2 Koningen
1-3 Het verbond 4-14 De reiniging 15-20 Het altaar te Bethel 21-23 Josia viert het Pascha 24-25 Laatste daden en getuigenis van Josia 26-27 De toorn van de HEERE moet komen 28-30 Dood van Josia 31-34 Joahaz koning van Juda 35-37 Jojakim koning van Juda
Het verbond

1Toen stuurde de koning [boden], en al de oudsten van Juda en Jeruzalem verzamelden zich bij hem. 2De koning ging naar het huis van de HEERE, en met hem iedere man uit Juda en alle inwoners van Jeruzalem, de priesters, de profeten en heel het volk, van de kleinste tot de grootste. En hij las ten aanhoren van hen al de woorden van het boek van het verbond dat in het huis van de HEERE gevonden was. 3De koning ging bij de pilaar staan en sloot een verbond voor het aangezicht van de HEERE, om de HEERE te volgen en Zijn geboden, Zijn getuigenissen en Zijn verordeningen met heel zijn hart en met heel zijn ziel in acht te nemen, door de woorden van dit verbond die in deze boek[rol] beschreven zijn, te bevestigen. En het hele volk trad toe tot dit verbond.

Zowel de oordeelsboodschap met betrekking tot Jeruzalem als de geruststellende boodschap met betrekking tot zichzelf voert bij Josia niet tot passiviteit. Wat de oordeelsboodschap betreft, had hij kunnen denken dat het toch allemaal geen zin heeft om nog aan het werk te gaan. Wat de geruststellende boodschap betreft, had hij tevreden kunnen zijn en kunnen denken dat het zijn tijd wel zal duren. Maar nee, beide boodschappen brengen hem tot actie.

Hij laat de oudsten van Juda en Jeruzalem bij zich komen. Hij wil hen wakker maken uit hun valse rust en hen weer inzetten. Het aanstaande oordeel maakt hem extra ijverig. Hij gaat hard aan het werk om de noodzakelijke hervormingen door te voeren. Hij zegt niet dat het geen zin heeft omdat toch alles zal worden verwoest. De zekerheid dat wij niet in het oordeel komen, zal ook ons, als het goed is, niet passief, maar des te ijveriger maken om mensen met het evangelie te bereiken. Ook zal het onze inzet voor de Heer en Zijn gemeente groter maken.

Als de oudsten bij hem zijn, gaat hij met hen naar het huis van de HEERE, de tempel, de vindplaats van het wetboek. Niet alleen de oudsten gaan met hem mee, maar het hele volk, “van de kleinste tot de grootste”. Het is een algemene aangelegenheid geworden. Ten aanhoren van dit hele gezelschap leest Josia “al de woorden van het boek van het verbond”. Hij wil dat het volk de woorden hoort waardoor hij zelf zo is aangegrepen.

Er is ook voor ons niets wat belangrijker is dan Gods Woord door te geven (vgl. 1Tm 4:12-1312Laat niemand je jeugdige leeftijd verachten, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof, in reinheid.13Houd aan met het voorlezen, het vermanen en het leren, totdat ik kom.). Het is wel van belang dat we dat doen als mensen die er zelf door zijn aangesproken en er ook naar leven. Anders zal het Woord niet overkomen – hoewel God vrijmachtig is het toch bij deze of gene zijn werk te laten doen in hart en geweten.

Als Josia het boek van het verbond heeft voorgelezen, maakt hij een verbond tussen het volk en de HEERE. Hoewel de opwekking niet diep is, zoals het boek Jeremia laat zien, sluit Josia dit verbond toch. Misschien zijn velen toegetreden tot dit verbond omdat ze op dat moment erg onder de indruk zijn van het Woord, zonder dat het geweten is geraakt. Maar hoewel de massa dan misschien niet werkelijk innerlijk geraakt is, is het vaak wel zo dat er in de massa enkelen zijn bij wie dat wel het geval is. Zo spreken wij ook tot alle mensen, hoewel er misschien slechts een paar zijn die echt luisteren. De Heer Jezus spreekt over deze situatie in de gelijkenis van de zaaier (Mt 13:1-9,18-231Op die dag ging Jezus uit het huis en ging zitten bij de zee.2En vele menigten verzamelden zich bij Hem, zodat Hij aan boord van een schip ging en [daarin] neerzat, en de hele menigte stond op het strand.3En Hij sprak tot hen vele dingen in gelijkenissen en zei: Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.4En terwijl hij zaaide, vielen sommige [zaden] bij de weg, en de vogels kwamen en aten ze op.5Andere nu vielen op de rotsachtige bodems, waar ze niet veel aarde hadden, en ze kwamen terstond op, doordat ze geen diepe aarde hadden.6Toen echter de zon was opgegaan, verschroeiden ze, en doordat ze geen wortel hadden, verdorden ze.7Andere [zaden] nu vielen tussen de dorens, en de dorens schoten op en verstikten ze.8Andere [zaden] nu vielen in de goede aarde en gaven vrucht, het ene honderdvoudig, het andere zestigvoudig en het andere dertigvoudig.9Wie oren heeft <om te horen>, laat hij horen.18U dan, hoort de gelijkenis van de zaaier.19Als iemand het Woord van het koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft weg wat in zijn hart was gezaaid; dit is hij die bij de weg is gezaaid.20Hij nu die op de rotsachtige bodems is gezaaid, die is het die het Woord hoort en het terstond met vreugde aanneemt;21hij heeft echter geen wortel in zichzelf, maar is [iemand] van het ogenblik; als nu verdrukking of vervolging komt om het Woord, dan wordt hij terstond ten val gebracht.22Hij nu die tussen de dorens is gezaaid, die is het die het Woord hoort, en de zorg van het leven en het bedrieglijke van de rijkdom verstikken het Woord en het wordt onvruchtbaar.23Hij nu die in de goede aarde is gezaaid, die is het die het Woord hoort en verstaat, die dus vrucht draagt en voortbrengt, de een honderdvoudig, de ander zestigvoudig en de ander dertigvoudig.). Iedere ziel die wij nog uit het afvallige geheel voor God kunnen winnen, maakt alle inspanning tot een waardevolle zaak en de moeite waard.


De reiniging

4Toen gaf de koning opdracht aan de hogepriester Hilkia, de priesters van de tweede orde en de deurwachters om alle voorwerpen die voor de Baäl, de Asjera en heel het leger aan de hemel gemaakt waren, uit de tempel van de HEERE naar buiten te brengen. Hij verbrandde dat [alles] buiten Jeruzalem, in de velden van de Kidron, en liet het stof ervan naar Bethel dragen. 5Ook zette hij de afgodspriesters af die de koningen van Juda aangesteld hadden om op de offerhoogten, in de steden van Juda en rondom Jeruzalem reukoffers te brengen, evenals hen die aan de Baäl, de zon, de maan, de sterrenbeelden en heel het leger aan de hemel reukoffers brachten. 6Ook bracht hij de Asjera uit het huis van de HEERE, naar de beek Kidron, buiten Jeruzalem, en verbrandde hem bij de beek Kidron. Hij verpulverde hem tot stof, en wierp het stof ervan over de begraafplaats van het gewone volk. 7Ook brak hij de verblijven van de schandknapen af in het huis van de HEERE, waar de vrouwen gewaden voor de Asjera weefden. 8Hij liet al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de [offer]hoogten waarop die priesters reukoffers gebracht hadden, van Geba af tot Berseba toe. Verder brak hij de [offer]hoogten bij de poorten af, ook die [bij] de ingang van de poort van Jozua, de leider van de stad, aan de linkerhand [als men] de stadspoort binnen[komt]. 9De priesters van de [offer]hoogten offerden echter niet op het altaar van de HEERE in Jeruzalem, maar zij aten ongezuurde [broden] te midden van hun broeders. 10[Josia] verontreinigde ook Tofet, dat in het dal Ben-Hinnom lag, opdat niemand zijn zoon of dochter voor de Molech door het vuur liet gaan. 11Hij haalde de paarden weg die de koningen van Juda aan de zon gewijd hadden, van de ingang van het huis van de HEERE tot de kamer van Nathan-Melech, de hoveling, die zich in de bijgebouwen bevond; en de zonnewagens verbrandde hij met vuur. 12Ook de altaren die op het dak van het bovenvertrek van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en de altaren die Manasse in de twee voorhoven van het huis van de HEERE gemaakt had, brak de koning af; hij voerde ze vandaar af en wierp het stof ervan in de beek Kidron. 13Ook de [offer]hoogten die tegenover Jeruzalem lagen, die rechts van de berg van het verderf lagen, die Salomo, de koning van Israël, voor Astarte, de afschuwelijke [afgod] van de Sidoniërs, en voor Kamos, de afschuwelijke [afgod] van Moab, en voor Milkom, de gruwel van de Ammonieten, gebouwd had, verontreinigde de koning. 14Hij brak eveneens de gewijde stenen in stukken en hakte de gewijde palen om, en vulde hun plaats op met mensenbeenderen.

In de verzen 4-204Toen gaf de koning opdracht aan de hogepriester Hilkia, de priesters van de tweede orde en de deurwachters om alle voorwerpen die voor de Baäl, de Asjera en heel het leger aan de hemel gemaakt waren, uit de tempel van de HEERE naar buiten te brengen. Hij verbrandde dat [alles] buiten Jeruzalem, in de velden van de Kidron, en liet het stof ervan naar Bethel dragen.5Ook zette hij de afgodspriesters af die de koningen van Juda aangesteld hadden om op de offerhoogten, in de steden van Juda en rondom Jeruzalem reukoffers te brengen, evenals hen die aan de Baäl, de zon, de maan, de sterrenbeelden en heel het leger aan de hemel reukoffers brachten.6Ook bracht hij de Asjera uit het huis van de HEERE, naar de beek Kidron, buiten Jeruzalem, en verbrandde hem bij de beek Kidron. Hij verpulverde hem tot stof, en wierp het stof ervan over de begraafplaats van het gewone volk.7Ook brak hij de verblijven van de schandknapen af in het huis van de HEERE, waar de vrouwen gewaden voor de Asjera weefden.8Hij liet al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de [offer]hoogten waarop die priesters reukoffers gebracht hadden, van Geba af tot Berseba toe. Verder brak hij de [offer]hoogten bij de poorten af, ook die [bij] de ingang van de poort van Jozua, de leider van de stad, aan de linkerhand [als men] de stadspoort binnen[komt].9De priesters van de [offer]hoogten offerden echter niet op het altaar van de HEERE in Jeruzalem, maar zij aten ongezuurde [broden] te midden van hun broeders.10[Josia] verontreinigde ook Tofet, dat in het dal Ben-Hinnom lag, opdat niemand zijn zoon of dochter voor de Molech door het vuur liet gaan.11Hij haalde de paarden weg die de koningen van Juda aan de zon gewijd hadden, van de ingang van het huis van de HEERE tot de kamer van Nathan-Melech, de hoveling, die zich in de bijgebouwen bevond; en de zonnewagens verbrandde hij met vuur.12Ook de altaren die op het dak van het bovenvertrek van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en de altaren die Manasse in de twee voorhoven van het huis van de HEERE gemaakt had, brak de koning af; hij voerde ze vandaar af en wierp het stof ervan in de beek Kidron.13Ook de [offer]hoogten die tegenover Jeruzalem lagen, die rechts van de berg van het verderf lagen, die Salomo, de koning van Israël, voor Astarte, de afschuwelijke [afgod] van de Sidoniërs, en voor Kamos, de afschuwelijke [afgod] van Moab, en voor Milkom, de gruwel van de Ammonieten, gebouwd had, verontreinigde de koning.14Hij brak eveneens de gewijde stenen in stukken en hakte de gewijde palen om, en vulde hun plaats op met mensenbeenderen.15En ook het altaar dat in Bethel stond, [en] de [offer]hoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, gemaakt had – ook dat altaar en die [offer]hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de [offer]hoogte, verpulverde die tot stof en verbrandde de gewijde paal.16Toen Josia zich omkeerde en de graven zag die daar op de berg waren, stuurde hij [boden] en [liet] de beenderen uit de graven halen. Vervolgens verbrandde hij ze op dat altaar en verontreinigde dat, overeenkomstig het woord van de HEERE dat de man Gods verkondigd had, die deze woorden verkondigde.17Verder zei hij: Wat is dat voor een grafteken dat ik zie? De mannen van de stad zeiden tegen hem: Het is het graf van de man Gods die uit Juda kwam, en deze dingen, die u met dit altaar van Bethel gedaan hebt, aangekondigd heeft.18Hij zei: Laat hem liggen, laat niemand zijn beenderen aanraken. Dus lieten zij zijn beenderen onaangeroerd, evenals de beenderen van de profeet die uit Samaria gekomen was.19Bovendien verwijderde Josia al de huizen van de [offer]hoogten die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden om [de HEERE] tot toorn te verwekken; hij deed er hetzelfde mee als hij in Bethel gedaan had.20Al de priesters van de [offer]hoogten die daar waren, slachtte hij af op de altaren, en verbrandde er mensenbeenderen op. Daarna keerde hij terug naar Jeruzalem. wordt de reiniging tot in detail beschreven. Het telkens terugkerende woord “ook” laat zien dat Josia steeds maar doorgaat met het wegdoen van alles wat niet goed is. En wat is dat veel! Er is een overvloed aan goddeloosheid in Juda en Jeruzalem, dat wil zeggen op het terrein waar men het meest met God bekend moet zijn. Josia is op dit moment achttien jaar aan de regering en heeft zelf het volk een goed voorbeeld gegeven. Toch is de diepte en de omvang van de mesthoop van de afgoderij enorm.

Josia laat zich niet door de enorme hoeveelheid op te ruimen onreinheid ontmoedigen. Elke afgoderij is tot grove oneer van de HEERE en moet worden uitgeroeid. Het werk gaat niet snel. Er moet veel worden gereinigd en er moet grondig worden gereinigd. Grondige reiniging gaat vaak moeizaam. Een opwekking gaat niet zonder reiniging. De reiniging betreft niet alleen de zichtbare dingen. De zichtbare dingen komen uit het innerlijk voort. Het gaat bovenal om een innerlijke reiniging, een reiniging van het hart.

We hebben een vernieuwing van ons denken nodig. Reiniging van ons denken betekent vooral dat we nagaan hoe we denken. Onze kinderen gaan naar school en hun denken wordt gevormd door het denken van de wereld. De wereld bepaalt wel hoe ze alles moeten zien. Ook de ouders worden beïnvloed, vooral door de massamedia. Via dat kanaal wordt hun de mening van de wereld opgedrongen. We kunnen ons daar alleen rein van bewaren als we het niet in ons opnemen. Als we soms dingen van de wereld tot ons moeten nemen, laten we ons dan voornemen geen dingen tot ons te nemen die ons verontreinigen. Daniël is hierin een voorbeeld (Dn 1:8-168Daniël nu nam zich in zijn hart voor om zich niet te verontreinigen met de gerechten van de koning of met de wijn die hij dronk. Daarom verzocht hij het hoofd van de hovelingen of hij zich niet zou hoeven te verontreinigen.9God gaf Daniël genade en barmhartigheid bij het hoofd van de hovelingen.10Want het hoofd van de hovelingen zei tegen Daniël: Ik ben bevreesd voor mijn heer de koning, die uw eten en uw drinken heeft vastgesteld. Want waarom zou hij zien dat uw gezichten er slechter uitzien dan die van de [andere] jongemannen van uw groep? U zou bij de koning mijn hoofd met schuld beladen.11Toen zei Daniël tegen de kamerheer, die het hoofd van de hovelingen had aangesteld over Daniël, Hananja, Misaël en Azarja:12Stel uw dienaren toch tien dagen op de proef, en laat men ons plantaardig voedsel geven, zodat wij [dat] eten, en water, zodat we [dat] drinken.13En laat [dan] in uw tegenwoordigheid ons uiterlijk en het uiterlijk van de [andere] jongemannen, die de gerechten van de koning eten, bezien worden, en doe [dan] met uw dienaren naar wat u ziet.14Hij luisterde naar hen in deze zaak. Tien dagen stelde hij hen op de proef.15Aan het einde van [die] tien dagen zag men dat hun uiterlijk knapper was en [zagen] zij er gezonder [uit] dan al de jongemannen die de gerechten van de koning aten.16Toen gebeurde het dat de kamerheer hun gerechten en de wijn die zij moesten drinken, wegnam en dat hij hun plantaardig voedsel gaf.). Dat kan, als we een hart hebben waarin het Woord van God rijkelijk woont (vgl. Ko 3:16a16Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.).

De eerste opdracht die Josia geeft, is dat alles moet worden weggedaan wat met de Baäl te maken heeft en in de tempel is gebracht (vers 44Toen gaf de koning opdracht aan de hogepriester Hilkia, de priesters van de tweede orde en de deurwachters om alle voorwerpen die voor de Baäl, de Asjera en heel het leger aan de hemel gemaakt waren, uit de tempel van de HEERE naar buiten te brengen. Hij verbrandde dat [alles] buiten Jeruzalem, in de velden van de Kidron, en liet het stof ervan naar Bethel dragen.). Wij moeten in de eerste plaats nagaan welke dingen van de wereld in de tempel van nu, dat is de gemeente en ons lichaam, ons denken, zijn toegelaten. Josia geeft die opdracht aan “de hogepriester Hilkia, de priesters van de tweede orde en de deurwachters”. Reiniging is vooral een priesterlijke activiteit. Als onreinheid ons leven is binnengekomen, gaat dat bovenal ten koste van onze dienst aan God. Hij krijgt dan niet meer uit ons hart en leven waar Hij recht op heeft en waar Hij naar verlangt.

De voorwerpen die aan de afgoden zijn geofferd, laat Josia verbranden. Dat gebeurt buiten Jeruzalem, de stad van God. De overblijfselen van die voorwerpen worden naar Bethel, een plaats in het tienstammenrijk, gebracht. Dat betekent dat hij de as naar een onreine plaats brengt.

De drie afgoden die hier worden genoemd, Baäl, Asjera en het leger aan de hemel, worden wel gezien als afbeelding van de welvaart. Dat maakt de toepassing naar vandaag eenvoudig. We leven immers in een tijd van verafgoding van de welvaart. We mogen wel eens bij onszelf nagaan of we werkelijk in alle dingen alleen God de eer geven, of dat we ons uitsloven om toch maar zoveel mogelijk van de welvaartskoek binnen te krijgen.

Ook de afgodspriesters die “de koningen van Juda aangesteld hadden” (vers 55Ook zette hij de afgodspriesters af die de koningen van Juda aangesteld hadden om op de offerhoogten, in de steden van Juda en rondom Jeruzalem reukoffers te brengen, evenals hen die aan de Baäl, de zon, de maan, de sterrenbeelden en heel het leger aan de hemel reukoffers brachten.), zet hij af. Met de koningen van Juda zullen ongetwijfeld Manasse en Amon bedoeld worden. De afgodspriesters offeren op de hoogten in Juda en rondom Jeruzalem. Zij zullen in hun dwaasheid gemeend hebben aan de HEERE reukoffers te offeren. Er zijn ook directe afgodspriesters, die aan de Baäl en andere afgoden reukoffers brengen. Ook die zet Josia af.

De volgende actie betreft de Asjera (vers 66Ook bracht hij de Asjera uit het huis van de HEERE, naar de beek Kidron, buiten Jeruzalem, en verbrandde hem bij de beek Kidron. Hij verpulverde hem tot stof, en wierp het stof ervan over de begraafplaats van het gewone volk.), die door Manasse in het huis van de HEERE is geplaatst (2Kn 21:77Hij zette ook een beeld van Asjera dat hij gemaakt had, in het huis waarvan de HEERE gezegd had tegen David en zijn zoon Salomo: In dit huis en in Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël verkozen heb, zal Ik voor eeuwig Mijn Naam vestigen.). Hier gaat Josia zeer grondig te werk. Eerst verbrandt hij hem en dan verpulvert hij hem. De plaats van handeling is de beek Kidron. Daarna werpt hij het stof over een begraafplaats, een onreine plaats. Door het stof over een begraafplaats te werpen brengt hij tegelijk zijn verachting voor deze god tot uitdrukking. Mogelijk dat we bij “de begraafplaats van het gewone volk” moeten denken aan een soort massagraf, waar mensen bij elkaar begraven zijn omdat ze zich geen eigen graf konden veroorloven.

De afschuwelijke verontreinigingen kennen geen grenzen. In vers 77Ook brak hij de verblijven van de schandknapen af in het huis van de HEERE, waar de vrouwen gewaden voor de Asjera weefden. is sprake van verblijven die in het huis van de HEERE zijn gemaakt voor prostituerende mannen. De walgelijkste seksuele handelingen zijn in Gods huis verricht. De vrouwen hebben zich ook niet onbetuigd gelaten. Zij hebben gewaden voor de Asjera, de godin van de wellust, geweven. In plaats van deze gruwelen aan de kaak te stellen hebben zij als het ware deze afschuwelijke praktijken met de door hen gemaakte gewaden toegedekt.

Vervolgens laat Josia alle priesters in zijn hele gebied, van Geba in het noorden van Benjamin tot Berseba in het zuiden van Juda, naar zich toe komen (vers 88Hij liet al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de [offer]hoogten waarop die priesters reukoffers gebracht hadden, van Geba af tot Berseba toe. Verder brak hij de [offer]hoogten bij de poorten af, ook die [bij] de ingang van de poort van Jozua, de leider van de stad, aan de linkerhand [als men] de stadspoort binnen[komt].). Deze priesters worden weggehaald uit hun verontreinigde omgeving. Hij verontreinigt de offerhoogten waarop die priesters reukoffers hebben gebracht. De offerhoogten bij de poorten worden afgebroken. Daaronder wordt één offerhoogte speciaal genoemd, met een nauwkeurige specificatie van de plaats waar die hoogte is.

De priesters die door Josia naar Jeruzalem zijn geroepen, kunnen daar niet op het altaar van de HEERE offeren (vers 99De priesters van de [offer]hoogten offerden echter niet op het altaar van de HEERE in Jeruzalem, maar zij aten ongezuurde [broden] te midden van hun broeders.). Wel mogen ze met hun broeders van het ongezuurde brood eten. Ze zijn in een situatie die vergelijkbaar is met die van priesters die door een lichamelijk gebrek niet aan de dienst kunnen deelnemen, maar wel van het heilige mogen eten (Lv 21:17,22-2317Spreek tot Aäron en zeg: Niemand van je nageslacht, [al] hun generaties door, die een gebrek heeft, mag naar voren komen om het voedsel van zijn God aan te bieden.22Hij mag [wel] het voedsel van zijn God eten, zowel van de allerheiligste als van de heilige [offergaven],23maar omdat hij een gebrek heeft, mag hij niet bij het voorhangsel komen en niet tot het altaar naderen, opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheiligt, want Ik ben de HEERE, Die hen heiligt.). Soms is het zo, dat iemand die tot bekering komt, een bepaalde dienst niet kan doen vanwege het leven dat hij heeft geleid. Iemand die bijvoorbeeld twee vrouwen heeft, zoals in bepaalde landen voorkomt, kan na zijn bekering geen oudste zijn (1Tm 3:22De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,).

In vers 1010[Josia] verontreinigde ook Tofet, dat in het dal Ben-Hinnom lag, opdat niemand zijn zoon of dochter voor de Molech door het vuur liet gaan. wordt de naam van Josia weer genoemd. Het is als om ons eraan te herinneren dat hij de man is die het opneemt voor de eer van de HEERE. Hij is hier steeds aan het werk. Zijn naam wordt hier direct verbonden aan het uitroeien van weer zo’n gruwel zonder weerga: het offeren van de eigen kinderen aan de Molech, de god van het vuur (vgl. Jr 32:3535Zij bouwden de hoogten van de Baäl, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters voor de Molech door [het vuur] te laten gaan, wat Ik hun niet geboden had. En in Mijn hart was het niet opgekomen dat zij deze gruweldaad zouden doen, zodat ze Juda zouden doen zondigen.). Dat gebeurde in Tofet, in het dal Ben-Hinnom, dat vanwege deze praktijken door de HEERE “Moorddal” wordt genoemd (Jr 19:66Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat deze plaats niet meer genoemd zal worden Tofet en het dal Ben-Hinnom, maar Moorddal.). Hoe vreselijk deze plaats is, blijkt wel als we bedenken dat van de naam Ben-Hinnom de naam ‘Gehenna’, dat is ‘hel’, is afgeleid.

Josia verontreinigt deze plaats opdat niemand meer zijn zoon of dochter door het vuur zal kunnen laten gaan als een offer voor de Molech. In dit vers ligt een sterke oproep aan ouders om eraan te denken met welk doel ze hun kinderen opvoeden en waarvoor ze hun kinderen moeten bewaren.

De in vers 1111Hij haalde de paarden weg die de koningen van Juda aan de zon gewijd hadden, van de ingang van het huis van de HEERE tot de kamer van Nathan-Melech, de hoveling, die zich in de bijgebouwen bevond; en de zonnewagens verbrandde hij met vuur. genoemde paarden zijn door “de koningen van Juda” – Manasse en Amon – aan de zon gewijd. Naar hun afgodische gedachten moeten deze paarden met hun wagens de zon langs de hemel trekken. De paarden staan bij “bij de ingang van het huis van de HEERE”. Op die manier tarten en beledigen zij op grove wijze de HEERE. Wie “Nathan-Melech, de hoveling” is geweest, is ons niet bekend. Maar de HEERE kent hem wel. Is hij een bestuurder van de zonnewagens geweest?

Aan het aantal altaren te zien dat Josia opruimt, moet Jeruzalem vergeven zijn geweest van afgodsaltaren. Op elke hoek en elke plek stond wel een afgodsaltaar. In vers 1212Ook de altaren die op het dak van het bovenvertrek van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en de altaren die Manasse in de twee voorhoven van het huis van de HEERE gemaakt had, brak de koning af; hij voerde ze vandaar af en wierp het stof ervan in de beek Kidron. worden weer enkele altaren specifiek genoemd. Josia breekt de altaren af “die op het dak van het bovenvertrek van Achaz waren”. Ook die altaren zijn door “de koningen van Juda gemaakt”. Ook “de altaren die Manasse in de twee voorhoven van de HEERE gemaakt had”, breekt Josia af. De beledigingen van de HEERE door Manasse kennen geen einde. Hij heeft zijn uiterste best gedaan om het huis van de HEERE in alle opzichten om te bouwen tot een afgodstempel. Josia voert alle drekgoden weg, maakt ze tot stof en werpt het stof in de beek Kidron.

Het is schokkend om in dit reinigingswerk, waarbij we namen tegenkomen als Achaz en Manasse, ineens te stuiten op de naam van Salomo als iemand die ook met de afgodencultus is verbonden (vers 1313Ook de [offer]hoogten die tegenover Jeruzalem lagen, die rechts van de berg van het verderf lagen, die Salomo, de koning van Israël, voor Astarte, de afschuwelijke [afgod] van de Sidoniërs, en voor Kamos, de afschuwelijke [afgod] van Moab, en voor Milkom, de gruwel van de Ammonieten, gebouwd had, verontreinigde de koning.). We weten uit 1 Koningen 11 dat Salomo van de HEERE is afgeweken door zijn vele vrouwen en de goden die deze vrouwen hebben meegenomen. We lezen zelfs dat hij hoogten voor die goden bouwde (1Kn 11:7-87Toen bouwde Salomo een [offer]hoogte voor Kamos, de afschuwelijke [afgod] van de Moabieten, op de berg die voor Jeruzalem ligt, en voor Molech, de afschuwelijke [afgod] van de Ammonieten.8Zo deed hij voor al zijn uitheemse vrouwen, die hun afgoden reukoffers en slachtoffers brachten.). Al deze afgoden worden hier veelzeggend aangeduid als “afschuwelijk” en een “gruwel”, waardoor het contrast tussen de afgoden van Salomo en Gods beoordeling daarvan wel krachtig wordt onderstreept.

In vers 1414Hij brak eveneens de gewijde stenen in stukken en hakte de gewijde palen om, en vulde hun plaats op met mensenbeenderen. lezen we dat Josia de gewijde stenen en palen omhakt die als voorwerpen van verering functioneerden. Koning Hizkia heeft dit eerder ook gedaan (2Kn 18:44Hij nam de [offer]hoogten weg, sloeg de gewijde stenen in stukken en hakte de gewijde palen om. Hij verbrijzelde ook de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de Israëlieten er tot die tijd toe reukoffers aan gebracht hadden; men noemde hem Nehustan.). Het feit dat dit twee generaties later door Josia opnieuw gebeurt, laat zien hoe hardnekkig deze afgoderij is. De vrijgekomen ruimte wordt door Josia gevuld met mensenbeenderen. Dat doet hij vermoedelijk om dit gebied onrein te maken en daardoor mensen ervoor te waarschuwen niet opnieuw in deze afgoderij te vervallen.


Het altaar te Bethel

15En ook het altaar dat in Bethel stond, [en] de [offer]hoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, gemaakt had – ook dat altaar en die [offer]hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de [offer]hoogte, verpulverde die tot stof en verbrandde de gewijde paal. 16Toen Josia zich omkeerde en de graven zag die daar op de berg waren, stuurde hij [boden] en [liet] de beenderen uit de graven halen. Vervolgens verbrandde hij ze op dat altaar en verontreinigde dat, overeenkomstig het woord van de HEERE dat de man Gods verkondigd had, die deze woorden verkondigde. 17Verder zei hij: Wat is dat voor een grafteken dat ik zie? De mannen van de stad zeiden tegen hem: Het is het graf van de man Gods die uit Juda kwam, en deze dingen, die u met dit altaar van Bethel gedaan hebt, aangekondigd heeft. 18Hij zei: Laat hem liggen, laat niemand zijn beenderen aanraken. Dus lieten zij zijn beenderen onaangeroerd, evenals de beenderen van de profeet die uit Samaria gekomen was. 19Bovendien verwijderde Josia al de huizen van de [offer]hoogten die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden om [de HEERE] tot toorn te verwekken; hij deed er hetzelfde mee als hij in Bethel gedaan had. 20Al de priesters van de [offer]hoogten die daar waren, slachtte hij af op de altaren, en verbrandde er mensenbeenderen op. Daarna keerde hij terug naar Jeruzalem.

In deze verzen worden we herinnerd aan een geschiedenis uit 1 Koningen 12-13. De naam van Jerobeam wordt ook hier, zoals al zo vaak eerder, vermeld met toevoeging van het negatieve kenmerk “die Israël zondigen deed”. In zijn vermetelheid had Jerobeam een eigen godsdienst bedacht (twee gouden kalveren) en een eigen altaar opgericht (1Kn 12:25-3325Jerobeam bouwde Sichem uit, in het bergland van Efraïm, en ging daar wonen. Naderhand vertrok hij vandaar en bouwde Penuel.26En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer aan het huis van David komen.27Als dit volk optrekt om offers te brengen in het huis van de HEERE in Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer, naar Rehabeam, de koning van Juda. Dan zullen zij mij doden en terugkeren naar Rehabeam, de koning van Juda.28Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.30Dit werd [aanleiding] tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.31Hij maakte ook een [gods]huis op de [offer]hoogten en hij stelde priesters aan uit alle geledingen van het volk, die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden.32Verder stelde Jerobeam een feest in [voor] in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest dat in Juda [gevierd werd], en hij besteeg [dan] het altaar. Zo deed hij [ook] in Bethel door offers te brengen aan de kalveren die hij gemaakt had. Hij stelde ook in Bethel priesters aan voor de [offer]hoogten die hij gemaakt had.33Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn [eigen] hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.). God zegt hem daarover het oordeel aan door een profeet uit Juda.

De verzen 15-1615En ook het altaar dat in Bethel stond, [en] de [offer]hoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, gemaakt had – ook dat altaar en die [offer]hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de [offer]hoogte, verpulverde die tot stof en verbrandde de gewijde paal.16Toen Josia zich omkeerde en de graven zag die daar op de berg waren, stuurde hij [boden] en [liet] de beenderen uit de graven halen. Vervolgens verbrandde hij ze op dat altaar en verontreinigde dat, overeenkomstig het woord van de HEERE dat de man Gods verkondigd had, die deze woorden verkondigde. verwijzen daarnaar. In de aankondiging van dat oordeel noemt de man Gods uit Juda de naam van Josia als de uitvoerder van dat oordeel (1Kn 13:1-21En zie, er kwam een man Gods door het woord van de HEERE uit Juda naar Bethel, terwijl Jerobeam bij het altaar stond om een reukoffer te brengen.2Hij riep tot het altaar, door het woord van de HEERE, en zei: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, in het huis van David zal een zoon geboren worden, van wie de naam Josia zal zijn. Die zal op u de priesters van de hoogten offeren, die op u reukoffers brengen. Ja, men zal mensenbeenderen op u verbranden.). Het ogenblik van de vervulling is nu aangebroken. God laat geen van Zijn woorden ter aarde vallen. Elk woord komt uit, zowel wat de zegen als wat het oordeel betreft.

In de verzen 17-1817Verder zei hij: Wat is dat voor een grafteken dat ik zie? De mannen van de stad zeiden tegen hem: Het is het graf van de man Gods die uit Juda kwam, en deze dingen, die u met dit altaar van Bethel gedaan hebt, aangekondigd heeft.18Hij zei: Laat hem liggen, laat niemand zijn beenderen aanraken. Dus lieten zij zijn beenderen onaangeroerd, evenals de beenderen van de profeet die uit Samaria gekomen was. vindt nog iets plaats wat verband houdt met de geschiedenis die in 1 Koningen 13 opgetekend staat. Dit keer betreft het de beenderen van de oude profeet. Josia merkt een grafteken op en vraagt wat dat betekent. Het is niet duidelijk waarom Josia dit niet weet, maar de mensen van de stad weten het wel. Ze vertellen hem over wat de man Gods heeft gezegd en dat Josia heeft gedaan wat de man Gods heeft aangekondigd.

Het is mooi dat men zich in Bethel deze gebeurtenis herinnert, maar het is niet mooi dat men er blijkbaar niets van heeft geleerd. Het is niet zo mooi dat Josia er blijkbaar niets van weet, maar het is wel mooi dat hij na de herinnering handelt zoals is gezegd door de man Gods. Ook de beenderen van de oude profeet blijven onaangeroerd.

Op dezelfde manier als eerder in Bethel verwijdert Josia “al de huizen van de [offer]hoogten die in Samaria waren” (vers 1919Bovendien verwijderde Josia al de huizen van de [offer]hoogten die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden om [de HEERE] tot toorn te verwekken; hij deed er hetzelfde mee als hij in Bethel gedaan had.). Deze huizen zijn gemaakt door de koningen van Israël om de HEERE tot toorn te verwekken. De priesters die op deze offerhoogten hebben gediend, worden door Josia afgeslacht (vers 2020Al de priesters van de [offer]hoogten die daar waren, slachtte hij af op de altaren, en verbrandde er mensenbeenderen op. Daarna keerde hij terug naar Jeruzalem.), iets wat hij niet heeft gedaan met de priesters in Juda die ook op offerhoogten hebben geofferd (vers 88Hij liet al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de [offer]hoogten waarop die priesters reukoffers gebracht hadden, van Geba af tot Berseba toe. Verder brak hij de [offer]hoogten bij de poorten af, ook die [bij] de ingang van de poort van Jozua, de leider van de stad, aan de linkerhand [als men] de stadspoort binnen[komt].).


Josia viert het Pascha

21De koning gebood het hele volk: Houd voor de HEERE, uw God, het Pascha, zoals in dit boek van het verbond beschreven staat. 22Want zoals dit Pascha was er geen gehouden, vanaf de dagen van de richters, die aan Israël leiding gegeven hadden, en [ook] niet [in] al de dagen van de koningen van Israël of van de koningen van Juda. 23Maar in het achttiende jaar van koning Josia werd dit Pascha voor de HEERE in Jeruzalem gehouden.

Op bevel van koning Josia wordt het Pascha gevierd. Dat het bevel om het Pascha te vieren door een koning wordt gegeven, is uniek. Het Pascha wordt hier gevierd tijdens een opwekking. Het is vaker gevierd (Ex 12:3-113Spreek tot heel de gemeenschap van Israël: Op de tiende [dag] van deze maand moet ieder voor zich een lam per familie nemen, een lam per gezin.4Maar als het gezin te klein is voor een lam, dan moet hij er [samen] met de buurman, die het dichtst bij zijn gezin [woont, één] nemen, overeenkomstig het aantal personen. U moet bij het lam rekening houden met wat ieder eten kan.5U moet een lam zonder enig gebrek hebben, een mannetje van een jaar oud. U moet [het] van de schapen of van de geiten nemen.6U moet het in bewaring houden tot de veertiende dag van deze maand, en heel de verzamelde gemeenschap van Israël zal het slachten tegen het vallen van de avond.7En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.8Zij moeten het vlees dezelfde nacht [nog] eten; op vuur gebraden, met ongezuurde [broden, en] met bittere kruiden moeten zij het eten.9U mag daarvan niets rauw eten, en zeker niet in water gekookt, maar [alleen] op vuur gebraden, [met] zijn kop, met zijn poten en zijn ingewanden.10U mag daarvan ook niets overlaten tot de morgen. Wat er de [volgende] morgen van over is, moet u met vuur verbranden.11En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.; Nm 9:55Zij hielden het Pascha op de veertiende dag van de eerste maand, tegen het vallen van de avond, in de woestijn Sinaï. Overeenkomstig alles wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden de Israëlieten.; Jz 5:1010Terwijl de Israëlieten in Gilgal hun kamp hadden opgeslagen, hielden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, in de avond, op de vlakten van Jericho.; 2Kr 30:1,15,18-20,261Daarna stuurde Hizkia [boden] naar heel Israël en Juda, en hij schreef ook brieven aan Efraïm en Manasse dat zij naar het huis van de HEERE in Jeruzalem moesten komen om voor de HEERE, de God van Israël, Pascha te houden.15Toen slachtten zij het paaslam op de veertiende [dag] van de tweede maand. De priesters en de Levieten waren beschaamd geworden, hadden zich geheiligd en brandoffers gebracht in het huis van de HEERE.18Want een groot deel van het volk, velen uit Efraïm, Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd. Toch aten zij het Pascha, [maar] niet zoals het voorgeschreven was. Hizkia bad echter voor hen en zei: Laat de HEERE, Die goed is, verzoening doen voor [hem]19[die] heel zijn hart [erop] gericht heeft om God de HEERE, de God van zijn vaderen, te zoeken, al was dat niet volgens de reinheid [die past bij] het heiligdom.20En de HEERE verhoorde Hizkia en genas het volk.26Zo was er in Jeruzalem grote blijdschap, want vanaf de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was iets dergelijks in Jeruzalem niet gebeurd.), maar ook vaak niet. Het Pascha stelt het avondmaal van de Heer voor. We kunnen dat opmaken uit het feit dat de Heer Jezus tijdens de viering van het Pascha het avondmaal instelt (Lk 22:7-8,13-207De dag nu van de ongezuurde broden kwam, waarop het Pascha moest worden geslacht.8En Hij zond Petrus en Johannes weg en zei: Gaat heen en bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten.13Zij nu gingen weg en vonden het zoals Hij hun had gezegd en bereidden het Pascha.14En toen het uur was gekomen, ging Hij aanliggen, en de apostelen met Hem.15En Hij zei tot hen: Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten voordat Ik lijd.16Want Ik zeg u, dat Ik geenszins <meer> daarvan zal eten totdat het vervuld is in het koninkrijk van God.17En Hij nam een drinkbeker, dankte en zei: Neemt deze en deelt hem onder elkaar.18Want Ik zeg u, dat Ik van nu aan geenszins zal drinken van de vrucht van de wijnstok totdat het koninkrijk van God komt.19En Hij nam brood en nadat Hij had gedankt, brak Hij het en gaf het hun en zei: Dit is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot Mijn gedachtenis.20Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.). Het avondmaal is ook vaak gevierd, maar ook tijden niet. Het is er geweest vanaf het begin.

Josia viert het Pascha omdat hij het in de Schrift heeft gevonden en nadat hij stad en land heeft gereinigd van de afgoden en hun priesters. Zo kan de (plaatselijke) gemeente ook alleen avondmaal vieren als de gelovigen het in Gods Woord hebben ontdekt en uit hun leven hebben verwijderd wat tegen Gods Woord ingaat (1Ko 5:7-87Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht.8Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid.).

Na de dagen van de richters lezen we alleen van een viering van het Pascha door Hizkia (2Kr 30:11Daarna stuurde Hizkia [boden] naar heel Israël en Juda, en hij schreef ook brieven aan Efraïm en Manasse dat zij naar het huis van de HEERE in Jeruzalem moesten komen om voor de HEERE, de God van Israël, Pascha te houden.). Het Pascha dat Josia viert, overtreft ook het Pascha dat Hizkia vierde, want er staat: “Zoals dit Pascha was er geen gehouden, vanaf de dagen van de richters, die aan Israël leiding gegeven hadden, en [ook] niet [in] al de dagen van de koningen van Israël of van de koningen van Juda” (vers 2222Want zoals dit Pascha was er geen gehouden, vanaf de dagen van de richters, die aan Israël leiding gegeven hadden, en [ook] niet [in] al de dagen van de koningen van Israël of van de koningen van Juda.). We zien hier dat hoe groter het verval is, hoe groter ook de waardering van de HEERE is als Zijn instelling van het Pascha wordt gehouden. Voor de viering ervan bedenkt Josia geen nieuwe dingen om het aantrekkelijk te maken, maar hij beveelt het te houden “zoals in dit boek van het verbond beschreven staat”. Josia houdt het omdat het in Gods Woord staat en hij houdt het zoals het in Gods Woord staat.

Het is een uniek Pascha, want het is het beste feest dat ooit in het land is geweest, beter dan in de tijden van David en Salomo en Hizkia. Het is zo groot, omdat het gehouden wordt aan het einde van het bestaan van het rijk Juda, dat op het punt staat weggevoerd te worden.

Ook wij leven in een eindtijd en ook nu is het mogelijk het avondmaal te vieren op een wijze zoals het sinds lange tijd niet is gevierd. Dat kan nu gebeuren. De vraag is of wij erbij zijn. God heeft voor de eindtijd een maaltijd, Zijn avondmaal bereid naar Zijn gedachten, om daaraan deel te nemen zoals Hij het wil. Daaraan kan worden deelgenomen door alle gelovigen die met gereinigde, gewillige harten samenkomen. Als dat gebeurt, zonder sektarisch te zijn – Josia spreekt tot “het hele volk”!–, mogen ook wij weten dat, hoe groot het verval ook is, de waardering van de Heer Jezus ook groot is als Zijn instelling van het avondmaal wordt gehouden.


Laatste daden en getuigenis van Josia

24Ook deed Josia de dodenbezweerders weg, de waarzeggers, de afgodsbeeldjes, de stinkgoden en alle afschuwelijke [afgoden] die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden, om [zo] de woorden van de wet uit te voeren, die beschreven waren in het boek dat de priester Hilkia in het huis van de HEERE gevonden had. 25Vóór hem was er geen koning aan hem gelijk, die zich met heel zijn hart, heel zijn ziel en met heel zijn kracht tot de HEERE bekeerd had, overeenkomstig de hele wet van Mozes; en na hem stond zijns gelijke niet op.

Josia voert de woorden van de wet tot de laatste letter uit. Het Woord leeft zo krachtig in hem omdat het zo fris voor hem is. Hij wil met alle kracht en ijver daaraan gehoorzaam zijn. Hij kan pas tevreden zijn als alles is weggedaan wat een belediging voor God en ongehoorzaamheid aan Zijn Woord is. Het lijkt erop dat hij na het Pascha nog weer dieper onder de indruk is van Gods Woord en Gods heiligheid, zodat hij nog een keer een rondgang door Juda en Jeruzalem maakt om te zien of er nog wat op te ruimen valt.

Wat er mogelijk nog aan zijn aandacht is ontsnapt, wordt tijdens deze inspectieronde gezien en weggedaan. Het betreft dodenbezweerders en waarzeggers, die zich zoveel mogelijk verborgen zullen hebben gehouden. Ze zullen hun werken van de duisternis zo stiekem mogelijk zijn gaan doen, maar ontkomen toch niet aan de zuiveringsacties van Josia, net zomin als de beelden waarvan ze zich hebben bediend.

Het getuigenis dat van Josia wordt gegeven, lijkt veel op wat ook van Hizkia wordt gezegd. Ook van Hizkia wordt gezegd dat er vóór hem en na hem niemand is die aan hem gelijk is. Hoe kan dat? De oplossing kan zijn dat zij beiden de beste zijn in verschillend opzicht. Hizkia heeft zijn gelijke niet als het gaat om vertrouwen op God. Josia heeft zijn gelijke niet als het gaat om gehoorzaamheid aan het Woord van God, waarnaar hij steeds heeft gehandeld. Hij heeft Gods Woord bewaard en Gods Naam niet verloochend.

Zijn waarachtige en diepgaande bekering “met heel zijn hart, heel zijn ziel en met heel zijn kracht tot de HEERE” (vers 2525Vóór hem was er geen koning aan hem gelijk, die zich met heel zijn hart, heel zijn ziel en met heel zijn kracht tot de HEERE bekeerd had, overeenkomstig de hele wet van Mozes; en na hem stond zijns gelijke niet op.; vgl. Dt 6:55Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.) heeft overvloedig werken voortgebracht de bekering waardig. Dit getuigenis van zijn bekering is ook uniek in de Schrift. Dat er niemand zoals hij na hem is opgestaan, wordt wel snel duidelijk in de koningen die na hem komen. Die koningen hebben in rap tempo het oordeel van God door de wegvoering naar Babel over Juda en Jeruzalem gehaald.


De toorn van de HEERE moet komen

26Toch keerde de HEERE Zich niet af van Zijn grote, brandende toorn, want Zijn toorn brandde tegen Juda, vanwege al [zijn] tergen waarmee Manasse Hem tot toorn verwekt had. 27De HEERE zei: Ik zal ook Juda van Mijn aangezicht wegdoen, zoals Ik Israël weggedaan heb. Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkozen had, en het huis waarvan Ik gezegd had: Mijn Naam zal daar zijn.

Ondanks de opwekking die God in Zijn genade voor Zijn volk heeft gebracht, “keerde de HEERE Zich niet af van Zijn grote, brandende toorn”. Wat voor Josia een diepgaand werk in zijn hart en geweten is geweest, is voor het volk slechts een oppervlakkige, tijdelijke aandoening geweest (Jr 25:3-73Vanaf het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda tot op deze dag – dit is het drieëntwintigste jaar – is het woord van de HEERE tot mij gekomen. Ik sprak vroeg en laat tot u, maar u hebt niet geluisterd.4Ook heeft de HEERE tot u al Zijn dienaren, de profeten, vroeg en laat gezonden, maar u hebt niet geluisterd en uw oor niet geneigd om te luisteren.5[Ze] zeiden: Bekeer u toch, ieder van zijn slechte weg en van uw slechte daden. Dan zult u eeuw uit en eeuw in blijven wonen in het land dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft.6Ga niet achter andere goden aan om die te dienen en u voor hen neer te buigen. Verwek Mij niet tot toorn door het werk van uw handen, dan zal Ik u geen kwaad doen.7Maar u hebt naar Mij niet geluisterd, spreekt de HEERE, zodat u Mij tot toorn verwekte met het werk van uw handen, uzelf ten kwade.). Zij hebben zich niet radicaal tot God bekeerd. Hetzelfde zien we in de christenheid. Al zou God nog de grootste opwekking geven, dan zou dat niets veranderen aan het feit dat het oordeel over de christenheid komt, zoals Juda hier vlak voor de wegvoering naar Babel staat. Dat heeft niet te maken met een falen van Gods almacht, maar met de onverbeterlijkheid van de mens.

God moet Jeruzalem verwerpen vanwege het tergen van Manasse. Wat Manasse heeft gedaan om God te tergen, kent geen grenzen. God is het aan Zijn heiligheid verplicht het volk, dat zich in plaats van tot God te roepen achter Manasse heeft geschaard, te oordelen. We beluisteren de smart in het hart van de HEERE in wat Hij in vers 2727De HEERE zei: Ik zal ook Juda van Mijn aangezicht wegdoen, zoals Ik Israël weggedaan heb. Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkozen had, en het huis waarvan Ik gezegd had: Mijn Naam zal daar zijn. zegt over het wegdoen van Juda en het verwerpen van Jeruzalem.


Dood van Josia

28Het overige nu van de geschiedenis van Josia, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 29In zijn dagen trok farao Necho, de koning van Egypte, op naar de koning van Assyrië, naar de rivier de Eufraat. Koning Josia ging hem tegemoet; en [de farao] doodde hem in Megiddo, toen hij hem gezien had. 30Zijn dienaren vervoerden hem – gestorven – uit Megiddo; zij brachten hem naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. De bevolking van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, zalfde hem en maakte hem koning in de plaats van zijn vader.

Ook Josia is aan het einde van zijn leven afgeweken van de HEERE. Hij is eigenzinnig geworden. Zijn autoriteit wordt zijn val. Hij is wel vaak een beeld van de Heer Jezus, maar hij is geen volmaakt beeld van Hem. Josia wil zich in de grote wereldpolitiek mengen en wordt verpletterd tussen de grootmachten Egypte en Assyrië. Hij bemoeit zich met een strijd die hem niets aangaat en komt om.

Zijn dood is niet eervol. Ook zijn begrafenis is niet eervol. Zijn begrafenis gebeurt door zijn dienaren. Zij brengen hem, dat wil zeggen zijn lichaam, naar Jeruzalem en begraven hem in zijn graf. Josia wordt opgevolgd door zijn zoon Joahaz die daartoe door de bevolking van het land tot koning wordt gezalfd.

Alleen van Salomo en Joas wordt nog gezegd dat zij tot koning gezalfd zijn om direct daarna plaats op de troon te nemen. In die gevallen gebeurde dat om elke aanmatiging van anderen op de troon zinloos te maken. Dat lijkt ook hier het geval te zijn. Joahaz is niet de oudste zoon van Josia. De oudste zoon is Jojakim. Bij Salomo en Joas is de zalving terecht, bij Joahaz lijkt het de voorkeur van het volk te zijn geweest vanwege zijn politieke ligging.


Joahaz koning van Juda

31Joahaz was drieëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna. 32Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vaderen gedaan hadden. 33Farao Necho zette hem in Ribla gevangen, in het land van Hamath, zodat hij niet in Jeruzalem kon regeren, en hij legde het land een boete op van honderd talent zilver en een talent goud. 34Bovendien maakte farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning in de plaats van zijn vader Josia en veranderde zijn naam in Jojakim. Joahaz nam hij echter mee, [en] toen die in Egypte aankwam, stierf hij daar.

Vanaf nu worden tot het einde van het rijk – dat is over een periode van ongeveer tweeëntwintig jaar – vier koningen voorgesteld. In de tijd van deze koningen gebeurt niets wat vreugde geeft. De tijd van opwekkingen zoals onder Hizkia en Josia is voorbij. Geen van de opvolgers van Josia is Godvrezend.

De schrijver beperkt zich in zijn beschrijving van de koningen die nog aan de macht komen, voordat Juda in ballingschap wordt gevoerd. Door het boek Jeremia komen we echter nog veel te weten over de ondergang van het rijk. Daar vinden we ontmoetingen tussen enkele van de vier koningen met de profeet Jeremia, waarover hier met geen woord wordt gerept.

Joahaz is een slechte koning. Hij heeft maar kort geregeerd. Maar net als andere slechte koningen die kort hebben geregeerd, heeft ook hij in die drie maanden bewezen wat voor soort koning hij is. Ezechiël vergelijkt hem met een jonge leeuw (Ez 19:1-41En u, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël,
2en zeg:
Wat was uw moeder? Een leeuwin!
Tussen de leeuwen lag zij.
Te midden van de jonge leeuwen
bracht ze haar welpen groot.
3Zij voedde een van haar welpen op;
hij werd een jonge leeuw,
leerde prooi te verscheuren,
at mensen op.
4Toen heidenvolken over hem hoorden,
werd hij gevangen in hun kuil.
Zij brachten hem aan haken
naar het land Egypte.
)
. Na drie maanden komt Gods oordeel over hem door middel van de farao, die op het wereldtoneel nog de machtige heerser is. De farao zet hem in Ribla, een priesterstad, gevangen. Daardoor is zijn koningschap voorbij. Farao Necho legt het land ook nog een boete op. God lijkt aan de kant van de farao te staan en de koningen van Juda op te geven. Het betekent niet dat zij goddelozer zijn dan de farao, maar dat zij veel meer verantwoordelijk zijn.

De farao toont tevens zijn macht over Juda door een broer van Joahaz, Eljakim, koning te maken. Nog een bewijs van de macht van farao is, dat hij de naam Eljakim verandert in Jojakim. Hij maakt hem geen koning in de plaats van Joahaz, maar in de plaats van zijn vader Josia. Het is alsof het hele koningschap van Joahaz niet heeft bestaan. Mogelijk heeft Joahaz een anti-Egyptische politiek nagestreefd en zich daardoor de woede van de farao op de hals gehaald. Het staat er zo uitdrukkelijk bij, dat de farao Joahaz gevangen nam “zodat hij niet in Jeruzalem kon regeren”.


Jojakim koning van Juda

35Jojakim droeg het zilver en het goud aan de farao af. Om dat geld volgens het bevel van de farao af te kunnen dragen, legde hij het land belasting op. Hij eiste van ieder van de bevolking van het land zilver en goud overeenkomstig zijn schatplicht, om dat aan farao Necho af te dragen. 36Jojakim was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Zebudda, de dochter van Pedaja, uit Ruma. 37Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vaderen gedaan hadden.

Jojakim is dan wel koning gemaakt door de farao, maar hij moet de farao wel een hoge schatting betalen. Om die belasting te kunnen betalen past hij dezelfde methode toe als Menahem heeft gedaan (2Kn 15:2020Menahem bracht dit geld op van alle vermogende Israëlieten om [het] aan de koning van Assyrië te geven: vijftig sikkel zilver voor elke man. Toen keerde de koning van Assyrië terug en bleef daar niet in het land.). Alleen beperkt hij zich niet zoals Menahem tot de financieel draagkrachtigen, maar eist van ieder lid van de bevolking zijn bijdrage. Er is wel verondersteld dat hij de bevolking van het land afperste uit wraak, omdat zij zijn broer boven hem hadden gekozen om koning te zijn (vers 3030Zijn dienaren vervoerden hem – gestorven – uit Megiddo; zij brachten hem naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. De bevolking van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, zalfde hem en maakte hem koning in de plaats van zijn vader.).

De onderwerping aan de farao maakt van Jojakim niet een koning die buigt onder het oordeel van God. Tijdens zijn elfjarige regering doet hij wat slecht is in de ogen van de HEERE. Hij volgt hierin zijn vaderen, met wie Manasse en Amon bedoeld zullen zijn.

We zien hoe Juda steeds meer in de macht van andere volken komt, om uiteindelijk in de macht van Babel terecht te komen.


Lees verder