Jozua
Inleiding 1-3 Het lot voor de Jozefieten 4-9 Het gebied van de Efraïmieten 10 Niet alle vijanden worden verdreven
Inleiding

De stam Efraïm en de halve stam Manasse – de zonen van Jozef – krijgen hun erfelijk bezit in het land toegewezen. Daarmee zijn ze niet tevreden (Jz 17:14,1614Toen zeiden de nakomelingen van Jozef tegen Jozua: Waarom hebt u mij als erfelijk bezit maar één lot en één deel gegeven, terwijl ik toch een groot volk ben, aangezien de HEERE mij tot nu toe gezegend heeft?16Toen zeiden de nakomelingen van Jozef: Dat bergland zal voor ons niet groot genoeg zijn. Bovendien zijn er ijzeren strijdwagens bij alle Kanaänieten die in het land in het dal wonen, bij die in Beth-Sean en de bijbehorende [plaatsen] en bij [hen] die in het dal van Jizreël wonen.). Ze willen meer. Jozua willigt hun verzoek in en wijst hun nog een stuk land toe. Dat moeten ze wel zelf veroveren. Ze krijgen de verzekering dat ze de bewoners zullen verdrijven (Jz 17:1818maar het bergland zal van u zijn. [En] omdat het een bos[gebied] is, moet u daar [de bomen] omhakken, dan zullen de uitlopers ervan voor u zijn. U zult de Kanaänieten voorzeker verdrijven, al hebben zij ijzeren strijdwagens [en] al zijn zij sterk.). Maar ze verdrijven niet alle Kanaänieten (Jz 16:1010De Kanaänieten die in Gezer woonden, verdreven zij echter niet. Daarom hebben die Kanaänieten tot op deze dag in het midden van de Efraïmieten gewoond. Wel moesten zij herendiensten verrichtten.; 17:1212De nakomelingen van Manasse waren niet in staat [de inwoners van] die steden te verdrijven, want de Kanaänieten wilden in dat land [blijven] wonen.).

Ook voor ons is God een Gever. Als wij Hem meer van het hemelse land vragen dan we al hebben, geeft Hij het. De zegen van het hemelse land is de heerlijkheid van de Heer Jezus. Hoe zou God ooit iets achterhouden van de Heer Jezus als wij vragen om meer van Zijn heerlijkheid te mogen zien? Wij mogen Zijn heerlijkheid aanschouwen (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.). Om meer van Zijn heerlijkheid te zien moeten we strijden, omdat allerlei dingen ons daarvan willen afhouden.

De stam van Jozef wordt in tweeën gedeeld omdat de stam van Levi geen erfdeel krijgt (Jz 14:3-43Want aan de twee stammen en de halve stam had Mozes een erfelijk bezit gegeven aan de overzijde van de Jordaan, maar aan de Levieten had hij geen erfelijk bezit in hun midden gegeven.4Immers, de nakomelingen van Jozef bestonden uit twee stammen, Manasse en Efraïm, maar aan de Levieten gaven zij geen deel van het land, maar steden om te bewonen, met hun weidegronden, voor hun vee en hun bezittingen.). Het belang van de stam Jozef zien we in het feit dat hij zijn deel krijgt direct na Juda en ook in de grootte van zijn erfdeel.

De zonen van Jozef worden de heersende stammen in het noorden van het koninkrijk, nadat de scheuring van het rijk in tien en twee stammen heeft plaatsgevonden. De heersende positie is zó duidelijk, dat het geheel van het tienstammenrijk door meerdere profeten met de naam ‘Efraïm’ wordt aangeduid.

Jozef heeft het eerstgeboorterecht gekregen, nadat Ruben het heeft verspeeld: De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël – hij was namelijk de eerstgeborene, maar omdat hij het bed van zijn vader geschonden had, is zijn eerstgeboorterecht aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël, gegeven” (1Kr 5:11De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël – hij was namelijk de eerstgeborene, maar omdat hij het bed van zijn vader geschonden had, is zijn eerstgeboorterecht aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël, gegeven, maar niet [zo], dat deze in het geslachtsregister als eerstgeborene werd ingeschreven,; Gn 49:44Onstuimig als het water [als je bent],
zul je niet de voortreffelijkste zijn,
want je bent het bed van je vader ingeklommen,
[en] toen heb je [het] geschonden.
Hij is mijn sponde ingeklommen!
)
. De volgende zonen van Lea, Simeon en Levi, hebben het ook niet gekregen. Zij zijn mannen van geweld en zijn daarom onder Israël verstrooid (Gn 49:5-75Simeon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
6Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen;
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
7Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.
)
. De vierde zoon, Juda, krijgt het ook niet, maar wordt de koningsstam (Gn 49:8-128Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
9Juda is een leeuwenwelp;
van [je] prooi ben je opgestaan, mijn zoon.
Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd,
als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
10De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok
en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok;
hij wast zijn kleren in wijn
en zijn gewaad in druivenbloed.
12Zijn ogen zijn donker door de wijn
en zijn tanden wit door de melk.
)
. Daarom krijgt Juda al zo vroeg zijn erfelijk bezit.

De eerstgeborene krijgt een dubbel deel. Jakob heeft de beide zonen van Jozef als zijn eigen zonen aangenomen: De Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens, zodat door hen mijn naam en de naam van mijn vaderen, Abraham en Izak, genoemd zal blijven” (Gn 48:16a16de Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens,
zodat door hen mijn naam genoemd zal blijven, en de naam van mijn vaderen Abraham en Izak
en zij in het midden van het land in menigte zullen toenemen.
)
. Daarom kunnen zij onder de stammen gerekend worden. Voor hen samen wordt één lot geworpen. Daarover beklagen zij zich samen (Jz 17:1414Toen zeiden de nakomelingen van Jozef tegen Jozua: Waarom hebt u mij als erfelijk bezit maar één lot en één deel gegeven, terwijl ik toch een groot volk ben, aangezien de HEERE mij tot nu toe gezegend heeft?). Door het lot blijven zij samen, hoewel elke stam een deel krijgt.


Het lot voor de Jozefieten

1Daarna kwam het lot uit op de nakomelingen van Jozef: [de grens] loopt vanaf de Jordaan bij Jericho, ten oosten van het water van Jericho, van Jericho omhoog naar de woestijn, door het bergland van Beth-El. 2Vanaf Beth-El komt hij uit bij Luz, en gaat [vervolgens] langs het gebied van de Arkiet, langs Ataroth. 3Dan loopt hij naar beneden, in westelijke richting, naar het gebied van de Jafletiet, tot aan het gebied van Laag-Beth-Horon en tot Gezer. Zijn eindpunt ligt bij de zee.

Zoals steeds wordt eerst de grens bepaald en daarna wordt verteld wat zich in het gebied bevindt. De grens wordt gegeven om een scherpe scheiding te trekken tussen het land en de omgeving die niet tot het erfdeel behoort. De zuidgrens van Jozef is de noordgrens van Benjamin en Dan. In de breedte strekt hun gebied zich uit over het hele land, van de Jordaan tot de Middellandse Zee.


Het gebied van de Efraïmieten

4Zo hebben de zonen van Jozef, Manasse en Efraïm, hun erfbezit ontvangen. 5Het gebied van de nakomelingen van Efraïm, naar hun geslachten, is als volgt: de [zuid]grens van hun erfelijk bezit [begint] oostelijk van Atroth-Addar [en loopt] tot aan Hoog-Beth-Horon. 6De grens komt uit bij de zee. [De oostgrens begint] ten noorden van Michmetath. Vervolgens buigt de grens af naar het oosten, naar Taänat-Silo, en gaat hij langs de oost[zijde] van Janoah. 7Dan loopt hij naar beneden van Janoah naar Ataroth en Naharoth, reikt tot Jericho en komt uit bij de Jordaan. 8Van Tappuah loopt de grens in westelijke richting naar de beek Kana, en zijn eindpunt ligt bij de zee. Dit is het erfelijk bezit van de stam van de nakomelingen van Efraïm, naar hun geslachten. 9En de steden die afgezonderd waren voor de nakomelingen van Efraïm lagen in het midden van het erfelijk bezit van de nakomelingen van Manasse, al die steden en hun dorpen.

In de beschrijving van het erfbezit van Jozef worden slechts enkele steden en dorpen genoemd. Dit in tegenstelling tot Juda, waarvan veel steden en dorpen worden genoemd. De zegeningen worden, om zo te zeggen, hier niet zozeer dorpsgewijs of stadsgewijs genoten. Ze hebben misschien nauwelijks steden veroverd.

Het erfelijk bezit is niet slechts een persoonlijke zaak, het is ook een zaak van families en gemeenten. Elke plaatselijke gemeente heeft zijn eigen gaven en zegeningen. De brieven aan de gemeenten in het Nieuwe Testament laten dat zien. De hedendaagse gemeenten kunnen wel eens ijveriger zijn zich te realiseren dat ze ‘steden in het land’ zijn. Veel gemeenten nemen misschien wel genoegen met de zegeningen van de aarde, maar kennen niet of nauwelijks het genot van de hemelse zegeningen in familie- of gemeenteverband.


Niet alle vijanden worden verdreven

10De Kanaänieten die in Gezer woonden, verdreven zij echter niet. Daarom hebben die Kanaänieten tot op deze dag in het midden van de Efraïmieten gewoond. Wel moesten zij herendiensten verrichtten.

Dit vers bevat een waarschuwing. Eerder hebben we gelezen dat de Judeeërs niet in staat zijn de vijanden te verdrijven (Jz 15:6363Maar de nakomelingen van Juda konden de Jebusieten, de inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven. Daarom wonen de Jebusieten bij de nakomelingen van Juda in Jeruzalem, tot op deze dag.). Ze hebben het kennelijk wel geprobeerd. De Efraïmieten lijken het niet eens geprobeerd te hebben. Blijkbaar hebben ze er wel de kracht voor (Jz 17:1313En het gebeurde, toen de Israëlieten sterk werden, dat zij de Kanaänieten herendienst lieten verrichten, maar helemaal verdreven hebben zij hen niet.), maar er geen zin. Ze hebben zich mogelijk snel rijk gewaand, zijn daarmee tevreden en zijn lui geworden. Geestelijke rijkdom maakt ons lui als we die ontvangen zonder dat we er strijd voor hebben hoeven leveren om die te veroveren.

Misschien hebben de Efraïmieten winst gezien in het tot slaafse herendienst brengen van de Kanaänieten. Hierdoor kunnen ze zichzelf van extra rijkdom voorzien. Maar in de tijd van de richters zal deze handelwijze zich tegen hen keren. Hetzelfde geldt in het leven van de christen die niet wil breken met een bepaalde ‘lievelingszonde’ omdat die het leven zo aangenaam maakt. Op zekere dag zal hij uit de droom ontwaken en merken dat die zonde zijn leven beheerst en hem tot een geestelijk failliet voert. Spelen met de zonde wreekt zich altijd.


Lees verder