2 Koningen
1-2 Josia koning van Juda 3-7 Geld voor herstel van de tempel 8-11 De vondst van het wetboek 12-20 Het woord van de HEERE
Josia koning van Juda

1Josia was acht jaar oud toen hij koning werd, en regeerde eenendertig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jedida, de dochter van Adaja, van Bozkath. 2Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, en ging in heel de weg van zijn vader David en week niet af naar rechts of naar links.

Josia is pas acht jaar oud als hij begint te regeren. De naam van zijn moeder wordt genoemd, Jedida, dat betekent ‘lieveling’. Zij is de dochter van Adaja, dat ‘de HEERE is een sieraad’ betekent. De plaats Bozkath is een van de steden van Juda (Jz 15:21,3921De steden, vanaf de uiterste [grens] van de stam van de nakomelingen van Juda tot aan het gebied van Edom, in het zuiden, zijn: Kabzeël, Eder en Jagur;39Lachis, Bozkath en Eglon;).

Het algemene kenmerk van Josia lezen we in vers 22Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, en ging in heel de weg van zijn vader David en week niet af naar rechts of naar links.. Bij hem is niets aanwezig van de goddeloze kenmerken van zijn vader Amon en zijn grootvader Manasse. Integendeel, hij doet wat juist is in de ogen van de HEERE en gaat “in heel de weg van zijn vader David”. Hij gaat een rechte weg, zonder af te wijken naar rechts of naar links. Altijd is voor een gelovige het gevaar aanwezig om naar rechts, wat staat voor wetticisme, of naar links, wat staat voor liberalisme, af te wijken. Alleen afhankelijkheid van de Heer kan ons voor afwijking naar een van beide kanten bewaren.


Geld voor herstel van de tempel

3Het gebeurde nu in het achttiende jaar van koning Josia, dat de koning de schrijver Safan, de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam, naar het huis van de HEERE stuurde om te zeggen: 4Ga naar de hogepriester Hilkia, en laat hem [al] het geld gereedleggen dat in het huis van de HEERE gebracht is, dat de deurwachters bij het volk ingezameld hebben. 5Laten zij het de uitvoerders van het werk in handen geven die aangesteld zijn over het huis van de HEERE, zodat die het [weer] aan de uitvoerders van het werk kunnen geven die in het huis van de HEERE zijn, om de bouwvallige [gedeelten] van het huis te herstellen: 6aan de timmerlieden, de bouwlieden en de metselaars, om hout en gehouwen stenen te kopen om het huis te herstellen. 7Maar er hoeft door hen geen rekenschap te worden afgelegd van het geld dat hun in handen gegeven is, want zij handelen oprecht.

Zoals bij alle goede koningen zien we ook bij Josia dat zijn eerste regeringsdaden in verband met zorg voor de tempel staan. Hij geeft opdracht de tempel te herstellen. Zijn eerste zorg is Gods huis, dat tijdens het bewind van de koningen Manasse en Amon in verval is geraakt. Hij geeft de schrijver Safan de opdracht om tegen de hogepriester Hilkia te zeggen dat hij het geld dat in het huis van de HEERE ligt, moet gebruiken voor dat herstel.

Josia heeft in Safan een trouwe en toegewijde helper. Safan heeft enkele zonen en een kleinzoon die net als hij trouwe mensen zijn (Jr 26:2424Maar de hand van Ahikam, de zoon van Safan, was met Jeremia, zodat men hem niet overgaf in de hand van het volk om hem ter dood te brengen.; 29:33door de hand van Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel gestuurd heeft, naar Nebukadnezar, de koning van Babel:; 36:1010Toen las Baruch uit de boek[rol] de woorden van Jeremia voor [in] het huis van de HEERE, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, in de bovenste voorhof, [bij] de ingang van de nieuwe poort van het huis van de HEERE, ten aanhoren van heel het volk.; 40:55Zolang hij nog niet terugkeert, wendt u zich dan tot Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, die de koning van Babel heeft aangesteld over de steden van Juda, en verblijf bij hem te midden van het volk. Of ga daarheen, waar het in uw ogen juist is te gaan. Daarop gaf de bevelhebber van de lijfwacht hem voedsel voor onderweg en een geschenk, en liet hij hem gaan.). Deze nakomelingen hebben een positieve invloed uitgeoefend. Het zijn Godvrezende zonen. Het is dus mogelijk om een Godvrezende familie te zijn in een goddeloze tijd. Volledigheidshalve moet ook worden vermeld dat hij een zoon heeft die een afgodendienaar wordt (Ez 8:9-119Toen zei Hij tegen mij: Ga naar binnen en zie de boosaardige gruweldaden die zij hier doen.10Ik ging naar binnen en ik zag, en zie, alle vormen van kruipende dieren, afschuwelijke dieren en alle stinkgoden van het huis van Israël, helemaal in het rond in de muur gegrift.11En zeventig mannen uit de oudsten van het huis van Israël stonden ervoor, terwijl Jaäzanja, de zoon van Safan, in hun midden stond, ieder met zijn wierookvat in zijn hand, terwijl een geurige wolk van reukwerk opsteeg.).

Het geld moet in handen worden gegeven van hen die het werk uitvoeren. Zij kunnen dan de benodigde materialen kopen. Ze kunnen dat doen zonder ‘elk bonnetje te overleggen'. Het is altijd goed om te geven in het vertrouwen dat er goed wordt gehandeld door degene aan wie wordt gegeven. Dat betekent niet dat controle geweigerd mag worden. Controle is vaak wel goed. Controle vindt niet plaats uit wantrouwen, maar omdat altijd de mogelijkheid bestaat dat men zich vergist. Vertrouwen mag je niet eisen, maar moet je geven.


De vondst van het wetboek

8Toen zei de hogepriester Hilkia tegen de schrijver Safan: Ik heb het wetboek in het huis van de HEERE gevonden. Hilkia gaf die boek[rol] aan Safan, en die las het. 9Daarna kwam de schrijver Safan bij de koning en bracht de koning verslag uit. Hij zei: Uw dienaren hebben het geld dat in het huis gevonden is, ingezameld en in handen gegeven van de uitvoerders van het werk die aangesteld zijn over het huis van de HEERE. 10Ook vertelde de schrijver Safan aan de koning: De priester Hilkia heeft mij een boek[rol] gegeven. En Safan las die de koning voor. 11Het gebeurde nu, toen de koning de woorden van het wetboek hoorde, dat hij zijn kleren scheurde.

Nadat de geschiedschrijver heeft verteld over de opdracht om het huis van God te herstellen, schrijft hij over de vondst van “het wetboek in het huis van de HEERE”. Daar komt in zijn verslag nu de nadruk op te liggen. Wat verder volgt, is de uitwerking die wat in het wetboek geschreven staat, heeft op het hart en het geweten van Josia. De opwekking van Josia wordt gekenmerkt door het vinden van het Woord van God.

We mogen nog wel opmerken dat het vinden van het wetboek gebeurt in samenhang met de zorg voor de tempel. In geestelijke zin kunnen we de toepassing maken dat we Gods Woord, dat wil zeggen de betekenis ervan, zullen ontdekken, als ons hart uitgaat naar wat nu Gods huis is, Zijn gemeente. Wanneer het hart uitgaat naar hetzelfde als waar Gods hart naar uitgaat, is de juiste gezindheid aanwezig om door God onderwezen te worden uit Zijn Woord.

We weten niet wat dit wetboek is, dat ze vinden. Het kan zijn dat het gaat om de vijf boeken van Mozes of alleen om het boek Deuteronomium. Belangrijk is dat ook niet. Waar het om gaat, is de uitwerking van die vondst. Het is overigens een grote genade van God dat Hij als het ware Zijn Woord teruggeeft aan Zijn volk. Er staat wel dat Hilkia zegt dat hij het wetboek “gevonden” heeft, maar dat betekent niet dat hij er naar heeft gezocht. God zorgt ervoor dat hij het vindt.

Als het gevonden is, gaat het Woord aan zijn onstuitbare loop beginnen (vgl. 2Th 3:11Overigens, broeders, bidt voor ons, dat het Woord van de Heer zijn voortgang heeft en verheerlijkt wordt, zoals ook bij u,). Hilkia, de hogepriester, heeft het gevonden. Hij geeft het aan Safan. Safan gaat erin lezen. Daarna gaat hij met het wetboek naar de koning. Daar aangekomen doet hij eerst verslag van zijn oorspronkelijke opdracht met betrekking tot het geld. Verder horen we niets over het werk aan de tempel. Alle aandacht gaat uit naar het Woord en wat het bewerkt.

Na het verslag over het geld vertelt Safan de koning over het wetboek dat hij van Hilkia heeft gekregen. Hij overhandigt het niet aan de koning als een antiquiteit, om het te bewonderen, maar hij leest het de koning voor vanwege de actualiteit, om erdoor aangesproken te worden. De Bijbel wordt de meeste eer bewezen als we er gelovig in lezen, hem bestuderen en in ons hart opnemen wat we lezen en in praktijk brengen wat tot ons wordt gezegd door de Heer.

Dat zien we bij Josia. De uitwerking die Gods Woord op hem heeft, liegt er niet om. Hij wordt erdoor aangegrepen of nog beter, hij wordt erdoor overmand. Hij is niet alleen door het Woord aangeslagen, maar hij wordt erdoor verslagen. Josia vraagt zich niet af of dit de Bijbel is, of het wel waar is. Hij argumenteert niet, maar het Woord werkt in hem. Hij neemt het aan, “niet als een woord van mensen, maar, zoals het waarlijk is, als Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft” (1Th 2:1313En daarom ook danken wij God onophoudelijk, dat u, toen u van ons [het] Woord van [de] prediking van God hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, zoals het waarlijk is, als Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft.).

Bij ons is misschien meer het omgekeerde het geval. Wij hoeven niet naar een Bijbel te zoeken. Vaak hebben we meerdere Bijbels, in verschillende vertalingen en verschillende talen, binnen handbereik, maar het doet ons vaak weinig als we erin lezen. Josia ontdekt de Bijbel. Hij doet een grote vondst, hij vindt “een grote buit” (Ps 119:162162Ik ben verblijd over Uw belofte,
als [iemand] die een grote buit vindt.
)
. Het verscheurt zijn hart. Als teken van zijn innerlijke verslagenheid scheurt hij zijn kleren (vgl. Jl 2:1313En scheur uw hart
en niet uw kleren.
Bekeer u tot de HEERE, uw God,
want Hij is genadig en barmhartig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid,
en Hij heeft berouw over het kwaad.
)
.

Het is te wensen dat wij dit telkens zullen ervaren als we in Gods Woord lezen. Dat kan! We kunnen ervoor bidden dat de Heer Zichzelf en Zijn wil in Zijn Woord aan ons laat zien. Als Hij bij ons dat oprechte verlangen ziet en ook ziet dat wij ons zullen verootmoedigen als Hij dingen laat zien die niet goed zijn, zal Hij Zichzelf en Zijn wil laten zien.


Het woord van de HEERE

12Toen gaf de koning [de volgende] opdracht aan de priester Hilkia, aan Ahikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Michaja, de schrijver Safan, en Asaja, de dienaar van de koning: 13Ga de HEERE raadplegen, voor mij, voor het volk en voor heel Juda, over de woorden van deze boek[rol] die gevonden is. Want de grimmigheid van de HEERE die tegen ons is ontstoken, is groot, omdat onze vaderen niet geluisterd hebben naar de woorden van deze boek[rol] en niet gehandeld hebben overeenkomstig alles wat voor ons geschreven is. 14Toen gingen de priester Hilkia, Ahikam, Achbor, Safan en Asaja naar de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de beheerder van de [priester]kleding – zij woonde in Jeruzalem, in het nieuwe gedeelte – en zij spraken met haar. 15Zij zei tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zeg tegen de man die u naar Mij toe gestuurd heeft: 16Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga onheil over deze plaats brengen en over de inwoners ervan, [namelijk] al de woorden van de boek[rol] die de koning van Juda gelezen heeft, 17omdat zij Mij verlaten en andere goden reukoffers gebracht hebben, zodat zij Mij tot toorn verwekt hebben met al het werk van hun handen. Daarom zal Mijn grimmigheid ontsteken tegen deze plaats en niet uitgeblust worden. 18Maar tegen de koning van Juda, die u gestuurd heeft om de HEERE te raadplegen, tegen hem moet u dit zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Wat betreft de woorden die u gehoord hebt – 19omdat uw hart week geworden is en u zich voor het aangezicht van de HEERE vernederd hebt, toen u hoorde wat Ik tegen deze plaats en de inwoners ervan gesproken heb, dat ze tot een verwoesting en vervloeking zullen worden, en omdat u uw kleren gescheurd en voor Mijn aangezicht gehuild hebt – daarom heb Ík [u] ook verhoord, spreekt de HEERE. 20Daarom, zie, Ik ga u met uw vaderen verenigen en u zult met vrede in uw graf bijgezet worden; uw ogen zullen al het onheil dat Ik over deze plaats ga brengen, niet zien. Daarop brachten zij de koning verslag uit.

Josia doet wat iedere ziel doet die in waarheid overtuigd wordt van zijn zonden en daarom bevreesd wordt voor het oordeel. Iemand die werkelijk tot de ontdekking komt dat hij een zondaar is, zal zich tot God wenden om te vragen wat hij moet doen. Ieder mens die wordt aangeraakt door het Woord van God en ziet wat hij is in het oog van God, heeft die vraag. Het Woord drijft in de armen van God.

Wie leeft door het Woord, kent ook de waarde en vooral de praktijk van het gebed. Josia wil van de HEERE weten of er nog hoop is. Hij zoekt die hoop bij Hem Die ook het oordeel moet laten komen. Er is bij Josia geen enkele aanmatiging. Hij brengt zijn nood bij de HEERE door te erkennen dat hij en het volk het oordeel hebben verdiend. Hij laat het aan de HEERE over hoe Hij zal antwoorden.

Josia zendt betrouwbare mannen naar Hulda. Waarom hij naar een vrouw, de profetes Hulda, zendt en niet naar Jeremia of Zefanja, die in zijn dagen als profeten optraden, is niet duidelijk. Mogelijk zijn zij nog te jong en onbekend. De profetes Hulda kent hij. Dat hij naar een profetes gaat, tekent in elk geval de tijd van verval, zoals in de tijd van het optreden van Debora, toen het verval ook groot was (Ri 4:1-91Toen Ehud gestorven was, deden de Israëlieten opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE.2Daarom leverde de HEERE hen over in de hand van Jabin, koning van Kanaän, die te Hazor regeerde. En zijn legerbevelhebber was Sisera. Deze nu woonde in Haroseth-Haggojim.3Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE, want hij had negenhonderd ijzeren strijdwagens en hij had de Israëlieten met geweld onderdrukt, twintig jaar [lang].4En Debora, een vrouw die een profetes was, de vrouw van Lappidoth, die gaf in die tijd als richter leiding aan Israël.5Zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Bethel, in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten gingen voor de rechtspraak naar haar toe.6Zij stuurde [een bode] en liet Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes-Naftali, roepen en zei tegen hem: Heeft de HEERE, de God van Israël, niet geboden: Ga, trek op naar de berg Tabor en neem tienduizend man met u mee, van de nakomelingen van Naftali en van de nakomelingen van Zebulon?7Dan zal Ik bij de beek Kison Sisera, de legerbevelhebber van Jabin, naar u toe trekken met zijn strijdwagens en zijn troepenmacht, en Ik zal hem in uw hand geven.8Toen zei Barak tegen haar: Als u met mij mee zult gaan, dan ga ik. Maar als u niet met mij mee zult gaan, dan ga ik niet.9En zij zei: Ik zal wel met u meegaan. Maar er zal op de weg die u gaat voor u geen eer [te behalen] zijn, want de HEERE zal Sisera overleveren in de hand van een vrouw. Toen stond Debora op en ging met Barak naar Kedes.).

De naam van haar man wordt nadrukkelijk vermeld door ook de naam van zijn vader en grootvader te noemen en ook zijn beroep, dat hij beheerder van de priesterkleren is. De man van Hulda houdt zich bezig met de kleren van de priesters. In de geestelijke betekenis wil dit zeggen dat hij toeziet op het gedrag van de gelovigen, dat dit in overeenstemming is met hun belijdenis.

Hulda kent Gods gedachten met betrekking tot de praktijk van het leven van het volk van God. Een profeet of profetes doet uitspraken van God met het oog op actuele situaties. Zo iemand kan het Woord daarop toepassen. Dat ervaart Josia ook door de boodschap die zij voor hem heeft.

Hulda moet namens de HEERE over Josia spreken als “de man” en niet als ‘de koning’. Voor de HEERE is in Zijn rechtspreking alle waardigheid die Josia als koning heeft hier niet van belang. Hulda krijgt van de HEERE te horen wat Hij te zeggen heeft tegen Josia en wat zij moet doorgeven. Het begint met een herhaling van wat Josia heeft horen voorlezen en wat hem tot verslagenheid heeft gebracht. We horen voor de derde keer de aankondiging van de straf van God over Zijn volk. Wat Hulda doet, is niets anders dan Gods Woord na spreken.

Dan volgt er een woord voor Josia persoonlijk. Dat persoonlijke woord wordt wel tot hem als “de koning van Juda” gericht. Het is een woord van bemoediging. De reden daarvan is zijn verootmoediging die de HEERE heeft opgemerkt. De HEERE ziet die verootmoediging in zijn hart en Hij heeft ook de uiterlijke kenmerken van het scheuren van zijn kleren en zijn tranen waargenomen.

Van Josia’s vader Amon lezen we dat hij zich niet verootmoedigde voor de HEERE (2Kr 33:21-2321Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar in Jeruzalem.22Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, net zoals zijn vader Manasse gedaan had. Amon offerde aan alle afgodsbeelden die zijn vader Manasse gemaakt had, en hij diende ze.23Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht van de HEERE, zoals zijn vader Manasse zich vernederd had. Deze Amon was het die de schuld steeds groter maakte.). Zijn vader Manasse verootmoedigde zich, maar doet dat noodgedwongen over zijn eigen zonden. Josia verootmoedigt zich niet vanwege zijn eigen zonden, maar vanwege een gemeenschappelijke schuld. Hij verootmoedigt zich over de zonden van het volk en van zijn vaderen. Hij maakt zich er een mee.

De bemoediging is dat de HEERE hem met zijn vaderen zal verenigen en dat hij met vrede in zijn graf zal worden bijgezet. Van het onheil dat de HEERE over Jeruzalem zal brengen, zal hij niets zien.

De mannen die hij naar Hulda heeft gestuurd, brengen hem verslag uit van wat de HEERE door Hulda heeft laten weten. De uitwerking zien we in het volgende hoofdstuk.


Lees verder