Spreuken
1-2 Verkeerd roemen 3-4 Lasten die te zwaar zijn om te dragen 5-6 Bestraffing als uiting van liefde 7 Verzadiging en honger veranderen de smaak 8 Vlucht niet uit je woonplaats weg 9-10 De genegenheid en hulp van een vriend 11 Een wijze zoon is een antwoord op smaad 12 Een schrandere verbergt zich voor het kwaad 13 Verplichtingen moeten worden nagekomen 14-16 Ongepast gedrag 17-18 Scherpen en bewaken 19-20 Het hart en de ogen van de mens 21 Een goede naam als toets 22 De dwaas is en blijft een dwaas 23-27 Het werk van de mens en de zorg van God
Verkeerd roemen

1Beroem u niet op de dag van morgen,
want u weet niet wat een dag kan baren.
2Laat een vreemde u prijzen en niet uw [eigen] mond,
een onbekende en niet uw [eigen] lippen.

Wie zich beroemt “op de dag van morgen” (vers 11Beroem u niet op de dag van morgen,
want u weet niet wat een dag kan baren.
)
, overschat zichzelf enorm. Het ‘beroemen’ op de dag van morgen wil zeggen dat iemand meent het vermogen te bezitten om de toekomst naar zijn hand te zetten. Maar niemand weet “wat een dag kan baren”, dat wil zeggen, wat een dag zal brengen. Dat geldt zowel voor wat er vandaag nog kan gebeuren als voor de dag van morgen. De toekomst is Gods terrein. Daarover heeft de mens geen beschikking. Als we dit erkennen, zal dat ons nederig maken. Het zal ons ertoe brengen dat we al onze toekomstige projecten aan Hem onderwerpen, de soevereine God, Die alles leidt.

Het maken van plannen is niet verkeerd, als het maar in nederigheid gebeurt. Plannen maken alsof we zelf de volledige beschikking over ons lot en de macht over de toekomst hebben, past ons niet (Jk 4:13-1613Komaan dan, u die zegt: Vandaag of morgen zullen wij naar die stad gaan en daar een jaar doorbrengen en handel drijven en winst maken;14u die niet weet wat morgen [gebeuren] zal. (Want hoe is uw leven? Want u bent een damp die een korte tijd gezien wordt en daarna verdwijnt)15In plaats dat u zegt: Als de Heer het wil en wij leven, zullen wij dit of dat doen.16Nu roemt u echter in uw hoogmoedigheden; al zulk roemen is boos.). De Heer Jezus maakt dat duidelijk in een gelijkenis van een rijke dwaas die van plan was om nog vele jaren te leven, maar die in de volgende nacht stierf omdat God zijn ziel opeiste (Lk 12:16-2116Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op;17en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.18En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen;19en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.20God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?21Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.).

De spreuk bevat nog ander onderwijs. We kunnen uit deze spreuk leren dat we ons geen zorgen hoeven te maken voor morgen (Mt 6:3434Weest dan niet bezorgd voor morgen; want morgen zal voor zichzelf bezorgd zijn; voor [elke] dag is zijn eigen kwaad genoeg.). Wij weten niet of de zorgen er morgen nog zijn. En als ze er morgen nog zijn, dan is God er ook nog om ons bij te staan. Een andere toepassing is dat we niet tot morgen moeten uitstellen wat we vandaag kunnen doen. Dat geldt helemaal als het om de bekering van een mens gaat. Dan is de oproep: “Heden, als u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet” (Hb 3:1515terwijl er gezegd wordt: ‘Heden, als u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering’.). Als de bekering wordt uitgesteld tot ‘morgen’, is ‘morgen’ een dag uit de kalender van de satan geworden, die tot in het oneindige gerekt kan worden (Hd 24:24-2724Na enige dagen nu kwam Felix daar met zijn eigen vrouw Drusilla, die een Jodin was, en hij ontbood Paulus en hoorde hem over het geloof in Christus <Jezus>.25Toen hij echter sprak over rechtvaardigheid, zelfbeheersing en het toekomstige oordeel, werd Felix bang en antwoordde: Ga nu maar weg; als ik echter weer gelegenheid heb, zal ik u bij mij roepen,26– terwijl hij tevens hoopte, dat hem door Paulus geld zou worden gegeven; daarom ontbood hij hem ook meermalen en praatte met hem.27Toen echter twee jaren voorbij waren, kreeg Felix als opvolger Porcius Festus; en daar Felix de Joden een gunst wilde bewijzen, liet hij Paulus gevangen.).

Vers 22Laat een vreemde u prijzen en niet uw [eigen] mond,
een onbekende en niet uw [eigen] lippen.
sluit aan op vers 11Beroem u niet op de dag van morgen,
want u weet niet wat een dag kan baren.
. Vers 11Beroem u niet op de dag van morgen,
want u weet niet wat een dag kan baren.
zegt dat een mens niet moet roemen op wat hij morgen, of in de toekomst, gaat doen. Vers 22Laat een vreemde u prijzen en niet uw [eigen] mond,
een onbekende en niet uw [eigen] lippen.
zegt dat een mens niet moet roemen (hetzelfde Hebreeuwse woord dat nu is vertaald met ‘prijzen’) in zichzelf, op wat hij vandaag of gisteren (of in het verleden) heeft gedaan of hoe hij is. Het is goed dingen te doen die lof verdienen (Fp 4:88Overigens, broeders, al wat waar, al wat eerzaam, al wat rechtvaardig, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, als er enige deugd en als er enige lof is, bedenkt dat.), maar het is niet goed jezelf daarop te beroemen. Lof is als een lekker zittende jas. Je mag die dragen als een ander je die jas maar aandoet en niet jijzelf, want anders zal hij niet lang lekker zitten.

Als andere mensen je prijzen, is dat goed. Als je jezelf roemt, is dat een vorm van trots. Het Nederlandse spreekwoord ‘eigen roem stinkt’, geeft dat goed weer. Het is een algemeen spreekwoord, wat duidelijk maakt dat ook wereldse mensen algemeen gesproken geen waardering hebben voor iemand die de mond vol heeft van zijn eigen prestaties.

We mogen dankbaar zijn voor een door ons behaald resultaat en daarin onze vreugde vinden. God zag op Zijn scheppingswerk en zag dat het zeer goed was (Gn 1:3131En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.). Er is echter wel een verschil tussen ons en God. God vindt alle voldoening in Zichzelf; wij vinden die alleen in Hem. Hij geeft ons de bekwaamheid om een bepaald werk te doen. Als wij iets hebben gedaan, moeten we zeggen dat we nutteloze slaven zijn die alleen hebben gedaan wat ons is opgedragen (Lk 17:1010Zo ook u, wanneer u alles hebt gedaan wat u is bevolen, zegt dan: Wij zijn nutteloze slaven; wat wij behoorden te doen, hebben wij gedaan.).

De waardering komt van de Heer. Hij zegt tegen ieder die Hem trouw heeft gediend: “Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf” (Mt 25:2323Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.). De roem over onszelf is nooit objectief. Als wij onszelf beroemen, overschatten wij onszelf enorm. Als de Heer ons beoordeelt, is dat een absoluut objectieve beoordeling. In die zin komt Zijn beoordeling overeen met die door “een vreemde” en “een onbekende”. Huichelachtige elementen spelen geen rol. Het is lof zonder enige bijbedoeling.


Lasten die te zwaar zijn om te dragen

3Een steen is zwaar, het zand weegt veel,
maar zwaarder dan die beide is de ergernis over een dwaas.
4Woede en een overmaat aan toorn zijn wreedheden,
maar wie zal standhouden tegen afgunst?

“Steen” en “zand” zijn zwaar (vers 33Een steen is zwaar, het zand weegt veel,
maar zwaarder dan die beide is de ergernis over een dwaas.
)
. Wie ze moeten dragen, voelen dat ze veel wegen en dat het werk vermoeiend en pijnlijk is. Maar “de ergernis over een dwaas” is “zwaarder dan die beide”. De ergernis over een dwaas is ondraaglijk. Die blijft als een steen en zand op het innerlijk liggen van wie met een dwaas te maken heeft. De geestelijke moeite die het vergt om met een dwaas om te gaan, is veel groter dan vermoeiend lichamelijk werk. Job gebruikt hetzelfde beeld om er de zwaarte van zijn lijden mee te beschrijven (Jb 6:2-32Och, werd mijn verdriet maar eens nauwkeurig gewogen,
en legden ze [al] mijn ellende maar bij elkaar in een weegschaal!
3Want het is nu zwaarder dan het zand van de zeeën;
daarom zijn mijn woorden ondoordacht.
)
.

In de sfeer van de emotie kunnen gevoelens aanwezig zijn die onbeheersbaar zijn en een verwoestende uitwerking hebben (vers 44Woede en een overmaat aan toorn zijn wreedheden,
maar wie zal standhouden tegen afgunst?
)
. Iemand kan door bepaalde gebeurtenissen zo woedend zijn en een overmaat van toorn hebben, dat hij tot wreedheden komt (Gn 34:13-2913Toen antwoordden de zonen van Jakob Sichem en zijn vader Hemor op een bedrieglijke wijze, en, omdat hij hun zuster Dina onteerd had, spraken zij14en zeiden zij tegen hen: Wij kunnen dit niet doen, onze zuster geven aan een man die zijn voorhuid [nog] heeft, want dat zou een schande voor ons zijn.15Slechts op één voorwaarde kunnen wij u ter wille zijn: indien u wordt zoals wij, doordat al wie mannelijk is onder u besneden wordt.16Dan zullen wij onze dochters aan u geven, en uw dochters zullen wij voor ons nemen; wij zullen dan bij u wonen en wij zullen één volk worden.17Maar als u niet naar ons wilt luisteren, door u niet te laten besnijden, dan zullen wij onze dochter meenemen en weggaan.18Hun woorden waren goed in de ogen van Hemor en Sichem, Hemors zoon.19En de jongeman aarzelde niet dit te doen, want hij verlangde naar de dochter van Jakob, en hij was de aanzienlijkste van heel zijn familie.20Hemor en zijn zoon Sichem gingen daarom naar de poort van hun stad en spraken tot hun stadgenoten:21Deze mannen zijn ons vredelievend gezind; laat hen daarom in dit land wonen en daarin rondtrekken. Zie, het land is naar beide kanten ruim [genoeg]. Wij kunnen hun dochters voor ons tot vrouw nemen en wij kunnen aan hen onze dochters geven.22Slechts op één voorwaarde zullen deze mannen ons ter wille zijn om bij ons te wonen [en] één volk te worden: dat al wie mannelijk is bij ons besneden wordt, zoals zij besneden zijn.23Hun vee, hun bezit en al hun dieren, zullen die niet van ons zijn? Laten we hun slechts ter wille zijn; dan zullen ze bij ons blijven.24Allen die naar de poort van zijn stad waren gegaan, luisterden naar Hemor en naar zijn zoon Sichem; en allen die mannelijk waren, allen die naar de poort van hun stad waren gegaan, werden besneden.25Het gebeurde op de derde dag, toen zij pijn leden, dat twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, ieder hun zwaard namen, brutaalweg de stad overvielen en al wie mannelijk was, doodden.26Zij doodden ook Hemor en zijn zoon Sichem met de scherpte van het zwaard, namen Dina uit Sichems huis mee en gingen weg.27De zonen van Jakob kwamen op de gesneuvelden af en plunderden de stad, omdat zij hun zuster onteerd hadden.28Hun kleinvee, hun runderen en hun ezels, en [alles] wat in de stad en wat op het veld was, namen zij mee.29En al hun vermogen [roofden zij], en al hun kleine kinderen en hun vrouwen voerden zij als gevangenen weg. Zij plunderden hen, en al wat in de huizen was[, namen zij mee].; 49:5-75Simeon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
6Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen;
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
7Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.
)
. Deze woede-uitbarstingen zijn niet goed te praten en de wreedheden die iemand begaat al helemaal niet, maar na de ontlading kan er een zekere rust ontstaan.

Maar erger dan die woede-uitbarstingen is “afgunst” of jaloersheid. Jaloezie is ondraaglijker dan woede. Ze blijft bestaan als een verterend vuur. Ze vreet om zich heen en verteert ook degene bij wie ze aanwezig is. Een afgunstige, jaloerse man is erger dan een woedende en toornige man. Jaloersheid is nooit voldaan (Sp 6:32-3532Wie met een vrouw overspel pleegt, is zonder verstand.
Wie dat doet, richt zijn ziel te gronde.
33Plaag en schande zal hij vinden
en zijn smaad zal niet uitgewist worden,
34want jaloersheid is [de] woede van een man
en hij zal geen medelijden hebben op de dag van de wraak.
35Hij zal geen enkel losgeld aannemen,
en er niet in bewilligen, al vergroot men het geschenk.
)
. Niemand kan er stand tegen houden (vgl. Jk 3:14,1614Maar als u bittere jaloersheid en twistzucht in uw hart hebt, roemt en liegt dan niet tegen de waarheid.16Want waar jaloersheid en twistzucht is, daar is wanorde en allerlei kwade praktijk.). Abel viel aan de jaloersheid van Kaïn ten prooi en Jozef aan die van zijn broers.


Bestraffing als uiting van liefde

5Openlijke bestraffing is beter dan verborgen liefde.
6Wonden door [iemand] die liefheeft, zijn tekenen van trouw,
maar overvloedig zijn de kussen van een hater.

“Openlijke bestraffing” is een openhartig, direct woord van eerlijke kritiek of afkeuring door een vriend (vers 55Openlijke bestraffing is beter dan verborgen liefde.
)
. Dit is “beter dan verborgen liefde” ofwel een liefde die te timide, te bang of niet genoeg vertrouwend is om toe te geven dat bestraffing een onderdeel van echte liefde is. Een liefde die geen berisping manifesteert, is moreel waardeloos. Het is zelfs de vraag of zulke liefde oprecht is. In elk geval is liefde die zich aan haar verantwoordelijkheid onttrekt, niet compleet.

Paulus heeft Petrus eens openlijk moeten bestraffen (Gl 2:1111Maar toen Kefas in Antiochië kwam, weerstond ik hem in zijn gezicht, omdat hij te veroordelen was.). Maar dat heeft bij Petrus geen kwaad bloed gezet. Hij spreekt later in zijn tweede brief over “onze geliefde broeder Paulus” (2Pt 3:1515En houdt de lankmoedigheid van onze Heer voor behoudenis, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u heeft geschreven;). Het is valse liefde en in werkelijkheid haat, als we een van onze kinderen of een broeder of zuster niet bestraffen wanneer dat nodig is (Lv 19:1717U mag in uw hart uw broeder niet haten. U moet uw naaste zeker terechtwijzen, zodat u geen zonde op hem laadt.). De liefde “verblijdt zich niet over de ongerechtigheid, maar verblijdt zich met de waarheid” (1Ko 13:66verblijdt zich niet over de ongerechtigheid, maar verblijdt zich met de waarheid;).

De spreuk in vers 66Wonden door [iemand] die liefheeft, zijn tekenen van trouw,
maar overvloedig zijn de kussen van een hater.
zegt met andere woorden hetzelfde als vers 55Openlijke bestraffing is beter dan verborgen liefde.
. We hebben allemaal iemand nodig die genoeg van ons houdt om ons de waarheid over onszelf te zeggen. Hij zegt ons niet alleen dingen die we willen horen, maar ook dingen die we moeten horen. Soms kan dat pijnlijk zijn en wonden veroorzaken, maar het zullen altijd wonden zonder littekens zijn. Met ‘wonden’ worden vooral verwondingen van de ziel bedoeld.

We kunnen iemand op iets moeten wijzen omdat we zien dat er iets verkeerd dreigt te gaan. De aangesprokene moet een correctie aanbrengen in zijn of haar gedrag. Dat is soms even slikken. Het kan zelfs even verwijdering geven, omdat het als ongewenst commentaar wordt ervaren. Maar als de eerste emoties zijn overwonnen en er wordt nagedacht over wat is gezegd, zal men er bij nader inzien zijn of haar winst mee doen en het zelfs als een gunst beschouwen dat het is gebeurd (Ps 141:55Slaat de rechtvaardige mij, het zal een gunst zijn,
bestraft hij mij, het zal olie op mijn hoofd wezen,
mijn hoofd zal het niet weigeren;
dan nog is mijn gebed [voor hen] in al hun ellende.
; vgl. Op 3:1919Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.)
.

Zo kunnen bijvoorbeeld grootouders wel eens dingen zien bij hun kleinkinderen die hun kinderen, de ouders van hun kleinkinderen, ontgaan. Het vraagt wijsheid om dat op de juiste wijze en het juiste moment tegen de kinderen te zeggen. Echte liefde wijst op het verkeerde en wacht niet tot het te laat is.

Tegenover de uitingen van ware liefde staan de valse uitingen van liefde van de hater. De hater is niet karig met zijn “kussen”. Hij geeft ze “overvloedig” om op die manier zijn ware bedoelingen te bedekken. Het zijn bedrieglijke, huichelachtige uitingen. Het meest afschuwelijke voorbeeld is de bedrieglijke kus waarmee Judas Zijn Meester verraadde (Mk 14:43-4543En terstond, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, een van de twaalf, en met hem een menigte met zwaarden en stokken, van de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten vandaan.44Nu had hij die Hem overleverde, met hen een teken afgesproken en gezegd: Die ik zal kussen, Die is het; grijpt Hem en leidt Hem welverzekerd weg.45En hij kwam en ging terstond naar Hem toe en zei: Rabbi! En hij kuste Hem innig.).


Verzadiging en honger veranderen de smaak

7Iemand die verzadigd is, vertrapt honingzeem,
maar voor een hongerige is al het bittere zoet.

Dit vers stelt “iemand die verzadigd is” en “een hongerige” tegenover elkaar. De eerste vertrapt of verafschuwt honing, terwijl de laatste zelfs “al het bittere zoet” vindt. Te veel van het goede maakt het goede niet slecht, maar verderft de gebruiker. Hoe meer we van iets hebben, des te minder we het waarderen.

Voor een hongerige is het precies andersom. Honger maakt dat het bittere zoet smaakt of zoals het Nederlandse spreekwoord luidt ‘honger maakt rauwe bonen zoet’, wat betekent dat alles smaakt als men honger heeft. Honger wordt daarom ook wel ‘de beste kok’ genoemd.

Als het om eten en drinken voor ons lichaam gaat, geldt in toenemende mate het eerste deel van het vers voor het deel van de wereld waarin wij leven (Europa). Met het tweede deel van het vers zijn we veel minder vertrouwd. In geestelijk opzicht gelden beide versregels. Christenen kunnen zich vanwege de geestelijke rijkdommen die zij kennen boven anderen verheven voelen, terwijl ze verachtelijk neerkijken op hen die – in hun ogen – veel minder weten dan zij (vgl. 1Ko 4:88Reeds bent u verzadigd, reeds bent u rijk geworden, zonder ons hebt u geregeerd; en ik zou wel willen dat u regeerde, opdat ook wij met u regeerden.). Zij nemen ook niets van die ‘arme’ gelovigen aan wanneer die hun iets uit Gods Woord voorhouden, maar ‘vertrappen’ het.

Maar wie hongeren en dorsten naar God, nemen alles wat ze uit Gods Woord kunnen leren met grote dankbaarheid aan. Diezelfde honger naar God maakt bittere beproevingen tot zoete ervaringen (Ex 15:23-2523Toen kwamen zij bij Mara. Zij konden echter het water uit Mara niet drinken, want het was bitter. Daarom gaf men het de naam Mara.24Toen morde het volk tegen Mozes, en zei: Wat moeten wij [nu] drinken?25Hij riep tot de HEERE, en de HEERE wees hem een stuk hout. Dat wierp hij in het water. Toen werd het water zoet. Daar heeft Hij het [volk] verordeningen en bepalingen gegeven, en daar heeft Hij het op de proef gesteld.). Zo wordt ook het bittere van het oordeel zoet als het wordt erkend als terecht, want dan ziet het geloof de uitwerking ervan (Op 10:8-108En de stem die ik uit de hemel had gehoord, sprak opnieuw met mij en zei: Ga heen, neem het boek dat geopend is in de hand van de Engel Die op de zee en de aarde staat.9En ik ging naar de Engel en zei tegen Hem mij het boekje te geven. En Hij zei tegen mij: Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.10En ik nam het boekje uit de hand van de Engel en at het op; en het was in mijn mond zoet als honing, en toen ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.). Het lijden geeft een bittere smaak, maar het besef dat daarna de zegen komt, maakt het bittere zoet (vgl. Op 10:99En ik ging naar de Engel en zei tegen Hem mij het boekje te geven. En Hij zei tegen mij: Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.).


Vlucht niet uit je woonplaats weg

8Als een vogel die uit zijn nest wegvliegt,
zo is een man die uit zijn [woon]plaats wegvlucht.

De parallel vergelijkt “een vogel die uit zijn nest wegvliegt” met “een man die uit zijn [woon]plaats wegvlucht”. In beide gevallen gaat het erom dat een plaats van veiligheid en geborgenheid wordt opgegeven. De reden voor wegvliegen en wegvluchten wordt niet gegeven. Het verband lijkt aan te geven dat het om een onverantwoorde actie gaat, waarbij er niet over wordt nagedacht wat voor waardevols er wordt prijsgegeven.

Het woord “wegvlucht” geeft de indruk dat iemand de omstandigheden niet meer aankan en ergens anders zijn geluk wil beproeven. Ontevredenheid met de huidige leefomstandigheden is vaak een drijfveer om ergens weg te trekken. De les is om mensen aan te moedigen hun huis te beschermen en er dankbaar voor te zijn, ook als er mindere tijden aanbreken.

Voor wie niet tevreden is met zijn omstandigheden, is het gras bij de buren altijd groener. Elimelech verliet vanwege economische redenen Bethlehem een poosje om, zolang de economische malaise in Bethlehem duurde, als vreemdeling in Moab te gaan wonen (Ru 1:1-21In de dagen dat de richters leiding gaven [aan het volk], gebeurde het dat er hongersnood was in het land. Daarom ging een man uit Bethlehem [in] Juda op weg om als vreemdeling in de vlakten van Moab te verblijven, hij, zijn vrouw en zijn twee zonen.2De naam van de man was Elimelech, de naam van zijn vrouw Naomi en de namen van zijn twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathieten uit Bethlehem [in] Juda. En zij kwamen in de vlakten van Moab en bleven daar.). Het is daar niet goed gegaan (Ru 1:3-213Elimelech, de man van Naomi, stierf, en zij bleef achter met haar twee zonen.4Die namen voor zich Moabitische vrouwen. De naam van de ene was Orpa en de naam van de andere Ruth. En zij bleven daar ongeveer tien jaar.5En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook. Zo bleef de vrouw achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man.6Toen maakte zij zich met haar schoondochters gereed en keerde terug uit de vlakten van Moab, want zij had in het land Moab gehoord dat de HEERE naar Zijn volk omgezien had door hun brood te geven.7Daarom trok zij weg uit de plaats waar zij geweest was, en haar twee schoondochters [gingen] met haar [mee]. Toen zij op weg gegaan waren om terug te keren naar het land Juda,8zei Naomi tegen haar twee schoondochters: Ga heen, keer terug, ieder naar het huis van haar moeder. Moge de HEERE jullie goedertierenheid bewijzen, zoals jullie die bewezen hebben aan hen die gestorven zijn, en aan mij.9Moge de HEERE jullie geven dat jullie rust vinden, ieder in het huis van haar man. Toen zij hen kuste, begonnen zij luid te huilen.10En zij zeiden tegen haar: Voorzeker, wij keren met u terug naar uw volk.11Maar Naomi zei: Keer terug, mijn dochters! Waarom zouden jullie met mij meegaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, die jullie tot mannen zouden kunnen worden?12Keer terug, mijn dochters! Ga heen, want ik ben te oud om een man te hebben. Al zou ik zeggen: Ik heb hoop, [en] al zou ik zelfs in deze nacht een man hebben, ja zelfs zonen baren,13zouden jullie dan wachten tot zij groot geworden waren? Zou dat jullie er dan van weerhouden om een man te hebben? Nee, mijn dochters, want het is voor mij veel bitterder dan voor jullie: de hand van de HEERE is tegen mij uitgestrekt.14Toen begonnen zij opnieuw luid te huilen. En Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth klampte zich aan haar vast.15Daarom zei zij: Zie, je schoonzuster is teruggekeerd naar haar volk en naar haar goden. Keer ook terug, je schoonzuster achterna.16Maar Ruth zei: Dring er bij mij niet langer op aan u te verlaten en terug te gaan, bij u vandaan. Want waar u heen gaat, zal ik ook gaan, en waar u overnacht, zal ik overnachten. Uw volk is mijn volk en uw God mijn God.17Waar u sterft, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden. De HEERE mag zó en nog veel erger doen: voorzeker, [alleen] de dood zal scheiding maken tussen mij en u.18Toen zij zag dat zij zich vast voorgenomen had met haar mee te gaan, hield zij op tot haar te spreken.19Zo gingen zij samen [verder], tot zij in Bethlehem kwamen. En het gebeurde, toen zij Bethlehem binnenkwamen, dat de hele stad over hen in rep en roer raakte, en [de vrouwen] zeiden: Is dit Naomi?20Maar zij zei tegen hen: Noem mij niet Naomi, noem mij Mara, want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.21Ík ging vol weg, maar de HEERE heeft mij leeg laten terugkeren. Waarom zou u mij Naomi noemen, nu de HEERE tegen mij getuigd heeft en de Almachtige mij kwaad gedaan heeft?). In de gelijkenis van de verloren zoon, zien we dat de jongste zoon het huis van zijn vader om egoïstische redenen verliet. Hij ging weg van zijn vader waar hij het zo goed had en het verging hem slecht (Lk 15:11-1311Hij nu zei: Iemand had twee zonen.12En de jongste van hen zei tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het bezit dat [mij] toekomt. En hij verdeelde het vermogen onder hen.13En na niet vele dagen pakte de jongste zoon alles bijeen en ging op reis naar een ver land en bracht daar zijn bezit door in een losbandig leven.). Ook een gelovige kan ‘uit zijn nest wegvliegen’ zoals Demas deed (2Tm 4:1010want Demas heeft mij verlaten, daar hij de tegenwoordige eeuw heeft lief gekregen, en is naar Thessalonika gereisd, Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.). Een zwervende voet volgt een zwervend hart.


De genegenheid en hulp van een vriend

9Olie en reukwerk verblijden het hart,
zo is de genegenheid van iemands vriend, vanwege de hartelijke raad.
10Verlaat uw vriend en de vriend van uw vader niet,
ga het huis van uw broer niet binnen op de dag van uw ongeluk.
Beter een buur die nabij is, dan een broer ver weg.

“Olie en reukwerk” zijn aangenaam voor het lichaam (vers 99Olie en reukwerk verblijden het hart,
zo is de genegenheid van iemands vriend, vanwege de hartelijke raad.
)
. Als iemand die voor zijn lichaam heeft gebruikt, zodat hij er mooi uitziet en lekker ruikt, heeft dat een verblijdend effect op het hart. Schoonheidsmiddelen doen iets met iemand. Eenzelfde weldadig effect heeft “de hartelijke raad” die iemand zijn vriend geeft vanwege de genegenheid die hij voor hem heeft.

De hartelijke raad van een vriend is aangenaam als het een vriend is die God op de eerste plaats stelt en dezelfde gemeenschap met de Heiland geniet die je zelf ook geniet. Een prachtig voorbeeld zien we in de raad die Jonathan zijn vriend David gaf (1Sm 20:9-239Toen zei Jonathan: Daar is voor jou geen sprake van! Wanneer ik ook maar merk dat het bij mijn vader vastbesloten is dat dit kwaad je overkomt, zou ik je dat dan niet vertellen?10David zei tegen Jonathan: Wie zal het mij vertellen als je vader je [met] harde [woorden] antwoordt?11Toen zei Jonathan tegen David: Kom, laten we naar buiten gaan, het veld in. En zij gingen beiden naar buiten, het veld in.12Jonathan zei tegen David: De HEERE, de God van Israël, [is mijn Getuige] dat ik mijn vader morgen of overmorgen omstreeks deze tijd uit zal horen; en zie, als [het er] dan goed voor David [voorstaat], en ik stuur je geen [bericht] om [het] voor je oor te onthullen,13dan mag de HEERE zó en nog veel erger met Jonathan doen! Als het echter mijn vader goeddunkt het kwaad over je [te brengen], dan zal ik het [ook] voor je oor onthullen. Ik zal je laten gaan, zodat je in vrede [kunt] vertrekken. Moge de HEERE met je zijn, zoals Hij met mijn vader geweest is.14Zul je niet, als ik dan nog leef, mij de goedertierenheid van de HEERE bewijzen, zodat ik niet hoef te sterven?15Je zult toch ook mijn huis tot in eeuwigheid je goedertierenheid niet onthouden, ook niet wanneer de HEERE eenieder van de vijanden van David van de aardbodem uitgeroeid zal hebben!16Zo sloot Jonathan [een verbond] met het huis van David [en zei]: Laat de HEERE [rekenschap] eisen van de vijanden van David!17En Jonathan liet David opnieuw zweren, omdat hij hem liefhad, want hij had hem lief met de liefde van zijn ziel.18Daarna zei Jonathan tegen hem: Morgen is het nieuwe maan; dan zul je gemist worden, want je zetel zal leeg zijn.19En als je drie dagen weggebleven zult zijn, kom dan meteen. Ga naar de plaats waar je je verborgen had op de dag dat je dit gedaan hebt, en blijf bij de steen Ezel.20Dan zal ik daar drie pijlen langs schieten, alsof ik op een doel schoot.21En zie, ik zal de jongen sturen [en zeggen]: Ga de pijlen zoeken. Wanneer ik nadrukkelijk tegen de jongen zeg: Zie, de pijlen zijn dichter bij je, raap ze op, dan kun je komen, want het is vrede voor je, en er is niets [aan de hand, zo waar] de HEERE leeft.22Maar als ik dit tegen de jongen zeg: Zie, de pijlen zijn verder van je weg, ga dan weg, want de HEERE zendt je weg.23En wat betreft de zaak waarover ik en jij gesproken hebben, zie, de HEERE is tussen mij en jou, tot in eeuwigheid!). De Heer Jezus geeft altijd hartelijke raad. Daarmee verblijdt Hij het hart van hen die Hij Zijn vrienden noemt. Een van Zijn Namen is “Raadsman” (Js 9:55Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
)
.

In aansluiting op vers 99Olie en reukwerk verblijden het hart,
zo is de genegenheid van iemands vriend, vanwege de hartelijke raad.
spreekt Salomo in vers 1010Verlaat uw vriend en de vriend van uw vader niet,
ga het huis van uw broer niet binnen op de dag van uw ongeluk.
Beter een buur die nabij is, dan een broer ver weg.
over de waarde van een vriend, en wel in het bijzonder over de waarde van een ‘familievriend’. Salomo onderhield zelf ook vriendschap met Hiram die al de vriend van zijn vader David was (1Kn 5:1-101Hiram, de koning van Tyrus, stuurde zijn dienaren naar Salomo, want hij had gehoord dat men Salomo tot koning had gezalfd in de plaats van zijn vader. Hiram was namelijk alle dagen een vriend geweest van David.2Daarop stuurde Salomo Hiram [een bode] om te zeggen:3Ú weet dat mijn vader David geen huis kon bouwen voor de Naam van de HEERE, zijn God, vanwege de oorlog die zij rondom tegen hem voerden, totdat de HEERE hen onder zijn voetzolen bracht.4Maar de HEERE, mijn God, heeft mij nu rust gegeven van rondom. Er is geen tegenstander en geen dreiging van kwaad.5Zie, ik ben van plan voor de Naam van de HEERE, mijn God, een huis te bouwen, zoals de HEERE tot mijn vader David gesproken heeft: Uw zoon die Ik in uw plaats op uw troon zal zetten, die zal dat huis voor Mijn Naam bouwen.6Geef daarom nu de opdracht dat men voor mij ceders van de Libanon kapt. Mijn dienaren zullen met uw dienaren zijn en ik zal u het loon van uw dienaren geven, helemaal zoals u het zegt. Want ú weet dat er niemand onder ons is die in staat is hout te kappen als de Sidoniërs.7Het gebeurde, toen Hiram de woorden van Salomo hoorde, dat hij zich zeer verheugde en zei: Geloofd zij heden de HEERE, Die David een wijze zoon gegeven heeft [om] over dit grote volk [te regeren]!8En Hiram stuurde Salomo [een bode] om te zeggen: Ik heb [de boodschap] gehoord die u mij gestuurd hebt. Ík zal aan al uw wensen om cederhout en cipressenhout voldoen.9Mijn knechten zullen het van de Libanon naar de zee afvoeren, en ík zal er vlotten van maken [voor vervoer] over zee naar de plaats die u mij opgeeft. Ik zal ze daar losmaken, zodat u ze mee kunt nemen. Maar dan moet u mijn wens uitvoeren door voedsel voor mijn huis te geven.10Zo gaf Hirom Salomo cederhout en cipressenhout, geheel [naar] zijn wens.). Het is een vriend die zijn betrouwbaarheid al een generatie lang heeft bewezen. Hij waarschuwt zijn zoon die vriend niet te verlaten, hem niet op te geven, maar die vriendschap te koesteren als iets speciaals.

Een huisvriend is altijd dichtbij, zowel in letterlijke als in geestelijke afstand. Hij kent de familie. Als de zoon op een dag een ongeluk krijgt en hulp nodig heeft, hoeft hij niet naar een broer te gaan die ver weg woont of met wie geen geestelijk contact is, maar kan hij de huisvriend om hulp vragen. Die woont in de buurt en kent de zoon van kinds af aan.

Echte vriendschap verandert niet. Een echte vriend is een naaste bij wie je altijd kunt aankloppen. Voor echte vrienden bestaat er geen barrière door een generatieverschil. Dit geldt in het bijzonder voor de Heer Jezus Die in alle generaties de betrouwbare Vriend is van ieder die Hem kent.


Een wijze zoon is een antwoord op smaad

11Wees wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart,
dan heb ik wie mij smaadt, iets te antwoorden.

Een wijze zoon verblijdt in de eerste plaats het hart van zijn vader. Een bijkomend belangrijk effect is dat hij zijn vader in staat stelt om zich te verdedigen tegen zijn critici. Ouders die hun kinderen volgens duidelijke regels opvoeden, krijgen wel eens het verwijt te horen dat ze het verkeerd doen. Ze verplichten hun kinderen zich aan bepaalde regels te houden. Tevens onthouden ze hun bepaalde vrijheden die andere jongeren wel krijgen of nemen. Dat gaat gepaard met de waarschuwing dat hun kinderen later wel de wereld zullen ingaan omdat ze het juk van de opvoeding te beknellend hebben gevonden.

Maar een opvoeding vanuit de omgang met de Heer, met wijsheid van God en liefdevolle duidelijke regels, zal in het algemeen een goede uitwerking bij de kinderen hebben. Kinderen die wijs zijn, rechtvaardigen hun ouders. Kinderen worden niet opgeroepen zich goed te gedragen opdat de vader zich tegen aanvallen op zijn opvoeding kan verdedigen. Dat zou dwang en manipulatie zijn. Geestelijke waarheden zijn geen erfgoed. De wijsheid die een zoon in zijn leven openbaart, is niet geërfd, maar verworven.

Kinderen die hun weg gaan in overeenstemming met wat zij van hun ouders hebben geleerd, zijn de beste aanbeveling van de waarde van de opvoeding die de ouders hebben gegeven. Het geldt ook voor God als onze Vader. Wij verheugen Zijn hart als we wijs zijn, wat alleen kan als we naar Zijn onderwijs door Zijn Woord luisteren. Zijn onderwijs dat in ons zichtbaar wordt, legt tegenstanders het zwijgen op. We kunnen dit ook nog toepassen op allen die Gods Woord onderwijzen aan de medegelovigen, bijvoorbeeld in bijbellessen en bijbellezingen. We zien dit ook bij Paulus in wat hij tegen en van de gelovigen in Thessalonika zegt (1Th 2:19-2019Want wat is onze hoop of blijdschap of kroon van de roem? Bent u het niet juist tegenover onze Heer Jezus bij Zijn komst?20U bent immers onze heerlijkheid en blijdschap.).


Een schrandere verbergt zich voor het kwaad

12Een schrandere ziet het kwaad [en] verbergt zich,
[maar] onverstandigen gaan door [en] zullen [daarvoor] boeten.

Het contrast is tussen “een schrandere” en “onverstandigen” (Sp 22:33Een schrandere ziet het kwaad en verbergt zich,
maar onverstandigen gaan voort en zullen [daarvoor] boeten.
)
. De eerste is de volwassen persoon die behoedzaamheid heeft ontwikkeld. De tweede zijn de onervaren en ongetrainde jongeren die gemakkelijk misleid worden omdat ze eigenwijs zijn. De test die duidelijk maakt wie een schrandere is en wie de onverstandigen zijn, is hun reactie op het kwaad van het oordeel dat zich aandient.

Om te ontkomen aan aangekondigd kwaad moeten we het kwaad zien, het kwaad onderkennen. Dat doet een schrandere, terwijl onverstandigen het kwaad misschien ook wel zien, maar het niet onderkennen en mogelijk zelfs negeren of menen dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. De reactie maakt duidelijk of iemand het komende kwaad serieus neemt of dat hij zich er niets van aantrekt. Een schrandere zoekt namelijk een plaats waar hij zich tegen het kwaad kan beschermen, terwijl de onverstandigen zullen moeten boeten.

David is verschillende keren aan Saul ontkomen, omdat hij aan zag komen wat Saul wilde. Hij verborg zich en bleef daardoor uit de handen van Saul. Noach is ook een schrandere. Hij heeft zich in de ark verborgen, terwijl alle onverstandigen zich niet hebben laten waarschuwen en zijn doorgegaan met hun leven en daarvoor moesten boeten (vgl. Jr 6:1717Ik heb wachters over u aangesteld:
Sla acht op het geluid van de bazuin!
Maar zij zeggen: Daar slaan wij geen acht op.
)
.

Dreigend kwaad moet ons niet zenuwachtig maken en tot een overijlde actie brengen, maar tot een rustig overwegen van wat we moeten doen om eraan te ontkomen, want komen doet het. Een schrandere zal zich op de juiste plaats verbergen, op een plaats die werkelijk bescherming tegen het kwaad biedt. Hij zal zich niet voor het kwaad van het oordeel van God willen beschermen door zich op een verkeerde plaats of op een verkeerde manier te verbergen, bijvoorbeeld door zich te bekleden met de werken van de wet.

Nadat Adam en Eva hadden gezondigd, bedekten zij zich met zelfgemaakte schorten van vijgenbladeren, een beeld van eigen gerechtigheid (Gn 3:7-87Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten.8En zij hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HEERE God te midden van de bomen in de hof.). Maar deze bedekking of verberging werkte niet. Ze bleven naakt voor God (Gn 3:10-1110En hij zei: Ik hoorde Uw stem in de hof en ik werd bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.11En Hij zei: Wie heeft u verteld dat u naakt bent? Hebt u van die boom gegeten waarvan Ik u geboden had daar niet van te eten?). God zorgde voor de juiste bedekking, die van dierenhuiden, wat betekent dat er een dier gedood was in hun plaats (Gn 3:2121En de HEERE God maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen [daarmee].). Dat wijst op de enige plaats van verberging tegen het oordeel van God en dat is het offer van Jezus Christus (Js 32:2a2[Die] Man zal zijn als een beschutting tegen de wind,
een schuilplaats tegen de vloed,
als waterbeken in een dorre streek,
als de schaduw van een zware rots in een dorstig land.
)
. Wie Hem in het geloof aanneemt, is volkomen beschermd tegen het kwaad. Wie die verberging afwijst en met zijn leven doorgaat, zal zelf moeten boeten voor zijn zonden.


Verplichtingen moeten worden nagekomen

13Neem zijn kleed als [iemand] borg staat voor een vreemde,
en geef het als onderpand aan een onbekende vrouw.

In aansluiting op vers 1212Een schrandere ziet het kwaad [en] verbergt zich,
[maar] onverstandigen gaan door [en] zullen [daarvoor] boeten.
is het borg staan voor een vreemde (vers 1313Neem zijn kleed als [iemand] borg staat voor een vreemde,
en geef het als onderpand aan een onbekende vrouw.
)
een zaak die als een kwaad is aangekondigd. Een schrandere ziet het kwaad dat ligt opgesloten in het zich borg stellen voor een vreemde. Hij verbergt zich voor dat kwaad door er niet aan mee te doen en zo bewaard te blijven voor het verlies van het onderpand.

Wie zich als een onverstandige borg stelt voor een vreemde, riskeert het verlies van zijn kleed. Zijn kleed is het laatste dat hij heeft. Is hij dat kwijt, dan is hij alles kwijt en is hij overgeleverd aan de kou van de nacht. Hij kan het ook nooit meer terugkrijgen, want het is in handen geraakt van “een onbekende vrouw”.

Een toepassing is dat wij de warmte van de christelijke gemeenschap kwijtraken als wij verplichtingen op ons nemen die wij niet kunnen waarmaken. We kunnen iemand aanbevelen voor een bepaalde taak en zeggen dat wij daarbij zullen helpen als de persoon die wij hebben aanbevolen niet voldoet. Voldoet de persoon niet, dan moeten wij ons woord houden. We kunnen niet meer doen wat onze eigenlijke taak was, maar moeten iets gaan doen, wat niet onze opdracht was. Daarmee verliezen we veel warmte, want voldoen aan verplichtingen door eigen schuld is heel wat anders dan iets doen uit liefde.

De les is dat we de gevolgen moeten dragen als we ons door een vreemde die onbetrouwbaar blijkt te zijn hebben laten misleiden tot het aangaan van verplichtingen. Mensen moeten worden gehouden aan hun verplichtingen, ongeacht hoe dom het was om ze aan te gaan.


Ongepast gedrag

14Wie zijn vriend 's morgens vroeg met luide stem zegent,
wordt het als een vervloeking aangerekend.
15Een twistzieke vrouw is te vergelijken
met het gestadige druppelen op een dag van slagregen.
16[Ieder] die haar verbergt, verbergt wind,
en treft olie aan in zijn rechterhand.

Echte vriendschap uit zich niet op een overdreven, ongepaste manier (vers 1414Wie zijn vriend 's morgens vroeg met luide stem zegent,
wordt het als een vervloeking aangerekend.
)
. Wie toch op een luidruchtige manier op een ongepast tijdstip zijn vriend allerlei goede dingen toewenst, zoekt niet zijn vriend, maar zichzelf. Hij wil laten horen hoe goed zijn vriend is, om zich erop te beroemen dat hij met zo iemand bevriend is. Het is een overdreven uiting van lof, hoe goed iemand wel is.

De vriend is hier duidelijk niet van gecharmeerd. Hij hoeft niet zo nodig dit soort aandacht te krijgen. Het optreden van zijn vriend is voor hem een vloek. De omgeving hoort steeds zijn naam roepen, verbonden aan allerlei fraaie, godsdienstige wensen. Dit roept geen respect, maar ergernis op. Wie zich zo uitlaat, wil mogelijk de indruk van vroomheid en vriendschap wekken, maar hij wordt beschouwd als een vloek. Als iemand te zeer wordt opgehemeld, ontstaat er weerzin in plaats van bewondering. De vriend weet dat en is daarom helemaal niet blij met zulke luidruchtige zegenwensen.

Het is prima om iemand te zegenen, dat wil zeggen het goede toe te wensen, maar het moet wel op de goede manier, de geschikte tijd en met de juiste motieven gebeuren. Een goede daad op de verkeerde tijd wordt als vloek aangerekend. Het is beter ’s morgens vroeg in de stilte met God te spreken en naar Hem te luisteren door Zijn Woord te lezen dan door een dergelijk begin de dag van een vriend te vergallen.

De vergelijking van “een twistzieke vrouw … met het gestadige druppelen” is al eerder aan ons voorgehouden (vers 1515Een twistzieke vrouw is te vergelijken
met het gestadige druppelen op een dag van slagregen.
; Sp 19:1313Een dwaze zoon is een ramp voor zijn vader,
en het geruzie van een vrouw een gestadig druppelen.
)
. Er wordt nu “op een dag van slagregen” aan toegevoegd, dat is een dag dat je wel thuis moet blijven, want het weer laat het niet toe dat je het huis verlaat. Maar ook binnen is hij niet veilig voor de regen, want het lekt er. Hij vindt nergens een schuilplaats.

De man staat voortdurend aan de twistziekte van zijn vrouw bloot, zonder een mogelijkheid zich daaraan te onttrekken. Onophoudelijk maakt ze ruzie. Het gaat maar door met de gestadigheid van het druppelen van water door een lek dat ergens in het dak zit en dat je maar niet kunt ontdekken. Er is buiten regen en er is binnen regen, zodat je overal nat en tot op je botten koud wordt.

Zij is oncontroleerbaar en onhandelbaar als de wind (vers 1616[Ieder] die haar verbergt, verbergt wind,
en treft olie aan in zijn rechterhand.
)
. De wind is ongrijpbaar en onvoorspelbaar; elk moment kan er een windvlaag komen. Ook olie kun je niet grijpen of vasthouden, zelfs niet met je rechterhand, de hand van kracht. Het glijdt zo tussen je vingers door. Het schetst het hopeloze van de situatie waarin met menselijke hulpmiddelen geen verandering is aan te brengen.


Scherpen en bewaken

17IJzer scherpt men met ijzer,
zo scherpt een man het gezicht van zijn naaste.
18Wie de vijgenboom verzorgt, zal zijn vrucht eten,
wie zijn heer bewaakt, zal geëerd worden.

De mens is niet geschapen om alleen te zijn, maar met anderen. Hij is een sociaal wezen en heeft anderen nodig om hem mens te laten zijn. Een van de aspecten van samen zijn is het scherpen van elkaars inzichten en gedachten door met elkaar te praten. “Gezicht” staat hier voor de persoonlijkheid of het karakter van de persoon (vers 1717IJzer scherpt men met ijzer,
zo scherpt een man het gezicht van zijn naaste.
)
. De vergelijking met het scherpen van ijzer met ijzer laat zien dat het om twee gelijkwaardige materialen gaat. Als twee mensen met elkaar over een onderwerp praten en ook goed naar elkaar luisteren, verscherpt dat het inzicht van beiden over dat onderwerp. Het is een win-winsituatie.

Het gaat om het scherpen van karakter en inzicht. Een karakter wordt grotendeels gevormd door contacten met anderen. Vrienden hoeven het niet altijd met elkaar eens te zijn, maar door ergens over te praten winnen beiden aan inzicht. Het scherpt hen in hun overtuigingen en verwijdert tegelijk de scherpe kanten.

Dat omgang vormend werkt, geldt op bijzondere wijze in onze omgang met onze broeders en zusters met wie we gedachten over Gods Woord delen. Als we delen wat we van Gods waarheid hebben leren kennen, is dat een aanscherping van het geloof van allen. Het geeft een scherper inzicht in Gods gedachten, waardoor we ook met meer inzicht Hem en elkaar kunnen dienen.

In vers 1818Wie de vijgenboom verzorgt, zal zijn vrucht eten,
wie zijn heer bewaakt, zal geëerd worden.
gaat het om de zorg van het werken aan onze relaties, zodat er niet alleen een beter inzicht en karakter ontstaat (vers 1717IJzer scherpt men met ijzer,
zo scherpt een man het gezicht van zijn naaste.
)
, maar in aansluiting daarop vruchtbaarheid en dienstbaarheid. Het gaat niet om scherpen of slijpen, maar om verzorgen en trouw dienen. De verzorging van een vijgenboom is een zaak die aandacht vraagt. Voldoende en gepaste verzorging hebben als resultaat dat de verzorger zijn vrucht zal eten. Dat is zijn beloning.

De vergelijking wordt getrokken met iemand die zijn heer bewaakt. Wie dat trouw doet, zal zich er geen zorgen over maken of zijn inspanningen herkend en beloond zullen worden (vgl. Sp 22:2929Hebt u iemand gezien die vaardig is in zijn werk?
Hij zal ten dienste van koningen gesteld worden,
[maar] ten dienste van onaanzienlijke lieden zal hij niet gesteld worden.
)
. Paulus was een ijverige en trouwe dienaar die alles wat zijn Heer hem aan waarheden had toevertrouwd, heeft bewaakt. Hij heeft er niets van prijsgegeven. Hij wist dat de Heer hem daarvoor zou eren met een kroon (2Tm 4:7-87Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.8Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook <allen> die Zijn verschijning hebben lief gekregen.). Zo zal de Heer ieder op een passende wijze belonen voor de trouw waarmee hij of zij Hem heeft gediend (1Sm 2:3030Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen [zelf] veracht worden.; Mt 25:21,2321Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.23Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.; Jh 12:2626Als iemand Mij dient, laat hij Mij volgen; en waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren.).


Het hart en de ogen van de mens

19Zoals water gezicht tegenover gezicht [stelt],
zo [weerspiegelt] het hart van de mens de mens [zelf].
20Graf en verderf worden niet verzadigd,
evenmin worden de ogen van de mens verzadigd.

Zoals helder water een spiegel is dat een gezicht volledig weerspiegelt als je erin kijkt, zo weerspiegelt “het hart van de mens” zijn ware aard (vers 1919Zoals water gezicht tegenover gezicht [stelt],
zo [weerspiegelt] het hart van de mens de mens [zelf].
; Mt 12:3434Adderengebroed, hoe kunt u goede dingen spreken, terwijl u boos bent? Want uit de overvloed van het hart spreekt de mond.)
. Gods Woord, dat met water wordt vergeleken (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,), wordt ook met een spiegel vergeleken (Jk 1:23-2423Want als iemand een hoorder van [het] Woord is en geen dader, die is gelijk aan een man die zijn natuurlijk gezicht in een spiegel bekijkt;24want hij bekijkt zich, gaat weg en is onmiddellijk vergeten hoe hij er uitzag.). Het toont ieder mens die erin kijkt zijn eigen hart. Wat er in zijn hart is, dat is hij. Als een mens zich dat bewust wordt, zal hij ervan schrikken en zijn slechtheid erkennen en God om genade smeken.

Voor de gelovige geldt hetzelfde. Door te kijken naar de houding van ons hart komen we tot waar zelfbewustzijn. Waar gaat ons hart naar uit? Als iemand bijvoorbeeld met pensioen is gegaan, wordt vaak duidelijk waar zijn prioriteiten liggen. Gaat hij nu al zijn tijd steken in bijvoorbeeld reizen of vissen, of ziet hij nieuwe mogelijkheden om de Heer te dienen? We zien vaak aan de manier waarop iemand zijn vrije tijd besteedt, waar zijn hart naar uitgaat, of het om eigen plezier en genot draait of dat Christus centraal staat.

Na het hart van de mens (vers 1919Zoals water gezicht tegenover gezicht [stelt],
zo [weerspiegelt] het hart van de mens de mens [zelf].
)
wordt onze aandacht op “de ogen van de mens” gericht (vers 2020Graf en verderf worden niet verzadigd,
evenmin worden de ogen van de mens verzadigd.
)
. De ogen van de mens zijn net zo onverzadigbaar als “graf en verderf”. Het oog vertegenwoordigt hier de begeerte van de mens die nooit gestild wordt (vgl. Pr 1:8a8Alle dingen zijn [zo] vermoeiend,
dat niemand het kan uitspreken.
Het oog wordt niet verzadigd van zien,
het oor wordt niet vol van horen.
)
. De apostel Johannes spreekt over “de begeerte van de ogen” (1Jh 2:1616Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.).

Er is een enorm aanbod voor onze ogen. We zien niet alleen meer de dingen die om ons heen gebeuren, maar door televisie en internet is er een grenzeloos aanbod van dingen waarnaar we kunnen kijken. Veel hiervan beïnvloedt ons in onze begeerten. Ook de reclamefolders, die in een onophoudelijke stroom door de brievenbus komen, doen hun best om onze ogen te trekken en de begeerte naar het aangebodene op te wekken. Ogen verslinden alles wat ze zien zoals graf en verderf alle mensen verslinden. De begeerte van de ogen blijft altijd doorgaan.

Als het om de begeerte naar de dingen van dit leven gaat, moeten we leren daaraan niet toe te geven, maar tevreden te zijn met wat we hebben (1Tm 6:88Hebben wij echter voedsel en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn.; Hb 13:55Laat uw wandel zonder geldzucht zijn en weest tevreden met wat u hebt; want Hijzelf heeft gezegd: ‘Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten’,; Fp 4:1111Ik zeg dit niet omdat ik gebrek lijd; want ik heb geleerd tevreden te zijn in de omstandigheden waarin ik ben.). Als het om de begeerte naar de geestelijke dingen gaat, mogen de gelovigen “de Koning aanschouwen in Zijn schoonheid” (Js 33:1717Uw ogen zullen de Koning aanschouwen in Zijn schoonheid.
Ze zullen een wijd uitgestrekt land zien.
)
, waardoor ze verzadigd worden met Zijn beeld (Ps 17:1515Ik [echter] zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen;
ik zal, wanneer ik ontwaak, verzadigd worden met Uw beeld.
)
.


Een goede naam als toets

21Een smeltkroes is er voor het zilver en een oven voor het goud,
zo wordt iemand getoetst op zijn goede naam.

Zilver wordt in een smeltkroes gesmolten om het te testen op zijn zuiverheid. Een oven doet hetzelfde met goud. De testmiddelen tonen aan of er iets in het zilver of het goud aanwezig is wat deze edelmetalen onzuiver maakt. Salomo vergelijkt de “goede naam” die iemand heeft met zilver en goud en verbindt daaraan ook het aanleggen van een test. Iemand die een goede naam heeft, moet erop worden getoetst of hij die naam werkelijk waard is.

Die toets is roem. Er is roem aan iemands goede naam verbonden. Zijn reactie daarop maakt duidelijk hoe hij werkelijk is. De roem die hij krijgt, kan hij aannemen als iets wat hij aan zijn eigen prestaties toeschrijft, of hij kan er God dankbaar voor zijn, want hij heeft alles aan Hem te danken. Dit geldt als we ‘naam’ gemaakt hebben door wat we hebben gedaan, op welk gebied dan ook.

Zoals de smeltkroes alle onzuiverheid aan de oppervlakte brengt, zo brengt een lovende publieke opinie alle slechtheid van een mens naar boven. Als dat niet het geval is, is hij zijn goede naam waard. Dit zal alleen zijn bij iemand die beseft dat hij niets heeft wat hij niet ontvangen heeft, maar dat hij alles aan God te danken heeft (1Ko 4:7a7Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En als u het dan hebt ontvangen, waarom beroemt u zich, alsof u het niet had ontvangen?).

Ieder die zich christen noemt, naar de ‘goede naam’ van Christus, zal op zijn belijdenis worden getoetst. God kan daar allerlei middelen of omstandigheden voor gebruiken. Als mensen ons roemen vanwege ons christen zijn, is dat een toets. Nemen wij die eer aan of geven we God de eer?


De dwaas is en blijft een dwaas

22Al zou u de dwaas met een stamper
in een vijzel stampen tussen het graan,
zijn dwaasheid zou niet van hem wijken.

Dwaasheid kan niet met harde hand worden verwijderd omdat dwaasheid de natuur van een dwaas is. Zelfs de meest drastische tucht bewerkt geen verandering in de dwaas. Dit wordt voorgesteld in het beeld van het vermalen van graan in een vijzel door een stamper (een vijzel is een beker met stamper waarin iets kan worden vermalen). Hoe hij ook zou worden verpulverd, hij is en blijft dwaas (vgl. Jr 13:2323Kan ook een Cusjiet zijn huid veranderen,
of een luipaard zijn vlekken?
Zou ook u [dan] goed kunnen gaan doen,
gewend [als u] bent om kwaad te doen?
)
.

Oordeel alleen verandert een mens niet. De farao werd keer op keer als het ware met een stamper in een vijzel gestampt door de plagen die God over hem en zijn volk en zijn land zond, maar hij veranderde niet (Ex 7-11). De genade van God moet eraan te pas komen, wil een mens werkelijk van zijn dwaasheid verlost worden. Door bekering krijgt hij een nieuwe natuur en wordt hij een nieuwe schepping.


Het werk van de mens en de zorg van God

23Zorg ervoor dat u uw schapen goed kent,
richt uw hart op de kudden.
24Want rijkdom is er niet voor eeuwig,
of zal een diadeem van generatie op generatie blijven?
25Als het [eerste] gras verdwenen is, het [tweede] gras verschijnt,
en de kruiden van de bergen verzameld zijn,
26[dan] zult u lammeren hebben voor uw kleding
en bokken [als] koopprijs voor een akker.
27Bovendien zult u genoeg geitenmelk hebben als uw voedsel,
als voedsel voor uw huis,
en [als] leeftocht voor uw dienstmeisjes.

De verzen 23-2723Zorg ervoor dat u uw schapen goed kent,
richt uw hart op de kudden.
24Want rijkdom is er niet voor eeuwig,
of zal een diadeem van generatie op generatie blijven?
25Als het [eerste] gras verdwenen is, het [tweede] gras verschijnt,
en de kruiden van de bergen verzameld zijn,
26[dan] zult u lammeren hebben voor uw kleding
en bokken [als] koopprijs voor een akker.
27Bovendien zult u genoeg geitenmelk hebben als uw voedsel,
als voedsel voor uw huis,
en [als] leeftocht voor uw dienstmeisjes.
zijn als het ware een kort gedicht over de verantwoordelijkheid van een man om voor inkomsten te zorgen om het gezin en wie daartoe behoren te kunnen geven wat ze nodig hebben. Uit deze verzen blijkt hoe belangrijk het is ijverig aan het werk te zijn. Ze spreken ook van de voldoening die ijverig werken geeft en van Gods voorzienige zorg.

Het gaat om bezig zijn in de roeping waartoe God ons heeft geroepen in het dagelijks leven met de bedoeling dat er voor het levensonderhoud wordt gezorgd van allen die aan de werker zijn toevertrouwd (1Ko 7:2020Laat ieder blijven in de roeping waarin hij is geroepen.). God wil dat de mens werkt en dat hij dat ook ijverig doet. Doet hij dat niet, dan zullen hij en allen die tot zijn huis behoren, honger lijden. Om hem te helpen levert God hulpmiddelen die de mens nodig heeft en die Hij alleen kan geven. Dat moet de mens laten beseffen dat hij bij al zijn werkzaamheden van God afhankelijk is.

We moeten goed weten wat we doen, waaruit ons werk bestaat, en hoe we ons werk moeten doen. Salomo zegt tegen zijn zoon dat hij zijn ‘vak’ goed onder de knie moet hebben. Hij adviseert hem ervoor te zorgen dat hij zijn schapen goed kent (vers 2323Zorg ervoor dat u uw schapen goed kent,
richt uw hart op de kudden.
)
. Dat kan alleen door elk schaap persoonlijke aandacht te geven, zich erom te bekommeren en goed te verzorgen, zodat ze allemaal alles hebben wat ze nodig hebben aan voedsel en bescherming. Dat kan hij alleen in praktijk brengen als hij zijn hart op de kudde richt, zijn hart moet ernaar uitgaan. Iemand moet zijn hart op zijn zaken richten, anders heeft hij binnen de kortste keren geen zaken meer waar hij zijn hart op kan richten.

We kunnen dit vers toepassen op ons gezin, op onze kinderen en ons werk. Hetzelfde geldt voor de zorg in de gemeente van God. De gemeente van God wordt onder andere vergeleken met een kudde (Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].). De zorg daarvoor heeft God aan oudsten gegeven. Petrus kreeg de zorg voor de lammeren en schapen van de Heer Jezus (Jh 21:15-1715Toen zij dan hadden ontbeten, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren.16Hij zei opnieuw tot hem, voor [de] tweede keer: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen.17Hij zei tot hem voor de derde keer: Simon, [zoon] van Johannes, houd je van Mij? Petrus werd bedroefd omdat Hij voor de derde keer tot hem zei: Houd je van Mij? En hij zei tot Hem: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen.; 1Pt 5:1-41[De] oudsten onder u vermaan ik dus, de medeoudste en getuige van het lijden van Christus en ook de deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden;2hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;3ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden.4En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.).

“Want” (vers 2424Want rijkdom is er niet voor eeuwig,
of zal een diadeem van generatie op generatie blijven?
)
geeft de reden voor de aansporing van het vorige vers aan. Bij nalatigheid en luiheid zal de rijkdom of de voorspoed verdwijnen. Er is geen enkele garantie dat voorspoed (rijkdom) en koningschap (diadeem) blijvend zijn, dat je ervan kunt blijven genieten. Je kunt er niet automatisch op rekenen. Om er blijvend voordeel van te hebben moet er blijvend aan worden gewerkt.

De gelovige heeft veel geestelijke rijkdommen en een koninklijke positie gekregen. Die zijn wel voor eeuwig, maar niet overdraagbaar. Ook daarvan verwacht de Heer dat wij daarmee werken en anderen dienen. Daarbij moeten we ons realiseren dat de tijd om voor de Heer te werken begrensd is. We kunnen alleen nu, zolang we op aarde zijn, voor Hem werken. Daartoe spoort Hij ons ook aan: ‘Doet zaken totdat Ik kom’ (Lk 19:1313Hij nu riep zijn tien slaven en gaf hun tien ponden en zei tot hen: Doet zaken totdat ik kom.).

Vers 2525Als het [eerste] gras verdwenen is, het [tweede] gras verschijnt,
en de kruiden van de bergen verzameld zijn,
combineert hard werken door de mens met Gods werk. God laat “het [eerste] gras” groeien, daar komt geen mens aan te pas (Mk 4:2828De aarde draagt vanzelf vrucht, eerst [de] halm, daarna [de] aar, daarna [het] volle koren in de aar.). Hij doet dat volgens Zijn wijs beleid in fasen. Als het eerste gras is opgekomen, kan de mens dat maaien en als hooi van het veld halen. Dan is het van het veld verdwenen. Maar het werk van God gaat door, “het [tweede] gras verschijnt”. God zorgt steeds voor nieuwe aanwas (vgl. Am 7:11Dit heeft de Heere HEERE mij laten zien, en zie, Hij formeerde sprinkhanen toen het nagras begon op te komen; let wel, nagras, nadat er voor de koning gemaaid is.). De mens hoeft er niet voor te zaaien. God geeft het en de mens mag het maaien.

Hij heeft ook “de kruiden van de bergen” laten groeien en de mens mag ook die verzamelen. Bergen zijn onder andere een beeld van moeilijkheden. Kruiden op bergen verzamelen vraagt extra inspanning. Er moeten bergen worden bestegen, maar dat levert dan ook iets op wat van waarde is. Er wordt extra geld verdiend. Kruiden maken het eten smakelijk en worden ook wel voor het vervaardigen van medicijnen gebruikt. Zo wordt elke extra inspanning in het werk van de Heer extra beloond (1Ko 15:5858Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk van de Heer, daar u weet, dat uw arbeid niet vergeefs is in [de] Heer.).

De lammeren leveren wol (vers 2626[dan] zult u lammeren hebben voor uw kleding
en bokken [als] koopprijs voor een akker.
)
. Daarvan kan kleding worden vervaardigd waarmee de herder zich warm kan houden (Jb 31:2020als zijn heupen mij niet gezegend hebben,
omdat hij zich verwarmde met de wol van mijn schapen.
)
. Zijn bokken kan hij verkopen (vgl. Ez 27:2121Arabië en alle vorsten van Kedar, die deden zaken met u in lammeren, rammen en bokken. Daarin deden zij zaken met u.). Dat geeft hem de mogelijkheid om nieuwe investeringen te doen, bijvoorbeeld een nieuwe akker kopen.

Behalve kleding heeft hij ook “genoeg geitenmelk … als … voedsel” (vers 2727Bovendien zult u genoeg geitenmelk hebben als uw voedsel,
als voedsel voor uw huis,
en [als] leeftocht voor uw dienstmeisjes.
)
. Dat voedsel dient zowel voor hemzelf als zijn huis en de dienstmeisjes. Van zijn zorg voor zijn zaken profiteren allen in zijn omgeving. Dat is ook in geestelijk opzicht zo. Wie trouw is in de dingen van de Heer, is een zegen voor anderen.


Lees verder