Spreuken
Inleiding 1-5 Waarschuwing tegen de vreemde vrouw 6-9 Het slachtoffer 10-12 De verleidster 13-20 De verleiding 21-23 De capitulatie van het slachtoffer 24-27 Laat je hart niet afwijken naar haar wegen
Inleiding

De noodzaak van seksuele zelfbeheersing, de noodzaak om ‘nee’ te zeggen tegen aanbiedingen van lichamelijke intimiteit buiten het huwelijk, is het overheersende thema in de toespraken van de wijsheid in Spreuken 1-9.

In dit hoofdstuk spreekt de vader daarover opnieuw tot zijn zoon (Sp 2:16-1916om je te redden van de vreemde vrouw,
de onbekende [die] met haar woorden vleit,
17die de leidsman van haar jeugd verlaat,
en het verbond van haar God vergeet.
18Haar huis helt immers over naar de dood,
en haar sporen naar de gestorvenen.
19Allen die bij haar komen, zullen niet terugkomen
en de paden van de levenden niet bereiken.
; 5:1-231Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid,
neig je oor tot mijn inzicht,
2zodat je bedachtzaamheid in acht neemt,
en je lippen kennis bewaren.3Want de lippen van een vreemde [vrouw] druipen van honingzeem,
haar gehemelte is gladder dan olie,
4maar het laatste van haar is bitter als alsem,
scherp als een tweesnijdend zwaard.
5Haar voeten dalen af naar de dood,
haar voetstappen sturen aan op het graf;
6opdat je het pad ten leven niet zou inslaan,
zwalken haar sporen zonder dat je het beseft.7Nu dan, kinderen, luister naar mij
en wijk niet af van de woorden van mijn mond.
8Houd je weg ver bij haar vandaan
en kom niet in de nabijheid van de deur van haar huis,
9opdat je je waardigheid niet aan anderen geeft
en je jaren aan een meedogenloze,
10opdat vreemden zich niet verzadigen met jouw kracht,
en je zwoegen [ten goede komt] aan het huis van een onbekende,
11zodat je uiteindelijk kermt,
als het gedaan is met je vlees en je lichaam,
12en je zegt: Hoe heb ik vermaning kunnen haten,
en heeft mijn hart bestraffing kunnen verwerpen,
13en heb ik niet geluisterd naar de stem van mijn leraren,
mijn oren niet geneigd tot mijn leermeesters!
14In bijna alle kwaad heb ik verkeerd,
in het midden van de gemeente en de gemeenschap!15Drink water uit je [eigen] bak,
stromend [water] uit je [eigen] put.
16Laten je bronnen zich naar buiten toe verspreiden,
de waterbeken op de pleinen.
17Laten ze van jou alleen zijn
en van geen vreemde met jou.
18Moge je [levens]bron gezegend zijn
en verblijd je over de vrouw van je jeugd:
19een zeer lieflijke hinde, een bevallig steengeitje.
Laten haar borsten jou te allen tijde dronken maken,
dool voortdurend rond in haar liefde.
20Waarom zou je, mijn zoon, ronddolen bij een vreemde vrouw,
de boezem van die onbekende omarmen?
21Want de wegen van een man zijn vóór de ogen van de HEERE,
Hij weegt al zijn sporen.
22Zijn ongerechtigheden nemen de goddeloze gevangen:
met de banden van zijn zonde wordt hij vastgehouden.
23Híj zal sterven omdat er geen vermaning was,
door zijn grote dwaasheid zal hij verdwalen.
; 6:20-3520Mijn zoon, neem het gebod van je vader in acht
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet.
21Bind ze voortdurend op je hart,
hang ze om je hals.
22Als je [op weg] gaat, zal het je leiden,
als je neerligt, over je waken,
als je ontwaakt, zal dat tot je spreken.
23Want een gebod is een lamp, en onderricht is een licht,
bestraffingen [en] vermaning zijn de weg van het leven,
24om je te bewaren voor een slechte vrouw,
voor het gevlei van de tong van een onbekende.25Begeer haar schoonheid niet in je hart
en laat ze je niet vangen met haar oogleden,
26want door een vrouw [die] een hoer is, [komt men] tot een homp brood,
en de vrouw van een [getrouwde] man jaagt op een kostbare ziel.
27[Als] iemand vuur in zijn boezem neemt,
zullen dan zijn kleren niet in brand vliegen?
28Als iemand op [gloeiende] kolen loopt,
zullen dan zijn voeten niet verbranden?
29Zo ook wie naar de vrouw van zijn naaste gaat:
al wie haar aanraakt, zal niet voor onschuldig gehouden worden.30Men veracht een dief niet als hij steelt
om zijn mond te vullen, als hij honger heeft.
31Als hij gevonden wordt, vergoedt hij het zevenvoudig:
al het bezit van zijn huis moet hij geven.
32Wie met een vrouw overspel pleegt, is zonder verstand.
Wie dat doet, richt zijn ziel te gronde.
33Plaag en schande zal hij vinden
en zijn smaad zal niet uitgewist worden,
34want jaloersheid is [de] woede van een man
en hij zal geen medelijden hebben op de dag van de wraak.
35Hij zal geen enkel losgeld aannemen,
en er niet in bewilligen, al vergroot men het geschenk.
)
. Hij doet dat in de vorm van een verhaal. Het is een opvoedkundig verhaal dat de vader vertelt om de zoon ernstig te waarschuwen voor de verleiding door de vreemde vrouw. In Spreuken 6 gaat het om een man die zo dwaas is, dat hij niet genoeg heeft aan zijn eigen bron en naar de vrouw van zijn naaste gaat. In Spreuken 7 gaat het om een jonge, onervaren man die zich in zijn domheid laat verleiden.

In de verzen 1-51Mijn zoon, neem mijn woorden in acht,
berg mijn geboden bij jou op.
2Neem mijn geboden in acht en leef,
en [neem] mijn onderricht [in acht] als je oogappel.
3Bind ze aan je vingers,
schrijf ze op de tafel van je hart.
4Zeg tegen de wijsheid: Jij bent mijn zuster,
en noem het inzicht [je] bloedverwant,
5opdat zij je bewaren voor de vreemde vrouw,
voor de onbekende die [jou] met haar woorden vleit.
houdt de vader eerst weer als inleiding de waarde en schoonheid van het gebod aan zijn zoon voor. Daarna vertelt hij in de verzen 6-236Want door het venster van mijn huis,
door mijn traliewerk, zag ik neer.
7Ik zag bij de onverstandigen,
ik merkte onder de jongeren een jongen zonder verstand op
8die de straat overstak bij haar hoek
en voortschreed in de richting van haar huis,
9in de schemering, in de avond van de dag,
te middernacht en [in] het donker.10En zie, een vrouw kwam hem tegemoet,
uitgedost als een hoer en arglistig van hart.
11Zij was onrustig en opstandig,
haar voeten bleven niet thuis.
12Nu eens op straat, dan weer op de pleinen,
zij loerde bij alle hoeken.13Zij greep hem vast en kuste hem.
Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:
14Ik moet dankoffers brengen,
ik ben vandaag mijn geloften nagekomen.
15Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet
om je ijverig te zoeken en – [daar] vond ik je!
16Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens,
kleurige spreien van Egyptisch linnen.
17Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld
met mirre, aloë en kaneel.
18Kom, laten we dronken worden van liefde, tot de morgen toe,
laten we samen genieten van grote liefde.
19Want mijn man is niet thuis,
hij is voor een verre reis vertrokken.
20Hij heeft de geldbuidel in zijn hand meegenomen,
op de dag van de volle maan zal hij thuiskomen.21Zij haalde hem over door haar grote overredingskracht,
zij verleidde hem door het gevlei van haar lippen.
22Meteen ging hij achter haar aan,
zoals een rund ter slachting gaat
en zoals een dwaas [in] een enkelboei als straf,
23totdat een pijl zijn lever splijt,
zoals een vogel zich haast naar een strik,
en niet weet dat het tegen zijn leven gericht is.
vanuit zijn ervaring wat hij heeft gezien. Hij beschrijft een jongeman die niet per ongeluk in de buurt van de verleidster komt, maar de gevarenzone opzoekt. De jongen komt, tegen de eerdere waarschuwing in (Sp 5:88Houd je weg ver bij haar vandaan
en kom niet in de nabijheid van de deur van haar huis,
)
, in de buurt van haar huis. Hij wilde niet hoereren, maar doet het toch. In de verzen 24-2724Nu dan, kinderen, luister naar mij
en sla acht op de woorden van mijn mond.
25Laat je hart niet afwijken naar haar wegen,
laat het niet afdwalen op haar paden.
26Zij heeft immers vele dodelijk gewonden doen neervallen,
geweldig [veel] zijn allen die zij heeft gedood.
27Haar huis is een weg naar het graf,
die afdaalt naar de binnenkamers van de dood.
houdt de vader zijn kinderen voor wat de gevolgen zijn als zij in hun hart afwijken naar de wegen van de hoer.


Waarschuwing tegen de vreemde vrouw

1Mijn zoon, neem mijn woorden in acht,
berg mijn geboden bij jou op.
2Neem mijn geboden in acht en leef,
en [neem] mijn onderricht [in acht] als je oogappel.
3Bind ze aan je vingers,
schrijf ze op de tafel van je hart.
4Zeg tegen de wijsheid: Jij bent mijn zuster,
en noem het inzicht [je] bloedverwant,
5opdat zij je bewaren voor de vreemde vrouw,
voor de onbekende die [jou] met haar woorden vleit.

Dit gedeelte begint er weer mee dat de vader zijn zoon wijst op zijn “woorden” om die in acht te nemen en op zijn “geboden” om die bij zich op te bergen (vers 11Mijn zoon, neem mijn woorden in acht,
berg mijn geboden bij jou op.
)
. Als hij dat doet, zal hij leven (vers 22Neem mijn geboden in acht en leef,
en [neem] mijn onderricht [in acht] als je oogappel.
)
. Dat staat tegenover de dood die het resultaat is van het niet luisteren ernaar (verzen 24-2724Nu dan, kinderen, luister naar mij
en sla acht op de woorden van mijn mond.
25Laat je hart niet afwijken naar haar wegen,
laat het niet afdwalen op haar paden.
26Zij heeft immers vele dodelijk gewonden doen neervallen,
geweldig [veel] zijn allen die zij heeft gedood.
27Haar huis is een weg naar het graf,
die afdaalt naar de binnenkamers van de dood.
)
. Het leven in de ware zin van het woord wordt bedreigd als er niet wordt geluisterd. Het gaat om een zaak van leven of dood.

Daarom moet de zoon het onderricht van zijn vader in acht nemen als zijn “oogappel”. Dit houdt in dat gehoorzaamheid aan het onderricht van vitaal belang voor hem is, dat hij dat met de grootste zorgvuldigheid moet bewaren om het goede zicht op deze dingen te kunnen houden. Er is geen gevoeliger lichaamsdeel dan de oogappel (Dt 32:1010Hij vond hem in een woestijngebied,
in een woeste, huilende wildernis.
Hij omringde hem, Hij onderwees hem,
Hij beschermde hem als Zijn oogappel.
; Ps 17:88Bewaar mij als [Uw] oogappel,
verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels
; Zc 2:88Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Nadat [Hij] heerlijkheid [heeft beloofd],
heeft Hij Mij gezonden tot die heidenvolken die u beroven,
want wie u aanraakt,
raakt Zijn oogappel aan.
)
.

In vers 33Bind ze aan je vingers,
schrijf ze op de tafel van je hart.
worden de geboden verbonden aan de vingers. Alles wat hij met zijn vingers doet, moet door de geboden worden aangestuurd. Ook moet hij ze schrijven op ‘de tafel van zijn hart’. Het hart is het centrum van de persoon. Als de geboden daar geschreven zijn, zal alles wat hij doet, overal waar hij gaat en kijkt en alles wat hij zegt en denkt, door de geboden worden bestuurd.

“De wijsheid” moet voor hem zijn als zijn “zuster” en “het inzicht” moet hem als het ware in het bloed zitten (vers 44Zeg tegen de wijsheid: Jij bent mijn zuster,
en noem het inzicht [je] bloedverwant,
)
. De verhouding broer-zus geeft in het Oude Testament een nauwe band van genegenheid weer. “Zuster” wordt ook wel gebruikt voor de echtgenote of geliefde (Hl 4:9-109U hebt Mijn hart veroverd, Mijn zuster, [Mijn] bruid,
u hebt Mijn hart veroverd met één [blik] van uw ogen,
met één schakel van uw halsketting.
10Hoe mooi is uw liefde, Mijn zuster, [Mijn] bruid,
hoeveel beter is uw liefde dan wijn
en de geur van uw [zalf]oliën dan allerlei specerijen!
)
. Als hij de wijsheid als zijn zuster omhelst, zal de vreemde vrouw geen kans krijgen hem te omhelzen (vers 1313Zij greep hem vast en kuste hem.
Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:
)
. De mens moet een voorwerp hebben waarover hij verrukt is. Als dat niet de wijsheid is, zal de leegte met verkeerde begeerten worden gevuld. Liefde voor Gods Woord zal de macht van het kwaad verdrijven.

Deze instructies worden allemaal gegeven met het oog op de vreemde vrouw (vers 55opdat zij je bewaren voor de vreemde vrouw,
voor de onbekende die [jou] met haar woorden vleit.
)
. Hij zal alleen uit de strik van de verleiding blijven als hij naar dit onderwijs van zijn vader luistert. Wie de woorden en geboden van de vader bewaart, dat wil zeggen wie het Woord van God bewaart, wordt daardoor zelf bewaard. Kort gezegd: Wie bewaart, wordt bewaard.


Het slachtoffer

6Want door het venster van mijn huis,
door mijn traliewerk, zag ik neer.
7Ik zag bij de onverstandigen,
ik merkte onder de jongeren een jongen zonder verstand op
8die de straat overstak bij haar hoek
en voortschreed in de richting van haar huis,
9in de schemering, in de avond van de dag,
te middernacht en [in] het donker.

In de verzen 6-236Want door het venster van mijn huis,
door mijn traliewerk, zag ik neer.
7Ik zag bij de onverstandigen,
ik merkte onder de jongeren een jongen zonder verstand op
8die de straat overstak bij haar hoek
en voortschreed in de richting van haar huis,
9in de schemering, in de avond van de dag,
te middernacht en [in] het donker.10En zie, een vrouw kwam hem tegemoet,
uitgedost als een hoer en arglistig van hart.
11Zij was onrustig en opstandig,
haar voeten bleven niet thuis.
12Nu eens op straat, dan weer op de pleinen,
zij loerde bij alle hoeken.13Zij greep hem vast en kuste hem.
Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:
14Ik moet dankoffers brengen,
ik ben vandaag mijn geloften nagekomen.
15Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet
om je ijverig te zoeken en – [daar] vond ik je!
16Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens,
kleurige spreien van Egyptisch linnen.
17Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld
met mirre, aloë en kaneel.
18Kom, laten we dronken worden van liefde, tot de morgen toe,
laten we samen genieten van grote liefde.
19Want mijn man is niet thuis,
hij is voor een verre reis vertrokken.
20Hij heeft de geldbuidel in zijn hand meegenomen,
op de dag van de volle maan zal hij thuiskomen.21Zij haalde hem over door haar grote overredingskracht,
zij verleidde hem door het gevlei van haar lippen.
22Meteen ging hij achter haar aan,
zoals een rund ter slachting gaat
en zoals een dwaas [in] een enkelboei als straf,
23totdat een pijl zijn lever splijt,
zoals een vogel zich haast naar een strik,
en niet weet dat het tegen zijn leven gericht is.
geeft de vader een van de levendigste beschrijvingen van de verleiding tot zonde die we in de Schrift hebben. Hij geeft een ooggetuigenverslag, niet als een gluurder, maar als een leraar. Zijn verslag stelt de zonde niet als aantrekkelijk voor, maar bevat een ernstige waarschuwing om de zonde te ontwijken en te ontvluchten.

We vinden er de elementen in waarvoor hij eerder heeft gewaarschuwd:
1. verkeerd gezelschap (Sp 1:10-1910Mijn zoon, als zondaars jou willen verleiden,
bewillig er dan niet in.
11Als zij zeggen: Ga met ons mee,
laten wij loeren op bloed,
zonder reden een onschuldige belagen,
12laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,
volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.
13Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden,
onze huizen zullen wij vullen met buit.
14Je zult je lot in ons midden werpen,
wij zullen allen [tezamen] één buidel hebben –
15Mijn zoon, ga niet met hen op weg,
weerhoud je voet van hun pad,
16want hun voeten snellen naar het kwaad
en zij haasten zich om bloed te vergieten.
17Voorzeker, het net wordt tevergeefs gespannen
voor de ogen van al wat vleugels bezit.
18Zíj loeren op hun [eigen] bloed,
zij belagen hun [eigen] leven.
19Zo zijn de paden van allen die op winstbejag uit zijn,
die ontneemt haar bezitters het leven.
)
,
2. doelloos rondhangen (Sp 6:6-106Ga naar de mier, luiaard,
zie zijn wegen en word wijs.
7Hoewel hij geen aanvoerder heeft,
[geen] leidinggevende of heerser,
8maakt hij zijn eten gereed in de zomer,
verzamelt hij zijn voedsel in de oogst[tijd].
9Hoelang, luiaard, blijft u liggen?
Wanneer staat u op uit uw slaap?
10Een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen!
)
,
3. plaatsen waar de verleiding loert (Sp 5:88Houd je weg ver bij haar vandaan
en kom niet in de nabijheid van de deur van haar huis,
)
en
4. vooral het niet luisteren naar de woorden en geboden van de ouders (Sp 4:1,101Luister, kinderen, naar de vermaning van [je] vader
en sla er acht op om inzicht te leren kennen,
10Luister, mijn zoon, en neem mijn woorden aan:
de jaren van je leven zullen talrijk worden.
; 5:1,71Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid,
neig je oor tot mijn inzicht,
7Nu dan, kinderen, luister naar mij
en wijk niet af van de woorden van mijn mond.
; 6:20-2220Mijn zoon, neem het gebod van je vader in acht
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet.
21Bind ze voortdurend op je hart,
hang ze om je hals.
22Als je [op weg] gaat, zal het je leiden,
als je neerligt, over je waken,
als je ontwaakt, zal dat tot je spreken.
)
.

Het scenario van de ramp is als zo vaak een combinatie van het verkeerde gezelschap op de verkeerde plaats op de verkeerde tijd. Deze combinatie geldt alleen voor hen die zich niet laten waarschuwen door de Wijsheid.

In het ooggetuigenverslag vinden we
1. het slachtoffer in de verzen 5-95opdat zij je bewaren voor de vreemde vrouw,
voor de onbekende die [jou] met haar woorden vleit.6Want door het venster van mijn huis,
door mijn traliewerk, zag ik neer.
7Ik zag bij de onverstandigen,
ik merkte onder de jongeren een jongen zonder verstand op
8die de straat overstak bij haar hoek
en voortschreed in de richting van haar huis,
9in de schemering, in de avond van de dag,
te middernacht en [in] het donker.
,
2. de verleidster in de verzen 10-1210En zie, een vrouw kwam hem tegemoet,
uitgedost als een hoer en arglistig van hart.
11Zij was onrustig en opstandig,
haar voeten bleven niet thuis.
12Nu eens op straat, dan weer op de pleinen,
zij loerde bij alle hoeken.
,
3. de verleiding in de verzen 13-2013Zij greep hem vast en kuste hem.
Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:
14Ik moet dankoffers brengen,
ik ben vandaag mijn geloften nagekomen.
15Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet
om je ijverig te zoeken en – [daar] vond ik je!
16Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens,
kleurige spreien van Egyptisch linnen.
17Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld
met mirre, aloë en kaneel.
18Kom, laten we dronken worden van liefde, tot de morgen toe,
laten we samen genieten van grote liefde.
19Want mijn man is niet thuis,
hij is voor een verre reis vertrokken.
20Hij heeft de geldbuidel in zijn hand meegenomen,
op de dag van de volle maan zal hij thuiskomen.
en
4. de capitulatie van het slachtoffer in de verzen 21-2321Zij haalde hem over door haar grote overredingskracht,
zij verleidde hem door het gevlei van haar lippen.
22Meteen ging hij achter haar aan,
zoals een rund ter slachting gaat
en zoals een dwaas [in] een enkelboei als straf,
23totdat een pijl zijn lever splijt,
zoals een vogel zich haast naar een strik,
en niet weet dat het tegen zijn leven gericht is.
.

De vader begint zijn verhaal met te zeggen dat hij thuis was en door het getraliede venster naar buiten keek (vers 66Want door het venster van mijn huis,
door mijn traliewerk, zag ik neer.
)
. Vervolgens gaat hij beschrijven wat hij zag toen hij naar beneden keek. Hij zag een groep “onverstandigen”, een groep argeloze, onervaren jongeren, die langs de weg slenterde (vers 77Ik zag bij de onverstandigen,
ik merkte onder de jongeren een jongen zonder verstand op
)
. Onder die jongeren viel zijn aandacht op “een jongen zonder verstand”, letterlijk ‘een jongen zonder hart’ of ‘een jongen die het ontbreekt aan gezond verstand’, een leeghoofd dus, een domkop.

Al slenterend stak deze jongen doelbewust de straat “bij haar hoek” over en ging langzaam “in de richting van haar huis” (vers 88die de straat overstak bij haar hoek
en voortschreed in de richting van haar huis,
)
. Het is een actie die plaatsvindt onder dekking van de duisternis (vers 99in de schemering, in de avond van de dag,
te middernacht en [in] het donker.
)
. Er worden maar liefst vier verschillende woorden gebruikt om de duisternis te beschrijven. Het is in de schemering op de avond van de dag, na zonsondergang, waardoor het in het oosten heel snel middernacht lijkt, gezien de direct invallende donkerheid.

Zowel zijn doelloosheid als de donkerheid ontneemt hem het geestelijke inzicht om het gevaar te zien waaraan hij zich blootstelt. Daarom is hij niet in staat om te doen wat Jozef deed en dat is de hoererij ontvluchten (Gn 39:7,10-127En het gebeurde na deze dingen dat de vrouw van zijn heer haar oog op Jozef liet vallen en zei: Slaap met mij.10En het gebeurde, toen zij Jozef dag in dag uit aansprak en hij niet naar haar luisterde om met haar te slapen [en] bij haar te zijn,11toen gebeurde het op zekere dag, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen en niemand van de mensen van het huis daar in huis was,12dat zij hem bij zijn kleed pakte en zei: Slaap met me. Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en ging naar buiten.; 1Ko 6:1818Ontvlucht de hoererij! Elke zonde die een mens doet, gaat buiten het lichaam om, maar wie hoereert, zondigt tegen zijn eigen lichaam.). Het is niet mogelijk, voor wie dan ook, om in een dergelijke situatie stand te houden. De enige optie is vluchten.


De verleidster

10En zie, een vrouw kwam hem tegemoet,
uitgedost als een hoer en arglistig van hart.
11Zij was onrustig en opstandig,
haar voeten bleven niet thuis.
12Nu eens op straat, dan weer op de pleinen,
zij loerde bij alle hoeken.

In vers 1010En zie, een vrouw kwam hem tegemoet,
uitgedost als een hoer en arglistig van hart.
verschijnt de verleidster op het toneel. Ze komt uit haar huis en loopt de jongen tegemoet. Er kan geen onzekerheid bestaan over wat zij wil. Ze laat dit zien in haar kleding. Ze is “uitgedost als een hoer” (vgl. Gn 38:14-1514Toen trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich met een sluier, omhulde zich en ging zitten bij de ingang van Enaïm, dat op de weg naar Timna ligt. Zij had namelijk gezien dat Sela groot geworden was en zij aan hem niet tot vrouw was gegeven.15Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar gezicht bedekt had.). De jongeman weet wie hij voor zich heeft. Zij is een geslepen, sluwe vrouw. Ze is “arglistig van hart”, wat haar diepgaande onoprechtheid aangeeft, vastbesloten om de jongen te verleiden. Wat ze voorgeeft voor de jongen te voelen, ontbreekt totaal.

Deze vrouw is “onrustig” (vers 1111Zij was onrustig en opstandig,
haar voeten bleven niet thuis.
)
. Ze is vol onrust, luidruchtig en opgewonden. Ze is ook “opstandig” wat betreft Gods bedoeling met het huwelijk. Het huwelijk is voor haar een drukkend en knellend juk dat ze afwerpt. Thuis kan ze het niet uithouden. Haar onreine begeerten jagen haar op, de straat op. Rusteloos zwerft ze buitenshuis (vers 1212Nu eens op straat, dan weer op de pleinen,
zij loerde bij alle hoeken.
)
. Ze ligt als een vijand op de loer, in een hinderlaag, om een argeloze jongen die haar weg kruist te verleiden tot de zonde van overspel.


De verleiding

13Zij greep hem vast en kuste hem.
Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:
14Ik moet dankoffers brengen,
ik ben vandaag mijn geloften nagekomen.
15Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet
om je ijverig te zoeken en – [daar] vond ik je!
16Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens,
kleurige spreien van Egyptisch linnen.
17Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld
met mirre, aloë en kaneel.
18Kom, laten we dronken worden van liefde, tot de morgen toe,
laten we samen genieten van grote liefde.
19Want mijn man is niet thuis,
hij is voor een verre reis vertrokken.
20Hij heeft de geldbuidel in zijn hand meegenomen,
op de dag van de volle maan zal hij thuiskomen.

De etappes in de verleiding zijn door haar zorgvuldig voorbereid. Ze weet precies wat ze wanneer moet doen en wat ze wanneer moet zeggen. Wanneer de jongen vlak bij haar is, overrompelt ze hem (vers 1313Zij greep hem vast en kuste hem.
Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:
)
. Ze grijpt hem vast en kust hem. Ze heeft hem in haar macht. Zonder een spier te vertrekken begint ze hem verder in te palmen, zodat ook het laatste restje innerlijke weerstand bij de jongen afgebroken wordt.

Het eerste wat ze zegt, heeft te maken met de dienst aan God (vers 1414Ik moet dankoffers brengen,
ik ben vandaag mijn geloften nagekomen.
)
. Hieruit kunnen we opmaken dat we met een vrouw uit het volk van God te doen hebben. Deze verdorven vrouw schrikt er niet voor terug een godsdienstig sausje over haar verwerpelijke voornemen te gieten en zo de indruk te wekken dat God aan haar kant staat. Ze had God beloofd, zo zegt ze, dat ze Hem dank- of vredeoffers zou brengen. Die had ze Hem gebracht, beweert ze. Het dank- of vredeoffer is een maaltijdoffer (Lv 7:11-2111Dit nu is de wet voor het dankoffer dat men aan de HEERE moet aanbieden.12Als [iemand] het als lofoffer aanbiedt, dan moet hij naast het lofoffer ongezuurde koeken aanbieden, met olie gemengd, ongezuurde platte koeken met olie bestreken en koeken van door elkaar gemengd meelbloem met olie gemengd.13Bij de koeken moet hij als zijn offergave gezuurd brood aanbieden, samen met zijn lof- en dankoffer.14En van elke offergave moet hij één [koek] als een hefoffer aan de HEERE aanbieden. Het is voor de priester die het bloed van het dankoffer sprenkelt.15En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de [volgende] morgen overlaten.16Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is, dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden.17Wat er dan [nog] van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, moet op de derde dag in het vuur verbrand worden,18want als er op de derde dag ook maar [een deel] van het vlees van zijn dankoffer gegeten wordt, dan komt het hem die het aangeboden heeft, niet ten goede; het wordt [hem] niet toegerekend. Het is onrein vlees: de persoon die daarvan eet, moet zijn ongerechtigheid dragen.19Ook het vlees dat met iets onreins in aanraking is gekomen, mag niet gegeten worden. Het moet in het vuur verbrand worden. Maar wat het [andere] vlees betreft, ieder die rein is, mag [dat] vlees eten.20De persoon echter die vlees eet van het dankoffer, dat voor de HEERE is, terwijl hij onrein is, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.21En wanneer een persoon met iets onreins in aanraking komt, [zoals] de onreinheid van een mens, of onreine dieren of een of ander onrein [en] afschuwelijk iets, en [toch] eet van het vlees van het dankoffer, dat voor de HEERE is, dan moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.). De gedachte is dat ze het vlees van het dank- of vredeoffer bij zich heeft dat de offeraar mag eten. Nu zoekt ze iemand om dat samen met haar te eten. Dat moet wel snel gebeuren, vandaag nog, want anders bederft het.

Laat deze jongen nu toch op haar weg komen. Hij is precies de jongen voor wie ze naar buiten is gekomen om hem tegemoet te gaan (vers 1515Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet
om je ijverig te zoeken en – [daar] vond ik je!
)
. Wat heeft ze haar best ervoor gedaan om hem te zoeken. En kijk eens, nu heeft ze hem gevonden. Als dat geen leiding van God is … Ze doet alsof ze alleen aan hem heeft gedacht, dat hij en hij alleen haar enige liefde is. Zo geeft ze hem het gevoel dat hij heel speciaal voor haar is.

Maar wat een wereld vol leugen en bedrog vertegenwoordigt zij. Zo gaat een overspelige altijd te werk, met leugen en bedrog. Er is voor haar niets speciaals aan haar prooi. In een overspelige verhouding ben je niet geliefd, ben je niet speciaal. Integendeel, je wordt bedrogen, gebruikt, verkracht. Het pad van de dood is niet aangenaam, maar veroorzaakt eindeloze kwelling.

De handeling van overspel is volkomen onpersoonlijk. Iemand die met een hoer gemeenschap heeft, is één lichaam met haar en niet één vlees. In het huwelijk zijn man en vrouw één vlees, dat is een totale eenheid van geest, ziel en lichaam. Bij hoererij gaat het alleen om het lichaam. Het lichaam is speelgoed, je bent zelf niets, niets meer dan een onpersoonlijk speeltje.

Van de eetkamer, waarheen ze hem uitnodigt om daar samen te eten, verplaatst ze ineens de aandacht naar haar slaapkamer. Ze beschrijft het beddengoed en de geur die zij heeft aangebracht (verzen 16-1716Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens,
kleurige spreien van Egyptisch linnen.
17Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld
met mirre, aloë en kaneel.
)
. Zo visualiseert ze haar zondig bedrijf en prikkelt ze zijn begeerte. Daar en in die atmosfeer moet de liefde worden ‘bedreven’. Dit is nog eens extase, daar is niets mee te vergelijken. Ze heeft alles zorgvuldig en ‘met smaak’ voorbereid.

Dan komt onomwonden de uitnodiging om bij haar te komen (vers 1818Kom, laten we dronken worden van liefde, tot de morgen toe,
laten we samen genieten van grote liefde.
)
. Ze biedt hem een hele nacht lichamelijk plezier aan. Kom bij mij en laten we dronken worden van liefde, de hele nacht door. Dit is het grote genieten, dit is pas liefde! Dit is puur genot, de echte, complete en diepe verzadiging van liefde.

Over haar man hoeft de jongen zich niet druk te maken (vers 1919Want mijn man is niet thuis,
hij is voor een verre reis vertrokken.
)
. Letterlijk staat er niet ‘mijn’ man, maar ‘de’ man. Door zich zo over hem uit te laten toont ze dat ze hem heeft opgegeven als haar man. Ook zou het spreken over ‘mijn man’ de jongeling er alsnog van kunnen weerhouden met haar mee te gaan. Ze verzekert hem dat hij niet bang hoeft te zijn dat ‘de man’ plotseling zal thuiskomen. Hij is niet thuis en zal voorlopig ook niet thuiskomen, want “hij is voor een verre reis vertrokken”.

Ze onderstreept die leugen door te zeggen dat hij veel geld heeft meegenomen voor zijn levensonderhoud (vers 2020Hij heeft de geldbuidel in zijn hand meegenomen,
op de dag van de volle maan zal hij thuiskomen.
)
. Dat hij pas op de dag van de volle maan zal thuiskomen, is een extra argument ter geruststelling. Als het volle maan is, kan het niet aardedonker zijn. Nu is het geen volle maan, maar aardedonker en kunnen zij gewoon hun gang gaan (vers 99in de schemering, in de avond van de dag,
te middernacht en [in] het donker.
)
.

Haar hele verhaal komt erop neer dat God tevreden is gesteld, dat de man buiten beeld is en dat haar volgen het enige is wat de jongen hoeft te doen. Al de leugens die zij gebruikt, zijn keer op keer en door de eeuwen heen herhaald:
1. Overspel is een ‘geheiligde’ actie.
2. De verleidster doet alsof de ander heel veel voor haar betekent, ze doet alsof ze alleen van hem houdt.
3. Wat er te genieten valt, is het toppunt van liefde en daarvoor is de ander gemaakt.
4. Degene die verleid wordt, hoeft niet bang te zijn, want het wordt geheimgehouden.

De meeste van deze leugens worden gebruikt in elke overspelige verhouding. Ze duiken op in een breed scala van seksuele zonden, ook in ‘privézonden’, zoals zelfbevrediging en het kijken naar pornografie. Maar het is duidelijk dat wie overspel pleegt, een leugenaar is, iemand die absoluut niet te vertrouwen is. Wie de intiemste band van vertrouwen breekt, de belofte van trouw, is in geen enkele andere relatie te vertrouwen. Hoe zou iemand trouw zijn aan welke belofte dan ook als hij niet trouw is aan de belofte van trouw aan zijn vrouw?


De capitulatie van het slachtoffer

21Zij haalde hem over door haar grote overredingskracht,
zij verleidde hem door het gevlei van haar lippen.
22Meteen ging hij achter haar aan,
zoals een rund ter slachting gaat
en zoals een dwaas [in] een enkelboei als straf,
23totdat een pijl zijn lever splijt,
zoals een vogel zich haast naar een strik,
en niet weet dat het tegen zijn leven gericht is.

De wijsheid en de oprechtheid van een Jozef zijn nodig om zich tegen een dergelijke redenering en vleierij te kunnen verzetten. “Haar grote overredingskracht” (vers 2121Zij haalde hem over door haar grote overredingskracht,
zij verleidde hem door het gevlei van haar lippen.
)
heeft alle kracht om ‘nee’ te zeggen uit hem verdreven. “Het gevlei van haar lippen” is bij hem binnengekomen en heeft alle weerstand bij hem weggesmolten. Ze heeft de jongeman overgehaald om haar te volgen.

De nederlaag is plotseling en onherroepelijk een feit (vers 2222Meteen ging hij achter haar aan,
zoals een rund ter slachting gaat
en zoals een dwaas [in] een enkelboei als straf,
)
. Hij gaat meteen met haar mee. We zien hem achter haar aansjokken als een rund, echter niet als een rund dat naar een grazige weide gaat, maar “zoals een rund ter slachting gaat”. Hij gaat niet het plezier tegemoet, maar zijn dood. Een reclamecampagne tegen onverantwoord gebruik van vuurwerk heeft de slagzin: Je bent een rund als je met vuurwerk stunt. Een variant in verband met wat Salomo hier zegt, is: Je bent een rund als je met porno stunt.

Hij is “een dwaas” die met “een enkelboei als straf” naar de gevangenis wordt gebracht (vgl. Pr 7:2626Ik vond iets wat bitterder is dan de dood:
de vrouw die een vangnet is.
Haar hart is een sleepnet,
haar handen zijn boeien.
Wie goed is voor het aangezicht van God,
zal aan haar ontkomen,
maar een zondaar wordt door haar gevangen.
; Ri 16:16-1916En het gebeurde, toen zij alle dagen [zo] met haar woorden bij hem aandrong en hem lastigviel, dat zijn ziel het niet langer verdragen kon, tot stervens toe.17Toen vertelde hij haar alles en zei tegen haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben als nazireeër aan God [gewijd], van mijn moeders buik af. Als ik geschoren zou worden, dan zou mijn kracht van mij wijken en zou ik zwak worden, en als alle mensen zijn.18Toen Delila nu zag dat hij haar alles verteld had, stuurde zij [een bode] en liet zij de Filistijnse stadsvorsten roepen, en zei: Kom ditmaal hierheen, want hij heeft mij alles verteld. En de Filistijnse stadsvorsten kwamen naar haar toe en brachten het geld mee.19Daarna liet zij hem op haar knieën slapen, riep een man en liet hem de zeven haarlokken van zijn hoofd afscheren. En zij begon hem te vernederen en zijn kracht week van hem.)
. Stompzinnige dieren zien geen verband tussen een valstrik en de dood. Evenzo zien stompzinnige mensen geen verband tussen hun zonde en de dood. Hij moet de prijs voor de zonde betalen, de dood: “Want het loon van de zonde is [de] dood” (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.). Deze zonde kost hem zijn leven.

De uitdrukking “totdat een pijl zijn lever splijt”, verwijst mogelijk naar het knagen van een schuldig geweten, het besef dat hij geestelijke en lichamelijke verwoesting zal oogsten (vers 2323totdat een pijl zijn lever splijt,
zoals een vogel zich haast naar een strik,
en niet weet dat het tegen zijn leven gericht is.
)
. Hij is als een vogel die alleen maar oog heeft voor het aas, maar daarbij de strik niet ziet. Hij vliegt op het aas af omdat het zo aantrekkelijk is en omdat hij het nodig heeft om verder te kunnen leven. Maar hij beseft niet dat het tegenovergestelde het geval is. Het aas is tegen zijn leven gericht. Door erop af te vliegen, vliegt hij zijn dood tegemoet. De geur van het bed van de hoer verandert in een doodsgeur en de korte nacht van genot verandert in een eeuwige nacht van kwelling.


Laat je hart niet afwijken naar haar wegen

24Nu dan, kinderen, luister naar mij
en sla acht op de woorden van mijn mond.
25Laat je hart niet afwijken naar haar wegen,
laat het niet afdwalen op haar paden.
26Zij heeft immers vele dodelijk gewonden doen neervallen,
geweldig [veel] zijn allen die zij heeft gedood.
27Haar huis is een weg naar het graf,
die afdaalt naar de binnenkamers van de dood.

In de verzen 24-2724Nu dan, kinderen, luister naar mij
en sla acht op de woorden van mijn mond.
25Laat je hart niet afwijken naar haar wegen,
laat het niet afdwalen op haar paden.
26Zij heeft immers vele dodelijk gewonden doen neervallen,
geweldig [veel] zijn allen die zij heeft gedood.
27Haar huis is een weg naar het graf,
die afdaalt naar de binnenkamers van de dood.
hebben we de straat de rug toegekeerd en zijn we terug in de kamer van de onderwijzende vader. Daar schildert hij nog een keer in felle kleuren voor zijn kinderen wat de gevolgen van overspel zijn. Hij heeft het voorgaande verhaal niet verteld om zijn kinderen te vermaken, maar om hen te waarschuwen. Nu de les getrokken wordt, moeten ze goed bij de les blijven.

Met de woorden “nu dan” sluit hij aan op wat hij heeft laten zien als het resultaat van de zonde (vers 2424Nu dan, kinderen, luister naar mij
en sla acht op de woorden van mijn mond.
)
. Hij roept zijn “kinderen” op naar hem te luisteren en acht te slaan op zijn woorden. Ze moeten zich in hun hart voornemen om niet naar de wegen van de hoer af te wijken en het hart niet te laten afdwalen naar haar paden (vers 2525Laat je hart niet afwijken naar haar wegen,
laat het niet afdwalen op haar paden.
)
. Onder “haar wegen” en “haar paden” kunnen we bijvoorbeeld het koesteren van onreine gedachten, verderfelijke fantasieën, vuile conversatie, smerige lectuur en dwaas gezelschap verstaan. We moeten een eerste stap op die wegen en paden schuwen als de dood. Als we vertrouwd raken met de zonde, verzwakt de afschuw ervan. Van lieverlee zal er zelfs genegenheid voor de zonde ontstaan.

Omgang met een hoer leidt naar de dood (vers 2626Zij heeft immers vele dodelijk gewonden doen neervallen,
geweldig [veel] zijn allen die zij heeft gedood.
)
. Velen die op haar weg zijn gekomen, zijn in de dood terechtgekomen, onder wie vooraanstaande of “geweldige” mensen. Een voorbeeld daarvan is Simson (Ri 16).

De weg naar het huis van de vreemde vrouw “is een weg naar het graf”. Het is de weg naar beneden, “naar de binnenkamers van de dood” (vers 2727Haar huis is een weg naar het graf,
die afdaalt naar de binnenkamers van de dood.
)
. Het einde van een overspelige relatie is niet ultiem plezier, maar verwoesting. Het geeft niet het speciale gevoel dat ware intimiteit wel geeft. De kinderen moeten zich niet vergissen: het pad van schijnbaar plezier is het pad van de dood. Het huis van de hoer staat in de ware zin van het woord op een doodlopende weg.


Lees verder