1 Koningen
1-8 De ontrouw van Salomo 9-13 De HEERE wordt toornig op Salomo 14-22 De tegenstander Hadad 23-25 De tegenstander Rezon 26-40 De tegenstander Jerobeam 41-43 De dood van Salomo
De ontrouw van Salomo

1Koning Salomo had veel uitheemse vrouwen lief, en dat naast de dochter van de farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische, en Hethitische [vrouwen], 2uit de volken waarvan de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd: U mag niet naar hen toe gaan en zij mogen niet bij u komen. Zij zouden ongetwijfeld uw hart doen afwijken, achter hun goden aan. Aan hen hechtte Salomo zich in liefde. 3Hij had zevenhonderd vrouwen – vorstinnen – en driehonderd bijvrouwen. Zijn vrouwen deden zijn hart afwijken. 4Het was in de tijd van Salomo’s ouderdom [dat] zijn vrouwen zijn hart deden afwijken, achter andere goden aan, zodat zijn hart niet volkomen was met de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David, 5want Salomo ging achter Astoreth aan, de god van de Sidoniërs, en achter Milkom, de afschuwelijke [afgod] van de Ammonieten. 6Zo deed Salomo wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij volhardde er niet in de HEERE na te volgen, zoals zijn vader David. 7Toen bouwde Salomo een [offer]hoogte voor Kamos, de afschuwelijke [afgod] van de Moabieten, op de berg die voor Jeruzalem ligt, en voor Molech, de afschuwelijke [afgod] van de Ammonieten. 8Zo deed hij voor al zijn uitheemse vrouwen, die hun afgoden reukoffers en slachtoffers brachten.

In dit hoofdstuk zien we het falen van Salomo. De hier beschreven ontwikkeling en de daarmee samenhangende gebeurtenissen ontbreken in 2 Kronieken.

Salomo overtreedt op meervoudige wijze de koningswet (Dt 17:14-2014Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, en u [dan] zegt: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals al de volken die rondom mij zijn,15dan moet u voorzeker hem tot koning over u aanstellen die de HEERE, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een koning over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is.16Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar Egypte om veel paarden aan te schaffen, omdat de HEERE tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren.17Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn hart afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen.18Verder moet het [zó] zijn, als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, dat hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift van deze wet schrijft, vanuit [de rol] die onder het toezicht van de Levitische priesters is.19Dat moet bij hem zijn en hij moet er alle dagen van zijn leven in lezen om de HEERE, zijn God, te leren vrezen [en] om alle woorden van deze wet en deze verordeningen in acht te nemen door [ze] te houden,20opdat zijn hart zich niet verheft boven zijn broeders, opdat hij niet afwijkt van het gebod, naar rechts of naar links en opdat hij [zijn] dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, te midden van Israël.). Hier gaat het vooral om de invloed van de vrouwen op Salomo. Wanneer het vrouwelijke element de man beheerst, zien we wat hier gebeurt. Nehemia maakt het teruggekeerde overblijfsel ernstige verwijten vanwege hun onheilige verbindingen en verwijst daarvoor naar de grote ongehoorzaamheid van de grote koning Salomo die daardoor Israël heeft doen zondigen (Ne 13:2626Is het niet met betrekking tot deze dingen dat Salomo, de koning van Israël, gezondigd heeft? Terwijl er onder veel heidenvolken geen koning was zoals hij, en hij zijn God lief was en God hem tot koning gesteld had over heel Israël? Ook hem deden de uitheemse vrouwen zondigen.). Salomo is ervoor gewaarschuwd door zijn moeder, maar ook naar haar heeft hij niet geluisterd (Sp 31:2-3a2Wat, mijn zoon, en wat, zoon van mijn schoot,
ja, wat [zal ik je aanraden], zoon van mijn geloften?3Geef je kracht niet aan de vrouwen
en je wegen niet om koningen te verdelgen.
)
. Hij heeft duizend vrouwen genomen, maar onder hen was geen goede te vinden (Pr 7:2828die ik nog [altijd] zoek,
maar niet heb gevonden.
Eén man onder duizend heb ik gevonden.
Een vrouw onder die allen heb ik echter niet gevonden.
; vgl. Hl 6:8-98[Al] waren er zestig koninginnen
en tachtig bijvrouwen
en meisjes, niet te tellen,
9zij is de enige, Mijn duif, Mijn volmaakte,
zij is de enige voor haar moeder,
de zuivere voor wie haar heeft gebaard.
Als de meisjes haar zien, prijzen zij haar gelukkig,
de koninginnen en bijvrouwen roemen haar.
)
.

Zijn vader David heeft hem niet het goede voorbeeld gegeven (1Sm 25:42-4442Abigaïl haastte zich en stond op, en reed op een ezel, en haar vijf meisjes met haar, die haar op de voet volgden. Zij ging achter de boden van David aan en werd hem tot vrouw.43Ook nam David Ahinoam uit Jizreël [tot vrouw]; zo waren ook die twee hem tot vrouw.44Saul had namelijk zijn dochter Michal, de vrouw van David, aan Palti gegeven, de zoon van Laïs, die uit Gallim [kwam].; 2Sm 11:26-2726Toen de vrouw van Uria hoorde dat haar man Uria dood was, bedreef zij rouw over haar echtgenoot.27Toen de [tijd van] rouw voorbij was, stuurde David [een bode] en haalde haar in zijn huis. Zij werd hem tot vrouw en baarde hem een zoon. Maar wat David gedaan had, was slecht in de ogen van de HEERE.) en Salomo gaat veel verder in deze afwijking van de HEERE. David heeft in elk geval nog vrouwen uit het volk van God, maar Salomo neemt ze uit de omringende heidense volken. Hij doet dat tegen Gods uitdrukkelijk gebod in dat Zijn volk zich niet met die vrouwen zou inlaten (Dt 7:3-43U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.4Want zij zouden uw zonen van achter Mij laten afwijken, zodat zij andere goden gaan dienen en de toorn van de HEERE tegen u ontbrandt en Hij u [al] snel wegvaagt.; Ex 34:1616Dan zou u van hun dochters [vrouwen] nemen voor uw zonen. Hun dochters zouden als in hoererij achter hun goden aangaan, en uw zonen als in hoererij achter hun goden aan laten gaan.). Met al zijn wijsheid is hij er niet toe in staat zijn lusten in bedwang te houden. Als dit met Salomo is gebeurd, moet dat ons wel klein maken en zal het onze wijsheid zijn de waarschuwing ter harte te nemen: “Daarom, laat hij die meent te staan, uitkijken dat hij niet valt” (1Ko 10:1212Daarom, laat hij die meent te staan, uitkijken dat hij niet valt.).

Salomo neemt met zijn vele vrouwen ook hun goden in huis. Ook dat heeft David nooit gedaan. David is altijd, met al zijn falen, de HEERE trouw gebleven. De afgodendienaars hebben allen hun eigen goden, maar Salomo neemt ze allemaal in zijn huis op. Iemand die Gods Woord kent en daarvan afdwaalt, maakt het vaak bonter dan iemand die nooit in verbinding met God is geweest. Het verderf van het beste is het ergste verderf.

Dit gebeurt allemaal “in de tijd van Salomo’s ouderdom”. Het vlees in de gelovige wordt met het klimmen van de jaren niet beter. Het zal juist opspelen als we oud geworden zijn en we mogelijk menen dat de gevaren van het leven ons niet meer zo bedreigen en we niet meer waakzaam zijn. Dan zal het alsnog zijn verwoestend werk bij ons doen.

De man die zo nederig tot de HEERE heeft gebeden bij de inwijding van de tempel, wordt een vereerder van de Astoreth, Milkom en andere heidense gruwelen. Hij die een tempel voor de HEERE heeft gebouwd, zinkt zo laag, dat hij hoogten bouwt voor “Kamos, de afschuwelijke [afgod] van de Moabieten, … en voor Molech, de afschuwelijke [afgod] van de Ammonieten” en voor de afschuwelijke afgoden van al zijn vreemde vrouwen. Die voor Kamos bouwt hij “op berg die voor Jeruzalem ligt” (vers 77Toen bouwde Salomo een [offer]hoogte voor Kamos, de afschuwelijke [afgod] van de Moabieten, op de berg die voor Jeruzalem ligt, en voor Molech, de afschuwelijke [afgod] van de Ammonieten.), als het ware voor het aangezicht van het door de HEERE geliefde Sion.

In onze tijd zou men Salomo een ruimhartig man noemen. Hij laat immers iedereen in zijn waarde en doet met alle godsdiensten mee. Hij is geen man meer voor wie er maar één God bestaat, hij is geen ‘fundamentalist’. Alle goden zijn voor hem gelijk geworden. Dan ben je toch wel koning van alle mensen! Maar je bent het niet meer naar Gods hart!! Hij doet “wat slecht was in de ogen van de HEERE” (vers 66Zo deed Salomo wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij volhardde er niet in de HEERE na te volgen, zoals zijn vader David.). Het gaat er niet om hoe mensen de dingen beoordelen die we doen, maar hoe God ze beoordeelt.

In de geschiedenis van de koningen van Israël hebben we een beeld van de geschiedenis van de christenheid. Midden in de geschiedenis van Israël vinden we Achab en Izebel. Izebel komen we ook tegen in de profetische beschrijving van de kerkgeschiedenis in Openbaring 2-3. In het midden van die beschrijving zien we de gemeente in Thyatira. De Heer Jezus ziet iets in die gemeente waarover Hij die gemeente moet vermanen en dat is dat ze de vrouw Izebel laat begaan (Op 2:19-2419Ik weet uw werken, uw liefde, uw geloof, uw dienst en uw volharding, en dat uw laatste werken meer zijn dan uw eerste.20Maar Ik heb tegen u, dat u de vrouw Izebel, die zich een profetes noemt, laat begaan; en zij leert en misleidt Mijn slaven om te hoereren en afgodenoffers te eten.21En Ik heb haar tijd gegeven om zich te bekeren en zij wil zich niet bekeren van haar hoererij.22Zie, Ik werp haar op een bed en [werp] hen die met haar overspel bedrijven in grote verdrukking, als zij zich niet bekeren van haar werken.23En haar kinderen zal Ik door [de] dood ombrengen, en alle gemeenten zullen weten dat Ik het ben Die nieren en harten doorzoek, en Ik zal u geven ieder naar uw werken.24Maar tegen u zeg Ik, tegen de overigen in Thyatira, allen die deze leer niet hebben, die de diepten van de satan, zoals zij zeggen, niet hebben gekend: Ik leg u geen andere last op;). Na Achab en Izebel komt Jehu, die we in beeld terugzien in de gemeente in Sardis (Op 3:1-31En schrijf aan de engel van de gemeente in Sardis: Dit zegt Hij Die de zeven Geesten van God en de zeven sterren heeft: Ik weet uw werken, dat u [de] naam hebt dat u leeft, en u bent dood.2Word waakzaam en versterk het overige dat dreigde te sterven; want Ik heb uw werken niet volkomen bevonden voor Mijn God.3Bedenk dan hoe u het ontvangen en gehoord hebt en bekeer u. Als u dan niet waakt, zal Ik komen als een dief, en u zult geenszins weten op wat voor uur Ik tot u zal komen.). Vóór Achab en Izebel hebben we eerst nog Jerobeam. Hij is een beeld van de gemeente in Pérgamus (Op 2:13-1613Ik weet waar u woont, daar waar de troon van de satan is; en u houdt vast aan Mijn Naam en het geloof in Mij hebt u niet verloochend, <zelfs niet> in de dagen waarin Antipas Mijn trouwe getuige was, die gedood werd bij u waar de satan woont.14Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat u daar hebt die aan de leer van Bileam vasthouden, die Balak leerde de zonen van Israël een strik te spannen, om afgodenoffers te eten en te hoereren.15Zo hebt ook u er die op dezelfde wijze aan de leer van <de> Nicolaïeten vasthouden.16Bekeer u dan; maar zo niet, Ik kom spoedig naar u toe en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van Mijn mond.).

De afwijkingen beginnen echter met de gemeente in Efeze, met het verlaten van de eerste liefde (Op 2:44Maar Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten.). Daarvan hebben we in Salomo een beeld, omdat zijn hart door zijn vrouwen afwijkt naar de afgoden van die vrouwen. Zijn hart is niet langer ongedeeld voor de HEERE. Daarom wordt de kandelaar op den duur weggenomen.

Na het opgeven van de eerste liefde door de gemeente in Efeze komt in de gemeente in Smyrna de verdrukking als tucht van de Heer (Op 2:9-109Ik weet uw verdrukking en uw armoede – maar u bent rijk –, en de laster van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan.10Vrees niets [van] wat u zult lijden. Zie, de duivel zal [sommigen] van u in [de] gevangenis werpen, opdat u op de proef gesteld wordt, en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot [de] dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.). Dat zien we in beeld in de tegenstanders die de HEERE verderop in dit hoofdstuk tegen Salomo verwekt.


De HEERE wordt toornig op Salomo

9Daarom werd de HEERE toornig op Salomo, omdat zijn hart van de HEERE, de God van Israël, Die hem tweemaal was verschenen, was afgeweken. 10Hij had hem aangaande deze zaak geboden dat hij niet achter andere goden aan zou gaan, maar hij hield zich niet aan wat de HEERE geboden had. 11Daarom zei de HEERE tegen Salomo: Omdat het bij u gebeurd is dat u Mijn verbond en verordeningen, die Ik u geboden heb, niet in acht hebt genomen, zal Ik het koninkrijk zeker van u losscheuren en het aan uw dienaar geven. 12In uw dagen zal ik dat echter niet doen, omwille van uw vader David. Ik zal het uit de hand van uw zoon losscheuren. 13Alleen, Ik zal niet het hele koninkrijk [van u] losscheuren: één stam zal Ik aan uw zoon geven, omwille van Mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, dat Ik verkozen heb.

De HEERE is hem tweemaal verschenen, eerst in Gibeon, aan het begin van zijn regering (1Kn 3:55In Gibeon verscheen de HEERE 's nachts aan Salomo in een droom, en God zei: Vraag wat Ik u geven zal.) en later nog een keer, in Jeruzalem, naar aanleiding van de tempelwijding (1Kn 9:22dat de HEERE voor de tweede maal aan Salomo verscheen, zoals Hij aan hem in Gibeon verschenen was.). God zag de afwijkingen al in zijn hart en heeft hem daarvoor willen waarschuwen. We lezen niet van een concrete waarschuwing tegen afgoderij, maar God kan hem dat hebben gezegd toen Hij aan hem was verschenen. Wel lezen we meerdere keren dat de HEERE hem waarschuwt om in Zijn geboden en inzettingen te wandelen (1Kn 3:1414En als u in Mijn wegen gaat door Mijn verordeningen en Mijn geboden in acht te nemen, zoals uw vader David gewandeld heeft, dan zal Ik uw dagen verlengen.; 6:1212Wat dit huis betreft, dat u aan het bouwen bent, als u overeenkomstig Mijn verordeningen wandelt, Mijn bepalingen houdt, al Mijn geboden in acht neemt door overeenkomstig daarmee te wandelen, dan zal ik Mijn woord, dat Ik tot uw vader David gesproken heb, aan u gestand doen.; 9:44En u, wanneer u voor Mijn aangezicht wandelt, zoals uw vader David met een volkomen hart en in oprechtheid gewandeld heeft, door te handelen overeenkomstig alles wat Ik u geboden heb, [en] u Mijn verordeningen en bepalingen in acht neemt,). Dat houdt dan tegelijk in dat er voor afgoderij geen enkele plaats kan zijn.

God herinnert ook ons aan de keren dat Hij tot ons is gekomen en duidelijk tot ons heeft gesproken en dat wij niets hebben gedaan met wat Hij toen tegen ons zei. Nu Salomo blijk geeft geen boodschap te hebben aan wat God tegen hem heeft gezegd, wordt God toornig op hem (Ps 18:26-2726Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren,
tegenover de oprechte man oprecht.
27Tegenover de reine toont U Zich rein,
maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.
)
en zegt hem het oordeel aan. Alleen voert Hij het vanwege zijn vader David niet tijdens zijn leven uit (vgl. 2Kn 20:1919Hizkia zei tegen Jesaja: Het woord van de HEERE dat u gesproken hebt, is goed. Hij zei ook: Is het niet [zo], dat er dan duurzame vrede in mijn dagen zal zijn?). Zo handelt God ook in genade met ons ter wille van de Heer Jezus.

Ook laat de HEERE een overblijfsel over voor het huis van David. Zo is er ook vandaag een overblijfsel dat de Heer in trouw aan Hem voor Zichzelf bewaart.


De tegenstander Hadad

14Zo liet de HEERE een tegenstander van Salomo opstaan: Hadad, de Edomiet. Hij was uit het nageslacht van de koning van Edom. 15Het gebeurde namelijk [eens], toen David in Edom was, toen Joab, de legeroverste, eropuit trok om de gesneuvelden te begraven, dat hij al wie mannelijk was in Edom doodde, 16want Joab bleef daar zes maanden, met heel Israël, totdat hij al wie mannelijk was in Edom had uitgeroeid. 17Maar Hadad vluchtte, hij en [enige] Edomitische mannen uit de dienaren van zijn vader met hem, om in Egypte te komen. Hadad was toen [nog] een kleine jongen. 18Zij vertrokken uit Midian en kwamen in Paran. Uit Paran namen zij mannen met zich mee en kwamen in Egypte, bij de farao, de koning van Egypte. Die gaf hem een huis, zegde hem voedsel toe en gaf hem land. 19Verder vond Hadad [zo]veel genade in de ogen van de farao, dat deze hem de zuster van zijn vrouw, de zuster van koningin Tachpenes, tot vrouw gaf. 20En de zuster van Tachpenes baarde hem zijn zoon, Genubath, en Tachpenes bracht hem groot in het huis van de farao. Genubath was in het huis van de farao te midden van de zonen van de farao. 21Maar toen Hadad in Egypte hoorde dat David bij zijn vaderen te ruste gegaan was en dat Joab, de legerbevelhebber, dood was, zei Hadad tegen de farao: Laat mij gaan, dan trek ik naar mijn land. 22De farao zei echter tegen hem: Waaraan ontbreekt het u bij mij dat, zie, u naar uw land wilt trekken? En hij zei: Aan niets, maar laat mij evenwel gaan.

Zolang Salomo dicht bij de HEERE en bij zijn plicht blijft, is er “geen tegenstander en geen dreiging van kwaad” (1Kn 5:44Maar de HEERE, mijn God, heeft mij nu rust gegeven van rondom. Er is geen tegenstander en geen dreiging van kwaad.). Maar als gevolg van zijn afwijking van de HEERE en het zich wenden tot de afgoden is het voorbij met de vrede van zijn koninkrijk. Er komen drie tegenstanders naar voren, twee uit het buitenland en één uit Israël, dus van binnenuit. Tegenstanders zijn een tuchtroede in de hand van God om Zijn volk weer naar Hem te doen terugkeren, zodat het niet omkomt (1Ko 11:3232maar als wij geoordeeld worden, dan worden wij door <de> Heer getuchtigd, opdat wij niet met de wereld veroordeeld worden.; Js 10:5-75Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
; Hb 12:11-1311Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.12Daarom, richt op uw slappe handen en uw verlamde knieën13en maakt rechte paden voor uw voeten, opdat het kreupele niet ontwricht maar veeleer gezond wordt.)
.

De eerste buitenlander is Hadad, een belangrijk man in wie de boze eigenschappen van de Edomieten en van de Egyptenaren zich verenigen. Deze man zou nooit enige kans hebben gehad tegen Salomo op te staan als de HEERE hem niet had gesterkt. De haat in het hart van deze man is groot (vers 25b25En al de dagen van Salomo was hij tegenstander van Israël, en dat naast het kwaad dat Hadad [deed], want hij had een afkeer van Israël en regeerde over Syrië.).

Als kleine jongen is hij ontsnapt aan het oordeel dat David over Edom heeft gebracht (2Sm 8:13-1413Ook maakte David naam, toen hij terugkwam nadat hij de Syriërs verslagen had in het Zoutdal, achttienduizend [man].14Hij legde garnizoenen in Edom; in heel Edom legde hij garnizoenen, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.). Hij is gevlucht naar Egypte, naar de farao. Deze heeft hem een huis, brood, een stuk land en een vrouw gegeven. Als hij volwassen is geworden, ziet hij zijn kans, na de dood van David, om zijn haat de ruimte te geven. Hij houdt het niet meer uit in Egypte en gaat terug naar Israël, dat hij “mijn land” (vers 2121Maar toen Hadad in Egypte hoorde dat David bij zijn vaderen te ruste gegaan was en dat Joab, de legerbevelhebber, dood was, zei Hadad tegen de farao: Laat mij gaan, dan trek ik naar mijn land.) noemt. Hadad heeft geleefd voor de dag dat hij wraak zou kunnen nemen.

De geestelijke les ligt voor de hand. Een kleine zonde die niet wordt geoordeeld, groeit op en wordt sterker. De zonde laat zich gelden in haat tegen alles wat van God is en is niet tevreden met het genot van de wereld. De zonde zoekt de schade van het volk van God. Daarom moeten wij elke zonde in de kiem smoren door de kleinste afwijking van Gods wil te oordelen.


De tegenstander Rezon

23God liet nog een tegenstander tegen hem opstaan: Rezon, de zoon van Eljada, die weggevlucht was bij zijn heer, Hadad-ezer, de koning van Zoba, 24tegen wie hij, toen David hen doodde, mannen bijeengebracht had en leider van een bende werd. Zij trokken naar Damascus, gingen daar wonen en regeerden in Damascus. 25En al de dagen van Salomo was hij tegenstander van Israël, en dat naast het kwaad dat Hadad [deed], want hij had een afkeer van Israël en regeerde over Syrië.

De tweede buitenlandse tegenstander is Rezon, een knecht van Hadad-ezer, de koning van Zoba, die door David volledig is verslagen (2Sm 8:3-83Verder versloeg David Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen die heentrok om zijn gezag aan de rivier de Eufraat te herstellen.4David nam van hem duizend [wagens af] en [nam] zevenhonderd ruiters en twintigduizend man voetvolk [gevangen]. Ook sneed David de hielpezen van alle wagen[paarden] door, maar hield er honderd wagen[paarden] van over.5De Syriërs van Damascus kwamen om Hadadezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man.6David legde garnizoenen in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David [en] moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.7David nam de gouden schilden die van Hadadezers dienaren geweest waren, en bracht ze naar Jeruzalem.8En uit Betach en uit Berothai, steden van Hadadezer, nam koning David zeer veel koper mee.). Hij is een machtige vijand die alleen machtig is omdat Salomo zwak is geworden vanwege zijn zonden, waardoor God niet meer met hem kan zijn.

De beide buitenlandse vijanden handelen vijandig tegenover Salomo vanwege wat David aan hen heeft gedaan.


De tegenstander Jerobeam

26Ook Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet uit Zereda, een dienaar van Salomo – de naam van zijn moeder was Zerua, een weduwe – kwam in opstand tegen de koning. 27Dit is de reden waarom hij tegen de koning in opstand kwam: Salomo bouwde de Millo [en] dichtte de bres [in de muur] van de stad van zijn vader David. 28Nu was de man Jerobeam een harde werker. Toen Salomo zag hoe deze jongeman het werk verrichtte, stelde hij hem aan over de hele lichting werklieden van het huis van Jozef. 29Het gebeurde in die tijd, toen Jerobeam uit Jeruzalem vertrok, dat de profeet Ahia uit Silo hem onderweg aantrof. Deze had zich in een nieuw kleed gehuld en zij beiden waren alleen in het [open] veld. 30Toen pakte Ahia het nieuwe kleed dat hij aanhad, en scheurde het in twaalf stukken. 31Hij zei tegen Jerobeam: Neem [er] tien stukken [van] voor uzelf. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga het koninkrijk uit de hand van Salomo losscheuren en Ik zal u tien stammen geven. 32Maar één stam zal voor hem zijn, omwille van Mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die Ik uit alle stammen van Israël heb verkozen, 33omdat zij Mij hebben verlaten en zich neergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, voor Kamos, de god van de Moabieten, en voor Milkom, de god van de Ammonieten, en niet in Mijn wegen gegaan zijn door te doen wat juist is in Mijn ogen en Mijn verordeningen en bepalingen [te houden], zoals zijn vader David. 34Uit zijn hand zal Ik dit hele koninkrijk echter niet nemen, maar Ik zal hem voor al de dagen van zijn leven tot vorst maken, omwille van Mijn dienaar David, die Ik heb verkozen en die Mijn geboden en verordeningen in acht heeft genomen. 35Maar uit de hand van zijn zoon zal Ik het koningschap nemen en Ik zal u daarvan tien stammen geven. 36En aan zijn zoon zal Ik één stam geven, zodat Mijn dienaar David alle dagen een lamp voor Mijn aangezicht zal hebben in Jeruzalem, de stad die Ik voor Mij heb verkozen om Mijn Naam daar te vestigen. 37Maar u zal Ik nemen om te regeren over al wat uw ziel verlangen zal, en u zult koning zijn over Israël. 38En het zal gebeuren, als u luistert naar alles wat Ik u gebied en in Mijn wegen gaat en doet wat juist is in Mijn ogen door Mijn verordeningen en Mijn geboden in acht te nemen, zoals Mijn dienaar David gedaan heeft, dat Ik met u zal zijn en voor u een blijvend [konings]huis zal bouwen, zoals Ik [dat] voor David gebouwd heb, en Ik zal u Israël geven. 39Ik zal hiertoe het nageslacht van David vernederen, maar niet [voor] alle dagen. 40Salomo wilde Jerobeam doden, maar Jerobeam stond op en vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte, en hij bleef in Egypte totdat Salomo stierf.

Eerst is Salomo Jerobeam goed gezind en beloont hem vanwege zijn werk. Jerobeam maakt carrière. Dit is de man die God voor de tien stammen heeft bestemd. Anders dan de beide tegenstanders van buiten het land handelt Jerobeam niet uit haat. Salomo of David hebben hem niets gedaan wat aanleiding kan zijn voor haat. Hij is een dienaar van Salomo en komt tegen hem in opstand. Waarom dat zo is, wordt vervolgens meegedeeld. Het komt erop neer dat hij tegen Salomo in opstand komt vanwege een profetie.

Jerobeam wordt door God door middel van de profeet Ahia aangewezen als de nieuwe koning over het afgescheurde deel van Israël. Dat gebeurt door middel van een symbolische handeling met een “nieuw kleed”. Enkele keren wordt vermeld dat het een nieuw kleed is. Het nieuwe kleed stelt het nieuwe, ongedeelde rijk voor. Daaraan komt een einde, wat symbolisch wordt voorgesteld in het scheuren van het nieuwe kleed. De symbolische handeling maakt de voorzegging tot een gebeurtenis die al heeft plaatsgevonden. Zoals het kleed is gescheurd en daar voor de ogen van Jerobeam op de grond ligt, zo is in Gods raad de verdeling van het rijk al een feit.

Ahia laat door het scheuren van het kleed zien dat God tien stammen van Salomo wegneemt en slechts één stam aan het huis van David overlaat. De tien stammen worden vaak ‘Efraïm’ genoemd, naar de afkomst van de eerste koning uit deze grootste stam.

Jerobeam krijgt te horen dat hij koning zal zijn en ook waarom. Uitvoerig vertelt Ahia wat er allemaal mis is gegaan met Salomo. Het moet voor Jerobeam een duidelijke waarschuwing zijn niet in hetzelfde kwaad te vallen, want de gevolgen zullen voor hem niet anders zijn. Hij krijgt het koningschap over de tien stammen niet omdat hij beter dan Salomo zou zijn (vgl. Dt 9:44Wanneer de HEERE, uw God, hen van voor uw [ogen] verjaagd heeft, zeg [dan] niet in uw hart: Vanwege míjn gerechtigheid heeft de HEERE mij in dit land gebracht om het in bezit te nemen. Want [het is] vanwege de goddeloosheid van deze volken [dat] de HEERE hen van voor uw [ogen] uit hun bezit verdrijft.).

Als Ahia tegen hem zegt dat hij zal heersen over alles wat hij begeert, kan dat een zinspeling zijn op de verborgen, maar door God gekende, begeerte van zijn hart om koning te worden (vers 3737Maar u zal Ik nemen om te regeren over al wat uw ziel verlangen zal, en u zult koning zijn over Israël.; vgl. 1Sm 9:2020Wat de ezelinnen betreft, die vandaag al drie dagen zoek zijn, laat dat u niet aan het hart gaan, want ze zijn gevonden. En van wie zal alles zijn wat begerenswaardig is in Israël? Is het niet van u, en van uw hele familie?). Er is echter een voorwaarde en dat is dat hij moet wachten tot Salomo is gestorven. Wachten op de tijd van God is van het grootste belang, ook voor ons. Hij krijgt de belofte dat God met hem zal zijn als hij naar God zal luisteren en Hem gehoorzaamt, zoals ook David heeft gedaan.

Als Jerobeam zondigt, gaat hij bewust tegen Gods waarschuwingen in. Hij kan niet wachten. Hij ziet de macht voor zich en wil die voortijdig grijpen (vers 2626Ook Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet uit Zereda, een dienaar van Salomo – de naam van zijn moeder was Zerua, een weduwe – kwam in opstand tegen de koning.) omdat hij zelf door de macht gegrepen is. Wat hij heeft gedaan, lezen we niet, maar uit de reactie van Salomo, die hem wil doden, zien we dat Jerobeam heeft geprobeerd de troon te bestijgen tijdens het leven van Salomo.

Onder alle koningen van de tien stammen die Jerobeam zijn opgevolgd, hebben we geen koning die God trouw is gebleven. Het begint met Jerobeam, waarna knecht volgt op knecht. In een enkel geval wordt een koning door zijn zoon opgevolgd, maar verder vindt elke troonopvolging plaats door het grijpen van de macht waarbij de regerende koning wordt vermoord. Dat is dan Jerobeam niet gelukt.

Uit de reactie van Salomo zien we ook dat hij zich niet buigt onder de tucht van God, maar zich keert tegen de tuchtroede van God. Hij wil als het ware Gods hand wegslaan. Eigenhandig probeert hij het middel uit te schakelen dat God heeft ingezet. Dit spreekt het verkeerde gedrag van Jerobeam niet goed, maar het openbaart ook de gezindheid van het hart van Salomo. Het lukt Salomo niet de door God aangewezen opvolger om te brengen, zoals het ook Saul niet lukte zijn opvolger David om te brengen.

Toch is er hoop dat Salomo zich voor God heeft verootmoedigd en tot berouw en bekering is gekomen. Salomo is wel gevallen, maar niet verworpen. Er zijn daarvoor enkele aanwijzingen. Een van die aanwijzingen hebben we in het door hem geschreven boek Prediker. In bedekte termen vertelt hij daarin over de bittere ervaringen die hij heeft opgedaan. Onder al de vrouwen die hij heeft gehad, was er niet één die hem het geluk gaf waar hij naar zocht. Het is de aanduiding van een verbroken hart om de zonde, van een hart dat zich van de zonde heeft afgewend, zoals we dat ook vinden in Davids boetpsalmen, al zijn die ook van een andere aard. Gods genade werkt op verschillende wijze in het hart van hen die tot Zijn volk behoren.

Een andere aanwijzing zien we in wat God over hem tegen David heeft gezegd: “Ik zal hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen … Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw [ogen] weggenomen heb” (2Sm 7:14-1514Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat [wil zeggen]: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen en met slagen [als] van mensenkinderen.15Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw [ogen] weggenomen heb.). God kan wel toelaten dat degenen die Hij liefheeft in zonde vallen maar Hij zal niet toelaten dat zij erin blijven liggen. Nog een aanwijzing is dat zijn regering samen met die van David als voorbeeld wordt gesteld van een goede regering (2Kr 11:1717Zo versterkten zij het koninkrijk Juda en maakten zij Rehabeam, de zoon van Salomo sterk, drie jaar; want drie jaar [lang] gingen zij in de weg van David en Salomo.).

Hoewel de genoemde redenen aanleiding zijn om te veronderstellen dat hij berouw heeft gehad en zich bekeerd heeft, heeft het de Heilige Geest goed gedacht om dit toch niet uitdrukkelijk te vermelden. We worden erover in het onzekere gelaten. Dat houdt de waarschuwing in dat we niet moeten menen dat we wel kunnen zondigen, met in het achterhoofd de gedachte dat het toch wel weer goed komt. Wie zichzelf zo misleidt, zal daarvan de bittere vruchten plukken.


De dood van Salomo

41Het overige nu van de geschiedenis van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet beschreven in het boek met de geschiedenis van Salomo? 42De tijd nu die Salomo in Jeruzalem over heel Israël regeerde, was veertig jaar. 43Daarna ging Salomo te ruste bij zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David, en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Ten slotte sterft Salomo. De man die zo mooi is begonnen, is zo droevig gestorven. Toch wordt hier herinnerd aan zijn wijsheid. Hij heeft veertig jaar geregeerd, van 971-931 v.Chr. Zo oud is hij nog niet als hij sterft, nog geen zestig. Hij heeft geen lang leven gekregen vanwege zijn ontrouw. Wat een contrast met bijvoorbeeld het leven en het einde van Jakob. Het gaat om het einde. Gelukkig is hij, die goed loopt en dat doet tot het einde. Paulus kan dat zeggen (2Tm 4:77Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.).

De man die het meest in staat was een succesvol leven te leiden, heeft dat verspeeld. Succes in het leven komt in Gods oog niet door het bezit van wijsheid, maar door het toepassen ervan in het leven. Geestelijk succes hangt niet alleen van levenswijsheid af, maar ook van bepaalde beslissingen en keuzes die iemand maakt.

Het sterven van Salomo wordt met een enkel woord beschreven, terwijl het sterven van zijn vader David uitvoerig wordt weergegeven. Van het sterfbed van David gaat letterlijk en geestelijk een zegenrijke sprake uit (2Sm 23:1-71En dit zijn de laatste woorden van David.
David, de zoon van Isaï, spreekt;
de man die hoog is opgericht, spreekt,
de gezalfde door de God van Jakob,
en lieflijk in psalmen van Israël.
2De Geest van de HEERE heeft door mij gesproken,
en Zijn woord is op mijn tong.
3De God van Israël heeft gezegd,
de Rots van Israël heeft tot mij gesproken:
[Er komt] een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige,
een Heerser [in] de vreze Gods.
4Hij is als het licht van de morgen,
[wanneer] de zon opgaat,
een morgen zonder wolken;
[als] de glans na de regen,
[die] groen [laat opkomen] uit de aarde.
5Hoewel mijn huis zo niet is bij God,
heeft Hij mij toch een eeuwig verbond gesteld,
in alles geordend en bewaard.
Voorzeker, [daarin] is al mijn heil en al [mijn] vreugde,
hoewel Hij het [nog] niet laat opkomen.
6Maar verdorven [mannen] zijn alle als doornstruiken,
die weggeworpen worden;
want met de hand kan men ze niet pakken.
7Maar ieder die ze wil aanraken,
voorziet zich van ijzer of hout van een speer;
ze worden ter plekke volledig met vuur verbrand.
)
. Van het sterfbed van Salomo klinken geen laatste woorden, maar gaat een ernstige waarschuwing uit. Mogelijk dat er iets over geschreven staat in andere geschriften (2Kr 9:2929Het overige nu van de geschiedenis van Salomo, van het begin tot het einde, is dat niet beschreven in de woorden van de profeet Nathan en in de profetie van Ahia uit Silo en in de visioenen van de ziener Jedi over Jerobeam, de zoon van Nebat?), maar in Gods Woord wordt er in elk geval geen plaats voor ingeruimd.

Zijn zoon Rehabeam wordt koning in zijn plaats. Met hem begint een andere geschiedenis, die van de verantwoordelijkheid.


Lees verder