2 Samuel
1 Het lied van David 2-4 Eerste deel 5-7 Tweede deel 8-20 Derde deel 21-27 Vierde deel 28-37 Vijfde deel 38-49 Zesde deel 50-51 Zevende deel
Het lied van David

1David sprak de woorden van dit lied tot de HEERE op de dag waarop de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.

Wanneer de tijd om te strijden voorbij is omdat men te oud is, is het tijd om te zingen. Als alles om ons heen weg is, kan nog altijd God geprezen worden. De aanleiding is de bevrijding uit de macht van de vijand door de verlossing van de HEERE (Ps 34:2020De rechtvaardige heeft veel ellende,/resj/
maar uit dat alles redt de HEERE hem.
)
. Als we de Heer in getrouwheid willen dienen, hoeven we ons niet te verwonderen als we vijanden hebben (Jh 15:18-1918Als de wereld u haat, weet dat zij Mij eerder dan u heeft gehaat.19Als u van de wereld was, zou de wereld het hare liefhebben; maar omdat u niet van de wereld bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat de wereld u.). We zullen er des te meer Zijn hulp en uitredding in ervaren, waardoor we des te meer reden hebben Hem te prijzen. We moeten daarmee ook niet wachten tot we bij de Heer zijn. David deed het “op de dag waarop de HEERE hem gered had”, dus direct na zijn uitredding. Zo moeten wij dat ook direct doen nadat we Zijn hulp hebben ervaren.

Dit lied bestaat uit nagenoeg dezelfde woorden als Psalm 18. In dit lied krijgen we van David te horen Wie de HEERE voor hem is en wat Hij voor hem heeft gedaan. Het is een getuigenis dat ieder van ons op zijn eigen manier zal kunnen geven van de ervaringen die we met de Heer hebben opgedaan. Dat dit lied ook als psalm in het boek Psalmen is opgenomen, betekent dat Davids ervaringen ook door anderen worden herkend en gedeeld. Deze woorden vertolken ook de gevoelens van hen die in soortgelijke omstandigheden zijn geweest en uit de benauwdheid zijn gered en de HEERE daarvoor willen loven.

Iets dergelijks hebben we in een geestelijk lied van de gelovige. Een gelovige kan een lied dichten waarin hij zijn gevoelens voor de Heer tot uitdrukking brengt. Hij kan het zelfs ook op muziek zetten of laten zetten, waardoor de gevoelens soms nog indringender worden vertolkt. Wat in dat lied naar voren komt, wordt door anderen herkend. Het geeft woorden aan de gevoelens die iemand op dat moment heeft en bewerken daardoor vaak verlichting en vreugde. Daardoor wordt iets, wat eerst alleen een persoonlijke uiting van een geloofservaring was, bruikbaar voor anderen om zich tegenover God te uiten.

Er zijn vier manieren waarop we naar dit lied kunnen kijken:
1. We zien in deze psalm Davids persoonlijke ervaringen. Zo gezien hebben we hier een historische beschrijving. Het gaat over de geschiedenis van David.
2. We zien dat Davids geschiedenis in deze psalm model staat voor die van Israël. Daarbij kunnen we denken aan de verlossing uit Egypte. Wat Israël heeft beleefd, ervaart David ook.
3. We zien dat alles in deze psalm in vervulling is gegaan in het leven van de Heer Jezus, het leven van de ware David. Deze psalm geeft dan ook uiting aan de gevoelens van Christus. De Geest van Christus is werkzaam in David als hij deze psalm dicht.
4. Deze psalm verwoordt de gevoelens van het overblijfsel van Israël (of van de Joden) in de toekomst. Met hen verbindt de Heer Jezus Zich op de innigste wijze.

David herdenkt alles wat God voor hem is geweest, wat hij in zijn noden en gevaren in Hem heeft gevonden. Hij kijkt terug op de macht van God die ten behoeve van hem werkzaam is geweest en wat het gezegende resultaat van die macht is. Dit wordt allemaal tot uitdrukking gebracht in dit lied, een uitdrukking van gevoelens die in Christus ten volle vervuld zullen worden.

Dit lied, dat in zeven delen te verdelen is, begint en eindigt met lofprijs. Het is het verhaal van verdriet en lijden dat eindigt in vreugde en triomf. Omdat het lied opgedane ervaringen weergeeft, kan het ook beginnen met een lofprijzing aan de HEERE.


Eerste deel

2Hij zei:
De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
3mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting;
mijn toevlucht, mijn Verlosser; van geweld hebt U mij verlost.
4Ik riep de HEERE aan, Die te prijzen is,
en werd verlost van mijn vijanden.

Al de uitreddingen uit de greep van allerlei vijanden en uit de hand van Saul in het bijzonder brengen in David een loflied, een psalm naar boven. Hij begint ermee in de verzen 2-32Hij zei:
De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
3mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting;
mijn toevlucht, mijn Verlosser; van geweld hebt U mij verlost.
de HEERE met een aantal namen te noemen. Alle daden van God in het verleden en de beloften voor de toekomst zijn gegrond op Wie Hij is. Al deze namen passen op speciale wijze in het kader van dit lied waarin het gaat over vluchten, strijd en overwinning.

Tegelijk maakt David Hem tot een heel persoonlijke beleving door het woord ”mijn”. Zo kon Paulus ook over God spreken als “mijn God” (Fp 4:1919Maar mijn God zal in al uw behoefte voorzien naar Zijn rijkdom in heerlijkheid in Christus Jezus.). De Heer Jezus sprak ook over “Mijn Vader” en “Mijn God” (Jh 20:1717Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.). David looft die Naam vanwege de verlossing.


Tweede deel

5Want golven van de dood hadden mij omvangen,
beken van verderf joegen mij angst aan.
6Banden van het graf omringden mij,
valstrikken van de dood bedreigden mij.
7In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep kwam in Zijn oren.

Dit deel beschrijft de gevoelens van David, maar ook van het gelovig overblijfsel van Israël tijdens de grote verdrukking, in de tijd dat de vijand erop uit was hem te doden. We zien het ook bij de Heer Jezus op het kruis. Hij brengt dit lijden in de herinnering van Zijn volk als Hij tot hen komt. Van de Heer Jezus lezen we dat Hij “tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen” (Hb 5:77Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),).

David beschrijft zijn nood en zijn hulpgeroep tot “mijn God”. Zijn nood was zo groot, dat hij aan het leven wanhoopte, want de dood dreigde. De enorme machten die hij tegenover zich zag, gingen menselijke controle te boven. Het enige wat hij kon doen, was roepen tot God, want hij had een God tot Wie hij kon roepen. God hoorde zijn stem in Zijn paleis, het huis van Zijn regering. God was niet te druk met andere dingen, maar had Zijn oren open voor de noodkreet van Zijn uitverkoren koning.


Derde deel

8Toen daverde en beefde de aarde,
de fundamenten van de hemel sidderden en daverden,
omdat Hij [in toorn] ontstoken was.
9Rook steeg op uit Zijn neus
en vuur uit Zijn mond verteerde.
Kolen werden daardoor aangestoken.
10Hij boog de hemel en daalde neer,
een donkere [wolk] was onder Zijn voeten.
11Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij werd gezien op de vleugels van de wind.
12Hij maakte duisternis tot tenten om Zich heen,
een opeenhoping van water, donkere wolken.
13Door de lichtglans vóór Hem
ontbrandden vurige kolen!
14De HEERE deed het vanuit de hemel donderen,
de Allerhoogste liet Zijn stem klinken.
15Hij schoot pijlen af en verspreidde hen,
[Hij zond] bliksem en bracht hen in verwarring.
16De bodem van de zee werd zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door de bestraffing van de HEERE,
door het blazen van de adem uit Zijn neus.
17Hij stak [Zijn hand] uit van omhoog, Hij greep mij,
Hij trok mij op uit grote wateren.
18Hij redde mij van mijn sterke vijand
[en] van wie mij haatten, omdat zij machtiger waren dan ik.
19Zij hadden mij bedreigd op de dag van mijn ondergang,
maar de HEERE was mij tot steun.
20Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.

God luistert naar de roep om hulp in nood, gedaan in de verzen 5-75Want golven van de dood hadden mij omvangen,
beken van verderf joegen mij angst aan.
6Banden van het graf omringden mij,
valstrikken van de dood bedreigden mij.
7In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep kwam in Zijn oren.
. In de verzen 8-168Toen daverde en beefde de aarde,
de fundamenten van de hemel sidderden en daverden,
omdat Hij [in toorn] ontstoken was.
9Rook steeg op uit Zijn neus
en vuur uit Zijn mond verteerde.
Kolen werden daardoor aangestoken.
10Hij boog de hemel en daalde neer,
een donkere [wolk] was onder Zijn voeten.
11Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij werd gezien op de vleugels van de wind.
12Hij maakte duisternis tot tenten om Zich heen,
een opeenhoping van water, donkere wolken.
13Door de lichtglans vóór Hem
ontbrandden vurige kolen!
14De HEERE deed het vanuit de hemel donderen,
de Allerhoogste liet Zijn stem klinken.
15Hij schoot pijlen af en verspreidde hen,
[Hij zond] bliksem en bracht hen in verwarring.
16De bodem van de zee werd zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door de bestraffing van de HEERE,
door het blazen van de adem uit Zijn neus.
vertelt David hoe de HEERE heeft geantwoord in Zijn machtige verschijning tot bevrijding van hem en Zijn volk. Hij beschrijft wat er van God zichtbaar werd, toen Hij ging handelen ten gunste van hem. Het maakte David niet benauwd, maar vervulde hem met ontzag. Die God trad voor hem op! Rook en vuur, wind en wateren, donder en bliksem, God zette al deze natuurverschijnselen in voor zijn bevrijding.

Vanaf vers 1616De bodem van de zee werd zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door de bestraffing van de HEERE,
door het blazen van de adem uit Zijn neus.
zien we diverse reddingen: van Israël uit Egypte, van David uit de handen van Saul en van de Heer Jezus uit de doden in de opstanding. De bevrijding door de HEERE wordt door verschillende werkwoorden tot uitdrukking gebracht: “stak [Zijn hand] uit”, “greep mij”, “trok mij op”, “redde mij”, “leidde mij uit” (verzen 17-2017Hij stak [Zijn hand] uit van omhoog, Hij greep mij,
Hij trok mij op uit grote wateren.
18Hij redde mij van mijn sterke vijand
[en] van wie mij haatten, omdat zij machtiger waren dan ik.
19Zij hadden mij bedreigd op de dag van mijn ondergang,
maar de HEERE was mij tot steun.
20Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.
)
. In deze verzen ervaart David de uitredding op haast tastbare wijze.


Vierde deel

21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid;
Hij gaf mij [loon] naar de reinheid van mijn handen.
22Want ik heb de wegen van de HEERE in acht genomen,
ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.
23Want al Zijn bepalingen [hield] ik voor [ogen],
van Zijn verordeningen week ik niet af,
24maar ik was oprecht voor Hem,
ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid.
25Daarom gaf de HEERE mij naar mijn gerechtigheid,
naar mijn reinheid voor Zijn ogen.
26Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren,
tegenover de oprechte held oprecht.
27Tegenover de reine toont U Zich rein,
maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.

Dit gedeelte gaat over de volkomenheid van de Heer Jezus. David was niet volmaakt. Hier spreekt niet David, maar hier spreekt de profeet over Hem Die waarlijk en alleen volmaakt is. Wat David in volkomenheid is, dankt hij aan de HEERE; wat de Heer Jezus in volmaaktheid is, is Hij persoonlijk. Op grond daarvan is Hij Koning.

Het slot van vers 2020Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.
is de inleiding op de verzen 21-2521De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid;
Hij gaf mij [loon] naar de reinheid van mijn handen.
22Want ik heb de wegen van de HEERE in acht genomen,
ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.
23Want al Zijn bepalingen [hield] ik voor [ogen],
van Zijn verordeningen week ik niet af,
24maar ik was oprecht voor Hem,
ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid.
25Daarom gaf de HEERE mij naar mijn gerechtigheid,
naar mijn reinheid voor Zijn ogen.
waar David zegt waarom God een welgevallen aan hem had en voor hem opkwam. Zoals gezegd, is deze beschrijving in zijn volheid alleen waar voor de Heer Jezus. Toch geldt dit ook voor de gelovige, van wie de zonden verzoend zijn. David pleit hier niet op grond van een leven zonder falen. Hij kent zijn zonden maar al te goed. Hij weet echter, om het nieuwtestamentisch te zeggen, dat hij aangenaam gemaakt is in de Geliefde (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,). Als God dan ook ten gunste van hem handelt, doet Hij dat in overeenstemming met Zijn volmaakte gerechtigheid. Die gerechtigheid komt in de verzen 26-2726Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren,
tegenover de oprechte held oprecht.
27Tegenover de reine toont U Zich rein,
maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.
naar voren.


Vijfde deel

28Want U verlost het ellendige volk,
maar Uw ogen zijn tegen de hoogmoedigen,
U vernedert hen.
29Want U doet mijn lamp schijnen, HEERE;
de HEERE doet mijn duisternis opklaren.
30Want met U ren ik door een [leger]bende,
met mijn God spring ik over een muur.
31Gods weg is volmaakt,
de woorden van de HEERE zijn gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
32Want wie is God, behalve de HEERE?
Wie is een rots dan alleen onze God?
33God is mijn vesting [en] kracht;
Hij heeft mijn weg volkomen gebaand.
34Hij maakt mijn voeten als die van hinden
en doet mij op mijn hoogten staan.
35Hij oefent mijn handen voor de strijd
en [leert] mijn armen een bronzen boog spannen.
36Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw vernederen heeft mij groot gemaakt.
37U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven,
mijn enkels hebben niet gewankeld.

Het vijfde tot en met het zevende deel vertellen over de heerlijke gevolgen van het werk van de Heer Jezus. In het vorige gedeelte is Hij bevrijd, in het komende gedeelte is Hij de Bevrijder.

Nadat David heeft verteld Wie God is en hoe Hij heeft gehandeld in de uitreddingen, bezingt hij in de verzen 28-3728Want U verlost het ellendige volk,
maar Uw ogen zijn tegen de hoogmoedigen,
U vernedert hen.
29Want U doet mijn lamp schijnen, HEERE;
de HEERE doet mijn duisternis opklaren.
30Want met U ren ik door een [leger]bende,
met mijn God spring ik over een muur.
31Gods weg is volmaakt,
de woorden van de HEERE zijn gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
32Want wie is God, behalve de HEERE?
Wie is een rots dan alleen onze God?
33God is mijn vesting [en] kracht;
Hij heeft mijn weg volkomen gebaand.
34Hij maakt mijn voeten als die van hinden
en doet mij op mijn hoogten staan.
35Hij oefent mijn handen voor de strijd
en [leert] mijn armen een bronzen boog spannen.
36Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw vernederen heeft mij groot gemaakt.
37U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven,
mijn enkels hebben niet gewankeld.
Wie God voor hém is. Hij doet dat in het besef van wat hij in vers 3131Gods weg is volmaakt,
de woorden van de HEERE zijn gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
uitspreekt. Gods weg volmaakt verklaren is het geheim van rust in Hem. Hierdoor weten we dat het God niet uit de hand loopt.

Daarbij mogen we eraan denken dat Gods weg altijd parallel loopt met Zijn Woord. Zijn Woord is zuiver. We kunnen erop vertrouwen. De weg die God met een van de Zijnen of met Zijn volk als geheel gaat, is altijd in overeenstemming met Zijn Woord. Als wij voor verrassingen komen te staan in de weg die we gaan, komt dat dikwijls omdat we Gods Woord, waarin Hij ons vertelt hoe Hij de dingen ziet, niet kennen. Als we ons aan God overgeven in de weg die Hij met ons gaat als de beste weg en we op Zijn Woord vertrouwen, schuilen we bij Hem en bewijst Hij Zich als een schild. Samengevat: weg, Woord, schild en schuilen, dat is wat God ons biedt.

We horen in deze verzen ook een prachtig getuigenis van de Geest van Christus in het overblijfsel van Israël. Dit overblijfsel ontvangt kracht om in de grote verdrukking tegen alle vijandschap stand te houden en te overwinnen.


Zesde deel

38Ik vervolgde mijn vijanden en vaagde hen weg;
ik keerde niet terug, totdat ik hen vernietigd had.
39Ik vernietigde hen en verpletterde hen,
zodat zij niet [meer] opstonden;
zij vielen onder mijn voeten.
40Want U omgordde mij met kracht voor de strijd;
U deed hen die tegen mij opstonden, onder mij neerbukken.
41Mijn vijanden, die deed U voor mij op de vlucht slaan,
die mij haatten, en ik bracht hen om.
42Zij keken uit, maar er was geen verlosser;
naar de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
43Toen vergruisde ik hen als stof op de aarde,
ik verpulverde hen en vertrapte hen als slijk op de straten.
44U hebt mij bevrijd van de aanklachten van mijn volk;
U hebt mij bewaard tot hoofd van de heidenvolken;
het volk dat ik niet kende, dient mij.
45Vreemdelingen veinsden zich aan mij te onderwerpen.
Zodra [hun] oor [van mij] hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
46Vreemdelingen zijn bezweken
en kwamen sidderend uit hun burchten.
47De HEERE leeft, en geloofd zij mijn rots,
geroemd zij de God [en] rots van mijn heil,
48de God Die mij volkomen wraak geeft
en volken aan mij onderwerpt,
49Die mij aan [de macht] van mijn vijanden onttrekt;
ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan,
U redt mij van de man van veel geweld.

In dit zesde deel bezingt David de gevolgen van de bevrijding en de heerlijke regering van het vrederijk. In de verzen 38-4638Ik vervolgde mijn vijanden en vaagde hen weg;
ik keerde niet terug, totdat ik hen vernietigd had.
39Ik vernietigde hen en verpletterde hen,
zodat zij niet [meer] opstonden;
zij vielen onder mijn voeten.
40Want U omgordde mij met kracht voor de strijd;
U deed hen die tegen mij opstonden, onder mij neerbukken.
41Mijn vijanden, die deed U voor mij op de vlucht slaan,
die mij haatten, en ik bracht hen om.
42Zij keken uit, maar er was geen verlosser;
naar de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
43Toen vergruisde ik hen als stof op de aarde,
ik verpulverde hen en vertrapte hen als slijk op de straten.
44U hebt mij bevrijd van de aanklachten van mijn volk;
U hebt mij bewaard tot hoofd van de heidenvolken;
het volk dat ik niet kende, dient mij.
45Vreemdelingen veinsden zich aan mij te onderwerpen.
Zodra [hun] oor [van mij] hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
46Vreemdelingen zijn bezweken
en kwamen sidderend uit hun burchten.
zien we dat God niet Zelf de vijanden versloeg, maar dat Hij David daarvoor de kracht gaf. Zo is het uiteindelijk toch God Die het heeft gedaan. Daarom geeft David Hem alle eer in de verzen 47-4947De HEERE leeft, en geloofd zij mijn rots,
geroemd zij de God [en] rots van mijn heil,
48de God Die mij volkomen wraak geeft
en volken aan mij onderwerpt,
49Die mij aan [de macht] van mijn vijanden onttrekt;
ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan,
U redt mij van de man van veel geweld.
. In “de man van veel geweld” (vers 4949Die mij aan [de macht] van mijn vijanden onttrekt;
ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan,
U redt mij van de man van veel geweld.
)
kunnen we zowel de antichrist als de koning van het noorden zien (Dn 11:29-4529Op de vastgestelde tijd zal hij terugkeren en tegen het zuiden oprukken, maar het zal niet zijn zoals de eerste of zoals de laatste [keer].30Er zullen schepen van de Kittiërs tegen hem komen en hij zal terugschrikken. Hij zal terugkeren en toornen tegen het heilig verbond en hij zal [zijn eigen wil] ten uitvoer brengen. Hij zal, terwijl hij terugkeert, zijn aandacht richten op hen die het heilig verbond verlaten.31Dan zullen er uit hem [krachtige] armen voortkomen. Die zullen het heiligdom [en] de vesting ontheiligen en het steeds [terugkerende offer] wegnemen en de verwoestende gruwel opstellen.32En hen die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen. Het volk echter, zij die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zij zullen [hun wil] ten uitvoer brengen.33De verstandigen onder het volk zullen velen onderwijzen. Zij zullen struikelen door zwaard en vlam, door gevangenschap en beroving – dagen [lang].34Wanneer zij struikelen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden. Velen zullen zich echter met vleierijen bij hen voegen.35Van de verstandigen zullen er struikelen, om hen te louteren, te reinigen en [zuiver] wit te maken tot de tijd van het einde, want het [wacht] nog tot de vastgestelde tijd.36Die koning zal handelen naar eigen goeddunken. Hij zal zich verheffen en zich groot maken boven elke god. Hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken. Hij zal voorspoedig zijn tot de gramschap voltrokken is. Want wat vast besloten is, zal gebeuren.37En hij zal op de goden van zijn vaderen zijn aandacht niet richten, ook niet op het verlangen van de vrouwen. Hij zal ook zijn aandacht op geen enkele god richten, maar zichzelf boven alles groot maken.38En hij zal de god van de vestingen in zijn standplaats eren. Hij zal namelijk de god die zijn vaderen niet gekend hebben, eren met goud, met zilver, met edelgesteente en met kostbaarheden.39Hij zal versterkte vestingen maken met een vreemde god. Hen die hij zal kennen, zal hij in aanzien laten toenemen en hen laten heersen over velen en hij zal het land uitdelen als beloning.40Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].44Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.45En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.).


Zevende deel

50Daarom zal ik U, HEERE, loven onder de heidenvolken,
voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.
51Hij schenkt Zijn koning grote overwinningen
en bewijst goedertierenheid aan Zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid.

Vanwege de bevrijding die hij in het vorige deel heeft bezongen, looft David in vers 5050Daarom zal ik U, HEERE, loven onder de heidenvolken,
voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.
de HEERE. Dat doet hij niet alleen in een uiting naar Hem toe, maar hij maakt Zijn Naam groot onder de volken. David is zich bewust dat alles het gevolg is van de goedertierenheid en trouw van God aan Zijn Gezalfde. Deze goedertierenheid zal nooit falen, omdat de Gezalfde, de Heer Jezus, de Christus is, de Man van Gods welgevallen. In Hem zijn alle beloften van God ja en amen.

Vanwege “Zijn Gezalfde” zal God ook “goedertierenheid” bewijzen “aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid”. Wat een geweldig vooruitzicht. De trouw van God aan Zijn Gezalfde is ook voor ons de basis dat God ten gunste van ons zal optreden. Niets in onszelf, alles in Hem.


Lees verder