Leviticus
Inleiding 1-4 Niet doen als Egypte of Kanaän 5 Doe dit en u zult leven 6-16 Incest of bloedschande 17-20 Andere ongeoorloofde seksualiteit 21 Verbod kinderen te offeren 22 Verbod op homoseksueel verkeer 23 Verbod op gemeenschap met een dier 24-30 God duldt geen gruwelijkheden
Inleiding

In dit hoofdstuk lezen we veel wat we ook in Leviticus 20 lezen. Het onderscheid is dat in dit hoofdstuk God als de ‘HEERE’ op de voorgrond staat, terwijl Leviticus 20 de nadruk legt op Gods heiligheid. Daar vinden we de straffen voorgesteld op de zonden die hier noodgedwongen ruime aandacht krijgen.


Niet doen als Egypte of Kanaän

1De HEERE sprak tot Mozes: 2Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Ik ben de HEERE, uw God. 3U mag de gebruiken van het land Egypte waarin u gewoond hebt, niet navolgen, en [ook] de gebruiken van het land Kanaän, waar Ik u naar toe breng, mag u niet navolgen. U mag niet in hun verordeningen gaan. 4Mijn bepalingen moet u houden en Mijn verordeningen moet u in acht nemen door daarnaar te wandelen. Ik ben de HEERE, uw God.

God plaatst Zichzelf elke keer voor de aandacht van het volk als de HEERE, de God van het verbond met Zijn volk. Daarmee wil Hij bewerken dat ze Zijn kenmerken aannemen en niet die van de volken om hen heen. Er is een speciale waarschuwing voor de invloed van Egypte en Kanaän. Na de wetten met het oog op hun offerdienst, de zogenaamde ceremoniële wetten, geeft God nu enkele zedelijke wetten met het oog op hun seksuele omgang.

Egypte stelt de wereld zonder God voor. In Egypte is grote menselijke wijsheid (Hd 7:2222En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van [de] Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en werken.). Voor de christen komt het gevaar van Egypte in de brief aan de Kolossers aan de orde. Daarin wordt ook gewaarschuwd tegen een wijsheid die mensen tot zijn prooi maakt (Ko 2:88Kijkt u uit, dat er niemand is die u tot prooi maakt door de wijsbegeerte en door ijdel bedrog volgens de overlevering van de mensen, volgens de elementen van de wereld, en niet volgens Christus.). De Kolossers lopen gevaar hun geloof te vermengen met de wijsheid van de wereld. Paulus wijst hen erop dat in Christus “al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn” (Ko 2:33in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.).

Kanaän is het land van de zegeningen dat God Zijn volk heeft gegeven. Het grote gevaar daar is niet zozeer wijsheid, cultuur en wetenschap, maar de grote verdorvenheid die er heerst. De christen is gezet in de hemelse gewesten, waarvan Kanaän een beeld is. Maar dat betekent niet dat er geen gevaren zijn. Juist in de brief aan de Efeziërs, waar de zegeningen van de christen worden beschreven, wordt sterk gewaarschuwd voor elke vorm van verdorvenheid (Ef 4:17-1917Dit nu zeg en betuig ik in [de] Heer, dat u niet meer moet wandelen evenals de volken wandelen in [de] vruchteloosheid van hun denken,18verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.19Afgestompt in hun gevoelens hebben zij zich overgegeven aan de losbandigheid om alle onreinheid gretig te bedrijven.). Daaraan toegeven heeft tot gevolg dat we de zegeningen zullen kwijtraken.

De christen is een nieuwe schepping, hij is “overeenkomstig God geschapen” (Ef 4:2424en de nieuwe mens hebt aangedaan, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid.). Hij heeft Christus ontvangen (Ko 2:66Zoals u dan Christus Jezus, de Heer, ontvangen hebt, wandelt in Hem,) en geleerd (Ef 4:2020Maar zo hebt u Christus niet geleerd,). Het gevaar is dat wij ons aanpassen aan de wereld om ons heen in haar karakter van Egypte of in haar karakter van Kanaän. Dan vertonen we niet meer de nieuwe, maar de oude mens.

Het grote contrast dat we hier zien, is het contrast tussen de inzettingen van de wereld in zijn verschillende vormen en de verordeningen en de inzettingen van God. Het volgen van het eerste betekent de dood, het in acht nemen van het tweede houdt leven in.


Doe dit en u zult leven

5Mijn verordeningen en Mijn bepalingen moet u in acht nemen. De mens die ze houdt, zal erdoor leven. Ik ben de HEERE.

Hier lezen we de motivatie voor het houden van de geboden: het leven ontvangen en genieten. Dit vers wordt vier keer in het Oude Testament aangehaald: drie keer in Ezechiël (Ez 20:11,13,2111Ik gaf hun Mijn verordeningen en maakte hun Mijn bepalingen bekend: de mens die ze doet, zal erdoor leven.13Maar in de woestijn werd het huis van Israël Mij ongehoorzaam. Zij gingen niet in Mijn verordeningen en verwierpen Mijn bepalingen – de mens [die] ze doet, zal erdoor leven. Verder ontheiligden zij Mijn sabbatten zeer, zodat Ik zei dat Ik Mijn grimmigheid over hen in de woestijn zou uitstorten door een einde aan hen te maken.21Maar die kinderen waren Mij [ook] ongehoorzaam. Zij gingen niet in Mijn verordeningen, en Mijn bepalingen – de mens die ze doet, zal erdoor leven – voerden zij niet nauwlettend uit. Zij ontheiligden Mijn sabbatten, zodat Ik zei dat Ik Mijn grimmigheid over hen zou uitstorten door in de woestijn Mijn toorn tegen hen ten uitvoer te brengen.) en één keer in Nehemia (Ne 9:2929U hebt hen gewaarschuwd om hen te doen terugkeren naar Uw wet, maar zíj hebben overmoedig gehandeld. Ze hebben niet naar Uw geboden geluisterd, maar hebben gezondigd tegen Uw bepalingen, waardoor een mens die ze houdt, leven zal. Zij zetten [hun] schouder [er] dwars [tegenin], zij waren halsstarrig en luisterden niet.). Drie keer wordt het in het Nieuwe Testament aangehaald (Lk 10:2828Hij nu zei tot hem: U hebt juist geantwoord; doe dat en u zult leven., Rm 10:55Want Mozes beschrijft de gerechtigheid die op grond van <de> wet is: ‘De mens die <deze dingen> heeft gedaan, zal daardoor leven’.; Gl 3:1212Maar de wet is niet op grond van geloof, maar ‘hij die deze dingen gedaan zal hebben, zal door die dingen leven’.).

De beide laatste teksten (Rm 10:55Want Mozes beschrijft de gerechtigheid die op grond van <de> wet is: ‘De mens die <deze dingen> heeft gedaan, zal daardoor leven’.; Gl 3:1212Maar de wet is niet op grond van geloof, maar ‘hij die deze dingen gedaan zal hebben, zal door die dingen leven’.) tonen aan dat geen mens het beloofde leven heeft gekregen. Er is namelijk geen mens geweest die alle verordeningen en inzettingen van God volmaakt in acht heeft genomen. Alleen als iemand tot bekering komt en nieuw leven van God ontvangt op grond van geloof, kan hij leven tot eer van God en Zijn wil van harte doen. De wet zegt: Doe dit en u zult leven. Het evangelie zegt: Leef en u zult doen.


Incest of bloedschande

6Niemand mag tot welke bloedverwant van zijn [eigen] familie dan ook naderen om de schaamdelen te ontbloten. Ik ben de HEERE. 7U mag de schaamte van uw vader, namelijk de schaamdelen van uw moeder, niet ontbloten. Zij is uw moeder, u mag haar schaamdelen niet ontbloten. 8U mag de schaamdelen van de vrouw van uw vader niet ontbloten. Het is de schaamte van uw vader. 9De schaamdelen van uw zuster, de dochter van uw vader of de dochter van uw moeder, [of ze nu in dit] gezin of daarbuiten geboren is, hun schaamdelen mag u niet ontbloten. 10De schaamdelen van de dochter van uw zoon of van de dochter van uw dochter, hun schaamdelen mag u niet ontbloten, want zij zijn uw schaamte. 11De schaamdelen van de dochter van de vrouw van uw vader, die bij uw vader geboren is – zij is uw zuster – haar schaamdelen mag u niet ontbloten. 12U mag de schaamdelen van de zuster van uw vader niet ontbloten. Zij is een bloedverwante van uw vader. 13U mag de schaamdelen van de zuster van uw moeder niet ontbloten, want zij is een bloedverwante van uw moeder. 14U mag de schaamte van de broer van uw vader niet ontbloten. U mag niet tot zijn vrouw naderen, zij is uw tante. 15U mag de schaamdelen van uw schoondochter niet ontbloten. Zij is de vrouw van uw zoon, u mag haar schaamdelen niet ontbloten. 16U mag de schaamdelen van de vrouw van uw broer niet ontbloten. Het is de schaamte van uw broer.

De dingen die tot en met vers 2323Ook mag u met geen enkel dier de geslachtsdaad verrichten. Dan verontreinigt u uzelf daarmee. Een vrouw mag ook niet vóór een beest gaan staan om ermee te paren. Het is een afschuwelijke schanddaad. volgen zijn bloedschande of handelingen van incest. Ze druisen in tegen Gods oorspronkelijke bedoeling met huwelijk en seksualiteit. Dat moet vanzelfsprekend zijn voor Gods volk. Je veronderstelt ze in de wereld en niet onder het volk van God. Dat God al deze waarschuwingen toch tot Zijn volk richt, bewijst hoe nodig het is, omdat ook Zijn volk tot deze zonden in staat is. God stelt het kwaad voor in zijn afschuwelijkste vormen. Hij weet beter dan de mens zelf waartoe deze kan vervallen.

God verbiedt hier de geslachtelijke omgang tussen bloedverwanten. Het Hebreeuwse ‘schaamte, of schaamdelen, ontbloten’ is een eufemisme (een verzachtende of bedekte term) voor geslachtelijke omgang. Hier betreft het ongeoorloofde geslachtelijke omgang ofwel ontucht (Ez 16:3636Zo zegt de Heere HEERE: Omdat u uw brandende begeerte uitgestort hebt en uw schaamte ontbloot werd in uw hoererijen met uw minnaars en met al uw gruwelijke stinkgoden, en om het bloed van uw kinderen dat u hun gegeven hebt,; 23:1818Toen zij openlijk haar hoererijen pleegde en haar schaamte ontblootte, rukte Mijn ziel zich van haar los, zoals Mijn ziel zich losgerukt had van haar zuster.). Zulke betrekkingen zijn onnatuurlijk.

Het verbod begint met het algemene verbod om geslachtelijke omgang met een bloedverwant te hebben. Verboden wordt hier geslachtelijke omgang met:

1. moeder;
2. stiefmoeder;
3. halfzus (zelfde vader of moeder);
4. kleinkind;
5. halfzus (uit het tweede huwelijk van de vader);
6. tante, de zus van vader of moeder;
7. tante, de vrouw van de broer van vader;
8. schoondochter;
9. schoonzus.


Andere ongeoorloofde seksualiteit

17U mag de schaamdelen van een vrouw én die van haar dochter niet ontbloten. U mag niet de dochter van haar zoon en [ook] niet de dochter van haar dochter [tot vrouw] nemen om haar schaamdelen te ontbloten. Zij zijn bloedverwanten, het is schandelijk gedrag. 18Verder mag u niet naast [uw eigen] vrouw haar zuster [tot vrouw] nemen. [U] zou haar krenken door haar schaamte te ontbloten terwijl zij [nog] in leven is. 19U mag niet naderen tot een vrouw die vanwege haar afzondering onrein is, om haar schaamdelen te ontbloten. 20U mag niet met de vrouw van uw naaste de geslachtsdaad verrichten om gemeenschap [met haar] te hebben. Dan verontreinigt u zich met haar.

Verboden wordt nog de geslachtelijke omgang met:

1. een vrouw en haar dochter en een vrouw en haar kleindochter;
2. een vrouw en haar zus
3. een vrouw die ongesteld is;
4. een vrouw die met een ander getrouwd is.


Verbod kinderen te offeren

21U mag niemand uit uw nageslacht overgeven om aan de Molech geofferd te worden. De Naam van uw God mag u niet ontheiligen. Ik ben de HEERE.

De Molech is de nationale god van de Ammonieten. In het verband van de tekst lijkt het hier niet in de eerste plaats om een vuuroffer te gaan, maar om een wijding van kinderen tot tempelprostitutie. Het is een geestelijke hoererij die ten grondslag ligt aan vleselijke hoererij.


Verbod op homoseksueel verkeer

22U mag niet slapen met een mannelijk [persoon], zoals u met een vrouw slaapt. Dat is een gruwel.

Homoseksueel verkeer is de zonde van Sodom (Gn 19:55Zij riepen naar Lot en zeiden tegen hem: Waar zijn die mannen die vannacht bij u gekomen zijn? Breng hen naar buiten, naar ons toe, zodat wij gemeenschap met hen kunnen hebben.), waarvan ook de Israëlieten zich niet vrij houden (Ri 19:2222Terwijl zij hun hart vrolijk maakten, zie, toen omsingelden de mannen van de stad, verdorven lieden, het huis en bonsden op de deur. En zij spraken de oude man, de heer des huizes, aan en zeiden: Breng de man die in uw huis gekomen is, naar buiten, zodat wij gemeenschap met hem kunnen hebben.). God geeft mensen over aan deze onterende hartstochten, als zij het schepsel gaan eren boven de Schepper (Rm 1:24-2724Daarom heeft God hen in de begeerten van hun harten overgegeven aan onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;25zij die de waarheid van God vervangen hebben door de leugen en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper, Die gezegend is tot in eeuwigheid. Amen.26Daarom heeft God hen overgegeven aan onterende hartstochten; want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke;27en evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven en zijn in hun lust tegen elkaar ontbrand, zodat mannen met mannen schandelijkheid bedrijven en het verdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangen.).


Verbod op gemeenschap met een dier

23Ook mag u met geen enkel dier de geslachtsdaad verrichten. Dan verontreinigt u uzelf daarmee. Een vrouw mag ook niet vóór een beest gaan staan om ermee te paren. Het is een afschuwelijke schanddaad.

Het verbod op gemeenschap met een dier wordt vaker gegeven (Lv 20:15-1615Een man die met een dier de geslachtsdaad verricht, moet zeker gedood worden. Ook het dier moet u doden.16Wanneer een vrouw tot welk dier dan ook nadert om ermee te paren, dan moet u de vrouw en het dier doden. Zij moeten zeker ter dood gebracht worden. Hun bloed rust op henzelf.; Ex 22:1919Ieder die met een dier gemeenschap heeft, moet zeker gedood worden.; Dt 27:2121Vervloekt is wie gemeenschap heeft met welk dier dan ook! En heel het volk moet zeggen: Amen.). Dat ook dit verbod wordt voorgehouden aan het volk van God, laat zien dat ook onder Gods volk deze gruwelijke zonde mogelijk is.

In geestelijk opzicht staat een dier symbool voor mensen die het bestaan van God op absolute wijze negeren of Hem absoluut verwerpen. We zien deze houding in de twee beesten die in het boek Openbaring worden beschreven (Op 13). Waar geen enkele verbinding meer is met de levende God, zinkt de mens weg in het diepste verderf, waaraan de grootst denkbare schande verbonden is, maar die hij zich door zijn totale afsluiting voor enige Godsopenbaring niet bewust is.


God duldt geen gruwelijkheden

24U mag uzelf niet verontreinigen met al die dingen, want de heidenvolken die Ik vóór u uit ga verdrijven, hebben zich met al die dingen verontreinigd, 25zodat het land onrein geworden is. Ik zal het zijn ongerechtigheid vergelden, zodat het land zijn bewoners zal uitspuwen. 26Maar ú moet Mijn verordeningen en Mijn bepalingen in acht nemen. U mag geen enkele van die gruweldaden doen, de ingezetene van het land niet, en [ook] de vreemdeling niet die in uw midden verblijft. 27Want de mensen in [dit] land die er vóór u waren, hebben al die gruweldaden gedaan, zodat het land onrein geworden is. 28Laat het land u niet uitspuwen, omdat u het verontreinigt, zoals het het heidenvolk dat er vóór u was, uitgespuwd heeft. 29Want al wie ook maar [één] van al die gruweldaden doet, de personen die [ze] doen, moeten uit het midden van hun volk uitgeroeid worden. 30Daarom moet u Mijn voorschriften in acht nemen en geen van die gruwelijke gebruiken die vóór u gedaan zijn, navolgen, en u daardoor niet verontreinigen. Ik ben de HEERE, uw God.

Als Israël de handelwijze van de volken om hen heen overneemt, zullen ze evenals die volken uitgespuwd worden. Personen die zich aan dergelijke gruwelijke handelingen als hiervoor beschreven overgeven, moeten uit het volk uitgeroeid worden. God heeft Zijn inzettingen en verordeningen gegeven om hen daarvoor te bewaren.

Als God een bepaalde openbaring geeft, wil Hij dat deze openbaring volledig doorwerkt in het leven van de mens, dat de mens daarmee in zijn praktijk rekening houdt. De reinheid van het huwelijk is daarbij van het hoogste belang. God begint Zijn waarschuwingen hier ermee. In de brief aan de Kolossers en de brief aan de Efeziërs schrijft Paulus daarover ook.

Het tegengif voor alle in dit hoofdstuk genoemde kwaad wordt in vers 3030Daarom moet u Mijn voorschriften in acht nemen en geen van die gruwelijke gebruiken die vóór u gedaan zijn, navolgen, en u daardoor niet verontreinigen. Ik ben de HEERE, uw God. gegeven. Door dat ‘in te nemen’ blijven we bewaard voor de gruwelen die in de wereld worden gevonden en die aansluiting vinden in ons vlees. Dit tegengif is: blijven in het Woord van God.

Het hoofdstuk besluit met dezelfde verklaring over God als die waarmee het begint.


Lees verder