1 Koningen
1-11 De ark naar de tempel 12-21 Salomo zegent het volk 22-30 Het gebed van Salomo 31-32 Eerste bede 33-34 Tweede bede 35-36 Derde bede 37-40 Vierde bede 41-43 Vijfde bede 44-45 Zesde bede 46-51 Zevende bede 52-53 Grondslag van het gebed 54-61 De trouw van de HEERE 62-64 Salomo offert 65-66 Feest
De ark naar de tempel

1Toen riep Salomo de oudsten van Israël bijeen [en] alle hoofden van de stammen, de leiders van de families onder de Israëlieten, bij koning Salomo in Jeruzalem, om de ark van het verbond van de HEERE over te brengen uit de stad van David, dat is Sion. 2Alle mannen van Israël kwamen bij koning Salomo bijeen voor het feest in de maand Ethanim, dat is de zevende maand. 3Alle oudsten van Israël kwamen, en de priesters namen de ark op 4en zij brachten de ark van de HEERE en de tent van ontmoeting over met alle heilige voorwerpen die in de tent waren. De priesters en de Levieten brachten ze over. 5Koning Salomo nu en de hele gemeenschap van Israël, die zich bij hem had verzameld, stonden gezamenlijk vóór de ark. Zij offerden schapen en runderen, die vanwege [hun] grote hoeveelheid niet geschat of geteld konden worden. 6Zo brachten de priesters de ark van het verbond van de HEERE op zijn plaats, tot in het binnenste heiligdom van het huis, tot in het heilige der heiligen, tot onder de vleugels van de cherubs. 7Want de cherubs spreidden beide vleugels uit over de plaats van de ark: de cherubs bedekten de ark en zijn draagbomen vanboven. 8Daarna schoven zij de draagbomen verder uit, zodat de uiteinden van de draagbomen [wel] zichtbaar waren vanuit het heiligdom vóór het binnenste heiligdom, maar buiten niet zichtbaar waren. Zij zijn daar tot op deze dag. 9Er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij de Horeb daarin gelegd had, toen de HEERE [een verbond] gesloten had met de Israëlieten, toen zij uit het land Egypte waren vertrokken. 10En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom gingen, dat de wolk het huis van de HEERE vervulde. 11Vanwege de wolk konden de priesters niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld.

De inwijding van de tempel vindt plaats op “het feest in de maand Ethanim”, dat is het Loofhuttenfeest. Dit feest is de grote afsluiting van alle oogstfeesten in “de zevende maand” (Lv 23:3434Spreek tot de Israëlieten en zeg: Vanaf de vijftiende dag van deze zevende maand is het zeven dagen [lang] Loofhuttenfeest voor de HEERE.). Dit feest wijst op het vrederijk, waar het volk in het bezit van alle zegeningen van God is, aan het einde van alle wegen van God. Wij, nieuwtestamentische gelovigen, bezitten al “alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus” (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,) en hebben daarom zoveel meer reden God te prijzen.

De ark komt in het midden van het volk en wordt vervolgens in de tempel geplaatst. De ark is sinds de dagen van Eli niet meer in de tabernakel geweest. David heeft de ark naar Sion gebracht en die geplaatst in de tent die hij ervoor had gemaakt (2Sm 6:1717Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers.), terwijl de tabernakel in Gibeon was (2Kr 1:3-53En Salomo en heel de gemeente met hem gingen [op weg] naar de [offer]hoogte die in Gibeon was, omdat daar de tent van ontmoeting van God stond, die Mozes, de dienaar van de HEERE, in de woestijn gemaakt had.4David had de ark van God echter uit Kirjath-Jearim overgebracht [naar de plaats] die David ervoor had gereedgemaakt, want hij had er in Jeruzalem een tent voor opgezet.5En het koperen altaar dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, had hij voor de tabernakel van de HEERE gezet. En Salomo bezocht dat met de gemeente.). Salomo brengt de ark vanuit die tent naar de tempel.

Het opbrengen van de ark naar de tempel en de daarmee gepaard gaande offers zijn een beeld van Christus in het midden van Zijn volk, de gemeente, waar het volk Hem slachtoffers van lof en dank brengt. In 1 Kronieken 28 zien we de Geest van Christus te midden van Zijn volk door Wie David zegt wat in zijn hart was, de wens die hij had (1Kr 28:22Toen stond koning David op en zei: Luister naar mij, mijn broeders, en mijn volk! Het leefde in mijn hart om een huis van rust voor de ark van het verbond van de HEERE te bouwen, en voor de voetbank van de voeten van onze God. Ik heb [alles] voorbereid voor de bouw.)

De ark die zolang rondgetrokken is, is aan het einde van zijn omzwervingen gekomen en komt in de rust van de tempel. Het gaat er hier om dat priesters en Levieten hem die plaats geven. In de geestelijke toepassing wil dit zeggen dat alleen als bij ons de geestelijke voorwaarden aanwezig zijn, de Heer Jezus in het midden van ons als de Zijnen kan zijn en wij onze stem tot God in lofzegging kunnen verheffen.

De ark is in zichzelf ook een rustplaats, de voetbank voor Gods voeten. God vindt Zijn rust in de Heer Jezus en de Heer Jezus vindt Zijn rust te midden van Zijn gemeente.

Hier leidt Salomo alles. De Heer Jezus wil alles leiden door Zijn Geest. Door de leiding van Salomo krijgt de ark zijn plaats in de tempel van God. De ark wordt op zijn plaats, tot in het binnenste heiligdom van het huis, tot in het heilige der heiligen, tot onder de geweldige vleugels van de cherubs gebracht. De stangen worden er bijna helemaal, dus niet volledig, uitgetrokken. Ze worden er uitgetrokken om aan te tonen dat de reis voorbij is en de rust is bereikt. Tegelijk blijven ze nog gedeeltelijk in de ringen zitten naar het voorschrift (Ex 25:1515De draagbomen moeten in de ringen van de ark blijven, ze mogen er niet uitgetrokken worden.). Dat is om te herinneren aan de voorbije reis. De Heer Jezus is in de rust ingegaan na het voleindigen van Zijn weg en werk op aarde, maar we zullen altijd herinnerd worden aan Zijn leven op aarde.

Hoe het mogelijk is dat de stangen van buiten worden gezien, terwijl de ark zich bevindt in een volledig afgesloten heiligdom, is niet duidelijk. In de geestelijke toepassing is het wel duidelijk. Het laat zien dat de gelovige de toegang tot binnen het voorhangsel heeft en daar Christus ziet (Hb 10:1919Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,).

Uit de brief aan de Hebreeën kunnen we opmaken dat er een tijd is geweest dat er drie voorwerpen in de ark waren (Hb 9:44die een gouden wierookvat bevatte en de ark van het verbond, rondom geheel met goud overdekt, waarin een gouden kruik was die het manna bevatte, en de staf van Aäron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond;). Hier wordt alleen gesproken over de twee stenen tafelen van de wet. De beide andere voorwerpen hebben direct met de woestijnreis te maken – manna als voedsel en de bloeiende staf als de werkzaamheid van de hogepriester –, maar de reis is hier voorbij. De wet blijft zijn betekenis houden, ook in het vrederijk. De volkomen wil van God blijft in eeuwigheid. Ook de Heer Jezus blijft de afhankelijke Mens, in Hem blijft de wil van God volkomen aanwezig.

In de verzen 10-1110En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom gingen, dat de wolk het huis van de HEERE vervulde.11Vanwege de wolk konden de priesters niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld. worden we aan twee gebeurtenissen herinnerd die op elkaar lijken. Het betreft de inwijding van de tabernakel (Lv 9:23-2423Vervolgens ging Mozes met Aäron de tent van ontmoeting binnen, en toen zij er [weer] uit kwamen, zegenden zij het volk. En de heerlijkheid van de HEERE verscheen aan heel het volk.24Een vuur ging uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde het brandoffer en de vetdelen op het altaar. Toen heel het volk [dit] zag, juichten zij en wierpen zich met het gezicht [ter aarde].) en de uitstorting van de Heilige Geest (Hd 2:22En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.). Nu krijgt de tempel zijn betekenis. God neemt Zijn intrek in de tempel als Zijn woonplaats. Zo is de Heilige Geest gekomen om te wonen in de gelovige individueel, maar ook om de gemeente te vormen, om de leden als geheel te vormen “tot een woonplaats van God in [de] Geest” (Ef 2:2222in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.).


Salomo zegent het volk

12Toen zei Salomo: De HEERE heeft gezegd in een donkere [wolk] te zullen wonen. 13Ik heb immers een huis gebouwd als woning voor U, een vaste woonplaats voor U, in alle eeuwigheid. 14Daarna keerde de koning zich om en zegende heel de gemeente van Israël, terwijl heel de gemeente van Israël stond. 15Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en [dat] met Zijn hand heeft vervuld, toen Hij zei: 16Vanaf de dag dat Ik Mijn volk Israël uit Egypte heb geleid, heb Ik uit alle stammen van Israël geen stad verkozen om [er] een huis te bouwen, zodat Mijn Naam daar zou zijn, maar Ik heb David verkozen om [koning] te zijn over Mijn volk Israël. 17Het was in het hart van mijn vader David om een huis te bouwen voor de Naam van de HEERE, de God van Israël. 18Maar de HEERE zei tegen mijn vader David: Dat het in uw hart was om voor Mijn Naam een huis te bouwen, daar hebt u goed aan gedaan, dat dit in uw hart was. 19U echter zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw lichaam zal voortkomen, die zal voor Mijn Naam dat huis bouwen. 20Zo heeft de HEERE Zijn woord dat Hij gesproken had, gestand gedaan, want ik ben in de plaats van mijn vader David opgestaan, en ik heb op de troon van Israël plaatsgenomen, zoals de HEERE gesproken heeft, en ik heb voor de Naam van de HEERE, de God van Israël, dit huis gebouwd. 21Ik heb daar een plaats toegewezen voor de ark, waarin het verbond van de HEERE ligt dat Hij met onze vaderen sloot, toen Hij hen uit het land Egypte leidde.

Salomo begint met iets te zeggen dat kenmerkend is voor het Oude Testament en wat staat tegenover het Nieuwe Testament. Voor Salomo woont de HEERE in donkerheid en dat terwijl God licht is. Maar God is ook liefde en juist daarom woont Hij in donkerheid, want als Hij Zijn licht zou laten zien, zou dat het einde van het volk en de mens betekenen. Vandaar dat de voorhang er is, waarachter Hij Zich heeft teruggetrokken. Dat is in de gemeente niet meer zo. Daar woont Hij in Christus, in Wie Hij tot de mens komt.

Salomo zegent het volk (vers 1414Daarna keerde de koning zich om en zegende heel de gemeente van Israël, terwijl heel de gemeente van Israël stond.). Hij is hier de koning-priester, want zegenen doet de priester. We zien dat bij Melchizedek (Gn 14:18-1918En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
)
. De Heer Jezus is op volkomen wijze Koning-Priester (Zc 6:1313Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden.
; Hb 7:1-31Want deze Melchizédek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende,2aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg [van zijn naam]: koning van [de] gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van [de] vrede,3en terwijl hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven is, maar op de Zoon van God lijkt, blijft hij priester voor altijd.)
.

Salomo begint ermee God te prijzen als de God Die spreekt en doet (vers 1515Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en [dat] met Zijn hand heeft vervuld, toen Hij zei:). Wat Zijn mond spreekt, brengt Zijn hand tot uitvoering. Hij heeft tot David gesproken over zijn verkiezing. Hij heeft geen stad, maar David verkozen. Zo lijkt het alsof David een stad is, maar stad, tempel en koning zijn zo met elkaar verbonden dat David en de stad een zijn. De koning en zijn stad horen samen. De Heer Jezus is de Zoon van David en is voor eeuwig met Jeruzalem verbonden.

Salomo spreekt vaak over de Naam van de HEERE. De naam drukt uit wat iemand is of moet zijn. Zijn Naam drukt Zijn hele heerlijkheid uit. De troon van de HEERE laat zien Wie de troon heeft opgericht. De troon van David laat zien wie er op de troon zit. De troon van Israël laat zien waarover wordt geregeerd.

Het verbond ligt in de ark, vastgelegd en vertegenwoordigd in de twee stenen tafelen (vers 2121Ik heb daar een plaats toegewezen voor de ark, waarin het verbond van de HEERE ligt dat Hij met onze vaderen sloot, toen Hij hen uit het land Egypte leidde.).


Het gebed van Salomo

22Toen ging Salomo voor het altaar van de HEERE staan, tegenover heel de gemeente van Israël, en hij spreidde zijn handen uit naar de hemel 23en zei: HEERE, God van Israël, er is geen God zoals U, boven in de hemel of beneden op de aarde, Die het verbond en de goedertierenheid houdt tegenover Uw dienaren, die met heel hun hart wandelen voor Uw aangezicht, 24Die Zich tegenover Uw dienaar, mijn vader David, gehouden hebt aan wat U tot hem had gesproken. Want met Uw mond sprak U, en [dat] hebt U met Uw hand vervuld, zoals het op deze dag is. 25En nu HEERE, God van Israël, houd U tegenover mijn vader David, Uw dienaar, aan wat U tot hem gesproken hebt: Het zal u voor Mijn aangezicht niet aan een man ontbreken die op de troon van Israël zal zitten, tenminste, wanneer uw zonen op hun weg letten door voor Mijn aangezicht te wandelen, zoals u voor Mijn aangezicht gewandeld hebt. 26Nu dan, God van Israël, laat toch Uw woorden, die U tot Uw dienaar, mijn vader David, sprak, bewaarheid worden. 27Maar zou God werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb! 28Schenk dan aandacht aan het gebed van Uw dienaar en aan zijn smeekbede, HEERE, mijn God, door te luisteren naar het roepen en naar het gebed dat Uw dienaar heden voor Uw aangezicht bidt. 29Laten Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, waarvan U hebt gezegd: Mijn Naam zal daar zijn, om te luisteren naar het gebed dat Uw dienaar op deze plaats zal bidden. 30Luister dan naar de smeekbede van Uw dienaar en Uw volk Israël, die zij op deze plaats zullen bidden. En U, luister in Uw woonplaats, in de hemel, ja luister, en vergeef.

Het gebed van Salomo is het hoogtepunt van de inwijding van de tempel. De plaats van voorbede is bij het altaar (vers 2222Toen ging Salomo voor het altaar van de HEERE staan, tegenover heel de gemeente van Israël, en hij spreidde zijn handen uit naar de hemel). Er is geen voorbede los van het altaar, dat wil voor ons zeggen, los van de Heer Jezus en Zijn werk op het kruis. De grondslag is het offer van Christus. De koning-priester doet de voorbede (vgl. 1Sm 2:3535Ik zal voor Mij een trouwe priester doen opstaan; die zal doen zoals het in Mijn hart en Mijn ziel is. Voor hem zal Ik een blijvend huis bouwen, en hij zal alle dagen voor [de ogen van] Mijn gezalfde wandelen., waar de priester in dienst van de gezalfde staat). Hij doet het voor de gemeente van Israël en ook in de tegenwoordigheid van het volk; het volk hoort toe. Hij spreekt met vrijmoedigheid over alle gevaren waarin het volk terecht kan komen.

Salomo spreekt God aan in Zijn onvergelijkbaarheid (vers 2323en zei: HEERE, God van Israël, er is geen God zoals U, boven in de hemel of beneden op de aarde, Die het verbond en de goedertierenheid houdt tegenover Uw dienaren, die met heel hun hart wandelen voor Uw aangezicht,). Het is ook voor ons goed eraan te denken met welk een God we te doen hebben. Met Hem is niemand te vergelijken, geen goden of demonische machten. Ze zijn allen aan Hem onderworpen. Ook is het zo dat er niemand anders is dan alleen God (vers 6060opdat alle volken van de aarde weten: de HEERE, Hij is God [en] niemand anders.).

Vervolgens spreekt Salomo uit tot God wat hij eerder voor het volk heeft uitgesproken (vers 2424Die Zich tegenover Uw dienaar, mijn vader David, gehouden hebt aan wat U tot hem had gesproken. Want met Uw mond sprak U, en [dat] hebt U met Uw hand vervuld, zoals het op deze dag is.; vgl. vers 1515Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en [dat] met Zijn hand heeft vervuld, toen Hij zei:). Wat hij voor het volk heeft uitgesproken, offert hij hier aan God als dank- of vredeoffer.

Hij herinnert God aan Zijn belofte dat Hij altijd een zoon van David op de troon zal zetten en bidt dat God dat ook zal doen (vers 2525En nu HEERE, God van Israël, houd U tegenover mijn vader David, Uw dienaar, aan wat U tot hem gesproken hebt: Het zal u voor Mijn aangezicht niet aan een man ontbreken die op de troon van Israël zal zitten, tenminste, wanneer uw zonen op hun weg letten door voor Mijn aangezicht te wandelen, zoals u voor Mijn aangezicht gewandeld hebt.). Dit zal werkelijkheid worden wanneer de eeuwige Zoon als Mens op de troon zal zitten.

Wel wordt de vervulling van de belofte afhankelijk gemaakt van de verantwoordelijkheid van de mens. Zowel Salomo zelf als zijn zonen hebben verzaakt en daardoor is er lange tijd geen zoon van David op de troon geweest. Naar Gods soevereiniteit zal Hij in genade dé Zoon geven. Daarvoor beroept Salomo zich op de genade van God als hij vraagt dat God toch Zijn Woord waarmaakt (vers 2626Nu dan, God van Israël, laat toch Uw woorden, die U tot Uw dienaar, mijn vader David, sprak, bewaarheid worden.).

God is zo groot, dat geen deel van de schepping Hem kan bevatten, ook de grootste, omvangrijkste delen niet (vers 2727Maar zou God werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb!). Hij omspant Zelf alles (Dt 10:1414Zie, van de HEERE, uw God, is de hemel, ja, de allerhoogste hemel, de aarde en alles wat erop is.). Het is ook een waanidee om te menen dat God wel in met handen gemaakte tempels woont. Aan dit waanidee houdt een afvallig volk vast, waarvoor de profeten hen scherp veroordelen (Jr 7:44Stel uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE is dit!; Mi 3:1111Hun hoofden spreken er recht voor geschenken,
hun priesters onderwijzen voor loon,
hun profeten plegen waarzeggerij voor geld.
En nog steunen zij op de HEERE en zeggen:
Is de HEERE niet in ons midden?
Ons zal geen kwaad overkomen.
)
.

Het geloof erkent dat God niet te vatten is in een menselijk bouwwerk. Tegelijk echter ziet het geloof Gods aanwezigheid met de tempel verbonden omdat Hij heeft gezegd dat Zijn Naam daar woont. Op grond daarvan mogen we, ondanks Zijn grootheid, zover verheven boven Zijn woning, Hem vragen naar het gebed te luisteren dat uit Zijn woning op aarde tot Hem in de hemel komt (vers 2828Schenk dan aandacht aan het gebed van Uw dienaar en aan zijn smeekbede, HEERE, mijn God, door te luisteren naar het roepen en naar het gebed dat Uw dienaar heden voor Uw aangezicht bidt.).

Telkens komt het woord ‘luister’ terug. Met het oog daarop bidt Salomo. Zo mogen wij tot God bidden. Hij luistert vanuit Zijn woning de hemel. Maar Salomo spreekt ook over “vergeef” (vers 29-3029Laten Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, waarvan U hebt gezegd: Mijn Naam zal daar zijn, om te luisteren naar het gebed dat Uw dienaar op deze plaats zal bidden.30Luister dan naar de smeekbede van Uw dienaar en Uw volk Israël, die zij op deze plaats zullen bidden. En U, luister in Uw woonplaats, in de hemel, ja luister, en vergeef.). Hij is een praktische koning en weet dat de meeste gebeden, gebeden om vergeving zijn. Moeten ook onze gebeden niet vaak vergezeld gaan van belijdenis van zonden? Salomo vraagt of de HEERE wil horen naar de smeking van “Uw volk Israël”. Hij veronderstelt dat Gods volk een biddend volk zal zijn.


Eerste bede

31Wanneer iemand tegen zijn naaste zondigt en deze hem een eed oplegt, zodat hij een vervloeking over zichzelf afroept, en [deze] eed voor Uw altaar in dit huis komt, 32luistert Ú dan in de hemel, grijp in, en spreek recht over Uw dienaren, door de schuldige schuldig te verklaren en zijn weg op zijn [eigen] hoofd te doen neerkomen, door de rechtvaardige rechtvaardig te verklaren, [en] hem overeenkomstig zijn gerechtigheid te vergelden.

Het gebed lijkt lang, maar het kan in ongeveer zes minuten gebeden worden. Het is een gebed rijk aan inhoud. Het gaat niet om de lengte, maar om de inhoud.

Het gebed bevat zeven beden. De eerste vier beden hebben betrekking op de inwendige toestand van het volk, de laatste drie op het gevaar van buiten. In veel van de gebeden gaat het om zonden en vergeving. Het is een gebed van en voor het volk van God. Het stelt Gods volk, nu de gemeente, voor in haar verantwoordelijkheid.

We zien dat in Mattheüs 18 waar de gemeente plaatselijk met problemen, zonden, te maken heeft (Mt 18:15-2015Als nu uw broeder <tegen u> zondigt, ga heen, overtuig hem tussen u en hem alleen;16als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Als hij echter niet luistert, neem nog één of twee met u mee, opdat door [de] mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.17Als hij echter hun geen gehoor geeft, zeg het aan de gemeente; als hij echter ook de gemeente geen gehoor geeft, laat hij voor u zijn als de heiden en de tollenaar.18Voorwaar, Ik zeg u: alles wat u zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in [de] hemel; en alles wat u zult ontbinden op de aarde, zal in [de] hemel ontbonden zijn.19<Voorwaar,> Ik zeg u tevens, dat als twee van u overeenstemmen op de aarde over enige zaak die zij maar zouden vragen, het hun ten deel zal vallen van Mijn Vader Die in [de] hemelen is.20Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). Het is een volk dat gebed nodig heeft en een Voorbidder in Christus, zoals hier in Salomo. Wij moeten ook voorbidders zijn. God verbaast Zich erover dat Hij niemand heeft gevonden die door gebed de gaten dicht waardoor de vijand onder Gods volk kan komen (Js 59:16a16Omdat Hij zag dat er niemand was,
ontzette Hij Zich, want er was geen voorbidder.
Daarom bracht Zijn arm Hem heil,
en Zijn gerechtigheid, die ondersteunde Hem.
; Ez 22:3030Ik zocht naar iemand onder hen die een muur kon optrekken en voor Mijn aangezicht in de bres kon staan voor het land, zodat Ik het niet te gronde hoefde te richten, maar Ik vond niemand.)
.

De eerste bede gaat over iemand die tegen zijn broeder zondigt. De rechter legt een eed op in de tegenwoordigheid van God (“altaar”) met een zelfvervloeking om de waarheid te weten te komen. De zaak moet tot een oplossing komen. Alleen God kan de waarheid openbaren. Daar vraagt Salomo om. Hij vraagt dat de eed in vervulling zal gaan als de aangeklaagde schuldig is, of, als er geen schuld is, de eed niet in vervulling zal gaan.

De tegenhanger hiervan vinden we in Mattheüs 18, waar de Heer Jezus zegt: “Als nu uw broeder tegen u zondigt“ (Mt 18:1515Als nu uw broeder <tegen u> zondigt, ga heen, overtuig hem tussen u en hem alleen;). De Heer geeft daar verder aanwijzingen hoe we persoonlijk en als plaatselijke gemeente hiermee moeten omgaan (Mt 18:15-2015Als nu uw broeder <tegen u> zondigt, ga heen, overtuig hem tussen u en hem alleen;16als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Als hij echter niet luistert, neem nog één of twee met u mee, opdat door [de] mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.17Als hij echter hun geen gehoor geeft, zeg het aan de gemeente; als hij echter ook de gemeente geen gehoor geeft, laat hij voor u zijn als de heiden en de tollenaar.18Voorwaar, Ik zeg u: alles wat u zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in [de] hemel; en alles wat u zult ontbinden op de aarde, zal in [de] hemel ontbonden zijn.19<Voorwaar,> Ik zeg u tevens, dat als twee van u overeenstemmen op de aarde over enige zaak die zij maar zouden vragen, het hun ten deel zal vallen van Mijn Vader Die in [de] hemelen is.20Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). Het gaat erom dat de broeder die zondigt weer in de gemeenschap met de Heer en met de gemeente wordt hersteld. De manier waarop dit werk moet gebeuren, wordt door de Heer weergegeven in de verzen die aan dit gedeelte voorafgaan (Mt 18:1-141Op dat uur kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: Wie is toch de grootste in het koninkrijk der hemelen?2En Hij riep een kind bij Zich, plaatste het in hun midden3en zei: Voorwaar, Ik zeg u: als u niet verandert en wordt als de kinderen, zult u het koninkrijk der hemelen geenszins binnengaan.4Wie dan zichzelf zal vernederen als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk der hemelen;5en wie één zo’n kind ontvangt in Mijn Naam, ontvangt Mij.6Wie echter een van deze kleinen die in Mij geloven, een aanleiding tot vallen is, het zou nuttig voor hem zijn dat een molensteen om zijn hals werd gehangen en hij in de diepte van de zee zou zinken.7Wee de wereld vanwege de aanleidingen tot vallen! Want het is noodzakelijk dat de aanleidingen tot vallen komen; wee evenwel die mens door wie de aanleiding tot vallen komt!8Als nu uw hand of uw voet u een aanleiding tot vallen is, hak die af en werp die van u; het is beter voor u verminkt of kreupel het leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden.9En als uw oog u een aanleiding tot vallen is, trek het uit en werp het van u; het is beter voor u met één oog het leven in te gaan, dan met twee ogen in de hel van het vuur geworpen te worden.10Let erop dat u niet een van deze kleinen veracht; want Ik zeg u, dat hun engelen in [de] hemelen altijd het aangezicht zien van Mijn Vader Die in [de] hemelen is. [Vers11is als niet-authentiek weggelaten.]12Wat denkt u? Als een mens honderd schapen heeft en één daarvan is afgedwaald, zal hij niet de negenennegentig op de bergen laten en het afgedwaalde gaan zoeken?13En als het gebeurt dat hij het vindt, voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich meer verblijdt over dit dan over de negenennegentig die niet afgedwaald zijn geweest.14Zo is het niet [de] wil bij uw Vader Die in [de] hemelen is, dat een van deze kleinen verloren gaat.) en de verzen die erop volgen (Mt 18:21-3521Toen kwam Petrus bij Hem en zei tot Hem: Heer, hoe vaak zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven?22Tot zevenmaal? Jezus zei tot hem: Ik zeg je, niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zeven.23Daarom is het koninkrijk der hemelen gelijk geworden aan een koning die met zijn slaven afrekening wilde houden.24Toen hij nu begon af te rekenen, werd er een bij hem gebracht die tienduizend talenten schuldig was.25Daar hij echter niets had om te betalen, beval zijn heer hem te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles wat hij had, en dat er betaald moest worden.26De slaaf dan viel smekend voor hem neer en zei: <Heer,> heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.27De heer van die slaaf nu werd met ontferming bewogen, liet hem vrij en schold hem de lening kwijt.28Toen die slaaf echter naar buiten ging, vond hij een van zijn medeslaven, die hem honderd denaren schuldig was; en hij pakte hem beet, greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent.29Zijn medeslaaf dan viel neer en smeekte hem aldus: Heb geduld met mij en ik zal je betalen.30Hij wilde echter niet, maar ging weg en wierp hem in [de] gevangenis, totdat hij zou betalen wat hij schuldig was.31Toen zijn medeslaven dan zagen wat er was gebeurd, werden zij zeer bedroefd; en zij gingen hun heer alles wat er gebeurd was uiteenzetten.32Toen riep zijn heer hem bij zich en zei tot hem: Boze slaaf, die hele schuld heb ik je kwijtgescholden, daar je mij gesmeekt hebt;33had ook jij je niet moeten erbarmen over je medeslaaf, zoals ook ik mij over jou erbarmd heb?34En zijn heer werd toornig en leverde hem over aan de folteraars, totdat hij alles zou betalen wat hij <hem> schuldig was.35Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet ieder zijn broeder van harte vergeeft.). Het komt neer op een gezindheid van nederigheid, zorg en vergeving.


Tweede bede

33Wanneer Uw volk Israël door de vijand wordt verslagen, omdat zij tegen U hebben gezondigd, en zij zich tot U bekeren, Uw Naam belijden en tot U in dit huis zullen bidden en smeken, 34luistert Ú dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen terug naar het land dat U aan hun vaderen gegeven hebt.

Deze bede betreft de zonde van het hele volk (Lv 26:1717Ik zal Mijn aangezicht tegen u keren, zodat u door uw vijanden verslagen wordt. Zij die u haten, zullen over u heersen. U zult op de vlucht slaan, terwijl niemand u achtervolgt.; Dt 28:2525De HEERE zal geven dat u door uw vijanden verslagen wordt; over één weg zult u tegen hen uittrekken, maar over zeven wegen zult u voor hem wegvluchten. U zult een schrikbeeld worden voor alle koninkrijken van de aarde.). Het hele volk heeft gezondigd, bijvoorbeeld als er zonde wordt getolereerd. God zendt dan vijanden als oordeel, waardoor het volk tot belijdenis zal komen en tot God zal roepen met berouw over hun zonden. Hij zal dan herstel geven.

In een toepassing op de gemeente kunnen we denken aan het toelaten van een vleselijke, wereldse gezindheid, of het niet veroordelen van liberale of sektarische gewoonten. Ook kunnen we denken aan het binnendringen van openbare zonden of valse leer zonder dat daar tucht over wordt uitgeoefend. We worden dan door de vijand verslagen. Het enige wat ons van de vijand kan bevrijden, is belijdenis van onze ontrouw. Dan vergeeft de Heer en geeft Hij weer het genot van onze geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten.


Derde bede

35Als de hemel gesloten is en er geen regen komt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij op deze plaats bidden, Uw Naam belijden en zich van hun zonde bekeren, omdat U hen vernederde, 36luistert Ú dan in de hemel en vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, want U leert hun de goede weg waarop zij moeten gaan, en geef regen op Uw land, dat U aan Uw volk als erfelijk bezit hebt gegeven.

De derde bede betreft de situatie dat God Zijn volk Zijn zegen moet onthouden als het van Hem afwijkt (Lv 26:1919Ik zal de trots op uw [eigen] kracht breken. Ik zal uw hemel als ijzer maken en uw aarde als brons.; Dt 11:1717Anders zal de toorn van de HEERE tegen u ontbranden en zal Hij de hemel sluiten, zodat er geen regen [meer] zal zijn, de aardbodem zijn opbrengst niet [meer] zal geven en u spoedig verdwenen zult zijn uit het goede land dat de HEERE u geeft.; 28:2323Uw hemel, die boven uw hoofd is, zal van brons zijn, en de aarde, die onder u is, zal van ijzer zijn.). Dit oordeel is door Elia aan God gevraagd, opdat het volk naar Hem zou terugkeren (1Kn 17:11En Elia, de Tisbiet, uit de inwoners van Gilead, zei tegen Achab: [Zo waar] de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!; Jk 5:1717Elia was een man van gelijke natuur als wij, en hij bad een gebed dat het niet zou regenen, en het regende drie jaar en zes maanden niet op aarde.). Dat is dan ook gebeurd. Zonder regen is er geen oogst en ook geen oogstfeest.

Als Gods volk zich verootmoedigt, kan de HEERE hun weer de goede weg laten zien. Elke verootmoediging voert tot nieuw inzicht om de goede weg te gaan.

In een plaatselijke gemeente kan de dood in de pot zijn. Als er geen geestelijke zegen meer wordt genoten, is dat het gevolg van een afwijken van het Woord van God. We kunnen dan als Elimelech de wijk nemen naar plaatsen waar we menen wel voedsel te vinden (Ru 1:11In de dagen dat de richters leiding gaven [aan het volk], gebeurde het dat er hongersnood was in het land. Daarom ging een man uit Bethlehem [in] Juda op weg om als vreemdeling in de vlakten van Moab te verblijven, hij, zijn vrouw en zijn twee zonen.). Het is echter Gods bedoeling dat we ons voor Hem verootmoedigen en onze afwijking belijden. Dan kan de Heer ons weer de goede weg laten zien. Als we die dan gaan, is het gevolg dat er weer zegen komt.


Vierde bede

37Als er honger in het land is, als er pest is, als er korenbrand, meeldauw, veldsprinkhanen [en] zwermsprinkhanen komen, als zijn vijand hem benauwt in het land met zijn steden, [als] er enige plaag of enige ziekte komt, 38elk gebed, elke smeekbede die er zal zijn van ieder mens uit heel Uw volk Israël, als eenieder de plaag van zijn hart erkent en naar dit huis zijn handen uitstrekt, 39luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, vergeef, en grijp in, en geef eenieder naar al zijn wegen, [U,] Die zijn hart kent. U alleen kent immers het hart van alle mensenkinderen, 40opdat zij U vrezen alle dagen die zij leven op de grond die U onze vaderen gegeven hebt.

Hier treffen ziekte en honger het land (Lv 26:19,2519Ik zal de trots op uw [eigen] kracht breken. Ik zal uw hemel als ijzer maken en uw aarde als brons.25Dan breng Ik [het] zwaard over u, dat de wraak van het verbond voltrekt. Wanneer u zich dan in uw steden verzamelt, zal ik de pest in uw midden sturen. U zult in de hand van de vijand overgegeven worden.; Dt 28:22-23,3822De HEERE zal u treffen met tering, koorts en ontsteking, met hitte en droogte, en met korenbrand en meeldauw, die u achtervolgen zullen totdat u omkomt.23Uw hemel, die boven uw hoofd is, zal van brons zijn, en de aarde, die onder u is, zal van ijzer zijn.38U zult veel zaad naar de akker brengen, maar weinig inzamelen, want de sprinkhaan zal het opvreten.). Er wordt niet direct over zonde gesproken. De honger is het gevolg van plagen en vijanden die over het volk komen vanwege de plagen van het hart van ieder van de leden van Gods volk. Er wordt gebeden tot God om te vragen waarom Hij die plagen laat komen. De plagen zijn instrumenten die God gebruikt om Zijn volk te tuchtigen. Ze worden de aanleiding tot het zelfonderzoek van ieder lid en dat zal tot de ontdekking voeren dat het leven niet zo is als God het wenst. Dat heeft er niet mee te doen of er concrete zonden zijn, maar dat er traagheid is in het dienen van God.

Wij kunnen onszelf niet bedriegen als we in Gods tegenwoordigheid zijn. God zal vergeven als ieder de toestand van zijn hart erkent, want alleen Hij kent het hart. Wij oordelen vaak over onze broeder alsof we precies zijn hart kennen. Als er zelfonderzoek komt – en dat is Gods bedoeling met honger –, komt er aan het licht wat er in ons hart is. Het gaat erom dat ieder zijn eigen hart doorzoekt en niet de oplossing zoekt in wat een ander allemaal heeft gedaan of gedaan zou kunnen hebben. Als ieder dat zegt in oprechtheid, zal er weer zegen komen.

Het gaat in dit geval om persoonlijke ontrouw. Als we dat constateren, is de oorzaak daarvan vaak het niet juist stellen van onze prioriteiten. We lopen dan hard voor onze eigen huizen, terwijl we het huis van God aan zijn lot overlaten (Hg 1:9b9U rekent op veel, maar zie, het wordt weinig.
Wat u in huis bracht, daar blies Ik in.
Waarom? spreekt de HEERE van de legermachten.
Vanwege Mijn huis, dat verwoest ligt,
terwijl u zich uitslooft, ieder voor zijn eigen huis.
)
. Dat moeten we belijden en we moeten Gods huis weer op de eerste plaats stellen. God zal daarna weer zegen geven.


Vijfde bede

41Zelfs ook wat de vreemdeling betreft, die niet tot Uw volk Israël behoort, maar uit een ver land komt omwille van Uw Naam 42– want zij zullen horen van Uw grote Naam, van Uw sterke hand en van Uw uitgestrekte arm – wanneer hij komt en naar dit huis zijn gebed richt, 43luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, en doe overeenkomstig alles wat de vreemdeling tot U roepen zal, opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen en U vrezen, zoals Uw volk Israël, en erkennen dat Uw Naam is uitgeroepen over dit huis dat ik gebouwd heb.

Met de vijfde bede begint de tweede serie gebeden. Gods huis, de gemeente, blijkt in dit eerste gebed van de tweede serie ook een toevluchtsoord voor vreemdelingen te zijn (vgl. Nm 15:1414En wanneer er een vreemdeling bij u verblijft of in uw midden is, [al] uw generaties door, moet hij een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE, offeren. Net zoals u doet, zo moet [ook] hij doen.).

Het huis van God in het Nieuwe Testament, de gemeente (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.), is in de eerste plaats een huis van gebed, waar voorbede wordt gedaan voor alle mensen (1Tm 2:1-2a1Ik vermaan dan allereerst dat smekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen,2voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een rustig en stil leven leiden in alle Godsvrucht en eerbaarheid.). God wil dat wij als Zijn huis oog hebben voor allen die er nog niet toe behoren en voor hen bidden. Daarbij is er voor God geen uitzondering. Niemand is uitgesloten van de mogelijkheid om in Zijn huis te komen.


Zesde bede

44Wanneer Uw volk uittrekt ten strijde tegen zijn vijand, op de weg waarheen U hen zendt, en zij bidden tot de HEERE, in de richting van deze stad, die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam heb gebouwd, 45luistert U dan in de hemel naar hun gebed en hun smeekbede, en verschaf hun recht.

Hier trekt het volk uit tegen de vijand, in tegenstelling tot vers 3333Wanneer Uw volk Israël door de vijand wordt verslagen, omdat zij tegen U hebben gezondigd, en zij zich tot U bekeren, Uw Naam belijden en tot U in dit huis zullen bidden en smeken,, en bidt daarvoor tot God (vgl. 2Kr 20:4-124En Juda werd bijeengeroepen om bij de HEERE [hulp] te zoeken. Zij kwamen zelfs uit alle steden van Juda om de HEERE te raadplegen.5Toen ging Josafat tussen de gemeente van Juda en Jeruzalem staan, in het huis van de HEERE, vóór de nieuwe voorhof,6en zei: HEERE, God van onze vaderen, bent U niet die God Die in de hemel is? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenvolken. In Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand tegen U kan standhouden.7Hebt U, onze God, niet de inwoners van dit land van voor [de ogen van] Uw volk Israël verdreven, en dat voor eeuwig aan het nageslacht van Abraham, die U liefhad, gegeven?8Zij zijn daarin gaan wonen en hebben daar voor U een heiligdom gebouwd, voor Uw Naam, [en gezegd]:9Als ons [enig] onheil overkomt, het zwaard van het gericht, de pest of een hongersnood, zullen wij voor dit huis en voor Uw aangezicht staan, omdat Uw Naam in dit huis is. Wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en U zult verhoren en verlossen.10Welnu, zie de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte, tegen wie U Israël niet toestond op te trekken toen zij uit het land Egypte kwamen. Daarom trokken zij bij hen vandaan en vaagden hen niet weg,11en zie, zij vergelden het ons, door ons te komen verdrijven uit Uw bezit dat U ons in bezit hebt gegeven.12Onze God, zult U geen gericht over hen oefenen? In ons is immers geen kracht tegen deze grote troepenmacht die op ons af komt, en wij weten niet, wat wij moeten doen, maar op U zijn onze ogen [gericht].). Bidden in de richting van de uitverkoren stad en tempel wil zeggen in het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van de God van het verbond in de tempel. Strijden op bevel van God sluit bidden niet uit, maar maakt het des te meer noodzakelijk.

We kunnen dit in aansluiting op de vorige bede toepassen op de strijd voor het evangelie (Fp 4:33Ja, ik vraag ook u, trouwe metgezel, wees hun behulpzaam die met mij hebben gestreden in het evangelie, samen met Clemens en mijn overige medearbeiders, van wie de namen in [het] boek van [het] leven staan.). Het is een strijd tegen de boze machten van de duisternis om op hun terrein de blijde boodschap te verkondigen. Die opdracht hebben we allemaal (2Tm 4:5b5Maar jij, wees nuchter in alles, lijd verdrukking, doe [het] werk van een evangelist, vervul je dienst ten volle.).


Zevende bede

46Wanneer zij tegen U hebben gezondigd – er is immers geen mens die niet zondigt – en U toornig op hen bent, en hen overlevert aan de vijand, zodat zij die hen gevangengenomen hebben, hen als gevangenen wegvoeren naar het land van de vijand, ver weg of dichtbij, 47en zij het in het land waarheen zij als gevangenen werden weggevoerd, ter harte nemen, zich bekeren en tot U smeken in het land van hen die hen gevangengenomen hebben, door te zeggen: Wij hebben gezondigd en ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld, 48en [als] zij zich in het land van hun vijanden die hen als gevangenen weggevoerd hebben, tot U bekeren met heel hun hart en met heel hun ziel, en tot U bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaderen gegeven hebt, [en] van de stad die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam gebouwd heb, 49luistert U dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht. 50Vergeef Uw volk datgene waarmee zij tegen U zondigden, en al hun overtredingen waarmee zij tegen U overtraden, en geef hun ontferming bij hen die hen als gevangenen wegvoerden, zodat die zich over hen ontfermen. 51Want zij zijn Uw volk en Uw eigendom, door U uit Egypte geleid, uit het midden van de ijzeroven.

Salomo kent het hart van de mens. Er is geen mens die niet zondigt. Daarom moet Gods tucht noodzakelijk komen. Dit is gebeurd bij de ballingschap naar Babel (vgl. Lv 26:33,4433Ik zal u dan onder de heidenvolken verstrooien en Ik zal achter u een zwaard trekken. Uw land zal een woestenij worden en uw steden een puinhoop.44Maar bovendien: wanneer zij in het land van hun vijanden zijn, dan zal Ik hen niet verwerpen en niet van hen walgen door hen te vernietigen [en] Mijn verbond met hen te verbreken, want Ik ben de HEERE, hun God.). Er is ook terugkeer mogelijk. Dan moet er wel bekering plaatsvinden. Dan kunnen zij smeken in de richting van “het huis”. Dat heeft Daniël gedaan (Dn 6:1111Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. [Op] drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan.). Hij heeft schuld beleden (Dn 9:55wij hebben gezondigd, wij hebben onrecht gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld, wij zijn in opstand gekomen door af te wijken van Uw geboden en bepalingen.). God heeft het gebed van Daniël verhoord door Kores in het hart te geven Zijn volk de vrijheid te geven (Ps 106:4646Daarom bewees Hij hun barmhartigheid
bij allen die hen als gevangenen hadden weggevoerd.
)
.

Het behoort tot de “geopenbaarde dingen” (Dt 29:29b29De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, tot in eeuwigheid, om al de woorden van deze wet te doen.) dat God ons terzijde stelt als we ontrouw worden. De “verborgen dingen” (Dt 29:29a29De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, tot in eeuwigheid, om al de woorden van deze wet te doen.) betekent dat Hij naar Zijn raadsbesluiten zal handelen door ons eerst tot Hem te laten roepen met berouw om ons vervolgens te bevrijden. Ten aanzien van Israël zal Hij dat doen door een overblijfsel tot berouw te brengen en aan hen Zijn beloften te vervullen.


Grondslag van het gebed

52Laten Uw ogen [dan] open zijn voor de smeekbede van Uw dienaar en voor de smeekbede van Uw volk Israël, door naar hen te luisteren bij al hun roepen tot U, 53want Ú hebt hen voor Uzelf als [Uw] eigendom afgezonderd uit alle volken van de aarde, zoals U gesproken hebt door de dienst van Mozes, Uw dienaar, toen U onze vaderen uit Egypte leidde, Heere HEERE!

Salomo herinnert God eraan dat Zijn volk Zijn eigendom is en dat Hij heeft waargemaakt wat Hij door Mozes heeft gesproken, toen deze het volk uit Egypte leidde. Wat God doet, is altijd verbonden met wat Hij heeft gesproken en wat van het begin af was.


De trouw van de HEERE

54Het gebeurde nu, toen Salomo geëindigd had heel dit gebed en deze smeekbede tot de HEERE te bidden, [dat] hij van voor het altaar van de HEERE uit zijn geknielde houding opstond en zijn handen uitspreidde naar de hemel. 55Zo stond hij [daar] en zegende heel de gemeente van Israël en zei met luide stem: 56Geloofd zij de HEERE, Die Zijn volk Israël rust gegeven heeft, overeenkomstig alles wat Hij gesproken heeft! Niet één woord is onvervuld gebleven van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door de dienst van Mozes, Zijn dienaar. 57Moge de HEERE, onze God, met ons zijn, zoals Hij met onze vaderen is geweest. Moge Hij ons niet verlaten en ons niet in de steek laten, 58door ons hart voor Zich te winnen, zodat [wij] in al Zijn wegen gaan en Zijn geboden, Zijn verordeningen en Zijn bepalingen, die Hij onze vaderen geboden heeft, in acht nemen. 59Laten deze woorden van mij, waarmee ik voor het aangezicht van de HEERE gesmeekt heb, dag en nacht dicht bij de HEERE, onze God, zijn, zodat [Hij] recht verschaft aan Zijn dienaar en aan Zijn volk Israël, zoals elke dag vereist, 60opdat alle volken van de aarde weten: de HEERE, Hij is God [en] niemand anders. 61Laat uw hart volkomen met de HEERE, onze God, zijn, door te wandelen overeenkomstig Zijn verordeningen en Zijn geboden in acht te nemen, zoals op deze dag.

In 2 Kronieken 7 komt na het gebed vuur van de hemel om het offer te verteren en vult de heerlijkheid van de HEERE voor de tweede keer de tempel (2Kr 7:11Toen Salomo geëindigd had [dit gebed] te bidden, kwam het vuur uit de hemel neer en verteerde het brandoffer en de slachtoffers, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde het huis.). Dat ontbreekt hier omdat hier de nadruk ligt op de verantwoordelijkheid. Dat zien we na het opstaan van het gebed. Salomo spreekt tot het volk en stelt het zijn verantwoordelijkheid voor. Elk gebed geeft tegelijk een verantwoordelijkheid. Eerst prijst hij de HEERE dat Hij Zijn volk rust heeft gegeven. De rust van Zijn volk is het gevolg van de rust die Hij Zelf heeft gevonden, uitgebeeld in de rustplaats van de ark in de tempel.

Verder wijst Salomo op de onveranderlijke trouw van de HEERE, Zijn absolute betrouwbaarheid die daaruit blijkt dat Hij elk woord heeft vervuld dat Hij heeft gesproken. Hij spreekt ook de wens uit dat Hij bij hen zal zijn en hen zal leiden. Daarbij is het verleden een garantie voor de toekomst, want zoals de HEERE met de vaderen geweest is, kan Hij ook met hen zijn (Hb 13:88Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.).

In vers 5858door ons hart voor Zich te winnen, zodat [wij] in al Zijn wegen gaan en Zijn geboden, Zijn verordeningen en Zijn bepalingen, die Hij onze vaderen geboden heeft, in acht nemen. komt dan de verantwoordelijkheid. Om daaraan te voldoen heeft de mens ook de hulp van God nodig, dat Hij zijn hart neigt tot gehoorzaamheid. Dag aan dag, “elke dag”, zijn we afhankelijk van Gods hulp. De uitwerking daarvan zal zijn dat “alle volken van de aarde weten: de HEERE, Hij is God [en] niemand anders” (vers 6060opdat alle volken van de aarde weten: de HEERE, Hij is God [en] niemand anders.). Daarom wijst Salomo erop dat het hart volkomen, ongedeeld, met de HEERE moet zijn. Er is niets met de HEERE te delen wat niet van Hem is. Salomo kan op dit moment nog zeggen dat dit bij het volk zo is. Helaas zal het niet zo blijven en bij ons is het ook vaak niet ongedeeld.


Salomo offert

62De koning nu, en heel Israël met hem, bracht offers voor het aangezicht van de HEERE. 63Salomo bracht een dankoffer dat hij aan de HEERE offerde: tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Zo wijdden de koning en alle Israëlieten het huis van de HEERE in. 64Op die dag heiligde de koning het midden van de voorhof, die vóór het huis van de HEERE ligt, omdat hij daar het brandoffer en het graanoffer had bereid met het vet van de dankoffers, want het koperen altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE stond, was te klein om de brandoffers, de graanoffers en het vet van de dankoffers te bevatten.

De grote inwijding van de tempel eindigt met het offeren van offers. Ook later wordt er nog over de tempel gesproken, want alles in het leven van Salomo draait om de tempel. Hier wordt met de tempel het offer verbonden. Het andere aspect is de tempel als woonplaats. Hier gaat het om naderen tot God en dat kan niet met lege handen. De grootte van het offer wijst op de grootheid van het offer van de Heer Jezus.

Die veelheid aan offers kan natuurlijk niet helemaal op het altaar worden gebracht. Daarom heiligt Salomo een ander gedeelte van de tempel. Het hele middenstuk wordt zo tot een groot altaar. Dit initiatief heeft Gods goedkeuring. Het toont ons aan dat er ruimte is voor geestelijke initiatieven die voortkomen uit een verlangen God te eren.


Feest

65In die tijd hield Salomo ook het feest, en heel Israël met hem, een grote menigte, vanaf Lebo-Hamath tot de Beek van Egypte, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, zeven dagen en [nog eens] zeven dagen: veertien dagen. 66Op de achtste dag liet hij het volk gaan en zij zegenden de koning. Daarna gingen zij naar hun tenten, blij en welgemoed over al het goede dat de HEERE aan Zijn dienaar David, en aan Zijn volk Israël, had gedaan.

De grootte van het land wordt beschreven om te tonen dat het hele volk in het feest deelt. Het feest duurt zeven dagen en zeven dagen, dat wil zeggen het Inwijdingsfeest en het Loofhuttenfeest (2Kr 7:99Op de achtste dag hielden zij een bijzondere samenkomst, want de inwijding van het altaar hadden zij zeven dagen gehouden, en het feest [nog eens] zeven dagen.).

De achtste dag is de grote dag van het Loofhuttenfeest (Jh 7:3737En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus [daar] en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken!). Als het volk weggaat, wensen ze de koning de zegen van God. Het is de climax: het volk is in de zegen van het land.


Lees verder