Leviticus
Inleiding 1-8 Herkauwen en gespleten hoeven 9-12 Vinnen en schubben 13-23 Gevleugelde dieren 24-28 Aanraking die verontreinigt 29-31 Kruipende dieren die onrein zijn 32-40 Aanraken dood maakt onrein 41-43 Afschuwelijkheid kruipende dieren 44-45 Reden eetverbod kruipende dieren 46-47 Doel van de eetgeboden
Inleiding

Dit hoofdstuk geeft de voedselvoorschriften voor alle Israëlieten, niet alleen voor de priesters. Priesters hebben te maken met een dienst in het heiligdom. De Israëliet is het gewone lid van Gods volk in het dagelijks leven. In de verzen 44-4544want Ik ben de HEERE, uw God. U moet u heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen.45Want Ik ben de HEERE, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig. wordt de reden van dit voedselvoorschrift gegeven: de heiligheid van de HEERE. In Deuteronomium 14, waar we hetzelfde voedselvoorschrift vinden, spreekt Mozes de Israëlieten aan als “zonen van de HEERE”. Onze positie als zonen voor God bepaalt de normen voor ons voedsel.

Eten is het tot ons nemen van iets, het ons iets eigen maken, iets dat we innerlijk verwerken, waardoor het een deel wordt van onszelf. Enerzijds wordt tegen ons gezegd niet te eten van dieren die geestelijk kwaad in handelen en denken voorstellen, anderzijds worden we aangemoedigd voedsel te gebruiken dat heiligheid en geestelijk leven voorstelt. Voedsel geeft ons energie. In de beelden van de Schrift is dat wat we geestelijk tot ons nemen bepalend voor onze leefwijze. Wat het voedsel voorstelt, wordt zichtbaar in ons gedrag. Als wij ons voeden met Christus, zal Hij in ons zichtbaar worden.

In het christendom is het letterlijke onderscheid tussen reine en onreine dieren weggenomen. God zegt tegen Petrus te slachten en te eten uit een mengsel van reine en onreine dieren (Hd 10:9-169De volgende dag nu, terwijl dezen onderweg waren en de stad naderden, klom Petrus omstreeks [het] zesde uur op het dak om te bidden.10En hij werd hongerig en wenste te eten. En terwijl zij het gereedmaakten, raakte hij in geestvervoering.11En hij zag de hemel geopend en een voorwerp neerdalen als een groot laken, dat aan [de] vier hoeken op de aarde werd neergelaten;12daarin waren alle viervoetige en kruipende dieren van de aarde en vogels van de hemel.13En er klonk een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet!14Petrus echter zei: In geen geval, Heer, want nooit heb ik iets onheiligs of onreins gegeten.15En weer [klonk] een stem tot hem, voor [de] tweede keer: Wat God gereinigd heeft, zul jij niet voor onheilig houden.16En dit gebeurde tot driemaal, en terstond werd het voorwerp opgenomen in de hemel.), waardoor volgens de wet alle dieren onrein waren. God verklaart al die dieren rein. Voor de gelovige geldt als toepassing daarvan dat hij “met Christus aan de elementen van de wereld afgestorven” is (Ko 2:2020Als u met Christus aan de elementen van de wereld bent afgestorven, waarom onderwerpt u zich, alsof u in de wereld leeft, aan inzettingen:). Daarom mag hij zich niet onderwerpen aan inzettingen, zoals de spijswetten, die zeggen “raak niet, smaak niet en roer niet aan” (Ko 2:2121raak niet en smaak niet en roer niet aan?). Hij kan met de apostel Paulus zeggen: “Ik weet en ben overtuigd in de Heer Jezus dat niets op zichzelf onrein is” (Rm 14:1414Ik weet en ben overtuigd in [de] Heer Jezus, dat niets op zichzelf onrein is; alleen voor hem die meent dat iets onrein is, voor die is het onrein.).


Herkauwen en gespleten hoeven

1De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron en zei tegen hen: 2Spreek tot de Israëlieten: Dit zijn de dieren die u eten mag van alle dieren die op de aarde zijn. 3Alle [dieren] met gespleten hoeven, waarvan de hoef in tweeën gespleten is [en] die [bovendien] bij de dieren [horen die] herkauwen, die mag u eten. 4Maar deze [dieren] mag u niet eten, van die die [alleen] herkauwen of [alleen] gespleten hoeven hebben: de kameel, want die herkauwt [wel], maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 5de klipdas, want die herkauwt [wel], maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 6de haas, want die herkauwt [wel], maar heeft geen gespleten hoeven; die is voor u onrein; 7het varken, want dat heeft [wel] gespleten hoeven; de hoef is in tweeën gespleten, maar het herkauwt het gekauwde niet; dat is voor u onrein. 8Van hun vlees mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein.

Van de landdieren wordt niet gezegd dat ze een gruwel zijn, zoals later wel wordt gezegd van het kruipend gedierte. De laatste zijn als het ware verkleefd met de aarde. Dat is met de gewone landdieren niet het geval. Wel brengt God een onderscheid aan tussen dieren die wel en die niet door Zijn volk gegeten mogen worden. Hij geeft de positieve kenmerken van de reine dieren: ze moeten herkauwen en geheel gespleten hoeven hebben.

De kenmerken van de reine dieren horen bij elkaar. Ze moeten beide aanwezig zijn. De geestelijke toepassing van herkauwen is dat we overdenken wat we geestelijk tot ons nemen, bijvoorbeeld als we iets lezen, dat we het tijd geven op ons te laten inwerken. Als we de Bijbel lezen of iets over de Bijbel, moeten we dat niet vluchtig doen, ook niet snel en veel, maar rustig en bedachtzaam en daarna het nog eens lezen en erover nadenken, het overwegen.

Diepgaande bijbelstudie is goed, maar niet genoeg. Wat we ons eigen hebben gemaakt door eten en herkauwen, wil God terugzien in een wandel die tot Zijn eer is. Dat zien we in de in tweeën gespleten hoef. De gespleten hoef geeft stabiliteit aan de wandel. Standvastig en onwankelbaar zijn, dat zijn kenmerken die de Heer van de christen verwacht die Hem dient, totdat Hij komt (1Ko 15:5858Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk van de Heer, daar u weet, dat uw arbeid niet vergeefs is in [de] Heer.). Het gaat om “[de] kennis van [de] waarheid die naar [de] Godsvrucht is” (Tt 1:11Paulus, slaaf van God alsook apostel van Jezus Christus, naar [het] geloof van [de] uitverkorenen van God en [de] kennis van [de] waarheid die naar de Godsvrucht is,). Dat is de waarheid die in een godvruchtige wandel zichtbaar wordt.

Iemand kan zijn als een zwijn. Hij kan het eten naar binnen slobberen, maar wel als christen willen leven. Iemand kan ook zijn als een kameel. Hij kan wel veel naar binnen werken en dat herkauwen, maar er een praktijk op nahouden die daarmee in strijd is. Er bestaat ook niet zoiets als alleen praktisch christendom. Hoe kan er praktijk zijn, als er geen onderwijs genoten is, als men de beginselen van Gods Woord niet kent? Maar als kennis niet brengt tot een daarbij behorende praktijk is het ook niet goed. Beide zijn nodig.


Vinnen en schubben

9Dit mag u eten van al wat in het water [leeft]: alles wat in het water, in de zeeën en in de beken vinnen en schubben heeft, dat mag u eten, 10maar alles wat geen vinnen of schubben heeft in de zeeën en in de beken, van alles wat in het water wemelt en van alle levende wezens die in het water [leven], die zijn voor u iets afschuwelijks. 11Ja, iets afschuwelijks zijn ze voor u. Van hun vlees mag u niet eten, en hun kadavers moet u verafschuwen. 12Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is voor u iets afschuwelijks.

Het betreft alle waterdieren in alle wateren. Zeeën spreken in de Schrift meestal van moeilijke situaties, beproevingen, waar gelovigen zich een weg doorheen moeten zien te banen. In de vissoorten die mogen worden gegeten, zien we de kenmerken die een gelovige helpen er doorheen te gaan. Vinnen geven kracht om tegen de stroom in te zwemmen en de goede koers te houden; schubben beschermen tegen verkeerde invloeden uit hun omgeving.


Gevleugelde dieren

13En van deze vogel[soorten] moet u een afschuw hebben; ze mogen niet gegeten worden, ze zijn iets afschuwelijks: de arend, de lammergier, de monniksgier, 14de buizerd, elke soort kiekendief, 15elke soort raaf, 16de struisvogel, de velduil, de meeuw, elke soort valk, 17de steenuil, de visarend, de ransuil, 18de kerkuil, de kraai, de aasgier, 19de ooievaar, elke soort reiger, de hop en de vleermuis. 20Alle gevleugelde insecten die op vier [poten] gaan, zijn voor u iets afschuwelijks. 21Maar deze mag u [wel] eten van alle gevleugelde insecten die op vier [poten] gaan [en] die naast hun poten een stel springpoten hebben om daarmee over de grond te springen. 22Daarvan mag u de volgende eten: elke soort veldsprinkhaan, elke soort sabelsprinkhaan, elke soort krekel en elke soort doornsprinkhaan. 23Maar alle gevleugelde insecten die vier poten hebben, zijn voor u iets afschuwelijks.

Van de vogels en gevleugelde dieren wordt geen enkel rein dier genoemd, hoewel ze er wel zijn (Gn 8:2020En Noach bouwde een altaar voor de HEERE; en hij nam van al het reine vee en van alle reine vogels, en bracht brandoffers op dat altaar.). Zo mag een duif als offer aan God dienen (Lv 1:1414Als nu zijn offergave voor de HEERE een brandoffer van vogels is, moet hij zijn offergave aanbieden van tortelduiven of van jonge duiven.). Vogels spreken in het algemeen van de bewoners van het luchtruim. Er wordt gesproken over de vogels van de hemel. Meestal gebeurt dat in negatieve zin (Mt 13:4,324En terwijl hij zaaide, vielen sommige [zaden] bij de weg, en de vogels kwamen en aten ze op.32het is wel kleiner dan alle zaden, maar als het is opgegroeid, is het groter dan de groenten en wordt een boom, zodat de vogels van de hemel in zijn takken komen nestelen.; Op 18:22En hij riep met krachtige stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden.). Ze stellen dan demonische invloeden voor die zich bewegen in de hemelse sferen.

In geestelijke zin gaat het om personen of geesten met een niet-aards karakter, die zich thuis voelen op het christelijk erf, maar onrein zijn. Veel demonische invloeden zijn in de christenheid binnengedrongen in de vorm van valse leringen. Ze zijn als roofvogels (arend, gier), die leven ten koste van de dood van anderen. Het is toe te passen op het wegroven van de eer van God en die voor zichzelf claimen. Zulke vogels eten wil dan zeggen zich laten gebruiken in dit boze werk.

De enige uitzonderingen in deze lange rij onreine gevleugelde dieren zijn enkele soorten sprinkhanen (verzen 21-2221Maar deze mag u [wel] eten van alle gevleugelde insecten die op vier [poten] gaan [en] die naast hun poten een stel springpoten hebben om daarmee over de grond te springen.22Daarvan mag u de volgende eten: elke soort veldsprinkhaan, elke soort sabelsprinkhaan, elke soort krekel en elke soort doornsprinkhaan.). Ze hebben naast hun vier poten nog twee springpoten. Daarmee kunnen ze zich van de aarde verheffen. Ze mogen gegeten worden. Ze vormden het voedsel van Johannes de doper.

Het voor een gruwel houden wat God verboden heeft te eten, betekent voor ons in de praktijk: “Hebt een afkeer van het kwade” (Rm 12:99De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het kwade; weest gehecht aan het goede.).


Aanraking die verontreinigt

24Door deze [dieren] verontreinigt u uzelf. Al wie hun kadavers aanraakt, is onrein tot de avond. 25En al wie [een deel] van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. 26Alle dieren die een gespleten hoef hebben, maar waarvan de hoeven niet geheel gespleten zijn en die niet herkauwen, zijn voor u onrein. Al wie ze aanraakt, is onrein. 27Ook zijn alle zoolgangers onder al de dieren die op vier [poten] gaan, voor u onrein. Al wie hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond. 28En wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond; ze zijn voor u onrein.

Niet alleen het eten van onreine dieren is verboden, ook het aanraken van het aas ervan bewerkt verontreiniging. Aanraken gaat niet zover als eten, maar geeft toch al een verkeerde uitwerking. De onreinheid duurt tot de avond. Reiniging van kleren moet plaatsvinden. We worden onrein door wat we zien of horen, ook zonder dat we ons er helemaal voor open stellen, zonder dat we er in geestelijke zin van eten. Toch kan ons gedrag, zelfs onbewust, erdoor worden beïnvloed. Door ons te wassen met het water van Gods Woord, dat is door het lezen van Gods Woord, wordt dat gecorrigeerd.


Kruipende dieren die onrein zijn

29Van de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, zijn deze voor u onrein: de mol, de muis, elke soort pad, 30de gekko, de varaan, de hagedis, de skink en de kameleon. 31Onder al de kruipende dieren zijn die onrein voor u. Al wie ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond.

De kruipende dieren zijn dieren die zich niet van de aarde verheffen, maar er een geheel mee vormen. Het zijn ook vormen van leven die veel op de slang lijken, die een beeld is van de satan (Gn 3:1414Toen zei de HEERE God tegen de slang:
Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt
onder al het vee en onder alle dieren van het veld!
Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven.
)
. Het stelt voor het zich thuis voelen op de aarde. In het boek Openbaring wordt meerdere keren gesproken over “hen die op de aarde wonen” (Op 3:1010Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen.; 6:1010En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?; 8:1313En ik zag en ik hoorde een arend in [het] midden van de hemel, die met luider stem zei: Wee, wee, wee hun die op de aarde wonen, vanwege de overige stemmen van de bazuin van de drie engelen die gaan bazuinen.; 11:1010En zij die op de aarde wonen, verblijden zich over hen en zijn vrolijk en zullen elkaar geschenken zenden, omdat deze twee profeten hen die op de aarde wonen gepijnigd hadden.; 13:8,148En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.; 14:66En ik zag een andere engel vliegen in [het] midden van de hemel, die [het] eeuwig evangelie had, om het te verkondigen aan hen die op de aarde wonen en aan elke natie en geslacht en taal en volk,; 17:88Het beest dat u gezien hebt, was en is niet en zal uit de afgrond opstijgen en ten verderve gaan; en zij die op de aarde wonen, van wie de naam van [de] grondlegging van [de] wereld af niet geschreven is in het boek van het leven, zullen zich verwonderen als zij het beest zien, dat het was en niet is en zal zijn.), waarmee mensen worden bedoeld die de aarde als hun thuis, als hun definitieve verblijfplaats zien. Zij voelen zich er thuis en doen er alles aan om dat zo te houden.

Het eten van zulke dieren betekent voor ons het bezig zijn met aardse zaken op een manier dat we die najagen, die zoeken. Paulus waarschuwt: “Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn” (Ko 3:22Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.). Van hen, over wie hij verdriet heeft dat zij wandelen als “de vijanden van het kruis van Christus”, moet hij zeggen: “Zij bedenken de aardse dingen” (Fp 3:18-1918Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls heb gezegd en nu ook wenend zeg, dat zij de vijanden van het kruis van Christus zijn;19hun einde is [het] verderf, hun God is de buik en hun heerlijkheid is in hun schande; zij bedenken de aardse dingen.). We kunnen zo in onze aardse bezigheden opgaan, dat die ons leven worden. Dan worden we gelijk aan de mensen van de wereld. Dat streven maakt aardbewoners van ons, die thuis horen in de hemel en belijden hemelburgers te zijn.

Van elk van die dieren zijn lessen te leren. Niet dat het van elk dier even eenvoudig is de les te weten die ons erdoor wordt geleerd, maar ze worden niet voor niets genoemd. De les van de mol is duidelijk. Het dier leeft onder de grond, afgesloten van het daglicht. Het leert ons dat wij geen geheime, stiekeme dingen moeten doen die het daglicht niet kunnen verdragen. Dat de mol niet op onze geestelijke menukaart staat, zegt Paulus zo: “Maar wij hebben verworpen de verborgen dingen van de schande” (2Ko 4:22maar wij hebben verworpen de verborgen dingen van de schande, daar wij niet wandelen in sluwheid of het Woord van God vervalsen, maar door het openbaren van de waarheid onszelf aan elk menselijk geweten aanbevelen voor Gods aangezicht.) en ergens anders: “En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, … Want wat in het geheim door hen gedaan wordt, is zelfs schandelijk om te zeggen” (Ef 5:11-1211En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar stelt ze veeleer aan de kaak.12Want wat in het geheim door hen gedaan wordt, is zelfs schandelijk om te zeggen.).

Een voor de hand liggende les zien we ook in de kameleon (vers 3030de gekko, de varaan, de hagedis, de skink en de kameleon.). In ons alledaagse taalgebruik wordt het dier wel eens in een gezegde genoemd en dan weten we allemaal wat voor soort persoon het is voor wie dit gezegde geldt: zich als een kameleon gedragen. Het is iemand die zich aan elke situatie kan aanpassen en met iedereen kan meepraten, zoals de kameleon van kleur kan veranderen om zich aan zijn omgeving aan te passen. Het is gemakkelijk daarin onszelf te herkennen als we ons tussen gelovigen gedragen zoals het hoort, terwijl we, als we in de wereld zijn, ons gedrag daaraan aanpassen omdat we die te vriend willen houden.


Aanraken dood maakt onrein

32Verder is alles waarop [iets] van [dieren] valt als ze dood zijn, onrein: elk houten voorwerp, of een kledingstuk, of een huid, of een zak – elk voorwerp waarmee werk verricht wordt. Het moet in water worden gelegd, en is onrein tot de avond. Dan zal het rein zijn. 33En elke aarden pot, waarin iets van deze [dieren] valt, [en] alles wat erin zit, is [dan] onrein. U moet dat stukbreken. 34Welk voedsel dan ook dat wordt gegeten, waarop water [uit zo’n pot] komt, is onrein; en elke drank die gedronken mag worden, in zo'n kruik, welke ook, is onrein. 35En alles waarop iets van hun kadaver valt, is onrein; de oven en de bakpan moeten stukgebroken worden. Ze zijn onrein, daarom moeten ze voor u onrein zijn. 36Een bron of put waarin water verzameld wordt, zal echter rein blijven. Maar wie hun kadaver aanraakt, is onrein. 37En wanneer [iets] van hun kadaver valt op welk zaaigoed dan ook dat gezaaid wordt, dan [blijft] dat rein. 38Maar als er water op het zaad gegoten wordt, en er valt [iets] van hun kadaver op, dan is dat voor u onrein. 39En wanneer [een] van de dieren die u tot voedsel dienen, doodgaat, is hij die zijn kadaver aanraakt, onrein tot de avond. 40Wie iets van zijn kadaver eet, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond, en wie zijn kadaver draagt, moet zijn kleren wassen, en is onrein tot de avond.

Een (“houten” of “aarden”) “vat” (“voorwerp” is hier ook “vat”) stelt een persoon voor (Hd 9:1515De Heer zei echter tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren vat om Mijn Naam te dragen zowel voor volken als koningen en zonen van Israël;; 1Th 4:44dat ieder van u zijn eigen vat weet te bezitten in heiliging en eerbaarheid); “een kledingstuk” stelt ons gedrag voor; “een huid, of een zak” zijn middelen om iets in te bewaren; “elk voorwerp waarmee werk wordt verricht”, is alles wat dienstbaar is om het leven als lid van Gods volk te leven. Is iets daarvan onrein geworden door het in dienst te stellen van het aardse leven en niet in dienst van God, dan moet het in het water worden gelegd, dat wil zeggen het moet het waterbad van het Woord ondergaan. Dan wordt het weer rein en bruikbaar voor de meester. Een aarden vat moet worden gebroken. Een aarden vat is wat wij van nature zijn (2Ko 4:77Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid van de kracht van God is, en niet uit ons:).

Water waarin iets onreins is gekomen, is onrein en verontreinigt wat ermee in aanraking komt (verzen 34-3534Welk voedsel dan ook dat wordt gegeten, waarop water [uit zo’n pot] komt, is onrein; en elke drank die gedronken mag worden, in zo'n kruik, welke ook, is onrein.35En alles waarop iets van hun kadaver valt, is onrein; de oven en de bakpan moeten stukgebroken worden. Ze zijn onrein, daarom moeten ze voor u onrein zijn.). Als Gods Woord door onze gedachten van zijn ware betekenis wordt beroofd, als we er een eigen verklaring aan geven en we geven dat door, dan worden ook zij die dit horen, onrein.

Levend water kan niet onrein worden (vers 3636Een bron of put waarin water verzameld wordt, zal echter rein blijven. Maar wie hun kadaver aanraakt, is onrein.). Het Woord van God, levend gemaakt door de kracht van de Geest, gaat elke verontreiniging te boven. Als wij levende bronnen zijn, zullen de verontreinigingen geen vat op ons hebben. “Stromen van levend water” zullen uit ons “binnenste vloeien” (Jh 7:3838Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.) als wij in nauwe gemeenschap met de Heer Jezus leven en ons voeden met Zijn vlees en drinken van Zijn bloed (Jh 6:54-5654Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken op de laatste dag.55Want Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank.56Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.).

In zaad zit ook de kracht van het leven (vers 3737En wanneer [iets] van hun kadaver valt op welk zaaigoed dan ook dat gezaaid wordt, dan [blijft] dat rein.). Dit leven openbaart zich door in de dood te gaan. Dit is een beeld van de Heer Jezus Die in de dood is gegaan en daardoor “leven en onvergankelijkheid aan het licht heeft gebracht” (2Tm 1:1010maar die nu geopenbaard is door de verschijning van onze Heiland Christus Jezus, Die de dood tenietgedaan en leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht heeft door het evangelie,). Het leven in Hem overwint de dood.


Afschuwelijkheid kruipende dieren

41Verder moeten alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, iets afschuwelijks zijn. Ze mogen niet gegeten worden. 42Alles wat zich op de buik voortbeweegt, en alles wat op vier [poten] gaat, tot alles wat vele poten heeft, van alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, mag u niet eten, want ze zijn iets afschuwelijks. 43U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich [zo] voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt,

Alle kruipende dieren mogen niet worden gegeten. In deze verzen klinkt niet alleen het verbod, maar ook laat de HEERE enkele keren Zijn afschuw erover horen. Deze dieren zijn “iets afschuwelijks” (verzen 41-4241Verder moeten alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, iets afschuwelijks zijn. Ze mogen niet gegeten worden.42Alles wat zich op de buik voortbeweegt, en alles wat op vier [poten] gaat, tot alles wat vele poten heeft, van alle kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen, mag u niet eten, want ze zijn iets afschuwelijks.). Heel sterk zegt Hij dan dat iemand die een van deze dieren tot zich neemt, zichzelf “tot een afschuw” (vers 4343U mag uzelf niet tot een afschuw maken met al die kruipende dieren die zich [zo] voortbewegen, en u mag zich daarmee niet verontreinigen zodat u daardoor verontreinigd wordt,) maakt. Hier blijkt wel hoezeer we de kenmerken krijgen van het voedsel dat we eten. In de kruipende dieren zien we niet alleen een beeld van de aardse dingen, maar ook van de drijfveren daarachter. Het stelt de lage instincten van de in zonden gevallen mens voor onder invloed van de duivel.


Reden eetverbod kruipende dieren

44want Ik ben de HEERE, uw God. U moet u heiligen en heilig zijn, want Ik ben heilig. U mag uzelf niet verontreinigen met al de kruipende dieren die zich over de aarde voortbewegen. 45Want Ik ben de HEERE, Die u uit het land Egypte heeft laten vertrekken, opdat Ik u tot een God ben. U moet heilig zijn, want Ik ben heilig.

De reden van deze wetten wordt hier gegeven. De geestelijke lessen die er voor ons in zitten, moeten we verbinden met het feit dat wij kinderen van God zijn. Omdat Hij heilig is, moeten wij het ook zijn (1Pt 1:15-1615maar wordt, zoals Hij Die u geroepen heeft heilig is, ook zelf heilig in al [uw] wandel;16want er staat geschreven: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’.). Het gaat om een hemelse heiligheid, die volmaakt in de Heer Jezus op aarde te zien is. Dat moet ons doen beseffen dat we verantwoordelijk zijn erop toe te zien wat we als geestelijk voedsel nuttigen, omdat wat we eten, bepaalt hoe we ons uiten. We zullen ons moeten afvragen bij wat we ‘eten’: gaan we daardoor meer op de Heer Jezus lijken of gaan we meer op de wereld lijken?


Doel van de eetgeboden

46Dit is de wet met betrekking tot de dieren, de vogels en alle levende wezens die in het water krioelen, en alle wezens die zich op aarde voortbewegen, 47om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen de dieren die men eten en de dieren die men niet eten mag.

De wetten geven de wetmatigheid aan dat ons gedrag, ons handelen en ons spreken, wordt gevormd door wat we eten. God bepaalt wat het voedsel is dat ons in staat stelt te onderscheiden tussen rein en onrein. We hebben steeds te bedenken dat, wat we tot ons nemen en zo de kans geven op ons in te werken, van invloed is op ons gedrag in de wereld en tegenover onze medegelovigen.

Onrein voedsel komt binnen ons bereik in de vorm van allerlei lectuur die onze huizen binnenkomt of allerlei programma’s die we kunnen beluisteren of bekijken. Het nuttigen ervan misvormt ons gedrag als gelovigen. Nemen we het niet zo nauw met wat we toestaan op onze geest invloed uit te oefenen, dan zal in onze praktijk de scheiding tussen rein en onrein ook niet duidelijk aanwezig zijn. We schuiven dan in ons gedrag ongemerkt – althans voor onszelf ongemerkt, anderen nemen het wel waar – steeds meer op in de richting van de wereld.


Lees verder