Spreuken
Inleiding 1 Spreker en aangesprokenen 2-3 De belijdenis van Agur 4 God openbaart Zich in Zijn Zoon 5-6 God openbaart Zich in Zijn Woord 7-9 Het gebed van Agur 10 Belaster een slaaf niet bij zijn heer 11-14 Vier afvallige generaties 15-16 Vier onverzadigbare dingen 17 Vader bespotten en moeder verachten 18-20 Vier ondoorgrondelijke dingen 21-23 Vier onverdraaglijke dingen 24-28 Vier kleine, maar wijze dieren 29-31 Vier met een voorname tred en een statige gang 32-33 Druk brengt iets voort
Inleiding

Dit hoofdstuk dankt zijn indrukwekkendheid grotendeels aan de diepe nederigheid van de auteur. Hij belijdt die nederigheid in de verzen 1-91De woorden van Agur, de zoon van Jake: de last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal.2Voorzeker, ik ben onverstandiger dan iemand [anders],3Ik heb geen wijsheid geleerd4Wie is er naar de hemel opgestegen en [vandaar] neergedaald?
Wie heeft de wind in zijn handen verzameld?
Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?
Wie heeft alle einden der aarde vastgesteld?
Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam van Zijn Zoon, u weet het immers?5Ieder woord van God is gelouterd,
Hij is een schild voor hen die tot Hem de toevlucht nemen.
6Voeg niets toe aan Zijn woorden, anders zal Hij u straffen,
omdat u een leugenaar zou blijken te zijn.7Twee dingen heb ik van U gevraagd,
onthoud ze mij niet, voordat ik sterf:
8Houd valsheid en leugentaal ver van mij.
[En:] geef mij geen armoede of rijkdom,
voorzie mij van het mij toegewezen deel [aan] brood.
9Anders zou ik, verzadigd,
[U] verloochenen en zeggen: Wie is de HEERE?
of anders zou ik, arm geworden, stelen,
en de Naam van mijn God aantasten.
. Vanuit die houding toont hij zowel zijn afschuw van arrogantie in al haar vormen als zijn fascinerende, openhartige beschrijving van zijn waarneming van de wereld en zijn manieren. De groepen van mensen en dieren die hij beschrijft, leren ons lessen, zonder dat hij die lessen oplegt. De overheersende houding is die van scherpe en vaak blijde belangstelling. Deze belangstelling nodigt ons uit om opnieuw te kijken naar onze wereld met het oog van een man van geloof die een karaktervolle woordkunstenaar en waarnemer is.


Spreker en aangesprokenen

1De woorden van Agur, de zoon van Jake: de last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal.

Wie “Agur” is geweest, weten we niet. We weten wel dat hij “de zoon van Jake” is, maar ook Jake kennen we niet. Dat zijn vader wordt genoemd, kan betekenen dat hij een wijze zoon is die naar het onderwijs van zijn vader heeft geluisterd. Dat hij een wijze zoon is, blijkt wel uit de wijze woorden die we van hem in dit hoofdstuk hebben. Zijn vader zal zich hebben verblijd over zijn wijze zoon. We hebben deze vader-zoon verhouding al meerdere keren in de voorgaande hoofdstukken gezien. Deze verhouding vormt de grondslag voor het onderwijs van dit boek.

Dat Agur alleen hier wordt genoemd en ons verder onbekend is, kan betekenen dat het niet zozeer om zijn persoon gaat, maar om zijn “woorden”. Daarmee is hij tegelijk een voorbeeld voor ons. We hebben allemaal een naam, maar wie kent ons? Slechts enkelen kennen ons. Maar als onze naam verbonden is aan onze wijze woorden, zal onze naam vanwege onze wijze woorden blijven voortbestaan.

De woorden die Agur heeft gesproken, zijn ook niet zomaar woorden. Het zijn woorden die “de last” worden genoemd. ‘Last’ is een woord dat we vaak bij de profeten tegenkomen (Js 13:11De last over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.; 14:2828In het jaar dat koning Achaz stierf, kwam deze last.
; 15:11De last over Moab.
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Ar-Moab is uitgeroeid!
Voorzeker, in de nacht is het verwoest,
Kir-Moab is uitgeroeid!
; 17:11De last over Damascus.
Zie, Damascus houdt op een stad te zijn,
het zal een puinhoop worden, een ruïne.
; 19:11De last over Egypte.
Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk
en komt in Egypte.
De afgoden van Egypte zullen beven voor Zijn aangezicht
en het hart van de Egyptenaren zal smelten in hun binnenste.
; Hk 1:11De last die de profeet Habakuk gezien heeft.)
. Agurs woorden bevatten een profetische boodschap die door Gods Geest als een last op zijn hart is gelegd. Hij voelt het gewicht ervan. Hij beleeft wat hij schrijft. Dat maakt hem tot een profeet die tot onze harten en gewetens spreekt (vgl. Jh 4:17-1917De vrouw antwoordde en zei <tot Hem>: Ik heb geen man. Jezus zei tot haar: U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man;18want vijf mannen hebt u gehad, en die u nu hebt is uw man niet; dit heb u naar waarheid gezegd.19De vrouw zei tot Hem: Heer, ik zie dat U een Profeet bent.).

Hij spreekt als “de man”. Er is geen hoogdravendheid bij hem aanwezig. De hoogmoedige claim ‘zo spreekt de HEERE’ die mensen soms uitspreken om alleen maar de aandacht op zichzelf te richten, ontbreekt bij hem. Hij neemt de bescheiden plaats van een mens in, omdat hij zichzelf in de tegenwoordigheid van God weet. Tegelijk maakt dat duidelijk dat deze man door de Geest spreekt (vgl. Nm 24:33Hij hief zijn spreuk aan en zei:
Bileam, de zoon van Beor, spreekt,
de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,
; 2Sm 23:11En dit zijn de laatste woorden van David.
David, de zoon van Isaï, spreekt;
de man die hoog is opgericht, spreekt,
de gezalfde door de God van Jakob,
en lieflijk in psalmen van Israël.
)
.

Ook van Ithiël en Uchal weten we niet meer dan hun namen die hier worden genoemd. Mogelijk zijn het zijn kinderen die hij in de kennis van de Goddelijke dingen onderwijst. Het kunnen ook leerlingen zijn die hij wijsheid wil leren. Hij heeft in elk geval vanuit een persoonlijke betrokkenheid met deze twee personen te doen gehad.

Het valt op dat hij spreekt tot “tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal”. Hij noemt de naam van Ithiël twee keer. Als toepassing is dit misschien zo te zien, dat hij is ingegaan op vragen die alleen door Ithiël zijn gesteld en op vragen die door Ithiël en Uchal samen zijn gesteld. Zijn aandacht gaat uit naar persoonlijke en gemeenschappelijke vragen.


De belijdenis van Agur

2Voorzeker, ik ben onverstandiger dan iemand [anders],

ik heb geen menselijk inzicht.

3Ik heb geen wijsheid geleerd

en de kennis van heiligen niet bezeten.

Als Agur zijn onderwijs begint, spreekt hij niet vanuit de hoogte, vanuit de positie van iemand die meent dat hij alles weet en overal wel een antwoord op heeft. Hij begint ermee van zichzelf te zeggen dat hij onverstandiger is dan wie ook (vers 22Voorzeker, ik ben onverstandiger dan iemand [anders],). Ook erkent hij dat het hem aan inzicht ontbreekt. In vers 44Wie is er naar de hemel opgestegen en [vandaar] neergedaald?
Wie heeft de wind in zijn handen verzameld?
Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?
Wie heeft alle einden der aarde vastgesteld?
Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam van Zijn Zoon, u weet het immers?
zien we dat hij tot deze conclusie komt omdat hij omhoog en om zich heen kijkt en aan God denkt. In het licht van Wie God is en de wegen die Hij gaat, stellen zijn verstand en zijn inzicht helemaal niets voor. In dat licht veronderstelt hij dat anderen meer verstand van zaken hebben dan hij. Dit is het bewijs van waar verstand en inzicht.

Wie zijn eigen onvermogen erkent ten aanzien van Wie God is en wat Hij tot stand brengt, heeft de juiste gezindheid en houding om anderen te onderwijzen. Het betekent niet dat het Agur aan verstandelijke vermogens ontbrak, maar dat hij erkent dat hij met betrekking tot het geestelijk verstaan van het leven en de levensvragen, volledig onwetend is. Alleen God is volmaakt in Zijn kennis en inzicht van het leven en Hij alleen kan daarvan meedelen aan mensen.

De psalmist Asaf komt langs een andere weg tot dezelfde conclusie als Agur: “Hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets! Ik was een redeloos dier bij U” (Ps 73:2222hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets!
Ik was een redeloos dier bij U.
)
. Dit is de toestand waarin de hele mensheid zich bevindt. Toch zijn er slechts weinigen die dit beseffen. Het zijn alleen zij die door het geloof met God verbonden zijn en leven vanuit een levende verbinding met Hem, zoals we zien bij Agur en Asaf. Wie in hun besef deelt, voelt het zo intens persoonlijk, dat hij in zijn eigen ogen meer onwetend lijkt dan alle andere mensen.

In het verlengde van vers 22Voorzeker, ik ben onverstandiger dan iemand [anders], spreekt hij in vers 33Ik heb geen wijsheid geleerd over “wijsheid” die hij niet heeft geleerd en over “de kennis van heiligen” die hij niet heeft bezeten. Hier zegt hij dat menselijk onderwijs dat hij heeft ontvangen, hem geen wijsheid in de Goddelijke dingen en in God Zelf heeft gegeven. Met “heiligen” worden geen mensen bedoeld, maar God. Agur spreekt net als Salomo in Spreuken 9:10 in het meervoud over God. We kunnen het een ‘majesteitsmeervoud’ voor God noemen.

God is pas in het Nieuwe Testament ten volle als de drie-enige God geopenbaard. Agur en Salomo hebben dat ook niet geweten. Toch kunnen zij er al iets van hebben aangevoeld door de Geest (zie de woorden “Wij” en “Ons” in Genesis 1:26). We zien dat wat Agur betreft ook in de vraag die hij aan het eind van vers 44Wie is er naar de hemel opgestegen en [vandaar] neergedaald?
Wie heeft de wind in zijn handen verzameld?
Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?
Wie heeft alle einden der aarde vastgesteld?
Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam van Zijn Zoon, u weet het immers?
stelt naar “Zijn Naam” en “de Naam van Zijn Zoon”.

Wat hij zegt, bewijst de werking van de Geest van God in zijn hart. Daardoor beseft hij wie hij in zichzelf is en wat hij vanuit zichzelf weet. Hij behoorde tot de duisternis waarin het verstand van de mens is verduisterd. Het inzicht in wat het leven is, is voor de mens met een verduisterd verstand niets anders dan rondtasten in de duisternis. Daardoor was het ook niet mogelijk wijsheid te leren of iets op te doen van de kennis van de hoogheilige God.

Wat hij zegt, is dat Gods wijsheid zo enorm groot is, dat hij in vergelijking daarmee niets van de wijsheid heeft geleerd. Hoe dieper iemand indringt in het geheimenis van de wijsheid, dat is in Wie God en Christus zijn, des te meer wordt hij zich ervan bewust hoe weinig hij weet. Het is wijsheid de begrenzingen van het verstand en de wijsheid te kennen. Als gelovigen mogen we de breedte en lengte en hoogte en diepte van de liefde van Christus kennen, terwijl er tegelijk het diepe besef is dat die liefde “de kennis te boven gaat” (Ef 3:18-1918opdat u ten volle in staat bent te begrijpen met alle heiligen, wat de breedte, lengte, hoogte en diepte is,19en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot de hele volheid van God.).


God openbaart Zich in Zijn Zoon

4Wie is er naar de hemel opgestegen en [vandaar] neergedaald?
Wie heeft de wind in zijn handen verzameld?
Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?
Wie heeft alle einden der aarde vastgesteld?
Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam van Zijn Zoon, u weet het immers?

Agur maakt door zes vragen duidelijk dat hij – en dat geldt voor ieder mens – inderdaad totaal onwetend is aangaande God en de Goddelijke dingen. Deze vragen leggen de nadruk op het handelen van God en tonen aan dat het absurd is voor een sterveling om te denken dat hij Gods werk kan verklaren of zichzelf kan vergelijken met God. Ze bewijzen de verhevenheid van God en het volledige onvermogen van de mens (vgl. Js 40:1212Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
; Dt 30:11-1411Want dit gebod, dat ik u heden gebied, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg.12Het is niet in de hemel, zodat [u] zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons naar de hemel opstijgen om het voor ons te halen en ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen?13Het is ook niet aan de overzijde van de zee, zodat [u] zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons oversteken naar de overzijde van de zee om het voor ons te halen en [het] ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen?14Want dit woord is heel dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.; Rm 10:6-76Maar de gerechtigheid die op grond van geloof is, spreekt zo: Zeg niet in uw hart: ‘Wie zal in de hemel opklimmen?’ – dat is Christus doen afdalen;7of: ‘Wie zal in de afgrond neerdalen?’ – dat is Christus uit [de] doden doen opkomen.; Ef 4:99Dit nu: Hij is opgevaren, wat is het anders dan dat Hij ook is neergedaald naar de lagere <delen> van de aarde?)
.

Het is niet tegen te spreken dat “de hemel” er is, boven ons, en dat de belangstelling van de mens sinds mensenheugenis naar de hemel uitgaat. De reis naar de maan toont zijn verlangen naar de kennis ervan. Zijn onderzoek van de hemel, dat hij vanaf de aarde verricht, geeft hem het bewustzijn dat hij slechts aan de zoom van het heelal krabbelt. En naar de hemel gaan om er eens een kijkje te nemen, is nog eens heel wat anders. Wie heeft dat ooit gedaan? Of wie is eruit neergedaald om iets over de geheimenissen ervan te vertellen?

Wij weten dat Christus is opgestegen naar de hemel. Dat gebeurde nadat Hij het verlossingswerk op het kruis had volbracht, in de dood was geweest en was opgestaan. Van daaruit heeft Hij de Heilige Geest gezonden. In de Geest komt Hij naar beneden om te vertellen wat er in de hemel is (Jh 14:1818Ik zal u geen wezen laten blijven, Ik kom tot u.; 16:13-1513Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.14Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen.15Alles wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom heb Ik gezegd dat Hij uit het Mijne neemt en het u zal verkondigen.). Toen de Heer Jezus op aarde was, kon Hij zeggen: En niemand is opgevaren in de hemel dan Hij Die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen <Die in de hemel is>” (Jh 3:1313En niemand is opgevaren in de hemel dan Hij Die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen <Die in de hemel is>.). Hij, Die na Zijn werk op het kruis zou opvaren naar de hemel, was toen Hij op aarde was tegelijkertijd in de hemel. Dat was zo, omdat Hij de eniggeboren Zoon van God is. Hij is het antwoord op de vragen van Agur.

Als we onder de hemel kijken, hier op aarde, zien we ook daar dingen die door de mens niet te vatten of te controleren zijn. De onzichtbare “wind” is ongrijpbaar en zijn kracht onweerstaanbaar, maar niet voor Hem. In de geestelijke toepassing ziet de wind op moeilijkheden die in ons leven komen. Wij hebben daar geen invloed op, maar we mogen weten dat Christus ook de wind in ons leven in Zijn hand heeft.

Hetzelfde geldt voor de tastbare “wateren”, waarop de mens ook totaal geen vat heeft. Wateren spreken van beproevingen die in ons leven kunnen komen en waarbij we het gevoel hebben dat we erin verdrinken. Maar Hij is bij ons in de wateren van de beproeving (Js 43:22Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
)
. En wat te denken van “alle einden der aarde”, wie heeft die “vastgesteld”, ofwel er stabiliteit aan gegeven? Ook hier is Hij het antwoord. Hij geeft ons leven stabiliteit.

De atmosfeer (wind), het vloeibare (wateren) en het vaste (einden der aarde), alles staat buiten de controle van de mens. Toch worden ze gecontroleerd. Agur vraagt naar de Naam van Wie dat doet en naar de Naam van Zijn Zoon. De “Naam” en de “Naam van Zijn Zoon” zijn terecht met hoofdletters geschreven, want Agur spreekt over God. Alleen is God voor hem nog zo onbegrijpelijk, zo onnavolgbaar, zo vol geheimen. Vragen naar de Naam is vragen naar Zijn Wezen, naar Zijn kenmerken en eigenschappen. Wie zal die ten volle kunnen kennen?

Hij vraagt ook naar de Naam van Zijn Zoon. Als God dan zo verheven en zo onbegrijpelijk is, is er misschien Iemand Die Hem kan vertegenwoordigen? Is er misschien Iemand Die namens God kan spreken, of Hem zou kunnen verklaren? Zijn vraag laat wel zien dat hij heel dicht bij God leeft en aanvoelt dat er misschien wel een Zoon is Die deelt in de eigenschappen van God omdat Hij Zijn Zoon is. Daarbij moeten we bedenken dat de Zoon niet namens God spreekt, maar dat Hij als God spreekt, want Hij is God.

God heeft in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon” (Hb 1:11Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,). De profeten waren mensen door middel van wie God Zich tot Zijn volk richtte. Maar de Heer Jezus, de Zoon, is geen middel door wie God spreekt. Het spreken van de Heer Jezus is het spreken van God Zelf! De profeten spraken namens God. De Heer Jezus sprak niet namens God, maar in Zijn hoedanigheid van God. Dit deed Hij zeker als Mens op aarde, maar die Mens is God de Zoon. God Zelf spreekt als Goddelijk Persoon. Die Persoon is de Zoon.

Zoals hierboven al is opgemerkt, is de waarheid van de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, pas in het Nieuwe Testament ten volle geopenbaard. Hier, in het Oude Testament, is dat nog verborgen. Wij weten dat de Heer Jezus de eeuwige Zoon is aan Wie God niet bepaalde eigenschappen heeft overgedragen, maar Die volkomen een met Hem is en Hem volkomen heeft geopenbaard op aarde: “De eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem verklaard” (Jh 1:1818Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is, Die heeft [Hem] verklaard.). Tegelijk blijft het ook voor ons een niet te doorgronden mysterie Wie de Zoon werkelijk is, want “niemand kent de Zoon dan de Vader” (Mt 11:2727Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon [Hem] wil openbaren.).

Voor ons zijn de vragen van vers 44Wie is er naar de hemel opgestegen en [vandaar] neergedaald?
Wie heeft de wind in zijn handen verzameld?
Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?
Wie heeft alle einden der aarde vastgesteld?
Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam van Zijn Zoon, u weet het immers?
in het Nieuwe Testament beantwoord. Daar zien we dat ze gaan over God en Zijn openbaring in de Zoon. Overal waar God Zich openbaart, doet Hij dat in de Zoon. We zien ook dat de Zoon de Schepper en Onderhouder van alle dingen is (Jh 1:1-31In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.2Dit was in [het] begin bij God.3Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.; Ko 1:1616want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.; Hb 1:22Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.). Alles staat onder Zijn controle en Hij brengt de schepping naar het doel dat Hij Zich heeft gesteld. God zal eenmaal alles aan Zijn voeten onderwerpen (Hb 2:88alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door <Hem> alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen;) omdat Hij het werk van de verlossing heeft volbracht.


God openbaart Zich in Zijn Woord

5Ieder woord van God is gelouterd,
Hij is een schild voor hen die tot Hem de toevlucht nemen.
6Voeg niets toe aan Zijn woorden, anders zal Hij u straffen,
omdat u een leugenaar zou blijken te zijn.

Van zijn vragen over God met betrekking tot de schepping gaat Agur over op de woorden van God, op wat Hij heeft gezegd (vers 55Ieder woord van God is gelouterd,
Hij is een schild voor hen die tot Hem de toevlucht nemen.
)
. God openbaart Zich in de schepping en Hij openbaart Zich in Zijn Woord. Agur weet dat in Gods Woord de antwoorden staan op de vragen die hij zojuist heeft gesteld. God kan alleen gekend worden door Zijn Woord, want daarin openbaart Hij Zich volledig, terwijl Hij in de schepping alleen Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid laat zien (Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,).

Er bestaat bij Agur geen enkele twijfel over iets wat God heeft gezegd. “Ieder woord” dat God heeft gesproken, zonder één uitzondering, “is gelouterd”, zuiver, vlekkeloos (Ps 12:77De woorden van de HEERE zijn reine woorden,
[als] zilver gelouterd in een aarden smeltkroes,
gezuiverd zevenmaal.
)
. Gelouterd betekent dat het elke vuurproef heeft doorstaan en dat daarbij de onbesmette zuiverheid ervan is gebleken. Het bewijs is geleverd en niet tegen te spreken. Het betekent ook dat heel het Woord van God betrouwbaar is. Niets erin is bedrieglijk of vals, ongeacht of het om geschiedenis, geboden, beloften of bedreigingen gaat.

De tweede helft van het vers geeft de enorme waarde van het Woord voor ons dagelijks leven. Wie overtuigd is van de waarde van het Woord, zal “tot Hem de toevlucht nemen”. We zien hier de vereenzelviging van het Woord met de Persoon van de Zoon. We zien deze vereenzelviging ook in Hebreeën 4, waar we lezen dat voor het Woord van God geen schepsel onzichtbaar is (Hb 4:12-1312Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.13En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.). Voor hen die tot het Woord, dat is tot de Zoon, de toevlucht nemen, is het Woord, is Hij, een schild. Als wij worden getest in ons geloof, zullen Gods Woord en Zijn beloften een schild en bescherming blijken te zijn. Het is veilig om bij Hem te schuilen, wat we doen als we Zijn Woord lezen en bewaren (Ps 18:3131Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEERE is gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
)
.

Het vertrouwen waarover in vers 55Ieder woord van God is gelouterd,
Hij is een schild voor hen die tot Hem de toevlucht nemen.
wordt gesproken, wordt gevolgd door een waarschuwing in vers 66Voeg niets toe aan Zijn woorden, anders zal Hij u straffen,
omdat u een leugenaar zou blijken te zijn.
om niets toe te voegen aan de woorden van God (Dt 4:22U mag aan het woord dat ik u gebied, niets toevoegen en er [ook] niets van afdoen, opdat u de geboden van de HEERE, uw God, die ik u gebied, in acht neemt.; 12:3232Dit alles wat ik u gebied, moet u nauwlettend in acht nemen. U mag er niets aan toevoegen en er [ook] niets van afdoen.; Op 22:18-1918Ik betuig aan een ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand aan deze dingen toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn;19als iemand van de woorden van het boek van deze profetie afneemt, zal God zijn deel afnemen van de boom van het leven en uit de heilige stad, van de dingen die in dit boek beschreven zijn.). Deze tendens is maar al te vaak aanwezig. Het Woord hoeft niet te worden gecontroleerd op fouten en op volledigheid. Het is foutloos en compleet. Wat als zuiver is bewezen, wordt door een toevoeging onzuiver.

Wie toevoegt, is verwaand en dicht zichzelf goddelijkheid toe. Elke toevoeging van vreemde elementen maakt het onzuiver. Wie dat doet, bewijst dat hij een leugenaar is, iemand die niet in de waarheid staat. Toevoegingen zien we bijvoorbeeld als menselijke geschriften over de Bijbel in de praktijk hetzelfde gezag als de Schrift krijgen of zelfs over de uitleg van de Bijbel gaan heersen. Van het laatste is de (theïstische) evolutietheorie een voorbeeld.


Het gebed van Agur

7Twee dingen heb ik van U gevraagd,
onthoud ze mij niet, voordat ik sterf:
8Houd valsheid en leugentaal ver van mij.
[En:] geef mij geen armoede of rijkdom,
voorzie mij van het mij toegewezen deel [aan] brood.
9Anders zou ik, verzadigd,
[U] verloochenen en zeggen: Wie is de HEERE?
of anders zou ik, arm geworden, stelen,
en de Naam van mijn God aantasten.

Na Gods openbaring in de schepping (vers 44Wie is er naar de hemel opgestegen en [vandaar] neergedaald?
Wie heeft de wind in zijn handen verzameld?
Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?
Wie heeft alle einden der aarde vastgesteld?
Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam van Zijn Zoon, u weet het immers?
)
en Zijn Woord (verzen 5-65Ieder woord van God is gelouterd,
Hij is een schild voor hen die tot Hem de toevlucht nemen.
6Voeg niets toe aan Zijn woorden, anders zal Hij u straffen,
omdat u een leugenaar zou blijken te zijn.
)
komt het gebed (vers 77Twee dingen heb ik van U gevraagd,
onthoud ze mij niet, voordat ik sterf:
)
. Woord en gebed gaan altijd samen. Agur heeft zijn absolute vertrouwen in Gods Woord uitgesproken. Nu richt hij zich in gebed tot God. Hij leeft met de God Die hij vertrouwt en bij Wie hij schuilt. Door zijn gebed neemt hij de positie in van iemand die afhankelijk is van God. Hij heeft geen vertrouwen in zichzelf, maar alle vertrouwen in God. In dat vertrouwen bidt hij een kort en krachtig gebed.

Hij heeft “twee dingen” gevraagd. Die zal hij zo noemen, maar eerst vraagt hij of God hem die twee dingen niet wil onthouden voordat hij sterft. “Voordat ik sterf”, wil zeggen zolang ik leef. Door het zo te zeggen laat Agur zien dat hij leeft in het besef dat het leven op aarde eindig is, en ook dat het aankomt op volharding tot het einde. Ook houdt de gedachte aan sterven in dat hij zich bewust is van het feit dat hij verantwoording zal moeten afleggen over de dingen die hij in zijn leven heeft gedaan. Agur wil tot eer van God leven en niet door Hem veroordeeld worden.

Uit wat Agur in de verzen 8-98Houd valsheid en leugentaal ver van mij.
[En:] geef mij geen armoede of rijkdom,
voorzie mij van het mij toegewezen deel [aan] brood.
9Anders zou ik, verzadigd,
[U] verloochenen en zeggen: Wie is de HEERE?
of anders zou ik, arm geworden, stelen,
en de Naam van mijn God aantasten.
zegt, blijkt grote zelfkennis. Hij is zich bewust van gevaren om te zondigen. In de eerste plaats erkent hij het gevaar van “valsheid” in zijn hart en “leugentaal” in zijn mond (vers 8a8Houd valsheid en leugentaal ver van mij.
[En:] geef mij geen armoede of rijkdom,
voorzie mij van het mij toegewezen deel [aan] brood.
)
. Hier gaat het over de gezindheid, het innerlijk, de motieven. Het gaat over zonde en leugen waardoor de zonde tot uiting komt, over valsheid in denken en leugen in spreken.

Zijn gebed is dat God dat ver van hem zal houden. Hij heeft in vers 66Voeg niets toe aan Zijn woorden, anders zal Hij u straffen,
omdat u een leugenaar zou blijken te zijn.
aan zijn kinderen of leerlingen Ithiël en Uchal voorgehouden dat ze niets aan Gods Woord moeten toevoegen, opdat ze geen leugenaar zouden blijken te zijn. Nu erkent hij zelf zijn zwakheid en neiging tot zondigen en vraagt God hem niet in verzoeking te leiden, maar hem te bewaren voor de boze en zijn invloeden (Mt 6:1313En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.). Wie anderen waarschuwt, moet wel bidden dat hij zelf bewaard blijft voor het kwaad waarvoor hij anderen waarschuwt.

Agur erkent dat alleen Gods genade hem hiervoor kan bewaren. Hij weet dat hij tot valsheid en leugentaal in staat is en dat hij in zichzelf geen kracht heeft zich daartegen te verzetten. Maar bij God is die kracht wel aanwezig. Zo vindt hij rust in God met betrekking tot deze gevaren.

Er zijn ook nog andere gevaren, gevaren die meer in de omstandigheden liggen waardoor de motieven of het karakter gevaar kunnen lopen (vers 8b8Houd valsheid en leugentaal ver van mij.
[En:] geef mij geen armoede of rijkdom,
voorzie mij van het mij toegewezen deel [aan] brood.
)
. Hij wil graag evenwicht in zijn materiële omstandigheden. Hij zoekt geen grote dingen in het leven. Concreet vraagt hij of God hem geen armoede en ook geen rijkdom wil geven. Wat hij graag wil, is dat God hem voorziet van het hem “toegewezen deel [aan] brood”.

Het toegewezen deel is het dagelijks brood, wat dagelijks nodig is. Het komt overeen met wat de Heer Jezus Zijn discipelen heeft leren bidden: “Geef ons vandaag ons toereikend brood” (Mt 6:1111Geef ons vandaag ons toereikend brood.). Meer is rijkdom, minder is armoede (vgl. 1Tm 6:88Hebben wij echter voedsel en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn.). Het gaat Agur niet om armoede of rijkdom op zich, want God kan rijk en arm maken, maar om wat ermee samenhangt, waar het toe kan brengen. Daarover spreekt hij in vers 99Anders zou ik, verzadigd,
[U] verloochenen en zeggen: Wie is de HEERE?
of anders zou ik, arm geworden, stelen,
en de Naam van mijn God aantasten.
.

Agur verlangt naar de gelukkigste manier van leven. Armoede en rijkdom hebben beide hun gevaren. Hij wil vrij zijn van de zorgen die aan armoede verbonden zijn en hij wil niet kwetsbaar zijn voor verzoekingen die aan rijkdom verbonden zijn. Vrijwaring van beide gevaren ziet hij als de beste manier om God te dienen.

Hij geeft geen voorschrift, alsof dit de enige manier is waarop iemand gelukkig kan zijn en God kan dienen. God kan iemand rijk maken. Dan mag zo iemand God met zijn rijkdom dienen. Als God iemand arm maakt, mag hij in zijn omstandigheden op God vertrouwen. Paulus heeft in zijn leven geleerd met beide omstandigheden om te gaan (Fp 4:1212Ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; in elk opzicht en in alles ben ik ingewijd, zowel in verzadigd zijn als in honger lijden, zowel in overvloed hebben als in gebrek lijden.).

In vers 99Anders zou ik, verzadigd,
[U] verloochenen en zeggen: Wie is de HEERE?
of anders zou ik, arm geworden, stelen,
en de Naam van mijn God aantasten.
zegt hij wat de gevaren van zowel rijkdom als armoede zijn. Als hij in een van beide gevaren terecht zou komen, zou dat hem tot zonde kunnen brengen. Daardoor zou zijn leven geen vrucht meer voortbrengen voor God. Hij lijkt dan op zaad dat tussen de dorens is gezaaid, waarover de Heer Jezus vertelt in de gelijkenis van de zaaier: Hij nu die tussen de dorens is gezaaid, die is het die het Woord hoort, en de zorg van het leven en het bedrieglijke van de rijkdom verstikken het Woord en het wordt onvruchtbaar” (Mt 13:2121hij heeft echter geen wortel in zichzelf, maar is [iemand] van het ogenblik; als nu verdrukking of vervolging komt om het Woord, dan wordt hij terstond ten val gebracht.). “Het bedrieglijke van de rijkdom” vinden we terug in “verzadigd”, en “de zorg van het leven” vinden we terug in “arm geworden”.

Agur onderkent dat hij gevaar loopt onafhankelijk van God te worden, Hem niet meer nodig te hebben en Hem daardoor te verloochenen als hij te veel heeft (Dt 8:11-1411Wees op uw hoede dat u de HEERE, uw God, niet vergeet, en daardoor Zijn geboden, Zijn bepalingen en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, niet in acht neemt.12Wanneer u eet, verzadigd wordt, goede huizen bouwt en [daarin] woont,13uw runderen en uw kleinvee talrijk worden en [ook] uw zilver en goud toeneemt, ja, alles wat u hebt, talrijk wordt,14[pas ervoor op] dat uw hart zich dan niet verheft en u de HEERE, uw God, vergeet, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft;). Hij zou daarmee doen alsof hij een opstandige ongelovige als de farao was, die ook zei: “Wie is de HEERE?” (Ex 5:22Maar de farao zei: Wie is de HEERE, naar Wiens stem ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de HEERE niet en ik zal Israël ook niet laten gaan.). De uitdagende vraag ‘Wie is de HEERE?’ houdt in dat iemand zich niet aan Hem verplicht voelt, zonder Hem kan leven en genoeg heeft aan zichzelf. De wens van Agur om niet te veel te hebben hangt samen met zijn omgang met de HEERE. In zijn denken draait het om God.

Het gevaar dat aan armoede is verbonden, ligt meer in het doen van wat verkeerd is. Armoede houdt de grote verleiding in om oneerlijk te zijn en te stelen. Je zult maar een knagende honger hebben en ergens iets eetbaars zien wat van een ander is. Je kunt jezelf daarbij ook voorhouden dat de ander het kan missen en jij het nodig hebt om te blijven leven. Misschien is het zelfs wel voor je kinderen die honger lijden. Dan lijkt het alleszins gerechtvaardigd. Maar stelen is nooit te rechtvaardigen, hoezeer er in geval van honger soms begrip voor op is te brengen (Sp 6:30-3130Men veracht een dief niet als hij steelt
om zijn mond te vullen, als hij honger heeft.
31Als hij gevonden wordt, vergoedt hij het zevenvoudig:
al het bezit van zijn huis moet hij geven.
)
.

Waarom is Agur bang om te stelen? Omdat hij anders in de gevangenis terechtkomt? Nee, hij is bang om te stelen omdat dan de Naam van God erdoor wordt aangetast. Agur stond bekend als een trouwe, Godvrezende gelovige. Wat voor smaad zou hij op de Naam van God werpen als hij zou stelen. Hij noemt God nadrukkelijk “mijn God”, wat aangeeft dat hij in een persoonlijke en levende relatie met Hem leeft. Daarom kan hij de gedachte niet verdragen dat hij zijn belijdenis van die Naam door een zondige daad zou aantasten. Om die reden vraagt hij God om hem niet in een dergelijke situatie van armoede te brengen. Evenals bij het gevaar van rijkdom zien we dat bij het gevaar van armoede het in zijn denken draait om God.

Agur is het zeldzame toonbeeld van iemand die zijn zwakheid kent en openlijk belijdt. Hij spreekt uit dat hij zichzelf niet vertrouwt. We zijn goed in staat om in algemene termen te praten en te zeggen dat de mens niet te vertrouwen is, maar het is nog iets anders om te zeggen: ‘Ik vertrouw mezelf niet.’ Agur vertrouwde zichzelf niet, maar hij vertrouwde God wel.

We hebben gezien dat Agur zijn eigen onwetendheid erkent (verzen 2-32Voorzeker, ik ben onverstandiger dan iemand [anders],3Ik heb geen wijsheid geleerd) en dat hij een beroep doet op Gods Woord voor de veiligheid in het leven (verzen 5-65Ieder woord van God is gelouterd,
Hij is een schild voor hen die tot Hem de toevlucht nemen.
6Voeg niets toe aan Zijn woorden, anders zal Hij u straffen,
omdat u een leugenaar zou blijken te zijn.
)
. Ook hebben we gezien dat hij bidt dat God hem zal bewaren voor het vallen in verzoeking (verzen 7-97Twee dingen heb ik van U gevraagd,
onthoud ze mij niet, voordat ik sterf:
8Houd valsheid en leugentaal ver van mij.
[En:] geef mij geen armoede of rijkdom,
voorzie mij van het mij toegewezen deel [aan] brood.
9Anders zou ik, verzadigd,
[U] verloochenen en zeggen: Wie is de HEERE?
of anders zou ik, arm geworden, stelen,
en de Naam van mijn God aantasten.
)
. Hij heeft gesproken over zijn onwetendheid, maar zijn beroep op Gods Woord en zijn gebed getuigen van grote wijsheid en kennis. Hierin is hij veel wijzer en heeft hij veel meer kennis dan de mens in het algemeen. Hij onderkent het gevaar van armoede en hij kent de ernstige gevaren van rijkdom, waarop de mens zo gemakkelijk vertrouwt en waardoor hij vergeet dat hij alles aan God te danken heeft.

Dit gebed doet denken aan dat van Jabez (1Kr 4:1010Jabez riep de God van Israël aan: Als U mij rijk zegent en mijn gebied uitbreidt, Uw hand met mij is en U het kwaad van mij wegdoet, zodat het mij geen droefheid brengt. En God liet komen wat hij gevraagd had.), maar dan als een tegenovergesteld gebed. Misschien moeten we toegeven dat we eerder geneigd zijn om het gebed van Jabez te bidden dan dit gebed van Agur.


Belaster een slaaf niet bij zijn heer

10Belaster een slaaf niet bij zijn heer,
anders zal hij u vervloeken en zult u schuldig zijn.

Van iemand die al geen voorrechten heeft, een slaaf, mag het leven niet nog zwaarder worden gemaakt door hem bij zijn heer te beschuldigen van dingen die hij niet heeft gedaan, met de hoop dat hij het nog zwaarder te verduren krijgt. De heer zal zo iemand daar ook niet voor bedanken. Hij zal hem, die dit kwaad probeerde aan te richten, het kwaad vergelden. Hij zal het laten terugkeren op zijn eigen hoofd in de vorm van een vervloeking en hem schuldig verklaren aan lastering.

In de geestelijke toepassing sluit dit vers goed aan op het gebed van Agur. Hij heeft voor zichzelf gebeden zonder daarbij anderen die niet zo zijn als hij bij God aan te klagen. Het komt hem niet toe te oordelen over de verhouding van iemand anders tegenover zijn Heer. Paulus wijst de gelovigen in Rome op de persoonlijke verhouding die ieder tot de Heer had (Rm 14:44Wie bent u, dat u andermans huisknecht oordeelt? [Of] hij staat of valt, [gaat] zijn eigen heer [aan]. En hij zal staande gehouden worden, want de Heer is machtig hem staande te houden.). De slaaf van een ander beoordelen betekent een treden in de rechten van zijn heer, wat voor ons betekent: de uitsluitende rechten van de Heer Jezus. Wij hoeven geen medeslaven bij de Heer Jezus aan te klagen (vgl. Fm 1:10-1110Ik doe een beroep op u aangaande mijn kind dat ik in mijn gevangenschap heb verwekt, Onésimus,11die u vroeger van geen nut was, maar nu <én> voor u én mij zeer nuttig is,; vgl. Dt 23:15-1615U mag een slaaf die bij zijn meester [wegloopt en] bij u redding zoekt, niet aan zijn meester uitleveren.16Hij mag bij u blijven, in uw midden, in de plaats die hij uitkiest, binnen een van uw poorten, waar hij het goed heeft. U mag hem niet uitbuiten.).


Vier afvallige generaties

11Er is een generatie die zijn vader vervloekt
en zijn moeder niet zegent,
12een generatie die rein is in zijn [eigen] ogen,
maar van zijn vuil niet gewassen is,
13een generatie – wat hebben zij een hoogmoedige oogopslag –
waarvan de wimpers opgetrokken zijn,
14een generatie waarvan de tanden zwaarden,
de hoektanden messen zijn,
om de ellendigen van de aarde
en de armen onder de mensen te verslinden.

Agur geeft in de verzen 11-3111Er is een generatie die zijn vader vervloekt
en zijn moeder niet zegent,
12een generatie die rein is in zijn [eigen] ogen,
maar van zijn vuil niet gewassen is,
13een generatie – wat hebben zij een hoogmoedige oogopslag –
waarvan de wimpers opgetrokken zijn,
14een generatie waarvan de tanden zwaarden,
de hoektanden messen zijn,
om de ellendigen van de aarde
en de armen onder de mensen te verslinden.15De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, Geef.
Deze drie dingen worden niet verzadigd,
vier zeggen niet: Het is genoeg.
16Het graf, een gesloten baarmoeder,
een land [dat] niet van water verzadigd is
en het vuur zeggen niet: Het is genoeg.17Een oog [dat] een vader bespot,
en de gehoorzaamheid aan de moeder veracht,
zullen de raven van de beek uitpikken,
de jongen van de arend zullen het opeten.18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk,
ja, vier zijn er die ik niet kan vatten:
19de weg van de arend in de lucht,
de weg van een slang op een rots,
de weg van een schip in het hart van de zee,
en de weg van een man bij een meisje.
20Zo is de weg van een overspelige vrouw:
zij eet, wist haar mond af
en zegt: Ik heb geen onrecht bedreven.21Onder drie dingen siddert de aarde,
ja, onder vier [die] ze niet kan dragen:
22onder een dienaar, als hij koning wordt,
onder een dwaas, als hij met brood verzadigd wordt,
23onder een gehate [vrouw], als zij gehuwd wordt,
en [onder] een slavin, als zij [de bezittingen van] haar meesteres erft.24Deze vier zijn het kleinst op aarde,
maar wijs zijn ze, wijs gemaakt:
25de mieren zijn een volk zonder kracht,
maar in de zomer bereiden ze hun voedsel,
26klipdassen zijn een volk zonder macht,
maar ze bouwen hun huis in de rots,
27de sprinkhaan heeft geen koning,
maar hij trekt gezamenlijk ordelijk op,
28een hagedis kunt u met beide handen grijpen,
maar hij zit in de paleizen van de koning.29Deze drie hebben een voorname tred,
ja, vier hebben een statige gang:
30een leeuw, de machtige onder de dieren,
voor niemand maakt hij rechtsomkeert,
31een ranke haan, of een bok,
en een koning met krijgsvolk bij zich.
zes keer een opsomming van vier dingen. Daarmee tekent hij de wereld zoals die na de zondeval functioneert. Hij begint met vier generaties die de kenmerken van de duivel, hun vader, hebben. Elk vers van de verzen 11-1411Er is een generatie die zijn vader vervloekt
en zijn moeder niet zegent,
12een generatie die rein is in zijn [eigen] ogen,
maar van zijn vuil niet gewassen is,
13een generatie – wat hebben zij een hoogmoedige oogopslag –
waarvan de wimpers opgetrokken zijn,
14een generatie waarvan de tanden zwaarden,
de hoektanden messen zijn,
om de ellendigen van de aarde
en de armen onder de mensen te verslinden.
begint met het Hebreeuwse woord dor, dat is “generatie”, een klasse van mensen die door bepaalde karaktertrekken worden gekenmerkt.

Agur neemt de kenmerkende karaktertrekken waar van de mensen die hem omgeven. De generaties zijn dus niet elkaar opvolgende geslachten. Ze kunnen zich bij wijze van spreken in het leven van één mens voltrekken. In de vier generaties die hij beschrijft, zien we trapsgewijs een toename van verdorvenheid. Het gaat van kwaad tot erger:

1. Opstand tegen het gezag, geen respect voor de ouders (vers 1111Er is een generatie die zijn vader vervloekt
en zijn moeder niet zegent,
)
.
2. Verblindheid met betrekking tot hun werkelijke morele toestand en hun zondige leven (vers 1212een generatie die rein is in zijn [eigen] ogen,
maar van zijn vuil niet gewassen is,
)
.
3. Arrogantie en hoogmoed (vers 1313een generatie – wat hebben zij een hoogmoedige oogopslag –
waarvan de wimpers opgetrokken zijn,
)
.
4. Agressiviteit en onderdrukking van de armen (vers 1414een generatie waarvan de tanden zwaarden,
de hoektanden messen zijn,
om de ellendigen van de aarde
en de armen onder de mensen te verslinden.
)
.

Het eerste kenmerk van een generatie die God niet erkent, is het verachtelijk verwerpen van het ouderlijk gezag (vers 1111Er is een generatie die zijn vader vervloekt
en zijn moeder niet zegent,
)
. Het zijn mensen die God niet vrezen en zich niets van het door Hem gegeven gezag aantrekken. Integendeel, dat vervloeken zij. Ze hebben geen natuurlijke liefde voor hun ouders, er is geen respect voor hen.

Zij vervloeken hun vader die hen heeft verwekt. Hun moeder, die hen heeft gedragen en teder heeft verzorgd, krijgt geen enkel woord van dank van hen. "Niet zegent" is een verzachtende uitdrukking, waarmee ook ‘vervloekt’ wordt bedoeld. Het is een van de kenmerken van de laatste dagen dat kinderen hun ouders ongehoorzaam zijn (2Tm 3:1-51Maar weet dit, dat er in [de] laatste dagen zware tijden zullen zijn;2want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedigen, lasteraars, [de] ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig,3liefdeloos, onverzoenlijk, kwaadsprekend, onbeheerst, ruw, zonder liefde tot het goede,4verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God.5Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af.). Wij zien de actualiteit ervan om ons heen.

Zonde begint in het gezin, in de houding tegenover de ouders. Het begin van alle afwijking is het afzweren van Gods gezag in de gezinsverhoudingen. We krijgen het gebod om onze ouders te eren omdat zij Gods instrumenten zijn geweest om ons te scheppen. Zonder hen zouden we niet bestaan. Het niet erkennen dat we ons leven te danken hebben aan onze ouders en dat we als gevolg daarvan verplicht zijn hen te eren, betekent dat we God niet als onze Schepper erkennen Die we verplicht zijn te prijzen. In onze wereld die vol is van ontwrichte families en gebroken gezinnen, klinkt deze spreuk als een vernietigende veroordeling.

Een generatie die Gods gezag door de ouders heeft afgezworen, beziet zichzelf als rein (vers 1212een generatie die rein is in zijn [eigen] ogen,
maar van zijn vuil niet gewassen is,
)
. Dit is het tweede kenmerk van een generatie die God niet erkent. De oorzaak is dat deze mensen niet van hun vuiligheid zijn gewassen. Dat betekent dat ze hun vuiligheid als reinheid zien. Hoe dwaas en blind is een dergelijke generatie. “Vuil” verwijst vaak naar lichamelijke onreinheid, maar hier is het morele bezoedeling (vgl. Zc 3:3-43Nu was Jozua in vuile kleren gekleed, terwijl hij voor het aangezicht van de Engel stond.4Toen nam Hij het woord en zei tegen hen die voor Zijn aangezicht stonden: Trek hem de vuile kleren uit! Daarop zei Hij tegen hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen en zal u feestkleren aantrekken.). Dit vuil is niet lichamelijk en kan ook niet met enig menselijk middel worden weggewassen (Jb 9:30-3130Als ik mij was met sneeuwwater,
en mijn handen zuiver met loog,
31dan dompelt U mij in de put,
en mijn kleren hebben een afschuw van mij.
; Jr 2:2222Want al zou u zich met loog wassen
en zou u zeep in overvloed gebruiken,
uw ongerechtigheid blijft een vlek voor Mijn aangezicht,
spreekt de Heere HEERE.
)
. Het vuil van de zonde kan alleen worden weggewassen door het bloed van het Lam en de Naam van de Heer Jezus en de Geest van God (Op 7:1414En ik zei tegen hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.; 1Ko 6:1111En dit waren sommigen [van u]; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd door de Naam van de Heer Jezus <Christus> en door de Geest van onze God.).

Deze mensen gaan er prat op dat ze de uiterlijke godsdienstige rituelen waarnemen, maar ze besteden geen enkele aandacht aan hun innerlijke reiniging (Lk 11:3939De Heer nu zei tot hem: Nu, u farizeeën, u reinigt de buitenkant van de drinkbeker en de schotel, maar uw binnenste is vol roof en boosheid.). Ze zijn druk met een reine buitenkant, maar blind voor hun verdorven innerlijk. Iedereen ziet het vuil behalve zijzelf. Ze zijn rein in hun eigen ogen en volkomen blind voor hun tekortkomingen (Lk 18:1111De farizeeër ging [daar] staan en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar.), maar God ziet de vuiligheid van buiten en van binnen.

Het is de generatie die beweert dat vuil niet meer vuil maar rein is. De openlijke promotie, proclamatie en acceptatie van homoseksuele uitingen en verbindingen, bijvoorbeeld door middel van de Gay Pride, is daarvan een van de duidelijkste voorbeelden. Als God en Zijn Woord uit beeld verdwijnen omdat ze eruit worden verwijderd, is de standaard verdwenen waaraan alles moet worden afgemeten. We moeten het origineel hebben om de afwijkingen te zien. Alleen de Heilige Geest kan ons overtuigen van zonde.

Wie rein is in eigen ogen (vers 1212een generatie die rein is in zijn [eigen] ogen,
maar van zijn vuil niet gewassen is,
)
, kijkt verachtelijk neer op anderen (vers 1313een generatie – wat hebben zij een hoogmoedige oogopslag –
waarvan de wimpers opgetrokken zijn,
)
, het derde kenmerk van deze generatie. Deze generatie straalt trots, arrogantie en brutaliteit uit. Met minachting kijken de mensen van deze generatie op hun naaste neer, terwijl ze zelf pronken als pauwen. Ze denken de show te stelen, terwijl ze zich in Gods oog verachtelijk maken. Het is een generatie van trotse mensen die op ieder die hen weerstaat hun minachting uitstort (vgl. Ps 131:11Een pelgrimslied, van David.
HEERE, mijn hart is niet hoogmoedig,
mijn ogen zijn niet trots,
ook wandel ik niet in [dingen]
die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.
)
.

Het vierde en laatste kenmerk van de mensen van die generatie is wreedheid (vers 1414een generatie waarvan de tanden zwaarden,
de hoektanden messen zijn,
om de ellendigen van de aarde
en de armen onder de mensen te verslinden.
)
. De beelden van de eerste helft van het vers symboliseren hun wrede roofzucht. Hun tanden zijn als zwaarden en hun hoektanden als messen. Het tweede deel van het vers laat zien wie hun slachtoffers zijn. Als een vraatzuchtig en gevoelloos beest openen ze hun verscheurende muil om “de ellendigen van de aarde en armen onder de mensen te verslinden” (Am 8:44Hoor dit, [u,] die de armen vertrapt, en [erop uit bent] om de zachtmoedigen van het land weg te doen,). Zij die andere mensen uitbuiten en vernietigen, zijn aan de beesten gelijk.

Het is een generatie zonder mededogen. De door deze mensen aangeprezen, hoog geroemde tolerantie is slechts vernis. Ze eisen die alleen voor zichzelf. Iedereen moet hen accepteren, maar zelf accepteren ze geen enkele andere mening. Er is geen spoortje barmhartigheid in hen aanwezig, maar slechts verscheurende bruutheid. We zien dat in het vermoorden van kinderen in de moederschoot en het vermoorden door euthanasie van ouderen of van ‘ondraaglijk en uitzichtloos’ lijdenden.

De mens meent door zijn geloof in de evolutietheorie dat hij een hoger ontwikkeld dier is. In werkelijkheid zakt hij steeds dieper weg en vervalt tot een gedrag dat alleen maar met dat van de meest wrede dieren te vergelijken is. Hij toont de karaktertrekken van een verscheurend dier. Hij overtreft dat dier zelfs in wreedheid, want hij handelt bewust en praat zijn gewelddadige, wrede gedrag goed door er een draai aan te geven dat het eigenlijk een weldaad is om zo te handelen. Het is de diepste vorm van verdorvenheid. Dat de mens het beeld is van de Schepper Die leven geeft en in stand houdt, is hier helemaal verdwenen. Elke relatie met Hem is verbroken. De mens is veranderd in een roofdier met als zijn model de satan, die een mensenmoordenaar van het begin af is.


Vier onverzadigbare dingen

15De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, Geef.
Deze drie dingen worden niet verzadigd,
vier zeggen niet: Het is genoeg.
16Het graf, een gesloten baarmoeder,
een land [dat] niet van water verzadigd is
en het vuur zeggen niet: Het is genoeg.

De vier hiervoor genoemde generaties (verzen 11-1411Er is een generatie die zijn vader vervloekt
en zijn moeder niet zegent,
12een generatie die rein is in zijn [eigen] ogen,
maar van zijn vuil niet gewassen is,
13een generatie – wat hebben zij een hoogmoedige oogopslag –
waarvan de wimpers opgetrokken zijn,
14een generatie waarvan de tanden zwaarden,
de hoektanden messen zijn,
om de ellendigen van de aarde
en de armen onder de mensen te verslinden.
)
zijn de bloedzuigers van vers 1515De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, Geef.
Deze drie dingen worden niet verzadigd,
vier zeggen niet: Het is genoeg.
. De bloedzuiger is het symbool van hebzucht. Hij zuigt bloed door middel van zijn zuignappen aan de beide uiteinden van zijn lichaam. Agur noemt hier de “twee dochters”, de een met de naam “Geef” en de ander ook met de naam “Geef”. De naam “Geef” is een ‘merknaam’ die je op elke vorm van hebzucht kunt plakken. Het gaat telkens om niets anders dan om de bevrediging van een begeerte die in werkelijkheid nooit bevredigd wordt. Altijd blijft de begeerte naar meer of anders bestaan.

De satan is de grote bloedzuiger. Hij zuigt het leven uit mensen weg. De instrumenten die hij daarvoor gebruikt, zijn de ‘twee dochters’ die ook bloedzuigers zijn. De uitdrukking “drie, … vier” (verzen 18,21,2918Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk,
ja, vier zijn er die ik niet kan vatten:
21Onder drie dingen siddert de aarde,
ja, onder vier [die] ze niet kan dragen:
29Deze drie hebben een voorname tred,
ja, vier hebben een statige gang:
)
is een Hebreeuwse zegswijze die aangeeft dat het niet om iets incidenteels gaat, maar om iets wat vaker voorkomt.

De “drie dingen” zijn de satan en zijn ‘dochters’. Dit kan worden toegepast op de zondige begeerten van een mens, want die zeggen nooit “het is genoeg”. De satan en zijn dochters zijn onverzadigbare bloedzuigers. Om het duistere wezen van de zondige, onverzadigbare begeerten van de mens te illustreren gebruikt Agur “vier” voorbeelden. Er is dus sprake van twee dochters, drie onverzadigbare dingen en vier dingen die nooit zeggen: “Het is genoeg.”

Het eerste voorbeeld van wat onverzadigbaar is, is “het graf” (vers 1616Het graf, een gesloten baarmoeder,
een land [dat] niet van water verzadigd is
en het vuur zeggen niet: Het is genoeg.
; Hk 2:55En ook omdat hij trouweloos handelt [bij] de wijn,
[en] een trots man is, maar hij zal niet slagen;
[hij] die zijn keel wijd openspert als het graf,
en net als de dood is, die niet verzadigd wordt,
[hij] die alle heidenvolken bij zich verzameld heeft,
en alle volken bij zich bijeengebracht heeft.
)
. Het graf is als een huis dat altijd openstaat en waar altijd plaats is als iemand is gestorven. Tallozen zijn ons sinds de zondeval voorgegaan. Nooit zal de deur dichtgaan met een bordje waarop staat: Vol. De deur van dat huis gaat pas dicht als de eeuwigheid aanbreekt en de dood en de hades in de poel van vuur zijn geworpen (Op 20:1414En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur.). Dat is niet omdat het graf vol is, maar omdat er niemand meer is die er nog in kan komen.

Het tweede voorbeeld is “een gesloten baarmoeder”. De baarmoeder van de vrouw neemt altijd weer het zaad op, maar de vrouw krijgt nooit de voldoening waarnaar zij verlangt: leven te geven aan een kind (Gn 30:11Toen Rachel merkte dat zij Jakob geen kinderen baarde, werd Rachel jaloers op haar zuster en zei tegen Jakob: Geef mij kinderen, en zo niet, dan sterf ik.; 1Sm 1:88Elkana, haar man, zei dan tegen haar: Hanna, waarom huil je, waarom eet je niet, en waarom is je hart verdrietig? Ben ik je niet meer [waard] dan tien zonen?). De baarmoeder staat daarmee gelijk aan het graf.

Het derde voorbeeld is een droog land. Dat “land, [dat] niet van water verzadigd is”, zal met de grootste gretigheid water opnemen en nooit zeggen dat het genoeg is (vgl. Ps 63:1-21Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was.2O God, U bent mijn God!
U zoek ik vroeg [in de morgen];
mijn ziel dorst naar U,
mijn lichaam verlangt naar U
in een land, dor en dorstig, zonder water.
)
. Uitgestort water is een symbool van het uitgieten van het leven, dat altijd maar doorgaat (2Sm 14:1414Wij zullen immers zeker sterven en als water zijn dat op de aarde wordt uitgegoten [en] dat niet [meer] verzameld kan worden. God neemt het leven echter niet weg, maar denkt plannen uit zodat de verstotene niet van Hem verstoten blijft.). Daardoor kan ook dit voorbeeld met de dood worden verbonden.

Het vierde voorbeeld is “het vuur”. Het vuur wordt nooit verzadigd van wat het kan verteren. Het vreet alles op wat het op zijn weg tegenkomt en gaat daarmee onverzadigbaar door zolang er iets is wat brandbaar is. Ook alles wat erin wordt gegooid, wordt door de vlammen opgevreten. Nooit bereiken vlammen een punt dat ze teruggeven wat erin werd gegooid omdat ze genoeg zouden hebben. Dit doet denken aan de hel, het eeuwige vuur, een vuur waaraan nooit een einde komt, dat altijd door blijft branden en tot in eeuwigheid niet verzadigd wordt.

Alleen de Schepper kan de diepste verlangens van een mens verzadigen, dat is een leven in gemeenschap met Hem. Alleen Hij kan de leegte van het hart dat Hij heeft geschapen, vullen door aan de begeerte naar Hem te voldoen.


Vader bespotten en moeder verachten

17Een oog [dat] een vader bespot,
en de gehoorzaamheid aan de moeder veracht,
zullen de raven van de beek uitpikken,
de jongen van de arend zullen het opeten.

Het is niet uitgesloten dat wie niet te verzadigen is, vervalt tot de laagste zonde, die van het bespotten en verachten van de ouders. Alsof zij de schuld ervan zijn dat zijn niet te verzadigen begeerten niet worden bevredigd. Hiermee keert Agur terug naar het eerste kenmerk van de generatie te midden waarvan hij leeft (vers 1111Er is een generatie die zijn vader vervloekt
en zijn moeder niet zegent,
)
. Hier spreekt hij over “een oog [dat] de vader bespot”. Het oog openbaart de innerlijke houding van het hart en dat oog is vol minachting. De minachting zit diep. Dat blijkt ook uit de verachting die er is voor “de gehoorzaamheid aan de moeder”. God let erop met welke ogen een kind naar zijn ouders kijkt.

De straf is in overeenstemming met de zonde. Het oog dat zo nadrukkelijk bespotting en verachting uitstraalt, zal eerst door “de raven van de beek” worden uitgepikt. Daarna zal het door “de jongen van de arend” worden opgegeten. Het oog uitpikken en opeten kunnen we letterlijk nemen. Het wijst op het sterven van een vroegtijdige dood, waarna het lichaam niet wordt begraven, maar aan de roofvogels wordt prijsgegeven. God zorgt ervoor dat deze vogels zich op de ogen van deze zondaar zullen storten. Dit oordeel bevestigt tevens dat zo iemand blind is voor God als Schepper. Deze strenge straf wordt toegepast op hem die met bespotting en verachting naar zijn ouders kijkt.


Vier ondoorgrondelijke dingen

18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk,
ja, vier zijn er die ik niet kan vatten:
19de weg van de arend in de lucht,
de weg van een slang op een rots,
de weg van een schip in het hart van de zee,
en de weg van een man bij een meisje.
20Zo is de weg van een overspelige vrouw:
zij eet, wist haar mond af
en zegt: Ik heb geen onrecht bedreven.

Agur kijkt nu naar de natuur, waarin veel dingen geweldig en tegelijk “te wonderlijk” ofwel onbegrijpelijk zijn (vers 1818Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk,
ja, vier zijn er die ik niet kan vatten:
)
. Het gaat vier keer om “de weg van” als een illustratie van de wegen die God in de schepping en met mensen gaat (Rm 11:33b33O diepte van rijkdom, zowel van [de] wijsheid als van [de] kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!). Agur haalt als een bloemlezing enkele voorbeelden aan. Wij weten dat God in Zijn Woord alleen opneemt wat voor ons belangrijk is. Wij mogen dus verwachten dat wij uit deze voorbeelden lessen kunnen leren. Niet dat die lessen ons altijd direct duidelijk zijn, maar dat is eigen aan het boek Spreuken. We moeten over dingen nadenken, ook over dingen waarvan we moeten zeggen “die zijn voor mij te wonderlijk” en waarvan we moeten erkennen “die ik niet kan vatten”.

Het is niet gemakkelijk om te ontdekken wat de vier dingen met elkaar gemeenschappelijk hebben (vers 1919de weg van de arend in de lucht,
de weg van een slang op een rots,
de weg van een schip in het hart van de zee,
en de weg van een man bij een meisje.
)
. Ze zijn met elkaar verbonden door het gebruik van het woord “weg” en ook door een gevoel van geheimzinnigheid en ondoorgrondelijkheid. Ze gaan alle vier een weg die niet is na te gaan. Als ze zich hebben laten zien, verdwijnen ze weer zonder een spoor achter te laten. Van de terreinen waar ze hun weg gaan, zijn er drie aardrijkskundig (lucht, land en zee) en één sociaal (huwelijksrelatie). De eerste drie dienen als illustraties van de vierde. De vierde is ook het grootste wonder.

Als we “de weg van de adelaar in de lucht” gadeslaan, komen we daarvan onder de indruk. Welke weg hij gaat, kunnen we niet van tevoren weten. En als hij die weg is gegaan, zien we er geen spoortje van terug. Hetzelfde geldt voor “de weg van de slang op een rots”. We kunnen kijken naar de snelle en doelgerichte beweging van een reptiel zonder voeten, maar we kunnen niet voorspellen welke weg hij over de rots neemt. Als hij in een spleet wegkruipt, heeft hij geen spoor nagelaten van de weg die hij is gegaan.

“De weg van een schip in het hart van de zee” is al net zo onvoorspelbaar. Er is geen afgebakend pad waardoor voorspelbaar is welke weg het schip gaat. Als het voorbijgevaren is en het water erachter weer tot rust is gekomen, is er geen spoor meer te ontdekken van de weg die het is gegaan. De bewegingen van deze drie zijn prachtig om te zien. Ze richten onze aandacht op de majestueuze en mysterieuze bewegingen in de lucht, op het land en op de zee.

Nadat de gebieden van lucht, land en zee aan bod zijn geweest, wordt onze aandacht gevestigd op “de weg van een man bij een meisje”. Hierin wordt het wonder van de aantrekkingskracht tussen een man en een vrouw en van de eenwording in de geslachtsgemeenschap aangeduid. Op welke manier een man liefde opvat voor een meisje, is een wonder dat vooraf niet beschreven kan worden. Als het zover is dat hij contact met het meisje zoekt, dan is het niet te voorspellen hoe dat zal gaan. Het gaat bij “de weg van een man bij een meisje” misschien wel vooral om het meest intieme deel van de huwelijksrelatie. Dat is volledig afgesloten van elke waarneming. Het is het geheim tussen twee mensen, waar niemand anders iets van weet.

We kunnen nog een geestelijke toepassing maken van de vier ‘wegen’ die hier worden beschreven. De weg van de arend in de lucht kunnen we verbinden aan de komst van de Zoon van God uit de hemel om op aarde God te verklaren. Het ziet ook op Zijn weg terug naar de hemel. Dat is voor de natuurlijke mens niet te vatten (Jh 6:60-6360Velen dan van Zijn discipelen die dit hadden gehoord, zeiden: Dit woord is hard, wie kan het aanhoren?61Jezus nu wist bij Zichzelf dat Zijn discipelen daarover mopperden, en Hij zei tot hen: Valt u hierover?62[Wat] dan, als u de Zoon des mensen ziet opvaren waar Hij tevoren was?63De Geest is het Die levend maakt; het vlees heeft geen enkel nut. De woorden die Ik tot u heb gesproken, zijn geest en zijn leven.).

Ook de weg van de slang op de rots is niet te begrijpen. Wat is de weg die de slang, de duivel (Op 12:99En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.), heeft gekozen om de schepping binnen te dringen die door de rechtvaardige God, Die een Rots en vrij van bedrog is (Dt 32:44Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.
)
, geschapen is? En wat is de weg die de slang voortdurend gaat en waarop hij zich beweegt in Gods schepping? Hoe is het mogelijk dat de boze voortdurend in Gods tegenwoordigheid kan komen om de broeders aan te klagen (Op 12:1010En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is de behoudenis gekomen en de kracht en het koninkrijk van onze God en het gezag van Zijn Christus; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht vóór onze God aanklaagde, is neergeworpen.; vgl. Jb 1:6-126Het gebeurde [op] een dag, dat de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam.7Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover.8De HEERE zei tegen de satan: Hebt u [ook] acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is Godvrezend en keert zich af van het kwaad.9Toen antwoordde de satan de HEERE en zei: Is het zonder reden dat Job God vreest?10Hebt Ú niet voor hem en voor zijn huis en alles wat hij heeft, een beschutting gemaakt? Het werk van zijn handen hebt U gezegend en zijn vee breidt zich [steeds verder] uit in het land.11Maar steek toch Uw hand uit en tref alles wat hij heeft. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen.12De HEERE zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht van de HEERE.; 2:1-61[Opnieuw] was er een dag, toen de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam om zijn opwachting te maken bij de HEERE.2Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover.3De HEERE zei tegen de satan: Hebt u [ook] acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is Godvrezend en keert zich af van het kwaad. Hij houdt nog steeds vast aan zijn vroomheid, hoewel u Mij tegen hem opgezet hebt om hem zonder reden te verslinden.4Toen antwoordde de satan de HEERE en zei: Huid voor huid! Alles wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.5Steek Uw hand maar eens uit en tref zijn beenderen en zijn vlees. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen.6En de HEERE zei tegen de satan: Zie, hij is in uw hand, maar spaar zijn leven.)? We zien de weg van de slang op de rots ook in de pogingen van de satan om de Heer Jezus, de Rots (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)), te verzoeken (Mt 4:1-111Toen werd Jezus naar de woestijn omhooggeleid door de Geest om verzocht te worden door de duivel.2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij ten slotte honger.3En de verzoeker kwam en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden moeten worden.4Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en liet Hem op de dakrand van de tempel staan6en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf dan naar beneden; want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij bevel geven aangaande U, en zij zullen U op [de] handen dragen, opdat U niet misschien Uw voet aan een steen stoot’.7Jezus zei tot hem: Er staat eveneens geschreven: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.8Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.11Toen verliet de duivel Hem; en zie, engelen kwamen bij Hem en dienden Hem.). Hij heeft in Christus geen spoortje achtergelaten, want hij vond niets in Hem (Jh 14:3030Ik zal niet veel meer met u spreken, want de overste van de wereld komt en heeft in Mij helemaal niets;).

In het schip in het hart van de zee kunnen we de gemeente zien te midden van de volken van de wereld. De gemeente is nu tweeduizend jaar door de volkenzee (Js 17:12-1312Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
)
gevaren. Al deze jaren heeft de boze geprobeerd de gemeente te verwoesten, om haar schipbreuk te laten lijden. Maar zij is dwars door alle pogingen heen op een voor ons onnavolgbare wijze bewaard gebleven (Mt 16:1818En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.), want God leidt haar. Gods weg met Zijn gemeente is in de zee (vgl. Ps 77:20-2120Uw weg was door de zee,
Uw pad door grote wateren,
en Uw voetstappen werden niet bekend.
21U leidde Uw volk als een kudde
door de hand van Mozes en Aäron.
)
.

De weg van een man bij een meisje brengt ons bij de weg van de Heer Jezus bij Zijn gemeente. De weg die Hij is gegaan om haar te bezitten, is onnavolgbaar. Hoe heeft Hij ons hart ingenomen, hoe hebben we het nieuwe leven gekregen? We kunnen dat niet nagaan (Jh 3:88De wind waait waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heengaat; zo is ieder die uit de Geest geboren is.), we kunnen het alleen maar constateren. Zijn liefde voor ons heeft Hem in het grootste lijden gebracht, in de angsten van Gethsémané en de verschrikkingen van het kruis, bovenal in de drie uren van duisternis, toen Hij tot zonde werd gemaakt en Zijn God Hem moest verlaten. We kunnen Hem daarvoor alleen maar aanbidden.

De wijze waarop Hij voortdurend met en voor Zijn gemeente bezig is, kunnen we ook niet nagaan. We weten dat Hij dat doet door Zijn Woord (Ef 5:25-2725Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven,26opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,27opdat Hij de gemeente voor Zich zou stellen, heerlijk, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn.), maar niet op een voor ons waarneembare wijze. Misschien zal Hij het ons vertellen en laten zien als we bij Hem zijn. Dan zullen wij kennen zoals ook wij gekend zijn (1Ko 13:1212Want wij kijken nu door een spiegel, wazig, maar dan van aangezicht tot aangezicht, nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen zoals ook ik gekend ben.).

In vers 2020Zo is de weg van een overspelige vrouw:
zij eet, wist haar mond af
en zegt: Ik heb geen onrecht bedreven.
wordt nog een weg beschreven. Deze weg staat in schril contrast met de weg van de liefde van het vorige vers. Het is “de weg van een overspelige vrouw”. Van haar ontrouw laat zij ook geen spoor na. We vinden hier weer de tegenstelling die heel Spreuken doortrekt, de tegenstelling tussen de Wijsheid en de dwaasheid, tussen de trouwe vrouw en de ontrouwe vrouw. Deze tegenstelling vinden we ook in Openbaring, tussen de vrouw van het Lam, de gemeente, en het grote Babylon, de grote hoer, de moeder van de hoeren (Op 17:1-61En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer die op vele wateren zit,2met wie de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en zij die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij.3En hij voerde mij weg in [de] Geest naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest dat vol namen van laster was [en] zeven koppen en tien horens had.4En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en versierd met goud en edelgesteente en parels, en had een gouden drinkbeker in haar hand, vol gruwelen en de onreinheden van haar hoererij.5En op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde.6En ik zag de vrouw dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. En toen ik haar zag, verwonderde ik mij met grote verwondering.; 21:9-119En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen.10En hij voerde mij weg in [de] Geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God11en de heerlijkheid van God had. Haar lichtglans was aan zeer kostbaar gesteente gelijk, als een kristalheldere jaspissteen.).

Dit laatste wijst erop dat we ook dit vers geestelijk kunnen toepassen. Het vers beeldt uit dat de liefde die Christus heeft geopenbaard voor de gemeente door de gemeente met ontrouw wordt beantwoord. We zien dat de christenheid op schrikbarende wijze steeds duidelijker ontrouw wordt aan Hem Die zij als haar Heer belijdt. Ze verbindt zich op de innigste manier met de wereld door allerlei wereldse methoden binnen te halen en Gods Woord aan te passen aan de visie van de moderne mens.

Dat dit vers direct na vers 1919de weg van de arend in de lucht,
de weg van een slang op een rots,
de weg van een schip in het hart van de zee,
en de weg van een man bij een meisje.
is geplaatst, verleent steun aan het idee dat het voorgaande vers is gericht op seksuele intimiteit in het huwelijk. De beelden dat zij eet en haar mond afveegt, zijn een bedekte aanduiding voor seksuele activiteit (vgl. Sp 9:1717Gestolen water is zoet,
en in het geheim [genuttigd] brood is aangenaam.
)
. Wat zij in haar ontrouw doet, is voor haar niet meer dan een etentje. Ze verwijdert alle sporen van de zonde die ze heeft bedreven en gaat weer verder met haar dagelijkse bezigheden alsof er niets is gebeurd

Het is verbijsterend dat mensen kunnen zondigen en vervolgens heel gemakkelijk een gevoel van schuld of verantwoordelijkheid van zich afschudden. Dit kan alleen doordat er een eeltige onverschilligheid is voor de wil van de Heer met betrekking tot seksualiteit.


Vier onverdraaglijke dingen

21Onder drie dingen siddert de aarde,
ja, onder vier [die] ze niet kan dragen:
22onder een dienaar, als hij koning wordt,
onder een dwaas, als hij met brood verzadigd wordt,
23onder een gehate [vrouw], als zij gehuwd wordt,
en [onder] een slavin, als zij [de bezittingen van] haar meesteres erft.

Het gemeenschappelijke element in de verzen 21-2321Onder drie dingen siddert de aarde,
ja, onder vier [die] ze niet kan dragen:
22onder een dienaar, als hij koning wordt,
onder een dwaas, als hij met brood verzadigd wordt,
23onder een gehate [vrouw], als zij gehuwd wordt,
en [onder] een slavin, als zij [de bezittingen van] haar meesteres erft.
is het onverdraaglijke. Agur geeft daarvan vier voorbeelden, die evenredig verdeeld zijn tussen de twee geslachten. Elk voorbeeld geeft het misbruik van macht en welvaart aan die zijn verkregen door personen die een positie gaan innemen of krijgen die ongepast voor hen is. Zij gaan in tegen de orde die God heeft ingesteld. Als Gods orde wordt omgedraaid, brengt dat siddering van de aarde teweeg (vers 2121Onder drie dingen siddert de aarde,
ja, onder vier [die] ze niet kan dragen:
)
. Dat kan ze niet dragen. Het maakt de hele samenleving instabiel. De handhaving van Gods orde bewerkt stabiliteit en vrede. Zo wil Hij dat alles in de gemeente “welvoeglijk en met orde”, dat wil zeggen met Zijn orde, gebeurt (1Ko 14:4040Maar laat alles welvoeglijk en met orde gebeuren.).

Het eerste voorbeeld is dat van “een dienaar, als hij koning wordt” (vers 22a22onder een dienaar, als hij koning wordt,
onder een dwaas, als hij met brood verzadigd wordt,
)
. Voor een dienaar is een plaats van regeren niet weggelegd. Als hij die plaats toch krijgt, wordt het een puinhoop in het land, want hij heeft er eenvoudig geen verstand van. Wie plotseling wordt verhoogd in zijn status, wordt een onverdraaglijke persoon. Alles begint te sidderen, want er is geen duidelijke regering meer aanwezig. Een dergelijke verandering schudt aan de orde van het leven. In de gemeente siddert ook alles wanneer iemand die zou moeten dienen, gaat heersen (3Jh 1:9-109Ik heb aan de gemeente <een en ander> geschreven; maar Diótrefes, die graag onder hen de eerste is, neemt ons niet aan.10Daarom zal ik, als ik kom, in herinnering brengen zijn werken die hij doet, terwijl hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermee niet tevreden neemt hijzelf de broeders niet aan en verhindert hen die het willen [doen] en werpt hen uit de gemeente.).

Het tweede voorbeeld is dat van “een dwaas, als hij met brood verzadigd wordt” (vers 22b22onder een dienaar, als hij koning wordt,
onder een dwaas, als hij met brood verzadigd wordt,
)
. Het is een luie dwaas. De dwaas sluit God per definitie buiten. Dat maakt hem tot dwaas. Zo’n man eten geven totdat hij er helemaal vol van zit, zet de orde van God op zijn kop. Iemand die niet wil werken, zal ook niet eten (2Th 3:1010Immers, toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen: Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten.). Geef je zo iemand wel te eten, dan zit hij niet alleen met een voldaan gevoel in zijn buik, maar ook met een vol gevoel van arrogante zelfvoldoening. Omdat hij verzadigd is, denkt hij er niet aan om aan het werk te gaan. Hij brengt zijn tijd door met het verkondigen en het verrichten van dwaasheden. Met zo iemand wordt de chaos alleen maar groter.

De derde persoon onder wie de aarde siddert, is “een gehate [vrouw], als zij gehuwd wordt” (vers 23a23onder een gehate [vrouw], als zij gehuwd wordt,
en [onder] een slavin, als zij [de bezittingen van] haar meesteres erft.
)
. Een gehate vrouw wil zeggen een vrouw aan wie niets aantrekkelijks is, ze heeft een slecht karakter. Dat blijkt zodra ze gehuwd is. Dan neemt zij de touwtjes binnen het gezin in handen. De macht die ze heeft, gebruikt ze niet ten goede, maar ten kwade. De verhoudingen in het gezin worden verstoord. Daaronder siddert de aarde.

De vierde persoon is “een slavin, als zij [de bezittingen van] haar meesteres erft” (vers 23b23onder een gehate [vrouw], als zij gehuwd wordt,
en [onder] een slavin, als zij [de bezittingen van] haar meesteres erft.
)
. Zij is vergelijkbaar met de dienaar die koning wordt in vers 22a22onder een dienaar, als hij koning wordt,
onder een dwaas, als hij met brood verzadigd wordt,
. De bezittingen die zij erft, bezorgen haar ineens een heel ander leven. Ze was een slavin, maar voelt zich door de erfenis ineens een meesteres. In plaats van te gehoorzamen geeft ze nu bevelen. Dat is niet te dragen door hen met wie zij vroeger haar meesteres diende.


Vier kleine, maar wijze dieren

24Deze vier zijn het kleinst op aarde,
maar wijs zijn ze, wijs gemaakt:
25de mieren zijn een volk zonder kracht,
maar in de zomer bereiden ze hun voedsel,
26klipdassen zijn een volk zonder macht,
maar ze bouwen hun huis in de rots,
27de sprinkhaan heeft geen koning,
maar hij trekt gezamenlijk ordelijk op,
28een hagedis kunt u met beide handen grijpen,
maar hij zit in de paleizen van de koning.

Wat de “vier” die “het kleinst op aarde” zijn, gemeenschappelijk hebben, is wijsheid (vers 2424Deze vier zijn het kleinst op aarde,
maar wijs zijn ze, wijs gemaakt:
)
. De vier kleine diertjes die Agur noemt, weten hoe ze met hun natuurlijke nadelen of beperkingen moeten omgaan om te overleven. Dit instinct is door de Schepper in deze diertjes gelegd. Hij heeft hen “wijs gemaakt”. Hoe groot is Zijn wijsheid! De mens is van nature geneigd om te bewonderen wat groot, sterk en indrukwekkend is. Hier zien we dat dit voor God niet zo is, ook niet in de schepping. Wij moeten de zwakke dingen in de schepping niet verachten, maar ervan leren. In Gods schepping manifesteert zich Gods wijsheid op verschillende manieren. Mensen kunnen daardoor de waarde van de wijsheid leren (Jb 12:77Maar vraag toch de dieren, en zij zullen je onderwijzen,
de vogels in de lucht, en zij zullen het je bekendmaken.
)
.

Deze diertjes zijn “zonder kracht” (vers 2525de mieren zijn een volk zonder kracht,
maar in de zomer bereiden ze hun voedsel,
)
, “zonder macht” (vers 2626klipdassen zijn een volk zonder macht,
maar ze bouwen hun huis in de rots,
)
, zonder “koning” (vers 2727de sprinkhaan heeft geen koning,
maar hij trekt gezamenlijk ordelijk op,
)
en zonder verdediging (vers 2828een hagedis kunt u met beide handen grijpen,
maar hij zit in de paleizen van de koning.
)
. Hetzelfde geldt voor de gemeente in de wereld. De gemeente is zwak, maar haar staat in Christus alle wijsheid ter beschikking (1Ko 1:26-29,3026Want kijkt naar uw roeping, broeders, dat er niet vele wijzen zijn naar [het] vlees, niet vele machtigen, niet vele aanzienlijken;27maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen,28en het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, <en> wat niets is, om wat iets is teniet te doen,29opdat geen vlees roemt voor God.30Uit Hem toch bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is: wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing;).

De wijsheid die in “de mieren” wordt tentoongesteld, betreft hun vooruitdenken en organisatievermogen om een voedselvoorraad voor later aan te leggen (vers 2525de mieren zijn een volk zonder kracht,
maar in de zomer bereiden ze hun voedsel,
)
. Dat de mieren een volk zonder kracht zijn, is voor hen geen excuus om lui te zijn. Ze weten hoe ze lichamelijk moeten overleven in de toekomst. IJverig zijn ze bezig met het bereiden van voedsel in de zomer, zodat ze in de winter te eten hebben.

Zij leren ons dat we toekomstgericht moeten leven (Sp 6:66Ga naar de mier, luiaard,
zie zijn wegen en word wijs.
)
. Zoals de mieren voedsel verzamelen met het oog op hun toekomstige behoeften, zo moeten wij Gods Woord als ons geestelijk voedsel niet alleen voor vandaag lezen, maar ook voor de toekomst. Dan kan de Heilige Geest daaruit op een bepaald moment gebruiken wat nodig is.

De rijke dwaas had ook veel goederen opgelegd voor vele jaren, maar dan op aarde. De toekomstige jaren waarvoor hij zoveel had verzameld, heeft hij nooit gezien omdat zijn toekomst voor hem alleen de aarde was (Lk 12:16-2116Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op;17en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.18En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen;19en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.20God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?21Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.).

De wijsheid van “de klipdassen” zien we in hun vindingrijkheid om een plaats van veiligheid te vinden en daar hun huis te bouwen (vers 2626klipdassen zijn een volk zonder macht,
maar ze bouwen hun huis in de rots,
)
. Ze weten hoe ze moeten overleven in een vijandige omgeving (Ps 104:18b18De hoge bergen zijn voor de steenbokken,
de rotsen zijn een toevluchtsoord voor de klipdassen.
)
. Hun veiligheid zoeken ze in de rotsen. Hun toestand is uiterst zwak, maar hun positie is heel sterk. Het leert ons dat ons besef van zwakheid en onvermogen ons naar de rots, dat is Christus (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)), moet brengen om daar ons huis te bouwen (Mt 7:24-2524Ieder dan die deze Mijn woorden hoort en ze doet, zal vergeleken worden met een wijs man, die zijn huis op de rots heeft gebouwd;25en de slagregen viel en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en beukten tegen dat huis; en het viel niet, want het was op de rots gegrondvest.).

De wijsheid van “de sprinkhaan” bestaat in de onderlinge ordelijke samenwerking die hen als een massale militaire divisie laat optrekken (vers 2727de sprinkhaan heeft geen koning,
maar hij trekt gezamenlijk ordelijk op,
)
. Hij weet hoe hij moet organiseren, hij heeft een opmerkelijk organisatietalent. Er is spontane eenheid en orde. Hij heeft geen koning of koningin zoals de bijen, maar “hij trekt gezamenlijk ordelijk op”, als een goed georganiseerd leger. Eén enkele sprinkhaan heeft geen kracht, je trapt hem zomaar dood. Maar in zwermen zijn sprinkhanen onoverwinnelijk en alles verwoestend (Ex 10:13-1513Toen strekte Mozes zijn staf uit over het land Egypte, en de HEERE bracht die hele dag en die hele nacht een oostenwind in het land. [En] het gebeurde, toen het morgen geworden was, dat de oostenwind de sprinkhanen meevoerde.14De sprinkhanen kwamen op over heel het land Egypte en streken neer op heel het gebied van de Egyptenaren, een zeer grote [zwerm]. Nooit eerder is er zo'n [zwerm] sprinkhanen geweest, en hierna zal er nooit [weer] zo een zijn,15want zij bedekten de oppervlakte van heel het land, zodat het land [erdoor] verduisterd werd. Zij vraten al het gewas van het land op en al de vruchten van de bomen die de hagel had overgelaten. Er bleef niets groens aan de bomen en aan het gewas van het veld in heel het land Egypte.; Js 33:44Dan zal uw buit verzameld worden, [zoals] zwermsprinkhanen zich verzamelen;
zoals sprinkhanen erop afstormen, stormt men erop af.
; Jl 2:2525Ik zal u de jaren vergoeden
die de veldsprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de zwermsprinkhaan en de treksprinkhaan hebben opgegeten,
Mijn grote leger,
dat Ik op u had afgestuurd.
; Op 9:1111Zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond; in het Hebreeuws is zijn naam Abaddon; en in het Grieks heeft hij [de] naam Apollyon.)
.

God heeft dat gezamenlijk optrekken in hen gelegd. De les voor ons is dat het gevoel van zwakheid ons als leden van de gemeente bij elkaar moet houden en dat we elkaar moeten versterken. We kunnen dat beleven in een plaatselijke gemeente als de onzichtbare Persoon, de Heilige Geest, haar kan besturen. Bij de Kolossenzen was dat het geval. Paulus kon tegen hen zeggen: Want al ben ik ook naar het lichaam afwezig, toch ben ik in de geest bij u en verblijd mij bij het zien van uw orde en de vastheid van uw geloof in Christus” (Ko 2:55Want al ben ik ook naar het lichaam afwezig, toch ben ik in de geest bij u en verblijd mij bij het zien van uw orde en de vastheid van uw geloof in Christus.). Zijn er vandaag ook nog plaatselijke gemeenten waar Hij dat tegen kan zeggen?

De wijsheid van “de hagedis” is zijn bekwaamheid om zelfs in de paleizen van koningen te komen (vers 2828een hagedis kunt u met beide handen grijpen,
maar hij zit in de paleizen van de koning.
)
. De zwakke, weerloze hagedis die je zomaar kunt grijpen, weet hoe hij in de best beveiligde, maar ook voornaamste, woningen kan komen, zoals “in de paleizen van de koning”.

Talloze christenen zijn in de loop van de kerkgeschiedenis gegrepen en afgemaakt zonder zich te verdedigen, maar ze hebben een woning bij God. Wie zwak is, mag weten dat hij een voorname en beveiligde plaats in Christus heeft. Gelovigen hebben een koninklijke waardigheid en zijn “medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God” (Ef 2:66en heeft [ons] mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus,). Met zijn zuignappoten kan de hagedis zich op de gladste oppervlakten voortbewegen. Hij kleeft er als het ware aan vast. Zo mag het geloof zich vasthechten in de woonplaats van God.


Vier met een voorname tred en een statige gang

29Deze drie hebben een voorname tred,
ja, vier hebben een statige gang:
30een leeuw, de machtige onder de dieren,
voor niemand maakt hij rechtsomkeert,
31een ranke haan, of een bok,
en een koning met krijgsvolk bij zich.

Om ons ervoor te bewaren dat we menen dat het kleine van de vorige verzen altijd beter is dan het grote, geeft Agur vier illustraties van statige schepselen. Het zijn allemaal leiders (vers 2929Deze drie hebben een voorname tred,
ja, vier hebben een statige gang:
)
. Het contrast met de vorige vier is duidelijk. Het zijn geen machteloze wezens waarmee je kunt doen wat je wilt, maar ze maken indruk. Ze bezitten leiderskwaliteiten. De manier waarop ze zich voortbewegen, heeft iets majestueus. Ze lopen met “een voorname tred” en “hebben een statige gang”. Eerst krijgen we drie voorbeelden uit de dierenwereld. Ze vormen de aanloop naar de vierde, de koning die krijgsvolk bij zich heeft. Het krijgsvolk vergroot de indruk van zijn majesteit.

Het eerste dier met een koninklijke uitstraling is “een leeuw”, de koning onder de dieren (vers 3030een leeuw, de machtige onder de dieren,
voor niemand maakt hij rechtsomkeert,
)
. “Voor niemand maakt hij rechtsomkeert.” Integendeel, iedereen gaat hem uit de weg en geeft hem ruim baan. Zijn manier van voortbewegen dwingt ontzag af. Er straalt kracht uit. Hij zal zijn pas niet versnellen om te vluchten, want hij kent geen angst voor wie dan ook. Door zijn kracht en majesteit illustreert hij Christus, “de Overste van de koningen van de aarde”, “de Leeuw uit de stam van Juda” (Op 1:55en van Jezus Christus, de trouwe Getuige, de Eerstgeborene van de doden en de Overste van de koningen van de aarde. Hem Die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door Zijn bloed,; 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.).

We zien bij “een ranke haan” (vers 3131een ranke haan, of een bok,
en een koning met krijgsvolk bij zich.
)
ook een koninklijke uitstraling als hij te midden van de kippen paradeert. We vinden er iets van terug in het Nederlandse gezegde ‘zijn haan kraait koning’ (= hij behaalt de overwinning). De haan kraait als de zon opkomt, bij het begin van een nieuwe dag. Het is een teken van een nieuw begin. We zien dat bij de verloochening door Petrus van de Heer Jezus. Toen de haan kraaide, schrok Petrus als het ware wakker en kreeg berouw over wat hij had gedaan (Mt 26:7575En terstond kraaide [de] haan. En Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, Die gezegd had: Voordat [de] haan kraait, zul je Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter.). Dat was het begin van de weg terug.

We kunnen de haan dan ook zien als een symbool van de aankondiging van de komst van de Koning. Christus zal in majesteit als Rechter verschijnen om de wereld te oordelen en Zijn vrederijk op te richten.

Ook de gang van “een bok” is statig. Met zijn kop fier omhoog loopt hij voor de kudde uit (Jr 50:88Vlucht weg uit het midden van Babel,
uit het land van de Chaldeeën.
Ga weg, wees als bokken
voor de kudde uit!
)
, hij gaat aan het hoofd ervan. De bok is bij uitstek het dier dat als zondoffer werd gebruikt. Het herinnert aan de Heer Jezus Die met koninklijke waardigheid naar Jeruzalem ging om als het zondoffer te sterven. Hij had Zich voorgenomen die weg te gaan en dat werk te doen en niemand kon Hem daarin tegenhouden (Lk 9:5151Het gebeurde nu, toen de dagen van Zijn opneming in vervulling gingen, dat Hij Zijn gezicht vastbesloten wendde om naar Jeruzalem te gaan.). Dat werk is de basis voor Zijn terugkeer naar de aarde, want door dat werk heeft Hij het recht op de schepping teruggekregen.

Christus komt terug naar de aarde als “een koning met krijgsvolk bij zich”. Een koning met krijgsvolk bij zich maakt grote indruk. Niemand durft zich tegen hem te verzetten en niemand kan tegen hem standhouden. Dat zal gebeuren wanneer Christus als Koning terugkomt met al Zijn volk bij Zich (Op 19:11-2111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.17En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.20En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.). Het is het volk dat Hij voor Zichzelf heeft geheiligd, waarvoor Hij het offer heeft gebracht. Dat volk mag met Hem regeren.


Druk brengt iets voort

32Als u dwaas gehandeld hebt door u te verheffen,
en als u het zich voorgenomen hebt: de hand op de mond!
33Want druk op de melk brengt boter voort,
druk op de neus brengt bloed voort,
druk van de toorn brengt onenigheid voort.

Agur eindigt niet met de waardigheid die in de vorige verzen is voorgesteld. Dat zou een mooi slot zijn geweest. Hij eindigt echter met een waarschuwing die een laatste oproep tot nederigheid is (verzen 32-3332Als u dwaas gehandeld hebt door u te verheffen,
en als u het zich voorgenomen hebt: de hand op de mond!
33Want druk op de melk brengt boter voort,
druk op de neus brengt bloed voort,
druk van de toorn brengt onenigheid voort.
)
. De voorbeelden in de verzen 30-3130een leeuw, de machtige onder de dieren,
voor niemand maakt hij rechtsomkeert,
31een ranke haan, of een bok,
en een koning met krijgsvolk bij zich.
gaan over leiders. Een dwaas kan daaruit een verkeerde les trekken en zich aanmatigen een leider te zijn (vers 3232Als u dwaas gehandeld hebt door u te verheffen,
en als u het zich voorgenomen hebt: de hand op de mond!
)
. Daarom klinkt de waarschuwing tegen hoogmoed in het hart (“verheffen”) en tegen slechte gedachten (“voorgenomen”).

Laat hij bij wie dit wordt gevonden zich snel realiseren dat dit dwaasheid is, en laat hij zijn hoogmoedige gedachten niet uiten (vers 3232Als u dwaas gehandeld hebt door u te verheffen,
en als u het zich voorgenomen hebt: de hand op de mond!
)
. Daarom, “de hand op de mond!” (vgl. Jb 40:4-54Hebt u een arm zoals God?
En kunt u zoals Hij met [uw] stem donderen?
5Tooi u nu met trots en hoogheid,
en bekleed u met majesteit en glorie.
)
. Bij Job is het de hand op de mond tegenover God. Bij Agur is het de hand op de mond in de onderlinge omgang. Het is erg om slecht te denken, het is nog erger om dat slechte ook uit te spreken. Als dit laatste gebeurt, wordt toegegeven aan de slechte gedachte en worden anderen daardoor beïnvloed.

Het zich verheffen en zich iets voornemen is nog niet de daad. Toch zegt Agur dat iemand “dwaas gehandeld” heeft als hoogmoed en slechte gedachten aanwezig zijn. Gedachten worden namelijk gelijkgesteld aan daden. De Heer Jezus bevestigt dat: ”Maar Ik zeg u, dat ieder die een vrouw aanziet om haar te begeren, al overspel met haar heeft gepleegd in zijn hart” (Mt 5:2828Maar Ik zeg u, dat ieder die een vrouw aanziet om haar te begeren, al overspel met haar gepleegd heeft in zijn hart.). Daarom moeten niet alleen verkeerde daden worden geoordeeld en beleden, maar ook slechte motieven en gedachten.

In vers 3333Want druk op de melk brengt boter voort,
druk op de neus brengt bloed voort,
druk van de toorn brengt onenigheid voort.
wordt in drie vergelijkingen voorgesteld wat het resultaat is als de hand niet op de mond wordt gedaan. We zien dat aan het woord “want” waarmee het vers begint. Als hij doorgaat met het uitvoeren van zijn hoogmoedige gedachten, veroorzaakt hij alleen maar onenigheid. In zijn aangematigd leiderschap zet hij anderen onder druk. Druk op iets leggen heeft een gevolg.

Als er druk op melk wordt uitgeoefend, als er krachtig in wordt geroerd, ontstaat er boter. De oorspronkelijke gezonde drank is niet meer drinkbaar. Als er druk op de neus wordt uitgeoefend, als iemand een klap op zijn neus krijgt, komt er bloed uit de neus. De oorspronkelijke functie van de neus, geuren opnemen, is uitgeschakeld. Er vindt integendeel bloedverlies plaats. Het laatste voorbeeld van druk is waar het daadwerkelijk om gaat. Iemand kan zo onder druk worden gezet, dat hij toornig wordt en er vervolgens ruzie ontstaat.

De voorbeelden maken de bedoeling van dit afsluitende advies duidelijk. Agur spoort ons aan om te streven naar vrede en harmonie door een gezindheid van nederigheid en gerechtigheid. Hij eindigt zijn spreuken met dezelfde gedachte als die waarmee hij is begonnen.


Lees verder