1 Koningen
Inleiding 1 Begin van de tempelbouw 2-10 De buitenbouw 11-13 Een woord voor Salomo 14-22 De bedekking van hout en goud 23-28 De cherubs 29-35 De wanden, vloer en deuren 36 De binnenste voorhof 37-38 Duur van de tempelbouw
Inleiding

Dit hoofdstuk gaat over de bouw en de inrichting van de tempel. Een globale indeling is:
1. Inleiding, vers 11Het gebeurde nu in het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit het land Egypte, in het vierde jaar van het koningschap van Salomo over Israël, in de maand Ziv (dat is de tweede maand), dat hij het huis van de HEERE bouwde..
2. Buitenbouw, verzen 2-102En het huis, dat de koning Salomo voor de HEERE bouwde, was zestig el in zijn lengte, twintig [el] in zijn breedte en dertig el in zijn hoogte.3En de voorhal, vóór aan de grote zaal van het huis, was twintig el in zijn lengte, overeenkomstig de breedte van het huis, [en] tien el in zijn breedte, vóór aan het huis.4Hij maakte voor het huis vensters voorzien van kozijnen met traliewerk.5En rondom tegen de muur van het huis bouwde hij een uitbouw, tegen de muren van het huis rondom, [zowel] van de grote zaal als van het binnenste heiligdom. Zo maakte hij zijkamers rondom.6De onderste [verdieping van deze] uitbouw was vijf el in zijn breedte, de middelste was zes el in zijn breedte, en de derde was zeven el in zijn breedte, want hij had aan het huis rondom aan de buitenkant uitdiepingen gemaakt, zonder in te grijpen in de muren van het huis.7Het huis nu werd, toen het gebouwd werd, met afgewerkte stenen gebouwd, [zoals die waren] aangevoerd, zodat geen hamers of bijlen [of] enig [ander] ijzeren gereedschap in het huis gehoord werden toen het gebouwd werd.8De ingang van de middelste zijkamer bevond zich aan de rechterzijde van het huis. En met wenteltrappen ging men naar boven naar de middelste [verdieping] en van de middelste naar de derde.9Zo bouwde hij het huis en voltooide het. Hij bedekte het huis met dwarsbalken en rijen van ceders.10Hij bouwde ook de uitbouw tegen heel het huis, vijf el in zijn hoogte, en hij bevestigde die aan het huis met cederhout..
3. Verantwoordelijkheid, verzen 11-1311Toen kwam het woord van de HEERE tot Salomo:12Wat dit huis betreft, dat u aan het bouwen bent, als u overeenkomstig Mijn verordeningen wandelt, Mijn bepalingen houdt, al Mijn geboden in acht neemt door overeenkomstig daarmee te wandelen, dan zal ik Mijn woord, dat Ik tot uw vader David gesproken heb, aan u gestand doen.13Ik zal in het midden van de Israëlieten wonen en Ik zal Mijn volk Israël niet verlaten..
4. Binnenbouw, verzen 14-3514Zo bouwde Salomo het huis en voltooide het.15Ook bouwde hij de wanden van het huis vanbinnen met ceder[houten] planken. Van de vloer van het huis tot aan de wanden [ter hoogte] van het dak overdekte hij ze vanbinnen met hout. Hij overdekte de vloer van het huis met planken van cipressen.16Verder bouwde hij de [laatste] twintig el vanaf de [achter]zijde van het huis met ceder[houten] planken [tot een vertrek], vanaf de vloer tot aan de wanden [ter hoogte van het dak]. Hij bouwde [het] voor Hem binnenin tot een binnenste heiligdom, tot het heilige der heiligen.17Het huis nu was veertig el, dat wil zeggen de grote zaal aan de voorzijde.18Het ceder[hout] van het huis aan de binnenkant was voorzien van houtsnijwerk met kolokwinten en ontluikende bloemen. Het was één en al ceder[hout], er was geen steen te zien.19Het binnenste heiligdom midden in het huis maakte hij binnenin gereed, om daar de ark van het verbond van de HEERE te plaatsen.20Het binnenste heiligdom vooraan was twintig el in [zijn] lengte, twintig el in [zijn] breedte en twintig el in zijn hoogte. Hij overtrok die met bladgoud. Ook overtrok hij het altaar van ceder[hout daarmee].21Salomo overtrok het huis vanbinnen met bladgoud, en hij hing gouden kettingen voor het binnenste heiligdom, dat hij met goud overtrokken had.22Zo overtrok hij het hele huis met goud, totdat heel het huis voltooid was. Verder overtrok hij het hele altaar dat bij het binnenste heiligdom hoorde, met goud.23In het binnenste heiligdom maakte hij twee cherubs van olijfwilgenhout, elk tien el in zijn hoogte.24Nu was de ene vleugel van de cherub vijf el en de andere vleugel van de cherub was [ook] vijf el. [De afstand] van het einde van zijn [ene] vleugel tot aan het einde van zijn [andere] vleugel was tien el.25Ook de andere cherub was tien el. Beide cherubs hadden één maat en één vorm.26De hoogte van de ene cherub was tien el, evenals die van de andere cherub.27Hij zette de cherubs midden in het binnenste huis. De cherubs spreidden [hun] vleugels [zo] uit, dat de vleugel van de ene de [ene] wand raakte, en de vleugel van de andere cherub de andere wand raakte. En hun [andere] vleugels raakten elkaar in het midden van het huis, vleugel aan vleugel.28Hij overtrok de cherubs met goud.29En op alle wanden van het huis rondom bracht hij graveringen van houtsnijwerk aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, vanbinnen en vanbuiten.30En de vloer van het huis overtrok hij vanbinnen en vanbuiten met goud.31Voor de ingang van het binnenste heiligdom maakte hij deuren van olijfwilgenhout. Het raamwerk van de deurposten vormde een vijfhoek.32De twee deuren waren ook van olijfwilgenhout. Hij bracht er houtsnijwerk op aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, die hij met goud overtrok. Ook op de cherubs en op de dadelpalmen bracht hij goud aan.33Zo maakte hij ook voor de ingang van de grote zaal deurposten van olijfwilgenhout, vierhoekig in vorm,34met twee deuren van cipressenhout. Twee zijden van de ene deur waren draaibaar en twee zijden van de andere deur waren draaibaar.35Hij bracht er [houtsnijwerk] op aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, die hij overtrok met goud, glad uitgeslagen over het gegraveerde..
5. Afronding, verzen 37-3837In het vierde jaar werd de fundering van het huis van de HEERE gelegd, in de maand Ziv.38En in het elfde jaar, in de maand Bul, dat is de achtste maand, had hij [de bouw] van het huis voltooid, helemaal volgens de afspraken erover en helemaal volgens de bepaling daaromtrent. Dus bouwde hij het [in] zeven jaar..

Bij een meer verfijnde indeling zien we de volgende aspecten van de bouw:
1. Begin van de bouw, vers 11Het gebeurde nu in het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit het land Egypte, in het vierde jaar van het koningschap van Salomo over Israël, in de maand Ziv (dat is de tweede maand), dat hij het huis van de HEERE bouwde..
2. De afmetingen, verzen 2-32En het huis, dat de koning Salomo voor de HEERE bouwde, was zestig el in zijn lengte, twintig [el] in zijn breedte en dertig el in zijn hoogte.3En de voorhal, vóór aan de grote zaal van het huis, was twintig el in zijn lengte, overeenkomstig de breedte van het huis, [en] tien el in zijn breedte, vóór aan het huis..
3. De vensters, vers 44Hij maakte voor het huis vensters voorzien van kozijnen met traliewerk..
4. De verdiepingen, verzen 5-65En rondom tegen de muur van het huis bouwde hij een uitbouw, tegen de muren van het huis rondom, [zowel] van de grote zaal als van het binnenste heiligdom. Zo maakte hij zijkamers rondom.6De onderste [verdieping van deze] uitbouw was vijf el in zijn breedte, de middelste was zes el in zijn breedte, en de derde was zeven el in zijn breedte, want hij had aan het huis rondom aan de buitenkant uitdiepingen gemaakt, zonder in te grijpen in de muren van het huis..
5. De geruisloosheid van de bouw, vers 77Het huis nu werd, toen het gebouwd werd, met afgewerkte stenen gebouwd, [zoals die waren] aangevoerd, zodat geen hamers of bijlen [of] enig [ander] ijzeren gereedschap in het huis gehoord werden toen het gebouwd werd..
6. Nog eens de verdiepingen, verzen 8-108De ingang van de middelste zijkamer bevond zich aan de rechterzijde van het huis. En met wenteltrappen ging men naar boven naar de middelste [verdieping] en van de middelste naar de derde.9Zo bouwde hij het huis en voltooide het. Hij bedekte het huis met dwarsbalken en rijen van ceders.10Hij bouwde ook de uitbouw tegen heel het huis, vijf el in zijn hoogte, en hij bevestigde die aan het huis met cederhout..
7. Een woord voor Salomo, verzen 11-1311Toen kwam het woord van de HEERE tot Salomo:12Wat dit huis betreft, dat u aan het bouwen bent, als u overeenkomstig Mijn verordeningen wandelt, Mijn bepalingen houdt, al Mijn geboden in acht neemt door overeenkomstig daarmee te wandelen, dan zal ik Mijn woord, dat Ik tot uw vader David gesproken heb, aan u gestand doen.13Ik zal in het midden van de Israëlieten wonen en Ik zal Mijn volk Israël niet verlaten..
8. De bedekking van de muren en de vloer, verzen 14-1814Zo bouwde Salomo het huis en voltooide het.15Ook bouwde hij de wanden van het huis vanbinnen met ceder[houten] planken. Van de vloer van het huis tot aan de wanden [ter hoogte] van het dak overdekte hij ze vanbinnen met hout. Hij overdekte de vloer van het huis met planken van cipressen.16Verder bouwde hij de [laatste] twintig el vanaf de [achter]zijde van het huis met ceder[houten] planken [tot een vertrek], vanaf de vloer tot aan de wanden [ter hoogte van het dak]. Hij bouwde [het] voor Hem binnenin tot een binnenste heiligdom, tot het heilige der heiligen.17Het huis nu was veertig el, dat wil zeggen de grote zaal aan de voorzijde.18Het ceder[hout] van het huis aan de binnenkant was voorzien van houtsnijwerk met kolokwinten en ontluikende bloemen. Het was één en al ceder[hout], er was geen steen te zien..
9. De aanspraakplaats, overtrokken met gedegen goud, verzen 19-2019Het binnenste heiligdom midden in het huis maakte hij binnenin gereed, om daar de ark van het verbond van de HEERE te plaatsen.20Het binnenste heiligdom vooraan was twintig el in [zijn] lengte, twintig el in [zijn] breedte en twintig el in zijn hoogte. Hij overtrok die met bladgoud. Ook overtrok hij het altaar van ceder[hout daarmee]..
10. De gouden bekleding van het geheel, inclusief het altaar, verzen 21-2221Salomo overtrok het huis vanbinnen met bladgoud, en hij hing gouden kettingen voor het binnenste heiligdom, dat hij met goud overtrokken had.22Zo overtrok hij het hele huis met goud, totdat heel het huis voltooid was. Verder overtrok hij het hele altaar dat bij het binnenste heiligdom hoorde, met goud..
11. De twee grote cherubs, verzen 23-2823In het binnenste heiligdom maakte hij twee cherubs van olijfwilgenhout, elk tien el in zijn hoogte.24Nu was de ene vleugel van de cherub vijf el en de andere vleugel van de cherub was [ook] vijf el. [De afstand] van het einde van zijn [ene] vleugel tot aan het einde van zijn [andere] vleugel was tien el.25Ook de andere cherub was tien el. Beide cherubs hadden één maat en één vorm.26De hoogte van de ene cherub was tien el, evenals die van de andere cherub.27Hij zette de cherubs midden in het binnenste huis. De cherubs spreidden [hun] vleugels [zo] uit, dat de vleugel van de ene de [ene] wand raakte, en de vleugel van de andere cherub de andere wand raakte. En hun [andere] vleugels raakten elkaar in het midden van het huis, vleugel aan vleugel.28Hij overtrok de cherubs met goud..
12. Cherubs, palmen en open bloemknoppen op de muren, vers 2929En op alle wanden van het huis rondom bracht hij graveringen van houtsnijwerk aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, vanbinnen en vanbuiten..
13. De vloer met goud bedekt, vers 3030En de vloer van het huis overtrok hij vanbinnen en vanbuiten met goud..
14. De deuren, verzen 31-3531Voor de ingang van het binnenste heiligdom maakte hij deuren van olijfwilgenhout. Het raamwerk van de deurposten vormde een vijfhoek.32De twee deuren waren ook van olijfwilgenhout. Hij bracht er houtsnijwerk op aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, die hij met goud overtrok. Ook op de cherubs en op de dadelpalmen bracht hij goud aan.33Zo maakte hij ook voor de ingang van de grote zaal deurposten van olijfwilgenhout, vierhoekig in vorm,34met twee deuren van cipressenhout. Twee zijden van de ene deur waren draaibaar en twee zijden van de andere deur waren draaibaar.35Hij bracht er [houtsnijwerk] op aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, die hij overtrok met goud, glad uitgeslagen over het gegraveerde..
15. De binnenste voorhof, vers 3636Daarna bouwde hij de binnenste voorhof van drie lagen gehouwen stenen en een laag balken van ceder[hout]..
16. De duur van de bouw, verzen 37-3837In het vierde jaar werd de fundering van het huis van de HEERE gelegd, in de maand Ziv.38En in het elfde jaar, in de maand Bul, dat is de achtste maand, had hij [de bouw] van het huis voltooid, helemaal volgens de afspraken erover en helemaal volgens de bepaling daaromtrent. Dus bouwde hij het [in] zeven jaar..


Begin van de tempelbouw

1Het gebeurde nu in het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit het land Egypte, in het vierde jaar van het koningschap van Salomo over Israël, in de maand Ziv (dat is de tweede maand), dat hij het huis van de HEERE bouwde.

Voor de geschiedschrijver is de start van de bouw van de tempel een markant punt in de geschiedenis van Israël. Hij noemt het jaar waarin die start ligt en verbindt die datum met de uittocht van Israël uit de slavernij in Egypte. De start van de bouw van de tempel vindt plaats in 966 v.Chr. De uittocht vond plaats in 1446 v.Chr. Hoewel er veel tijd tussen zit, worden hier de uittocht en de tempelbouw nauw aan elkaar verbonden. Bij de uittocht, aan de oever van de Rode Zee, heeft het volk gezongen over de woning van de HEERE (Ex 15:1717U zult hen brengen en hen planten
op de berg [die] Uw eigendom is,
Uw vaste woonplaats,
die U gemaakt hebt, HEERE,
het heiligdom, Heere,
dat Uw handen gesticht hebben.
)
. Het doel van de verlossing uit Egypte was dat God bij Zijn volk, een verlost volk, zou wonen. De tempel wordt hier “het huis van de HEERE” genoemd.

Ook de maand van het begin van de bouw wordt genoemd, “de maand Ziv (dat is de tweede maand)”. Deze maand komt overeen met onze maand mei. “Ziv” betekent ‘glans’ of ‘pracht’, waarschijnlijk vanwege de ontluikende bloemenpracht in die maand. In geestelijk opzicht duidt dit op een nieuw aangebroken periode waarin alles fris en mooi is. Israël staat op de drempel van de heerlijke zomertijd van zegen en voorspoed. De tempel glanst van goud. De plaats van de bouw wordt niet genoemd, maar we weten uit 2 Kronieken dat het op de berg Moria is (2Kr 3:11Toen begon Salomo het huis van de HEERE te bouwen, in Jeruzalem, op de berg Moria, waar [de HEERE] aan zijn vader David verschenen was, op de plaats die David bepaald had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.).

In geestelijk opzicht horen de verlossing uit de macht van de zonde en het huis van God, dat is de gemeente (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.), ook bij elkaar. Onze verlossing door de Heer Jezus is het uitgangspunt en wie Hem in het geloof als Verlosser heeft aangenomen, wordt verzegeld met de Heilige Geest en hoort daardoor bij de gemeente.

Salomo begint “in het vierde jaar” van zijn regering met de bouw van de tempel. De eerste drie jaar is hij bezig geweest met het regelen van de zaken van zijn rijk. De tijd die wij gebruiken om ons voor te bereiden op het werk van God en om ons los te maken van alles, wat ons daarvan zou kunnen afleiden, is geen verloren tijd.

In het bouwen van de tempel is Salomo ook een beeld van de Heer Jezus. Van de Messias wordt namelijk gezegd dat Hij de tempel zal bouwen (Zc 6:1212en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.
)
. De tempel is het onderpand van het duurzame bezit van het erfdeel door het volk. Gods aanwezigheid stelt het bezit definitief vast.


De buitenbouw

2En het huis, dat de koning Salomo voor de HEERE bouwde, was zestig el in zijn lengte, twintig [el] in zijn breedte en dertig el in zijn hoogte. 3En de voorhal, vóór aan de grote zaal van het huis, was twintig el in zijn lengte, overeenkomstig de breedte van het huis, [en] tien el in zijn breedte, vóór aan het huis. 4Hij maakte voor het huis vensters voorzien van kozijnen met traliewerk. 5En rondom tegen de muur van het huis bouwde hij een uitbouw, tegen de muren van het huis rondom, [zowel] van de grote zaal als van het binnenste heiligdom. Zo maakte hij zijkamers rondom. 6De onderste [verdieping van deze] uitbouw was vijf el in zijn breedte, de middelste was zes el in zijn breedte, en de derde was zeven el in zijn breedte, want hij had aan het huis rondom aan de buitenkant uitdiepingen gemaakt, zonder in te grijpen in de muren van het huis. 7Het huis nu werd, toen het gebouwd werd, met afgewerkte stenen gebouwd, [zoals die waren] aangevoerd, zodat geen hamers of bijlen [of] enig [ander] ijzeren gereedschap in het huis gehoord werden toen het gebouwd werd. 8De ingang van de middelste zijkamer bevond zich aan de rechterzijde van het huis. En met wenteltrappen ging men naar boven naar de middelste [verdieping] en van de middelste naar de derde. 9Zo bouwde hij het huis en voltooide het. Hij bedekte het huis met dwarsbalken en rijen van ceders. 10Hij bouwde ook de uitbouw tegen heel het huis, vijf el in zijn hoogte, en hij bevestigde die aan het huis met cederhout.

De maten van het huis (vers 22En het huis, dat de koning Salomo voor de HEERE bouwde, was zestig el in zijn lengte, twintig [el] in zijn breedte en dertig el in zijn hoogte.) zijn het dubbele van de maten van de tabernakel. De tempel is een vergrote tabernakel. De afmetingen van de tempel zijn, naar onze afmetingen omgerekend, zevenentwintig meter lang, negen meter breed en veertien meter hoog. De voorhal is extra, evenals de vensters (verzen 3-43En de voorhal, vóór aan de grote zaal van het huis, was twintig el in zijn lengte, overeenkomstig de breedte van het huis, [en] tien el in zijn breedte, vóór aan het huis.4Hij maakte voor het huis vensters voorzien van kozijnen met traliewerk.). Zij waren niet in de tabernakel aanwezig.

De tempel is, evenals de tabernakel, een beeld van:
1. de openbaring van de heerlijkheid van God in Christus,
2. de woonplaats van God en
3. een plaats waar de mens tot God kan naderen om Hem te dienen als priester.

Er zijn twee beschrijvingen van de tempel. Ze staan in 1 Koningen en in 2 Kronieken. In 2 Kronieken ligt de nadruk op het altaar – en daarmee de dienst in verbinding met het altaar – en het naderen tot God. Hier in 1 Koningen wordt het altaar niet genoemd, evenmin als de voorhang. Hier wordt de zijde van het wonen benadrukt, want hier hebben we ook de kamers bij de tempel, waar de priesters wonen. Rondom de tempel, dat wil zeggen aan de beide lange zijden en de achterzijde, niet de voorzijde, worden kamers gebouwd en wel in drie verdiepingen (verzen 5-65En rondom tegen de muur van het huis bouwde hij een uitbouw, tegen de muren van het huis rondom, [zowel] van de grote zaal als van het binnenste heiligdom. Zo maakte hij zijkamers rondom.6De onderste [verdieping van deze] uitbouw was vijf el in zijn breedte, de middelste was zes el in zijn breedte, en de derde was zeven el in zijn breedte, want hij had aan het huis rondom aan de buitenkant uitdiepingen gemaakt, zonder in te grijpen in de muren van het huis.).

Er is een nog grotere vreugde dan op te trekken naar de tempel en dat is er te wonen. Dit leidt tot het priesterschap dat op bijzondere wijze tot uiting komt in het prijzen van de HEERE (1Kr 9:3333Dit waren ook de zangers, familiehoofden onder de Levieten, vrijgesteld van dienst in de [voorraad]kamers; [de verantwoordelijkheid] voor [hun eigen] werk rustte immers dag en nacht op hen.).

Waar God Zijn woonplaats heeft, omringt Hij Zich met woningen. Daarom kunnen we de tempel ook zien als een beeld van het Vaderhuis, waarvan de Heer Jezus zegt dat daar “vele woningen” zijn (Jh 14:22In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, <want> Ik ga heen om u plaats te bereiden.) Daarmee lijkt Hij te zinspelen op de woningen die Salomo bij de tempel bouwt. De Heer Jezus noemt de tempel ook “het huis van Mijn Vader” (Jh 2:1616en tot hen die de duiven verkochten zei Hij: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.).

De tempel is niet alleen een grotere herhaling van de tabernakel. De tabernakel was bedoeld om te worden meegedragen door de woestijn. De tempel daarentegen staat vast, er is rust voor God. Het volk is tot rust gekomen en woont in rust in het beloofde land en God woont te midden van Zijn volk. Na de woestijnreis heeft de betekenis van de tabernakel afgedaan. In de brief aan de Hebreeën wordt wel steeds over de tabernakel gesproken, maar dat is vanwege het gezichtspunt van waaruit de schrijver Gods volk beziet.

De tempel staat in het land. Het veronderstelt een volk in het bezit van het land, dat is voor ons een beeld van de hemelse gewesten. De tempel staat op een verhevener niveau. Driemaal in het jaar trekt de Israëliet er naar op en wel bij de drie oogstfeesten, als hij de zegeningen van het land heeft binnengehaald. Zijn wij bekend met de zegeningen van het beloofde land, voor ons de hemelse gewesten? Alleen dan zullen we de betekenis van de tempel begrijpen en weten te waarderen.

Om vers 66De onderste [verdieping van deze] uitbouw was vijf el in zijn breedte, de middelste was zes el in zijn breedte, en de derde was zeven el in zijn breedte, want hij had aan het huis rondom aan de buitenkant uitdiepingen gemaakt, zonder in te grijpen in de muren van het huis. te verklaren wordt midden in de beschrijving van de priesterwoningen in vers 77Het huis nu werd, toen het gebouwd werd, met afgewerkte stenen gebouwd, [zoals die waren] aangevoerd, zodat geen hamers of bijlen [of] enig [ander] ijzeren gereedschap in het huis gehoord werden toen het gebouwd werd. een opmerking gemaakt over de kant-en-klaar gemaakte stenen voor de tempel. De stenen zijn in de groeve al bewerkt, zodat bij de bouw geen geluid wordt gehoord.

In de geestelijke betekenis zien we dat de mens van nature stof is, maar als hij een gelovige wordt, wordt hij een steen (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.). Christus is de rots uit Wie we gehouwen zijn en als zodanig aan het huis van God zijn toegevoegd. Het werk van Gods Geest gebeurt in stilte, zonder het uiterlijke vertoon en het vele lawaai dat tegenwoordig in veel christelijke gemeenschappen aanwezig is.

In de verzen 8-108De ingang van de middelste zijkamer bevond zich aan de rechterzijde van het huis. En met wenteltrappen ging men naar boven naar de middelste [verdieping] en van de middelste naar de derde.9Zo bouwde hij het huis en voltooide het. Hij bedekte het huis met dwarsbalken en rijen van ceders.10Hij bouwde ook de uitbouw tegen heel het huis, vijf el in zijn hoogte, en hij bevestigde die aan het huis met cederhout. is sprake van drie verdiepingen. Daarin is ook nog een zekere groei te zien, want de kamers worden naar boven toe steeds groter. Het bevat voor iedere priester de aanmoediging niet op de benedenste verdieping te blijven, maar hoger te gaan. Wat de kamers zijn, lezen we in de derde beschrijving van de tempel, in Ezechiël 42, de tempel van het vrederijk. Het zijn plaatsen waar de priesters zich ophouden. Het gaat daar niet om naderen, maar om voortdurend verblijven (vgl. Ps 23:6b6Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.
; 27:44Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
; 65:55Welzalig is hij [die] U verkiest en doet naderen,
[die] mag wonen [in] Uw voorhoven;
wij worden verzadigd met het goede van Uw huis,
[met] het heilige van Uw paleis.
; 84:2,5,112Hoe lieflijk zijn Uw woningen,
HEERE van de legermachten.
5Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen,
zij loven U voortdurend. /Sela/11Want één dag in Uw voorhoven
is beter dan duizend [elders];
ik verkoos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God
dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid.
)
.


Een woord voor Salomo

11Toen kwam het woord van de HEERE tot Salomo: 12Wat dit huis betreft, dat u aan het bouwen bent, als u overeenkomstig Mijn verordeningen wandelt, Mijn bepalingen houdt, al Mijn geboden in acht neemt door overeenkomstig daarmee te wandelen, dan zal ik Mijn woord, dat Ik tot uw vader David gesproken heb, aan u gestand doen. 13Ik zal in het midden van de Israëlieten wonen en Ik zal Mijn volk Israël niet verlaten.

In deze verzen worden we weer op de verantwoordelijkheid gewezen (2Sm 7:13-1413Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.14Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat [wil zeggen]: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen en met slagen [als] van mensenkinderen.). Dat geldt ook voor de gemeente. Dat de Heer Jezus in het midden is van hen die als gemeente samenkomen, heeft alles te maken met het doen van Gods wil, met gehoorzaamheid. We hebben Gods wil in de Bijbel. Als wij naar Hem willen luisteren, zal Hij Zijn Woord waarmaken en te midden van de vergaderde gelovigen wonen en hen niet verlaten. Opmerkelijk is dat Salomo persoonlijk wordt aangesproken. Als wij gemeenschappelijk Gods tegenwoordigheid willen ervaren, zullen we allen persoonlijk naar Zijn Woord moeten luisteren. Dan woont Hij bij Zijn volk en verlaat Hij het niet.


De bedekking van hout en goud

14Zo bouwde Salomo het huis en voltooide het. 15Ook bouwde hij de wanden van het huis vanbinnen met ceder[houten] planken. Van de vloer van het huis tot aan de wanden [ter hoogte] van het dak overdekte hij ze vanbinnen met hout. Hij overdekte de vloer van het huis met planken van cipressen. 16Verder bouwde hij de [laatste] twintig el vanaf de [achter]zijde van het huis met ceder[houten] planken [tot een vertrek], vanaf de vloer tot aan de wanden [ter hoogte van het dak]. Hij bouwde [het] voor Hem binnenin tot een binnenste heiligdom, tot het heilige der heiligen. 17Het huis nu was veertig el, dat wil zeggen de grote zaal aan de voorzijde. 18Het ceder[hout] van het huis aan de binnenkant was voorzien van houtsnijwerk met kolokwinten en ontluikende bloemen. Het was één en al ceder[hout], er was geen steen te zien. 19Het binnenste heiligdom midden in het huis maakte hij binnenin gereed, om daar de ark van het verbond van de HEERE te plaatsen. 20Het binnenste heiligdom vooraan was twintig el in [zijn] lengte, twintig el in [zijn] breedte en twintig el in zijn hoogte. Hij overtrok die met bladgoud. Ook overtrok hij het altaar van ceder[hout daarmee]. 21Salomo overtrok het huis vanbinnen met bladgoud, en hij hing gouden kettingen voor het binnenste heiligdom, dat hij met goud overtrokken had. 22Zo overtrok hij het hele huis met goud, totdat heel het huis voltooid was. Verder overtrok hij het hele altaar dat bij het binnenste heiligdom hoorde, met goud.

De stenen worden met cederhout bekleed. De ceder stelt de grootheid van de mens voor die door de HEERE wordt vernederd (Js 2:12-1312Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
13tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven,
en tegen alle eiken van Basan,
)
. Als een mens zich bekeert, keert er een andere grootheid voor terug. Christus wordt in Hooglied met een ceder vergeleken en God verenigt ons met Christus in Zijn grootheid (Hl 5:15b15Zijn benen zijn als witmarmeren pilaren,
gegrondvest op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gedaante is als de Libanon,
uitgelezen als de ceders.
; Ps 92:1313De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
hij zal opgroeien als een ceder op de Libanon.
)
. Zo zijn we voor God bruikbaar voor de bouw van Zijn huis. Het grote wat de gelovige is, is Hij alleen door Christus. Daarom wordt het hout weer overtrokken met goud. Alles spreekt in Gods tempel van Zijn eer (Ps 29:9b9De stem van de HEERE doet de hinden jongen werpen
en ontschorst de wouden;
maar in Zijn tempel zegt eenieder: [Hem zij] de eer!
)
.

Het allerheiligste of achterzaal – een grote, verheven ruimte – is de plaats waar de ark wordt gezet. Ook wordt over het altaar gesproken (vers 2020Het binnenste heiligdom vooraan was twintig el in [zijn] lengte, twintig el in [zijn] breedte en twintig el in zijn hoogte. Hij overtrok die met bladgoud. Ook overtrok hij het altaar van ceder[hout daarmee].) en over het voorhangsel (vers 2121Salomo overtrok het huis vanbinnen met bladgoud, en hij hing gouden kettingen voor het binnenste heiligdom, dat hij met goud overtrokken had.). Ook in vers 2222Zo overtrok hij het hele huis met goud, totdat heel het huis voltooid was. Verder overtrok hij het hele altaar dat bij het binnenste heiligdom hoorde, met goud. wordt over het altaar gesproken. Het wordt hier gezien als behorend bij het heilige der heiligen, hoewel het vóór de voorhang komt te staan, maar wel er direct tegenaan (vgl. Nm 18:77U echter, en uw zonen met u, moeten uw priesterambt waarnemen, met betrekking tot alle zaken van het altaar en met betrekking tot wat achter het voorhangsel is, en u moet [daarbij] dienen. Uw priesterambt geef Ik [u] als een dienst, een geschenk. De onbevoegde echter die nadert, moet ter dood gebracht worden.; Hb 9:44die een gouden wierookvat bevatte en de ark van het verbond, rondom geheel met goud overdekt, waarin een gouden kruik was die het manna bevatte, en de staf van Aäron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond;).


De cherubs

23In het binnenste heiligdom maakte hij twee cherubs van olijfwilgenhout, elk tien el in zijn hoogte. 24Nu was de ene vleugel van de cherub vijf el en de andere vleugel van de cherub was [ook] vijf el. [De afstand] van het einde van zijn [ene] vleugel tot aan het einde van zijn [andere] vleugel was tien el. 25Ook de andere cherub was tien el. Beide cherubs hadden één maat en één vorm. 26De hoogte van de ene cherub was tien el, evenals die van de andere cherub. 27Hij zette de cherubs midden in het binnenste huis. De cherubs spreidden [hun] vleugels [zo] uit, dat de vleugel van de ene de [ene] wand raakte, en de vleugel van de andere cherub de andere wand raakte. En hun [andere] vleugels raakten elkaar in het midden van het huis, vleugel aan vleugel. 28Hij overtrok de cherubs met goud.

De cherubs worden van olijfwilgenhout gemaakt, dat is hout van de wilde olieboom, waarvan ook de deuren van het heilige en de posten van de ingang van de tempel worden gemaakt. Ze hebben grote afmetingen, groter dan de cherubs op de ark. Ze vullen het heilige der heiligen.

Cherubs zijn speciale engelen die met God als Rechter verbonden zijn (Gn 3:2424Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.). God rijdt erop (Ps 18:1111Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij zweefde snel op de vleugels van de wind.
)
en ze zijn Gods troon (Ez 1:4-284Toen zag ik, en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een grote wolk, flitsend vuur en een lichtglans eromheen. En uit het midden ervan [kwam] iets als de schittering van edelmetaal, uit het midden van het vuur.5Uit het midden daarvan [kwam] een gedaante van vier levende wezens. Dit was hun uiterlijk: zij hadden de gedaante van een mens.6Ieder afzonderlijk had vier gezichten en ieder afzonderlijk van hen had vier vleugels.7Hun voeten waren rechte voeten en hun voetzolen waren als de voetzolen van een kalf, glinsterend als de schittering van gepolijst koper.8Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, waren mensenhanden. Wat betreft hun gezichten en hun vleugels [gold] van alle vier:9Hun vleugels raakten elkaar. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen, zij gingen ieder recht voor zich uit.10Hun gezicht leek op het gezicht van een mens, bij alle vier van rechts op de kop van een leeuw, bij alle vier van links op de kop van een rund, en alle vier hadden zij de kop van een arend.11Hun gezichten en hun vleugels waren naar boven uitgestrekt. Ieder had twee vleugels die elkaar raakten, en ieder had twee [vleugels] die hun lichaam bedekten.12Zij gingen ieder recht voor zich uit. Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen.13Wat de gedaante van de levende wezens betreft: hun uiterlijk was als brandende kolen in het vuur, als het uiterlijk van fakkels. Dat [vuur] ging heen en weer tussen de levende wezens. Het vuur had lichtglans en uit het vuur schoot een bliksem.14En de levende wezens schoten heen en weer als een bliksemschicht.15Toen ik die levende wezens zag, zie, er was een wiel op de grond naast die levende wezens, bij alle vier aan de voorkant ervan.16Het uiterlijk van de wielen en hoe zij gemaakt waren, was als de schittering van een turkoois. Alle vier hadden dezelfde gedaante: hun uiterlijk en hun bouw waren zo, alsof er een wiel midden in een ander wiel zat.17Wanneer zij gingen, konden zij naar vier zijden gaan. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen.18Wat hun velgen betreft: die waren hoog en die waren vreeswekkend. Verder zaten hun velgen rondom vol ogen, bij alle vier.19Wanneer de levende wezens gingen, gingen die wielen naast hen mee, en wanneer de levende wezens werden opgeheven van de aarde, werden [ook] de wielen opgeheven.20Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij, [zij gingen] waar de Geest heen wilde gaan. De wielen werden tegelijk met hen opgeheven, want de Geest van de levende wezens was in die wielen.21Wanneer zij gingen, gingen die [ook]. Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil. Wanneer zij van de aarde werden opgeheven, werden de wielen tegelijk met hen opgeheven, want de Geest van de levende wezens was in die wielen.22En boven de hoofden van de levende wezens was [iets] wat leek op een gewelf, als de schittering van ontzagwekkend ijs[kristal], vanboven over hun hoofden uitgespannen.23Onder het gewelf stonden hun vleugels recht naar elkaar toe. Ieder had er twee die [hun lichamen] vanvoren bedekten, en ieder had er twee die hun lichamen vanachteren bedekten.24Ik hoorde, toen zij gingen, het geruis van hun vleugels. [Het klonk] als het bruisen van machtige wateren, als de stem van de Almachtige, [als] het geluid van een gedruis, als het geluid van een leger. Als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen.25Toen kwam er een stem van boven het gewelf dat boven hun hoofden was. Als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen.26En boven het gewelf dat boven hun hoofden was, was iets met het uiterlijk van een saffiersteen, [iets] wat leek op een troon. En daarboven, op wat op een troon leek, was iets wat leek op een mens.27Toen zag ik [iets] als de schittering van edelmetaal, rondom van binnen als het uiterlijk van vuur. Vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar boven, en vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden, zag ik [iets] als het uiterlijk van vuur met een lichtglans eromheen.28Zoals het uiterlijk van de regenboog, die in de wolken [verschijnt] op de dag van de regen, zo was het uiterlijk van de lichtglans rondom. Het was de verschijning van de gedaante van de heerlijkheid van de HEERE. Toen ik dat zag, wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde], en ik hoorde de stem van Iemand Die sprak.; 10:8-178Er was bij de cherubs onder hun vleugels [iets] zichtbaar met de vorm van een mensenhand.9Toen zag ik, en zie, er waren vier wielen naast de cherubs: één wiel naast één cherub en een ander wiel naast een andere cherub. En het uiterlijk van de wielen was als de schittering van een turkooissteen.10En wat betreft het uiterlijk ervan, ze hadden alle vier dezelfde gedaante, alsof het [ene] wiel midden in het [andere] wiel zat.11Wanneer ze gingen, konden ze naar vier zijden gaan. Ze draaiden zich niet om wanneer ze gingen, want naar de plaats waarheen het hoofd zich wendde, [daar] gingen ze heen. Ze draaiden zich niet om wanneer ze gingen.12Hun hele lichaam dan, hun rug, hun handen, hun vleugels, en de wielen zaten rondom vol ogen. Alle vier hadden zij hun wielen.13Wat de wielen betreft, ze werden ten aanhoren van mij Galgal genoemd.14Iedere [cherub] had vier gezichten: het eerste gezicht was het gezicht van een cherub, het tweede gezicht het gezicht van een mens, het derde de kop van een leeuw, en het vierde de kop van een arend.15Toen verhieven de cherubs zich. Dit was hetzelfde levende wezen dat ik bij de rivier de Kebar gezien had.16Wanneer de cherubs gingen, gingen de wielen naast hen mee. Wanneer de cherubs hun vleugels ophieven om zich van de aarde te verheffen, draaiden die wielen ook niet bij hen vandaan.17Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil, en wanneer zij verheven werden, verhieven die zich [ook], want de geest van de levende wezens was in hen.). Zij vertegenwoordigen God in Zijn rechterlijke heerlijkheid. In de boeken van Mozes komen ze alleen voor in verbinding met het paradijs en de tabernakel.


De wanden, vloer en deuren

29En op alle wanden van het huis rondom bracht hij graveringen van houtsnijwerk aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, vanbinnen en vanbuiten. 30En de vloer van het huis overtrok hij vanbinnen en vanbuiten met goud. 31Voor de ingang van het binnenste heiligdom maakte hij deuren van olijfwilgenhout. Het raamwerk van de deurposten vormde een vijfhoek. 32De twee deuren waren ook van olijfwilgenhout. Hij bracht er houtsnijwerk op aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, die hij met goud overtrok. Ook op de cherubs en op de dadelpalmen bracht hij goud aan. 33Zo maakte hij ook voor de ingang van de grote zaal deurposten van olijfwilgenhout, vierhoekig in vorm, 34met twee deuren van cipressenhout. Twee zijden van de ene deur waren draaibaar en twee zijden van de andere deur waren draaibaar. 35Hij bracht er [houtsnijwerk] op aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, die hij overtrok met goud, glad uitgeslagen over het gegraveerde.

Op de wanden van het huis worden “cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen” aangebracht. De cherubs herinneren aan het paradijs (Gn 3:2424Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.). Zij waken over een dienst in het heiligdom, niet om die tegen te houden, maar om de dienst in overeenstemming met God te laten plaatsvinden. In de tempel is het paradijs als het ware weer open voor de mens. Dat is mogelijk omdat de Heer Jezus de overwinning, waarvan de dadelpalmen spreken, over zonde en dood heeft behaald op het kruis. Als gevolg daarvan is er nieuw leven mogelijk, wat wordt weggegeven door de ontluikende bloemen.

De vloer is van goud. Er wordt gelopen op de basis van Gods heerlijkheid die in Christus zichtbaar is geworden en die het deel is van ieder die gelooft. Deze gouden vloer doet denken aan de straat van goud in het nieuwe Jeruzalem (Op 21:21b21En de twaalf poorten waren twaalf parels, elk afzonderlijk van de poorten was uit één parel. En de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas.).

De deuren zijn een beeld van Christus door Wie wij alleen tot God kunnen komen (Jh 10:77Jezus dan zei opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen.). “Want door Hem hebben wij … in één Geest de toegang tot de Vader” (Ef 2:1818Want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.). Dit is het grote voorrecht voor ons, die door genade gered zijn. Op de deuren is hetzelfde ingesneden beeldwerk als op de muren van het huis. Dat herinnert eraan dat wij Christus gelijk zullen zijn als we bij Hem zijn en het werk van genade volkomen is (1Jh 3:33En ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich zoals Hij rein is.).


De binnenste voorhof

36Daarna bouwde hij de binnenste voorhof van drie lagen gehouwen stenen en een laag balken van ceder[hout].

In de binnenste voorhof, waar het koperen altaar is, waaraan de priesters dienen, is een lage muur gemaakt. Deze muur is de scheiding tussen het volk en de priesters. Hij bestaat uit drie rijen van gehouwen stenen met daarop een rij van cederen balken. Het is een lage muur, zodat het volk er overheen kan kijken en alles kan zien wat de priesters doen en alles kan horen wat de priesters tot hen zeggen.


Duur van de tempelbouw

37In het vierde jaar werd de fundering van het huis van de HEERE gelegd, in de maand Ziv. 38En in het elfde jaar, in de maand Bul, dat is de achtste maand, had hij [de bouw] van het huis voltooid, helemaal volgens de afspraken erover en helemaal volgens de bepaling daaromtrent. Dus bouwde hij het [in] zeven jaar.

De duur van de bouw van de tempel is zeven jaar, een volkomen tijd. God bouwt in deze tijd een heerlijk huis, Zijn gemeente. Die bouw zal ook een volkomen tijd in beslag nemen.

Het laatste vers bevat een belangrijke aanwijzing en wel dat Salomo het huis bouwde ”helemaal volgens de afspraken erover”. Salomo volgde bij de bouw niet zijn eigen fantasie. Ook dacht hij er niet aan om hier en daar een kleine aanpassing te doen. Hij bouwde de tempel precies zoals God het had aangegeven aan David door de Geest, niet slechts mondeling, maar tot grotere zekerheid en nauwkeurigheid, op schrift (1Kr 28:11-12a,1911Toen gaf David zijn zoon Salomo een ontwerp van de voorhal en zijn gebouwen, zijn schatkamers, zijn bovenvertrekken, zijn binnenste kamers, en van het vertrek voor het verzoendeksel;12en een ontwerp van alles wat hem door de Geest [voor ogen] stond: voor de voorhoven van het huis van de HEERE, en voor alle kamers rondom; voor de schatkamers van het huis van God, en voor de schatkamers van de geheiligde [gaven];19Dit alles is mij, [zei David,] in een geschrift te verstaan gegeven door de hand van de HEERE: alle werken van dit ontwerp.). Het is net zoals Hij aan Mozes op de berg een schets had gegeven van de tabernakel (Ex 25:4040Zie dan [erop] toe dat u het maakt naar zijn ontwerp, dat u op de berg getoond is.).

Dit is een belangrijke aanwijzing voor onze tijd, waarin het ‘gemeente zijn’ steeds meer wordt afgestemd op de behoeften van de mens. De diensten moeten worden opgevrolijkt met muziek en dans, de toespraken moeten door mannen (of vrouwen!) van naam worden geleverd. De mens moet zich er thuis voelen, terwijl er steeds minder mee wordt gerekend of God Zich nog wel kan thuis voelen in Zijn eigen huis.


Lees verder