1 Koningen
Inleiding
Inleiding

De boeken 1 Koningen en 2 Koningen zijn in het Hebreeuwse Oude Testament één boek. Ze worden gezien als de voortzetting van de geschiedkundige vertelling die in de boeken 1 Samuel en 2 Samuel is begonnen. In 1 Koningen en 2 Koningen hebben we met het einde te doen van een geschiedenis die in het boek Jozua is begonnen en in het boek Richteren en de volgende boeken verder wordt beschreven. De boeken 1 Kronieken en 2 Kronieken beschrijven een nieuw begin, samen met de boeken Ezra en Nehemia. Daarin vinden we een vooruitblik naar het vrederijk.

Er is dan ook een groot verschil in karakter tussen de boeken Koningen en Kronieken. De boeken 1 Koningen en 2 Koningen zijn geschreven vóór de ballingschap. De boeken 1 Kronieken en 2 Kronieken zijn geschreven ná de ballingschap.

In 1 Koningen en 2 Koningen wordt de geschiedenis beschreven vanuit het oogpunt van de verantwoordelijkheid van het koningschap, gebaseerd op de wet. We zien er het koningschap zoals dat aan de mens is toevertrouwd en waardoor hij op de proef wordt gesteld. Dat betekent de val van het koningschap, dat in 1 Koningen en 2 Koningen vooral in de geschiedenis van de tien stammen voor onze aandacht komt. Het oordeel bestaat uit het wegzenden in de verstrooiing van de tien stammen (722 v.Chr.) en het in ballingschap laten voeren van de twee stammen (586 v.Chr.). Na de val van Israël, de tien stammen, laat namelijk de val van Juda, de twee stammen, niet lang op zich wachten, hoewel er in Juda tijden van herstel waren.

In 1 Kronieken en 2 Kronieken wordt alles bezien vanuit Gods raadsbesluiten, van de kant van de genade, hoe God graag aan de geschiedenis terugdenkt. Daar wordt vooral de geschiedenis van de twee stammen beschreven, want daar bevindt zich Jeruzalem met de tempel als woonplaats van God. Kort gezegd zien we in 1 Kronieken en 2 Kronieken de priesterlijke zijde, terwijl 1 Koningen en 2 Koningen ons de profetische zijde voorstelt.

De boeken 1 Koningen en 2 Koningen, waarin dus het einde van de geschiedenis van Gods volk en dan voornamelijk het tienstammenrijk wordt beschreven, beginnen met een nieuwe ontwikkeling. Er wordt nog wel iets van het voorgaande gezegd, maar het doel ervan is om het nieuwe in te voeren. Wat nog van David wordt gezegd, is om de nieuwe koning, Salomo, in te voeren. Deze geschiedenis hebben we ook in 1 Kronieken en 2 Kronieken. In 1 Koningen zien we hoe Salomo koning wordt. De gevaarlijke omstandigheden vereisen dat hij snel koning moet worden. Er is veel handelen van mensen.

Dat is in 1 Kronieken anders. Daar maakt David Salomo koning (1Kr 23:11Toen David oud en verzadigd van dagen was, maakte hij zijn zoon Salomo koning over Israël.) en gebeurt alles in volkomen rust. Ook de zalving van Salomo gebeurt in rust, zonder gevaren en opstand, omdat alles gebeurt naar het voornemen van God (1Kr 29:2222Zij aten en dronken op die dag voor het aangezicht van de HEERE met grote blijdschap. En zij maakten Salomo, de zoon van David, voor de tweede [keer] koning en zalfden [hem] voor de HEERE tot vorst, en Zadok tot priester.). Zo zal de Heer Jezus worden ingevoerd in de wereld geheel volgens Gods plan en onafhankelijk van de mens.

De geschiedenis die we in 1 Koningen en 2 Koningen hebben, toont de andere zijde, het andere gezichtspunt, dat net zo waar is. Het slechte handelen van de mens is aanleiding voor het koningschap van Salomo. Hij wordt koning, menselijkerwijs gesproken, door de waakzaamheid van trouwe dienaren van David, zijn vrienden. God gebruikt in Zijn wegen ons handelen, zodat door ons handelen gebeurt wat God Zich heeft voorgenomen.


Lees verder