Spreuken
1 Een slecht of een goed geweten 2-5 Gevolgen als Gods gezag niet wordt erkend 6 Oprechtheid is beter dan slinkse wegen gaan 7 Een verstandige zoon of een zoon die te schande maakt 8 Oneerlijke bezitsvermeerdering 9 God is doof voor wie doof is voor Hem 10 In zijn kuil vallen of het goede erven 11 Wie wijs is in eigen ogen, wordt doorzien 12 Rechtvaardigen of goddelozen aan de macht 13-14 Belijden en vrezen 15-16 De tiran 17 Bloedschuld voert naar de kuil 18 Verlost worden of ten val komen 19-20 Resultaten van ijver en betrouwbaarheid 21 Partijdigheid leidt tot overtreding 22 Gierigheid leidt tot gebrek 23 Terechtwijzen is beter dan vleien 24-25 Hebzucht 26 Zelfvertrouwen of in wijsheid zijn weg gaan 27 Wie geeft, heeft geen gebrek 28 Goddelozen verschijnen, maar komen ook om
Een slecht of een goed geweten

1Goddelozen vluchten terwijl er geen vervolger is,
maar een rechtvaardige heeft [zelf]vertrouwen als een jonge leeuw.

“Goddelozen” kunnen wel een grote mond hebben, maar innerlijk zijn ze altijd bang. Ze hebben een schuldig geweten en zijn bang voor het oordeel. Ze vertrouwen niemand, zijn achterdochtig en slaan zelfs op de vlucht voor een denkbeeldig gevaar (vgl. Lv 26:3636En wie van u overgebleven zijn, zal Ik in de landen van hun vijanden angst inboezemen, zodat het geritsel van een opdwarrelend blaadje hen [al] opjagen zal. Zij zullen op de vlucht slaan alsof ze voor een zwaard op de vlucht slaan, en neervallen, terwijl niemand [hen] opjaagt.; Ps 53:6a6Daar zijn zij door angst bevangen,
[maar] er was niets angst[wekkends];
want God heeft de beenderen van uw belagers verstrooid.
U hebt hen te schande gemaakt,
omdat God hen heeft verworpen.
)
. Goddelozen blijven vluchten, want ze dragen hun slechte geweten altijd mee, waarheen ze ook gaan. Zonde maakt een mens tot een angsthaas.

“Maar een rechtvaardige” is zich bewust van de gunst van God en mensen. Hij heeft een zuiver geweten. Hij hoeft niet steeds weer over zijn schouder achterom te kijken of er ook iemand is die hem op de hielen zit om hem kwaad te doen. “Als een jonge leeuw” is hij vrij van vrees. Het “[zelf]vertrouwen” dat hij toont, ligt niet in zijn eigen kracht, maar in God. Een rechtvaardige gaat niet op de loop voor een denkbeeldige vijand, want die bestaat voor hem niet.

Het vers toont de verbinding aan tussen moed en een goed geweten en tevens het resultaat van een slecht geweten. “Want God heeft ons niet gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid” (2Tm 1:77Want God heeft ons niet gegeven een geest van bangheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid.). Wie zich door Gods Geest laat leiden, hoeft niet te vluchten. Elia, een rechtvaardige, stond als een man Gods met “[zelf]vertrouwen als een jonge leeuw” op de Karmel tegenover honderden valse profeten (1Kn 18:2222Toen zei Elia tegen het volk: Alleen ík ben overgebleven als profeet van de HEERE, maar de profeten van de Baäl zijn [met] vierhonderdvijftig man.).


Gevolgen als Gods gezag niet wordt erkend

2Vanwege de overtreding van het land heeft het veel vorsten,
maar door mensen met inzicht [en] kennis zal het [recht] duurzaam zijn.
3Een arme man die de geringen verdrukt,
is een regen die wegvaagt, zodat er geen brood is.
4Wie de wet verlaten, prijzen de goddelozen,
maar wie de wet in acht nemen, gaan met hen de strijd aan.
5Boosaardige lieden begrijpen het recht niet,
maar wie de HEERE zoeken, begrijpen alles.

Nationale zonden brengen nationale rampen. Als een land geen rekening houdt met God en Zijn Woord, is de oorzaak daarvan dat er geen Godvrezende heerser is. Het gevolg daarvan is dat de heersers elkaar in snel tempo opvolgen, want iedere heerser is alleen op zijn eigen belang uit (vers 22Vanwege de overtreding van het land heeft het veel vorsten,
maar door mensen met inzicht [en] kennis zal het [recht] duurzaam zijn.
)
. De periode van de richters met dertien richter en de dagen van het noordelijke koninkrijk van Israël met negen dynastieën zijn voorbeelden van politieke instabiliteit als gevolg van de zonde. Tijdens opstandige, roerige tijden heeft een volk veel machtsovernames en veel mensen die om de macht strijden.

Een volk krijgt de regering die het verdient. We zien dat niet alleen in koninkrijken, maar ook in landen met een zelfgekozen regering. De ene regering volgt de andere op, terwijl de regering die aftreedt het land in een grotere chaos achterlaat dan toen zij aantrad.

Maar als er “mensen met inzicht [en] kennis” in de regering zitten, “zal het [recht] duurzaam zijn”. Het gaat om inzicht en kennis in de wil van God. Als dat er is, zal er goed en ook “duurzaam”, dat is langdurig, geregeerd worden. Duurzaam recht betekent dat zodra zich kwade elementen openbaren die de rechtsorde bedreigen, dat kwade zal worden geoordeeld. Zodra dit wordt nagelaten, begint de cyclus van de vele vorsten die elkaar opvolgen opnieuw met als gevolg instabiliteit in het land. Als de rechtsorde rechtvaardig wordt gehandhaafd, vindt er niet keer op keer een wisseling van regering plaats. Dit komt de stabiliteit van een land zeer ten goede.

Het is wel heel tragisch als “een arme man” machtig wordt, als hij een heerser wordt, en in die positie “de geringen verdrukt” (vers 33Een arme man die de geringen verdrukt,
is een regen die wegvaagt, zodat er geen brood is.
)
. Een arme had op een plaats van gezag die hij krijgt door zijn ervaringen, een verkwikkende regen kunnen worden voor zijn vroegere lotgenoten. Niemand beter dan hij weet immers wat het is om ‘gering’ te zijn. Maar juist dan kan iemand de grootste minachting tonen tegenover hen onder wie hij zich vroeger bevond. Zijn verdrukking van de geringen houdt verraad in.

De tweede versregel laat door een vergelijking het resultaat van het gedrag van de machtig geworden arme man zien. Hij is “een regen die wegvaagt, zodat er geen brood is”. Regen moet tot zegen voor het gewas dienen, zodat de oogst goed wordt en er brood is, maar hij doet hier een verwoestend werk. Er ontstaat honger. Een heerser moet voor een weldadige samenleving zorgen (Ps 72:5-75Zij zullen U vrezen, zolang de zon en de maan er zijn,
van generatie op generatie.
6Hij zal neerdalen als regen op het gemaaide [veld],
als regendruppels die de aarde bevochtigen.
7In Zijn dagen zal de rechtvaardige tot bloei komen;
er zal grote vrede zijn, tot de maan er niet [meer] is.
)
en die niet door zware druk wegvagen (2Kr 10:10-1910De jonge mannen, die met hem waren opgegroeid, spraken tot hem: Dit moet u zeggen tegen dat volk dat tot u heeft gesproken:
Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt,
maar maakt u het voor ons lichter.
Dit moet u tegen hen zeggen: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader.11Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk [nog meer] toevoegen.
Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht,
maar ik [zal u] met schorpioenen [gehoorzaamheid bijbrengen].
12Toen kwam Jerobeam met heel het volk bij Rehabeam, op de derde dag, zoals de koning had gesproken: Kom op de derde dag bij mij terug.13En de koning gaf hun een hard antwoord, want koning Rehabeam verwierp de raad van de oudsten.14Hij sprak tot hen overeenkomstig de raad van de jonge mannen:
Ik zal uw juk zwaar maken,
ja, ík zal daaraan [nog meer] toevoegen.
Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht,
maar ik [zal u] met schorpioenen [gehoorzaamheid bijbrengen].15Dus luisterde de koning niet naar het volk. Deze ommekeer kwam namelijk van God, opdat de HEERE Zijn woord gestand zou doen dat Hij door de dienst van Ahia uit Silo tot Jerobeam, de zoon van Nebat, had gesproken.16Toen heel Israël [zag] dat de koning niet naar hen geluisterd had, gaf het volk de koning ten antwoord:
Wat voor deel hebben wij aan David?
[Wij hebben] geen erfelijk bezit met de zoon van Isaï.
Ieder naar uw tenten, Israël!
Zorg nu voor uw [eigen] huis, David!
En heel Israël ging naar zijn tenten.17Maar wat betreft de Israëlieten die in de steden van Juda woonden, over hen bleef Rehabeam koning.18Toen stuurde koning Rehabeam Hadoram, die over de herendienst [ging]. Maar de Israëlieten stenigden hem met stenen, zodat hij stierf. Koning Rehabeam had echter de moed om op de wagen te klimmen om naar Jeruzalem te vluchten.19Zo werden de Israëlieten afvallig van het huis van David, tot op deze dag.
)
.

Mensen die “de wet verlaten, zijn het goede zicht, Gods zicht, op de goddelozen kwijt (vers 44Wie de wet verlaten, prijzen de goddelozen,
maar wie de wet in acht nemen, gaan met hen de strijd aan.
)
. Zij zijn niet langer in staat om onderscheid tussen goed en kwaad te maken. Zij zijn ongehoorzaam aan Gods wet en krijgen daardoor bewondering voor hen die duidelijk God aan de kant hebben geschoven en hun eigen leven bepalen. In een samenleving waar goddelozen worden geprezen, is Gods Woord overboord gegooid. De vrije wil, alles zeggen wat je vindt en alles doen wat je wilt, is het hoogste goed geworden. Wie dat aanhangt, geeft de goddelozen complimenten voor hun goddeloosheid (vgl. Rm 1:3232die, hoewel zij de eis van het recht van God kennen – dat zij die zulke dingen bedrijven, [de] dood verdienen –, ze niet alleen doen, maar ook een welgevallen hebben aan hen die ze bedrijven.). Een voorbeeld is de seksuele omgang tussen mensen van hetzelfde geslacht.

Wie naar Gods Woord wil leven, zal daartegen de strijd aanbinden. Dat kan betekenen dat openlijk op het kwaad wordt gewezen. Het betekent in elk geval dat er niet wordt meegedaan aan het prijzen van de goddelozen. Dan wordt de strijd aangegaan met de heersende mening. Het gevolg hiervan is tegenstand.

Het “begrijpen van het recht” (vers 55Boosaardige lieden begrijpen het recht niet,
maar wie de HEERE zoeken, begrijpen alles.
)
hangt af van iemands gezindheid, niet van iemands intellect (vgl. Ps 119:100100Ik heb meer inzicht dan de ouderen,
omdat ik Uw bevelen in acht genomen heb.
; Jh 7:1717Als iemand Zijn wil doen wil, zal hij van deze leer erkennen of zij uit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek.)
. “Boosaardige lieden” zijn mensen die niet op God zijn afgestemd, maar op hun eigen boze aard. Zij zinnen op boosheid. Hun gedachten zijn bedorven. Daarom kunnen ze “het recht”, de wettelijke rechten van personen die door God zijn vastgelegd, niet begrijpen. Ze hebben er geen ‘antenne’ voor, want ze zijn verduisterd in hun verstand. Dit wordt duidelijk in het onrecht dat zij hun naaste aandoen.

Het woord “maar” aan het begin van de tweede versregel luidt de tegenstelling in met wat in de eerste versregel is gesteld. “De HEERE zoeken” betekent Hem naar Zijn wil vragen om die te doen (2Sm 21:11Er was een hongersnood in de dagen van David, drie jaar [lang], jaar na jaar, en David zocht het aangezicht van de HEERE. En de HEERE zei: Het is vanwege Saul en vanwege [zijn] huis, [dat beladen is] met bloed[schuld], omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.). We zoeken Gods wil als we Zijn Woord onderzoeken. Als we het Woord dichtlaten, zoeken wij Hem niet. De Geest doet ons Gods wil in Gods Woord vinden, begrijpen en uitvoeren. We “begrijpen alles” door de Geest Die in ons woont (1Jh 2:20,2720En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.27En wat u betreft, de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert; maar zoals Zijn zalving u over alles leert, en waar is en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, blijft u in Hem.). Willen we daarvan het volle nut in ons leven ondervinden, dan moeten we geestelijk gezind zijn, want dan kunnen we alle dingen beoordelen (1Ko 2:14-1514Maar [de] natuurlijke mens neemt niet aan wat van de Geest <van God> is, want het is hem dwaasheid, en hij kan het niet begrijpen, omdat het geestelijk beoordeeld wordt.15Maar wie geestelijk is, beoordeelt alle dingen, maar hijzelf wordt door niemand beoordeeld.).


Oprechtheid is beter dan slinkse wegen gaan

6Een arme die in zijn oprechtheid [zijn weg] gaat,
is beter dan wie slinkse wegen gaat, al is hij rijk.

Dit vers is weer een “beter dan” spreuk. De spreuk zegt dat eerlijke armoede beter is dan oneerlijke rijkdom. Er zijn zeker ook oneerlijke armen en eerlijke rijken. Het vers contrasteert alleen “een arme man” die “oprecht” is met iemand die “slinkse wegen gaat” en “rijk” is (Sp 19:11Beter een arme die in zijn oprechtheid [zijn weg] gaat,
dan iemand die verkeerd van lippen en bovendien een dwaas is.
)
. Het woord voor “wegen” suggereert dat de rijke ‘twee wegen’ gaat, nu eens naar rechts, dan weer naar links. Het betekent dat hij hypocriet is, dat hij op twee manieren handelt. Uiterlijk is hij godsdienstig, maar van binnen is hij verdorven en inhalig. Het ene moment hangt hij de godsdienstige mens uit, maar een ander moment handelt hij als een inhalig mens.

Oprechtheid is niet automatisch verbonden aan rijkdom als een bewijs van Gods waardering van die oprechtheid. Arm zijn bergt het gevaar in zich om oneerlijk of onoprecht te zijn. De arme die in zijn oprechtheid wandelt, geeft niet aan dat gevaar toe. Zijn wandel met God bewaart hem in zijn oprechtheid.

Rijkdom is niet automatisch een bewijs van Gods waardering. De rijke die slinkse wegen gaat, bewijst dat hij zijn rijkdom niet ziet als een gave van God. Zijn slinkse wegen zijn wegen zonder God. Hij wandelt niet met God, maar volgens zijn eigen verdorven opvattingen waarmee hij meent zijn rijkdom vast te houden en te vergroten.


Een verstandige zoon of een zoon die te schande maakt

7Wie de wet in acht neemt, is een verstandige zoon,
maar wie omgaat met hen die zich te buiten gaan, maakt zijn vader te schande.

Iemand die gehoorzaam is aan de wet, bewijst dat hij “een verstandige zoon” is. Zijn vader heeft hem het belang van het in acht nemen van de wet voorgehouden en voorgeleefd: de verstandige zoon heeft dat onderwijs ter harte genomen. Daardoor maakt hij verstandige keuzes en is hij een vreugde voor zijn vader.

Een zoon die “omgaat met hen die zich te buiten gaan” – bijvoorbeeld aan eten en drinken en seksualiteit –, heeft zich van het onderwijs van zijn vader niets aangetrokken. Hij heeft niet gezegd: “Ga weg van mij kwaaddoeners, zodat ik de geboden van mijn God in acht zal nemen” (Ps 119:115115Ga weg van mij, kwaaddoeners,
zodat ik de geboden van mijn God in acht zal nemen.
)
. In plaats daarvan heeft hij zijn eigen vrienden gekozen die op allerlei terreinen grensoverschrijdend bezig zijn. Hij is een losbol. Dit slechte gezelschap en dat liederlijke leven zijn tot groot verdriet van zijn vader, die hij door zijn gedrag ook nog eens “te schande” maakt. Hij werpt een smaad op zijn hele familie.


Oneerlijke bezitsvermeerdering

8Wie met rente en met winst zijn bezit vermeerdert,
brengt het bijeen voor hem die zich over armen ontfermt.

Het verband tussen de eerste en de tweede versregel lijkt te veronderstellen dat de bezitsvermeerdering het gevolg is van het plukken van de armen die bij hem hebben moeten lenen of kopen. Dit gezegde gaat ervan uit dat het bezit van iemand die het op een oneerlijke manier heeft verkregen, uiteindelijk zijn weg naar de armen zal vinden (vgl. Jr 17:1111Wie rijkdom verwerft, maar niet op rechtmatige [wijze],
is [als] een patrijs [die eieren] uitbroedt, maar [ze] niet heeft gelegd.
Op de helft van zijn dagen moet hij die achterlaten,
in zijn einde blijkt hij een dwaas te zijn.
; Jk 5:1-61Komaan dan, rijken, weent en jammert over de ellende die u zal overkomen.2Uw rijkdom is verrot en uw kleren zijn door de mot verteerd.3Uw goud en zilver is verroest en hun roest zal tot een getuigenis tegen u zijn en uw vlees als een vuur verteren. U hebt schatten verzameld in [de] laatste dagen.4Zie, het loon van de arbeiders die uw akkers geoogst hebben, dat door u is ingehouden, roept, en de kreten van de maaiers zijn gekomen tot de oren van [de] Heer Zebaoth.5U hebt in weelde en genotzucht geleefd op aarde; u hebt uw harten te goed gedaan op een slachtdag.6Veroordeeld, gedood hebt u de rechtvaardige; hij weerstaat u niet.)
. God zal daarvoor zorgen (Jb 27:16-1716Als hij zilver ophoopt als stof,
en kleding vervaardigt als leem,
17zal hij die vervaardigen, maar de rechtvaardige zal die aantrekken,
en de onschuldige zal het zilver verdelen.
; Pr 2:2626Want Hij geeft wijsheid, kennis en blijdschap aan de mens die goed is voor Zijn aangezicht. Aan de zondaar echter geeft Hij de bezigheid om te verzamelen en te vergaren, om het te geven aan wie goed is voor Gods aangezicht. Ook dat is vluchtig en najagen van wind.)
. Hij zal ervoor zorgen dat het in handen komt van iemand “die zich over armen ontfermt”.

De wet verbiedt het vragen van rente aan een naaste, een volksgenoot (Ex 22:2525Als u [iemand] van Mijn volk, [een] van de armen onder u, geld leent, dan mag u zich niet als een schuldeiser tegenover hem gedragen. U mag hem geen rente opleggen.; Lv 25:36-3736U mag geen rente of winst van hem nemen, maar u moet uw God vrezen, zodat uw broeder bij u in leven blijft.37U mag uw geld niet met rente aan hem lenen en u mag uw voedsel niet tegen winst geven.; Dt 23:19-2019U mag van uw broeder geen rente vragen: rente over geld, rente over voedsel [of] rente over enig ding waarover men rente betaalt.20Van de buitenlander mag u rente vragen, maar van uw broeder mag u geen rente vragen, opdat de HEERE, uw God, u zegent in alles wat u ter hand neemt in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen.; Ps 15:55Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.
Wie deze dingen doet,
zal niet wankelen, voor eeuwig.
)
. Als armen hulp nodig hadden, moesten de rijken het aan hen geven als weldadigheid. Ze mochten de benarde situatie van een andere Israëliet niet uitbuiten ten gunste van zichzelf.


God is doof voor wie doof is voor Hem

9Van hem die zijn oor afkeert van het luisteren naar de wet,
is zelfs zijn gebed een gruwel.

Gemeenschap met God vindt plaats door Zijn Woord en gebed. Door Zijn Woord spreekt God tot de mens en door het gebed spreekt de mens tot God. Als God spreekt, maar een mens luistert niet, zal God niet luisteren als die mens tot Hem spreekt. Luisteren betekent niet alleen horen, maar ook doen. Als iemand van zijn kant doof is voor onderwijs uit Gods Woord, zich daarvoor afsluit, zal God van Zijn kant doof zijn voor zijn gebed.

Het gebed zal zeker geen zuiver gebed zijn. God is daar niet alleen doof voor, maar het is een gruwel voor Hem. Wie weigert God te gehoorzamen, kan onmogelijk bidden volgens Gods wil. Mocht iemand toch de euvele moed hebben om in een houding van ongehoorzaamheid God iets te vragen, dan krijgt hij te horen dat God zijn gebed verwerpt (Js 1:1515En wanneer u uw handen uitspreidt,
verberg Ik Mijn ogen voor u;
ook wanneer u [uw] gebed vermeerdert,
luister Ik niet:
uw handen zitten vol bloed.
)
. Toen de oudsten van Israël bij Ezechiël kwamen om te vragen naar Gods wil, zei God dat Hij niet op hun vraag zou reageren, omdat ze niet hadden gehoorzaamd aan wat Hij eerder had verteld dat ze moesten doen (Ez 20:1-81Het gebeurde in het zevende jaar, in de vijfde [maand], op de tiende van de maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen om de HEERE te raadplegen, en zij gingen vóór mij zitten.2Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:3Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Komt u om Mij te raadplegen? [Zo waar] Ik leef, Ik laat Mij door u niet raadplegen, spreekt de Heere HEERE.4Wilt u hen berechten, wilt u hen berechten, mensenkind? Maak hun de gruweldaden van hun vaderen bekend,5en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Op de dag dat Ik Israël verkoos, hief Ik Mijn hand op voor het nageslacht van het huis van Jakob en in het land Egypte maakte Ik Mij aan hen bekend. Ik hief Mijn hand voor hen op [en] zei: Ik ben de HEERE, uw God.6Op die dag heb Ik Mijn hand voor hen opgeheven om hen uit het land Egypte te leiden naar een land dat Ik voor hen uitgezocht had, [een land] dat overvloeit van melk en honing. Het is een sieraad onder al de landen.7Daarop zei Ik tegen hen: Laat ieder de afschuwelijke [afgoden] waar hij tegen opkijkt, wegwerpen. U mag uzelf niet verontreinigen met de stinkgoden van Egypte. Ik ben de HEERE, uw God.8Maar zij zijn Mij ongehoorzaam geweest en wilden niet naar Mij luisteren. Men wierp de afschuwelijke [afgoden] waar men tegen opkeek, niet weg en verliet de stinkgoden van Egypte niet. Toen zei Ik dat Ik Mijn grimmigheid over hen zou uitstorten om Mijn toorn tegen hen ten uitvoer te brengen in het midden van het land Egypte.). Wie niet hoort, verdient het niet gehoord te worden. Natuurlijk is een gebed van berouw geen gruwel voor de Heer.


In zijn kuil vallen of het goede erven

10Wie oprechten doet dwalen op een verkeerde weg,
zal zelf in zijn kuil vallen,
maar wie oprecht zijn, zullen het goede erven.

Het oordeel is zeker voor “wie oprechten doet dwalen op een verkeerde weg”, dat wil zeggen die hen verleiden tot het doen van zonde. Het is voor God een groot kwaad om “oprechten”, zij die met Hem in verbinding staan, te laten struikelen (Mt 18:6-76Wie echter een van deze kleinen die in Mij geloven, een aanleiding tot vallen is, het zou nuttig voor hem zijn dat een molensteen om zijn hals werd gehangen en hij in de diepte van de zee zou zinken.7Wee de wereld vanwege de aanleidingen tot vallen! Want het is noodzakelijk dat de aanleidingen tot vallen komen; wee evenwel die mens door wie de aanleiding tot vallen komt!). De satan zal alles proberen om de oprechten te laten dwalen en hij heeft genoeg mensen die hij daarvoor kan gebruiken. De wereld heeft een enorm aanbod om oprechten te doen dwalen op een verkeerde weg. Dat gebeurt via advertenties en internet. Het kwaad van ontrouw in het huwelijk wordt ontkend, ‘een avontuurtje’ moet kunnen. De satan zal, samen met elk schepsel dat doet als hij, in de kuil vallen die hij en zij zelf hebben gegraven.

Maar als we “oprecht zijn” en blijven, worden we er niet alleen voor bewaard in de kuil van de dwaalleraar te vallen, maar we “zullen het goede erven”. God zal het goede als erfenis aan ons schenken. “Het goede” is alles wat God als beloning aan de Heer Jezus heeft gegeven en wat wij met Hem zullen mogen delen. We kunnen daarbij denken aan de goede dingen die we in het vrederijk zullen genieten.


Wie wijs is in eigen ogen, wordt doorzien

11Een rijk man is wijs in zijn [eigen] ogen,
maar een arme die inzicht heeft, doorziet hem.

Deze spreuk gaat weer over een contrast tussen “een rijk man” en “een arme”. In dit vers is de rijke man “wijs in zijn [eigen] ogen”. Hij is vervuld van eigenwaan. Hij ziet alleen zichzelf en denkt dat hij alles kan beoordelen. “Maar een arme die inzicht heeft, doorziet hem”; zo’n arme laat zich niets wijsmaken. De arme man ziet de gebreken van de rijke man, hij kijkt dwars door diens aanmatiging heen.

Rijkdom en wijsheid gaan niet vaak samen. Vaak is het zo, dat de rijkdom van de rijke hem blind maakt voor zijn geestelijke armoede. Hij gelooft dat zijn geld de waarde van zijn ziel bepaalt. Wie geld heeft, kan macht kopen en die ook laten gelden. Maar iemand die geen geld, maar wel inzicht heeft, doorziet hem; hij ziet dat hij slechts een verwaande kwast is, die niet is wat hij voorgeeft te zijn.

Rijkdom kan tot hoogmoed voeren (1Tm 6:1717Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten,). De wijsheid van de rechtvaardige is niet dat hij weet hoe hij zoveel mogelijk geld kan verdienen en zo snel mogelijk rijk kan worden. Zijn wijsheid is dat hij de onzekerheid van de rijkdom ziet en er niet op vertrouwt (Mt 6:1919Verzamelt u geen schatten op de aarde, waar mot en afvreter ze bederft en waar dieven inbreken en stelen;).


Rechtvaardigen of goddelozen aan de macht

12Als rechtvaardigen opspringen van vreugde, geeft het veel glans,
maar als goddelozen verschijnen, zijn mensen [ver] te zoeken.

Het contrast in dit vers is tussen de situatie dat “rechtvaardigen” triomferen en dat “goddelozen” aan de macht komen (Sp 11:1010Een stad springt op van vreugde over de welstand van de rechtvaardigen,
maar als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
)
. De gedachte is dat er veel vertrouwen bij de mensen is als de rechtvaardigen verheven zijn, als zij aan de macht zijn, als zij “opspringen van vreugde”. Zij hebben een positieve uitwerking bij de mensen. De rechtvaardigen geven glans aan de samenleving. De samenleving vaart er wel bij. Iedereen is blij en gelukkig, want er is een rechtvaardige verdeling van de lasten en een eerlijk delen van de voordelen.

“Maar als goddelozen verschijnen”, als zij aan de macht komen, is dat het einde van een vreedzame, gelukkige samenleving. Zij hebben een negatieve uitwerking bij de mensen. Wanneer de goddelozen machtig worden, wordt het stil op straat, want de mensen verschuilen zich uit vrees voor hen. We zien deze twee tegengestelde uitwerkingen in de regering van Mordechai (Es 8:1717En in elk gewest en in elke stad waar het woord van de koning en zijn wet was aangekomen, was er bij de Joden blijdschap en vreugde, [en waren er] maaltijden en vrolijke dagen. Velen uit de volken van het land werden Jood, omdat angst voor de Joden op hen was gevallen.) en die van de Midianieten (Ri 6:22Toen Midian de overhand kreeg over Israël, maakten de Israëlieten vanwege Midian voor zichzelf de holen gereed die in de bergen zijn, en de grotten en de bergvestingen.).


Belijden en vrezen

13Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn,
maar wie ze belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.
14Welzalig is een mens die voortdurend diep ontzag heeft [voor de HEERE],
maar wie zijn hart verhardt, valt in het kwaad.

Het contrast in vers 1313Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn,
maar wie ze belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.
– aangegeven door het woord “maar” – is tussen “wie zijn overtredingen bedekt” en “wie ze belijdt en nalaat”. De eerstgenoemde “zal niet voorspoedig zijn”, de laatste zal Gods “barmhartigheid verkrijgen”. Dit vers is uniek in het boek Spreuken. Het gaat over de waarheid van de vergeving. Elk deel van dit vers is essentieel voor deze waarheid. De vergeving door God wordt hier duidelijk gekoppeld aan een echte terugkeer tot God om bij Hem barmhartigheid in plaats van oordeel te vinden (Ps 32:1-51Een onderwijzing van David.
 Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven,
van wie de zonde bedekt is.
2Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is.3Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg,
onder mijn jammerklachten, de hele dag.
4Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij,
mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte. /Sela/5Mijn zonde maakte ik U bekend,
mijn ongerechtigheid bedekte ik niet.
Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEERE.
En Ú vergaf [mijn] ongerechtigheid, mijn zonde. /Sela/
; 1Jh 1:6-96Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij wandelen in de duisternis, dan liegen wij en doen de waarheid niet.7Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.8Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is niet in ons.9Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.)
.

Een ‘overtreding’ is het overschrijden van een grens, terwijl de grens duidelijk is aangeven. Toen David met Bathseba overspel pleegde, overtrad, overschreed, hij de grens die God om het huwelijk heen heeft getrokken. Eerst ‘bedekte’ hij die zonde en zweeg. Toen was hij “niet voorspoedig”. Zijn beenderen teerden weg en hij voelde Gods hand zwaar op zich drukken. Toen maakte hij zijn zonde bekend, hij beleed die en zei: “Mijn ongerechtigheid bedekte ik niet” (Ps 32:3-53Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg,
onder mijn jammerklachten, de hele dag.
4Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij,
mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte. /Sela/5Mijn zonde maakte ik U bekend,
mijn ongerechtigheid bedekte ik niet.
Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEERE.
En Ú vergaf [mijn] ongerechtigheid, mijn zonde. /Sela/
)
. Daarna kon hij zeggen dat God hem omringde “met vrolijke gezangen van bevrijding” (Ps 32:7b7U bent mijn schuilplaats, U beschermt mij voor benauwdheid,
U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. /Sela/
)
.

Het gevolg van ontvangen barmhartigheid na belijdenis van een zonde is “een voortdurend diep ontzag” (vers 1414Welzalig is een mens die voortdurend diep ontzag heeft [voor de HEERE],
maar wie zijn hart verhardt, valt in het kwaad.
)
voor de zonde. Diep ontzag voor de zonde lijkt meer de bedoeling van dit vers, dan diep ontzag voor de HEERE. Dat laatste is altijd waar, maar daarop ligt hier niet de nadruk. De woorden ‘voor de HEERE’ staan niet in de grondtekst, wat wordt aangegeven door de vierkante haken.

‘Diep ontzag’ is diepe vrees. Het is vrees voor de zonde, zoals Jozef de zonde vreesde (Gn 39:8-98Maar hij weigerde en zei tegen de vrouw van zijn heer: Zie, mijn heer neemt, met mij [naast zich], geen kennis [meer] van wat er in dit huis gebeurt, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven.9Niemand heeft meer aanzien in dit huis dan ik; en hij heeft mij niets onthouden dan [alleen] u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan dit grote kwaad kunnen doen en zondigen tegen God?), vrees voor de gevolgen die door de zonde ontstaan. Het is de vrees om in de zonde (terug) te vallen, het is diep ontzag of diepe vrees voor de kracht van de zonde. Het gaat erom dat die er voortdurend is. Die vrees zal er zeker zijn voor de zonde die we hebben moeten belijden (vers 1313Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn,
maar wie ze belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.
)
. Als we deze vrees hebben, zijn we “welzalig”, gelukkig, want dan zullen we de zonde mijden.

Dat we hier bij voorkeur aan vrees voor de zonde kunnen denken, blijkt ook uit de tegenstelling in de tweede versregel. Het vers stelt de mens die ‘altijd vreest’ tegenover “wie zijn hart verhardt”. Het is onvermijdelijk dat wie dit laatste doet, “valt in het kwaad”. Een diep besef van de zonde is een speciale genade. Wie geen vrees voor de zonde kent en zijn hart verhardt tegen de waarschuwingen daartegen, komt tot zonde en stort zichzelf en ook anderen in ellende.


De tiran

15Als een brullende leeuw en een jagende beer
is een goddeloze die over een arm volk heerst.
16Een vorst die gebrek aan inzicht heeft, [maakt zich] dikwijls [schuldig] aan afpersingen,
maar wie winstbejag haat, zal [zijn] dagen verlengen.

“Een brullende leeuw en een jagende beer” zijn ontzag inboezemende dieren die geen enkel mededogen kennen (vers 1515Als een brullende leeuw en een jagende beer
is een goddeloze die over een arm volk heerst.
)
. Ze volgen hun instinct en jagen op hun prooi. Als ze die eenmaal hebben, verscheuren ze die. Deze wrede dieren die angst aanjagen en hun prooi najagen, zijn het passende symbool voor “een goddeloze die over een arm volk heerst”. Politieke tirannen zijn net als deze dieren onberekenbaar, krachtig, ongevoelig, wreed, bloeddorstig en verscheurend. De meedogenloze wereldbeheersers die Daniël in een visioen ziet, worden ook als dieren voorgesteld (Dn 7:1-81In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, [had] Daniël op zijn bed een droom en kreeg visioenen voor ogen. Toen schreef hij de droom op. De kern van de zaken omschreef hij [als volgt]:2Daniël nam het woord en zei: Ik zag ’s nachts in mijn visioen, en zie, de vier winden van de hemel zweepten de grote zee op,3en vier grote dieren stegen op uit de zee, die van elkaar verschilden.4Het eerste was als een leeuw, met vleugels van een arend. Ik bleef kijken totdat zijn vleugels uitgerukt werden. Het werd van de aarde opgeheven, het werd als een mens op [zijn] voeten gezet en het werd een mensenhart gegeven.5En zie, een ander dier, het tweede, leek op een beer. Het richtte zich op naar één kant. Het had drie ribben in zijn muil, tussen zijn tanden. Men zei het volgende tegen het [dier]: Sta op, eet veel vlees.6Daarna zag ik, en zie, er was [nog] een ander [dier], als een luipaard. Het had vier vogelvleugels op zijn rug en het dier had vier koppen. En het werd heerschappij gegeven.7Daarna zag ik in de nachtvisioenen, en zie, het vierde dier was schrikwekkend, gruwelijk, en uitzonderlijk sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde, en de rest vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van al de dieren die ervoor geweest waren. En het had tien horens.8Terwijl ik op de horens lette, zie, een andere, kleine, horen rees daartussen op. Drie van de eerdere horens werden voor hem uitgerukt. En zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.). De armen lijden onder zulke tirannen omdat ze niet kunnen voldoen aan hun eisen (vgl. Pr 4:11Opnieuw zag ik al de onderdrukking die er onder de zon plaatsvindt. En zie, de tranen van de onderdrukten; zij hadden echter geen trooster. Aan de kant van hun onderdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen trooster.).

In deze “goddeloze” heerser zien we een beeld van de antichrist. Deze uiterst wrede heerser zal door de ongelovige massa van het Joodse volk na de opname van de gemeente als leider worden aanvaard. Deze goddeloze zal het bijzonder gemunt hebben op het gelovig overblijfsel, dat we zien in “een arm volk”. Maar zij zullen worden verlost door de ware David, wanneer Hij op aarde terugkomt. Zoals David “zowel leeuw als beer verslagen” heeft (1Sm 17:34-3634Toen zei David tegen Saul: Uw dienaar weidde de schapen van zijn vader, en kwam er een leeuw of een beer die een schaap van de kudde wegnam,35dan ging ik hem achterna, sloeg hem neer en redde het uit zijn bek. En als hij mij dan aanviel, greep ik hem bij zijn baard, sloeg hem neer en doodde hem.36Uw dienaar heeft zowel leeuw als beer verslagen. Zó zal deze onbesneden Filistijn zijn als een van hen, omdat hij de gelederen van de levende God gehoond heeft.), zo zal de Heer Jezus de goddeloze antichrist, die we hier in de leeuw en de beer zien, verslaan.

Een tiran heeft altijd “gebrek aan inzicht” (vers 1616Een vorst die gebrek aan inzicht heeft, [maakt zich] dikwijls [schuldig] aan afpersingen,
maar wie winstbejag haat, zal [zijn] dagen verlengen.
)
. Hij is verblind door machtswellust en handhaaft zijn macht door “afpersingen”. Zijn begeerte naar geld bepaalt zijn optreden. Hij perst mensen af, bijvoorbeeld door zware belastingen op te leggen. Daartegenover (“maar”) staat de rechtvaardige vorst. Dat is iemand die niet op eigen gewin uit is (Ex 18:2121Jij echter, jij moet [daarnaast] onder heel het volk omkijken naar bekwame mannen, godvrezende, betrouwbare mannen, [die] een afkeer hebben van winstbejag. Je moet leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien over hen aanstellen.). Hij is niet alleen niet uit op geld, maar is iemand die “winstbejag haat”. Die heerser “zal [zijn] dagen verlengen”. Hierin zien we weer de Heer Jezus, aan Wiens koningschap geen einde zal komen (Lk 1:32-3332Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,33en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.).


Bloedschuld voert naar de kuil

17Een door bloedschuld bezwaard mens zal naar de kuil vluchten,
weerhoud hem niet!

De eerste versregel luidt letterlijk: ‘Een man gekweld door het bloed van een leven.’ Het betreft een moordenaar die op de vlucht is. Hij is een “bezwaard mens”, wat wil zeggen dat hij een bezwaard gemoed ofwel een schuldig geweten heeft. Ook al blijft hij door zijn vlucht uit handen van de bloedwreker, zijn geweten blijft hem aanklagen. Zo eindigt zijn vlucht na kortere of langere tijd altijd in de kuil van het graf. Hieraan is niets te verhelpen. De broedermoordenaar Kaïn heeft dat begrepen (Gn 4:12-1412Als u de aardbodem bewerkt, zal die u zijn volle opbrengst niet meer geven; u zult dolend en dwalend over de aarde [gaan].13En Kaïn zei tegen de HEERE: Mijn misdaad is te groot om vergeven te worden.14Zie, U verdrijft mij heden van het aangezicht van de aardbodem en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn en dolend en dwalend over de aarde [gaan]; en het zal zo zijn dat al wie mij tegenkomt, mij zal doden.).

De tweede versregel zegt dat het niet goed is om te proberen een moordenaar te ondersteunen die op de vlucht is. Men moet zich niet met hem bemoeien, want het recht moet zijn loop hebben (Gn 9:66Vergiet iemand het bloed van de mens,
door de mens zal diens bloed vergoten worden;
want naar het beeld van God
heeft Hij de mens gemaakt.
)
.

Wel kan hem het evangelie worden gebracht, zodat hij door berouw en bekering rust voor zijn geweten krijgt. Dan is hij nog steeds op weg naar de kuil van het graf, want hij verdient de doodstraf, maar niet meer als vluchteling voor het terechte oordeel.


Verlost worden of ten val komen

18Hij die oprecht wandelt, zal verlost worden,
maar wie kromme wegen gaat, zal ineens ten val komen.

Hij die oprecht wandelt, kan door vijandige mensen bedreigd of door een ongeluk getroffen worden. Wie oprecht wandelt, wandelt met God. Er is geen andere mogelijkheid om oprecht te wandelen. Daarom weet hij dat God met hem is en hem uit de nood zal verlossen. Hij die oprecht wandelt, wandelt veilig.

De tweede versregel begint met “maar”, wat aangeeft dat er een contrast volgt met de vorige versregel. Er zijn twee contrasten in dit vers. “Hij die oprecht wandelt”, staat in contrast met “wie kromme wegen gaat”, en “zal verlost worden”, staat in contrast met “zal ineens ten val komen”. Wie kromme wegen gaat, wandelt onoprecht. Hij is oneerlijk en verdorven en erop uit zichzelf te bevoordelen ten koste van anderen. Met God houdt hij geen rekening. Daarom is er voor hem geen verlossing als hij in nood komt. En zijn nood zal plotseling komen, ineens komt hij ten val.


Resultaten van ijver en betrouwbaarheid

19Wie zijn land bewerkt, zal met brood verzadigd worden,
maar wie leeglopers navolgt, wordt met armoede verzadigd.
20Een betrouwbaar man heeft talrijke zegeningen,
maar wie erop aast om rijk te worden, zal niet voor onschuldig gehouden worden.

In vers 1919Wie zijn land bewerkt, zal met brood verzadigd worden,
maar wie leeglopers navolgt, wordt met armoede verzadigd.
is sprake van twee soorten verzadiging (Sp 12:1111Wie zijn land bewerkt, zal met brood verzadigd worden,
maar wie leeglopers navolgt, is [een mens] zonder verstand.
)
. Er is een verzadiging met brood en een verzadiging met armoede. “Met brood verzadigd worden” is het gevolg van ijverig je dagelijks werk doen, wat hier wordt aangeduid met “wie zijn land bewerkt”. Je krijgt je brood niet door een of ander wonder, maar je moet ervoor werken. Doe je dat, dan zul je tot verzadiging toe te eten hebben.

De tweede versregel begint weer met “maar”, wat aangeeft dat er een contrast volgt. Tegenover de ijverige werker staat iemand die “leeglopers navolgt”. Wie zoiets doet, laat zien hoe hij zelf is. Hij steekt geen hand uit, maar leeft op de zak van een ander. Zo af en toe heeft hij wat te eten, maar uiteindelijk wordt hij “met armoede verzadigd”. Wie zijn land bewerkt, heeft zijn broodtrommel, tafel en maag vol brood. Wie nalopers navolgt, heeft zijn broodtrommel, tafel en maag vol leegheid.

Het contrast is tussen degene die zich concentreert op zijn werk, en degene die zich laat afleiden en zijn tijd en energie besteedt aan niet-productieve activiteiten. Enige ontspanning en afleiding zijn op hun tijd nuttig, maar te veel ervan leidt tot armoede, zowel materieel als geestelijk.

Vers 2020Een betrouwbaar man heeft talrijke zegeningen,
maar wie erop aast om rijk te worden, zal niet voor onschuldig gehouden worden.
sluit aan op vers 1919Wie zijn land bewerkt, zal met brood verzadigd worden,
maar wie leeglopers navolgt, wordt met armoede verzadigd.
. De eerste versregel gaat over “een betrouwbaar man”, wat betekent dat hij onder andere ijverig aan het werk is en daarin trouw is. Hij heeft “talrijke zegeningen”. Door het contrast met de tweede versregel lijkt een van die talrijke zegeningen die van voldoende inkomen te zijn. Hij hoeft er niet op te azen om rijk te worden, hij is rijk door zijn trouw in zijn werk. Daardoor kan hij voor zijn gezin zorgen. Hij is ook in staat iets weg te geven aan de armen en vooral ook God Zijn deel te geven. Hij verheugt zich over Gods gunst. Trouw bepaalt succes.

Tegenover een betrouwbaar man staat “wie erop aast om rijk te worden”, ook wel te vertalen als ‘wie staat te popelen om rijk te worden’. Zo iemand bedient zich daarvoor van oneerlijke middelen. Dat kunnen we concluderen uit de woorden “zal niet voor onschuldig gehouden worden”. De gedachte is dat de eerste trouw is aan zijn verplichtingen aan God en aan andere mensen. De tweede, iemand die erop aast om rijk te worden, is bezig dat te doen zonder er ijverig voor te werken, maar door gebruik te maken van bedrog. Daarmee laadt hij niet alleen rijkdom op zich, maar vooral schuld. Hij zal voor zijn bedrog en wangedrag moeten boeten (1Tm 6:9-109Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.10Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.).


Partijdigheid leidt tot overtreding

21Het is niet goed partijdig te zijn,
want [dan] zal een man [al] overtreden om een stuk brood.

Partijdig zijn is niet goed, het mag niet (Lv 19:1515U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, u mag geen partij trekken voor de arme en de aanzienlijke niet voortrekken. Op rechtvaardige wijze moet u uw naaste oordelen.; Dt 1:1717U mag niet partijdig zijn in de rechtspraak: zowel de kleine als de grote moet u aanhoren. U mag voor niemand bevreesd zijn, want de rechtspraak behoort aan God. Maar de zaak die voor u te moeilijk is, moet u bij mij brengen en ik zal die aanhoren.; 16:1919U mag het recht niet buigen. U mag niet partijdig zijn en geen geschenk aannemen, want een geschenk verblindt de ogen van wijzen en verdraait de woorden van rechtvaardigen.; Sp 18:55Het is niet goed een goddeloze voor te trekken
en [het recht van] een rechtvaardige te buigen in het gericht.
; 24:2323Ook deze [spreuken] zijn voor de wijzen:
Het is niet goed partijdig te zijn in een rechtszaak.
)
. Iemand kan partijdig zijn omdat het een voornaam iemand betreft, of iemand die rijk is, of een familielid, of een vriend. De tweede versregel begint met het woord “want”, wat aangeeft dat de reden volgt van wat in de eerste versregel is gezegd. Partijdigheid bewerkt een oneerlijke beoordeling van een geschil. Als een rechter in een rechtszaak, of iemand die een geschil heeft met een ander, partijdig is, is hij omkoopbaar. Zijn motieven zijn onzuiver. Daardoor wordt hij al een overtreder als iemand hem een stuk brood aanbiedt om hem tot een valse uitspraak te bewegen. Zo gemakkelijk is hij om te kopen.

We kunnen dit toepassen op de predikers die het kerkvolk naar de mond praten om er zelf beter van te worden. Hier gaat het gezegde op: ‘Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.’ Mensen betalen graag predikers die toespraken houden die ze graag horen. Deze predikers zijn partijdig, ze kiezen voor de gunst van mensen in plaats van de gunst van God. Zij overtreden Gods Woord en verminken het voor een stuk brood.


Gierigheid leidt tot gebrek

22Wie zich haast naar bezit, is iemand die niemand iets gunt,
hij weet niet dat gebrek over hem zal komen.

Wie uit is op bezitsvermeerdering en zich daarvoor ook haast, is zo op zijn bezit gefixeerd, dat hij “niemand iets gunt” (letterlijk ‘een boos oog heeft’, vgl. Sp 23:66Eet niet het brood van hem die niemand iets gunt,
en wees niet belust op zijn smakelijke gerechten.
). De gedachte iemand iets te gunnen is voor hem verwerpelijk. Dan zou hij een dief zijn van zichzelf. Nee, nooit iemand iets gunnen. Wat je de ander gunt, zou jij wel eens kunnen missen en dus groeit je bezit dan niet.

Hij heeft een boos oog omdat zijn oog gericht is op de rijkdom van de wereld en niet op God en Zijn wil. Daardoor weet hij niet dat God hem voor zijn gierigheid zal straffen met “gebrek”. Hij zal zijn bezit niet kunnen vasthouden, maar kwijtraken als gevolg van wat God over hem brengt.


Terechtwijzen is beter dan vleien

23Wie een mens terechtwijst, zal later meer gunst vinden
dan wie met de tong vleit.

Iemand op zijn karakterfouten of op zijn foutieve handelingen of op zijn verantwoordelijkheid wijzen oogst niet vaak direct waardering. Er kan afwijzend of zelfs boos op worden gereageerd. Maar na verloop van tijd zal de gekwetstheid omslaan in waardering. Het zal doordringen dat de terechtwijzing terecht was en dat het luisteren ernaar zegen heeft gebracht. Het gaat hier niet om bemoeizucht of een kritische geest, maar om vermaning uit liefde met als doel helpen.

Een jonge gelovige vrouw die een vaste relatie had met een jonge ongelovige man werd op het verkeerde daarvan gewezen. De Schrift zegt dat een gelovige niet met een ongelovige onder een ongelijk juk mag gaan (2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?). Het is niet aangenaam iemand daarmee te confronteren en niet aangenaam daarmee geconfronteerd te worden. De zuster heeft de terechtwijzing geaccepteerd. Daarna is door Gods genade de man tot waarachtig, levend geloof in de Heer Jezus gekomen. Zij waren beiden heel dankbaar voor de terechtwijzing. Enige tijd later zijn ze getrouwd.

Als deze vrouw met haar verkeerde verbinding was gefeliciteerd, zou ze zich op dat moment mogelijk gevleid en gesteund hebben gevoeld in haar keus. Maar hoe dramatisch zou de ontwikkeling van de relatie dan zijn geweest. Een terechtwijzing in liefde aan de hand van Gods Woord brengt zegen voor wie terechtwijst en voor wie zich laat terechtwijzen. Wie met de tong vleit, stort anderen en zichzelf in het ongeluk.

Wie vleit, is uit op persoonlijk voordeel. In elk geval wil hij niet onaardig worden gevonden, wat wel kan gebeuren bij terechtwijzen. Als we mensen willen behagen, zullen we vleien; als we God willen behagen en gunst willen verwerven van mensen, zullen we terechtwijzen. God vleit geen mens, maar vermaant hem zich te bekeren. Wie naar Hem luistert en doet wat Hij zegt, vindt Zijn gunst.


Hebzucht

24Wie zijn vader of zijn moeder berooft en zegt: Het is geen overtreding,
die is een metgezel van een verderfelijk man.
25Wie hebzuchtig is, verwekt ruzie,
maar wie op de HEERE vertrouwt, wordt verzadigd.

Het gaat in vers 2424Wie zijn vader of zijn moeder berooft en zegt: Het is geen overtreding,
die is een metgezel van een verderfelijk man.
verder dan het niet voldoen aan de plicht om voor de ouders te zorgen (Sp 19:2626Wie [zijn] vader mishandelt, [zijn moeder] wegjaagt,
is een zoon die beschaamd maakt en schandelijk handelt.
)
. Er is sprake van iemand die “zijn vader of zijn moeder berooft” en dan ook nog zonder enig schaamrood of schuldgevoel durft te beweren: “Het is geen overtreding.” Is het mogelijk om nog dieper te zakken? De persoon over wie het hier gaat, is iemand bij wie de meest elementaire vorm van natuurlijke liefde is verdwenen, dat is de liefde voor de ouders. Het gezelschap waarin hij verkeert, is dat “van een verderfelijk man”.

Wie rooft van zijn ouders, ongeacht hoe hij het probeert te rechtvaardigen, is een verderver. Hij grijpt vooruit op wat hij bij hun overlijden zal erven. Daarop kan hij niet wachten. Hij wil proberen om voortijdig de controle over het bezit van zijn ouders te krijgen. Daarvoor maakt hij gebruik van een vorm van psychische druk of zelfs lichamelijk geweld. Zijn redenering is dat de erfenis op zekere dag toch van hem is. Niemand hoeft hem dus van een overtreding te beschuldigen.

Een dergelijk mens is geestelijk verwant aan de farizeeën die voor het beroven van vader en moeder ook listige methoden hadden uitgedacht (Mt 15:1-91Toen kwamen er tot Jezus farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem en zeiden:2Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de ouden?3Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten. Hij echter antwoordde en zei tot hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God ter wille van uw overlevering?4Want God heeft gezegd: ‘Eer uw vader en moeder’ en: ‘Wie vader of moeder vloekt, moet [de] dood sterven’.5Maar u zegt: ‘Wie tot zijn vader of moeder zegt: [Het is] een gave, wat u ook van mij ten nutte zou kunnen komen’, – die zal zijn vader <of zijn moeder> geenszins eren.6En u hebt [zo] het Woord van God krachteloos gemaakt ter wille van uw overlevering.7Huichelaars, treffend heeft Jesaja over u aldus geprofeteerd:8‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij vandaan;9en tevergeefs vereren zij Mij, door leringen te leren die geboden van mensen zijn’.; Mk 7:6-136Hij zei echter tot hen: Treffend heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven staat: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij vandaan;7en tevergeefs vereren zij Mij, door leringen te leren die geboden van mensen zijn’.8Terwijl u het gebod van God nalaat, houdt u de overlevering van de mensen.9En Hij zei tot hen: Treffend doet u het gebod van God teniet, opdat u uw overlevering bewaart.10Want Mozes heeft gezegd: ‘Eer uw vader en uw moeder’, en: ‘Wie vader of moeder vloekt, moet [de] dood sterven’.11Maar u zegt: ‘Als een mens tot zijn vader of zijn moeder zegt: [Het is] korban (dat is: een gave), wat u ook van mij ten nutte zou kunnen komen’, –12dan laat u hem niet meer toe iets voor zijn vader of zijn moeder te doen,13terwijl u het Woord van God krachteloos maakt door uw overlevering die u hebt overgeleverd; en vele dergelijke dingen doet u.). Zij zeiden tegen de mensen dat ze als een soort toverspreuk het woord “korban” moesten uitspreken over een geldbedrag dat feitelijk tot ondersteuning van de ouders diende. Daardoor werd dat geldbedrag heilig verklaard en was het geen zonde als het aan hen, de farizeeën, werd gegeven. Zo spekten deze verdorven lieden hun eigen zak. De Heer Jezus veroordeelt hen voor deze huichelarij in scherpe bewoordingen.

Vers 2424Wie zijn vader of zijn moeder berooft en zegt: Het is geen overtreding,
die is een metgezel van een verderfelijk man.
ziet op de sfeer van de familie, vers 2525Wie hebzuchtig is, verwekt ruzie,
maar wie op de HEERE vertrouwt, wordt verzadigd.
heeft betrekking op de hele maatschappij. “Wie hebzuchtig is” (vers 2525Wie hebzuchtig is, verwekt ruzie,
maar wie op de HEERE vertrouwt, wordt verzadigd.
)
, gelooft dat geluk verbonden is aan bezittingen. Daarom gaan daar al zijn verlangens naar uit en zet hij zich ervoor in zoveel mogelijk bijeen te schrapen. Hij is een grote egoïst en vaak ook meedogenloos. Om zijn hebzucht te bevredigen gaat hij over lijken. Waar hij ook komt, “verwekt” hij “ruzie”. Hij houdt met niemand rekening en denkt alleen aan zichzelf. Zijn houding en handelingen veroorzaken ruzie omdat mensen hem niet lang dulden.

Tegenover de onrust die door de eerste versregel heen klinkt, is de tweede versregel een oase van rust. Het woord “maar” leidt de tegenstelling in. “Wie op de HEERE vertrouwt” voor de tijdelijke en de eeuwige dingen, “wordt verzadigd”. Vertrouwen op de HEERE doet de hebzucht teniet. Er is geen behoefte aan meer aards bezit, er is geen ruimte voor hebzucht. God voorziet in alle behoeften van wie op Hem vertrouwt. Dat is de verzadiging die iemand vult. Voor de aardse omstandigheden is verzadiging het tevreden zijn met “voedsel en kleding” (1Tm 6:88Hebben wij echter voedsel en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn.).


Zelfvertrouwen of in wijsheid zijn weg gaan

26Wie op zijn hart vertrouwt, die is een dwaas,
maar wie in wijsheid [zijn weg] gaat, die zal ontkomen.

Een kenmerk van “een dwaas” is dat hij “op zijn hart vertrouwt”. Hij heeft er geen idee van dat het hart van een mens, ook het zijne, arglistig is (Jr 17:99Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
)
. Vol eigendunk rekent hij erop dat wat zijn hart hem ingeeft, hem het meeste voordeel zal opleveren. Daarom volgt hij de ingevingen van zijn eigen dwaze hart, zonder overleg met iemand anders te plegen en al helemaal niet met God. Dat is niet nodig, want hij weet immers zelf wat het beste is en hij weet het alleen. Dit vers veroordeelt en rekent af met aansporingen als ‘je moet eenvoudig je hart volgen’ of ‘doe wat je hart je ingeeft’.

Het woord “maar” geeft aan dat er een tegenstelling volgt met de dwaas die op zijn hart vertrouwt. Tegenover deze dwaas staat “wie in wijsheid [zijn weg] gaat”. Naar zo iemand kijkt God met welgevallen, want hij wandelt naar Zijn Woord en luistert naar het onderwijs ervan. Daardoor ontkomt hij aan de dwaasheid om de ingevingen van zijn eigen hart te volgen. Het zal hem bewaren voor de rampen en plagen die het onvermijdelijke deel zijn van de dwaas. Hij ontkomt daaraan, terwijl de dwaas daarin omkomt.


Wie geeft, heeft geen gebrek

27Wie aan de arme geeft, zal geen gebrek hebben,
maar wie zijn ogen toesluit, zal veel vervloekt worden.

Vrijgevigheid wordt beloond, maar onverschilligheid wordt vervloekt (Sp 22:99Wie gunnend is, die wordt gezegend,
want hij geeft van zijn brood aan de armen.
; 11:24-2624Er zijn er die mild uitdelen en nog meer ontvangen,
en [er zijn er] die meer inhouden dan rechtmatig is, maar het is tot gebrek.
25Een zegenende ziel wordt verzadigd,
en wie te drinken geeft, die zal ook te drinken krijgen.
26Het volk vervloekt wie [hun] koren onthoudt,
maar zegening rust er op het hoofd van wie het verkoopt.
)
. De aanwezigheid van armen in Gods volk is een test voor de rijken. God wil dat Zijn volk een gevend volk is, in navolging van Hem (Dt 15:7-117[Maar] als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is.8Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.9Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbijkomt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is.10U moet hem overvloedig geven, en laat uw hart niet verdrietig zijn als u hem geeft. Want vanwege deze zaak zal de HEERE, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat u ter hand neemt.11Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land.). Wie geeft, wordt niet armer, maar rijker. God zal hem geen gebrek laten lijden, maar voorzien van wat nodig is. Die ervaring is al een grote beloning. Daarbij komt nog dat de arme voor de gever zal bidden en ook bereid zal zijn voor hem te doen wat hij kan.

De tegenstelling, ingeleid met het woord “maar”, is de onverschillige rijke. Iemand die “zijn ogen toesluit”, of ‘wegkijkt’, zijn hoofd omdraait, als hij een arme ziet, staat niet open voor de nood van zijn naaste. Elke keer dat hij ‘wegkijkt’, zal hij door die arme “vervloekt worden”. De mens om wie het hier gaat, wordt erdoor gekenmerkt. Dat hij “veel vervloekt” zal worden, wijst erop dat hij een doorgewinterde egoïst is. Hij wil niet geconfronteerd worden met nood, want dat kost geld of betekent verlies van bezit. Uiteindelijk zal hij door God worden vervloekt.


Goddelozen verschijnen, maar komen ook om

28Als goddelozen verschijnen, verbergt een mens zich,
maar als zij omkomen, worden rechtvaardigen talrijk.

Als goddelozen zich kunnen vertonen en zich goddeloos kunnen gedragen, als zij de ruimte krijgen en zelfs aan de macht komen, is geen mens meer veilig (vers 1212Als rechtvaardigen opspringen van vreugde, geeft het veel glans,
maar als goddelozen verschijnen, zijn mensen [ver] te zoeken.
)
. De rechtvaardigen zullen zich voor dit kwaad verbergen. Ook andere groepen mensen die doelwit van de goddelozen kunnen zijn, zullen zich verbergen. Goddelozen kennen geen barmhartigheid. Ze zijn uit op het stichten van zoveel mogelijk kwaad en het aanrichten van zoveel mogelijk schade.

“Maar” hun heerschappij is begrensd, ze heersen niet voor eeuwig. Het moment komt dat “zij omkomen”. Als dat gebeurt, komen de “rechtvaardigen” tevoorschijn en worden “talrijk” (vgl. Es 8:1717En in elk gewest en in elke stad waar het woord van de koning en zijn wet was aangekomen, was er bij de Joden blijdschap en vreugde, [en waren er] maaltijden en vrolijke dagen. Velen uit de volken van het land werden Jood, omdat angst voor de Joden op hen was gevallen.). Er komt ruimte voor vermeerdering van hen die God geven wat Hem toekomt. Dit zal in het vrederijk zijn volle vervulling krijgen. Bij de oprichting van het vrederijk zal de Heer Jezus eerst de aarde reinigen door het oordeel over de goddelozen. Daarna kan een rechtvaardig volk het vrederijk binnengaan en door God talrijk worden gemaakt (Js 26:22Doe de poorten open,
zodat het rechtvaardige volk kan binnengaan,
dat de trouw bewaart.
; Jr 30:1919Van hen zal dankzegging uitgaan,
en het geluid van vrolijke [mensen].
Ik zal hen talrijk maken, ze zullen niet [in aantal] verminderen.
Ik zal hen tot aanzien brengen, ze zullen niet veracht worden.
)
.


Lees verder