2 Samuel
Inleiding 1-9 De volkstelling 10-15 De straf voor de zonde 16-17 Het is genoeg 18-25 Het altaar
Inleiding

Het boek eindigt ernstig, maar ook mooi. Het eindigt eerst met een ernstige zonde, maar daarop volgen een altaar en een offer en een berg. Door deze geschiedenis maakt God duidelijk waar eenmaal de tempel zal staan, maar dat is meer de zijde die in de boeken 1 Kronieken en 2 Kronieken wordt belicht.


De volkstelling

1De toorn van de HEERE ontbrandde opnieuw tegen Israël. Hij zette David tegen hen op door te zeggen: Ga Israël en Juda tellen. 2Toen zei de koning tegen Joab, de legerbevelhebber, die bij hem was: Trek toch rond door alle stammen van Israël, van Dan tot Berseba, en tel het volk, zodat ik het aantal [mannen] van het volk weet. 3Toen zei Joab tegen de koning: Moge de HEERE, uw God, er aan dit volk honderdmaal [meer] toevoegen dan er nu zijn, terwijl de ogen van mijn heer de koning het zien – maar waarom verlangt mijn heer de koning dit? 4Het woord van de koning was echter te sterk voor Joab en de bevelhebbers van het leger. Dus ging Joab bij de koning weg, met de bevelhebbers van het leger, om het volk, Israël, te tellen. 5Zij staken de Jordaan over en sloegen hun kamp op bij Aroër, aan de rechterzijde van de stad, die midden in het dal van Gad ligt, en [gingen vandaar] naar Jaëzer. 6Zij kwamen in Gilead en in het laagland Hodsi; ook kwamen zij bij Dan-Jaän en de [streek] rond Sidon. 7Zij kwamen tot bij de vesting Tyrus en bij alle steden van de Hevieten en de Kanaänieten, en zij kwamen uit in het zuiden van Juda, in Berseba. 8Zo trokken zij door heel het land, en na verloop van negen maanden en twintig dagen kwamen zij in Jeruzalem. 9Joab gaf de koning het aantal van het getelde volk: er waren in Israël achthonderdduizend strijdbare mannen die het zwaard [konden] hanteren, en de mannen van Juda waren vijfhonderdduizend man [sterk].

Israël heeft iets gedaan wat de toorn van de HEERE heeft opgewekt (vers 11De toorn van de HEERE ontbrandde opnieuw tegen Israël. Hij zette David tegen hen op door te zeggen: Ga Israël en Juda tellen.). Wat het is, wordt niet vermeld. Het gaat om de reactie van de HEERE daarop. Hij stelt David als de leider van Zijn volk daarvoor verantwoordelijk. Daarom zet Hij David tegen het volk op. Uit 1 Kronieken weten we dat Hij daarvoor gebruik maakt van de satan (1Kr 21:11Toen stond de satan op tegen Israël, en hij zette David ertoe aan om Israël te tellen.). De boeken 1 Kronieken en 2 Kronieken beschrijven de geschiedenis van Gods volk zoals God daar graag aan terugdenkt. God wil naar Zijn raadsbesluit de plaats aanduiden waar Hij gediend wil worden en de satan wil dat verhinderen. We zien daar dat God niet ondanks, maar door middel van de zonde van David Zijn doel bereikt. Zo is het ook met de zondeval, die door God wordt gebruikt tot uitvoering van Zijn raadsbesluiten. Wij kunnen dat niet begrijpen, maar toch is het zo.

Hier gaat het om de zijde van de mens. De satan kan niets doen zonder de toelating of de wil van God. Hier wordt niet over de tempel gesproken. Het gaat meer om Gods handelen met David. Het gaat om zijn verantwoordelijkheid. In Davids hart komt de begeerte op om te weten hoe groot zijn leger is. God is niet de oorsprong van de zonde, maar de begeerte in het hart van de mens (Jk 1:13-1413Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.14Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt.). De zonde is al in Davids hart en dat ziet God. God brengt die zonde aan het licht, opdat David de zonde kan oordelen.

Met zijn begeerte om de kracht van zijn leger te weten neemt hij de plaats van God in. Wat hij in werkelijkheid met zijn opdracht om te tellen zegt, is dat hij het land van God als zijn eigen land beschouwt en zijn leger ziet als zijn eigen middel om het in bezit te houden. De afhankelijkheid van God is hij kwijt. Hij begaat hiermee in principe de zonde van het volk toen zij zeiden dat ze een koning wilden hebben, net als de volken om hen heen (1Sm 8:19-2019Maar het volk weigerde naar de stem van Samuel te luisteren. Zij zeiden: Nee, er moet toch een koning over ons komen.20Dan zullen wij ook zijn als al de volken; onze koning zal ons leiding geven en hij zal voor ons uitgaan en onze oorlogen voeren.). Nu wil de koning de sterkte van zijn leger weten, net als de koningen van de volken om hem heen.

Waarom is het verkeerd het volk te tellen? Dat heeft God toch ook meerdere keren gedaan (Nm 1:2-32Neem het aantal op van heel de gemeenschap van de Israëlieten, [ingedeeld] naar hun geslachten [en ] naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, al wie mannelijk is, hoofd voor hoofd.3[Het gaat om] ieder in Israël die met het leger uittrekt, van twintig jaar oud en daarboven. Die moet u tellen, [ingedeeld] naar hun legers, u en Aäron.; 26:1-41Het gebeurde nu na die plaag dat de HEERE tegen Mozes en tegen Eleazar, de zoon van de priester Aäron, zei:2Neem het aantal op van heel de gemeenschap van de Israëlieten, van twintig jaar oud en daarboven, naar hun families, ieder die in Israël met het leger uittrekt.3Mozes dan en de priester Eleazar zeiden tegen hen, in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, [ter hoogte] van Jericho:4[Neem het aantal op] van twintig jaar en daarboven, zoals de HEERE Mozes en de Israëlieten, die uit het land Egypte vertrokken waren, geboden had.)? We moeten bedenken dat het David erom gaat de kracht van zijn leger te weten (vers 99Joab gaf de koning het aantal van het getelde volk: er waren in Israël achthonderdduizend strijdbare mannen die het zwaard [konden] hanteren, en de mannen van Juda waren vijfhonderdduizend man [sterk].). Hij wil weten hoe sterk hij is en dat is afhankelijk van het aantal soldaten dat hij heeft. Dat is zijn fout. Hij vergeet dat hij afhankelijk is van Gods kracht. Het is ernstig als wij in aantallen gaan denken om daaraan onze kracht af te meten. We kunnen daarbij denken bijvoorbeeld aan het aantal van hen met wie we samenkomen en het aantal gaven. In de geschiedenis van Gideon zien we hoe God over getallen denkt (Ri 7:22En de HEERE zei tegen Gideon: Het volk dat bij u is, is voor Mij te talrijk om Midian in hun hand te geven. Anders zou Israël zich tegen Mij kunnen beroemen en zeggen: Mijn [eigen] hand heeft mij verlost!). God wil altijd voorkomen dat het vlees zich beroemt (vgl. 1Ko 1:27-2927maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen,28en het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, <en> wat niets is, om wat iets is teniet te doen,29opdat geen vlees roemt voor God.).

Bij Nebukadnezar zien we iets dergelijks als hij zichzelf op de borst slaat over “het grote Babel”, waarvan hij zegt: “Dat ik als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterkte en ter ere van mijn majesteit” (Dn 4:28-3328Dit alles overkwam koning Nebukadnezar.29Na verloop van twaalf maanden was hij aan het wandelen op [het dak van] het koninklijk paleis van Babel.30De koning nam het woord en zei: Is dit niet het grote Babel dat ík als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterke macht en ter ere van mijn majesteit?31Dit woord was nog in de mond van de koning [of] er klonk een stem vanuit de hemel: U, koning Nebukadnezar, wordt aangezegd: Het koningschap is van u weggegaan!32Men zal u uit de mensen[wereld] verstoten en u zult uw verblijf hebben bij de dieren van het veld. Men zal u gras te eten geven zoals aan de runderen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u erkent dat de Allerhoogste Heerser is over het koningschap van de mensen en dat geeft aan wie Hij wil.33Op hetzelfde moment werd dat woord over Nebukadnezar voltrokken. Hij werd uit de mensen[wereld] verstoten, hij at gras zoals runderen, en zijn lichaam werd bevochtigd door de dauw van de hemel, totdat zijn haar zo lang werd als [de veren] van arenden en zijn nagels als [die] van vogels.). Hij wordt hiervoor geoordeeld. Bij Herodes zien we hetzelfde. Hij matigt zichzelf de eer aan die alleen God toekomt en wordt daarvoor gedood (Hd 12:21-2321Op een vastgestelde dag nu hield Herodes, na een koninklijk gewaad te hebben aangedaan <en> gezeten op de rechterstoel, een toespraak tot hen.22En het volk riep hem toe: Een stem van God en niet van een mens!23En onmiddellijk sloeg een engel van [de] Heer hem, omdat hij God niet de heerlijkheid gaf; en hij werd door wormen gegeten en stierf.). Gods regering is voor ieder gelijk. Nooit kan Hij Zijn eer aan een ander geven (Js 42:88Ik ben de HEERE – dat is Mijn Naam;
Mijn eer zal Ik aan geen ander geven,
evenmin Mijn lof aan de [afgods]beelden.
; 48:1111Omwille van Mij, omwille van Mij doe Ik [het],
want hoe zou [Mijn Naam] ontheiligd worden!
Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.
)
. Als de Heer ons ten behoeve van Zijn volk wil gebruiken, laat het dan zo zijn dat wij ons steeds bewust zijn dat het Zijn volk is.

David geeft Joab de opdracht het volk te gaan tellen. Joab heeft daar echter bezwaar tegen. Het lijkt erop dat Joab hier een betere beoordeling van dit plan heeft dan David. Hij voorziet dat deze opdracht niet naar de wil van de HEERE is. Dat is niet omdat hij de wil van de HEERE wil doen, maar omdat hij de toorn van de HEERE vreest.

Dit keer laat David zich niet door Joab gezeggen en zet zijn wil door. We mogen ons wel afvragen of wij ons laten waarschuwen als we iets van plan zijn waarover anderen hun bezwaren uiten. Willen we dan ons plan heroverwegen voor de Heer, ook als bij hen die ons waarschuwen mogelijk eigen belangen een rol spelen? Ondanks de tegenwerpingen van Joab en de andere legeroversten wordt het land geteld. Na “negen maanden en twintig dagen” krijgt David de uitkomst. Al die tijd heeft God geduld met de zonde die David begaat. Het geweten van David ontwaakt echter niet eerder dan nadat het kwaad is bedreven.

Als David de uitkomst krijgt, weet hij tenminste waarop hij kan vertrouwen. Wat hier niet wordt beschreven, is dat Joab niet helemaal rond is gekomen (1Kr 21:66Levi en Benjamin telde hij echter onder hen niet, want Joab had een afschuw van het woord van de koning.). Hij heeft niet het hele volk geteld. Opmerkelijk is dat in vers 99Joab gaf de koning het aantal van het getelde volk: er waren in Israël achthonderdduizend strijdbare mannen die het zwaard [konden] hanteren, en de mannen van Juda waren vijfhonderdduizend man [sterk]. weer het onderscheid tussen Israël en Juda naar voren komt. Hierin zien we weer die verwijzing naar de tweedeling van het rijk die onderhuids al aanwezig is.


De straf voor de zonde

10Het hart van David bonsde in hem, nadat hij het volk geteld had. En David zei tegen de HEERE: Ik heb zwaar gezondigd [in] wat ik gedaan heb. Maar nu, HEERE, neem de ongerechtigheid van Uw dienaar toch weg, want ik heb heel dwaas gehandeld. 11Toen David 's morgens opstond, kwam het woord van de HEERE tot de profeet Gad, de ziener van David: 12Ga [op weg] en spreek tot David: Zo zegt de HEERE: Drie dingen leg Ik u voor; kies er voor u één van uit, dan zal Ik dat bij u doen. 13Zo kwam Gad bij David. Hij maakte hem dit bekend en zei tegen hem: Zal er zeven jaar hongersnood over u komen in uw land? Of [wilt] u drie maanden vluchten voor uw vijanden, terwijl die u achtervolgen? Of zal er drie dagen pest in uw land zijn? Welnu, overweeg [dit] en zie wat voor antwoord ik Hem Die mij gezonden heeft, moet brengen. 14Toen zei David tegen Gad: Het benauwt mij zeer. Laten wij toch in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is groot. Laat mij echter niet in de hand van mensen vallen. 15Toen gaf de HEERE [een uitbraak van] de pest in Israël, vanaf de morgen tot op de vastgestelde tijd. En er stierven van het volk, van Dan tot Berseba, zeventigduizend mannen.

Direct nadat David de uitslag van de telling heeft, krijgt hij wroeging en belijdt zijn zonde. Het bonzen van zijn hart wil zeggen dat zijn geweten spreekt. Hij zegt dat hij “zwaar gezondigd” heeft. Het is voor een leider van Gods volk een zware zonde om op iets of iemand anders te vertrouwen dan op God alleen. Als wij gaan rekenen of wij wel alle middelen hebben om goed te kunnen functioneren, zowel stoffelijk als geestelijk, en ons daardoor onafhankelijk van God opstellen, zijn wij op dezelfde manier bezig.

De belijdenis van zijn zonde betekent niet dat God zijn zonde niet meer straft. Zijn zonde wordt een oorzaak van grote nood voor het hele volk. Als David zijn zonde voor de HEERE heeft beleden, stuurt de HEERE Zijn profeet naar hem toe. De profeet Gad moet niet naar hem toe om hem zijn zonde bekend te maken. Hij hoeft hem ook niet te vertellen dat zijn zonde vergeven is. Wat Gad moet doen, is David zeggen hoe God handelen wil. Hij houdt David drie straffen voor waaruit hij mag kiezen.

De profeet zegt erbij: “Overweeg [dit] en zie wat voor antwoord ik Hem Die mij gezonden heeft, moet brengen.” Dit is een belangrijk woord. Bij het nemen van beslissingen is altijd belangrijk dat we tijd nemen en tijd aan anderen geven om in de tegenwoordigheid van God te overwegen wat gedaan moet worden, zeker als een beslissing ook gevolgen voor anderen heeft.

Uit de overweging blijkt dat Davids hart weer op God vertrouwt. Uit de keus die hij maakt, blijkt dat hij de man van geloof is die we kennen. Hij valt liever in de hand van de HEERE dan in die van mensen. David weet wat in de mens is. Daarom vreest hij in diens handen te vallen. Dat geldt niet alleen bij het vluchten voor de vijand. Het kan ook gelden voor de hongersnood, want die zou ook kunnen komen door invallen van de vijanden. Daartegenover kent hij de barmhartigheid van de HEERE. Daar kiest hij voor, zonder zich voor een van de drie straffen uit te spreken. Hij laat daarmee de keus aan de HEERE over.

De straf moet beantwoorden aan de zonde. David was trots op het grote aantal van zijn volk. Daarom moet het oordeel, waarmee hij voor die zonde gekastijd wordt, van dien aard zijn, dat hun aantal vermindert. Het is rechtvaardigheid in God om van ons weg te nemen wat onze hoogmoed stimuleert. Door de pest sterven veel mensen (vers 1515Toen gaf de HEERE [een uitbraak van] de pest in Israël, vanaf de morgen tot op de vastgestelde tijd. En er stierven van het volk, van Dan tot Berseba, zeventigduizend mannen.).

Het was tenslotte ook de zonde van het volk waardoor de toorn van de HEERE was ontstoken en waardoor David tot zijn zonde kwam. Door de pest nemen zowel het aantal inwoners als de oorlogskracht af die hij heeft willen weten. Wat blijft er van een volk over als God Zijn hand daartegen uitstrekt? Wat blijft er van de grote getallen en aantallen van gemeenten over als Gods hand Zich ertegen uitstrekt?


Het is genoeg

16Maar toen de engel zijn hand over Jeruzalem uitstrekte om er verderf aan te richten, kreeg de HEERE berouw over dit kwaad, en Hij zei tegen de engel die verderf onder het volk aanrichtte: Het is genoeg, trek uw hand nu terug. Nu was de engel van de HEERE [op dat moment] bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. 17David zei tegen de HEERE – toen hij de engel zag die het volk [met de plaag] trof, zei hij: Zie, ík heb gezondigd en ík heb mij misdragen, maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? Laat Uw hand toch tegen mij en tegen mijn familie zijn.

Als de engel klaarstaat om Jeruzalem te slaan, is het genoeg. De engel moet zijn hand laten zinken. Het berouwt de HEERE over het kwaad dat Hij moest laten komen. Daarvoor heeft Hij een aanleiding en wel de voorbede van David. Hij ziet in Davids hart wat deze ook uitspreekt: zijn liefde voor “deze schapen” van wie hij zegt: “Wat hebben zij gedaan?” David vraagt of God hem wil straffen in plaats van het volk (vers 1717David zei tegen de HEERE – toen hij de engel zag die het volk [met de plaag] trof, zei hij: Zie, ík heb gezondigd en ík heb mij misdragen, maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? Laat Uw hand toch tegen mij en tegen mijn familie zijn.). Hij neemt de schuld volledig op zich en is daardoor een middelaar voor het volk en lijkt hij op de Heer Jezus. Hier spreekt hij niet alleen als zondaar, maar ook als iemand die het volk verontschuldigt door te zeggen dat het uit onschuldige schapen bestaat. Hij noemt zichzelf de enige schuldige.

Het berouw van de HEERE (vgl. 1Sm 15:29,3529Ook liegt de Onveranderlijke van Israël niet, en Hij heeft er geen berouw over; want Hij is geen mens, dat Hij ergens berouw over hebben zou.35Samuel zag Saul niet meer tot de dag van zijn dood toe, maar Samuel rouwde over Saul. De HEERE had er berouw over dat Hij Saul tot koning over Israël aangesteld had.; Gn 6:66Toen kreeg de HEERE er berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart.) heeft nooit te maken met spijt over een daad van Hem Zelf, maar altijd met het handelen van de mens. Hier bij David zien we dat God in Zijn heiligheid en gerechtigheid moet oordelen, terwijl Hij toch ook redding voor een overblijfsel heeft. Die redding is gebaseerd op de voorbede en het offer van Zijn Zoon.


Het altaar

18Op die dag kwam Gad bij David en zei tegen hem: Ga [de heuvel] op [en] richt op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet, een altaar op voor de HEERE. 19En David ging naar boven, overeenkomstig het woord van Gad, zoals de HEERE geboden had. 20Arauna keek omlaag en zag de koning en zijn dienaren naar zich toe komen. Daarop kwam Arauna [de dorsvloer] af en boog zich voor de koning neer, met zijn gezicht ter aarde. 21En Arauna zei: Waarom komt mijn heer de koning naar zijn dienaar toe? En David zei: Om deze dorsvloer van u te kopen, om voor de HEERE een altaar te bouwen, zodat de plaag over het volk tot stilstand gebracht wordt. 22Toen zei Arauna tegen David: Laat mijn heer de koning nemen en offeren wat goed is in zijn ogen. Ziedaar, de runderen voor het brandoffer, en de dorssleden en de werktuigen voor de runderen voor het [brand]hout. 23Dit alles, o koning, geeft Arauna aan de koning. Verder zei Arauna tegen de koning: Moge de HEERE, uw God, u goedgezind zijn. 24Maar de koning zei tegen Arauna: Nee, ik wil het beslist voor de [volle] prijs van u kopen, want ik wil de HEERE, mijn God, geen brandoffers brengen die niets kosten. Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig sikkel zilver. 25Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers. Zo liet de HEERE Zich verbidden ten gunste van het land, en de plaag over Israël werd tot stilstand gebracht.

Op de dorsvloer van Arauna komt het oordeel tot stilstand. Deze dorsvloer ligt op de berg Moria. Het is dezelfde plaats waar Abraham Izak heeft geofferd (Gn 22:22Hij zei: Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, ga naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u zal noemen.). Het is ook de plaats waar Salomo de tempel zal bouwen (1Kr 22:11Toen zei David: Dit hier is het huis van de HEERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël.; 2Kr 3:11Toen begon Salomo het huis van de HEERE te bouwen, in Jeruzalem, op de berg Moria, waar [de HEERE] aan zijn vader David verschenen was, op de plaats die David bepaald had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.). De HEERE gebiedt David op te gaan en op die heuvel een altaar te bouwen. In deze weg naar boven zien we de weg die gegaan wordt na vernedering onder de krachtige hand van God.

De engel staat bij de dorsvloer van een heiden. Het altaar dat daar komt, staat dus op een plaats waar niets van het volk bij is. David begrijpt dat hij de dorsvloer moet kopen voor de HEERE. Als Arauna hem de dorsvloer wil geven (vgl. Gn 23:6,116Luister naar ons, mijn heer, u bent een vorst van God in ons midden. Begraaf uw dode in het beste graf dat wij hebben. Niemand van ons zal u zijn graf weigeren om uw dode te begraven.11Nee, mijn heer! Luister naar mij: De akker geef ik u, en de grot die erop ligt, geef ik u ook. Voor de ogen van mijn volksgenoten geef ik u die; begraaf uw dode.), weigert David dat. Hij wil hem voor de volle prijs kopen, want hij wil “de HEERE, mijn God, geen brandoffers brengen die niets kosten”. Dit is een belangrijke regel: een offer moet iets kosten, anders is het geen offer.

Als het altaar gebouwd is en de brandoffers én de dank- of vredeoffers gebracht zijn, laat de HEERE Zich verbidden ten gunste van Zijn volk. Dit is een prachtige verwijzing naar de enige grondslag waarop God Zich ook nu nog laat verbidden en de plaag die ook nu onder het volk woedt, laat ophouden. Die grondslag is de Heer Jezus in Zijn werk op het kruis tot Gods eer en verheerlijking – wat wordt weergegeven door de brandoffers. Dat werk op het kruis is ook de grondslag voor de gemeenschap van ons met God en met elkaar – wat wordt weergegeven door de dank- of vredeoffers.

Aan het einde van dit boek heeft David een altaar. Het laatste wat hier van hem wordt vermeld, is dat hij de HEERE offers brengt. Wie tot God komt op grond van het offer van Zijn Zoon, zal ervaren dat God Zich laat verbidden omdat het werk van Zijn Zoon zo kostbaar is. Het is mooi om te zien dat dit boek eindigt met het verzoenend offer dat door genade de toorn van God over Zijn volk afwendt. Dit offer wordt de grondslag van de plaats waar God en Israël elkaar kunnen ontmoeten en het volk zal aanbidden.

We hebben in dit hoofdstuk de zonde van de mens, het oordeel van God en ook Zijn berouw daarover en daardoor ook redding, maar redding door een offer. Hier hebben we in het kort het hele heilsplan dat de Schrift ons toont.