Spreuken
Inleiding 1-2 Bedachtzaamheid en kennis 3-6 De lippen en voeten van de vreemde vrouw 7-14 De prijs van ontrouw 15-23 De vreugde van trouw in het huwelijk
Inleiding

In dit hoofdstuk komt Salomo meer in bijzonderheden terug op het verdorven hart dat een man ertoe brengt om de vrouw van zijn jeugd te verlaten voor een andere (Sp 2:16-2016om je te redden van de vreemde vrouw,
de onbekende [die] met haar woorden vleit,
17die de leidsman van haar jeugd verlaat,
en het verbond van haar God vergeet.
18Haar huis helt immers over naar de dood,
en haar sporen naar de gestorvenen.
19Allen die bij haar komen, zullen niet terugkomen
en de paden van de levenden niet bereiken.20Opdat je zult gaan op de weg van wie goed zijn,
en je de paden van de rechtvaardigen in acht zult nemen.
)
. Hij toont aan dat die weg de hele mens demoraliseert. Het is een waarschuwing van man tot man om elke seksuele verbinding met een vreemde vrouw – dat is iedere vrouw buiten de ene, eigen, wettige vrouw – te vermijden.


Bedachtzaamheid en kennis

1Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid,
neig je oor tot mijn inzicht,
2zodat je bedachtzaamheid in acht neemt,
en je lippen kennis bewaren.

Als we ervan uitgaan dat in de verzen 1-61Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid,
neig je oor tot mijn inzicht,
2zodat je bedachtzaamheid in acht neemt,
en je lippen kennis bewaren.3Want de lippen van een vreemde [vrouw] druipen van honingzeem,
haar gehemelte is gladder dan olie,
4maar het laatste van haar is bitter als alsem,
scherp als een tweesnijdend zwaard.
5Haar voeten dalen af naar de dood,
haar voetstappen sturen aan op het graf;
6opdat je het pad ten leven niet zou inslaan,
zwalken haar sporen zonder dat je het beseft.
de grootvader nog tot de vader spreekt, zien we dat David over dit kwaad van de vreemde vrouw tot zijn zoon Salomo heeft gesproken. Het is hoe dan ook een zaak waarmee elke generatie te maken heeft. De seksuele begeerte houdt na het bereiken van een bepaalde leeftijd niet op. Wie zich door de vreemde vrouw laat verleiden, is van de weg van het leven afgeweken en gaat de weg van de dood. Het eindstation van de weg met de vreemde vrouw is de dood. Velen ontkennen dit. Zij willen, om zo te zeggen, het leven bereiken via de weg van de dood. Daarbij heeft het leven voor hen wel een andere betekenis dan voor God. Het is onmogelijk het ware leven via die weg te leven.

De vader begint weer met zijn zoon aan te sporen om acht te slaan op zijn “wijsheid” en goed te luisteren naar zijn “inzicht” (vers 11Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid,
neig je oor tot mijn inzicht,
)
. De “wijsheid” is Gods wijsheid, wat God heeft geopenbaard; het “inzicht” is wat hij verworven heeft door ervaring en waarneming. Hij heeft vaker opgeroepen naar hem te luisteren (Sp 2:11Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt,
en mijn geboden bij je opbergt,
; 3:1,21Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet,
en laat je hart mijn geboden in acht nemen,
2want lengte van dagen en jaren van leven
en vrede zullen ze voor jou vermeerderen.
; 4:1,10,201Luister, kinderen, naar de vermaning van [je] vader
en sla er acht op om inzicht te leren kennen,
10Luister, mijn zoon, en neem mijn woorden aan:
de jaren van je leven zullen talrijk worden.
20Mijn zoon, sla acht op mijn woorden,
neig je oor tot wat ik zeg.
)
, maar hier doet hij dat in het bijzonder met het oog op de verleiding waarmee een vreemde vrouw op hem afkomt.

Als zijn zoon inderdaad luistert, zal hij “bedachtzaamheid in acht nemen” (vers 22zodat je bedachtzaamheid in acht neemt,
en je lippen kennis bewaren.
)
. Hij zal dan nadenken voordat hij iets doet en zorgvuldig en gedisciplineerd leven. Dat zal hem voor overhaaste, verkeerde keuzes bewaren. Zijn lippen zullen “kennis bewaren”, wat betekent dat hij zal spreken wat hij van zijn vader heeft geleerd. Die kennis is kennis van God, kennis die brengt tot eerbied voor Hem en gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Die kennis zal uit zijn woorden (“je lippen”) blijken. ‘Bedachtzaamheid’ en ‘kennis’ zijn de basis van het vermijden van de verleiding om de rampzalige dwaasheid van overspel te begaan.

Deze verzen zijn de inleiding op het onderwijs van de vader aan zijn zoon over seksualiteit. Alleen door naar zijn wijze woorden te luisteren zal hij ervoor bewaard blijven op een verkeerde manier aan zijn seksuele begeerten te voldoen. De verkeerde manier is buiten het huwelijk. De vader vertelt hem ook dat hij er binnen het huwelijk optimaal van kan genieten. Daarom roept hij zijn zoon op om te luisteren naar zijn wijsheid en zijn inzicht (Sp 6:20-2420Mijn zoon, neem het gebod van je vader in acht
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet.
21Bind ze voortdurend op je hart,
hang ze om je hals.
22Als je [op weg] gaat, zal het je leiden,
als je neerligt, over je waken,
als je ontwaakt, zal dat tot je spreken.
23Want een gebod is een lamp, en onderricht is een licht,
bestraffingen [en] vermaning zijn de weg van het leven,
24om je te bewaren voor een slechte vrouw,
voor het gevlei van de tong van een onbekende.
; 7:1-51Mijn zoon, neem mijn woorden in acht,
berg mijn geboden bij jou op.
2Neem mijn geboden in acht en leef,
en [neem] mijn onderricht [in acht] als je oogappel.
3Bind ze aan je vingers,
schrijf ze op de tafel van je hart.
4Zeg tegen de wijsheid: Jij bent mijn zuster,
en noem het inzicht [je] bloedverwant,
5opdat zij je bewaren voor de vreemde vrouw,
voor de onbekende die [jou] met haar woorden vleit.
)
.


De lippen en voeten van de vreemde vrouw

3Want de lippen van een vreemde [vrouw] druipen van honingzeem,
haar gehemelte is gladder dan olie,
4maar het laatste van haar is bitter als alsem,
scherp als een tweesnijdend zwaard.
5Haar voeten dalen af naar de dood,
haar voetstappen sturen aan op het graf;
6opdat je het pad ten leven niet zou inslaan,
zwalken haar sporen zonder dat je het beseft.

Vers 33Want de lippen van een vreemde [vrouw] druipen van honingzeem,
haar gehemelte is gladder dan olie,
begint met het redengevende woord “want”, wat betekent dat nu volgt waarom de vader tegen zijn zoon zegt dat hij bedachtzaamheid in acht moet nemen (vers 22zodat je bedachtzaamheid in acht neemt,
en je lippen kennis bewaren.
)
. Zonder enige verdere inleiding vertelt hij hem dat hij te maken krijgt met “een vreemde [vrouw]”. Hij veronderstelt het niet als een mogelijkheid, maar stelt het als feit. Dit gaat gebeuren.

De vreemde vrouw is de verboden vrouw, de onbevoegde vrouw. Ten eerste gaat het hier om een andere dan de eigen vrouw. Vervolgens betreft het een vrouw die er doelbewust op uit is om te verleiden. De vader heeft al eerder iets over haar gezegd (Sp 2:16-1916om je te redden van de vreemde vrouw,
de onbekende [die] met haar woorden vleit,
17die de leidsman van haar jeugd verlaat,
en het verbond van haar God vergeet.
18Haar huis helt immers over naar de dood,
en haar sporen naar de gestorvenen.
19Allen die bij haar komen, zullen niet terugkomen
en de paden van de levenden niet bereiken.
)
, maar nu gaat hij tot zijn zoon uitvoerig over haar spreken.

Ze is een overspelige vrouw, dus een vrouw die aan haar eigen man ontrouw is. De zonde van ontrouw is de eerste grote zonde die bij overspel begaan wordt. De vader vertelt zijn zoon hoe zij te werk gaat om hem tot overspel te verleiden. Die ontrouwe vrouw komt tot hem met woorden die honingzoet en nog gladder dan olie zijn (vgl. Hl 4:11a11Uw lippen druipen van honingzeem, [Mijn] bruid,
honing en melk zijn onder uw tong
en de geur van uw kleding is
als de geur van de Libanon.
)
. Ze spreekt vleiende, aangename woorden die gemakkelijk in zijn oor en in zijn hart glijden.

Haar “lippen” vormen een groot contrast met die van de jongeling die kennis bewaren (vers 22zodat je bedachtzaamheid in acht neemt,
en je lippen kennis bewaren.
)
. Wie erin getraind is om met zijn lippen gezonde woorden te spreken, wiens lippen de kennis bewaren, wie gewend is aan geloofsopbouwende conversatie, zal direct opmerken dat haar taal verdorven is. Gezond taalgebruik krijgen we alleen als we naar Gods Woord en onderwijs daaruit luisteren.

De (groot)vader ontmaskert het verderf dat achter de verleidende taal schuilgaat (vers 44maar het laatste van haar is bitter als alsem,
scherp als een tweesnijdend zwaard.
; vgl. Ps 55:2222Zijn mond is gladder dan boter,
maar zijn hart wil strijd;
zijn woorden zijn zachter dan olie,
maar het zijn getrokken zwaarden.
)
. Hij gaat direct van de verleiding over naar de gevolgen, “het laatste van haar”. Daarmee bedoelt hij waar het op uitloopt, wat haar doel is, wat het resultaat is van haar verderfelijke optreden. Wat ze zegt, lijkt zo zoet en zo aangenaam. Maar waartoe omgang met haar leidt, is o zo bitter, “bitter als alsem”. Haar tong is “scherp als een tweesnijdend zwaard”, letterlijk ‘een zwaard met meer dan één mond’, waardoor pijn en vernietiging worden veroorzaakt. Het zwaard stelt een verslindend monster voor (2Sm 2:2626Toen riep Abner naar Joab en zei: Zal het zwaard voor eeuwig blijven verslinden? Weet u niet dat er uiteindelijk bitterheid overblijft? Hoelang [zal het duren] voordat u tegen het volk zegt dat zij de achtervolging van hun broeders opgeven?; Js 1:2020maar als u weigert en ongehoorzaam bent,
zult u door het zwaard gegeten worden;
want de mond van de HEERE heeft gesproken.
)
. De verleidster vergiftigt en doodt (vgl. Pr 7:26a26Ik vond iets wat bitterder is dan de dood:
de vrouw die een vangnet is.
Haar hart is een sleepnet,
haar handen zijn boeien.
Wie goed is voor het aangezicht van God,
zal aan haar ontkomen,
maar een zondaar wordt door haar gevangen.
)
.

De vader schildert de gevolgen van een overspelig leven (vers 55Haar voeten dalen af naar de dood,
haar voetstappen sturen aan op het graf;
)
. Zijn zoon moet erop bedacht zijn dat hij via het bed van deze vrouw, het bed van de zonde, terechtkomt op de weg naar beneden, naar de dood. Haar voetstappen gaan in de richting van het graf. Daar stuurt ze op aan. Voordat we weten of we met iemand meegaan, moeten we weten waarheen de ander op weg is. Zonde leidt altijd tot de dood: “Want het loon van de zonde is [de] dood” (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.; Jk 1:1515Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij [de] dood voort.).

Ze is er bewust op uit de jongeling ervan te weerhouden “het pad ten leven” in te slaan (vers 66opdat je het pad ten leven niet zou inslaan,
zwalken haar sporen zonder dat je het beseft.
)
. Het is vandaag ook herkenbaar in de talloze verleidingen in advertenties, op billboards en op pornosites. Hoe meer iemand daarnaar kijkt en daardoor in zich opneemt, des te meer stompt het geweten af en wordt de weg van de dood gevolgd. Deze vrouw zwalkt van de ene naar de andere doodsweg, er is niets stabiel in haar leven, er is geen peil op te trekken. Doelloos, ongecontroleerd en wispelturig beweegt ze zich voort. Dat zie je aan haar sporen, die grillig van links naar rechts en weer terug lopen. Ze loopt zoals iemand die dronken is. Er is geen rust en geen richting in te bekennen. Als de jongeling zich door haar laat verleiden, zal hij niet beseffen dat hij net zo zwalkt als zij. Hij ziet alleen haar en let niet op de weg die zij gaat.

Met de vreemde vrouw wordt in de eerste plaats een letterlijk gevaar bedoeld. Maar zij wijst in de toepassing ook op een geestelijk gevaar. We kunnen namelijk in de vreemde vrouw ‘vrouw Dwaasheid’ zien die tegenover ‘vrouw Wijsheid’ staat (Sp 9:1-5,13-181De hoogste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd,
Haar zeven pilaren uitgehakt.
2Zij heeft Haar vee geslacht, Haar wijn gemengd,
ook heeft Zij Haar tafel gereedgemaakt.
3Zij heeft Haar dienstmeisjes uitgezonden:
Zij roept op de toppen van de hoogten van de stad.
4Wie is er onverstandig? Laat hij hierheen afwijken.
[Wie] zonder verstand is, tegen hem zegt Zij:
5Kom, eet van Mijn brood
en drink van de wijn [die] Ik gemengd heb.
13Vrouwe Dwaasheid is onrustig,
louter onverstand: zij heeft nergens weet van.
14Zij zit bij de deur van haar huis,
op een troon, [op] de hoogten van de stad
15om naar de voorbijgangers op de weg,
die rechtdoor willen gaan, te roepen:
16Wie [ook maar] onverstandig is, laat hij [van zijn weg] hiernaartoe afwijken.
[Wie] zonder verstand is, tegen hem zegt zij:
17Gestolen water is zoet,
en in het geheim [genuttigd] brood is aangenaam.
18Maar men weet niet dat daar gestorvenen liggen,
haar genodigden liggen in de diepten van het graf.
)
. De verzoeking die van vrouw Dwaasheid uitgaat, is om ons van de vreze des HEEREN weg te trekken. Zij vindt haar volle toepassing in “het grote Babylon, de moeder van de hoeren” (Op 17:55En op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde.), een beeld van de rooms-katholieke kerk.


De prijs van ontrouw

7Nu dan, kinderen, luister naar mij
en wijk niet af van de woorden van mijn mond.
8Houd je weg ver bij haar vandaan
en kom niet in de nabijheid van de deur van haar huis,
9opdat je je waardigheid niet aan anderen geeft
en je jaren aan een meedogenloze,
10opdat vreemden zich niet verzadigen met jouw kracht,
en je zwoegen [ten goede komt] aan het huis van een onbekende,
11zodat je uiteindelijk kermt,
als het gedaan is met je vlees en je lichaam,
12en je zegt: Hoe heb ik vermaning kunnen haten,
en heeft mijn hart bestraffing kunnen verwerpen,
13en heb ik niet geluisterd naar de stem van mijn leraren,
mijn oren niet geneigd tot mijn leermeesters!
14In bijna alle kwaad heb ik verkeerd,
in het midden van de gemeente en de gemeenschap!

Vanaf vers 77Nu dan, kinderen, luister naar mij
en wijk niet af van de woorden van mijn mond.
gaat de vader (Salomo) verder met het onderwijs over het gevaar van de vreemde vrouw dat hij van zijn vader (David) heeft gekregen. Dat onderwijs loopt door tot het eind van Spreuken 7, met een onderbreking in Spreuken 6:1-19. De vader spreekt uitvoerig over dit gevaar tot zijn kinderen, dat, zoals gezegd, een gevaar voor elke generatie is. De aangesprokene is mogelijk een getrouwde zoon (verzen 15-1915Drink water uit je [eigen] bak,
stromend [water] uit je [eigen] put.
16Laten je bronnen zich naar buiten toe verspreiden,
de waterbeken op de pleinen.
17Laten ze van jou alleen zijn
en van geen vreemde met jou.
18Moge je [levens]bron gezegend zijn
en verblijd je over de vrouw van je jeugd:
19een zeer lieflijke hinde, een bevallig steengeitje.
Laten haar borsten jou te allen tijde dronken maken,
dool voortdurend rond in haar liefde.
)
, maar het is voor het onderwijs niet noodzakelijk. De gevaren gelden zowel de getrouwde als de ongetrouwde zoon en blijven aanwezig zolang hij leeft.

De vader leidt zijn onderwijs over het gevaar van de vreemde vrouw in met de oproep tot zijn kinderen om naar hem te luisteren en niet af te wijken van de woorden van zijn mond (vers 77Nu dan, kinderen, luister naar mij
en wijk niet af van de woorden van mijn mond.
)
. Hij heeft dat ook in de verzen 1-21Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid,
neig je oor tot mijn inzicht,
2zodat je bedachtzaamheid in acht neemt,
en je lippen kennis bewaren.
gedaan. Dat hij het opnieuw doet, is omdat hij wil dat ze hun aandacht bij zijn onderwijs houden en wel zolang zij leven. Afwijken naar een vreemde vrouw is afwijken van het onderwijs van de vader.

Hij begint met de simpele redenering dat de zoon zo ver mogelijk van de plaats van de verleiding vandaan blijft en niet in de nabijheid van de deur van haar huis komt (vers 88Houd je weg ver bij haar vandaan
en kom niet in de nabijheid van de deur van haar huis,
)
. Als hij bij haar in de buurt komt, komt hij onder het gehoor van haar vleiende stem. Hij moet omlopen, zodat hij haar niet hoort en niet ziet. We kunnen en moeten wel bidden “en leid ons niet in verzoeking” (Mt 6:1313En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.), maar dat kunnen we alleen in oprechtheid doen als we de verzoeking zelf niet opzoeken.

Vanaf vers 99opdat je je waardigheid niet aan anderen geeft
en je jaren aan een meedogenloze,
volgt de motivatie om zover mogelijk uit haar buurt te blijven. Dat wordt aangegeven door het woord “opdat” in de verzen 99opdat je je waardigheid niet aan anderen geeft
en je jaren aan een meedogenloze,
-10. Als hij namelijk onder haar invloed komt en zich met haar inlaat, zal hij zijn “waardigheid”, zijn goede naam en eer, verliezen (vers 99opdat je je waardigheid niet aan anderen geeft
en je jaren aan een meedogenloze,
)
. Hij heeft de bloei van zijn leven vergooid en die “aan anderen”, zoals de vreemde vrouw, gegeven om daarvan te ‘genieten’. Zelf is hij elk genot ervan kwijt. Hij zal nooit meer kunnen genieten van zijn eigen vrouw, zijn eigen kinderen, zijn eigen gezin. Hij heeft zichzelf in de grootste ellende gedompeld.

Ook zal hij zich de beste jaren van zijn leven en ook daarna uitleveren aan “een meedogenloze”. De meedogenloze is de vrouw. Zij heeft hem in haar macht en stelt hem harde eisen. Hierbij kunnen we ook denken aan chantage, een niet ongebruikelijk verschijnsel bij huwelijksontrouw.

Wat daarmee samenhangt, is dat anderen zich van zijn kracht meester zullen maken en dat hij alles wat hij met werken verdient, inlevert bij de “onbekende” (vers 1010opdat vreemden zich niet verzadigen met jouw kracht,
en je zwoegen [ten goede komt] aan het huis van een onbekende,
)
. In de “onbekende” kunnen we ook het best de meedogenloze vrouw van het vorige vers zien, de verleidster, de overspeelster. We zien hier dat verbinding met de vreemde vrouw in financiële problemen brengt. Iemand die in de macht van zo’n ‘onbekende’ is, moet vaak schulden maken om aan haar eisen te voldoen. Dit wordt in Spreuken 6:1-19 uitvoerig toegelicht.

Het eindresultaat is kermen en door uitputting lichamelijk een wrak zijn (vers 1111zodat je uiteindelijk kermt,
als het gedaan is met je vlees en je lichaam,
)
. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door een geslachtsziekte en aids, ziekten die het lichaam slopen. Het lichaam is vroegtijdig vervallen en opgebruikt. Het is duidelijk dat de prijs van ontrouw vanwege “een tijdelijke genieting van de zonde” (Hb 11:2525omdat hij er de voorkeur aan gaf met het volk van God slecht behandeld te worden, boven een tijdelijke genieting van [de] zonde,) enorm hoog is. Wie deze ontrouw begaat, laadt een onbetaalbare schuld op zich. Het pad van de dood voert naar verlies van eer, tijd, geld, kracht en gezondheid en naar pijn, spijt en eeuwige kwelling aan het einde van het leven.

Dan komt de gedwongen erkenning, die zich uit in wanhopige wroeging en uitzichtloos zelfverwijt (vers 1212en je zegt: Hoe heb ik vermaning kunnen haten,
en heeft mijn hart bestraffing kunnen verwerpen,
)
. ‘Hoe heb ik zoiets kunnen doen? Hoe heb ik vermaning kunnen haten en heeft mijn hart bestraffing kunnen verwerpen?’ Er is hem duidelijk en streng gezegd dat hij ver van de overspeelster moest blijven, maar hij heeft niet geluisterd en is eigenwillig die weg gegaan. “Haten” wil zeggen er een afkeer van hebben. Hij heeft met afkeer op de vermaning gereageerd.

Innerlijk, in zijn “hart”, heeft hij de “bestraffing” verworpen. Hij heeft zich ertegen verzet in plaats van zich ervoor te buigen en die te aanvaarden. Hij hoorde de vermaning en bestraffing wel, maar wilde er niet aan gehoorzamen. Nu veroordeelt zijn geweten hem, terwijl hij te laat beseft dat hij het onderwijs en de vermaning heeft genegeerd. De hel zal vol zijn van mensen die keer op keer vol wroeging zeggen: ‘Had ik maar …’

Hij moet dan erkennen dat het zijn eigen schuld is, omdat hij niet heeft geluisterd naar “mijn leraren” en “mijn leermeesters” (vers 1313en heb ik niet geluisterd naar de stem van mijn leraren,
mijn oren niet geneigd tot mijn leermeesters!
)
. Deze mensen, met wie vooral zijn vader en zijn moeder zullen worden bedoeld, hebben hem privéonderwijs gegeven – de zoon spreekt twee keer over “mijn”. Ze zijn intensief met hem bezig geweest om hem te leren hoe hij de juiste keuzes kon maken. Daarin hebben ze hem geoefend en hem daaraan gewend. En toch heeft hij hun onderwijs verworpen en is hij ongehoorzaam geweest aan de geboden die zij hem hebben voorgehouden. Hij vond zichzelf wijzer dan zij, hij was wijs in zijn eigen ogen (Sp 3:77Wees niet wijs in je [eigen] ogen:
vrees de HEERE en keer je af van het kwade.
)
. Dit maakt zijn zonde extra groot.

De vader zegt dit allemaal tegen zijn de zoon als een indringende oproep om naar zijn waarschuwingen te luisteren. Dan zal hem de volslagen ondergang en de eindeloze wroeging als gevolg van een verkeerde keuze bespaard blijven.

De zonde van overspel voert tot een menigte van andere zonden. De jongeman moet tot zijn schande bekennen dat hij “in bijna alle kwaad” heeft verkeerd (vers 1414In bijna alle kwaad heb ik verkeerd,
in het midden van de gemeente en de gemeenschap!
)
. Tevens zal hij zich bewust worden dat zijn hoererij niet alleen een persoonlijke zonde is, maar dat ook de hele gemeente door hem is bezoedeld (vgl. 1Ko 5:1-131Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft.2En u bent opgeblazen, en hebt niet veeleer getreurd, opdat hij die deze daad begaan heeft, uit uw midden werd weggedaan?3Want ik, naar het lichaam afwezig maar naar de geest aanwezig, heb reeds, alsof ik aanwezig was, hem geoordeeld die dit zo bedreven heeft,4in de Naam van <onze> Heer Jezus <Christus> (als u en mijn geest vergaderd zijn met de kracht van onze Heer Jezus)5zo iemand aan de satan over te geven tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden wordt in de dag van de Heer <Jezus>.6Uw roemen is niet goed. Weet u niet, dat een beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt?7Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht.8Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid.9Ik heb u in de brief geschreven, dat u geen omgang moet hebben met hoereerders;10niet in het algemeen met de hoereerders van deze wereld, of de hebzuchtigen en rovers, of afgodendienaars, want dan zou u wel de wereld moeten uitgaan.11Maar nu heb ik u geschreven, dat als iemand die broeder genoemd wordt, een hoereerder is, of een hebzuchtige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of rover, u met [hem] geen omgang moet hebben, dat u met zo iemand zelfs niet moet eten.12Want wat heb ik hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet hen die binnen zijn?13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.). In het Oude Testament is voor deze zonde geen plaatsvervangend offer, maar volgt de doodstraf (Lv 20:1010Een man die met de vrouw van iemand [anders] overspel pleegt, die met de vrouw van zijn naaste overspel pleegt, moet zeker gedood worden, de overspeler en de overspeelster.; Dt 22:2222Wanneer [ergens] een man aangetroffen wordt terwijl hij met een vrouw slaapt die met een [andere] man getrouwd is, dan moeten zij beiden sterven, de man die met de vrouw geslapen heeft, en de vrouw. Zo moet u het kwaad uit Israël wegdoen.). In het Nieuwe Testament volgt op het begaan van deze zonde de tucht van de gemeente, wat betekent dat zo iemand als een boze uit het midden van de gemeente wordt weggedaan (1Ko 5:1313Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.).


De vreugde van trouw in het huwelijk

15Drink water uit je [eigen] bak,
stromend [water] uit je [eigen] put.
16Laten je bronnen zich naar buiten toe verspreiden,
de waterbeken op de pleinen.
17Laten ze van jou alleen zijn
en van geen vreemde met jou.
18Moge je [levens]bron gezegend zijn
en verblijd je over de vrouw van je jeugd:
19een zeer lieflijke hinde, een bevallig steengeitje.
Laten haar borsten jou te allen tijde dronken maken,
dool voortdurend rond in haar liefde.
20Waarom zou je, mijn zoon, ronddolen bij een vreemde vrouw,
de boezem van die onbekende omarmen?
21Want de wegen van een man zijn vóór de ogen van de HEERE,
Hij weegt al zijn sporen.
22Zijn ongerechtigheden nemen de goddeloze gevangen:
met de banden van zijn zonde wordt hij vastgehouden.
23Híj zal sterven omdat er geen vermaning was,
door zijn grote dwaasheid zal hij verdwalen.

Het alternatief om te ontkomen aan de verleiding van de vreemde vrouw is niet een verplichte algehele onthouding of celibaat (1Tm 4:33Zij verbieden te trouwen [en gebieden] zich van voedsel te onthouden, dat God geschapen heeft om met dankzegging te worden genuttigd door hen die geloven en de waarheid kennen.). De vader wijst zijn zoon op diens eigen vrouw. Het verlangen naar verboden genot komt voort uit ontevredenheid met zegeningen die iemand bezit. Hij zegt hem dat hij aan zijn eigen vrouw genoeg moet hebben (vers 1515Drink water uit je [eigen] bak,
stromend [water] uit je [eigen] put.
)
. In zijn eigen huis heeft hij een bron die zijn dorst kan lessen. Daarmee bedoelt hij zijn vrouw. Zo kan bij hem “het huwelijk … in ere zijn en het huwelijksleven onbezoedeld, want hoereerders en overspelers zal God oordelen” (Hb 13:44Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en het huwelijksleven onbezoedeld, want hoereerders en overspelers zal God oordelen.).

Zij voldoet aan zijn seksuele verlangens, net zoals water voldoet bij iemand die dorst heeft. Hij hoeft niemand anders te zoeken voor de bevrediging van die verlangens (1Ko 7:2-52Maar laat vanwege de hoererijen ieder zijn eigen vrouw hebben en laat iedere [vrouw] haar eigen man hebben.3Laat de man voldoen wat verschuldigd is aan de vrouw, en evenzo ook de vrouw aan de man.4De vrouw heeft geen gezag over haar eigen lichaam, maar de man; en evenzo heeft ook de man geen gezag over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.5Onttrekt u niet aan elkaar, tenzij dan met onderling goedvinden, voor een tijd, opdat u zich aan het gebed wijdt en [daarna] weer samen bent, opdat de satan u niet verzoekt, omdat u zich niet kunt onthouden.). De vergelijking met een waterbak en een waterput wijst op de verkwikking die seksualiteit geeft. In het droge Israël is het beschikken over water een waardevolle voorziening die grote vreugde geeft.

Dat is een andere voorstelling van seksualiteit dan wel eens wordt gegeven dat alle seksuele beleving beteugeld moet worden en alleen moet gebeuren met het oog op de voortplanting. Seksuele verlangens, zo wordt dan beweerd, zijn veel te gevaarlijk, die stromende wateren zijn veel te krachtig. Maar dat is niet de taal van de Bijbel. God heeft het verlangen naar seksualiteit in de mens gelegd als iets goeds. Seksueel verkeer kan en mag in de band van het huwelijk worden genoten tot Zijn eer.

God heeft het beleven ervan in het huwelijk als een bron van diepe vreugde gegeven (Dt 24:55Wanneer een man pas een vrouw genomen heeft, mag hij niet met het leger uittrekken, en mag men hem geen enkele verplichting opleggen. Een jaar lang zal hij vrij zijn ten behoeve van zijn huis zodat hij zijn vrouw, die hij genomen heeft, kan verblijden.; Pr 9:99Geniet van het leven met de vrouw die u liefhebt, al de dagen van uw vluchtige leven die Hij u gegeven heeft onder de zon, al uw vluchtige dagen. Want dit is uw deel in het leven en bij uw zwoegen waarmee u zwoegt onder de zon.; Gn 24:6767Toen bracht Izak haar in de tent van zijn moeder Sara. En hij nam Rebekka en zij werd hem tot vrouw en hij had haar lief. Zo vond Izak troost na de dood van zijn moeder.). Dat zien we in deze verzen. Wij mogen daarbij in het licht van het Nieuwe Testament zien dat het gaat om een verborgenheid die spreekt van Christus en de gemeente (Ef 5:25-3325Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven,26opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,27opdat Hij de gemeente voor Zich zou stellen, heerlijk, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn.28Zo behoren <ook> de mannen hun eigen vrouwen lief te hebben als hun eigen lichamen. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief.29Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en koestert het, evenals ook Christus de gemeente.30Want wij zijn leden van Zijn lichaam, <van Zijn vlees en van Zijn gebeente>.31‘Daarom zal een man <zijn> vader en <zijn> moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn’.32Deze verborgenheid is groot, maar ik doel op Christus en op de gemeente.33In elk geval, ook u, laat ieder van u zijn eigen vrouw zó liefhebben als zichzelf; en de vrouw moet ontzag hebben voor haar man.). Het is dus duidelijk een beleving die wordt geheiligd door Gods Woord.

De seksuele verlangens mogen ontwikkeld worden en wel voor en samen met de eigen vrouw. Is het nodig daarop te wijzen? Ja, dat is nodig, ook als we al wat langer of al een lange tijd getrouwd zijn. We moeten elk verlangen naar een andere dan de eigen vrouw vermijden en alle verlangens als het ware ‘kanaliseren’ naar onze eigen vrouw. Het gaat om één richting, die van de eigen vrouw. Dat geldt ook voor de vrouw ten opzichte van haar man.

Het gezag of recht op elkaars lichaam (1Ko 7:44De vrouw heeft geen gezag over haar eigen lichaam, maar de man; en evenzo heeft ook de man geen gezag over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.) mag niet worden misbruikt. Dat zal niet gebeuren als de man eraan denkt dat hij zijn vrouw moet liefhebben zoals Christus de gemeente heeft liefgehad en nog liefheeft (Ef 5:2525Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven,). Het is belangrijk dat de man verstand krijgt van zijn vrouw (1Pt 3:77Mannen, evenzo, woont bij hen met verstand als bij een zwakker vat, het vrouwelijke, en bewijst hun eer, omdat zij ook mede-erfgenamen van [de] genade van [het] leven zijn, opdat uw gebeden niet verhinderd worden.). Daarom moeten man en vrouw elkaar leren kennen door met elkaar te communiceren. Het is ook belangrijk elkaar te kunnen aanraken zonder seksuele opwinding, een aanraking die ook in het bijzijn van anderen plaatsvindt. Dan zal ook de seksuele aanraking een uiting van liefde zijn en geen misbruik van het lichaam van de ander.

Vers 1616Laten je bronnen zich naar buiten toe verspreiden,
de waterbeken op de pleinen.
is een moeilijk te vertalen vers, waardoor ook de uitleg niet eenvoudig is. De beste manier lijkt te zijn dit vers als een vraag te lezen: “Moeten je bronnen zich naar buiten toe verspreiden, de waterbeken op de pleinen?” Een verklaring die past in het kader van het vers ervoor en het vers erna, is als volgt. Als de man zijn huis en zijn vrouw verlaat om naar een vreemde vrouw te gaan, gaat hij “naar buiten toe”, naar “de waterbeken op de pleinen”. De bronnen die buiten zijn, de vrouw die hem verleidt, zijn voor iedereen beschikbaar, hoezeer de vrouw hem er ook van wil overtuigen dat zij er alleen voor hem is (Sp 7:1515Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet
om je ijverig te zoeken en – [daar] vond ik je!
)
.

In vers 1717Laten ze van jou alleen zijn
en van geen vreemde met jou.
komt het antwoord op de vraag van vers 1616Laten je bronnen zich naar buiten toe verspreiden,
de waterbeken op de pleinen.
. De bron van verkwikking moet alleen zijn eigen vrouw zijn. Het mag geen optie zijn dat zijn liefde ook naar een vreemde vrouw uitgaat.

Een geestelijke toepassing is dat we aan de Heer en alleen aan Hem genoeg hebben. Hij heeft ons onvoorwaardelijk en exclusief lief en rekent ook op onze onvoorwaardelijke, exclusieve liefde (2Ko 11:22Want ik ben na-ijverig over u met een na-ijver van God; want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen.). Ware bevrediging van elk verlangen dat wij hebben, is alleen in Christus’ liefde te vinden. Als we ouder worden, zal onze liefde voor onze vrouw niet verminderen, maar juist toenemen, net zoals onze liefde voor Christus.

De vader wenst dat zijn zoon in de omgang met zijn vrouw in het huwelijk gezegend zal zijn (vers 1818Moge je [levens]bron gezegend zijn
en verblijd je over de vrouw van je jeugd:
)
. Hieruit blijkt dat de seksuele vreugde in het huwelijk door God is gegeven en dat hij daarvan mag genieten. De jongeman wordt opgeroepen “verblijd” te zijn “over de vrouw van je jeugd”. Het is een blijdschap die altijd moet blijven, tot in de ouderdom toe (Pr 9:9a9Geniet van het leven met de vrouw die u liefhebt, al de dagen van uw vluchtige leven die Hij u gegeven heeft onder de zon, al uw vluchtige dagen. Want dit is uw deel in het leven en bij uw zwoegen waarmee u zwoegt onder de zon.). Het is totale dwaasheid als een man en zijn vrouw zeggen dat ze op elkaar zijn ‘uitgekeken’ en daarom maar een relatie met ‘een vreemde vrouw’ beginnen. Het is een leugen en een ongehoorzaamheid, want God roept op tot blijdschap over de eigen vrouw, net zoals Hij oproept dat de man zijn vrouw moet liefhebben.

In de vertrouwelijke omgang van de vader met zijn zoon zegt hij hem bij zijn eigen vrouw de bevrediging van zijn verlangens te vinden (vers 1919een zeer lieflijke hinde, een bevallig steengeitje.
Laten haar borsten jou te allen tijde dronken maken,
dool voortdurend rond in haar liefde.
)
. Hij wijst zijn zoon op het gedrag van de geliefde vrouw, dat hij vergelijkt met een zeer lieflijke hinde, een bevallig steengeitje”. Deze dieren bewegen zich sierlijk en gracieus. Zo mag hij naar zijn vrouw kijken. Haar borsten mogen hem in vervoering brengen, hij mag er dronken van worden, er bedwelmd door raken.

Onophoudelijk mag hij in haar liefde ronddolen, dat wil zeggen dat hij zich erdoor mag laten ‘vangen’ en er in de ban van mag raken. Hij mag voortdurend over haar in verrukking komen, weg van haar zijn. Het is een oproep en tevens een vermaning om zich alleen op de eigen vrouw te richten voor de vervulling van de seksuele verlangens.

In vers 2020Waarom zou je, mijn zoon, ronddolen bij een vreemde vrouw,
de boezem van die onbekende omarmen?
stelt de vader enkele retorische vragen. Als de zoon bij zijn verstand is, zal hij niet “ronddolen bij een vreemde vrouw” voor een kortstondige verbinding met een tijdelijke genieting van de zonde. Hier wordt hetzelfde woord ‘ronddolen’ gebruikt als in het vorige vers, maar daar is het een voortdurend en geoorloofd ronddolen. Bij een vreemde vrouw is geen plaats en geen tijd voor intimiteit. Intimiteit vereist een levenslange verbintenis met de vrouw van iemands jeugd.

De zonde van overspel vindt altijd in het geheim plaats, het is een werk van de duisternis (Jb 24:15-1615Het oog van de overspeler wacht op de schemering;
hij zegt: Geen oog mag mij waarnemen;
en hij doet een masker voor [zijn] gezicht.
16In de duisternis dringt hij door in de huizen.
Overdag sluiten zij zichzelf op;
zij willen niets weten van het licht.
)
. Maar voor God is niets verborgen (vers 2121Want de wegen van een man zijn vóór de ogen van de HEERE,
Hij weegt al zijn sporen.
; 2Kr 16:99Want de ogen van de HEERE trekken over de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan [hen] van wie het hart volkomen is met Hem. U hebt hierin dwaas gehandeld, want vanaf nu zullen oorlogen uw deel zijn.; Jb 31:44Ziet Hij mijn wegen niet,
en telt Hij niet al mijn voetstappen?
; 34:2121Want Zijn ogen zijn op ieders wegen,
en Hij ziet al hun voetstappen.
; Sp 15:33De ogen van de HEERE zijn op elke plaats:
ze slaan slechte en goede [mensen] gade.
Jr 16:1717Want Mijn ogen zijn [gevestigd] op al hun wegen. Ze zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen en hun ongerechtigheid kan zich niet voor Mijn ogen verhullen.; 32:1919groot van raad en machtig van daad (want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om eenieder te geven overeenkomstig zijn wegen en overeenkomstig de vrucht van zijn daden),)
. Hij is niet een menselijke inspecteur die af en toe eens langskomt om iets of iemand te controleren. Hij ziet en weegt al de sporen die een overspelige man nalaat. Het woord “sporen” laat zien dat het gaat om een gedrag dat een ingesleten gewoonte is geworden. De weg naar de vreemde vrouw is een platgetreden pad geworden. We kunnen ook nog denken aan de sporen van ellende die worden achtergelaten zoals de gevolgen die een dergelijk gedrag voor de kinderen en andere familieleden hebben.

Behalve dat God alles ziet, is Hij ook rechtvaardig. Hij kent het gewicht, de ernst, van overspel en zal de overspeler daarvoor oordelen (Hb 13:44Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en het huwelijksleven onbezoedeld, want hoereerders en overspelers zal God oordelen.). ‘Wegen’ wil zeggen toetsen, wat Hij zal doen aan de hand van Zijn maatstaf, de wet, in het bijzonder met verwijzing naar het zevende gebod: “U zult niet echtbreken” (Ex 20:1414U zult niet echtbreken.).

Het besef dat er geen geheimen voor God zijn, zal ons helpen om niets te doen wat het daglicht niet kan verdragen. Een open en intieme verhouding met God is een belangrijk middel om onze menselijke relaties zuiver en rein te houden. De sleutel tot zelfbeheersing is het besef dat we nooit alleen zijn, maar dat God ons overal ziet.

Door gebrek aan zelfbeheersing op het gebied van seksuele bevrediging wordt de goddeloze een gevangene van zijn ongerechtigheden (vers 2222Zijn ongerechtigheden nemen de goddeloze gevangen:
met de banden van zijn zonde wordt hij vastgehouden.
)
. Veel mensen denken dat ze na verloop van tijd wel met een bepaalde zonde kunnen stoppen. Ze hebben er echter geen besef van dat een zonde die regelmatig wordt herhaald, verslavend werkt en elke weerstand wegneemt om ermee te breken.

We zien daarvan een voorbeeld bij Simson (hoewel die geen goddeloze was) die door Delila gevangen wordt gehouden (Ri 16:19-2119Daarna liet zij hem op haar knieën slapen, riep een man en liet hem de zeven haarlokken van zijn hoofd afscheren. En zij begon hem te vernederen en zijn kracht week van hem.20En zij zei: De Filistijnen over je, Simson! Hij ontwaakte uit zijn slaap en zei: Ik zal net als de andere keren vrijkomen en [hen] van mij afschudden. Hij wist namelijk niet dat de HEERE van hem geweken was.21Toen grepen de Filistijnen hem en staken hem de ogen uit. En zij voerden hem af naar Gaza en bonden hem met twee bronzen kettingen. En hij maalde [meel] in de gevangenis.). Hij is verstrikt in de zonde en wordt erin vastgehouden en kan zich er niet uit bevrijden. Zo wordt hij naar het verderf gevoerd. Als de jongeman niet wordt ‘geboeid’ door zijn eigen vrouw, maar in de ban raakt van een vreemde vrouw, zullen zijn eigen ongerechtigheden hem boeien en zal hij naar de ondergang worden geleid.

De weg van de overspeler eindigt in de dood (vers 2323Híj zal sterven omdat er geen vermaning was,
door zijn grote dwaasheid zal hij verdwalen.
)
. Hij sterft “omdat er geen vermaning was”, wat wil zeggen dat er geen vermaning was waar hij naar luisterde. Het kan ook betekenen dat hij zonder zelftucht, zelfdiscipline, was. Wie niet luistert naar vermaning om zich ver van een overspeelster te houden, begaat een “grote dwaasheid”. Het is dus niet zomaar een dwaasheid, maar een grote dwaasheid.

Voor de gelovige is hoererij of overspel niet zomaar een zonde, maar een speciale zonde: “Elke zonde die een mens doet, gaat buiten het lichaam om, maar wie hoereert, zondigt tegen zijn eigen lichaam. Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?” (1Ko 6:18-1918Ontvlucht de hoererij! Elke zonde die een mens doet, gaat buiten het lichaam om, maar wie hoereert, zondigt tegen zijn eigen lichaam.19Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?). Wie de “grote dwaasheid” van hoererij of overspel begaat, verlaat de rechte weg en zal hopeloos verdwalen en omkomen.


Lees verder