2 Koningen
Inleiding 1 Hemelvaart en Gilgal 2-3 De les van Bethel 4-5 De les van Jericho 6-8 De les van de Jordaan 9-10 De vraag van Elisa 11 Elia vaart op naar de hemel 12 Reactie van Elisa 13-14 De mantel van Elia 15-18 De leerling-profeten 19-22 Het water van Jericho 23-25 Oordeel over spottende jongens
Inleiding

Voordat Elia in de hemel wordt opgenomen, maakt hij samen met Elisa een tocht langs enkele van de bekendste plaatsen in Israël. Hij reist van Gilgal naar Bethel, daarna naar Jericho, en ten slotte naar de Jordaan. Elisa treedt later zelf ook in al deze plaatsen op (2Kn 2:1818Toen kwamen zij bij hem terug, terwijl hij in Jericho verbleef, en hij zei tegen hen: Heb ik niet tegen u gezegd: Ga niet?; 4:3838Toen Elisa weer in Gilgal kwam, was er honger in het land, en de leerling-profeten zaten voor hem. Hij zei tegen zijn knecht: Zet de grote pot op [het vuur] en kook soep voor de leerling-profeten.; 6:22Laten wij toch naar de Jordaan gaan en ieder daarvandaan een boomstam nemen, en er een [verblijf]plaats voor ons maken om er te wonen. En hij zei: Ga [maar].).

Deze plaatsen zijn bekend uit de vroegere geschiedenis van het volk van God:
1. Gilgal is de plaats van de besnijdenis, het uitgangspunt voor de verovering van het beloofde land (Jz 4:1919Het volk was de tiende van de eerste maand uit de Jordaan opgeklommen, en zij sloegen hun kamp op in Gilgal, aan de oostkant van Jericho.; 5:99Verder zei de HEERE tegen Jozua: Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal, tot op deze dag.; 10:4343Toen keerde Jozua terug naar het kamp in Gilgal, en heel Israël met hem.).
2. Bethel kennen wij al uit het boek Genesis. Het is de plaats waar God Zich openbaart aan de aartsvader Jakob en waar Hij hem Zijn onvoorwaardelijke beloften van zegen schenkt; Bethel is de plaats waar God wil wonen – Bethel betekent ‘huis van God’ (Gn 28:11-1911Hij bereikte de plaats waar hij overnachtte, want de zon was ondergegaan. Hij nam [een] van de stenen van die plaats, maakte [daar] zijn hoofdkussen [van], en legde zich op die plaats te slapen.12Toen droomde hij, en zie, op de aarde stond een ladder, waarvan de top de hemel raakte, en zie, de engelen van God klommen daarlangs omhoog en omlaag.13En zie, de HEERE stond boven aan die [ladder] en zei: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land waarop u ligt te slapen, zal Ik u en uw nageslacht geven.14Uw nageslacht zal [talrijk] zijn als het stof van de aarde en u zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en het zuiden. In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.15En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!16Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zei hij: De HEERE is werkelijk op deze plaats, en ik heb het niet geweten.17Daarom was hij bevreesd en zei hij: Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God en de poort van de hemel.18Daarna stond Jakob 's morgens vroeg op. Hij nam de steen waar hij zijn hoofdkussen [van] gemaakt had, zette die overeind als een gedenkteken en goot er olie op.19Hij gaf die plaats de naam Bethel, hoewel de naam van de stad eerst Luz was.; 35:1-4,14-151Daarna zei God tegen Jakob: Sta op, ga naar Bethel en ga daar wonen en maak daar een altaar voor de God Die aan u verschenen is, toen u vluchtte voor uw broer Ezau.2Toen zei Jakob tegen zijn huis[gezin] en tegen allen die bij hem waren: Doe de vreemde goden die in uw midden zijn, van u weg. Reinig u en verwissel uw kleren.3Laten wij opstaan en naar Bethel gaan. Ik zal daar een altaar maken voor de God Die mij antwoordde op de dag toen ik in nood was, en Die met mij geweest is op de weg die ik gegaan ben.4Toen gaven zij Jakob al de vreemde goden die ze bij zich hadden, en de ringen die ze in de oren droegen. En Jakob verborg ze onder de eik die bij Sichem staat.14Jakob richtte op de plaats waar [God] met hem gesproken had een gedenkteken op, een stenen gedenkteken. Hij goot er een plengoffer over uit en goot er olie over.15En Jakob gaf de plaats waar God met hem gesproken had, de naam Bethel.).
3. Bij Jericho openbaart de HEERE Zich aan Jozua als de Vorst van het leger van de HEERE, de Aanvoerder van Zijn legermacht (Jz 5:13-1513Het gebeurde toen Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg en zag, en zie, er stond een Man voor hem met een getrokken zwaard in Zijn hand. Jozua ging naar Hem toe en zei tegen Hem: Hoort U bij ons of bij onze tegenstanders?14Hij zei: Nee, maar Ik ben de Bevelhebber van het leger van de HEERE. Nu ben Ik gekomen. Toen wierp Jozua zich met het gezicht ter aarde, boog zich neer en zei tegen Hem: Wat [wil] mijn Heere tot Zijn dienaar spreken?15Toen zei de Bevelhebber van het leger van de HEERE tegen Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilig. En Jozua deed dat.). Jericho is het geweldige bolwerk dat de Israëlieten de toegang verspert tot het beloofde land, maar dat valt voor de macht van Israëls God (Jz 6:20-2120Het volk juichte, toen zij op de bazuinen bliezen. En het gebeurde, zodra het volk het bazuingeschal hoorde, dat het volk een luid gejuich aanhief. En de muur stortte in en het volk klom de stad in, ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in.21En zij sloegen alles wat in de stad was, met de ban, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw toe, van het kind tot de oude, en tot het rund, het schaap en de ezel toe.).
4. De Jordaan is de rivier die de Israëlieten belet het land binnen te gaan, waarvan de wateren echter worden afgesneden voor de ark van het verbond van de HEERE, zodat geheel Israël op het droge kan overtrekken (Jz 3:1,14-171Toen stond Jozua 's morgens vroeg op. Zij braken op uit Sittim en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de Israëlieten. En zij overnachtten daar voordat zij overstaken.14En het gebeurde, toen het volk uit zijn tenten opbrak om de Jordaan over te steken, dat de priesters de ark van het verbond droegen, voor het volk uit.15En zodra de dragers van de ark tot aan de Jordaan kwamen, en de voeten van de priesters die de ark droegen, in het water gedompeld waren, aan de rand van het water – de Jordaan was helemaal buiten zijn oevers getreden al de dagen van de oogst –16bleef het water dat van bovenaf kwam, staan. Het bleef staan als een dam heel ver weg bij de stad Adam, die naast Sarthan ligt. En [het water] dat naar de zee van de Vlakte, de Zoutzee, stroomde, verdween; het werd afgesneden. Toen stak het volk over, tegenover Jericho.17Maar de priesters die de ark van het verbond van de HEERE droegen, stonden op het droge, in het midden van de Jordaan, onbeweeglijk. En heel Israël stak over op het droge, tot heel het volk het oversteken van de Jordaan voltooid had.).

Helaas is het in de dagen van Elia en Elisa niet meer zo, dat deze plaatsen uitsluitend getuigen van de grote daden van God. Het zijn veelmeer monumenten van de zondigheid van het volk geworden, plaatsen van verwording en afgodendienst. Jerobeam heeft de kalverendienst, die stamt uit Egypte, ingevoerd in Bethel en in Dan (1Kn 12:28-2928Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.). De profeten Hosea en Amos veroordelen de afgodscultus te Bethel, samen met die te Gilgal (Hs 4:1515Als u, Israël, hoererij wilt bedrijven,
laat Juda toch niet [mede]schuldig worden!
Kom toch niet naar Gilgal,
ga niet naar Beth-Aven,
en zweer niet: [Zo waar] de HEERE leeft!
; 9:1515Al hun kwaad bleek in Gilgal,
ja, daar heb Ik hen gehaat.
Vanwege hun slechte daden
zal Ik hen uit Mijn huis verdrijven.
Ik zal hen voortaan niet meer liefhebben:
al hun vorsten zijn opstandig.
; 12:1212Was Gilead al ongerechtigheid, nu zijn zij helemaal nutteloos geworden.
In Gilgal hebben zij stieren geofferd.
Ook hun altaren zijn als [steen]hopen
in de voren van de velden.
; Am 4:44Kom naar Bethel en zondig,
naar Gilgal om veel te zondigen.
Breng 's morgens uw offers,
op [elke] derde dag uw tienden.
; 5:55Maar zoek niet [in] Bethel,
in Gilgal moet u niet komen
en u moet niet naar Berseba trekken,
want Gilgal zal zeker in ballingschap gaan
en Bethel zal tot niets worden.
)
.

Jericho staat evenmin gunstig bekend. Het is de stad van de vloek, die volgens Gods bevel niet herbouwd had mogen worden. In de dagen van Achab is dit toch gebeurd, nog wel door een inwoner van Bethel. Deze man heeft zijn overtreding van het woord van de HEERE moeten betalen met het leven van twee van zijn zonen (Jz 6:2626In die tijd liet Jozua [het volk] zweren: Vervloekt is die man voor het aangezicht van de HEERE die opstaat om deze stad Jericho te herbouwen. Laat hij haar fundering leggen op zijn eerstgeboren zoon en haar poorten oprichten op zijn jongste zoon!; 1Kn 16:3434In zijn dagen bouwde Hiël uit Bethel Jericho [weer] op. Op zijn eerstgeboren zoon Abiram legde hij de fundamenten ervan, en op zijn jongste [zoon] Segub richtte hij de poorten ervan op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.). Het is merkwaardig dat juist dit feit van de herbouw van Jericho de schakel vormt tussen Achabs ongerechtigheden – het sluit de opsomming daarvan af (1Kn 16:3434In zijn dagen bouwde Hiël uit Bethel Jericho [weer] op. Op zijn eerstgeboren zoon Abiram legde hij de fundamenten ervan, en op zijn jongste [zoon] Segub richtte hij de poorten ervan op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.) – en het plotselinge optreden van Elia als oordeelsprofeet (1Kn 17:11En Elia, de Tisbiet, uit de inwoners van Gilead, zei tegen Achab: [Zo waar] de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!). Het is alsof met de herbouw van Jericho het toppunt van de ongerechtigheid is bereikt en het oordeel over het volk en zijn goddeloze vorst onafwendbaar is geworden.

Terwijl hij langs deze plaatsen trekt, neemt Elia afscheid van zijn aardse loopbaan. Hij zal daarbij hebben gedacht aan alles wat God voor Israël heeft gedaan, maar tevens aan Israëls verval en afval van hun bevoorrechte positie. God neemt hem buiten het beloofde land op in Zijn heerlijkheid, nadat hij met Elisa door de Jordaan is getrokken. Het lijkt erop dat God hem dit eerbewijs niet kan schenken in het land dat zozeer van Hem is afgeweken.

Zijn opneming kan niet gebeuren in Gilgal, of in Bethel, of in Jericho, of aan landzijde van de Jordaan. Elia moet telkens verder trekken, totdat God hem in het Overjordaanse wegneemt van de aarde. Wij zouden bijna zeggen dat het een variant is op wat er met Henoch is gebeurd. Van Henoch lezen we dat hij “wandelde met God, en hij was niet [meer], want God nam hem weg” (Gn 5:2424Henoch wandelde met God, en hij was niet [meer], want God nam hem weg.; Hb 11:55Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.). Elia behaagt God, evenals Henoch dat heeft gedaan, en God eert hem door hem op te nemen in de hemel, evenals Hij met Henoch heeft gedaan.

Deze laatste reis van de profeet is echter ook van grote betekenis voor Elisa, die hem trouw vergezelt en niet van zijn zijde wil wijken. Voor Elisa is deze lange tocht enerzijds een goede gelegenheid om zich voor te bereiden op het afscheid van zijn leermeester en anderzijds is het een goede introductie tot zijn eigen loopbaan. Wij zien hem hier naast zijn geëerde meester wandelen, wiens werk hij moet voortzetten. Hij is niet alleen de metgezel van Elia, maar ook diens opvolger. Als zijn meester in de hemel is, moet hij diens taak hier beneden voortzetten.

Dat is voor ons als christenen, die verbonden zijn met een Heer in de hemel, een belangrijke les. Wij dienen een verheerlijkte Heer en mogen Hem hier op aarde ‘vertegenwoordigen’. Wij doen dit in de kracht van de Heilige Geest Die Hij ons vanuit de hemel heeft gegeven. Zoals de geest van Elia op Elisa rustte, heeft Christus ons Zijn Geest geschonken, opdat wij leesbare brieven van Hem zullen zijn (2Ko 3:2-32U bent onze brief, geschreven in onze harten, gekend en gelezen door alle mensen;3u, van wie blijkt dat u een brief van Christus bent, door onze bediening opgesteld, geschreven niet met inkt, maar met [de] Geest van [de] levende God, niet op stenen tafelen, maar op vlezen tafelen van de harten.).

Maar wij hebben ook behoefte aan de nodige voorbereiding om Hem op waardige wijze te kunnen dienen. Wij zullen moeten wandelen aan Zijn hand en Hem moeten volgen waar Hij ons leidt. Hoewel Elisa hier tot driemaal toe op de proef wordt gesteld, blijft hij onafscheidelijk aan de zijde van Elia (2Kn 2:2,4,62Elia zei tegen Elisa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Bethel gezonden. Maar Elisa zei: Zo waar de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij naar Bethel.4En Elia zei tegen hem: Elisa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zei: [Zo waar] de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo kwamen zij in Jericho.6En Elia zei tegen hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zei: [Zo waar] de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder.). Samen trekken ze verder en gaan ze zelfs op het droge door de Jordaan, de doodsrivier. “Zo gingen zij beiden verder” (vers 66En Elia zei tegen hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zei: [Zo waar] de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder.; vgl. Gn 22:6,86Daarop nam Abraham het hout voor het brandoffer en legde dat op zijn zoon Izak. Hijzelf nam het vuur en het mes in zijn hand. Zo gingen zij beiden samen verder.8Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon. Zo gingen zij beiden samen verder.; Ru 1:1919Zo gingen zij samen [verder], tot zij in Bethlehem kwamen. En het gebeurde, toen zij Bethlehem binnenkwamen, dat de hele stad over hen in rep en roer raakte, en [de vrouwen] zeiden: Is dit Naomi?).

Als wij met de Heer wandelen, leidt Hij ons van stap tot stap voort, van de ene ‘halteplaats’ naar de andere. Wij zullen dan ook evenals Elia en Elisa de situatie van Gods volk in ogenschouw moeten nemen. Wij zullen op onze beurt worden geconfronteerd met het diepe verval, het verderf dat zijn intrede heeft gedaan te midden van wat nu het volk van God op aarde is, de belijdende christenheid.


Hemelvaart en Gilgal

1Het gebeurde nu, toen de HEERE Elia in een storm zou opnemen in de hemel, dat Elia met Elisa uit Gilgal wegging.

De nadruk ligt op de hemelvaart van Elia. Elia is daarmee ook een beeld van de Heer Jezus Zelf en van de gelovigen van de gemeente die ook naar de hemel zullen gaan. In Elia zien we het feit dat de Heer Jezus door de dood en opstanding is heengegaan en Zijn plaats in de hemel heeft ingenomen. In Elisa zien we een beeld van de Heer Jezus Die door de Geest van God vandaag op aarde een getuigenis voor God in stand houdt. Elia wordt vervangen door Elisa. Elia is ook een beeld van Johannes, de voorloper van de Heer Jezus en Elisa een beeld van de Heer Jezus Die komt met zegen na Johannes de doper, zoals Elisa na Elia met zegen komt.

Het getuigenis op aarde wordt afgelegd in de Geest van Hem Die naar de hemel is gegaan. Dit getuigenis is vaak vergeten, maar getrouwen mogen dat in dagen van verval weer zien en laten zien. Elia heeft het afvallige volk achter zich gelaten door zijn doorgang door de Jordaan, maar Elisa gaat terug om een dienst te doen die als het ware vanuit de hemel begint. Om die dienst goed te kunnen verrichten krijgt Elisa onderwijs aan de hand van de vier plaatsen waarlangs hij met Elia trekt.

De dagen van de opneming van Elia zijn het uitgangspunt van dat onderwijs. Het onderwijs toont wat God gedaan heeft en wat het volk daar vervolgens mee gedaan heeft. Bij elke dienst is het belangrijk te weten hoe God over de dingen denkt die we ontmoeten en ook te zien hoe de mens daarmee is omgegaan.

De ‘storm’ en het ‘vuur’ – in de vuurwagen getrokken door vuurpaarden – waarin de HEERE Elia in de hemel opneemt (verzen 1,111Het gebeurde nu, toen de HEERE Elia in een storm zou opnemen in de hemel, dat Elia met Elisa uit Gilgal wegging.11Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verdergingen, zie, dat er een vurige wagen met vurige paarden kwam, die tussen hen beiden scheiding maakte. Zo voer Elia in een storm naar de hemel.), zijn verschijnselen die in het Oude Testament vaker voorkomen. We zien ze bij een openbaring of een persoonlijk ingrijpen van de HEERE God (Ex 3:22En de Engel van de HEERE verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een doornstruik. Hij keek toe, en zie, de doornstruik brandde in het vuur, maar de doornstruik werd niet verteerd.; 24:1717De aanblik van de heerlijkheid van de HEERE op de top van de berg was in de ogen van de Israëlieten als een verterend vuur.; 1Kn 19:11-1211Maar Hij zei: Ga naar buiten en ga op de berg staan, voor het aangezicht van de HEERE. En zie, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, die bergen spleet en rotsen in stukken brak, voor het aangezicht van de HEERE uit. [Maar] de HEERE was niet in de wind. Na deze wind kwam er een aardbeving, [maar] de HEERE was [ook] niet in de aardbeving.12Op de aardbeving [volgde] een vuur, [maar] de HEERE was [ook] niet in het vuur. En na het vuur [kwam] het suizen van een zachte stilte.; Jb 38:11Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
; 40:11Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:
; Ps 18:88Toen daverde en beefde de aarde,
de fundamenten van de bergen sidderden en daverden,
omdat Hij [in toorn] ontstoken was.
; 50:33Onze God komt en zal niet zwijgen;
voor Zijn aangezicht verteert een vuur,
rondom Hem stormt het geweldig.
; 104:3-43Hij maakt de zoldering van Zijn hemelzalen op de wateren,
maakt van de wolken Zijn wagen,
wandelt op de vleugels van de wind.
4Hij maakt Zijn engelen [tot hulpvaardige] geesten,
Zijn dienaren [tot] vlammend vuur.
; Js 30:2727Zie, de Naam van de HEERE komt van ver,
Zijn toorn brandt – [de] last is zwaar –
Zijn lippen zijn vol gramschap,
Zijn tong is als verterend vuur.
; 66:1515Want zie, de HEERE zal komen in vuur,
en Zijn strijdwagens zullen komen als een wervelwind,
om in grimmigheid Zijn toorn te laten gelden,
Zijn bestraffing in vlammen van vuur.
; Ez 1:44Toen zag ik, en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een grote wolk, flitsend vuur en een lichtglans eromheen. En uit het midden ervan [kwam] iets als de schittering van edelmetaal, uit het midden van het vuur.; Zc 9:1414De HEERE zal boven hen verschijnen:
als een bliksem zal Zijn pijl uitschieten.
De Heere HEERE zal op de bazuin blazen,
en Hij zal optrekken in zuiderstormen.
)
.

Het gaat echter niet alleen om indrukwekkende natuurverschijnselen, die trouwens treffend passen bij het karakter van Elia als oordeelsprofeet. ‘Stormwinden’ en ‘vuurvlammen’ staan ook voor engelenmachten (Hb 1:77En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die Zijn engelen tot geesten maakt en Zijn dienaars tot een vuurvlam’,). Daarom kunnen wij ons de wegneming van Elia als volgt voorstellen: de HEERE komt Zelf als de Vorst van Zijn hemelse legers, omringd door Zijn machtige engelen (vgl. 2Kn 6:1717En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.), om Zijn trouwe strijder in de hemel op te nemen.

Wat een eerbetoon voor Elia. God neemt hem weg, zoals Hij vroeger met Henoch heeft gedaan en zoals Hij dat binnenkort doet met de levenden die overblijven tot de komst van de Heer. God neemt hem weg, opdat hij de dood niet zal zien, maar – in een ondeelbaar ogenblik veranderd – de hemel zal binnengaan (vgl. Gn 5:2424Henoch wandelde met God, en hij was niet [meer], want God nam hem weg.; 1Ko 15:51-5251Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,52in een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.; 1Th 4:15-1815(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.); Hb 11:55Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.).

In Elia zien we de Heer Jezus terugkeren naar de hemel en in Elisa zien we dat de Heer Jezus door de Geest op aarde is gekomen om getuigenis af te leggen. Het getuigenis wordt afgelegd in de Geest van Hem Die naar de hemel is opgevaren. Beide aspecten maken het wezen van het christendom uit, dat is
1. een verheerlijkte Mens in de hemel en
2. God de Heilige Geest op aarde.

Ware dienst is alleen mogelijk voor zover wij een indruk hebben ontvangen van de verheerlijkte Mens aan de rechterhand van God. Het beeld dat we daarvan hebben, zal ons getuigenis kenmerken.

Elisa is de hele weg met Elia meegegaan. Hij is zijn dienst niet pas begonnen na de hemelvaart van Elia. Het is in beeld de weg van het overblijfsel dat samen met de Heer Jezus op reis is en in de kracht van de Heilige Geest getuigenis aflegt. Het overblijfsel dat wordt voorgesteld in de discipelen die met de Heer Jezus op aarde zijn, vormt de kern van de gemeente.

Er staat niet dat Elisa met Elia meegaat, maar dat Elia met Elisa meegaat. Het is in feite de weg van Elisa, maar Elia gaat mee om hem Goddelijk onderwijs te geven. Het is het onderwijs dat nodig is voor dienaren van God.

We worden aan het begin van het hoofdstuk direct op de hoogte gebracht van wat er gaat gebeuren met Elia: hij zal worden opgenomen in de hemel. Zo horen we al vroeg in het evangelie naar Lukas dat de Heer Jezus naar Jeruzalem gaat, omdat “de dagen van Zijn opneming in vervulling gingen” (Lk 9:5151Het gebeurde nu, toen de dagen van Zijn opneming in vervulling gingen, dat Hij Zijn gezicht vastbesloten wendde om naar Jeruzalem te gaan.). Over het kruis heen, dat is Zijn uitgang waarover Mozes en Elia met Hem spreken op de berg van de verheerlijking (Lk 9:30-3130En zie, twee mannen spraken met Hem; het waren Mozes en Elia,31die in heerlijkheid verschenen en over Zijn uitgang spraken die Hij zou volbrengen in Jeruzalem.), richt de Heilige Geest het oog op Zijn opneming in de hemel.

Gilgal is de eerste plaats van onderwijs. In Gilgal is het volk besneden (Jz 5:7-97Maar hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld. Jozua heeft hen besneden, omdat zij de voorhuid hadden, want zij hadden hen onderweg niet besneden.8En het gebeurde, toen zij het besnijden van heel het volk voltooid hadden, dat zij op hun plaats bleven in het kamp tot zij genezen waren.9Verder zei de HEERE tegen Jozua: Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld. Daarom gaf men die plaats de naam Gilgal, tot op deze dag.). Gilgal is ook de plaats van waaruit het volk vertrekt voor de verovering van Kanaän. Dit heeft voor ons een geestelijke betekenis. Wij hebben deel aan de besnijdenis van Christus, omdat wij met Hem zijn verenigd in het oordeel dat Hem in onze plaats heeft getroffen op het kruis (Ko 2:1111In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus,). Dat is ons ‘Gilgal’, en daarvandaan mogen wij ons hemelse erfdeel in Christus in bezit nemen. Gilgal betekent ‘afwenteling’. Geestelijk is het de toepassing van de dood van Christus op ons vlees. In de dood van de Heer Jezus heeft God de smaad van de wereld van ons ‘afgewenteld’.

Wij moeten de onveranderlijke boosheid van ons vlees leren kennen. Daar begint voor de dienaar elke ware dienst. Zonder de les van Gilgal, dat wil zeggen het diepe besef van de onveranderlijke boosheid van ons vlees en Gods oordeel daarover, kunnen wij geen dienst doen. Dat Gilgal een plaats van afgoderij en verdorvenheid is geworden, heeft ons ook iets te zeggen. Als de les van Gilgal wordt vergeten, wordt Gilgal de plaats van de openbaring van het vlees. Wat God slecht noemt, wordt dan geroemd.


De les van Bethel

2Elia zei tegen Elisa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Bethel gezonden. Maar Elisa zei: Zo waar de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij naar Bethel. 3Toen kwamen de leerling-profeten die in Bethel waren, [de stad] uit, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg [erover].

Als Elia van Gilgal wil vertrekken om naar Bethel te gaan, zegt hij tegen Elisa om te blijven waar hij is, omdat de HEERE hem naar Bethel zendt. Hij lijkt daarmee te zeggen dat de opdracht van de HEERE voor hem persoonlijk geldt en dat dit niet betekent dat Elisa per se mee moet gaan. Daarmee stelt hij Elisa voor een persoonlijke keus. Dat doet Elia bij elke volgende plaats.

Met deze opmerking test Elia als het ware de motieven van zijn metgezel om mee te gaan, of hij dat doet om Elia, of dat hij er ook een persoonlijke opdracht van de HEERE in ziet. Elisa slaagt elke keer met glans voor de test. Hij wil de lessen die aan elke plaats verbonden zijn, graag leren, om daardoor des te beter het volk van God als een man Gods te kunnen dienen. Elke keer gaat hij mee zonder ook maar één bedenking te uiten. Elisa gaat met Elia mee zoals vroeger Ruth met Naomi is meegegaan (Ru 1:1919Zo gingen zij samen [verder], tot zij in Bethlehem kwamen. En het gebeurde, toen zij Bethlehem binnenkwamen, dat de hele stad over hen in rep en roer raakte, en [de vrouwen] zeiden: Is dit Naomi?).

Bethel spreekt van de onveranderlijke trouw van God, “want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk” (Rm 11:2929Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.). God was trouw ten aanzien van Jakob, de stamvader van Israël. Hij wilde bij Zijn volk wonen en bij hen Zijn ‘Bethel’, dat betekent ‘huis van God’, hebben. Evenzo is God trouw ten aanzien van Zijn hemelse volk, de gemeente van de levende God. Hij wil en zal ook bij ons Zijn ‘Bethel’ hebben.

De gemeente wordt opgebouwd tot een eeuwige woonplaats van God in de Geest (Ef 2:2222in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.; Op 21:2-32En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God, gereed als een bruid die voor haar man versierd is.3En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.). God zal ook met ons Zijn heerlijke einddoel bereiken. Dat kan door onze ontrouw en ons falen nooit ongedaan worden gemaakt. Het is goed en nodig dat wij ons dit telkens realiseren, hoewel wij tevens beschaamd ons hoofd zullen moeten buigen vanwege zoveel dingen die zijn binnengeslopen en die tot oneer van God zijn, zoals dwaalleer, materialisme, afgoderij en zondige praktijken.

Wat is er echter over van wat God met Bethel heeft bedoeld? Elisa constateert dat er in Bethel een valse godsdienst is opgericht rond een gouden kalf. De godsdienst van het vlees heeft de ware dienst aan God verdrongen en vervangen. Mensen hebben eigen godshuizen gemaakt, naar eigen idee en vorm. Dat moet een dienaar ook zien.

Het rechte verstaan van wat het huis van God is, is ook vandaag van onmetelijk belang om een dienst te kunnen doen. Abraham leerde de les. Hij richtte bij Bethel zijn tent en altaar op (Gn 12:88Vandaar brak hij op naar het bergland ten oosten van Bethel en zette zijn tent op tussen Bethel in het westen en Ai in het oosten. Daar bouwde hij voor de HEERE een altaar en riep de Naam van de HEERE aan.). Jakob kende die plaats ook, hij heeft daar God ontmoet (Gn 35:9-159En God verscheen opnieuw aan Jakob, nadat hij uit Paddan-Aram gekomen was, en Hij zegende hem.10God zei toen tegen hem: Uw naam is Jakob, [maar] uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij gaf hem de naam Israël.11Verder zei God tegen hem: Ik ben God, de Almachtige. Wees vruchtbaar en word talrijk. Een volk, ja, een menigte van volken zal uit u ontstaan; koningen zullen uit uw lichaam voortkomen.12Dit land, dat Ik Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik aan u geven; en aan uw nageslacht na u zal Ik dit land geven.13Toen voer God op, bij hem vandaan, van de plaats waar Hij met hem gesproken had.14Jakob richtte op de plaats waar [God] met hem gesproken had een gedenkteken op, een stenen gedenkteken. Hij goot er een plengoffer over uit en goot er olie over.15En Jakob gaf de plaats waar God met hem gesproken had, de naam Bethel.). God geeft daar onderwijs over Zijn trouw aan Zijn beloften. In de toepassing voor ons betekent het dat dienaren worden gevormd in de gemeente. Eerst leren wat Gilgal betekent, het oordeel over het vlees, en dan leren wat Bethel betekent, het huis van God om daar God te leren kennen als de God van het huis van God.

Bij Bethel zijn ook profetenleerlingen (1Sm 10:5b5Daarna zult u op de heuvel van God komen, waar garnizoenen van de Filistijnen liggen. En het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, dat u een groep profeten tegen zult komen, die van de hoogte afkomt. Zij hebben luiten, tamboerijnen, fluiten en harpen bij zich, en zijn aan het profeteren.; 19:2020Toen stuurde Saul boden om David te halen. Die zagen een groep profeten bezig met profeteren, en Samuel stond [daar] en gaf hen leiding. De Geest van God kwam over de boden van Saul en ook zij begonnen te profeteren.). Op de profetenscholen in Bethel, en ook in Jericho (vers 55Toen kwamen de leerling-profeten die in Jericho waren, naar voren, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg [erover].), hebben de ‘studenten’ onderwijs gekregen over het wegnemen van Elia. De leerlingen menen dat ze Elisa daarover moeten informeren, zonder dat ze zelf een verbinding met Elia hebben. Ze spreken tot Elisa over Elia niet als ‘onze’ heer, maar als ‘uw’ heer. Ze merken ook dat Elisa dingen onderwijst die zij niet leren op hun school. Ze gaan niet mee langs de weg die Elisa met Elia gaat, maar staan van verre. De leerling-profeten vertellen Elisa niets nieuws. Ondanks het feit dat hij niet kan bogen op een opleiding aan een erkend instituut, is hij op de hoogte van wat er met Elia zal gebeuren. Elisa heeft geen opleiding, hij heeft alleen zijn roeping.

De uitdrukking ‘boven het hoofd wegnemen’ duidt aan dat Elia boven Elisa staat en hem onderwijs geeft. Dit is ook letterlijk het geval als Elisa aan zijn voeten zit en Elia dus boven zijn hoofd staat. Elisa zal binnenkort zonder de aanwijzingen van zijn meester zelfstandig zijn taak moeten verrichten.


De les van Jericho

4En Elia zei tegen hem: Elisa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zei: [Zo waar] de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo kwamen zij in Jericho. 5Toen kwamen de leerling-profeten die in Jericho waren, naar voren, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg [erover].

Ook in Bethel wordt Elisa getest om daar toch te blijven. Maar hij gaat mee, op naar de derde plaats, Jericho. In Jericho gekomen, had Elisa puinhopen moeten zien, want dat is Gods oordeel dat Hij over die stad heeft uitgesproken. Jericho is echter tegen Gods bevel in herbouwd en nog wel door iemand uit Bethel (1Kn 16:3434In zijn dagen bouwde Hiël uit Bethel Jericho [weer] op. Op zijn eerstgeboren zoon Abiram legde hij de fundamenten ervan, en op zijn jongste [zoon] Segub richtte hij de poorten ervan op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.). De macht van de wereld, waar Jericho een beeld van is, heeft nog steeds grote aantrekkelijkheid voor wie de wereld niet ziet zoals God die ziet. De ogen moeten er wel voor open zijn, want het lijkt alsof Jericho een bloeiende stad is. Zo lijkt ook de christenheid een bloeiende stad, maar het geloof ziet dat dit slechts schijn is. De kracht van Godsvrucht wordt er geloochend (2Tm 3:5a5Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af.).

Ook in Jericho is een profetenschool met leerling-profeten die een zekere kennis van toekomstige gebeurtenissen hebben. Ook zij menen Elisa daarover te moeten informeren. Daar blijft het echter bij. Ze gaan niet met Elisa mee. De waarheid die zij kennen, heeft op henzelf geen effect.

Zij menen iets te vertellen wat Elisa nog niet weet. Deze waarheden worden echter niet in de eerste plaats geleerd op theologische hogescholen of bijbelscholen, maar door de Geest van God. Leerling-profeten staan van verre. Zij zijn geen afgodendienaars, maar toch kennen ze de ware bedoelingen van God niet.


De les van de Jordaan

6En Elia zei tegen hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zei: [Zo waar] de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder. 7En vijftig mannen van de leerling-profeten gingen [erheen] en bleven op grote afstand staan, en zij beiden stonden bij de Jordaan. 8Toen nam Elia zijn mantel, rolde [hem] op en sloeg het water. Dat werd naar beide zijden verdeeld, en zij gingen er beiden door, over het droge.

Elia wordt door de HEERE telkens naar een andere plaats gezonden en Elisa wordt telkens weer door Elia aangeraden niet verder mee te gaan. Door dit tegen hem te zeggen stelt Elia Elisa telkens op de proef. Telkens moet Elisa overwegen wat hij doet en zijn beslissing nemen. Hij wordt niet gedwongen om met Elia mee te gaan. Dat hij meegaat, is een eigen keus. Gelukkig heeft Elisa volhard tot het einde. Daar heeft hij zeker geen spijt van gehad.

Van Jericho gaat de reis naar de Jordaan, om daar doorheen buiten Gods land te gaan dat een afgodisch land is geworden. Ze gaan door de Jordaan, nadat Elia die geslagen heeft met zijn mantel. De kracht van Elia zit in zijn gedrag, zijn wandel – waarvan zijn mantel spreekt – tot eer van God. Nadat ze door de Jordaan zijn getrokken, kan Elia spreken over zegen voor Elisa. Ze staan als het ware buiten het kamp, zoals eens Mozes en Jozua (Ex 33:7-117En Mozes nam de tent en zette die voor zichzelf buiten het kamp op, een eind van het kamp vandaan; en hij noemde hem de tent van ontmoeting. Zo gebeurde het dat ieder die de HEERE zocht, naar de tent van ontmoeting moest gaan, die zich buiten het kamp bevond.8Telkens als Mozes naar de tent ging, gebeurde het dat heel het volk opstond en dat ieder bij de ingang van zijn tent ging staan en dat zij Mozes nakeken tot hij de tent was binnengegaan.9Zodra Mozes de tent binnenging, gebeurde het dat de wolkkolom neerdaalde en bij de ingang van de tent bleef staan en dat [de HEERE] met Mozes sprak.10En zodra heel het volk de wolkkolom zag staan bij de ingang van de tent, stond heel het volk op en boog zich neer, ieder in de opening van zijn tent.11De HEERE sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt. Daarna keerde hij terug naar het kamp, maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, een jongeman, week niet uit het midden van de tent.). De zegen in verbinding met de dood en de opstanding van de Heer Jezus ligt buiten het land.

Vijftig leerling-profeten zijn wel een stuk van de reis meegegaan, maar gaan dan toch niet mee door de Jordaan. Zo kijkt het volk Mozes na als hij naar de tent van de samenkomst gaat die hij buiten het kamp gespannen heeft, waar ook Jozua is (Ex 33:88Telkens als Mozes naar de tent ging, gebeurde het dat heel het volk opstond en dat ieder bij de ingang van zijn tent ging staan en dat zij Mozes nakeken tot hij de tent was binnengegaan.). Er zijn christenen die oog hebben voor wat de verschillende plaatsen voorstellen, maar die geen kennis hebben van het met Christus gestorven en opgestaan zijn. Ze genieten niet de hemelse zegeningen die het gevolg zijn van het in Christus gezet zijn in de hemelse gewesten (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,).


De vraag van Elisa

9Het gebeurde nu, toen zij overgestoken waren, dat Elia tegen Elisa zei: Vraag [mij] wat ik voor u doen zal, voordat ik van u weggenomen word. Elisa zei: Laat er toch twee delen van uw geest op mij mogen zijn. 10Maar hij zei: U hebt een moeilijke zaak gevraagd; als u mij zult zien als ik bij u vandaan weggenomen word, dan zal het u gebeuren, maar zo niet, dan zal het niet gebeuren.

Als ze aan de andere kant van de Jordaan zijn gekomen, mag Elisa van Elia een wens doen. Elisa vraagt daarop twee delen van de geest van Elia. Hij vraagt daarmee om iets wat hoort bij het eerstgeboorterecht (Dt 21:1717Voorzeker, hij moet de eerstgeborene, de zoon van de minder geliefde, erkennen door hem het dubbele deel te geven van alles wat bij hem aangetroffen wordt. Hij is immers de eerste [vrucht] van zijn mannelijkheid, hij heeft het eerstgeboorterecht.). Dit dubbele deel heeft hij hard nodig als een bevestiging van zijn dienst. Elisa begeert het gezag en de kracht van Elia om op te treden zoals Elia is opgetreden. Wat Elisa wil en waarnaar hij vraagt, is kracht, opdat hij een echte vertegenwoordiger van de afwezige Elia zal kunnen zijn. Voor ons is het de kracht van de Heilige Geest om Christus voor te stellen, Hem uit te leven (vgl. Lk 24:4949En <zie>, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; u echter, blijft in de stad totdat u wordt bekleed met kracht uit [de] hoogte.).

Elisa is zich ervan bewust dat hij de opvolger van Elia is, zijn erfgenaam – veel meer dan het geval is bij de leerling-profeten, die soms met naambelijders, soms ook met onwetende gelovigen vergeleken kunnen worden. Als wij hen al als erfgenamen van Elia mogen betitelen, dan is Elisa toch de ‘eerstgeboren zoon’ die recht heeft op een dubbel deel van de erfenis. Elisa claimt hier om zo te zeggen zijn eerstgeboorterecht, nadat Elia hem vlak voor zijn wegneming in de gelegenheid heeft gesteld om een wens te doen (vers 9a9Het gebeurde nu, toen zij overgestoken waren, dat Elia tegen Elisa zei: Vraag [mij] wat ik voor u doen zal, voordat ik van u weggenomen word. Elisa zei: Laat er toch twee delen van uw geest op mij mogen zijn.).

Wat hier opvalt, is dat Elisa geen rijkdom, eer of macht wenst te erven, maar een dubbel deel van de geest van Elia. Zijn verzoek lijkt daardoor op de bede van Salomo, die bij het begin van zijn taak als koning evenmin rijkdom of macht begeerde, maar een wijs en verstandig hart om Israël te kunnen besturen (1Kn 3:9,129Geef dan Uw dienaar een opmerkzaam hart, om recht te [kunnen] spreken over Uw volk, om met inzicht onderscheid te [kunnen] maken tussen goed en kwaad, want wie zou over dit machtige volk van U kunnen rechtspreken?12zie, [daarom] doe Ik overeenkomstig uw woorden: zie, Ik geef u een wijs en verstandig hart, zodat uws gelijke er vóór u niet geweest is, en uws gelijke na u niet zal opstaan.). Daarmee toont hij dat hij de juiste geestelijke instelling bezit. Het dubbele deel is ook tot uiting gekomen in zijn dienst: Elisa heeft ongeveer tweemaal zoveel wonderen gedaan als Elia.

Elia vindt het niet vanzelfsprekend dat Elisa een dubbel deel van zijn geest erft. Hij beschouwt het als “een moeilijke zaak”, wellicht in het besef dat het een mens niet toekomt en het voor een mens zelfs onmogelijk is om aan anderen de Geest van God mee te delen. Elia weet niet of de wens van Elisa wel in vervulling kan gaan. Daarom legt hij deze zaak met de volgende woorden in Gods hand: “Als u mij zult zien als ik bij u vandaan weggenomen word, dan zal het u gebeuren, maar zo niet, dan zal het niet gebeuren.” Elia kan dat dubbele deel niet geven, maar God wel. Hij laat aan God over wat Hij zal doen.

Elia maakt de vervulling van de wens van Elisa afhankelijk van het feit of Elisa ooggetuige van zijn wegneming zal zijn. De enige vraag is dan ook: Zal Elisa zijn oog op Elia richten? Zal hij de grote uitdaging van de naar de hemel gaande Elia aannemen en eenvoudig onafgebroken zijn oog op hem gericht houden wanneer hij zal heengaan?

Het is de gezegende werkelijkheid om van zichzelf en alles af te zien en te zien op Christus (Hb 12:22terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.). Als het oog van al het andere afziet en alleen op Hem gericht is, vinden we de kracht van de Heilige Geest in werking. Zo eenvoudig is dat. Petrus heeft dat ervaren toen hij op het water liep (Mt 14:2929Hij nu zei: Kom! En Petrus klom uit het schip en liep over de wateren en kwam naar Jezus toe.). Stéfanus heeft het ook ervaren (Hd 7:5656en zei: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande aan Gods rechterhand.), evenals Mozes (Hb 11:2727Door [het] geloof verliet hij Egypte, zonder de toorn van de koning te vrezen; want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare.).


Elia vaart op naar de hemel

11Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verdergingen, zie, dat er een vurige wagen met vurige paarden kwam, die tussen hen beiden scheiding maakte. Zo voer Elia in een storm naar de hemel.

Uit de mededeling dat zij “al sprekend verdergingen”, blijkt dat zij elkaars gedachten hebben leren kennen en vertrouwelijk met elkaar zijn omgegaan. Er zal in de loop der jaren een nauwe band zijn ontstaan tussen de beide mannen. Een “slaaf weet niet wat zijn heer doet” (Jh 15:1515Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader heb gehoord, bekendgemaakt heb.), maar Elisa is terdege op de hoogte van wat er met zijn ‘heer’ (verzen 3,53Toen kwamen de leerling-profeten die in Bethel waren, [de stad] uit, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg [erover].5Toen kwamen de leerling-profeten die in Jericho waren, naar voren, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg [erover].) zal gebeuren. Elisa staat ook niet op een afstand zoals de leerling-profeten (vers 77En vijftig mannen van de leerling-profeten gingen [erheen] en bleven op grote afstand staan, en zij beiden stonden bij de Jordaan.), van wie niet eens wordt vermeld of zij Elia die dag persoonlijk hebben gesproken (verzen 3,53Toen kwamen de leerling-profeten die in Bethel waren, [de stad] uit, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg [erover].5Toen kwamen de leerling-profeten die in Jericho waren, naar voren, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg [erover].). Hij noemt Elia dan ook met nadruk ‘mijn vader’ als hij het uitroept: “Mijn vader, mijn vader!” (vers 1212Elisa zag het en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiters! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn kleren en scheurde ze in twee stukken.).

We kunnen een praktische les trekken uit de wijze waarop Elia en Elisa met elkaar omgaan. Dit is een voorbeeld voor de manier waarop oudere en jongere gelovigen met elkaar zouden kunnen en moeten omgaan. Hoewel het geloofsvertrouwen van Elisa door zijn oudere metgezel wel op de proef wordt gesteld, zien wij hier toch ook een harmonisch samengaan van een oudere dienaar van de Heer met een jongere dienaar van de Heer. Elia is de geestelijke vader van Elisa (vers 1212Elisa zag het en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiters! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn kleren en scheurde ze in twee stukken.), zoals Paulus dat was van Timotheüs, die hij zijn “kind” noemt (1Tm 1:22aan Timotheüs, [mijn] echt kind in [het] geloof: genade, barmhartigheid en vrede van God <de> Vader en van Christus Jezus, onze Heer.; 2Tm 1:22aan Timotheüs, [mijn] geliefd kind: genade, barmhartigheid, vrede van God [de] Vader en van Christus Jezus, onze Heer.). Zo worden jonge Godsmannen voorbereid op de taak die hun wacht.

De voorwaarde is dus dat Elisa ooggetuige is van de hemelvaart van Elia en dat dan zijn ogen door God Zelf zullen worden geopend voor het wonder dat zal plaatsvinden. En inderdaad wordt het Elisa vergund de wegneming van zijn meester te zien en zodoende een blik te slaan in de onzichtbare wereld (verzen 11-1211Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verdergingen, zie, dat er een vurige wagen met vurige paarden kwam, die tussen hen beiden scheiding maakte. Zo voer Elia in een storm naar de hemel.12Elisa zag het en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiters! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn kleren en scheurde ze in twee stukken.; vgl. 2Kn 6:1717En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.). Hij ziet hoe God een strijdwagen uit de hemel zendt, “een vurige wagen en vurige paarden”, om Elia – de trouwe en eenzame strijder voor Gods eer op aarde – op te nemen in Zijn heerlijkheid. Zo weten wij ook dat de Heer Jezus is opgenomen naar de hemel “terwijl zij toekeken” (Hd 1:99En terwijl Hij dit zei, werd Hij opgenomen, terwijl zij toekeken, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.) en is gaan zitten “aan [de] rechterhand van God” (Mk 16:1919De Heer <Jezus> dan, nadat Hij tot hen had gesproken, werd opgenomen in de hemel en ging zitten aan [de] rechterhand van God.).


Reactie van Elisa

12Elisa zag het en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiters! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn kleren en scheurde ze in twee stukken.

Na zijn opneming is de dienst van Elia ten einde en begint de dienst van Elisa. Na zijn roeping is Elisa eerst een tijd in de schaduw gebleven, in de oefenschool van God. De taak van Elisa begint met de vraag om een dubbel deel, de vraag naar het eerstgeboorterecht. Dat heeft hij gekregen, want er is aan de voorwaarde voldaan dat hij Elia naar de hemel zou zien gaan. Er staat hier nadrukkelijk: “Elisa zag het.”

Elisa noemt Elia “mijn vader” en “wagen van Israël en zijn ruiters”. Daarmee zegt hij dat hij het geestelijk kind van Elia is en dat hij in Elia de hele kracht van de legermacht van Israël samengebald ziet. De geestelijke kracht van Gods volk berust in tijden van verval, in de laatste dagen, niet bij de massa, maar is aanwezig in de enkeling die een man Gods, man of vrouw, is. De Heer Jezus is in alles de ware Man Gods, het ware Israël. Hij is naar de hemel gegaan. Wie leggen nu in Zijn kracht het getuigenis voor God af te midden van een afvallige christenheid?

Elisa “zag hem niet meer”, zoals ook wij nu de Heer Jezus niet meer op aarde zien. De Heer Jezus is nu aan de rechterhand van de majesteit in de hoge. Paulus kende Hem ook niet meer naar het vlees (2Ko 5:1616Wij kennen dus van nu aan niemand naar [het] vlees; en als wij al Christus naar [het] vlees hebben gekend, dan kennen wij [Hem] nu niet meer [zo].). Evenals Elisa wandelt de (geestelijke) christen door de Geest van de verheerlijkte Heer (Gl 5:2525Als wij door [de] Geest leven, laten wij ook door [de] Geest wandelen.). Elisa is een beeld van Christus Die in de Geest tot Zijn volk komt. De Heer Jezus heeft gezegd dat Hij na Zijn heengaan tot Zijn discipelen zou komen: “Ik zal u geen wezen laten blijven, Ik kom tot u” (Jh 14:1818Ik zal u geen wezen laten blijven, Ik kom tot u.). Dat is gebeurd toen de Heilige Geest op aarde kwam (Jh 14:16-1716En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid:17de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, omdat zij Hem niet aanschouwt en Hem niet kent; u kent Hem, omdat Hij bij u blijft en in u zal zijn.).

Vervolgens scheurt Elisa zijn kleren in twee stukken. Hij is de man van de genade, maar dat kan hij alleen zijn omdat hij radicaal met het oude afrekent. Dat hebben we al gezien als hij na zijn roeping door Elia zijn runderen verlaat en een span runderen slacht en hun vlees kookt op het hout van het juk van de runderen (1Kn 19:20-2120Hij verliet de runderen, snelde achter Elia aan en zei: Laat mij toch mijn vader en moeder kussen, daarna zal ik u volgen. En hij zei tegen hem: Ga, keer terug, want wat heb ik u gedaan?21Zo keerde hij van achter hem terug, nam een span runderen, slachtte ze en kookte hun vlees op het hout van het juk van de runderen. Hij gaf [dat] aan het volk en zij aten. Daarna stond hij op, volgde Elia en diende hem.). Het scheuren van zijn kleding wil zeggen dat Elisa met het oude afrekent om het nieuwe te kunnen aandoen (2Ko 5:1717Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden.).


De mantel van Elia

13Hij pakte de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, op, keerde terug en bleef aan de oever van de Jordaan staan. 14Hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water en zei: Waar is de HEERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg het water en het werd naar beide zijden verdeeld, en Elisa ging erdoor.

Elia kon zijn mantel niet meenemen naar de hemel. Zo kon de Heer Jezus het dienstwerk dat Hij op aarde had gedaan, niet voortzetten in de hemel. Hij heeft dat overgegeven in de handen van Zijn dienaren. Die dienst zou groter zijn, zoals ook de dienst van Elisa groter is dan die van Elia (vgl. Jh 14:1212Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal hij ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, omdat Ik heenga naar de Vader.). Die dienst gebeurt wel in de kenmerken van hem die naar de hemel is gevaren. Dat geldt ook voor ons als dienaren die het werk van de Heer op aarde doen. Onze dienst behoort de kenmerken te dragen van Hem Die in de hemel is.

Elisa neemt de mantel op. Daarmee stapt hij daadwerkelijk in de plaats van Elia in de dienst van de HEERE. Hij neemt om zo te zeggen de uitdaging van zijn roeping aan om de dienst die daaraan verbonden is, te vervullen. Met de opgenomen mantel gaat hij bij de Jordaan staan. Hij heeft daar eerder met Elia gestaan. Nu staat hij er alleen. Elke dienaar kan door een andere dienaar worden gewezen op het uitgangspunt van de dienst: de dood en de opstanding van de Heer Jezus. Het moment komt dat hij daar alleen moet staan en zich moet realiseren dat zijn dienst slechts betekenis heeft als die is verbonden met waar de Jordaan van spreekt: een gestorven, opgewekte en in de hemel verheerlijkte Heer. Dat moet de dienaar zich steeds bewust blijven.

De mantel van Elia heeft in deze geschiedenis dezelfde functie als de staf van Mozes bij de doortocht door de Rode Zee (Ex 14:1616En u, hef uw staf op, strek uw hand uit over de zee en splijt hem doormidden, zodat de Israëlieten door het midden van de zee op het droge kunnen gaan.) en de ark van het verbond bij de intocht in Kanaän (Jz 3:1313Want het zal gebeuren, zodra de voetzolen van de priesters die de ark van de HEERE, de Heere van de hele aarde, dragen, in het water van de Jordaan komen, dat het water van de Jordaan afgesneden wordt, [namelijk] het water dat van bovenaf vloeit; het zal blijven staan als een dam.). Zowel bij de staf en de ark als bij de mantel moet het water wijken voor de macht van de God van Israël, Die een pad baant voor hen die Hem toebehoren.

Elisa roept hier de Naam van de HEERE aan met de woorden “waar is de HEERE, de God van Elia, ja Hij?” Hij weet dat het wonder dat de wateren zich verdeelden toen hij erdoor ging samen met Elia (vers 88Toen nam Elia zijn mantel, rolde [hem] op en sloeg het water. Dat werd naar beide zijden verdeeld, en zij gingen er beiden door, over het droge.), niet plaatsvond door de kracht van Elia. Als hij wil dat de wateren zich opnieuw verdelen, is dat ook niet door zijn eigen kracht, maar opnieuw door de machtige werking van hun God. In Zijn kracht konden deze Godsmannen een weg gaan die een mens van nature onmogelijk kan gaan.

Elisa vergelijkt zich niet met Elia, maar roept de HEERE, de God van Elia aan. Die God is niet veranderd. Elisa doet een beroep op de God Die met Elia is geweest, opdat die God met hem zal zijn. God wil ook ons in de dienst die we voor Hem mogen doen met Zijn kracht ondersteunen. De God Die mannen Gods kracht heeft gegeven, wil ook ons kracht geven.


De leerling-profeten

15Toen nu de leerling-profeten uit Jericho, die aan de overzijde waren, hem zagen, zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa. Zij kwamen hem tegemoet en bogen zich ter aarde voor hem neer. 16En zij zeiden tegen hem: Zie toch, er zijn bij uw dienaren vijftig dappere mannen. Laat hen toch uw meester gaan zoeken, of de Geest van de HEERE hem misschien niet heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen geworpen heeft. Maar hij zei: Stuur [hen] niet. 17Zij drongen echter bij hem aan, tot beschamens toe, en hij zei: Stuur [hen dan maar]. En zij stuurden vijftig mannen, die drie dagen zochten, maar hem niet vonden. 18Toen kwamen zij bij hem terug, terwijl hij in Jericho verbleef, en hij zei tegen hen: Heb ik niet tegen u gezegd: Ga niet?

Er is een grote tegenstelling tussen Elisa en de leerling-profeten uit Jericho, die bij alles wat er is gebeurd op een afstand zijn blijven staan en daardoor geen ooggetuigen van de hemelvaart van Elia zijn geweest (verzen 7,157En vijftig mannen van de leerling-profeten gingen [erheen] en bleven op grote afstand staan, en zij beiden stonden bij de Jordaan.15Toen nu de leerling-profeten uit Jericho, die aan de overzijde waren, hem zagen, zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa. Zij kwamen hem tegemoet en bogen zich ter aarde voor hem neer.). De leerling-profeten, zowel in Bethel als in Jericho (verzen 3,53Toen kwamen de leerling-profeten die in Bethel waren, [de stad] uit, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg [erover].5Toen kwamen de leerling-profeten die in Jericho waren, naar voren, naar Elisa toe en zeiden tegen hem: Weet u dat de HEERE heden uw meester van u zal wegnemen? En hij zei: Ik weet het ook, zwijg [erover].), zijn goed geïnformeerd over de ophanden zijnde gebeurtenis – wellicht door een profetische openbaring waarvan ook Elisa op de hoogte is gesteld. Zij hebben echter niet zoals Elisa met verlichte ogen aanschouwd hoe Elia in triomf naar de hemel is gevoerd. Alleen Elisa heeft geopende ogen gehad voor de opneming van Elia.

De leerling-profeten zien echter wel wat anders. Ze merken bij Elisa de gevolgen op van wat hij heeft gezien. De opname van Elia straalt als het ware van hem af. Een dergelijk getuigenis zal ook van ons afstralen als mensen in ons de Geest van de Heer Jezus zien. Dat zal zo zijn als zij door ons doen en laten worden herinnerd aan Hem (Hd 4:1313Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en merkten dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zij zich; en zij herkenden hen dat zij met Jezus waren geweest.). Die Geest rust niet op de leerling-profeten uit Jericho. Zij hebben ook Elia niet naar de hemel zien gaan. Christenen die geen weet hebben van een verheerlijkte Heer, kunnen niet veel van Zijn Geest laten zien, die Geest Die van Hem getuigt.

De leerling-profeten voelen dat Elisa om zo te zeggen geestelijk boven hen staat. Maar verder komen ze niet. Ze vragen niet hoe het komt dat de geest van Elia op hem rust en nog minder is er het verlangen diezelfde Geest te ontvangen. In plaats daarvan doen ze zoals Obadja heeft gedaan tegenover Elia en buigen zich voor hem neer (1Kn 18:77Toen Obadja onderweg was, zie, Elia [kwam] hem tegemoet. Hij herkende hem, wierp zich met zijn gezicht [ter aarde] en zei: Bent u het, mijn heer Elia?). Ze redeneren ook precies als Obadja, die bang was dat de Geest van de HEERE Elia plotseling naar een andere omgeving zou verplaatsen (1Kn 18:1212En mocht het gebeuren dat ík van u zou weggaan en de Geest van de HEERE u zou opnemen, ik weet niet waarheen, en ik zou komen om Achab de boodschap te brengen, en hij zou u niet vinden, dan zou hij mij doden, terwijl [ik], uw dienaar, vanaf mijn jeugd de HEERE vrees.). Ze menen dat de Geest Elia mogelijk “heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen geworpen heeft”.

Met hun vraag om Elia te mogen gaan zoeken tonen ze dat hun horizon beperkt blijft tot de aarde. Ze houden geen rekening met een werkelijke opneming in de hemel. Zo zijn er ook in onze dagen mensen die worden gekenmerkt enerzijds door godsdienstige verwarring en anderzijds door openlijke afgodendienst. Er zijn veel goedwillende belijders, die behoren tot de ‘profeten van de HEERE’ (1Kn 18:1313Is mijn heer niet verteld wat ik heb gedaan, toen Izebel de profeten van de HEERE doodde? Dat ik van de profeten van de HEERE honderd man heb verborgen, per vijftig man in een grot, en dat ik die met brood en water onderhouden heb?), maar toch de aardse dingen bedenken. Helaas hebben zij – althans in de praktijk van het christelijke leven – geen oog voor een hemelse Christus (Fp 3:19-2019hun einde is [het] verderf, hun God is de buik en hun heerlijkheid is in hun schande; zij bedenken de aardse dingen.20Want ons burgerschap is in [de] hemelen, waaruit wij ook [de] Heer Jezus Christus als Heiland verwachten,; Ko 3:1-41Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.2Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.3Want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.4Wanneer Christus, uw leven, geopenbaard wordt, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.).

Elisa beantwoordt de vraag van de leerling-profeten met een duidelijk ‘nee’. Omdat ze hoe dan ook willen zoeken, stemt hij ten slotte toe. Uit hun zoekactie blijkt dat zij niets van de waarheid van de wegneming van Elia hebben begrepen. De actie door vijftig man van de leerling-profeten van Jericho is zowel overbodig als tevergeefs. Elia wordt niet gevonden, evenals Henoch in zijn dagen “niet werd gevonden, omdat God hem had weggenomen” (Hb 11:55Door [het] geloof werd Henoch weggenomen opdat hij [de] dood niet zag, en hij werd niet gevonden, omdat God hem had weggenomen; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis verkregen dat hij God behaagd had.). Mogelijk is er na de wegneming van Henoch ook een vergeefse zoektocht naar hem georganiseerd; de woorden ‘en hij werd niet gevonden’ kunnen hierop wijzen. Als ze onverrichter zake terugkeren, wijst Elisa hen zachtmoedig op hun ongeloof.


Het water van Jericho

19De mannen van de stad zeiden tegen Elisa: Zie toch, de ligging van deze stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht, waardoor het land misgeboorte veroorzaakt. 20En hij zei: Breng mij een nieuwe schaal en doe er zout in. En zij brachten [die] bij hem. 21Toen ging hij naar buiten, naar de waterbron, wierp het zout daarin en zei: Zo zegt de HEERE: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood of misgeboorte meer door komen. 22Zo werd dat water gezond, tot op deze dag, overeenkomstig het woord van Elisa dat hij gesproken had.

Voordat we ons nader zullen bezighouden met de wonderen van Elisa, eerst een algemene opmerking over deze wonderen. Als we alle wonderen zien waarbij Elisa betrokken is, is er een opmerkelijke orde in te ontdekken. Het slaan van het water van de Jordaan is het eerste wonder van Elisa. Zijn laatste wonder vindt plaats als hij al gestorven is en in het graf ligt. Als er een dode man in zijn graf wordt geworpen, wordt de dode man levend (2Kn 13:2121En het gebeurde, toen men een man aan het begraven was, dat zij, zie, een bende zagen. Daarom wierpen zij de man in het graf van Elisa. Toen de man [daarin] terechtkwam en met de beenderen van Elisa in aanraking kwam, werd hij weer levend en rees overeind op zijn voeten.). Tussen beide wonderen is een overeenkomst. Ze hebben allebei te maken met dood en opstanding. De Jordaan is een beeld van de dood en de opstanding van de Heer Jezus, de dode man die in het graf van Elisa wordt geworpen, wordt levend door de aanraking van het gebeente van Elisa. Daardoor horen zijn eerste en zijn laatste wonder bij elkaar.

Verschillende daar tussenliggende wonderen lijken twee aan twee bij elkaar te horen. Er is in elk geval een verband te zien tussen de volgende zes wonderen. Zo kunnen we bij de twee wonderen die nu eerst onder onze aandacht komen, het water van Jericho en de beren uit het woud, wonderen zien die in verband met de natuur staan, waarbij het ene wonder zegen en het andere wonder oordeel inhoudt. De volgende twee wonderen gaan over wat leeg is en door de HEERE wordt gevuld: lege greppels en lege vaten worden respectievelijk gevuld met water (het Woord) en olie (Geest). De daarop volgende twee wonderen hebben te maken met leven uit de dood.

De eerste openbaring van de genade in de dienst van Elisa vindt plaats in Jericho, de stad van de vloek (Jz 6:2626In die tijd liet Jozua [het volk] zweren: Vervloekt is die man voor het aangezicht van de HEERE die opstaat om deze stad Jericho te herbouwen. Laat hij haar fundering leggen op zijn eerstgeboren zoon en haar poorten oprichten op zijn jongste zoon!). Wat de mens heeft opgebouwd, lijkt goed. De ligging van de stad is goed. Maar het blijft de plaats van de vloek, een plaats die, zoals we al hebben gezien, in opstand tegen God is herbouwd (1Kn 16:3434In zijn dagen bouwde Hiël uit Bethel Jericho [weer] op. Op zijn eerstgeboren zoon Abiram legde hij de fundamenten ervan, en op zijn jongste [zoon] Segub richtte hij de poorten ervan op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.). De dood heerst er en brengt de dood teweeg. Bij een misgeboorte is er wel even hoop op leven, maar het leven wordt niet voldragen en sterft. De mannen van de stad gaan met hun nood naar de man Gods. Met de woorden “zie toch” wijzen ze hem op de situatie om die met eigen ogen waar te nemen. Op die manier betrekken zij hem bij hun situatie.

Dan gaat Elisa handelen. De profeet van de genade komt op de plaats van de dood. Hij komt niet om te oordelen, maar om leven te geven. Dat is het kenmerk van deze tijd. Gods lankmoedigheid stelt het oordeel nog steeds uit (2Pt 3:9b9[De] Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.). God wil leven geven, maar doet dat op grond van Zijn eigen voorwaarden. Er is alleen aan de dood te ontkomen via de man Gods, dat is nu de Heer Jezus.

Elisa zegt dat er een nieuwe schaal moet komen met zout erin. Als God gaat werken in de plaats van de vloek, doet Hij dat door iets nieuws en niet door iets wat al is gebruikt en oud is. Dat stelt symbolisch voor dat God de oude natuur niet opknapt, maar een nieuw begin maakt. Hij zet geen oude lap op een nieuw kleed (Mt 9:1616Nu zet niemand een lap nieuwe stof op een oud kleed; want het ingezette stuk scheurt [iets] van het kleed af en de scheur wordt erger.). Het zout spreekt van “het zout van het verbond” van God met Zijn volk (Lv 2:1313Elke offergave van uw graanoffers moet u met zout bereiden. Het zout van het verbond met uw God mag u aan uw graanoffer niet laten ontbreken. Bij al uw offergaven moet u zout aanbieden.). Zout is bewarend en bederfwerend. Zo is het met Gods verbond dat tegen alles in stand houdt. God bewaart het in Christus, Die de nieuwe Mens is. Alleen in Hem is alles bewarend en bederfwerend, in Hem zijn alle beloften van God ja en amen (2Ko 1:2020Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons.). In Hem zijn we een nieuwe schepping (2Ko 5:1717Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden.).

Het zout wordt in de bron van Jericho geworpen. In de geschiedenis van de christenheid zien we hoe de invloed van het christendom leven heeft gebracht en het bederf is tegengegaan. Dat zien we ook in het leven van bekeerde mensen. De invloed daarvan op de wereld eromheen is leven. Dat is wat de Heer Jezus bedoelt, als Hij tegen Zijn discipelen en ons zegt: “U bent het zout van de aarde” (Mt 5:13a13U bent het zout van de aarde; als nu het zout smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.).

Helaas moet er ook aan worden toegevoegd, dat “het zout smakeloos” is geworden (Mt 5:13b13U bent het zout van de aarde; als nu het zout smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.). We zien nu hoe in de christenheid het zout zijn kracht verliest. Alle christelijke waarden en normen die zijn ontleend aan de Bijbel, verdwijnen steeds meer uit de samenleving en de wetgeving. Het is te midden van het toenemende verval de opdracht van God voor de trouwe discipel, de mens (man of vrouw) Gods, in huwelijk en gezin te laten zien hoe Hij het heeft bedoeld. De christen die dat doet, heeft ‘zout in zichzelf’ (Mk 9:50b50Het zout is goed; als nu het zout zouteloos wordt, waarmee zult u het smakelijk maken? Hebt zout in uzelf en houdt vrede onder elkaar.) en zal woorden van genade spreken die “met zout besprengd” zijn (Ko 4:66Laat uw woord altijd in genade zijn, met zout besprengd, opdat u weet hoe u iedereen moet antwoorden.).

Zo iemand is tot ware zegen voor zijn omgeving en verheerlijkt God in zijn leven. Hij is een bron die gezond is. Ieder met wie hij in aanraking komt, zal de gezonde invloed ervan ondergaan. Uit het leven van zo iemand komt niet de dood of misgeboorte voort, maar leven. Dat is het gevolg als er wordt gehandeld “overeenkomstig het woord van Elisa dat hij gesproken had”. Het woord van de man Gods is niets anders dan het Woord van God. Wij hebben niets anders dan het Woord. Als we spreken overeenkomstig het Woord van God, zal er gezonde geestelijke groei zijn.

We zien in deze gebeurtenis dat Elisa genade en zegen brengt op een plaats van oordeel als Jericho. In de volgende hoofdstukken zullen we zien dat Elisa zegen brengt voor wat in beeld het toekomstige gelovig overblijfsel voorstelt (2Kn 4) en dat hij zegen voor de volken heeft (2Kn 5). Evenals de Heer Jezus gebruikt Elisa zijn kracht ten gunste van anderen en niet voor zichzelf.


Oordeel over spottende jongens

23En hij ging vandaar naar Bethel. Toen hij langs de weg omhoog ging, kwamen er kleine jongens uit de stad. Die dreven de spot met hem en zeiden tegen hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op! 24Hij keerde zich om, zag hen en vervloekte hen in de Naam van de HEERE. Toen kwamen er twee beren uit het woud en verscheurden tweeënveertig van die kinderen. 25En hij ging vandaar naar de berg Karmel; en vandaar keerde hij terug naar Samaria.

Er is in de dienst van Elisa niet alleen genade. Drie keer heeft hij ook oordeel gebracht: hier over spottende jongens, over Gehazi (2Kn 5:21-2721Dus volgde Gehazi Naäman. En toen Naäman zag dat hij hem achterna rende, liet hij zich van de wagen zakken, [ging] hem tegemoet en zei: Is [alles] goed?22En hij zei: [Alles] is goed. Mijn heer heeft mij gestuurd om te zeggen: Zie, er zijn nu uit het bergland van Efraïm twee jongemannen van de leerling-profeten bij mij gekomen. Geef hun toch een talent zilver en twee stel gewaden.23Naäman zei daarop: Neem alstublieft twee talent aan. Hij drong bij hem aan en bond twee talent zilver in twee buidels, met twee stel gewaden, en hij gaf ze aan twee van zijn knechten, die ze voor hem uit droegen.24Toen hij nu bij de heuvel kwam, nam hij [alles] van hen over en borg het op in een huis. Hij liet de mannen gaan en zij gingen weg.25Daarna keerde hijzelf [terug] en ging voor zijn heer staan. Elisa zei toen tegen hem: Waar [kom je] vandaan, Gehazi? Hij zei: Uw dienaar is niet hierheen of daarheen gegaan.26Maar hij zei tegen hem: Ging mijn hart niet mee, toen die man zich vanaf zijn wagen omkeerde [en] je tegemoet ging? Was het tijd om dat zilver aan te nemen en gewaden aan te nemen, [om] olijfbomen en wijngaarden, schapen en runderen, dienaren en dienaressen [te kunnen kopen]?27Daarom zal de melaatsheid van Naäman zich voor eeuwig aan jou en aan jouw nageslacht hechten. Toen ging hij bij hem weg, melaats, [wit] als de sneeuw.) en over de hoofdman van de koning (2Kn 7:1-2,17-201Toen zei Elisa: Hoor het woord van de HEERE. Zo zegt de HEERE: Morgen omstreeks deze tijd zal in de poort van Samaria een maat meelbloem [verkocht worden] voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel.2Maar een officier, op wiens hand de koning leunde, antwoordde de man Gods en zei: Zie, al maakt de HEERE sluizen in de hemel – hoe zou dit [kunnen] gebeuren? Maar hij zei: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar er niet van eten.17De koning nu had de officier op wiens hand hij leunde, over de poort aangesteld, maar het volk vertrapte hem in de poort, zodat hij stierf, zoals de man Gods gesproken had, die dit sprak toen de koning bij hem gekomen was.18Zo is het gebeurd zoals de man Gods tot de koning gesproken had: Morgen omstreeks deze tijd zullen in de poort van Samaria twee maten gerst voor een sikkel en een maat meelbloem voor een sikkel [verkocht] worden.19En die officier had de man Gods geantwoord en gezegd: Zie, al maakt de HEERE sluizen in de hemel, zou dit zo [kunnen] gebeuren? En hij had gezegd: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar er niet van eten.20Zo gebeurde het met hem, want het volk vertrapte hem in de poort, zodat hij stierf.). Na de Jordaan en Jericho, de stad van de vloek, gaat Elisa op weg naar Bethel, dat betekent ‘huis van God’. Bij de plaats van de vloek wordt zegen gebracht. In verbinding met het huis van God wordt oordeel gebracht.

Elisa gaat op weg naar Bethel, maar daar komt hij niet aan. Na zijn ontmoeting met en oordeel over de spottende jongens gaat hij naar de Karmel. Deze jongens, die uit Bethel komen, hebben geen respect voor een dienaar van God. Zulke jongeren zullen geestelijk niet groeien, maar omkomen. Als jongeren geen respect hebben voor hen die Gods werk doen, zullen de beren bij hen hun verscheurend werk doen. Wij mogen ons wel afvragen wat voor soort jongeren de plaatselijke gemeente voortbrengt waar wij zijn. De plaatselijke gemeente mogen we zien als een afspiegeling van het huis van God.

Deze “kleine jongens” zijn geen onschuldige kleine kinderen. We moeten ze schatten zo rond de vijftien jaar. Zij weten wat zij zeggen. Wat ze zeggen, bewijst hun verachting van de waarheid. Hun waardering van de waarheid is overeenkomstig wat Bethel geworden is: de plaats waar het gouden kalf staat en de Baäl wordt vereerd. Zo is Bethel verworden tot een plaats waar voor God geen plaats meer is.

“Kaalkop” is een scheldwoord en een oordeel. Het spreekt van onreinheid (vgl. Lv 13:40-4440Wanneer [bij] een man zijn hoofdhaar uitvalt, is hij [gewoon] kaal; hij is rein.41En als het hoofdhaar aan de voorzijde uitvalt, heeft hij [gewoon] een kaal voorhoofd; hij is rein.42Maar wanneer op de kale kruin of op het kale voorhoofd een wit-roodachtige aangetaste plek zit, dan is dat melaatsheid, die op zijn kale kruin of op zijn kale voorhoofd is uitgebroken.43Heeft de priester hem vervolgens bezien, en zie, de zwelling van die aangetaste plek op zijn kale kruin of kale voorhoofd is wit-roodachtig, zoals de melaatsheid op de huid van het lichaam eruitziet,44dan is die man melaats, hij is onrein. De priester moet hem beslist onrein verklaren; de ziekte is op zijn hoofd.). Door Elisa toe te roepen “ga op” spotten ze met de opname van Elia. Ze schelden Elisa uit, ze willen hem niet en willen dat hij weggaat. Ze zijn te vergelijken met de spotters van de eindtijd waarin wij leven (2Pt 3:3-43Weet dit eerst, dat er in [het] laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen4en zeggen: Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó [als] van [het] begin van [de] schepping.). Er is afgerekend met de hemelvaart van de Heer Jezus. Er wordt niet geloofd in Zijn hemelvaart en nog minder in Zijn terugkeer naar de aarde.

Elisa spreekt het oordeel uit. Hij doet dat “in de Naam van de HEERE”. Zo zal het oordeel komen over de ongelovige spotters. De jongelingen uit de christelijke gezinnen, om zo te zeggen uit ‘Bethel’, zullen door woeste en wrede beren worden verscheurd. Mogelijk waren het berinnen, zo geven andere vertalingen dit woord weer. David wordt vergeleken met een berin die van jongen is beroofd (2Sm 17:88Verder zei Husai: Ú kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, en dat zij bitter van gemoed zijn, zoals een beer die in het veld van jongen beroofd is. Bovendien is uw vader een strijdbare man en zal hij niet overnachten bij het volk.; Sp 17:1212Laat iemand een beer die van jongen beroofd is, [maar] tegenkomen,
maar niet een dwaas met zijn dwaasheid.
; Hs 13:88Ik trof hen aan als een berin die van jongen beroofd is,
scheurde hun borstkas open,
verslond hen daar als een leeuwin.
De dieren van het veld zullen hen verscheuren.
)
. Deze berinnen zijn verscheurende dieren voor jongens die geen respect hebben voor het leven, voor iets wat van God komt.

Na deze gebeurtenis gaat Elisa naar de Karmel. Op de Karmel is de dienst van Elia tot een hoogtepunt gekomen. Daar zal Elisa hebben nagedacht over de dienst van Elia. Vervolgens gaat hij naar Samaria, waar de koning van Israël, Joram, woont.


Lees verder