Johannes
1-2 De herder van de schapen 3-5 De herder en de schapen 6 Beeldspraak 7-9 Ik ben de deur 10-15 Ik ben de goede Herder 16 Eén kudde, één Herder 17-18 Het leven afleggen en het weer nemen 19-21 Opnieuw verdeeldheid 22-26 Waarom de Joden niet geloven 27-30 De zekerheid van de schapen 31-36 De Joden willen de Heer stenigen 37-39 De werken spreken voor zichzelf 40-42 Opnieuw over de Jordaan
De herder van de schapen

1Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet binnengaat door de deur in de stal van de schapen, maar van een andere kant naar binnen klimt, die is een dief en een rover; 2maar wie door de deur binnengaat, is een herder van de schapen.

Dit hoofdstuk sluit direct aan op het voorgaande. De blindgeborene die door de Heer is genezen en daardoor kan zien, is door de leiders van het volk buiten geworpen. In het hoofdstuk dat we nu voor ons hebben, zullen we zien wat dat betekent en wat de gevolgen daarvan zijn. De Heer Jezus vervolgt hier Zijn betoog tot de farizeeën, waarmee Hij aan het einde van het vorige hoofdstuk is begonnen (Jh 9:39-4139En Jezus zei: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat zij die niet zien, zouden zien, en die zien, blind worden.40En zij die van de farizeeën bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tot Hem: Zijn wij soms ook blind?41Jezus zei tot hen: Als u blind was, zou u geen zonde hebben; maar nu zegt u: Wij zien; [dus] blijft uw zonde.). Zij hebben zich door het buiten werpen van de blindgeborene gediskwalificeerd als door God aangestelde leiders. De Heer houdt hun daarvan in het beeld van een stal met schapen de consequenties voor. Van de stal is Hij de deur en van de schapen is Hij de Herder.

Hij leidt Zijn belangwekkende onderwijs hierover weer in met een tweevoudig en daardoor nadrukkelijk “voorwaar”, gevolgd door het gezaghebbende “Ik zeg u”. Hij stelt eerst de situatie voor die voor Israël en de valse leiders geldt. De stal is het godsdienstige systeem dat door Mozes is opgericht. Een stal doet denken aan een omheinde ruimte waarin het voor de schapen veilig vertoeven is. De wet van Mozes functioneerde als een omheining waardoor de Joden van de heidenen afgescheiden waren (Ef 2:1414Want Hij is onze vrede, Die die beiden een gemaakt en de scheidsmuur van de omheining weggebroken heeft,).

In de stal is een opening, een deur, om daardoor naar binnen te gaan. De deur stelt de door God aangegeven juiste manier voor om de stal van Israël binnen te gaan om voor het volk, dat als Zijn kudde wordt gezien, een herder te zijn (Js 40:1111Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden:
Hij zal de lammetjes in Zijn arm[en] bijeenbrengen
en in Zijn schoot dragen;
de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
)
. Er zijn mensen in de stal binnengegaan op een andere manier dan door de deur. Zij zijn van een andere kant naar binnen geklommen. Dat zijn de dieven en de rovers die zich te goed doen aan Gods volk. Het zijn mensen die zich gezag over Gods volk aanmatigen, zonder dat God hun dat heeft gegeven. We kunnen hierbij denken aan mensen als Theudas en Judas (Hd 5:36-3736Want vóór deze dagen stond Theudas op, die zei dat hij iemand [van betekenis] was, en wie een aantal van ongeveer vierhonderd mannen aanhing; hij is gedood en allen die hem gehoorzaamden, werden verstrooid en bereikten niets.37Na hem stond Judas de Galileeër op, in de dagen van de inschrijving, en trok volk achter zich; ook deze kwam om en allen die hem gehoorzaamden, werden verstrooid.). Het zijn mensen die zichzelf opwerpen als leiders, maar die zich ontpoppen als misleiders. Hieronder kunnen we ook de farizeeën en andere godsdienstige personen scharen die de leiding over Gods volk voor zichzelf opeisen.

De Heer waarschuwt voor zulke lieden en zegt dat zij wolven in schaapskleren zijn (Mt 7:1515Past u op voor de valse profeten, die tot u komen in schapenvachten, maar van binnen zijn zij roofzuchtige wolven.). Zij weiden zichzelf in plaats van de schapen (Ez 34:22Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?). De door God gegeven herder is de herder die door de deur naar binnen gaat. God heeft door de profeten bekendgemaakt op welke manier de Messias als Herder binnenkomt. Zo zou Hij uit een maagd en in Bethlehem geboren worden (Js 7:1414Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.; Mi 5:11En u, Bethlehem-Efratha,
[al] bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal Mij voortkomen
Die een Heerser zal zijn in Israël.
Zijn oorsprongen zijn van oudsher,
van eeuwige dagen af.
)
. Daaraan beantwoordt de Heer Jezus. Hij beantwoordt ook door Zijn werken aan wat God van de Messias heeft gezegd. Hij zou blinden genezen en doven doen horen (Js 35:5-65Dan zullen de ogen van de blinden worden opengedaan,
de oren van de doven zullen worden geopend.
6Dan zal de kreupele springen als een hert,
de tong van de stomme zal juichen.
Want in de woestijn zullen wateren zich een weg banen
en beken in de wildernis.
)
. God heeft ook Zijn getuigenis over Hem vanuit de hemel gegeven toen Hij op Hem wees als Zijn geliefde Zoon (Mt 3:1717en zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden.).

Hij is door de deur naar binnen gegaan, dat wil zeggen dat Hij door de toetsing van alle profetieën van het Oude Testament is heengegaan. Daardoor is vast komen te staan dat Hij aan al die profetieën beantwoordt en het is duidelijk geworden dat Hij de Herder is Die God aan Zijn volk geeft. Het moment dat Hij door de deur naar binnen is gegaan, is toen Hij Zich liet dopen door Johannes. Daardoor voegde Hij Zich bij hen die onder belijdenis van hun zonden voor God hun plaats als een berouwvol overblijfsel innamen. Met hen maakte Hij Zich een. Voor hen is Hij de Herder Die God aan Zijn volk gaf.

Met het spreken over een herder sluit de Heer aan op een uit het Oude Testament bekende beeldspraak (Ps 23:1-61Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
2Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
3Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.
4Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.5U maakt voor mij de tafel gereed
voor [de ogen van] mijn tegenstanders;
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
6Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.
; 80:22Herder van Israël, neem ter ore,
U, Die Jozef als schapen leidt.
U, Die troont tussen de cherubs,
verschijn blinkend!
; Zc 11:1111Op die dag werd het verbroken en zo hebben de ellendigen onder de schapen, die Mij verwachtten, erkend dat het een woord van de HEERE was.)
. In Ezechiël 34 gaat het vooral over de valse herders (Ez 34:1-101Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?3U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, [maar] de schapen weidt u niet.4Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen.5Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt.7Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE!8[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat Mijn schapen tot een prooi geworden zijn en Mijn schapen voor alle dieren van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders niet naar Mijn schapen gevraagd hebben, maar de herders zichzelf geweid hebben, en Mijn schapen niet geweid hebben.9Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE!10Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál die herders! Ik eis Mijn schapen op uit hun hand, en doe hen ophouden met het weiden van de schapen. Die herders zullen zichzelf niet meer weiden en Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat ze hun niet [meer] tot voedsel zijn.). Daartegenover spreekt Hij hier over Zichzelf als de goede Herder (vers 1111Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;). Dat doet Hij in verbinding met het geven van Zijn leven voor de schapen.

Hij is ook “de grote Herder” van de schapen (Hb 13:2020De God nu van de vrede, Die uit [de] doden heeft teruggebracht de grote Herder van de schapen, onze Heer Jezus, door [het] bloed van [het] eeuwig verbond,) en “de overste Herder” (1Pt 5:44En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.). We kunnen zeggen dat Hij Zich als de goede Herder heeft bewezen in het verleden toen Hij Zijn leven gaf. We zien ook dat Hij in de tegenwoordige tijd de grote Herder is Die voor Zijn schapen zorgt. Wat de toekomst betreft, zien we Hem als de overste Herder Die zal verschijnen met loon voor hen die in de tegenwoordige tijd in navolging van Hem Zijn schapen hebben verzorgd.


De herder en de schapen

3Hem doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten. 4Wanneer hij al zijn eigen [schapen] heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. 5Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zij zullen van hem vluchten, omdat zij de stem van de vreemden niet kennen.

God heeft als de Deurwachter Hem opengedaan omdat Hij Hem heeft erkend als Zijn Herder. Als de Herder in de stal is, spreekt Hij tot alle schapen. Hij is tot het Zijne gekomen, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Jh 1:1111Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.). Zij horen Zijn stem, maar ze luisteren niet. Toch zijn er onder al die schapen van Israël schapen die wél naar Hem luisteren. Hij noemt hen in onderscheid van het geheel van de schapen “Zijn eigen [schapen]”. De genezen blindgeborene uit het vorige hoofdstuk is een van ‘Zijn eigen schapen’. Er is dus een onderscheid tussen ‘de schapen’ en ‘zijn eigen schapen’.

En dan lezen we iets opmerkelijks, iets wat we niet zouden verwachten en wat ook Zijn discipelen niet hebben verwacht. Hij komt binnen, niet om de stal te verbeteren, ook niet om alle schapen uit te leiden, maar om ‘Zijn eigen schapen’ uit de Joodse stal te halen en ze naar buiten, buiten de Joodse stal, te leiden. Zo brengt Hij een scheiding aan tussen schapen die Hem niet kennen en schapen die Hem wel kennen. Dit onderscheid en deze scheiding zijn noodzakelijk geworden omdat Israël als volk Hem heeft verworpen.

Na dit onderscheid te hebben aangebracht houdt de Heer Jezus Zich alleen bezig met Zijn eigen schapen als het enige voorwerp voor Zijn hart en met de liefde die Hij voor ieder van Zijn eigen schapen persoonlijk heeft. God geeft Hem de opdracht deze schapen, van wie God zegt dat ze ellendige schapen zijn (Zc 11:4,74Zo zegt de HEERE, mijn God: Weid die slachtschapen.7Daarom weidde Ik de slachtschapen, omdat zij ellendige schapen zijn. Ik nam voor Mijzelf twee stokken – de ene noemde Ik LIEFLIJKHEID, de andere SAMENBINDING – en Ik weidde die schapen.), te weiden. Om aan die opdracht te voldoen haalt de Herder deze ellendige schapen uit de stal van Israël om ze tot iets nieuws te maken. Dat zien we in Handelingen gebeuren (Hd 2:40-4140En met vele andere woorden betuigde en vermaande hij hen en zei: Laat u behouden van dit verkeerde geslacht.41Zij dan die zijn woord aannamen, werden gedoopt, en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.). Verderop in dit hoofdstuk (vers 1616En Ik heb [nog] andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar Mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden.) gaat de Heer daar nader op in.

De schapen die Hij uitleidt naar buiten, roept Hij bij name. Zo noemt Hij de namen van Simon (Jh 1:4242Deze vond eerst zijn eigen broer Simon en zei tot hem: Wij hebben de Messias gevonden – wat vertaald is: Christus.), van Lazarus (Jh 11:4343En na dit gezegd te hebben riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten!), van Filippus (Jh 14:99Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader?), van Maria (Jh 20:1616Jezus zei tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni! – dat wil zeggen: Meester!). Hij kent ieder van Zijn schapen persoonlijk, Hij heeft met ieder schaap een persoonlijke verhouding.

Een bijkomstig aspect bij het uitleiden uit de Joodse stal is dat dit uitleiden het oordeel over het Judaïsme betekent. Tegen hen die niet tot Zijn eigen schapen behoren en die later tegen Hem zullen zeggen dat ze toch Zijn schapen waren, zal Hij zeggen dat Hij hen nooit heeft gekend (Mt 7:2323En dan zal Ik openlijk tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, werkers van de wetteloosheid!).

Zijn eigen schapen zijn niet allemaal even gewillig om Hem te volgen. Er is ook aandrang nodig. Om ze uit te leiden moet Hij ze soms uitdrijven. Daarvoor gebruikt de Heer de vijandschap van de valse leiders, zoals we hebben gezien bij de blindgeborene.

De Herder voert ze uit in de vrijheid en niet in een nieuwe stal. Op die weg naar en in de vrijheid gaat Hij voor de schapen uit en zij volgen Hem omdat er een persoonlijke verhouding met de Herder bestaat. Ook kennen zij Zijn stem die hun het vertrouwen geeft dat ze de juiste Persoon volgen. Zoals Hij uitsluitend met Zijn eigen schapen bezig is, kennen zij uitsluitend Zijn stem en geen andere stem.

Een schaap is een volgzaam dier, maar wel alleen van de eigen herder van wie hij de stem kent. Die ene stem herkennen de schapen. Alle andere stemmen kennen ze niet. Roept een andere stem hen, dan zullen ze vluchten, juist omdat het een onbekende stem is en niet de vertrouwde stem van de herder. De stem maakt openbaar wie spreekt. Als het niet de stem van de goede herder is, is het de stem van een vreemde. Welke andere stem het ook is, het is voldoende te weten dat het niet de stem van de herder is. De stem van de goede herder geeft vertrouwen; voor elke andere stem gaan ze op de vlucht.


Beeldspraak

6Deze beeldspraak sprak Jezus tot hen, maar zij wisten niet wat het was dat Hij tot hen sprak.

De farizeeën zijn blind als altijd en begrijpen er niets van. Ze willen het ook niet begrijpen, want ze haten Hem. Wat Hij tot hen spreekt, weten ze niet omdat ze Hem niet kennen. Wat Hij spreekt, dat is Hij. Omdat ze Hem niet willen kennen, blijven ze ook blind voor de betekenis van wat Hij spreekt. Als ze Hem zouden kennen, zouden ze ook Zijn woorden verstaan.

Dit is de kwaal van velen die een titel in de godgeleerdheid hebben. Zulke mensen menen te zien, maar zijn blind, omdat ze Hem niet de eer geven die Hem toekomt. De Heer spreekt in beeldspraak of gelijkenissen om de ware betekenis ervan voor het ongeloof te verbergen, terwijl de ware discipelen de betekenis wel mogen weten (Mt 13:13-1513Daarom spreek Ik in gelijkenissen tot hen, omdat zij kijkend niet kijken en horend niet horen en niet verstaan.14En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: ’Met [het] gehoor zult u horen en geenszins verstaan, en kijkend zult u kijken en geenszins zien;15want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet misschien met hun ogen zien en met hun oren horen en met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’.).


Ik ben de deur

7Jezus dan zei opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. 8Allen die <vóór Mij> gekomen zijn, zijn dieven en rovers; maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. 9Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.

De Heer gaat verder met Zijn beeldspraak en voegt er ook een verklaring aan toe. Zoals Hij de beeldspraak met het dubbele en daardoor nadrukkelijke “voorwaar” inleidde, gevolgd door het gezaghebbende “Ik zeg u” (vers 11Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet binnengaat door de deur in de stal van de schapen, maar van een andere kant naar binnen klimt, die is een dief en een rover;), zo leidt Hij ook het vervolg daarmee in. Hij stelt Zichzelf voor als “de deur”. Hij is niet de deur van Israël, maar van de schapen. Er is geen andere deur, geen andere manier voor de schapen om de plaats van zegen binnen te gaan. Die zegen is de zegen die in het christendom gevonden wordt en die op een totaal andere basis staat dan alles wat met het Jodendom verbonden is.

De Heer spreekt over de vele aanmatigers die onder het volk zijn opgestaan. Die personen zijn dieven en rovers. Zij hebben het volk bestolen en ze hebben vooral God bestolen door ten koste van Zijn volk alleen hun eigen belangen na te jagen. De schapen hebben niet naar hen gehoord, dat wil zeggen dat er geen band van vertrouwen tussen de schapen en hen bestaat.

Vanaf vers 77Jezus dan zei opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. spreekt de Heer over “de schapen” die al zijn uitgeleid en die Zijn eigen schapen zijn. In vers 99Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. wijst Hij nog eens op Zichzelf als de deur, nu niet meer met het oog op de schapen, maar om de zegeningen voor te stellen die elk schaap, dat is ieder mens (Ez 34:3131En u, Mijn schapen, schapen van Mijn weide, u bent mens, [maar] Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.) krijgt die door Hem het gebied van de zegen binnengaat. Die zegeningen zijn drievoudig: “behouden worden”, “ingaan en uitgaan” en “weide vinden”.

De eerste zegen is “behouden worden”. Het hiervoor noodzakelijke werk, Zijn dood en opstanding, moest nog wel gebeuren, maar de Heer wijst al op het resultaat ervan. “Ingaan en uitgaan” is een uitdrukking die vrijheid aanduidt (Hd 9:2828En hij ging met hen in en uit in Jeruzalem,). In het Jodendom is er geen vrije toegang tot God. De Joden mogen ook niet vrij tot de volken uitgaan om hen van God te vertellen. Nu is er voor beide activiteiten vrijmoedigheid (Hb 10:1919Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,; Hd 8:44Zij dan die verstrooid waren, gingen [het land] door en verkondigden het Woord.). De derde zegen, “weide vinden”, ziet op het geestelijk voedsel dat de goede Herder hun biedt, in tegenstelling tot de valse herders die alleen zichzelf te goed doen, zichzelf weiden en het overgeblevene vertrappen (Ez 34:1818Is het te weinig voor u dat u de beste weide afgraast? Moet u het overige van uw weide dan met uw voeten vertrappen? En moet u het heldere water drinken en wat overblijft, met uw voeten troebel maken?).


Ik ben de goede Herder

10De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben. 11Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen; 12wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit <de schapen. 13En de huurling vlucht>, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert. 14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij, 15zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik leg Mijn leven af voor de schapen.

De Heer wijst op de grote tegenstelling tussen de dief en de goede herder. Een dief komt stiekem en onverwachts en zonder enig medelijden. Hij buit de schapen uit en meer dan dat. Hij komt niet alleen om te stelen, maar ook om te slachten, dat is te doden, en wil zelfs elk spoor van zijn misdaad uitwissen door te verderven. Hij geeft niets, maar neemt alles, tot en met het leven en de restanten daarvan.

Hoe volkomen anders is de Heer Jezus. Hij is niet gekomen om iets te nemen, maar om iets te geven en wel leven en dat in overvloed. Hij geeft het leven in zijn rijkste en meest overvloedige vorm, dat is het eeuwige leven. Om dat te kunnen geven heeft Hij Zijn leven niet alleen in de waagschaal gesteld, Zijn leven geriskeerd, maar Hij heeft het daadwerkelijk gegeven. Daardoor heeft Hij bewezen de goede Herder te zijn.

Het goede aan die Herder is niet dat Hij Zijn schapen uitleidt en eeuwig leven geeft, maar dat Hij voor hen Zijn leven aflegt in de dood. Het heerlijke gevolg daarvan is dat Hij Zijn schapen uitleidt en eeuwig leven geeft. Zijn schapen zijn Hem zo dierbaar, dat Hij om hun het leven in overvloed te kunnen geven voor hen in de dood wilde gaan. Het afleggen van Zijn leven is hier een volkomen vrijwillige daad van Hemzelf als het hoogste bewijs van Zijn liefde voor de schapen. Zo laat Hij Zijn discipelen in vrijheid heengaan als ze Hem gevangen komen nemen (Jh 18:88Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben; als u dan Mij zoekt, laat dezen heengaan;).

Wat een tegenstelling vormt dit handelen met het handelen van een huurling. De huurling stelt een ander aspect van een valse herder voor, naast wat de Heer al heeft gezegd over de dief en de rover. De huurling hoeft niet noodzakelijkerwijs verdorven te zijn zoals de dief of de rover. Zijn belangstelling gaat echter niet in de eerste plaats uit naar de schapen, maar naar geld. Daarom vlucht een huurling zodra er gevaar dreigt. Hij denkt niet aan de schapen, ze gaan hem niet ter harte. Hij is alleen bezorgd voor zijn eigen leven. Hij heeft geen enkele binding met de schapen.

Bij de goede herder is dat heel anders. De Heer Jezus is de goede Herder en Hij heeft een nauwe binding met de schapen. Hij kent ze, ze zijn van Hem, Hij heeft er aandacht voor en besteedt er zorg aan. Het wederkerig kennen van de herder en de schapen berust op de nauwe band die er is tussen de herder en de schapen. Deze Herder weet precies wat de behoeften van ieder schaap zijn. Omdat er een relatie is, kennen de schapen die Hem toebehoren Hem ook. Zij weten Wie Hij is Die voor hen zorgt.

De wederkerige kennis tussen de Vader en de Zoon is de norm voor de kennis die er is tussen de Herder en Zijn schapen. De kennis tussen de Vader en de Zoon is volkomen. Zo is het ook met de kennis tussen de Heer Jezus en de Zijnen. De Zoon is het voorwerp van het hart van de Vader. Op dezelfde wijze zijn de schapen het voorwerp van Zijn hart. De wederzijdse kennis is er omdat de schapen hetzelfde leven hebben als de goede Herder. Om dat mogelijk te kunnen maken heeft de Heer Jezus Zijn leven afgelegd voor de schapen.


Eén kudde, één Herder

16En Ik heb [nog] andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar Mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden.

Tot nu toe heeft de Heer Jezus gesproken over schapen uit Israël met een tweedeling tussen schapen die geen relatie met Hem hebben, die Hem afwijzen, en schapen die Hij Zijn eigen schapen noemt, het gelovige overblijfsel uit Israël. Hij heeft gesproken over het afleggen van Zijn leven voor de schapen uit Israël die Hem toebehoren als de basis voor de wederzijdse kennis. In vervolg daarop spreekt Hij over “[nog] andere schapen”, een derde groep schapen. Met deze andere schapen bedoelt Hij de schapen uit de volken.

Zijn dood kan niet beperkt blijven tot alleen de verloren schapen van het huis van Israël. De grote waardering van Zijn dood door de Vader is de aanleiding tot de vorming van een bijzondere kudde, waarvan Hij de Herder is. Die kudde zal bestaan uit ‘Zijn eigen schapen’ die Hij uit de stal van Israël heeft uitgeleid en schapen die niet uit die stal zijn. Hij staat op het punt schapen toe te voegen die tot nu toe buiten de stal van Israël zijn geweest. Dat zijn, zoals gezegd, de schapen uit de volken. Hiermee duidt de Heer de roeping van een groep uit de heidenen aan. Het begin ervan zien we in het boek Handelingen met als voorbeelden de kamerling uit Ethiopië (Hd 8:27-3927En hij stond op en ging. En zie, een Ethiopiër, een kamerling, een machthebber van Candacé, koningin van [de] Ethiopiërs, die haar schatbewaarder was, die naar Jeruzalem was gekomen om te aanbidden;28en hij was op de terugreis en zat op zijn wagen en las de profeet Jesaja.29En de Geest zei tot Filippus: Ga naar die wagen en blijf er in de buurt.30En Filippus liep er snel heen en hoorde hem de profeet Jesaja lezen; en hij zei: Begrijpt u wel wat u leest?31Hij nu zei: Hoe zou ik dat immers kunnen, als niet iemand mij begeleidt? En hij verzocht Filippus in te stappen en bij hem te komen zitten.32De Schriftplaats nu die hij las was deze: ’Als een schaap werd Hij naar [de] slachting geleid, en zoals een lam stom is tegen zijn scheerder, zo doet Hij Zijn mond niet open.33In Zijn vernedering werd Zijn oordeel weggenomen; wie zal Zijn geslacht vertellen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen’.34De kamerling nu antwoordde Filippus en zei: Ik vraag u, van wie zegt de profeet dit: van zichzelf of van iemand anders?35En Filippus opende zijn mond en te beginnen van die Schrift verkondigde hij hem Jezus.36Toen zij nu langs de weg voortgingen, kwamen zij bij een water; en de kamerling zei: Kijk, water; wat verhindert mij gedoopt te worden? [37Dit vers is als niet-authentiek weggelaten]38En hij beval de wagen stil te houden. En zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.39Toen zij nu uit het water waren opgekomen, rukte [de] Geest van [de] Heer Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap.) en de Romeinse hoofdman Cornelius en zijn vrienden (Hd 10:24,44-4824En de volgende dag kwam hij in Caesaréa. Cornelius nu verwachtte hen, terwijl hij zijn bloedverwanten en vertrouwde vrienden had bijeengeroepen.44Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden.45En de gelovigen uit [de] besnijdenis, allen die met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat ook op de volken de gave van de Heilige Geest werd uitgestort;46want zij hoorden hen spreken in talen en God grootmaken. Toen antwoordde Petrus:47Kan iemand soms het water weren, dat dezen niet zouden worden gedoopt, die de Heilige Geest hebben ontvangen evenals ook wij?48En hij beval hen te dopen in de Naam van Jezus Christus. Toen vroegen zij hem enige dagen te blijven.).

De Heer brengt al die schapen niet als één kudde in een nieuwe stal met Hem als de ene Herder. Hij maakt er ook niet één kudde van, terwijl Hij ze toch in meerdere stallen onderbrengt. In het laatste geval zou het lijken alsof de verdeeldheid iets goeds zou zijn, mogelijk zelfs bedoeld. Dat is helaas wel wat we in de christenheid zien in de talloze groepen en kerkgenootschappen. Nee, er is helemaal geen stal meer.

Het kenmerk van de gemeente, gezien als één kudde met één Herder, is eenheid in vrijheid. Het Jodendom hield de schapen samen door uiterlijke beperkingen, door wetten en geboden. De nieuwe eenheid wordt samengehouden door de persoonlijke uitstraling en aantrekkingskracht van de Herder. Dit is het wezen van het christendom. Hiervoor was niet alleen de dood, maar ook de opstanding nodig, zoals het volgende vers laat zien.


Het leven afleggen en het weer nemen

17Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem. 18Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.

De Heer noemt het afleggen van Zijn leven als de reden van de liefde van de Vader voor Hem. De Vader heeft de Zoon altijd lief (Jh 3:3535De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in Zijn hand gegeven.). Maar hier, in het afleggen van Zijn leven, geeft Hij de Vader als het ware een nieuwe reden om Hem lief te hebben. Nooit eerder heeft de Zoon Zijn leven afgelegd. Nu doet Hij het. Hij doet het weliswaar voor Zijn schapen, maar daarbovenuit uit liefde voor Zijn Vader, want Die heeft Hem het gebod daartoe gegeven.

Het afleggen van Zijn leven uit liefde voor Zijn schapen als uiting van Zijn liefde voor de Vader, geeft de Vader een extra reden om Hem lief te hebben. En Hij legt Zijn leven niet alleen af, Hij neemt het ook weer. Zowel het afleggen als het weer nemen van het leven kan alleen een Goddelijk Persoon. Hij is verklaard de Zoon van God te zijn in kracht door op te staan uit de doden (Rm 1:44Die verklaard is als Gods Zoon in kracht naar [de] Geest van de heiligheid, door dodenopstanding), Jezus Christus onze Heer –).

In andere evangeliën vertelt de Heer Zijn discipelen wat mensen met Hem zullen doen en dat zij Hem zullen doden (Mt 16:2121Van toen af begon Jezus Zijn discipelen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden vanwege de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en op de derde dag worden opgewekt.; 17:22-2322Terwijl zij nu in Galiléa [om Hem] samendrongen, zei Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in handen van mensen23en zij zullen Hem doden, en op de derde dag zal Hij worden opgewekt. En zij werden zeer bedroefd.; 20:17-1917En toen Jezus naar Jeruzalem opging, nam Hij de twaalf <discipelen> afzonderlijk tot Zich en zei onderweg tot hen:18Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen19en Hem overleveren aan de volken om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen; en op de derde dag zal Hij worden opgewekt.; Mk 8:3131En Hij begon hun te leren dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten, de overpriesters en de schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.; 9:3131want Hij leerde Zijn discipelen en zei tot hen: De Zoon des mensen wordt overgeleverd in handen van mensen en zij zullen Hem doden; en na gedood te zijn zal Hij na drie dagen opstaan.; 10:3333Zie, wij trekken op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en de schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem overleveren aan de volken;; Lk 9:22,4422en zei: De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden door de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en op de derde dag worden opgewekt.44Legt u deze woorden in uw oren, want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in handen van mensen.; 18:31-3231Hij nu nam de twaalf tot Zich en zei tot hen: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en alles wat door de profeten is geschreven, zal aan de Zoon des mensen worden volbracht.32Want Hij zal aan de volken overgeleverd worden en bespot, mishandeld en bespuwd worden;). In dit evangelie zegt Hij dat zowel Zijn dood als Zijn opstanding Zijn eigen werk is. De mensen kunnen Hem alleen zo behandelen omdat Hij het toelaat, terwijl Hij Zelf Zijn leven aflegt en weer neemt. We zien hier Zijn Godheid. Tevens zien we ook Zijn Mensheid, want Hij doet beide op grond van het gebod van Zijn Vader. Wat Hij doet, doet Hij niet buiten de Vader om, maar voor Hem.


Opnieuw verdeeldheid

19Er ontstond opnieuw verdeeldheid onder de Joden om deze woorden. 20En velen van hen zeiden: Hij heeft een demon en spreekt wartaal; waarom luistert u naar Hem? 21Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van een bezetene; kan een demon soms ogen van blinden openen?

De Joden raken opnieuw verdeeld over de Heer, dit keer vanwege Zijn woorden (Jh 7:4343Er ontstond dan verdeeldheid onder de menigte om Hem.; 9:1616Sommigen dan van de farizeeën zeiden: Deze Mens is niet van God, want Hij houdt de sabbat niet. <Maar> anderen zeiden: Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen? En er was verdeeldheid onder hen.). Deze onderlinge storing ligt niet aan Zijn woorden, maar aan hun geesteshouding. Christus is de test voor iedere persoon die Zijn woord hoort. Velen beoordelen wat Hij zegt als wartaal die Hij uitspreekt onder invloed van een demon. Zijn verheven woorden zo classificeren duidt wel aan hoe groot de afstand is tussen deze luisteraars en Christus. Er is een volkomen scheiding. Door hun reactie bewijzen ze zelf volledig in de macht van de duivel te zijn.

Niet alleen komen ze zelf tot deze lasterlijke conclusie, ze willen ook ieder van de omstanders verbieden verder naar Hem te luisteren. Er zijn er ook die niet zo ver gaan in hun afwijzing. Zij begrijpen Zijn woorden evenmin, maar ze schrijven ze toch niet toe aan een demon. In het wonder van het openen van de ogen van blinden zien zij het bewijs dat Hij niet door een demon Zijn woorden spreekt. Zoiets doet een demon niet, dat is wel duidelijk voor hen.


Waarom de Joden niet geloven

22En het was [het feest van] de tempelwijding in Jeruzalem; het was winter. 23En Jezus wandelde in de tempel in de zuilengang van Salomo. 24De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt U onze ziel in spanning? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit. 25Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en u gelooft niet. De werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij; 26maar u gelooft niet, omdat u niet tot Mijn schapen behoort, <zoals Ik u gezegd heb>.

Het feest van de tempelwijding is geen feest dat ergens in het Oude Testament door Jahweh aan Zijn volk is voorgeschreven om te houden. Het is een menselijke inzetting ter herinnering aan een hernieuwde wijding van de tempel door Judas de Makkabeeër in het jaar 164 v.Chr., na de ontwijding ervan door Antíochus Epíphanes. Dit feest wordt twee maanden na het Loofhuttenfeest gevierd. Het Loofhuttenfeest wordt in de herfst gevierd en het feest van de tempelwijding valt in de winter. Dat hier wordt vermeld dat het winter is, is niet bedoeld om ons alleen op de hoogte te brengen van het jaargetijde. Veel meer is de verwijzing naar de winter van symbolische betekenis om aan te geven hoe koud de harten van Gods volk en met name van de godsdienstige leiders zijn.

De Heer is daar niet om dit feest mee te vieren. Hij onderwerpt Zich niet aan tradities van mensen. Hij wandelt nog steeds vrij rond, ondanks alle pogingen van de godsdienstige leiders om Hem uit te schakelen. Hij bevindt Zich in de zuilengang van Salomo waardoor we worden herinnerd aan de glorietijd van Israël en tevens aan de grote wijsheid die Salomo bezat. Ondanks zijn grote wijsheid heeft de glorietijd niet lang geduurd. Dat kwam omdat Salomo, en het volk met hem, Jahweh ontrouw is geworden. Nu is hier Iemand Die meer is dan Salomo en Die niet ontrouw kan zijn.

Terwijl de Heer daar wandelt, komen de Joden weer op Hem af. Ze gaan om Hem heen staan en vragen Hem nu eindelijk een keer vrijuit te zeggen of Hij de Christus is. Ze doen alsof Hij hen daarover steeds maar in spanning houdt. Alsof Hij nog niet duidelijk genoeg is geweest. Ze zijn er niet echt benieuwd naar, maar ze willen iets horen dat hun een wapen in handen geeft om Hem aan te klagen, zowel bij het volk als bij de Romeinen.

De Heer herinnert hen er eenvoudig aan dat Hij een overvloedig getuigenis heeft gegeven van Wie Hij is. We hebben dat in Johannes 5, 7 en 8 gehoord, maar zij hebben Zijn woorden niet geloofd. Zijn werken in Johannes 5, 6 en 9 dragen hetzelfde karakter als Zijn woorden. Al Zijn werken komen van de Vader en leggen getuigenis af van Wie Hij is, maar ook Zijn werken hebben ze niet geloofd.

Hij zegt onomwonden dat hun ongeloof de grote hinderpaal is. Zijn getuigenissen in woorden en werken zijn krachtig genoeg, maar ze horen en zien ze niet. Dat komt omdat er geen verbinding met Hem is, ze horen nog bij de stal van Israël en niet tot Zijn schapen. Hij vertelt niet alleen de waarheid over Zichzelf maar ook over hen. Hij vertelt hun duidelijk waar zij staan.


De zekerheid van de schapen

27Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. 28En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit Mijn hand. 29Mijn Vader Die [ze] Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan [ze] rukken uit de hand van Mijn Vader. 30Ik en de Vader zijn één.

Tegenover het ongeloof van de Joden waardoor zij niet tot Zijn schapen behoren, geeft de Heer drie kenmerken van hen die Hij “Mijn schapen” noemt. In de eerste plaats horen ze de stem van de Herder. Dit horen is het herkennen van Zijn stem waardoor zij bij Hem blijven.

Het tweede is niet dat zij Hem kennen, maar dat Hij hen kent. Dat Hij hen kent, is meer dan dat zij Hem kennen (vgl. Gl 4:9a9en thans, nu u God kent, ja nog meer, nu u door God gekend bent, hoe wendt u zich weer tot de zwakke en arme elementen, die u weer opnieuw wilt dienen?). Hun kennen van Hem is altijd beperkt, maar Zijn kennen van hen is volmaakt en in volkomen liefde. Hij kent hen met al hun gedachten en gevoelens, hun woorden en wegen, hun gevaren en moeiten, hun verleden, heden en toekomst.

Het derde is dat ze Hem volgen. Geloof is levend en praktisch. Het betekent ook dat Hij voor hen uitgaat, Hij Die hen kent en ook de omstandigheden kent waar ze doorheen moeten. Dat is een grote veiligheid en zekerheid.

Hij geeft hun eeuwig leven, dat is Zijn leven, dat is Hijzelf als het eeuwige leven (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.). Het leven dat Hij geeft, kan niet verloren gaan. Het kan niet door een innerlijke zwakheid worden aangetast en ten val worden gebracht. Ook van buitenaf is er geen macht die dit leven kan verderven, want welke macht zou er zijn die hen zou kunnen rukken uit de hand van Hem Die alle macht heeft in hemel en op aarde (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.)?

Zijn bescherming gaat nog verder. Hij vertelt over de liefde van de Vader voor hen, want de schapen zijn Hem door de Vader gegeven. Dat betekent niet dat de Vader hen niet meer bezit, maar dat de Vader hen aan de zorg van de Zoon heeft overgedragen. Zou er een macht denkbaar zijn die wat de Vader aan de Zoon heeft gegeven, maar waar Hij nog steeds Zijn beschermende hand over uitgestrekt houdt, uit die machtige hand zou kunnen rukken? Hij is groter dan welke macht ook (Ex 18:1111Nu weet ik dat de HEERE groter is dan alle goden, want in de zaak waarin zij overmoedig handelden, [stond Hij] boven hen.; 2Kr 2:55Het huis dat ik ga bouwen, zal groot zijn, want onze God is groter dan alle [andere] goden.; Ps 135:55Want ík weet: de HEERE is groot;
onze Heere [gaat] alle goden te boven.
; vgl. 1Jh 4:44U bent uit God, kinderen, en hebt hen overwonnen, omdat Hij Die in u is, groter is dan hij die in de wereld is.)
.

De Heer Jezus besluit de zekerheidsstelling van de schapen in Zijn hand en in die van de Vader met erop te wijzen dat Hij en de Vader één zijn. Afzonderlijk zijn Zij Beiden almachtig en is geen macht in staat de Zijnen uit de hand van óf de Zoon óf de Vader te rukken. Als de Heer dan ook op de eenheid van de Vader en de Zoon wijst, is dat een overvloedige verklaring van zekerheid.

Dat de Zoon dit zegt, is tevens de hoogste verklaring van heilige liefde en onbegrensde macht. Daarvan kan niemand spreken dan alleen Hij Die de Zoon is. Hij spreekt over de geheimen van de Godheid met de intieme bekendheid die eigen is aan de eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is. Zij zijn één, dat is niet als Persoon, want zij zijn twee Personen, maar één in hun Goddelijke natuur of wezen. Zij Die zo één zijn, zijn dat ook in de gemeenschap van Goddelijke liefde en bescherming voor de schapen.


De Joden willen de Heer stenigen

31De Joden namen opnieuw stenen op om Hem te stenigen. 32Jezus antwoordde hun: Vele goede werken heb Ik u getoond van <Mijn> Vader; om welk van die werken stenigt u Mij? 33De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk stenigen wij u, maar om lastering en omdat U Die een Mens bent, Uzelf God maakt. 34Jezus antwoordde hun: Staat er niet geschreven in uw wet: ‘Ik heb gezegd: U bent goden’? 35Als Hij hen goden noemt tot wie het woord van God kwam (en de Schrift kan niet verbroken worden), 36zegt u van Hem Die de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden: U lastert, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?

De Joden hebben gevraagd of Hij de Christus is (vers 2424De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt U onze ziel in spanning? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit.). Ze hebben een antwoord gekregen dat daar ver bovenuit gaat. Hun reactie toont de absolute duisternis van hun met haat vervulde hart. Hun antwoord op wat de Heer hun heeft meegedeeld, is het opnemen van stenen om Hem te stenigen. Er is niets wat de satan zo woedend maakt als de volmaakte openbaring van de goedheid van God in de Zoon. Hij vindt in de eigen wil en de hoogmoed van de mens gepaste instrumenten om uiting te geven aan zijn haat.

De Heer beantwoordt hun haat door hen in volmaakte kalmte een reële vraag te stellen. Hij heeft zoveel goede werken van Zijn Vader getoond. Kunnen ze ook zeggen om welk van die goede werken ze Hem willen stenigen? Hij zegt trouwens niet ‘om welk van die werken wilt u mij stenigen’, maar “om welk van die werken stenigt u Mij”. In hun hart hebben ze Hem allang gestenigd.

De Joden reageren daarop met te zeggen dat ze Hem niet om een goed werk stenigen, maar om lastering. Daarmee getuigen zij van Zijn werken dat ze goed zijn. Maar hun verduisterd hart wil niet aanvaarden dat Hij de waarheid heeft gesproken en wil niet erkennen dat Zijn werken die van de Vader zijn. Daarom moeten ze Hem wel van lastering beschuldigen.

Nu is Hij inderdaad een Mens, daarin hebben ze gelijk. Maar Hij heeft Zichzelf niet God gemaakt, want Hij is God van eeuwigheid en daarin hebben ze dus geen gelijk. Hij heeft Zich vernederd om Mens te worden om aan mensen Gods liefde in Zijn vele goede werken te tonen en hun Heiland te zijn. Ook op deze lastering gaat de Heer in. Hij blijft bezig met het getuigen van Zijn heerlijkheid, niet ter wille van Zichzelf, maar om de eer van de Vader.

Hij verwijst naar een woord uit hun wet waarin van bepaalde mensen geschreven staat dat zij ‘goden’ zijn (Ps 82:66Ík heb [wel] gezegd: U bent goden,
u bent allen zonen van de Allerhoogste;
)
. Dit gaat over rechters in Israël, mannen met een bepaalde verantwoordelijkheid, maar toch gewone sterfelijke mensen. Deze rechters spreken recht namens God en moeten daarom in hun rechtspraak erkend worden als ‘goden’ (vgl. Ex 7:11Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik heb u voor de farao [tot] een god gemaakt en uw broer Aäron zal uw profeet zijn.). In de rechter hebben de leden van Gods volk met God te maken. Het zijn geen Goddelijke personen, maar ze hebben Goddelijke autoriteit ontvangen. Gods Woord spreekt dus over gewone sterfelijke mensen als ‘goden’.

Tot deze ‘goden’ kwam het woord van God, terwijl dat slechts op hen van toepassing is met het oog op hun positie onder het volk. Voor de Heer Jezus geldt dit woord op de meest letterlijke wijze. Hij is naar Zijn natuur de eeuwige Zoon en door Zijn geboorte uit de Heilige Geest is Hij ook sinds Zijn komst op aarde als Mens Gods Zoon (Lk 1:3535En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.).

Tussendoor wijst de Heer op de eenheid van het Woord van God door over ‘de Schrift’ te spreken. Hij spreekt ook over de onverbrekelijkheid ervan, waarmee Hij het onveranderlijke en duurzame karakter ervan voor alle tijden aangeeft. Er kan niet worden gezegd: ‘Ja, dat staat wel in de Bijbel, maar het staat in het Oude Testament en dat gaat nu niet meer op.’ Hij maakt hiermee duidelijk hoezeer de uitspraken van het Oude Testament ook op dat moment volledig van kracht waren en hoe ze dat altijd zullen blijven. Als nu de Schrift zo spreekt over sterfelijke mensen, willen ze Hem dan van lastering beschuldigen als Hij, Die Zelf het vleesgeworden Woord van God is, van Zichzelf zegt dat Hij Gods Zoon is?

De Heer doet een beroep op hun verstand, op hun logica. Rechters op aarde waren door God geheiligd, dat is apart gesteld, om op een bepaalde manier Hem te vertegenwoordigen. Nu komt de Zoon Die door de Vader op speciale wijze is geheiligd om Hem te verklaren. Met dat doel is Hij door de Vader vanuit de hemel in de wereld gezonden. Hij kent de Vader als zodanig en voldoet als Zoon aan de opdracht van de Vader. Hij komt met een Goddelijke bevoegdheid én in een gekende relatie tot Zijn Vader. Hij is als Mens in de wereld gekomen, terwijl die relatie onveranderlijk is. Hoe zou Hij kunnen ophouden de Zoon van de Vader te zijn? Hoe kunnen ze in redelijkheid Hem van lastering beschuldigen als Hij slechts wijst op het feit dat Hij Gods Zoon is?


De werken spreken voor zichzelf

37Als Ik niet de werken van Mijn Vader doe, gelooft Mij niet; 38maar als Ik ze doe en u Mij niet gelooft, gelooft dan de werken, opdat u erkent en weet dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader.

39Zij trachtten <dan> opnieuw Hem te grijpen, en Hij ontkwam uit hun hand.

Dat Hij Gods Zoon is, blijkt uit Zijn werken. Als Hij die werken niet zou doen, zouden ze niet in Hem hoeven te geloven. Maar Hij doet ze wel. En zelfs hoewel Hij ze doet en ze Hem niet geloven, laten ze dan de werken voor zichzelf laten spreken. Laten ze Hem vergeten en naar de werken kijken. Die werken zouden hen onloochenbaar naar de Vader voeren en tegelijk ook naar Hem. Ze zouden tot geen andere conclusie kunnen komen, dan dat de Vader in Hem is en Hij in de Vader.

Door deze manier van redeneren verzwakt de Heer niet de waardigheid van Zijn Persoon of de waarheid van Zijn woorden. Wat Hij wil, is op hun geweten inwerken met wat onloochenbaar is: het karakter van Zijn werken die het getuigenis van Goddelijke liefde en kracht dragen. Zijn werken geven getuigenis van Zijn heerlijkheid.

Weer is haat het antwoord op de schitterende ontvouwing van de heerlijkheden van de Heer Jezus. Hun ongeloof verhardt zich telkens meer na elke ontvouwing van heerlijkheid. Ze willen Hem opnieuw grijpen, maar Zijn tijd is nog niet gekomen. Vóór de bestemde tijd kan geen macht Hem grijpen.


Opnieuw over de Jordaan

40En Hij ging opnieuw over de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerst doopte, en Hij bleef daar. 41En velen kwamen tot Hem en zeiden: Johannes deed wel geen enkel teken, maar alles wat Johannes van Hem zei, was waar. 42En velen geloofden daar in Hem.

Zijn weg voert Hem over de Jordaan. Hij komt op de plaats waar Johannes eerst doopte en getuigenis heeft gegeven van Hem als het Lam van God. Daar blijft de Heer enige tijd. Op die plaats komen velen bij Hem. Het is een plaats met de herinnering aan de prediking van Johannes. Zijn stem klinkt daar als het ware nog na. De waarheid van het getuigenis van Johannes wordt meer dan drie jaar later nadat hij dat getuigenis heeft gegeven, bevestigd door allen die nu nog naar de Heer toe komen. Ze herinneren zich wat Johannes bij de Jordaan over Hem heeft gezegd.

Johannes heeft te midden van de puinhopen van Israël als getuigenis niet met tekenen gewerkt. Het doen van tekenen is ook niet het bewijs van zending. Tekenen kenmerken het begin van een bedeling. Johannes trad op aan het einde van een bedeling. Met zijn optreden kwam er een einde aan het tijdperk van de wet en de profeten (Mt 11:1313Want alle profeten en de wet hebben tot op Johannes geprofeteerd.). Hij heeft gepredikt over de komende Christus en dat was veel beter dan het doen van tekenen en wonderen.

Ook wij staan aan het einde van een bedeling. In plaats van naar wonderen te verlangen moeten we als een Johannes een trouw getuigenis geven over Hem Die we verwachten. Als de Heer Jezus komt, zullen er weer tekenen en wonderen zijn. Het mag ons verlangen zijn dat anderen van ons kunnen zeggen wat de velen hier van Johannes zeggen: alles wat hij of zij van Hem zei, was waar. Zal dat niet een grote lof voor ons zijn?

Zoals telkens de haat van de Joodse leiders openbaar wordt na alles wat de Heer Jezus heeft gezegd, zo zien we ook steeds dat er velen zijn die in Hem geloven (Jh 2:2323En toen Hij in Jeruzalem was op het Pascha, op het feest, geloofden velen in Zijn Naam, toen zij de tekenen zagen die Hij deed.; 7:3131Uit de menigte echter geloofden velen in Hem en zeiden: Zal de Christus, wanneer Hij komt, soms meer tekenen doen dan Deze gedaan heeft?; 8:3030Toen Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem.; 11:4545Velen dan van de Joden die naar Maria toe waren gekomen en hadden gezien wat Hij had gedaan, geloofden in Hem;; 12:11,4211omdat velen van de Joden om hem heengingen en in Jezus geloofden.42Toch geloofden ook zelfs velen van de oversten in Hem; maar om de farizeeën beleden zij [Hem] niet, opdat zij niet uit [de] synagoge werden gebannen;). Zijn genade trekt velen aan die in Hem de waarheid van het getuigenis van Johannes herkennen. Het is echter zeer de vraag of er ook een levensvernieuwend werk in de harten en gewetens heeft plaatsgevonden.


Lees verder