2 Samuel
1-5 David koning over heel Israël 6-9 David in Jeruzalem 10-12 David neemt toe in aanzien 13-16 Davids vrouwen en zonen 17-21 David verslaat de Filistijnen 22-25 De Filistijnen nog eens verslagen
David koning over heel Israël

1Toen kwamen alle stammen van Israël naar David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw beenderen en uw vlees. 2Al eerder, toen Saul koning over ons was, was ú het die Israël liet uitgaan en ingaan. Ook heeft de HEERE tegen u gezegd: Ú zult Mijn volk Israël weiden en ú zult tot vorst zijn over Israël. 3Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in Hebron. En koning David sloot met hen in Hebron een verbond voor het aangezicht van de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël. 4Dertig jaar oud was David toen hij koning werd; veertig jaar heeft hij geregeerd. 5Te Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda, en in Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar over heel Israël en Juda.

Na zeven-en-een-half jaar wordt David koning over het hele volk. Zo lang heeft het nog geduurd. Al de tijd dat Saul over hen regeerde, hebben alle stammen geweten wie in werkelijkheid Israël aanvoerde. Hoewel ze het wisten, hebben ze toch nooit openlijk de kant van David gekozen. Er kan kennis zijn, maar als het geloof ontbreekt, doet men er niets mee.

Het hoofdstuk begint met het woord “toen”, dat wil zeggen na de gebeurtenissen die in het voorgaande hoofdstuk zijn beschreven. De tien stammen hebben gezien dat David onschuldig is aan de dood van Isboseth en dat hij de moordenaars heeft gestraft. Dan is het zover dat alle stammen van Israël er openlijk voor kunnen uitkomen dat zij zijn familie zijn. Ze kunnen dit zeggen omdat ze allen van Jakob afstammen (vgl. Ri 9:22Spreek toch ten aanhoren van alle burgers van Sichem: Wat is beter voor u? Dat zeventig mannen, allemaal zonen van Jerubbaäl, over u heersen, of dat één man over u heerst? Bedenk daarbij dat ik uw beenderen en uw vlees ben.).

Aan het eind van vers 22Al eerder, toen Saul koning over ons was, was ú het die Israël liet uitgaan en ingaan. Ook heeft de HEERE tegen u gezegd: Ú zult Mijn volk Israël weiden en ú zult tot vorst zijn over Israël. zien we een opmerkelijke volgorde. Er wordt eerst gesproken over “weiden” en daarna over “tot vorst zijn”. Dat betekent dat de eerste taak de zorg voor Gods volk is en dat daarna de regering komt. Eerst herder zijn, dan koning worden. Dat zien we ook bij de Heer Jezus. Hij is nu al de goede Herder en zal binnenkort openlijk Zijn koningschap aanvaarden.

Voor ons persoonlijk leven is hieruit te leren dat wij ons aan Zijn heerschappij over ons leven zullen onderwerpen, juist omdat Hij elke dag voor ons zorgt. Ook is hier het een en ander te leren voor de houding van de man ten opzichte van zijn vrouw en voor de houding van ouders ten opzichte van hun kinderen. Het is ook van belang voor het gezag in de gemeente van God.

Als God personen een plaats van gezag heeft gegeven, of dat nu is in de gemeente of in het gezin, kan dat gezag alleen goed worden uitgeoefend door hen die weten wat het is om te dienen, de minste te zijn en zorg te besteden aan medegelovigen. Zulke personen laten het beeld van de Heer Jezus zien. Onderdanigheid is heel wat gemakkelijker op te brengen ten opzichte van iemand die om je geeft, die met liefde voor je zorgt, dan ten opzichte van iemand die alleen maar de baas over je wil spelen en zijn positie van gezag op die manier misbruikt. Gezag staat bij God nooit los van zorg en liefde en dat is in en door de Heer Jezus volmaakt zichtbaar geworden.

Dan wordt David voor de derde keer tot koning gezalfd, nu tot koning over heel Israël. De eerste keer is hij gezalfd door Samuel te midden van zijn broers (1Sm 16:13a13Toen nam Samuel de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broers. En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan. Daarna stond Samuel op en ging naar Rama.). De tweede keer is hij gezalfd door de mannen van Juda over het huis van Juda (2Sm 2:4a4Toen kwamen de mannen van Juda en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda. Men vertelde David: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead die Saul begraven hebben.). Hier vindt de derde zalving van David plaats. Deze derde zalving spreekt van de komst van de Heer Jezus op aarde, wanneer Hij door het hele volk, dat zijn alle in het land teruggekeerde stammen, als Messias wordt aangenomen.


David in Jeruzalem

6De koning trok met zijn mannen op naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. Zij zeiden tegen David: U komt hier niet binnen, want zelfs de blinden en de kreupelen zullen u terugdrijven. Dat wil zeggen: David komt hier niet binnen. 7David nam echter de vesting Sion, dat is de stad van David, in. 8David zei namelijk op die dag: Ieder die de Jebusieten wil verslaan, moet de watergang [zien te] bereiken. En wat die kreupelen en die blinden betreft, David haat ze met heel zijn ziel. Daarom zegt men [wel]: Een blinde of kreupele zal niet in het huis komen. 9Zo ging David in de vesting wonen en hij noemde die: Stad van David. David bouwde rondom [een muur], vanaf de Millo naar de binnenzijde.

David trekt op naar Jeruzalem. Dit is een belangrijke stap. Hebron is als hoofdstad niet geschikt. Jeruzalem ligt centraal voor alle stammen van het rijk. Politiek gezien is het daarom verstandig daarheen te gaan. Ook militair gezien is het een goede keus. Jeruzalem ligt hoog en is een prima vesting.

Behalve een goede militaire reden is er ook een belangrijkere, meer een geestelijke reden. De plaats waar hij naar toe gaat, is de plaats waar Abraham zijn zoon heeft geofferd, de berg Moria. Direct daarnaast ligt Sion.

Jeruzalem is al eerder in de geschiedenis genoemd en wel als de stad die door Juda is ingenomen, maar zij hebben niet alle Jebusieten kunnen verdrijven (Ri 1:88De Judeeërs hadden namelijk tegen Jeruzalem gestreden, het ingenomen, [de inwoners] met de scherpte van het zwaard gedood en de stad in brand gestoken.; Jz 15:6363Maar de nakomelingen van Juda konden de Jebusieten, de inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven. Daarom wonen de Jebusieten bij de nakomelingen van Juda in Jeruzalem, tot op deze dag.). Er is ook door de Benjaminieten verzuimd de Jebusieten uit Jeruzalem te verdrijven (Ri 1:2121Maar de Benjaminieten hebben de Jebusieten, die in Jeruzalem wonen, niet verdreven. De Jebusieten wonen tot op deze dag met de Benjaminieten in Jeruzalem.). Er is dus nog een kamp van vijanden in Jebus. Hen gaat David verdrijven.

Jeruzalem is de godsdienstige naam. Daarin zit het woord Salem, de stad waar Melchizedek koning was (Gn 14:1818En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
)
. Salem betekent ‘vrede’ (Hb 7:1-21Want deze Melchizédek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende,2aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg [van zijn naam]: koning van [de] gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van [de] vrede,). Toch heet de stad ook nog Jebus, dat betekent ‘vertrapper’. Het is nog een vertrapte stad. De stad zal in de toekomst nog een keer “door [de] volken worden vertrapt” (Lk 21:2424En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.). Daarna komt de Heer Jezus naar de aarde om Jeruzalem de stad van de vrede te maken. Hij zal daarvoor de volken oordelen en de stad van vijanden bevrijden. Dan zal de Vredevorst regeren. Dat zien we David hier profetisch doen.

De vijand in Jebus geeft zich niet zomaar over. De Jebusieten zijn overtuigd van hun eigen kracht. In zijn reactie daarop is David geen beeld van de Heer Jezus. Hij is klaarblijkelijk beledigd, hij is de gekwetste leider. Als de Heer Jezus later in deze stad is, blijkt hoezeer Hij bijvoorbeeld de blinden liefheeft. Kreupelen en blinden worden door David buitengesloten, maar de Heer Jezus zegt dat zij moeten worden uitgenodigd in huis (Lk 14:1313Maar wanneer u een maaltijd aanricht, nodig armen, verminkten, kreupelen en blinden;).

Voor ons is de les hoe wij staan tegenover de gebrekkigen in de gemeente. Daarbij kunnen we bij de ‘kreupelen’ denken aan mensen die geen kracht hebben voor een goede wandel en bij de ‘blinden’ aan hen die geen zicht hebben op bepaalde waarheden.

Davids afkeer van deze groep is niet naar Gods gedachten. Gelukkig handelt hij met Mefiboseth later anders (2Sm 9:3,6-7,133De koning zei: Is er soms nog iemand van het huis van Saul, zodat ik de goedertierenheid van God aan hem kan bewijzen? Toen zei Ziba tegen de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die aan beide voeten verlamd is.6Toen Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, bij David binnenkwam, wierp hij zich met zijn gezicht [ter aarde] en boog zich neer. David zei: Mefiboseth! En hij zei: Zie, [hier] is uw dienaar.7David zei tegen hem: Wees niet bevreesd, want ik zal u zeker goedertierenheid bewijzen omwille van uw vader Jonathan. Ik zal u alle akkers van uw vader Saul teruggeven, en ú zult voortdurend aan mijn tafel de maaltijd gebruiken.13Zo woonde Mefiboseth in Jeruzalem, omdat hij voortdurend aan de tafel van de koning at. Hij was kreupel aan zijn beide voeten.).

Het is ook mogelijk dat we hier in David wel een type van de Heer Jezus mogen zien. Dan is het niet zo dat David een afschuw heeft van kreupelen en blinden in het algemeen, maar van deze kreupelen en blinden omdat zij hem weerstaan in zijn recht op Jeruzalem. De kreupelen en blinden zijn zij die, zoals de Jebusieten zeggen, David zouden kunnen verdrijven. Davids zwakheid is in hun ogen zo groot, dat zelfs mensen met een handicap sterk genoeg zijn om hem te verjagen. Als zulke mensen zich als vijanden van de rechtmatige bezitter van Jeruzalem, de stad van David, manifesteren, is het terecht dat hij hen verafschuwt. De Heer Jezus haat ook alle bedrijvers van ongerechtigheid.

Als David eenmaal koning is, zien we in hem steeds minder de man van geloof die hij was toen hij door Saul achterna gezeten werd. Toen was hij in omstandigheden die ervoor zorgden dat hij in afhankelijkheid van God moest wandelen. Nu hij koning is en macht bezit, kan hij verhogen wie hij wil. Als gevolg daarvan krijgt Joab de macht over het leger (1Kr 11:66David zei namelijk: Al wie de Jebusieten de eerste slag toebrengt, zal hoofd en bevelhebber worden. Toen klom Joab, de zoon van Zeruja, het eerst naar boven en werd hij hoofd.), een man die steeds zijn eigen eer zoekt en over wie David geen macht heeft. Toch kunnen we zeggen dat David in het algemeen genomen door God geleid wordt.


David neemt toe in aanzien

10David nam gaandeweg toe in aanzien, want de HEERE, de God van de legermachten, was met hem. 11Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, timmerlieden en metselaars; zij bouwden een huis voor David. 12David besefte dat de HEERE hem tot koning over Israël bevestigd had en dat Hij zijn koningschap verheven had ter wille van Zijn volk Israël.

Niet alleen de stad wordt machtiger, ook David wordt machtiger. Omdat God met hem is, neemt hij toe in macht. Hier is hij een beeld van de Heer Jezus. Dat zien we ook in de volken die komen en zijn koningschap erkennen.

David wordt niet trots op zijn grootheid, maar beseft dat alles van de HEERE komt. Ook beseft hij dat het niet in de eerste plaats om hem gaat, maar om Gods volk. Het laat de liefde van de HEERE voor Zijn volk zien. God heeft Zijn volk zo lief, dat Hij het zo’n koning geeft. Dat geldt ook voor ons nu. God heeft ons zo lief, dat Hij ons de Heer Jezus als Heer heeft gegeven. God wil ook in ons leven de heerschappij van de Heer Jezus laten toenemen.


Davids vrouwen en zonen

13David nam [nog] meer bijvrouwen en vrouwen uit Jeruzalem, nadat hij uit Hebron gekomen was, en bij David werden [nog] meer zonen en dochters geboren. 14Dit zijn de namen van hen die bij hem in Jeruzalem geboren zijn: Sammua, Sobab, Nathan, Salomo, 15Jibchar, Elisua, Nefeg, Jafia, 16Elisama, Eljada en Elifelet.

Deze verzen zijn opnieuw een onderbreking van de vestiging van zijn koningschap. In deze verzen wordt een nieuwe zwakheid van David vermeld. Ondanks het verbod dat God heeft gegeven in Zijn wet voor de koning (Dt 17:17a17Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn hart afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen.), neemt hij nog meer vrouwen om zijn grootheid te onderstrepen. Het voorkomt niet dat hij later ertoe komt de vrouw van zijn naaste te begeren en overspel met haar te begaan (2Sm 11:2-42Tegen de avond gebeurde het dat David opstond van zijn slaapplaats en op het dak van het huis van de koning wandelde. Vanaf het dak zag hij een vrouw die zich aan het wassen was; deze vrouw nu was heel knap om te zien.3David stuurde [een bode] en liet naar deze vrouw vragen; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, de Hethiet?4Toen stuurde David boden en liet haar halen. Toen zij bij hem gekomen was, sliep hij met haar – zij had zich zojuist van haar onreinheid gezuiverd. Daarna keerde zij terug naar haar huis.), maar het zal hem er eerder toe hebben aangezet. Wie niet blijft bij de instelling van God, stelt zich open voor alle vormen van kwaad. Als zonde niet wordt geoordeeld, zal ze grotere vormen aannemen.

Door de genade van God vinden we twee namen van zijn zonen terug in de twee geslachtsregisters van de Heer Jezus die we in de evangeliën hebben, Nathan en Salomo. Nathan vinden we terug in het geslachtsregister dat Lukas geeft van de lijn van Maria (Lk 3:3131van Meleas, van Menna, van Mattatha, van Nathan, van David,). Salomo vinden we in het geslachtsregister dat Mattheüs geeft, waar het wettelijk recht van de Heer Jezus op de troon wordt vastgesteld (Mt 1:66en Isaï verwekte David, de koning. En David verwekte Salomo bij de [vrouw] van Uria;).


David verslaat de Filistijnen

17Toen de Filistijnen hoorden dat zij David tot koning over Israël gezalfd hadden, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, daalde hij af naar de vesting. 18De Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaïm. 19David vroeg de HEERE: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U hen in mijn hand geven? En de HEERE zei tegen David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in uw hand geven. 20Toen kwam David in Baäl-Perazim. David versloeg hen daar en zei: De HEERE is voor mij uit door mijn vijanden heen gebroken als een doorbraak van water. Daarom gaf hij die plaats de naam Baäl-Perazim. 21Zij lieten daar hun afgoden achter, en David en zijn mannen namen ze mee.

De oorlogen van David met de Filistijnen komen na de verovering van Jeruzalem en nadat het hele volk hem tot koning heeft gezalfd. Zij zijn de eerste vijanden die zich melden. Later komen er nog meer. Een verslagen vijand is voor andere vijanden geen waarschuwing. Hetzelfde verzet tegen de door God gegeven koning kenmerkt hen allen. Het verslaan van de Filistijnen is een van de opdrachten die David als koning over het huis van Juda heeft gekregen (2Sm 3:1818Doe het dan nu, want de HEERE heeft tot David gesproken: Door de hand van David, Mijn dienaar, zal Ik Mijn volk Israël verlossen uit de hand van de Filistijnen en uit de hand van al hun vijanden.).

Als Jeruzalem wordt ingenomen, zijn alle vijanden nog niet aan David onderworpen. Dat geldt ook voor Christus. Als Hij neerdaalt van de hemel, zal Hij eerst de antichrist en de Assyriërs verdelgen. Dan zal Hij in Jeruzalem Zijn troon vestigen, waarna Hij door middel van Zijn eigen volk andere vijanden van Israël zal verdelgen.

De Filistijnen hebben zich eerst rustig gehouden, maar nu David zo sterk wordt en ze in hem een bedreiging zien, trekken ze tegen hem op. De vestiging van de troon van David brengt de Filistijnen in beweging om David om te brengen en zijn invloed weg te nemen. Het is ermee als met de terugkeer van de Heer Jezus naar de aarde. De mens zal zich dan tot het uiterste verzetten en zo een snel verderf over zichzelf brengen.

De actie van de Filistijnen heeft voor ons een geestelijke betekenis. Naamchristenen gaan tot actie over als wij de Heer Jezus de volle heerschappij in ons leven willen geven. Zij zullen invloed in ons leven proberen te krijgen om Zijn gezag te verminderen.

Hier zien we weer de afhankelijke David. Ondanks zijn sterke leger vraagt hij de HEERE of hij moet optrekken. David behaalt de overwinning door afhankelijkheid. Hij neemt de afgoden mee om ze te verbranden (1Kr 14:1212Zij lieten daar hun goden achter; en David gaf bevel en zij werden met vuur verbrand.).


De Filistijnen nog eens verslagen

22Daarna trokken de Filistijnen opnieuw op en verspreidden zich in het dal Refaïm. 23David vroeg de HEERE [om raad]. Die zei: U moet niet optrekken; maak een omtrekkende beweging tot achter hen, zodat u bij hen komt van de zijde van de moerbeibomen. 24En laat het gebeuren, wanneer u het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen hoort, dat u zich dan haast; want dan is de HEERE vóór u uitgegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan. 25David deed zo, zoals de HEERE hem geboden had, en hij versloeg de Filistijnen van Geba af tot waar u bij Gezer komt.

De vijand is niet definitief verslagen. De Filistijnen trekken opnieuw op. David vraagt opnieuw aan de HEERE wat hij moet doen. Eén keer een toestemming betekent niet een voortdurende toestemming. We zijn van stap tot stap afhankelijk van de Heer. Dat geldt voor ons allemaal. Ieder heeft een eigen verhouding tot de Heer. Wat de Heer de een laat doen, verbiedt Hij een ander. God verklaart niet altijd waarom Hij de ene keer dit en de andere keer dat zegt. Het gaat erom dat wij moeten gehoorzamen, ook al begrijpen wij het niet. Het voornemen van de Heer verandert nooit, maar Zijn wegen veranderen wel eens.

Twee keer wordt David aangevallen en beide keren vraagt hij aan God wat hij moet doen. Twee keer krijgt hij antwoord, twee keer gehoorzaamt hij en twee keer verslaat hij de vijand. Hij krijgt de tweede keer een ander antwoord dan de eerste keer. God heeft geen standaard antwoord op onze vragen. Daarom moeten we telkens opnieuw naar Hem toe gaan. We moeten niet zijn als Simson, die zei: Ik zal net als de andere keren vrijkomen en [hen] van mij afschudden” (Ri 16:2020En zij zei: De Filistijnen over je, Simson! Hij ontwaakte uit zijn slaap en zei: Ik zal net als de andere keren vrijkomen en [hen] van mij afschudden. Hij wist namelijk niet dat de HEERE van hem geweken was.). Hij wist echter niet dat de HEERE van hem was geweken en daarmee zijn kracht, zodat hij de nederlaag leed. Afhankelijkheid van de Heer is altijd het geheim van de overwinning in ons leven.

David krijgt duidelijke aanwijzingen voor de strijd. Alleen door die op te volgen is de overwinning zeker. Dit keer moet hij wachten tot hij het geluid van voetstappen in de toppen van de moerbeibomen hoort. Dat betekent dat hij tijdens het wachten goed moet luisteren om de weg vast te stellen die de HEERE voor hem uit gaat. Het is belangrijk voor ons dat onze oren open zijn voor Gods Woord, dat onze ogen open zijn voor Zijn aanwijzingen en dat onze voeten op Zijn wegen gaan.

Het horen van de voetstappen van de HEERE is een bijzondere ervaring voor David. De HEERE wandelt op ‘tranenbomen’, dat is de letterlijke betekenis van de naam “moerbeibomen”. In Psalm 84 wordt het ‘tranendal’ gemaakt tot een dal van bronnen (Ps 84:77Gaan zij door het dal van de moerbeibomen,
dan maken zij [God] tot [hun] bron;
ook zal de regen [hen] overvloedig bedekken.
)
. Waar tranen zijn, ontsluit God een bron van verkwikking. Bij strijd die moeite geeft, geeft God kracht.

David is ook een voorbeeld voor ons als beeld van de Heer Jezus. De Heer Jezus is onze Heer. Wij hebben te maken met Filistijnen, mensen die zich op het christelijk terrein bevinden, maar ongelovigen zijn. Het zijn mensen die, in beeld, nooit door de Rode Zee, de woestijn en de Jordaan getrokken zijn. Het zijn valse broeders, mensen die niet bij de gemeente behoren. David heeft de kracht hen te bestrijden. Hij is ook een voorbeeld van voorgangers die Gods volk beschermen tegen verkeerde invloeden.

Het volgende hoofdstuk laat zien dat de Filistijn niet alleen van buiten tot ons komt, maar ook in ons is. We zien daar dat David een Filistijnse methode hanteert om de ark te transporteren.


Lees verder