Jozua
Inleiding 1-6 De koningen van het Overjordaanse 7-24 De koningen in het land
Inleiding

In Jozua 12 worden de koningen genoemd die door Jozua en de Israëlieten verslagen zijn. De koningen zijn de aanvoerders van de vijandelijke legers. De koningen stellen de boze machten in de hemelse gewesten voor. Deze boze machten zijn de aanvoerders in de geestelijke strijd die tegen ons wordt gevoerd en die wij moeten strijden. Daarom staat er: “Onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de … geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten]” (Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].).

Als mensen ons kwaad willen doen, ons bespotten om ons geloof of over ons liegen, moeten we in eerste instantie die mensen daar niet op aanzien, maar die boze machten. Zo zegt de Heer Jezus tegen Petrus, als deze Hem van de weg van gehoorzaamheid aan Zijn Vader wil afbrengen: “Ga weg achter Mij satan” (Mt 16:2323Hij echter keerde Zich om en zei tot Petrus: Ga weg, achter Mij, satan, je bent Mij een aanstoot; want je bedenkt niet de dingen van God, maar de dingen van de mensen.). Petrus laat zich gebruiken als een instrument van de satan.


De koningen van het Overjordaanse

1Dit zijn de koningen van het land, die de Israëlieten verslagen hebben en van wie zij hun land in bezit genomen hebben, aan de overzijde van de Jordaan, waar de zon opkomt, vanaf de beek Arnon tot de berg Hermon, en de hele Vlakte in het oosten: 2Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde. Hij heerste vanaf Aroër, dat aan de oever van de beek Arnon ligt, namelijk [vanaf] de midden[loop] van de beek, en de helft van Gilead, tot aan de beek Jabbok, [tot aan] het gebied van de Ammonieten, 3en [over] de Vlakte tot aan de oostkant van de zee van Kinneroth, en tot aan de oostkant van de zee van de Vlakte, de Zoutzee, de weg naar Beth-Jesimoth, en zuidwaarts aan de voet van de hellingen van de Pisga. 4Vervolgens het gebied van Og, de koning van Basan, die tot het overblijfsel van de Refaïeten behoorde en in Astharoth en Edreï woonde. 5Hij heerste over de berg Hermon, en over Salcha, en over heel Basan, tot aan het gebied van de Gesurieten en Maächathieten, en [over] de helft van Gilead, [tot] het gebied van Sihon, de koning van Hesbon. 6Mozes, de dienaar van de HEERE, en de Israëlieten versloegen hen, en Mozes, de dienaar van de HEERE, gaf dat [land] in bezit aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan de halve stam Manasse.

De Heilige Geest geeft ons niet alleen de overwinning over onze vijanden, van wie hier een opsomming gegeven wordt, maar leert ons ook de hele uitgestrektheid van het land kennen en begrijpen. We leren het onderscheid tussen wat God geeft en het genot ervan. Na de strijd leren we de uitgestrektheid en de waarde van de zegeningen kennen. Tijdens de strijd houdt de christen zich niet bezig met een opsomming van zijn overwinningen. Hij moet zich bezighouden met zijn doel. Maar als de strijd is gestreden, mag hij achteromkijken om de uitgestrektheid van de genade van God te gaan meten die voor hem werkzaam is geweest.

Ter bemoediging komt nu een opsomming van de overwonnen koningen. Deze opsomming begint met het verslaan van Sihon en Og. In het totale aantal koningen, eenendertig (vers 2424De koning van Tirza, één. In totaal eenendertig koningen.), worden zij niet meegerekend. Deze twee koningen hebben geregeerd over gebieden die niet in het land liggen; het zijn gebieden waarvoor men niet door de Jordaan heen heeft hoeven gaan.

Toch zijn deze koningen verslagen (Nm 21:21-3521Toen stuurde Israël boden naar Sihon, de koning van de Amorieten, [met het verzoek]:22Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken door akkers of wijngaarden. Wij zullen het water uit de putten niet drinken. Wij zullen langs de koninklijke weg gaan, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn.23Sihon stond Israël echter niet toe door zijn gebied te trekken, maar Sihon verzamelde al zijn volk en trok uit, Israël tegemoet, naar de woestijn. Toen kwam hij in Jahza en bond de strijd aan met Israël.24Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard en nam zijn land in bezit, van de Arnon tot de Jabbok, tot aan [het gebied] van de Ammonieten, want het gebied van de Ammonieten was versterkt.25Zo nam Israël al deze steden in, en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, in Hesbon en in al de bijbehorende [plaatsen].26Want Hesbon was de [hoofd]stad van Sihon, de koning van de Amorieten. Hij had de strijd aangebonden met de vorige koning van Moab en had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.27Daarom zeggen de dichters:
Kom naar Hesbon, bouw
en versterk de stad van Sihon.
28Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon,
een vlam uit de stad van Sihon;
het heeft Ar van Moab verteerd,
de bezitters van Arnons hoogten.
29Wee u, Moab,
u bent verloren, volk van Kamos!
Hij moest zijn zonen [als] vluchtelingen,
en zijn dochters in gevangenschap overgeven
aan Sihon, de koning van de Amorieten.
30Wij hebben hen neergeveld.
Verloren is Hesbon, tot aan Dibon toe;
wij hebben [hen] verwoest tot aan Nofat,
dat tot aan Medeba [reikt].31Zo woonde Israël in het land van de Amoriet.32Daarna stuurde Mozes [mannen] om Jaëzer te verkennen. Zij namen de bijbehorende [plaatsen] in, en hij verdreef de Amorieten die er [woonden].33Toen keerden zij zich om en vertrokken in de richting van Basan. En Og, de koning van Basan, trok uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, in Edreï.34Maar de HEERE zei tegen Mozes: Wees niet bevreesd voor hem, want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land. U moet met hem doen zoals u gedaan hebt met Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde.35En zij versloegen hem, zijn zonen, en al zijn volk, zodat van hem niemand overbleef. En zij namen zijn land in bezit.
)
en hun gebieden veroverd en als bezit aangeduid (vers 66Mozes, de dienaar van de HEERE, en de Israëlieten versloegen hen, en Mozes, de dienaar van de HEERE, gaf dat [land] in bezit aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan de halve stam Manasse.). Ze spreken van onze aardse zegeningen, niet van onze hemelse zegeningen. We moeten ze niet verachten, ze zijn een zegen, maar ze zijn niet specifiek christelijk. Gelovigen delen aardse zegeningen met de mensen van de wereld. We kunnen daarbij denken aan zaken als gezondheid, kinderen, werk. Het onderscheid tussen de wereld en de gelovige is dat de wereld God er niet voor dankt, terwijl de gelovige dat wel doet.

Aardse zegeningen kunnen we op drie manieren bezitten en genieten:
1. zoals ze in het vrederijk worden genoten,
2. zoals Sihon en Og ze genieten en
3. zoals Ruben, Gad en de halve stam Manasse ervan genieten.

In Ezechiël 48 staat hoe het volk het Overjordaanse in het vrederijk bezit. Daar wordt het land in stroken van noord naar zuid verdeeld en krijgt elke stam een strook. Elke stam krijgt een groot deel in het land en een klein deel in het Overjordaanse. Wat ons betreft, wil God dat wij onze zegeningen niet voor het grootste deel in het land bezitten, maar dat wij al onze zegeningen in het land bezitten.

Ruben, Gad en de halve stam Manasse stellen christenen voor die aan de aardse zegeningen genoeg hebben. Alle zegen die er voor hen is, is de aardse. Aan de hemelse zegen denken ze niet. De tweeënhalve stam heeft geen deel in het land. Dat geldt helaas voor veel christenen. Zij verheugen zich over de aardse zegeningen. Ze danken van harte voor hun eten en drinken en voorspoed, en dat is goed. Ze kennen echter hun ware zegeningen niet en danken God er dan ook niet voor, en dat is jammer, want God verlangt juist daarnaar.

Anders dan de tweeënhalve stam hebben Sihon en Og alles alleen voor zichzelf bezeten, in hoogmoed. Bij hen is er geen enkele gedachte aan God, geen enkel gevoel van dankbaarheid. Waarom ook. Zij hebben hun bezit als het resultaat of de verdienste van hun eigen inspanning beschouwd. Waarom zou je God danken voor wat je eigenhandig hebt verdiend?


De koningen in het land

7Dit zijn de koningen van het land, die Jozua en de Israëlieten versloegen aan deze zijde van de Jordaan in het westen, van Baäl-Gad af, in het dal van de Libanon, tot aan het Kale Gebergte, dat oploopt naar Seïr. Jozua gaf het aan de stammen van Israël in bezit, volgens hun indelingen. 8Op het Bergland, in het Laagland, in de Vlakte, op de hellingen, in de woestijn en in het Zuiderland: de Hethieten, de Amorieten en Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten. 9De koning van Jericho, één; de koning van Ai, dat naast Beth-El ligt, één. 10De koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één. 11De koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één. 12De koning van Eglon, één; de koning van Gezer, één. 13De koning van Debir, één; de koning van Geder, één. 14De koning van Horma, één; de koning van Harad, één. 15De koning van Libna, één; de koning van Adullam, één. 16De koning van Makkeda, één; de koning van Beth-El, één. 17De koning van Tappuah, één; de koning van Hefer, één. 18De koning van Afek, één; de koning van Lassaron, één. 19De koning van Madon, één; de koning van Hazor, één. 20De koning van Simron-Meron, één; de koning van Achsaf, één. 21De koning van Taänach, één; de koning van Megiddo, één. 22De koning van Kedes, één; de koning van Jokneam, aan de Karmel, één. 23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, één; de koning van de heidenvolken in Gilgal, één. 24De koning van Tirza, één. In totaal eenendertig koningen.

Van de tweeënhalve stam wordt gezegd dat zij hun erfdeel van Mozes hebben gekregen (vers 66Mozes, de dienaar van de HEERE, en de Israëlieten versloegen hen, en Mozes, de dienaar van de HEERE, gaf dat [land] in bezit aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan de halve stam Manasse.). De negen en halve stam krijgt hun bezit van Jozua. Elke stam heeft een eigen taak, waarbij de een de ander aanvult.

Het is bemoedigend dat de HEERE Zelf deze opsomming geeft. Het laat zien dat Hij geen enkele overwinning vergeet die wij in Zijn kracht hebben behaald. Elke afzonderlijke overwinning staat genoteerd, zoals we zien in het telkens terugkerende “één”. Het moet ons aanmoedigen “de goede strijd” te strijden (2Tm 4:77Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.), zodat wij van elke overwinning de beloning zullen ontvangen (Op 2:7,11,17,267Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik te eten geven van de boom van het leven die in het paradijs van God is.11Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, zal geenszins van de tweede dood schade lijden.17Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt.26En wie overwint en Mijn werken tot [het] einde toe bewaart, die zal Ik macht geven over de volken;; 3:5,12,215Wie overwint, die zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.12Wie overwint, die zal Ik maken tot een pilaar in de tempel van Mijn God en hij zal geenszins meer daaruit weggaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam van Mijn God en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van Mijn God, en Mijn nieuwe Naam.21Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen en Mij gezet heb met Mijn Vader op Zijn troon.).

De opsomming toont hoe goed God is voor Israël door hun de overwinning te geven over al deze koningen en het bezit van al hun koninkrijken. God gaf hun de landen van de heidenvolken. Zo namen zij in bezit waarvoor de volken hadden gezwoegd, opdat zij zich aan Zijn verordeningen zouden onderhouden, en Zijn wetten in acht zouden nemen. Halleluja! (Ps 105:44-4544Hij gaf hun de landen van de heidenvolken.
Zo namen zij in bezit waarvoor de volken hadden gezwoegd,
45opdat zij zich aan Zijn verordeningen zouden houden
en Zijn wetten in acht zouden nemen.
Halleluja!
)
. Deze eenendertig koninkrijken of heerlijkheden zullen verdeeld worden onder negen en een halve stam.

Eerst worden de zestien koningen in het zuiden van Kanaän genoemd (verzen 9-169De koning van Jericho, één; de koning van Ai, dat naast Beth-El ligt, één.10De koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één.11De koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één.12De koning van Eglon, één; de koning van Gezer, één.13De koning van Debir, één; de koning van Geder, één.14De koning van Horma, één; de koning van Harad, één.15De koning van Libna, één; de koning van Adullam, één.16De koning van Makkeda, één; de koning van Beth-El, één.), daarna de vijftien koningen in het noorden van Kanaän. In de voorgaande hoofdstukken (Jozua 6-10) is de verovering van de steden die hier worden genoemd (verzen 9-139De koning van Jericho, één; de koning van Ai, dat naast Beth-El ligt, één.10De koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één.11De koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één.12De koning van Eglon, één; de koning van Gezer, één.13De koning van Debir, één; de koning van Geder, één.), uitvoerig beschreven. Daarin wordt het karakter van de strijd aangegeven. Bij de opsomming hier zien we de vijandschap die in elk koninkrijk heeft gehuisd.

1. Juda krijgt als erfdeel de koninkrijken Hebron, Jarmuth, Lachis, Eglon, Debir, Arad, Libna en Adullam, en nog een deel van het koninkrijk van Jeruzalem en een deel van Geder, in totaal acht.
2. Benjamin krijgt de koninkrijken Jericho, Ai, Jeruzalem, Makkeda, Beth-El en dat van de koning van de volken te Gilgal, dat zijn er zes.
3. Simeon krijgt het koninkrijk Horma en een deel van Geder.
4. Efraïm krijgt de koninkrijken Gezer en Tirza.
5. De halve stam van Manasse krijgt de koninkrijken Tappuah, Hefer, Taänach en Megiddo.
6. Aser heeft de koninkrijken Afek en Achsaf.
7. Zebulon heeft de koninkrijken Lassaron, Simron-Meron en Jokneam.
8. Naftali heeft de koninkrijken Madon, Hazor en Kedes.
9. Issaschar heeft Dor.
10. De stam Dan lijkt geen van de koninkrijken in bezit te hebben gekregen.

Het verslaan van al de koningen is aanleiding om in Psalm 136 de goedertierenheid van de HEERE te bezingen:
“Die grote koningen versloeg,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
en machtige koningen doodde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
Sihon, de koning van de Amorieten,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
en Og, de koning van Basan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (Ps 136:17-2017Die grote koningen versloeg,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
18en machtige koningen doodde,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
19Sihon, de koning van de Amorieten,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
20en Og, de koning van Basan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
.

We lezen in Psalm 136 verder dat zich onder hen grote en geweldige koningen hebben bevonden. Hoe groter en geweldiger de vijandige koning, des te groter is het bewijs van Gods goedertierenheid in het verslaan en doden van die koning. Het land van de overwonnen koningen heeft Hij Zijn volk als erfdeel gegeven. Ook dat is aanleiding tot het bezingen van de goedertierenheid van de HEERE:
“Hij gaf hun land als erfelijk bezit,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
als erfelijk bezit aan Zijn dienaar Israël,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig” (Ps 136:21-2221Hij gaf hun land als erfelijk bezit,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
22als erfelijk bezit aan Zijn dienaar Israël,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
.


Lees verder