëliet twee soorten land hebben. Hij bezit zijn eigen erfdeel én hij kan een land hebben dat hij heeft gekocht. Dit laatste is slechts tijdelijk zijn eigendom. De christen heeft ook te maken met twee soorten ‘land’. Hij heeft een eigen erfdeel in de hemel. Dat is zijn onvervreemdbaar eigendom. Daarnaast bezit hij ook aardse zaken. Die zijn niet van hemzelf. Daarover is hij slechts rentmeester. De aardse zaken zal hij moeten afstaan, niets ervan blijft zijn bezit. Hij zal ook verantwoording moeten afleggen van de manier waarop hij daarmee is omgegaan.

In Lukas 16:12 spreekt de Heer Jezus over “dat van een ander” en “het uwe”. “Dat van een ander” zijn de aardse zegeningen, “het uwe” zijn onze hemelse zegeningen. Trouw in het vervullen van onze aardse opdracht en het op een verantwoordelijke manier beheren van de aardse middelen die ons daarbij ten dienste staan, is de voorwaarde om te kunnen genieten van onze eigenlijke hemelse bezittingen.

Een belangrijke aanwijzing voor het omgaan met de aardse dingen in het licht van het aanstaande ‘jubeljaar’ lezen we nog in 1 Korinthiërs 7:29-31. De waarde van wat we ‘gekocht’ hebben, wordt afgemeten naar de tijd die ons van het ‘jubeljaar’ scheidt. We staan kort voor het jubeljaar. Hoe dichter we bij de komst van de Heer Jezus zijn, hoe meer we naar Hem verlangen, des te minder zijn de aardse dingen ons waard. Omgaan met de aardse zaken in het licht van het aanstaande jubeljaar zal ons ervoor bewaren de dingen te zoeken “die op de aarde zijn” (Ko 3:22Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.).

Behalve de gedachte dat we kort voor het ‘jubeljaar’ staan, is ook de vrees voor God belangrijk bij onze kijk op de aardse dingen. De aardse dingen behoren Hem toe. Als we die voor onszelf gebruiken, eigenen we ons toe wat van Hem is. Dat kan Hij niet straffeloos laten gebeuren. Werkelijke vrees voor God komt trouwens niet zozeer tot uiting in de angst voor straf als we iets doen wat Hij niet goedkeurt, maar komt tot uiting in de eerbied voor Hem, waardoor we doen wat Hem welgevallig is.


Zegen bij houden sabbatsjaar

18U moet Mijn verordeningen houden en Mijn bepalingen in acht nemen en ze houden. Dan zult u onbezorgd in het land wonen. 19En het land zal zijn vruchten geven, zodat u tot verzadiging toe kunt eten. U zult er onbezorgd kunnen wonen. 20En wanneer u zegt: Wat moeten wij in het zevende jaar eten? Zie, wij mogen niet zaaien en onze opbrengst niet inzamelen! – 21dan zal Ik Mijn zegen over u in het zesde jaar gebieden, zodat het een opbrengst geeft, [genoeg] voor drie jaar, 22zodat u het achtste jaar [opnieuw] kunt zaaien, terwijl u van de oude opbrengst kunt eten tot het negende jaar toe. Tot de [nieuwe] opbrengst van [het land] binnenkomt, kunt u van de oude eten.

Het genot van de zegen is afhankelijk van geloofsgehoorzaamheid. Het lijkt een waagstuk om een jaar niet te zaaien. Het verstand redeneert: Hoe zullen we aan voedsel komen? Het geloof vertrouwt op Gods toezegging. Wie op Hem vertrouwt, komt niet beschaamd uit. Meer nog: ervaart Zijn bijzondere zegen. We leren hierdoor: “Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door de mond van God uitgaat” (Mt 4:44Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.). Ervaringen opdoen van de trouw van de Heer is een groot goed. Hij wordt erdoor verheerlijkt en het hart wordt er met vreugde door vervuld. Die vreugde is niet in geld uit te drukken.

Bij gehoorzaamheid mogen ze erop rekenen dat ze veilig in het land zullen wonen, wat wil zeggen dat er uiterlijke veiligheid is en innerlijk voor het hart rust en vertrouwen, zonder vrees voor vijanden. Voor hun voedsel zullen ze ook niet te vrezen hebben. Er zal tot verzadiging gegeten kunnen worden. Door de zegen van God kan er met weinig veel gebeuren. We verliezen niets door gehoorzaamheid, maar we winnen alles.


Lossing van land

23Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij. 24In heel het land dat u bezit, moet u de loskoping van het land toestaan. 25Wanneer uw broeder in armoede raakt en [een deel] van zijn bezit moet verkopen, dan moet zijn losser komen die nauw aan hem verwant is, en vrijkopen wat zijn broeder heeft verkocht. 26En wanneer iemand geen losser heeft en zijn vermogen toereikend is, zodat hij over voldoende [middelen] beschikt voor zijn loskoping, 27dan moet hij de jaren berekenen dat het verkocht is geweest, en het verschil vergoeden aan de man aan wie hij het verkocht had. Dan zal hij naar zijn bezit terugkeren. 28Maar als hij over onvoldoende middelen beschikt om hem te vergoeden, dan blijft het verkochte in handen van de koper ervan, tot het jubeljaar toe. Maar in het jubeljaar komt het vrij en keert hij terug naar zijn bezit.

Uitgangspunt voor de regels voor lossing is dat het land het land van de HEERE is. Van Hem is de aarde en alles wat daarop is (Ps 24:11Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
)
, maar Hij heeft het land Kanaän een speciale plaats toebedeeld. Hij heeft in dat land elke stam en familie zijn erfdeel gegeven en zo wil Hij het in vervulling zien gaan. Door de ontrouw van de mens kan er negenenveertig jaar een stand van zaken van verwarring en ellende zijn. Maar dat zal niet zo blijven. Er zal een vijftigste jaar zijn waarin alles zo zal worden hersteld, dat Gods oorspronkelijke plan zal worden gezien.

De christen is zich ervan bewust dat de lossing van zijn erfdeel nog moet komen. Hij heeft het onderpand er al wel van, namelijk “de Heilige Geest van de belofte, Die het onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van de verkregen bezitting” (Ef 1:1414Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid.). Ieder die zich door de Geest laat leiden, zal zich niet laten verleiden iets van zijn erfdeel prijs te geven, door zijn geluk op aarde te zoeken om het hier-en-nu al te beleven.

Nu kan het gebeuren dat iemand noodgedwongen, omdat hij verarmd is, zijn land moet verkopen. Maar tegelijk bepaalt de HEERE dat er altijd het recht van lossing bestaat. Men hoeft niet te wachten tot het jubeljaar. Iemand anders kan tussentijds zijn schuld voor hem betalen en komt dan weer in het bezit van zijn erfdeel. Maar de verrekening moet wel gebeuren over de tijd die nog tot het jubeljaar verloopt.

Blijft iemand onbekwaam het te lossen, dan krijgt hij in elk geval in het jubeljaar zijn land terug, als een bijzonder bewijs van Gods genade. Bij Naboth is geen noodzaak aanwezig om afstand te doen van zijn erfdeel. Hij waardeert zijn erfdeel en weigert het aan Achab te verkopen of in te ruilen tegen een wijngaard van Achab (1Kn 21:1-31Hierna gebeurde [het volgende]: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.2En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, [of,] als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.3Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daarvan bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!). Achab krijgt het land van Naboth alleen door een list van Izebel (1Kn 21:7-107Toen zei Izebel, zijn vrouw, tegen hem: Moet ú nu het koningschap over Israël uitoefenen? Sta op, neem voedsel tot u, laat uw hart vrolijk zijn, dan zal ík u de wijngaard van Naboth uit Jizreël, geven.8Vervolgens schreef zij brieven in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel, en zij stuurde de brieven naar de oudsten en naar de edelen die bij Naboth in diens stad woonden.9In die brieven schreef zij: Roep een vasten uit en laat Naboth aan het hoofd van het volk zitten.10En laat twee mannen tegenover hem zitten, verdorven lieden, die tegen hem getuigen: U hebt God en de koning vaarwel gezegd. Breng hem dan naar buiten en stenig hem, zodat hij sterft.).

De gevallen van verarming worden in dit hoofdstuk steeds schrijnender. In vers 2525Wanneer uw broeder in armoede raakt en [een deel] van zijn bezit moet verkopen, dan moet zijn losser komen die nauw aan hem verwant is, en vrijkopen wat zijn broeder heeft verkocht. is sprake van een verarming waarbij de arme “iets van zijn bezitting heeft moeten verkopen”. In vers 3535En wanneer uw broeder in armoede raakt en met lege handen staat, dan moet u hem steunen, [ook als] hij een vreemdeling en bijwoner is, zodat hij bij u in leven blijft. is de broeder zozeer verarmd dat hij “zich bij u niet meer staande kan houden” en in leven gehouden moet worden. De nood is groot. In vers 3939En wanneer uw broeder bij u in armoede raakt en zich aan u verkocht heeft, [dan] mag u hem geen slavenarbeid laten verrichten. is de broeder zozeer verarmd, dat hij verplicht wordt zichzelf te verkopen. In vers 4747En wanneer voor een vreemdeling of een bijwoner die bij u is, het vermogen toereikend is geworden, en uw [eigen] broeder die bij hem is, in armoede raakt, zodat hij zich heeft moeten verkopen aan de vreemdeling, de bijwoner die bij u is, of aan een afstammeling van de familie van de vreemdeling, is de ergste situatie: daar verkoopt een verarmde broeder zich aan een vreemdeling.

Iemand kan verarmen bijvoorbeeld door ziekte of door verkeerd beleid. In geestelijk opzicht is armoede vaak te wijten aan ongezonde, ziekmakende bezigheden (zonden) of aan een opgaan in de aardse bezigheden, een verkeerde balans tussen de tijd die in geestelijke en in aardse zaken wordt gestoken.

De lossing van het land kan op verschillende manieren gebeuren. Wie land heeft moeten verkopen, kan iemand hebben die “nauw aan hem verwant” is die als losser kan optreden (vers 2525Wanneer uw broeder in armoede raakt en [een deel] van zijn bezit moet verkopen, dan moet zijn losser komen die nauw aan hem verwant is, en vrijkopen wat zijn broeder heeft verkocht.). Dit doet denken aan de Heer Jezus als de ware ‘Bloedverwant’ – Hij heeft aan bloed en vlees deelgenomen (Hb 2:14a14Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,). Hij heeft door Zijn werk op het kruis de prijs betaald om het erfdeel te verlossen van de schuld die erop rust. Dit geldt zowel voor het land Israël als voor de hele schepping.

Een voorbeeld van dit losserschap zien we in de geschiedenis van Boaz en Ruth. De Heer Jezus is de ware Boaz. Boaz is in staat de verarmde Naomi en Ruth te helpen de bezitting, het erfdeel dat Naomi is kwijtgeraakt, weer in haar bezit te brengen (Ru 4). Zo zal de Heer Jezus eenmaal als de ware Boaz – Boaz betekent ‘in hem is sterkte’ – alles terugbrengen in het bezit van God als de oorspronkelijke Eigenaar.


Lossing van huizen

29En wanneer iemand een woonhuis verkoopt [in] een ommuurde stad, dan geldt het recht op loskoping ervan tot het jaar [na] de verkoop ervan voorbij is. [Al die] dagen geldt zijn recht op loskoping. 30Maar als het niet ingelost wordt voordat het volledige jaar voor hem voorbij is, dan behoort het huis dat in de ommuurde stad staat, voor altijd hem toe die het gekocht heeft, [al] zijn generaties door. Het mag [ook] in het jubeljaar niet vrijkomen. 31De huizen [in] de dorpen die niet ommuurd zijn, moeten echter tot het akkerland gerekend worden. Hiervoor geldt het recht op loskoping, en in het jubeljaar komt het vrij. 32Wat de steden van de Levieten betreft, de huizen die zij in [die] steden in bezit hebben, [daarvoor] geldt voor de Levieten een eeuwig recht op loskoping. 33Als [iemand] van de Levieten het vrijkoopt, dan moet het huis dat verkocht is in de stad waar zijn bezit is, in het jubeljaar vrijkomen, want de huizen van de steden van de Levieten gelden als hun bezit in het midden van de Israëlieten. 34De weidegrond die bij hun steden hoort, mag niet verkocht worden, want die is voor hen een eeuwig bezit.

Bij de loskoping van huizen gaat het anders toe dan bij de loskoping van land. Een huis is geen erfdeel. De eigenaar krijgt het bij verkoop niet terug in het jubeljaar. Hij heeft een jaar de tijd om het terug te kopen. Doet hij dat niet, dan is hij het voorgoed kwijt. Dat betreft dan een huis in een ommuurde stad. Een muur spreekt van afzondering. Als die afzondering niet voorkomt dat we dingen kwijtraken, raken we dingen voorgoed kwijt. We hebben dan niet de juiste afzondering, die tot God, in acht genomen. Het binnendringen van de wereld, het verval, is niet terug te draaien. De Schrift zegt dat die ontwikkeling niet te stoppen is. Toch is er na het kwijtraken van iets nog een jaar om het terug te krijgen (vgl. Lk 13:8-98Hij echter antwoordde en zei tot hem: Heer, laat hem nog dit jaar [staan], totdat ik eromheen gegraven en mest gelegd heb;9en als hij dan in de toekomst vrucht voortbrengt …, maar zo niet, hak hem om.). Dat is Gods genade.

Met de huizen in dorpen is het anders. Die komen wel vrij in het jubeljaar of bij lossing. Zoals die dorpen liggen, zo zal ook Jeruzalem zijn in het vrederijk, zonder muur. Er zijn dan geen vijanden meer en dus is er geen reden meer om een muur te hebben.

Voor de Levieten heeft God een uitzondering. Zij hebben geen erfdeel en niets anders dan hun steden en hun huizen. Zij krijgen hun huis wel terug in het jubeljaar.


Houding tegenover de arme

35En wanneer uw broeder in armoede raakt en met lege handen staat, dan moet u hem steunen, [ook als] hij een vreemdeling en bijwoner is, zodat hij bij u in leven blijft. 36U mag geen rente of winst van hem nemen, maar u moet uw God vrezen, zodat uw broeder bij u in leven blijft. 37U mag uw geld niet met rente aan hem lenen en u mag uw voedsel niet tegen winst geven. 38Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte geleid heeft om u het land Kanaän te geven om u tot een God te zijn. 39En wanneer uw broeder bij u in armoede raakt en zich aan u verkocht heeft, [dan] mag u hem geen slavenarbeid laten verrichten. 40Als een dagloner, als een bijwoner moet hij bij u zijn. Tot het jubeljaar is hij bij u in dienst. 41Dan mag hij bij u vertrekken, hij en zijn kinderen met hem, en hij mag naar zijn familie terugkeren en terugkeren naar het bezit van zijn vaderen. 42Want zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte heb geleid. Zij mogen niet verkocht worden zoals men een slaaf verkoopt. 43U mag niet met harde [hand] over hem heersen, maar u moet uw God vrezen. 44Wat uw slaaf of uw slavin betreft die u toebehoren, zij moeten [afkomstig] zijn uit de heidenvolken die rondom u zijn. Van hen mag u een slaaf of slavin kopen. 45U mag hen verder ook kopen van de nakomelingen van de bijwoners die bij u als vreemdeling verblijven, uit hen die bij u zijn en uit hun familie, die zij in uw land verwekt hebben. Zij mogen voor u als bezit dienen. 46U mag hen als erfbezit aan uw kinderen na u nalaten om [hen] als bezit te erven. U moet hen voor altijd laten dienen, maar over uw broeders, de Israëlieten, mag u niet – de een over de ander – met harde [hand] heersen. 47En wanneer voor een vreemdeling of een bijwoner die bij u is, het vermogen toereikend is geworden, en uw [eigen] broeder die bij hem is, in armoede raakt, zodat hij zich heeft moeten verkopen aan de vreemdeling, de bijwoner die bij u is, of aan een afstammeling van de familie van de vreemdeling, 48dan geldt voor hem het recht op loskoping, nadat hij zich heeft verkocht. Een van zijn broers mag hem vrijkopen, 49of zijn oom of een zoon van zijn oom mag hem vrijkopen, of [een] van zijn naaste bloedverwanten, uit zijn [eigen] familie, mag hem vrijkopen, of hij mag zichzelf vrijkopen [als] zijn [eigen] vermogen toereikend is. 50Hij moet dan samen met hem die hem gekocht heeft, [het aantal jaren] berekenen vanaf het jaar dat hij zich aan hem verkocht heeft, tot het jubeljaar. Zijn verkoopsom moet namelijk overeenkomstig het aantal jaren zijn. Als de dagen van een dagloner zal het bij hem zijn. 51Als er nog vele jaren zijn, moet hij dienovereenkomstig zijn loskoping vergoeden van het geld waarvoor hij was verkocht. 52En als er nog weinig jaren overblijven tot het jubeljaar, dan moet hij [dat] met hem berekenen. Overeenkomstig zijn jaren moet hij zijn loskoping vergoeden. 53Hij moet als een dagloner jaar op jaar bij hem blijven. Men mag onder uw ogen niet met harde [hand] over hem heersen. 54Maar als hij op deze manier niet kan worden vrijgekocht, dan mag hij in het jubeljaar vertrekken, hij en zijn kinderen met hem. 55Want de Israëlieten behoren Mij als dienaren toe. Zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte geleid heb. Ik ben de HEERE, uw God.

Drie keer komt in dit gedeelte voor dat een broeder verarmt (verzen 35,39,4735En wanneer uw broeder in armoede raakt en met lege handen staat, dan moet u hem steunen, [ook als] hij een vreemdeling en bijwoner is, zodat hij bij u in leven blijft.39En wanneer uw broeder bij u in armoede raakt en zich aan u verkocht heeft, [dan] mag u hem geen slavenarbeid laten verrichten.47En wanneer voor een vreemdeling of een bijwoner die bij u is, het vermogen toereikend is geworden, en uw [eigen] broeder die bij hem is, in armoede raakt, zodat hij zich heeft moeten verkopen aan de vreemdeling, de bijwoner die bij u is, of aan een afstammeling van de familie van de vreemdeling,). Het gaat om iemand van het volk van God, een medebroeder of een medezuster. Een gelovige kan in geestelijk opzicht verarmen. Hij kan het zicht op zijn zegeningen kwijtraken. Maar dat betekent niet dat wij zo iemand moeten verachten. We moeten zo iemand integendeel helpen en daarbij het jubeljaar in het oog houden. Het jubeljaar zal het goed maken. Dan zullen ze terugkrijgen wat ze zijn kwijtgeraakt.

Een broeder mag niet als slaaf worden gebruikt door een mede-Israëliet. De reden is dat alle Israëlieten dienaren van de HEERE zijn (verzen 42,5542Want zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte heb geleid. Zij mogen niet verkocht worden zoals men een slaaf verkoopt.55Want de Israëlieten behoren Mij als dienaren toe. Zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit het land Egypte geleid heb. Ik ben de HEERE, uw God.). Zij zijn allen verlost uit Egypte om vrij te zijn. Dat moet iedere Israëliet zich bewust zijn en daarom niet over een andere Israëliet met hardheid heersen en de situatie uitbuiten. In praktisch opzicht geldt voor christelijke meesters dat zij moeten beseffen dat zij zelf ook een Heer in de hemel hebben, dus zelf ook dienaren zijn (Ko 4:11Heren, geeft aan uw slaven wat rechtvaardig en billijk is, daar u weet dat ook u een Heer in [de] hemel hebt.). In geestelijk opzicht geldt voor ons dat Eén onze Meester is en dat wij allen broeders zijn (Mt 23:88U echter, laat u niet rabbi noemen; want Eén is uw Meester, en u bent allen broeders.; vgl. 1Ko 7:2323U bent voor een prijs gekocht; wordt geen slaven van mensen.).

Als een Israëliet zich als slaaf aan een vreemdeling heeft verkocht, mag zijn broeder hem vrijkopen. Nehemia schijnt naar dit voorschrift te hebben gehandeld (Ne 5:8a8Ik zei tegen hen: Wíj hebben onze broeders, de Joden, die aan de heidenvolken verkocht waren, teruggekocht zoveel als in ons vermogen lag; gaat ú nu weer uw broeders verkopen zodat ze weer aan ons zouden worden verkocht? Toen zwegen zij en vonden geen antwoord.). De Heer Jezus is de ware Losser. Hij zal hen die Hij Zijn broeders noemt, verlossen uit de macht van hun tegenstanders. Hij zal komen en het overblijfsel van Israël bevrijden. Hij zal hun ook hun land geven en de vrijheid om daar onder Zijn weldadige heerschappij alles te genieten wat Hij heeft beloofd.

Armoede is niet wat God voor Zijn volk bedoeld heeft. Er zullen geen armen zijn als ze Hem dienen. Dan zal elk stuk land zijn volle opbrengst geven. Armoede en honger zijn daarom een gevolg van de ontrouw van het volk. Ook vandaag is er geen enkele reden voor een gelovige om geestelijk arm te zijn. Geestelijke armoede is het gevolg van verkeerd onderwijs of het nalaten zich bezig te houden met het opdiepen uit Gods Woord van de geestelijke schatten die daarin te vinden zijn.


Lees verder