2 Samuel
1-5 Voorbereiding op de strijd 6-8 De strijd 9-18 De dood van Absalom 19-33 David verneemt Absaloms dood
Voorbereiding op de strijd

1David monsterde het volk dat bij hem was, en stelde bevelhebbers over duizend [man] en bevelhebbers over honderd [man] over hen aan. 2Verder stuurde David het volk [eropuit], een derde deel van het volk onder bevel van Joab, een derde deel onder bevel van Abisaï, de zoon van Zeruja, de broer van Joab, en een derde deel onder bevel van Ithai, de Gethiet. En de koning zei tegen het volk: Ik zal zelf ook zeker met u uittrekken. 3Maar het volk zei: U mag niet [met ons] uittrekken, want als wij soms moeten vluchten, zullen wij hun niet aan het hart gaan; ja, al zou de helft van ons sterven, zullen wij hun niet aan het hart gaan. [U bent] nu echter [evenveel waard] als tienduizend van ons. Het is nu beter dat u ons vanuit de stad tot hulp bent. 4Toen zei de koning tegen hen: Ik zal doen wat goed is in uw ogen. En de koning stond terzijde van de poort en al het volk trok uit in [afdelingen van] honderd en van duizend. 5En de koning gaf bevel aan Joab, Abisaï en Ithai: [Behandel] de jongen, Absalom, met zachtheid ter wille van mij. En heel het volk hoorde het toen de koning aan al de bevelhebbers bevel gaf ten aanzien van Absalom.

David verdeelt het volk dat bij hem is in groepen van duizend man die hij verder onderverdeelt in groepen van honderd man. Over al die groepen stelt hij bevelhebbers aan. Daarna verdeelt hij het totale volk in drie grote groepen. Joab, Abisaï en Ithai krijgen elk het opperbevel over een groep. David wil aan het hoofd van het hele leger mee uittrekken.

Als hij dat voorstelt, komt de liefde van het volk voor hem naar boven. Ze weten wat Achitofel ook wist (2Sm 17:33Dan zal ik heel het volk naar u laten terugkeren; het terugkeren van allen is [afhankelijk van] de man die u zoekt. Heel het volk zal [in] vrede zijn.), dat het de vijand alleen om David te doen is. Ze gebruiken hetzelfde argument als Achitofel. Ze zijn zich ervan bewust dat het met het volk als geheel gedaan zal zijn als hij sneuvelt. David is de band die allen samenbindt. Als hij uit de weg is geruimd, is er geen band meer.

Dat geldt ook nu. De Heer Jezus is de band die de gelovigen samenbindt. Als andere dingen Hem van de centrale plaats verdrijven, als andere dingen belangrijk worden in het persoonlijke leven, wordt de band met de gelovigen niet meer beleefd. We gaan voor onszelf leven en worden zo een gemakkelijke prooi voor de vijand.

Het volk heeft een ander voorstel en dat is dat David in de stad blijft en hen vanuit de stad te hulp komt. David neemt de raad van het volk aan (vers 44Toen zei de koning tegen hen: Ik zal doen wat goed is in uw ogen. En de koning stond terzijde van de poort en al het volk trok uit in [afdelingen van] honderd en van duizend.). Zo wil ook de Heer Jezus graag van ons horen hoe wij ons de strijd voorstellen. Als we Hem kennen, zullen we met plannen komen die Hij kan goedkeuren, zoals ook David hier doet. Het is natuurlijk bemoedigend dat wij er in onze strijd niet alleen voor staan. Het bewustzijn dat de Heer ons vanuit ‘de stad’ te hulp komt, geeft kracht voor de strijd.

David vraagt aan zijn generaals of ze Absalom, “de jongen”, met zachtheid willen behandelen en wel ter wille van hem (vers 55En de koning gaf bevel aan Joab, Abisaï en Ithai: [Behandel] de jongen, Absalom, met zachtheid ter wille van mij. En heel het volk hoorde het toen de koning aan al de bevelhebbers bevel gaf ten aanzien van Absalom.). Dit is de zwakheid van David. Hier is David de zwakke vader. Zijn voorliefde voor zijn opstandige zoon, die hem al zo vaak parten heeft gespeeld, is onverminderd gebleven. Hij vraagt een opstandeling te sparen en wel uit bescherming van zichzelf. In de toevoeging “ter wille van mij” kunnen we misschien wel een beetje manipulatie opmerken.

Hij weet dat zijn zoon de dood verdient, maar hij doet een beroep op hun trouw aan hem om de jongen te sparen. Door over Absalom als “jongen” te spreken lijkt David het grote gevaar, dat zijn zoon toch zeker is, enigszins te relativeren. Hij probeert het handelen van Absalom terug te brengen van opstand tegen zijn vader en God tot het in jeugdige overmoed handelen van een baldadige jongen die je niet helemaal voor zijn daden verantwoordelijk kunt stellen. David zoekt naar verontschuldigingen.

Zijn vraag betekent overigens wel dat hij niet aan de uitslag van de strijd twijfelt. Het staat voor hem vast dat zijn leger de overwinning zal behalen en dat Absalom in hun handen zal vallen. Daarom vraagt hij de jongen met zachtheid te behandelen en het recht niet in eigen hand te nemen, maar de uitoefening van het recht aan hem als koning over te laten.

Onze kinderen zijn ons grootste zwakheid. Absalom is geen jongen meer. Hij heeft al volwassen kinderen. We horen hier de taal van een vader. Absalom wil alleen David doden, David wil alleen Absalom sparen. Iemand heeft gezegd: Nooit was een onnatuurlijke haat ten opzichte van een vader sterker dan in Absalom en nooit was natuurlijke genegenheid voor een kind sterker dan in David.


De strijd

6Zo trok het volk [de stad] uit, het veld in, Israël tegemoet, en de strijd vond plaats bij het woud van Efraïm. 7Het volk van Israël werd daar door de manschappen van David verslagen. Op die dag vond daar een grote slachting plaats, van twintigduizend [man], 8want de strijd verspreidde zich vandaar over heel dat land. Het woud verslond er die dag meer van het volk dan het zwaard er verslond.

De strijd levert een overwinning op voor de manschappen van David, waarbij het woud meer slachtoffers maakt onder de tegenstanders dan het zwaard. De HEERE strijdt mee voor David. Daarvoor gebruikt Hij het woud, waarbij we kunnen denken aan kuilen en moerassen. Misschien dat ook wilde dieren menige Israëliet hebben gedood. In totaal worden twintigduizend mannen gedood. Enerzijds is de overwinning een zegen van de HEERE, anderzijds is het ook Zijn tucht, want de slachtoffers zijn onderdanen van Davids rijk. David verricht als het ware “een grote slachting” bij zichzelf. Het verlies aan onderdanen betekent een verzwakking van zijn rijk.


De dood van Absalom

9Absalom stuitte op de manschappen van David, terwijl Absalom op een muildier reed. Toen het muildier onder de dichte takken van een grote eik kwam, kwam zijn hoofd vast te zitten in [de takken van] de eik, zodat hij bleef hangen tussen hemel en aarde; en het muildier dat zich onder hem bevond, liep door. 10Toen een man dat zag, vertelde hij het aan Joab. Hij zei: Zie, ik heb Absalom in [de takken van] een eik zien hangen. 11Toen zei Joab tegen de man die het hem vertelde: Zie toch, als u het gezien hebt, waarom hebt u hem daar dan niet ter plaatse gedood? Dan was het aan mij geweest u tien zilver[stukken] en een gordel te geven. 12Maar die man zei tegen Joab: Al mocht ik duizend zilver[stukken] op mijn handen afwegen, dan zou ik [nog] mijn hand niet naar de zoon van de koning uitstrekken. De koning heeft immers ten aanhoren van ons aan u, Abisaï en Ithai bevel gegeven: Wie u ook bent, spaar de jongen, Absalom. 13[En] als ik bedrog gepleegd had, tegen mijn [eigen] leven, dan zou voor de koning [toch] niets verborgen gebleven zijn, en ú had zich afzijdig opgesteld. 14Toen zei Joab: Ik blijf zo niet bij u wachten. Hij nam drie speren en stak ze in het hart van Absalom, terwijl hij nog levend in het midden van de eik [hing]. 15En tien knechten, wapendragers van Joab, omringden hem. Zij sloegen Absalom en doodden hem. 16Toen blies Joab de bazuin en heel het volk keerde terug van de achtervolging van Israël, want Joab hield het volk tegen. 17Zij namen Absalom, wierpen hem in het woud in een grote kuil en richtten een zeer grote hoop stenen boven hem op. En heel Israël vluchtte, ieder naar zijn tenten. 18Absalom had [het] ondernomen om [nog] tijdens zijn leven een zuil voor zich op te laten richten in het Koningsdal. Want hij zei: Ik heb geen zoon om mijn naam in gedachtenis te houden. Hij had die zuil naar zijn [eigen] naam genoemd; daarom wordt die tot op deze dag ‘Hand van Absalom’ genoemd.

In het nu volgende gedeelte wordt uitvoerig beschreven hoe Absalom vlucht en in een uitzichtloze positie terechtkomt, gevangen door een boom, hoe Joab hem doodt en hoe David daarvan in kennis wordt gesteld.

Als Absalom op de manschappen van David stuit, slaat hij op de vlucht. Hij zoekt een goed heenkomen, maar rijdt zijn verderf tegemoet. Absalom overkomt het woord: “Wie uit angst vlucht, zal in de kuil vallen, wie uit de kuil opklautert, wordt in de strik gevangen” (Jr 48:44a44Wie uit angst vlucht,
zal in de kuil vallen,
wie uit de kuil opklautert,
wordt in de strik gevangen.
Ja, Ik zal daarover, over Moab, brengen
het jaar van hun vergelding,
spreekt de HEERE.
)
. David is geneigd hem te sparen, maar de Goddelijke gerechtigheid velt vonnis over hem als verrader. God zorgt ervoor dat hij levend gevangen genomen wordt door een boom. Daar kwam geen mensenhand aan te pas.

De grote eik waardoor Absalom gevangen wordt, is een beeld van grootheid. Absalom, die groot wilde zijn, wordt door zijn grootheid gevangen en ten val gebracht. Hij hangt “tussen hemel en aarde”, alsof daarmee wordt gezegd dat hij voor allebei onaanvaardbaar is. De aarde wil hem niet houden en de hemel wil hem niet aannemen. Daarom opent het dodenrijk zijn mond om hem te ontvangen.

Absalom komt op buitengewone wijze aan zijn einde omdat zijn misdaad zo monsterachtig is. Het zou bijvoorbeeld ook mogelijk geweest zijn dat zijn ezel hem in zijn vlucht had afgeworpen en hem half dood op de grond had gelaten. De knechten van David zouden hem dan hebben kunnen doden. Dan zou hetzelfde doel bereikt zijn. Het zou echter een te gewone dood zijn geweest voor zo’n buitengewone misdadiger.

God wil hier, evenals in de zaak van die andere rebellen, Korach, Dathan en Abiram, iets nieuws scheppen (Nm 16:29-3029Als dezen zullen sterven zoals elk mens sterft, en hun vergolden zal worden zoals elk mens vergolden wordt, [dan] heeft de HEERE mij niet gezonden.30Maar als de HEERE iets nieuws zal scheppen, zodat de aardbodem zijn mond zal opensperren, en hen en alles wat van hen is, zal verzwelgen en zij levend naar het graf zullen afdalen, dan zult u weten dat deze mannen de HEERE verworpen hebben.). Hij wil aan iedereen duidelijk maken hoezeer deze man Hem heeft getergd. Absalom is op deze wijze aan zijn einde gekomen om een afschrikwekkend voorbeeld te zijn voor kinderen tot waarschuwing wat er met hen zal kunnen gebeuren als zij hun ouders ongehoorzaam zijn (vgl. Sp 30:1717Een oog [dat] een vader bespot,
en de gehoorzaamheid aan de moeder veracht,
zullen de raven van de beek uitpikken,
de jongen van de arend zullen het opeten.
)
.

Een man die Absalom levend in een boom ziet hangen, vertelt dit aan Joab. Joab verwijt de man dat hij hem niet heeft gedood. Joab zou hem daarvoor rijk hebben beloond, niet alleen door een bedrag aan geld, maar ook door een bewijs van eer in de vorm van een gordel. Misschien is het te vergelijken met een medaille van verdienste. Jonathan bijvoorbeeld leverde ook zijn gordel bij David in, om daarmee David eer te bewijzen (1Sm 18:44Jonathan deed zijn mantel af die hij aanhad, en gaf hem aan David; ook zijn kleding, ja, tot zijn zwaard, tot zijn boog en tot zijn gordel toe.). Als van iemand zijn gordel werd afgenomen, was dat een smadelijke behandeling.

Uit het verweer van de man blijkt dat hij respect heeft voor de wens van David om zijn zoon niet te doden. Uit wat de man zegt, blijkt ook dat hij geen respect heeft voor Joab. Hij weet dat hij van hem geen steun zou hoeven te verwachten als hij Absalom had gedood en koning David hem ter verantwoording zou hebben geroepen voor zijn daad. Joab staat bekend als een man die altijd uit is op eigen voordeel, een man die altijd handelt vanuit zelfzuchtige motieven. Dat blijkt ook uit de reactie van Joab op wat de man zegt. Hij is niet van plan nog een woord met deze ‘koningsgezinde’ man te wisselen. Hij vindt dat er al genoeg gekletst is. Het is tijd voor daden, dat wil zeggen voor die ene daad, het doden van Absalom.

Joab trekt zich niets aan van wat David heeft gezegd. Het is waar dat Absalom niet mocht blijven leven en Joab handelt juist door het doden van de opstandeling. God kijkt echter niet alleen naar de juistheid van de handeling, maar ook naar het motief waarmee die handeling wordt verricht. Uit de werkwijze van Joab blijkt dat hij uit is op persoonlijke wraak. Hij zou heel goed in staat zijn geweest Absalom met één speerstoot te doden. Dat doet hij niet, maar hij martelt hem eerst zelf en laat hem vervolgens door tien van zijn knechten, wapendragers, mannen die goed weten hoe ze een wapen moeten hanteren, doden.

Nadat Absalom is gedood, wordt hij verachtelijk in “een grote kuil” geworpen en onder “een zeer grote hoop stenen” begraven (vers 1818Absalom had [het] ondernomen om [nog] tijdens zijn leven een zuil voor zich op te laten richten in het Koningsdal. Want hij zei: Ik heb geen zoon om mijn naam in gedachtenis te houden. Hij had die zuil naar zijn [eigen] naam genoemd; daarom wordt die tot op deze dag ‘Hand van Absalom’ genoemd.). Dit is het einde van de man die tijdens zijn leven groot dacht van zichzelf. Hij is een treffend beeld van de antichrist, zowel in zijn hoogmoedige bestaan als in zijn roemloze dood. Zijn einde staat haaks op de zuil die hij tot verheerlijking van zichzelf voor zichzelf had opgericht.

Om de smaad van zijn begrafenis te vergroten wijst de gewijde geschiedschrijver daarop. Hij spreekt over “een zuil” die Absalom “voor zich” had laten oprichten “in het Koningsdal”, dat is in het dal van Kidron dicht bij Jeruzalem. Hij heeft dat gedaan vanuit de overweging dat zijn naam dan ten minste in deze zuil zou blijven voortleven, omdat hij geen zoon had. Absalom heeft drie zonen gehad (2Sm 14:2727Bij Absalom werden drie zonen geboren, en een dochter van wie de naam Tamar was. Zij was een vrouw die knap was om te zien.), maar die moeten dus al gestorven zijn. Zijn zorg was om zijn naam in gedachtenis te houden. Dat is ook gebeurd, maar dan tot zijn eeuwige schande.

“Het Koningsdal” wordt nog een keer genoemd. Dat is als Abraham de ware koning in het beeld van Melchizedek ontmoet (Gn 14:1717Toen trok de koning van Sodom hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedor-Laomer en de koningen die bij hem waren, naar het dal Sjave, dat is het [tegenwoordige] Koningsdal.). Een dal wijst op vernedering. Dat is de plaats waar Absalom voor zichzelf en zijn naam een gedenkteken heeft opgericht.


David verneemt Absaloms dood

19Toen zei Ahimaäz, de zoon van Zadok: Laat mij toch rennen en de koning de boodschap brengen dat de HEERE hem recht gedaan heeft [en hem verlost heeft] uit de hand van zijn vijanden. 20Maar Joab zei tegen hem: U mag op deze dag geen boodschapper zijn, maar op een andere dag mag u de boodschap brengen. Vandaag mag u de boodschap niet brengen, omdat de zoon van de koning dood is. 21Joab zei tegen de Cusjiet: Ga, zeg tegen de koning wat u gezien hebt. [De] Cusjiet boog zich voor Joab en rende weg. 22Maar Ahimaäz, de zoon van Zadok, zei opnieuw tegen Joab: Hoe het ook zij, laat mij de Cusjiet toch achterna rennen. Joab zei: Waarom zou ú dan toch gaan rennen, mijn zoon, terwijl u toch geen passende boodschap hebt? 23Hoe het ook zij, [zei hij,] laat mij gaan rennen. Toen zei hij tegen hem: Rennen! En Ahimaäz rende weg langs de weg door de vlakte en haalde de Cusjiet in. 24David zat tussen de twee poort[deuren], en de wachter ging het dak op van de poort bij de muur. Hij sloeg zijn ogen op, keek, en zie, er kwam een man aanrennen, alleen. 25Toen riep de wachter en vertelde het aan de koning, en de koning zei: Als hij alleen is, heeft hij een boodschap te vertellen. En hij kwam gaandeweg dichterbij. 26Toen zag de wachter een andere man aan komen rennen en de wachter riep naar de poortwachter en zei: Zie, er komt [nog] een man alleen aanrennen. Toen zei de koning: Dat is ook een boodschapper. 27Verder zei de wachter: Ik zie aan het rennen van de eerste dat het de [manier van] rennen van Ahimaäz is, de zoon van Zadok. Toen zei de koning: Dat is een goed man en hij komt met een goede boodschap. 28Ahimaäz riep de koning toe en zei: Vrede! Hij boog zich voor de koning met zijn gezicht ter aarde, en zei: Geloofd zij de HEERE, uw God, Die de mannen die hun hand tegen mijn heer de koning ophieven, [aan u] heeft overgeleverd. 29Toen zei de koning: Is het goed met de jongen, met Absalom? Ahimaäz zei: Ik zag een grote menigte, toen Joab de dienaar van de koning, en [mij], uw dienaar, wegstuurde, maar ik weet niet wat [het was]. 30De koning zei: Ga opzij en stel u hier op. Dus ging hij opzij en bleef staan. 31En zie, de Cusjiet kwam; en de Cusjiet zei: Aan mijn heer de koning wordt de boodschap gebracht dat de HEERE u vandaag recht heeft gedaan, [en u verlost heeft] uit de hand van allen die tegen u in opstand waren gekomen. 32Toen zei de koning tegen de Cusjiet: Is het goed met de jongen, met Absalom? En de Cusjiet zei: Mogen de vijanden van mijn heer de koning en allen die tegen u in opstand komen om [u] kwaad te doen, worden als die jongen. 33Toen sidderde de koning. Hij ging naar het bovenvertrek van de poort en huilde. Al gaande zei hij dit: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, was ik [maar] in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!

In dit gedeelte volgt een uitvoerig verslag van de wijze waarop David bericht moet krijgen en krijgt over de dood van zijn zoon Absalom en hoe David daarop reageert. We kunnen dit gedeelte in vier delen onderverdelen:
1. In de verzen 19-2319Toen zei Ahimaäz, de zoon van Zadok: Laat mij toch rennen en de koning de boodschap brengen dat de HEERE hem recht gedaan heeft [en hem verlost heeft] uit de hand van zijn vijanden.20Maar Joab zei tegen hem: U mag op deze dag geen boodschapper zijn, maar op een andere dag mag u de boodschap brengen. Vandaag mag u de boodschap niet brengen, omdat de zoon van de koning dood is.21Joab zei tegen de Cusjiet: Ga, zeg tegen de koning wat u gezien hebt. [De] Cusjiet boog zich voor Joab en rende weg.22Maar Ahimaäz, de zoon van Zadok, zei opnieuw tegen Joab: Hoe het ook zij, laat mij de Cusjiet toch achterna rennen. Joab zei: Waarom zou ú dan toch gaan rennen, mijn zoon, terwijl u toch geen passende boodschap hebt?23Hoe het ook zij, [zei hij,] laat mij gaan rennen. Toen zei hij tegen hem: Rennen! En Ahimaäz rende weg langs de weg door de vlakte en haalde de Cusjiet in. worden de boodschappers naar David gestuurd om hem te berichten over de dood van Absalom.
2. In de verzen 24-2724David zat tussen de twee poort[deuren], en de wachter ging het dak op van de poort bij de muur. Hij sloeg zijn ogen op, keek, en zie, er kwam een man aanrennen, alleen.25Toen riep de wachter en vertelde het aan de koning, en de koning zei: Als hij alleen is, heeft hij een boodschap te vertellen. En hij kwam gaandeweg dichterbij.26Toen zag de wachter een andere man aan komen rennen en de wachter riep naar de poortwachter en zei: Zie, er komt [nog] een man alleen aanrennen. Toen zei de koning: Dat is ook een boodschapper.27Verder zei de wachter: Ik zie aan het rennen van de eerste dat het de [manier van] rennen van Ahimaäz is, de zoon van Zadok. Toen zei de koning: Dat is een goed man en hij komt met een goede boodschap. zien we hoe David gespannen wacht op nieuws over Absalom.
3. In de verzen 28-3228Ahimaäz riep de koning toe en zei: Vrede! Hij boog zich voor de koning met zijn gezicht ter aarde, en zei: Geloofd zij de HEERE, uw God, Die de mannen die hun hand tegen mijn heer de koning ophieven, [aan u] heeft overgeleverd.29Toen zei de koning: Is het goed met de jongen, met Absalom? Ahimaäz zei: Ik zag een grote menigte, toen Joab de dienaar van de koning, en [mij], uw dienaar, wegstuurde, maar ik weet niet wat [het was].30De koning zei: Ga opzij en stel u hier op. Dus ging hij opzij en bleef staan.31En zie, de Cusjiet kwam; en de Cusjiet zei: Aan mijn heer de koning wordt de boodschap gebracht dat de HEERE u vandaag recht heeft gedaan, [en u verlost heeft] uit de hand van allen die tegen u in opstand waren gekomen.32Toen zei de koning tegen de Cusjiet: Is het goed met de jongen, met Absalom? En de Cusjiet zei: Mogen de vijanden van mijn heer de koning en allen die tegen u in opstand komen om [u] kwaad te doen, worden als die jongen. ontvangt David de boodschappers en hun bericht.
4. In vers 3333Toen sidderde de koning. Hij ging naar het bovenvertrek van de poort en huilde. Al gaande zei hij dit: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, was ik [maar] in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! lezen we hoe David op het bericht van de dood van zijn zoon reageert.

Ahimaäz wil graag naar David gaan om hem te vertellen dat de opstandige zoon dood is en dat hij van dat gevaar verlost is. Joab staat het echter niet toe. Het lijkt erop dat Ahimaäz een man is die verbonden wordt aan het brengen van goed nieuws. Joab weet hoe David op het nieuws van de dood van zijn zoon zal reageren. Het zal voor David geen goed nieuws zijn. Joab laat in plaats van Ahimaäz een Cusjiet gaan. Ahimaäz legt zich niet bij de weigering neer en dringt erop aan dat Joab hem ook stuurt. Ten slotte geeft Joab toe.

Intussen wacht David gespannen op nieuws over het verloop of de afloop van de strijd. Daarbij is zijn hart maar met één ding bezig en dat is met Absalom. Hoewel Ahimaäz later is vertrokken, is hij toch eerder dan de Cusjiet bij de koning. Hij schijnt naam gemaakt te hebben als snelle loper en daarbij een stijl te hebben die hem op grote afstand herkenbaar maakt. Als David hoort dat Ahimaäz eraan komt, stelt hij voor zichzelf vast dat deze man een goede tijding brengt (vers 2727Verder zei de wachter: Ik zie aan het rennen van de eerste dat het de [manier van] rennen van Ahimaäz is, de zoon van Zadok. Toen zei de koning: Dat is een goed man en hij komt met een goede boodschap.). David kent hem als een goed man, dus zal ook zijn boodschap goed zijn (vgl. 1Kn 1:4242Terwijl hij nog sprak, zie, daar kwam Jonathan, de zoon van de priester Abjathar, en Adonia zei: Kom binnen, want u bent een strijdbare man, en zult iets goeds te boodschappen hebben.). Hij wil dat ook graag geloven. De wens is de vader van de gedachte. Aan een andere tijding wil hij niet denken.

Ahimaäz roept David al vanuit de verte toe dat het “vrede” is. Als hij bij de koning komt, buigt hij zich voor hem neer. Zonder te wachten op een teken van David om te spreken vertelt hij direct dat de opstandelingen in de hand van David zijn, een mededeling die hij inluidt met een lofprijzing aan “de HEERE, uw God”. In plaats van blij te zijn over de overwinning stelt David maar één vraag, de vraag naar Absalom. Daarop geeft Ahimaäz een ontwijkend antwoord (vers 2929Toen zei de koning: Is het goed met de jongen, met Absalom? Ahimaäz zei: Ik zag een grote menigte, toen Joab de dienaar van de koning, en [mij], uw dienaar, wegstuurde, maar ik weet niet wat [het was].). David vraagt niet verder. Ahimaäz moet ruimte maken voor de tweede boodschapper, de Cusjiet.

De Cusjiet brengt de boodschap dat de HEERE David recht heeft gedaan en hem heeft verlost uit de hand van allen die tegen hem in opstand waren gekomen. Het is alsof David het niet hoort. De enige vraag waarop hij antwoord wil hebben, is hoe het met Absalom is. De Cusjiet vertelt zonder omweg wat er met Absalom is gebeurd.

Bij het horen van het bericht van de dood van zijn zoon stort David volledig in (vers 3333Toen sidderde de koning. Hij ging naar het bovenvertrek van de poort en huilde. Al gaande zei hij dit: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, was ik [maar] in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!). Zodra hij hoort dat Absalom dood is, is hij geen koning meer van zijn volk, maar alleen vader. Hij vraagt niets meer, maar vervalt in een hartstochtelijk huilen. Hij trekt zich terug van het gezelschap en geeft zich over aan zijn smart. Moeten wij David daar hard om vallen? Hoe zouden wij reageren als wij een dergelijke zoon hadden en een dergelijke boodschap kregen?

Toch mogen we wel enkele dingen opmerken om van te leren. Zijn liefde voor Absalom is misschien wel te begrijpen, maar niet goed te keuren. Hoe kan iemand zo’n grote liefde hebben voor zo’n goddeloze zoon? Absalom heeft zich, hoe mooi en slim hij ook was, gekeerd tegen God en het door God gegeven gezag. Daar mag geen ouder zich in laten bedriegen. Het is belangrijk dat ouders altijd de kant van God kiezen als het gaat om de zonde van kinderen.

Was het niet de moeder van Augustinus, die tegen haar zoon zei, toen hij nog een losbandig leven leidde: ‘Als God jou om je zonden oordeelt, zal ik ‘amen’ zeggen op Zijn veroordeling.’? God wil niet dat we onze kinderen zacht behandelen als Hij hard met hen handelt vanwege hun zonden. Niemand liever dan Hij wil dat zij tot Hem terugkeren. Als zij echter niet willen, laat Hij hen gaan en dat moeten wij ook doen: “Als je kinderen tegen Hem gezondigd hebben, heeft Hij hen laten gaan in de macht van hun [eigen] overtreding” (Jb 8:44Als je kinderen tegen Hem gezondigd hebben,
heeft Hij hen laten gaan in de macht van hun [eigen] overtreding.
; vgl. Lv 10:1-71De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had.2Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.3En Mozes zei tegen Aäron: Dit is wat de HEERE gesproken heeft: In hen die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor [de ogen van] heel het volk zal Ik geëerd worden. Maar Aäron zweeg.4Toen riep Mozes Misaël en Elzafan, de zonen van Uzziël, een oom van Aäron, en zei tegen hen: Kom naar voren, draag uw broeders weg uit het heiligdom, tot buiten het kamp.5Toen kwamen zij naar voren en droegen hen, in hun onderkleren, tot buiten het kamp, zoals Mozes gesproken had.6En Mozes zei tegen Aäron, en tegen Eleazar en Ithamar, zijn zonen: Jullie mogen je hoofd[haar] niet los laten hangen en je kleding niet scheuren, opdat jullie niet sterven en er grote toorn over heel de gemeenschap komt; maar jullie broeders, heel het huis van Israël, zullen de brand bewenen, die de HEERE aangestoken heeft.7Jullie mogen ook niet van de ingang van de tent van ontmoeting weggaan, anders zullen jullie sterven, want de zalfolie van de HEERE is op jullie. En zij deden overeenkomstig het woord van Mozes.)
.

We mogen wel bidden dat de Heer ons de realiteit van de dingen laat zien, dat wil zeggen dat we de dingen, ook de daden van onze kinderen, zien zoals Hij ze ziet. Daarbij mogen we ook wel bidden dat we elke tijding die we te verwerken krijgen, speciaal over onze kinderen, met Hem verwerken. We hoeven niet de sterke man of vrouw uit te hangen en mogen aan de echtheid van onze gevoelens ruimte geven. Laten we echter bidden dat dit gebeurt zonder Hem uit het oog te verliezen.

David is hier het zicht op de HEERE kwijt. Het is niet de eerste keer dat hij huilt over iemands dood. Hij heeft gehuild over de dood van een tegenstander, Abner (2Sm 3:3232Toen zij Abner in Hebron begroeven, begon de koning luid te huilen bij het graf van Abner, en [ook] heel het volk huilde.). Hij heeft gehuild over het verlies van een intieme vriend en over de dood van zijn zoon Amnon (2Sm 1:11-1211Toen greep David zijn kleren en scheurde ze, en al de mannen die bij hem waren, [deden dat] ook.12Zij bedreven rouw, huilden en vastten tot de avond over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk van de HEERE en over het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren.; 13:33,35-3633Nu dan, mijn heer de koning moet de zaak niet [zo] ter harte nemen alsof al de zonen van de koning dood zijn, want alleen Amnon is dood.35Toen zei Jonadab tegen de koning: Zie, [daar] komen de zonen van de koning; overeenkomstig het woord van uw dienaar, zo is het gebeurd.36Het gebeurde, toen hij uitgesproken was, dat, zie, de zonen van de koning kwamen. Zij begonnen luid te huilen; ook de koning en al zijn dienaren huilden luid.). Bij de dood van Absalom kent zijn verdriet echter geen grenzen.

De taal die hij daarbij spreekt, is ook uniek. De dichter-koning, die in andere gevallen zich in een welsprekende treurzang uit, kan hier alleen maar snikken en stamelen: “Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! … , Absalom, mijn zoon, mijn zoon!” Tot acht keer toe komen uit de diepte van zijn ziel de woorden “mijn zoon” naar boven (vers 3333Toen sidderde de koning. Hij ging naar het bovenvertrek van de poort en huilde. Al gaande zei hij dit: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, was ik [maar] in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!; 2Sm 19:44De koning had zijn gezicht bedekt, en de koning riep met luide stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!). Andere woorden om de grootte van zijn smart uit te drukken heeft hij niet. Hiermee zegt hij alles. Het is alsof het leven voor hem verder geen zin meer heeft.


Lees verder