Spreuken
1 Overgeschreven spreuken van Salomo 2-7 Over koningen en hen die bij hen zijn 8-10 Adviezen voor het voeren van een rechtszaak 11-14 Waardevolle woorden en ijdele woorden 15 De kracht van geduld en van een zachte tong 16-17 Advies om matig te zijn 18-20 Vals getuigenis, vals vertrouwen, valse troost 21-22 Een vijand beschaamd maken 23-24 Een achterbakse tong en een twistzieke vrouw 25-26 Wat wel en wat geen dorst lest 27 Waar ligt onze eer 28 Gebrek aan zelfbeheersing
Overgeschreven spreuken van Salomo

1Ook dit zijn spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, de koning van Juda, hebben overgeschreven.

Hier begint een nieuw deel van het boek: Spreuken 25-29. Het bevat aanvullende spreuken van Salomo, die zijn verzameld door de mannen van koning Hizkia (715-687/686 v.Chr.). Deze mannen leefden ongeveer tweehonderdzeventig jaar na de dood van Salomo. Salomo heeft drieduizend spreuken geschreven (1Kn 4:3232Ook sprak hij drieduizend spreuken uit en waren er van hem duizend en vijf liederen.). Daarvan is een aantal in de voorgaande hoofdstukken in Gods Woord opgenomen. Nu volgt nog een aantal spreuken uit diezelfde voorraad. Deze zijn door “de mannen van Hizkia” overgeschreven en ook in Gods Woord opgenomen.

Het zijn dus geen nieuwe spreuken. Ze waren er al in de tijd van Salomo, de tijd dat het koninkrijk in heerlijkheid bestond. Hizkia is een van de laatste koningen van Juda, het tweestammenrijk. In zijn dagen werd het tienstammenrijk weggevoerd door de Assyriërs. Niet lang daarna zou ook het tweestammenrijk worden weggevoerd, door Nebukadnezar. Dit betekent dat Hizkia in een eindtijd leefde.

Hij was een Godvrezende koning voor wie het Woord van God weer gezag had. Daardoor gaf God door hem een opwekking in Zijn volk. De “spreuken van Salomo die de mannen van Hizkia, de koning van Juda, hebben overgeschreven”, zijn daarvan een extra bewijs. Het laat ons zien dat het voor ons, die ook leven in een eindtijd, belangrijk is het gezag van Gods Woord te erkennen en dat ‘eeuwenoude’ Woord in ons leven toe te passen. We hebben geen belang bij ‘nieuwe waarheden’. In een eindtijd gaat het erom dat we teruggaan naar “wat van [het] begin af was” (1Jh 1:11Wat van [het] begin af was, wat wij gehoord, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd en onze handen betast hebben betreffende het Woord van het leven), dat wij vragen naar “de aloude paden, waar toch de goede weg is”, opdat we die bewandelen (Jr 6:1616Zo zegt de HEERE:
Ga staan op de wegen, en zie,
vraag naar de aloude paden,
waar toch de goede weg is, en bewandel die.
Dan zult u rust vinden voor uw ziel.
Maar zij zeggen: Wij bewandelen [die] niet.
)
.

De waarheden die aan de gemeente zijn toevertrouwd, zijn al tweeduizend jaar oud, maar ze zijn nog even actueel als toen. Het gaat niet om nieuwe waarheden, maar om een hernieuwd beleven van oude waarheden. Het is een goede dienst aan de gemeente als er geschriften worden gepubliceerd die lange tijd onopgemerkt zijn gebleven, maar die van actuele inhoud blijken te zijn.


Over koningen en hen die bij hen zijn

2Het is Gods eer een zaak verborgen te houden,
maar de eer van koningen een zaak te doorgronden.
3De hoogte van de hemel, de diepte van de aarde
en het hart van de koningen zijn niet te doorgronden.
4Doe het schuim van het zilver weg,
en er zal een voorwerp voor de edelsmid uit komen.
5Doe een goddeloze weg van voor [de ogen van] een koning,
en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.
6Praal niet voor [de ogen van] een koning
en ga niet staan op de plaats van groten,
7want het is beter dat men tegen u zegt: Kom hier hogerop,
dan dat men u vernedert voor [de ogen van] een edele,
die uw ogen gezien hebben.

De mannen van Hizkia beginnen, onder de leiding van Gods Geest, met een aantal spreuken over koningen. Bovenal beginnen zij met de verhevenheid van God boven alle aardse koningen voor te stellen. Vers 22Het is Gods eer een zaak verborgen te houden,
maar de eer van koningen een zaak te doorgronden.
benadrukt een tegenstelling tussen God en koningen. Het is de schitterende natuur van God om “een zaak verborgen te houden”. Als God Zijn regering van het universum en Zijn bedoelingen en handelingen niet aan de mens uitlegt, is dat Zijn eer, Zijn heerlijkheid, Zijn soevereiniteit. Hij hoeft de mens geen rekenschap af te leggen van enig plan of enige handeling.

De machtigste mensen op aarde, koningen, vormen een groot contrast met Hem. God hoeft niets uit te zoeken, Hij weet alles, maar het is de eer van de koningen dingen te ontdekken, bloot te leggen of uit te zoeken (vgl. Dt 29:2929De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, tot in eeuwigheid, om al de woorden van deze wet te doen.; Rm 11:33-3433O diepte van rijkdom, zowel van [de] wijsheid als van [de] kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!34Want wie heeft [het] denken van [de] Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?). Koningen moeten zoveel mogelijk alles onderzoeken. Ook moeten ze zaken open en begrijpelijk maken voor hun onderdanen, vooral als het om gerechtelijke zaken gaat.

Koningen heersen als Gods vertegenwoordigers. Zij moeten proberen om Zijn wil in menselijke aangelegenheden zichtbaar te maken. Daarom moeten ze God vragen om Zijn wil te openbaren, dat Hij in de betreffende situatie de verborgenheid van Zijn wil bekendmaakt. De onderdanen van een koning hebben ontzag voor hem en eren hem als hij een zaak ijverig onderzoekt en zijn beslissingen niet neemt op basis van een oppervlakkige kennis van een zaak.

We kunnen dit toepassen op ons als gelovigen. Wij zijn ook koningen (Op 1:66en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen.; 5:1010en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.). Het is een werk van koninklijke waardigheid, een eer en een uitdaging, om te gaan doorgronden wat God in de Schrift heeft verborgen. Hij wil de verborgenheden openbaren. Ze kunnen echter alleen worden ontdekt en begrepen door geestelijk gezinde gelovigen, dat wil zeggen gelovigen die zich door Gods Geest laten leiden, want aan hen kan de Geest verborgenheden openbaren (1Ko 2:10-1210Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.11Want wie van de mensen kent het innerlijk van de mens, dan de geest van de mens die in hem is? Zo kent ook niemand het innerlijk van God, dan de Geest van God.12En wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest Die uit God is, opdat wij weten de dingen die ons door God geschonken zijn.).

Terwijl een koning vooral gerechtelijke zaken duidelijk moet maken aan de mensen (vers 2b2Het is Gods eer een zaak verborgen te houden,
maar de eer van koningen een zaak te doorgronden.
)
, zijn er veel dingen die hij verborgen houdt in zijn hart (vers 33De hoogte van de hemel, de diepte van de aarde
en het hart van de koningen zijn niet te doorgronden.
)
. Hij neemt een positie in waarbij hij niet van alles wat hij doet of laat verantwoording hoeft af te leggen. De vergelijking met de hemel die hoog is en de aarde die diep is, toont de aard van de koning. Hij moet wijs, vindingrijk en ondoorgrondelijk zijn en altijd iedereen een stap voor blijven om een stevige greep op de macht te houden.

De mens moet erkennen dat “de hoogte van de hemel” en “de diepte van de aarde” niet te peilen zijn (vgl. Jr 31:3737Zo zegt de HEERE:
Als de hemel hierboven [ooit] opgemeten zou kunnen worden
en de fundamenten van de aarde beneden onderzocht zouden kunnen worden,
[dan] zou ook Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen,
om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
)
. Wat ze bevatten, gaat het bevattingsvermogen van alle onderzoekers ver te boven. Zo is het ook met “het hart van de koningen”: het is ondoorgrondelijk voor een ander. En zeker is het hart van de gelovige ondoorgrondelijk voor de ongelovige (1Ko 2:1515Maar wie geestelijk is, beoordeelt alle dingen, maar hijzelf wordt door niemand beoordeeld.). Alleen God kent het hart van ieder mens volkomen (Jr 17:9-109Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
)
.

Vers 44Doe het schuim van het zilver weg,
en er zal een voorwerp voor de edelsmid uit komen.
is een illustratie om vers 55Doe een goddeloze weg van voor [de ogen van] een koning,
en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.
te verduidelijken. Vers 44Doe het schuim van het zilver weg,
en er zal een voorwerp voor de edelsmid uit komen.
betekent dat de smid na het wegdoen van het schuim een zuiver zilveren kunstwerk kan produceren. Dit wordt in vers 55Doe een goddeloze weg van voor [de ogen van] een koning,
en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.
toegepast op het verwijderen van een goddeloze uit de tegenwoordigheid van een koning, waardoor zijn troon door gerechtigheid bevestigd wordt. Een koning kan geweldige idealen voor zijn regering hebben en zijn gedrag kan onberispelijk zijn, maar het baat niet als hij wordt omringd door gewetenloze hovelingen die hem misleiden. Wanneer deze worden weggedaan, bestaat de regering alleen uit rechtvaardige raadgevers en zal de regering door gerechtigheid bevestigd worden.

Het gaat om het wegdoen van wat de vastheid van de troon onmogelijk zou maken. Zoals schuim gescheiden wordt van zilver, zo moeten slechte mensen worden verwijderd om de regering van een koning rechtvaardig te laten zijn (Sp 17:33Een smeltkroes is er voor het zilver en een oven voor het goud,
maar de HEERE beproeft de harten.
; 20:88Een koning die op de rechterstoel zit,
schift met zijn ogen alle kwaad.
; Ml 3:33Hij zal zitten [als iemand] die zilver smelt en reinigt:
Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver.
Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid.
).
Het is niet genoeg voor een heerser om rechtvaardig te zijn; zijn medewerkers moeten ook oprechte mensen zijn, opdat zijn regering goed is. Koning Salomo moest eerst meerdere boosdoeners oordelen, voordat hij in veiligheid en rust op de troon kon plaatsnemen (1Kn 2:23-25,29-34,41-4623En koning Salomo zwoer bij de HEERE: God mag zó en nog veel erger met mij doen! Voorzeker, ten koste van zijn leven heeft Adonia dit woord gesproken!24Nu, [zo waar] de HEERE leeft, Die mij aangesteld heeft en mij op de troon van mijn vader David heeft doen zitten, en Die voor mij een [konings]huis gemaakt heeft, zoals Hij gesproken had, voorzeker, Adonia moet vandaag [nog] ter dood gebracht worden!25En koning Salomo stuurde door de dienst van Benaja, de zoon van Jojada, [een bevel,] en deze stak hem neer, zodat hij stierf.29En aan koning Salomo werd bekendgemaakt dat Joab naar de tent van de HEERE was gevlucht, en zie, hij bevond zich bij het altaar. Toen stuurde Salomo Benaja, de zoon van Jojada, [erheen] en zei: Ga, steek hem dood.30Benaja kwam bij de tent van de HEERE en zei tegen hem: Dit zegt de koning: Kom naar buiten. Maar hij zei: Nee, want hier zal ik sterven. En Benaja bracht verslag uit aan de koning en zei: Dit heeft Joab gesproken, ja, dit heeft hij mij geantwoord.31De koning zei tegen hem: Doe zoals hij gesproken heeft, steek hem dood en begraaf hem, en neem [zo] het bloed dat Joab zonder reden vergoten heeft, van mij en van het huis van mijn vader weg.32Zo zal de HEERE zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, neergestoken en hen met het zwaard gedood heeft, terwijl mijn vader David [er] niet [van] wist: Abner, de zoon van Ner, de bevelhebber van het leger van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de bevelhebber van het leger van Juda.33Zo zal hun bloed op het hoofd van Joab terugkeren, en op het hoofd van zijn nageslacht, voor eeuwig; maar David, zijn nageslacht, zijn huis en zijn troon zullen van de HEERE voor eeuwig vrede hebben.34Benaja, de zoon van Jojada, ging [op weg], stak hem neer en doodde hem. Hij werd begraven in zijn huis in de woestijn.41Aan Salomo werd bekendgemaakt dat Simeï uit Jeruzalem naar Gath gegaan en [weer] teruggekomen was.42Toen stuurde de koning [een bode] en liet Simeï roepen en zei tegen hem: Heb ik u niet bij de HEERE laten zweren, u gewaarschuwd en gezegd: Op de dag dat u [de stad] uitgaat, waar dan ook heen, kunt u zeker weten dat u beslist zult sterven? En u zei tegen mij: Het woord dat ik gehoord heb, is goed.43Waarom hebt u [uw] eed bij de HEERE, en het gebod dat ik u heb opgelegd, dan niet in acht genomen?44Verder zei de koning tegen Simeï: Ú weet al het kwaad – waar uw hart weet van heeft – dat u mijn vader David aangedaan hebt. Daarom heeft de HEERE uw kwaad op uw hoofd doen terugkeren.45Maar koning Salomo is gezegend, en de troon van David zal voor het aangezicht van de HEERE voor eeuwig zeker zijn.46En de koning gaf Benaja, de zoon van Jojada, bevel en hij ging naar buiten en stak hem neer, zodat hij stierf. Zo werd het koningschap in de hand van Salomo bevestigd.).

Het kan toegepast worden op het hart van de mens. Wie zit daar op de troon? Als daarin zonde en ongerechtigheid aanwezig zijn, moeten die worden geoordeeld. Dan is het mogelijk een leven te leven dat onderworpen is aan het gezag van de Heer Jezus.

Hetzelfde principe is waar met betrekking tot het komende koninkrijk van onze Heer Jezus Christus. Wanneer Hij in triomf, in macht en majesteit terugkeert naar de aarde, zullen de goddelozen verdelgd en alle overtreders uitgeroeid worden uit het land. Dit oordeel luidt de grote dag van de Heer in. Daarover lezen we in 2 Thessalonicenzen 1-2 en Openbaring 19.

De verzen 6-76Praal niet voor [de ogen van] een koning
en ga niet staan op de plaats van groten,
7want het is beter dat men tegen u zegt: Kom hier hogerop,
dan dat men u vernedert voor [de ogen van] een edele,
die uw ogen gezien hebben.
horen ook bij elkaar. Het is verstandiger erop te wachten om te worden bevorderd, dan het risico te lopen gedegradeerd te worden vanwege zelfpromotie. Het is een overschatting van de eigen belangrijkheid. ‘Pralen’ (vers 66Praal niet voor [de ogen van] een koning
en ga niet staan op de plaats van groten,
)
betekent ‘zich aanmatigend gedragen’. Het woord “want” waarmee vers 77want het is beter dat men tegen u zegt: Kom hier hogerop,
dan dat men u vernedert voor [de ogen van] een edele,
die uw ogen gezien hebben.
begint, geeft aan dat hierna de grond wordt genoemd voor de waarschuwing die in het vorige vers wordt gegeven.

De les is eenvoudig. Het aanprijzen van zichzelf in de rechtbank (“voor [de ogen van] een koning”) houdt het risico van een publieke vernedering in. Daartegenover zal het een eer voor iemand zijn als iedereen in de rechtszaal zijn bevordering uit de mond van de koning zelf hoort. Deze les wordt ook geleerd in Lukas 14 (Lk 14:8-118Wanneer u door iemand op een bruiloft wordt genodigd, ga niet op de eerste plaats zitten, opdat er niet misschien één voornamer dan u door hem genodigd is9en hij die u en hem heeft genodigd, komt en tot u zegt: Maak plaats voor deze; en dan zou u beginnen met schaamte de laatste plaats in te nemen.10Maar wanneer u wordt genodigd, ga dan op de laatste plaats aanliggen, opdat, wanneer hij komt die u heeft genodigd, hij tot u zegt: Vriend, kom hoger op. Dan zal het u een eer zijn tegenover allen die met u aanliggen.11Want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd; en die zichzelf vernedert, zal worden verhoogd.).

Het kan hier een aanbeveling van zichzelf betreffen, het zichzelf naar voren schuiven als de meest geschikte kandidaat voor een post in de nabijheid van de koning, bijvoorbeeld als een van zijn raadgevers (vgl. Mt 20:20-2920Toen kwam bij Hem de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen, huldigde Hem en vroeg iets van Hem.21Hij nu zei tot haar: Wat wilt u? Zij zei tot Hem: Zeg, dat deze twee zonen van mij mogen zitten, een aan Uw rechter- en een aan Uw linkerhand in Uw koninkrijk.22Jezus antwoordde echter en zei: U weet niet wat u vraagt. Kunt u de drinkbeker drinken die Ik zal drinken? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het.23Hij zei tot hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, maar het zitten aan Mijn rechter- en aan Mijn linkerhand is niet aan Mij om <dat> te geven, maar is voor hen wie het door Mijn Vader is bereid.24En toen de tien dit hoorden, namen zij het de twee broers zeer kwalijk.25Jezus nu riep hen bij Zich en zei: U weet, dat de oversten van de volken over hen heersen en de groten gezag over hen voeren.26Zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienstknecht zijn,27en wie onder u [de] eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn;28zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.29En toen zij Jericho uitgingen, volgde Hem een grote menigte.). Iemand kan van zichzelf vinden dat hij “op de plaats van groten hoort”. Deze zelfoverschatting kan uitlopen op een publieke vernedering. “Een edele, die uw ogen gezien hebben”, kan een voornaam iemand zijn die later komt dan de aangesprokene, die recht heeft op de plaats die deze al eigenmachtig had ingenomen.


Adviezen voor het voeren van een rechtszaak

8Ga er niet [te] snel opuit om [iemand] aan te klagen.
Wat zult u anders uiteindelijk doen,
wanneer uw naaste u te schande maakt?
9Voer uw rechtszaak met uw naaste,
maar maak het geheim van een ander niet openbaar,
10anders zou hij die het hoort, u kunnen smaden,
en zou het kwaad gerucht over u niet te keren zijn.

Men moet niet staan te popelen om getuige te zijn, opdat men niet in het openbaar te schande wordt gezet (vers 88Ga er niet [te] snel opuit om [iemand] aan te klagen.
Wat zult u anders uiteindelijk doen,
wanneer uw naaste u te schande maakt?
)
. Je kunt iets hebben gezien of gehoord, wat jij een reden vindt om iemand daarvoor snel aan te klagen, maar bedenk wel dat het riskant is om dat te doen. Als namelijk blijkt dat je het verkeerd hebt beoordeeld, word jij openlijk te schande gezet door de persoon die door jou is aangeklaagd. Het kan zelfs tot je failliet leiden.

Het is een waarschuwing er voorzichtig mee te zijn om iemand aan te klagen zonder voldoende bewijs. Het kan gebeuren dat iemand een ander aanklaagt om er financieel voordeel uit te halen. Hij onthult dan details van iets wat de ander gedaan zou hebben. Als echter blijkt dat het niet waar is, of als de bewijzen te mager zijn, zal hij zelf voor paal staan en opdraaien voor de kosten van het proces. Er zijn al heel wat van dit soort schandaalprocessen geweest.

Als iemand een geschil heeft met een ander, is het beste wat kan gebeuren dit binnenskamers te houden (vers 99Voer uw rechtszaak met uw naaste,
maar maak het geheim van een ander niet openbaar,
; Mt 18:15b15Als nu uw broeder <tegen u> zondigt, ga heen, overtuig hem tussen u en hem alleen;)
. Dat voorkomt openbare schande. De gedachte is dat iemand beschaamd zal worden en voor altijd een slechte reputatie zal hebben als hij in een ruzie met zijn buurman aan anderen openbaar maakt wat hem in het geheim is toevertrouwd (vers 1010anders zou hij die het hoort, u kunnen smaden,
en zou het kwaad gerucht over u niet te keren zijn.
)
. Er zal nooit succes in een ruzie worden geboekt als dat succes ten koste van iemands integriteit of pijn gaat. Onthul daarom in een ruzie nooit geheimen met als doel jezelf schoon te praten.


Waardevolle woorden en ijdele woorden

11Een woord op het juiste moment gesproken,
is [als] gouden appels in zilveren schalen.
12Zoals een gouden oorring en een halssieraad van fijn goud,
zo is een wijze vermaner voor een luisterend oor.
13Zoals de koelte van sneeuw op de dag van de oogst,
[zo] is een betrouwbare gezant voor zijn zenders,
hij verkwikt de ziel van zijn meester.
14Zoals wolken en wind zonder regen,
[zo] is iemand die zich beroemt op een valse gift.

Vers 1111Een woord op het juiste moment gesproken,
is [als] gouden appels in zilveren schalen.
gaat over de immense waarde en onvergelijkbare schoonheid van “een woord” dat “op het juiste moment gesproken” wordt. De uitdrukking die is vertaald met ‘op het juiste moment’ is letterlijk ‘op zijn wielen’, dat wil zeggen een woord dat ongedwongen voortgaat zoals soepel rollende wielen voortgaan. Het komt precies op tijd en is precies van toepassing op de persoon en de omstandigheden waarin deze zich bevindt. Het gaat maar om “een woord”, niet om een lange redevoering (vgl. 1Ko 14:1919maar in [de] gemeente wil ik [liever] vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in een taal.). Een dergelijk woord is als “gouden appels”, als gezonde vruchten die de waarde van Goddelijke heerlijkheid hebben, voorgesteld in het goud, terwijl ze worden opgediend in het besef van verkregen verzoening, voorgesteld in het zilver.

“Gouden appels in zilveren schalen” zijn waardevolle woorden gesproken in een aangename sfeer. Dat geldt bovenal voor het Woord van God, voor alles wat God heeft gesproken. De Heer Jezus sprak tot Nicodémus de woorden die hij op dat moment nodig had (Jh 3:1-111Nu was er een mens uit de farizeeën, zijn naam was Nicodémus, een overste van de Joden;2deze kwam ‘s nachts bij Hem en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als Leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is.3Jezus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien.4Nicodémus zei tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Kan hij soms voor de tweede keer in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden?5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan.6Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest.7Verwonder u niet dat Ik u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden.8De wind waait waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heengaat; zo is ieder die uit de Geest geboren is.9Nicodémus antwoordde en zei tot Hem: Hoe kunnen deze dingen gebeuren?10Jezus antwoordde en zei tot hem: Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet?11Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken wat Wij weten en Wij getuigen wat Wij hebben gezien; en u neemt Ons getuigenis niet aan.). Zo sprak de Heer ook tot de Samaritaanse vrouw en tot Zacheüs. Ook tot de farizeeën en de schriftgeleerden sprak Hij woorden die zij nodig hadden. Hij sprak niet wat ze graag hoorden, maar wat tot hun nut was. Wij mogen Hem daarin navolgen.

In aansluiting op vers 1111Een woord op het juiste moment gesproken,
is [als] gouden appels in zilveren schalen.
gaat het in vers 1212Zoals een gouden oorring en een halssieraad van fijn goud,
zo is een wijze vermaner voor een luisterend oor.
over “een wijze vermaner”, iemand die het juiste woord op de juiste tijd op de juiste wijze tegen de juiste persoon weet te spreken. Als zo iemand “voor een luisterend oor” een woord spreekt, is dat “als een gouden oorring en een halssieraad van fijn goud”. Een wijze berisping die goed wordt ontvangen, is van blijvende waarde. Een luisterend oor erkent niet alleen de wijsheid van de vermaner, maar ziet er ook grote schoonheid in, als die van sieraden voor oor en hals.

De sieraden symboliseren dat een luisterend oor de heerlijkheid van God uitstraalt (goud). God wordt daarin verheerlijkt. Een luisterend oor hoort niet alleen de vermaning, maar is er ook gehoorzaam aan. Er wordt ook voor gebogen, de hals buigt zich eronder. Er is geen halsstarrigheid. Als de hals zich buigt, wordt hij omhangen met een sieraad “van fijn goud”. Het vers is de ideale combinatie van een wijze vader of leraar en een gewillige zoon of leerling. De vrienden van Job waren geen wijze vermaners. Job had ook geen luisterend oor voor hen.

In vers 1313Zoals de koelte van sneeuw op de dag van de oogst,
[zo] is een betrouwbare gezant voor zijn zenders,
hij verkwikt de ziel van zijn meester.
wordt het effect van waardevolle woorden voor de zenders van “een betrouwbare gezant” beschreven. Een betrouwbare gezant is iemand die de woorden van zijn zenders precies zo doorgeeft zoals hij ze van hen heeft meegekregen voor de persoon tot wie hij gezonden is. Voor de zenders is een dergelijke gezant als “de koelte van sneeuw op de dag van de oogst”. Tijdens de oogst moet er hard worden gewerkt. Dan is een verkoeling zeer welkom. Een betrouwbare gezant bezorgt “de ziel van zijn meester” zo’n verkoeling of verkwikking als hij zijn missie trouw heeft volbracht. Trouw verkwikt altijd, is altijd verfrissend.

Christus was de trouwe Godsgezant. Paulus was zo’n trouwe afgezant van God (1Ko 4:1-21Laat men ons zó beschouwen: als dienaren van Christus en rentmeesters van [de] verborgenheden van God.2Verder wordt hier van de rentmeesters vereist, dat men trouw wordt bevonden.). Als wij dienaren of gezanten van Christus worden (2Ko 5:2020Wij zijn dan gezanten voor Christus, terwijl God als [het ware] door ons maant. Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.), zal onze trouw een verkwikking zijn voor onze Meester (Mt 25:21,2321Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.23Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.).

De beloften van een opschepper zijn hol en leeg (vers 1414Zoals wolken en wind zonder regen,
[zo] is iemand die zich beroemt op een valse gift.
)
. De illustratie is hier dat de verwachting wordt gewekt dat er regen komt als we wolken en wind zien. Als er geen regen komt, krijgen wolken en wind wel onze aandacht, maar ze stellen ons teleur in onze verwachting en zijn dus bedrieglijk. Daarmee vergelijkt de wijze de praatjesmaker die opschept over giften om die te schenken. Maar de belofte is bedrieglijk; hij geeft niets, want hij heeft niets. Zijn mond is groter dan zijn hand.

De les is om niets te verwachten van mensen die met opgezwollen taal iets beloven. We zien deze valse beloftes ook in bepaalde kringen die zich erop beroemen dat je bij hen bijvoorbeeld genezing van een ziekte kunt krijgen, of bevrijding van je depressie, of succes in je zaak. Judas past dit in zijn brief toe op valse leraren in de gemeente als hij spreekt over “waterloze wolken, door winden voortgedreven” (Jd 1:11-1311Wee hun, omdat zij de weg van Kaïn gegaan zijn en voor loon zich aan de dwaling van Bileam overgegeven hebben en in de tegenspreking van Korach omgekomen zijn.12Dezen zijn de vlekken in uw liefdemalen, als zij zonder vrees bij u brassen en zichzelf weiden; waterloze wolken, door winden voortgedreven, bomen in de late herfst zonder vrucht, tweemaal gestorven, ontworteld;13wilde golven van [de] zee, die hun eigen schandelijkheden opschuimen; dwaalsterren, voor wie de donkerheid van de duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt.). Het is ook van toepassing op onszelf als we iemand beloven iets te doen en dat niet doen. We wekken een verwachting door onze belofte, maar zijn wolken en wind zonder regen.


De kracht van geduld en van een zachte tong

15Met geduld wordt een leider overgehaald,
en een zachte tong kan beenderen breken.

Met geduld en zachte woorden kan onoverkomelijke tegenstand worden overwonnen (vgl. Lk 18:1-81Hij nu sprak ook een gelijkenis tot hen, met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden,2en zei: Er was in een stad een rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag.3Nu was er in die stad een weduwe die naar hem toe kwam en zei: Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij.4En hij wilde een tijdlang niet. Daarna echter zei hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie, zal ik,5omdat deze weduwe mij lastig valt, haar recht verschaffen, opdat zij mij niet uiteindelijk in het gezicht komt slaan.6De Heer nu zei: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt.7Zal God dan Zijn uitverkorenen geenszins recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen lang wachten?8Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Als evenwel de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op de aarde?). Een verzoek dat met geduldige volharding en in zachte bewoordingen bij een leider wordt gedaan, heeft zeker kans van slagen. Het gaat erom geen lichamelijk of verbaal geweld te gebruiken, maar in de kracht van de Geest te werk te gaan: “Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest” (Zc 4:66Daarop antwoordde Hij en zei tegen mij:
Dit is het woord van de HEERE tot Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de HEERE van de legermachten.
; vgl. 2Tm 2:24-2524een slaaf van [de] Heer moet echter niet twisten, maar vriendelijk zijn voor allen, geschikt om te leren, verdraagzaam,25de tegenstanders met zachtmoedigheid terechtwijzend; misschien geeft God hun bekering om [de] waarheid te erkennen)
.

Dat een zachte tong beenderen kan breken, wil zeggen dat door zacht spreken harde tegenstand kan worden afgebroken. Het vers is een aanbeveling van verzoenende en overtuigende belangenbehartiging die ten slotte triomfeert over de meest vastberaden weerspannigheid. “Een zacht antwoord keert woede af” (Sp 15:11Een zacht antwoord keert woede af,
maar een krenkend woord wekt toorn op.
)
. Dit is een belangrijk advies in gesprekken tussen man en vrouw en ouders en kinderen en in alle andere relaties die we hebben.


Advies om matig te zijn

16Hebt u honing gevonden, eet [dan] tot u genoeg hebt,
anders raakt u er oververzadigd door en spuwt u het uit.
17Zet uw voet niet te dikwijls in het huis van uw naaste,
anders zou hij genoeg van u krijgen en u gaan haten.

Men moet, ook in het genot van wat men lekker vindt, maat weten te houden (vers 1616Hebt u honing gevonden, eet [dan] tot u genoeg hebt,
anders raakt u er oververzadigd door en spuwt u het uit.
)
. Overdaad schaadt. Matiging (“tot u genoeg hebt”) is noodzakelijk in de genoegens die het leven biedt. Als er matigheid is, kan er echt van iets worden genoten. Jonathan vond “honing” (1Sm 14:25-3025En heel het volk kwam in een bos; daar was honing op een veld.26Toen het volk in het bos kwam, zie, daar vloeide honing; maar niemand bracht zijn hand naar zijn mond, want het volk was bevreesd voor de eed.27Maar Jonathan had het niet gehoord, toen zijn vader het volk bezworen had. Hij stak de punt van de stok die in zijn hand was, uit en doopte hem in een honingraat. Daarop bracht hij zijn hand naar zijn mond en stonden zijn ogen [weer] helder.28Toen nam een man uit het volk het woord en zei: Uw vader heeft het volk uitdrukkelijk bezworen: Vervloekt is de man die vandaag voedsel tot zich neemt! Daarom is het volk uitgeput.29Toen zei Jonathan: Mijn vader heeft het land in het ongeluk gestort. Kijk toch eens hoe helder mijn ogen staan, omdat ik een beetje van deze honing gebruikt heb.30Hoeveel te meer, als het volk vandaag maar vrijuit had mogen eten van de buit van zijn vijanden, die het gevonden heeft. Maar nu is de slag onder de Filistijnen niet groot geweest.). Hij genoot ervan. Zijn ogen werden erdoor verlicht en hij kreeg er nieuwe krachten door om zijn weg te vervolgen.

Voor ons geldt: “Alles is mij geoorloofd” (1Ko 6:12b12Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig; alles is mij geoorloofd, maar ik zal mij door niets laten overheersen.). Daarbij moeten we er wel aan denken dat er nog wat volgt: “Maar ik zal mij door niets laten overheersen.” Honing eten is een beeld van de natuurlijke betrekkingen in huwelijk en gezin. Die zijn door God gegeven en daarom goed. Daarvan mag door ons genoten worden, maar als die een te grote plaats krijgen en onze dienst aan God naar de achtergrond verdringen, worden we geestelijk ziek.

Ook in het bezoeken van een naaste of een familielid moet men maat weten te houden (vers 1717Zet uw voet niet te dikwijls in het huis van uw naaste,
anders zou hij genoeg van u krijgen en u gaan haten.
)
. Ook hier geldt: overdaad schaadt. De verzen 16-1716Hebt u honing gevonden, eet [dan] tot u genoeg hebt,
anders raakt u er oververzadigd door en spuwt u het uit.
17Zet uw voet niet te dikwijls in het huis van uw naaste,
anders zou hij genoeg van u krijgen en u gaan haten.
zijn vergelijkbaar in hun woorden en ideeën. Beide verzen adviseren matigheid, het ene in honing eten, het andere in iemand bezoeken. Vers 1616Hebt u honing gevonden, eet [dan] tot u genoeg hebt,
anders raakt u er oververzadigd door en spuwt u het uit.
gaat over ‘te veel honing’, vers 1717Zet uw voet niet te dikwijls in het huis van uw naaste,
anders zou hij genoeg van u krijgen en u gaan haten.
gaat over ‘te veel van jou’.

De vermaning “zet uw voet niet te dikwijls in” is letterlijk ‘maak uw voet iets zeldzaams voor’. Het moet kostbaar voor de naaste of het familielid zijn dat je komt. Iets wat zeldzaam is, is ook kostbaar. De motivatie voor de waarschuwing is dat misbruik van vertrouwdheid iemand de keel gaat uithangen en dat er haat ontstaat. Visite en vis blijven drie dagen fris.

Als we te veel van iets goeds willen hebben, kan dat ertoe leiden dat onze relatie met God vervangen wordt door dat goede, waardoor het goede iets verkeerds wordt. We kunnen menen een gave te hebben om iemand te dienen en hem druk bezoeken om onze gave uit te oefenen. Wat we echter moeten beseffen, is dat hij niet onze aanwezigheid nodig heeft, maar die van de Heer. We moeten hem net zoveel hulp geven als hij nodig heeft om bij de Heer uit te komen.


Vals getuigenis, vals vertrouwen, valse troost

18[Zoals] een strijdhamer, een zwaard en een scherpe pijl,
[zo] is iemand die tegen zijn naaste een vals getuigenis aflegt.
19[Zoals] een gebroken tand en een verstuikte voet,
[zo] is het vertrouwen op een trouweloze in de dag van benauwdheid.
20Wie liederen zingt bij een treurig hart,
is [als] wie kleren uittrekt op een koude dag [en] zure wijn [doet] op loog.

“Een vals getuigenis” bewerkt de dood in de samenleving (vers 1818[Zoals] een strijdhamer, een zwaard en een scherpe pijl,
[zo] is iemand die tegen zijn naaste een vals getuigenis aflegt.
)
. Wie een vals getuigenis aflegt, wordt vergeleken met “een strijdhamer, een zwaard en een scherpe pijl”, allemaal dodelijke wapens. De hamer verplettert, het zwaard hakt af en de scherpe pijl doorboort. Een valse getuige kan door zijn valse woorden de dood van onschuldige mensen veroorzaken (vgl. Sp 12:1818Er zijn er die als met dolksteken praten, ondoordacht,
maar de tong van de wijzen betekent genezing.
; Ps 57:55Mijn ziel verkeert te midden van leeuwen,
ik lig [tussen] mensen die verzengen [als vuur],
mensenkinderen van wie de tanden speren en pijlen zijn,
en hun tong een scherp zwaard.
; Ps 120:3-43Wat zal de tong vol bedrog u geven?
Wat zal die aan u toevoegen?
4Scherpe pijlen van een machtig man,
en gloeiende houtskool van bremstruiken daarbij.
)
. Dat er niet slechts één, maar wel drie van deze wapens worden genoemd, maakt wel duidelijk hoe ernstig het kwaad van het afleggen van een vals getuigenis tegen de naaste is (Ex 20:1616U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.; Dt 5:2020En u zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.).

“Een gebroken tand en een verstuikte voet” zijn allebei ongeschikt om iets te doen (vers 1919[Zoals] een gebroken tand en een verstuikte voet,
[zo] is het vertrouwen op een trouweloze in de dag van benauwdheid.
)
. Kauwen op een gebroken tand en lopen op een verstuikte voet zijn allebei pijnlijke handelingen die je in het ene geval afhouden van eten en in het andere geval van lopen. Hetzelfde effect heeft “het vertrouwen op een trouweloze persoon in de dag van de benauwdheid”. Als het echt moeilijk wordt en we het benauwd krijgen in de maatschappij of in de gemeente, dan is een van de grootste teleurstellingen dat je je vertrouwen hebt gesteld op een trouweloze.

Als ons dit overkomt, mogen we eraan denken dat God wel trouw is: “God is ons een toevlucht en vesting; Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden” (Ps 46:22God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
; 91:1515Hij zal Mij aanroepen en Ik zal hem verhoren,
in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn,
Ik zal hem eruit helpen en hem verheerlijken.
)
.

Onverantwoorde, ongevoelige pogingen om mensen op te vrolijken die verdriet hebben, maken het verdriet alleen maar erger (vers 2020Wie liederen zingt bij een treurig hart,
is [als] wie kleren uittrekt op een koude dag [en] zure wijn [doet] op loog.
)
. Dat zijn geen woorden die op het juiste moment worden gesproken (vers 1111Een woord op het juiste moment gesproken,
is [als] gouden appels in zilveren schalen.
)
. De wijze vergelijkt zo iemand met iemand die van een ander een kledingstuk op een koude dag wegneemt. Hij zet hem in de kou. Dat is heel wat anders dan hem in de kou extra warmte te geven. Hij is totaal ongevoelig voor wat de ander nodig heeft. De tweede vergelijking is het doen van zure wijn op loog. Er ontstaat een niet-gewenste chemische reactie. Het gaat bruisen, er is activiteit, maar er ontstaat slechts lege schuim. Zure wijn en loog zijn niet te combineren. Als dit toch gebeurt, worden beide onbruikbaar.

We moeten met betrekking tot de emotionele nood waarin mensen zich kunnen bevinden waakzaam en gevoelig zijn. Die gevoeligheid voor anderen moeten we ontwikkelen, anders bezorgen we ze een ‘koude douche’ in plaats van een ‘warm bad’ van medeleven. Er is geen ‘chemie’ tussen iemand die vrolijke liederen zingt en iemand die een treurig hart heeft (vgl. Ps 137:1-31Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij,
ook weenden wij als wij aan Sion dachten.
2Wij hadden onze harpen gehangen
aan de wilgen die daarbinnen zijn.
3Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden,
en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap:
Zing voor ons [een] van de liederen van Sion!
)
. Paulus houdt ons het volgende voor: Verblijdt u met [de] blijden en weent met [de] wenenden” (Rm 12:1515Verblijdt u met [de] blijden en weent met [de] wenenden.).


Een vijand beschaamd maken

21Als iemand die u haat, hongerlijdt, geef hem brood te eten,
en als hij dorstig is, geef hem water te drinken,
22want [zo] zult u [vurige] kolen op zijn hoofd hopen,
en de HEERE zal het u vergelden.

God wil dat wij iemand die ons haat vriendelijk behandelen. Door onze hater tegengesteld te behandelen aan de manier waarop hij ons behandelt, handelen we in overeenstemming met Wie God is (vers 2121Als iemand die u haat, hongerlijdt, geef hem brood te eten,
en als hij dorstig is, geef hem water te drinken,
)
. Zo handelt Hij ook met de mens en zo heeft Hij ook met ons gehandeld toen wij Hem nog niet kenden. Hij wil dat wij onze hater de meest elementaire levensbehoeften, “brood” en “water”, geven als hij daaraan behoefte heeft. In de manier waarop Elisa de koning van Syrië behandelt, zien we hiervan een prachtige illustratie (2Kn 6:18-2318Toen [de Syriërs] naar hem afdaalden, bad Elisa tot de HEERE en zei: Sla dit volk toch met blindheid. En Hij sloeg hen met blindheid, overeenkomstig het woord van Elisa.19Toen zei Elisa tegen hen: Dit is de weg niet en dit is de stad niet. Volg mij, dan zal ik u naar de man brengen die u zoekt. En hij bracht hen naar Samaria.20En het gebeurde, toen zij in Samaria aangekomen waren, dat Elisa zei: HEERE, open de ogen van deze [mannen], zodat zij zien. En de HEERE opende hun ogen, zodat zij zagen; en zie, zij waren midden in Samaria.21Toen hij hen zag, zei de koning van Israël tegen Elisa: Zal ik hen doden? Zal ik hen doden, mijn vader?22Maar hij zei: Dood hen niet! Zou u hén doden die u met uw zwaard en met uw boog gevangengenomen hebt? Zet hun brood en water voor, dan kunnen zij eten en drinken en [terug]gaan naar hun heer.23Hij bereidde daarop een grote maaltijd voor hen, en zij aten en dronken. Daarop stuurde hij hen [terug] en gingen zij naar hun heer. En de benden van de Syriërs kwamen niet meer in het land Israël [terug].).

Het woord “want” waarmee vers 2222want [zo] zult u [vurige] kolen op zijn hoofd hopen,
en de HEERE zal het u vergelden.
begint, geeft de reden aan waarom wij zo moeten handelen als in het vorige vers staat. Door iemand die ons haat goed te doen in plaats van het kwaad dat hij ons doet, hopen we “[vurige] kolen op zijn hoofd”. Vurige kolen op iemand hopen heeft niet als doel hem te verteren, maar hem te laten smelten. Het beeld van de “[vurige] kolen” vertegenwoordigt gewetenswroeging, die gemakkelijker ontstaat door vriendelijkheid dan door geweld. Deze gloeiende kolen veroorzaken de scherpe pijn van berouw door middel van spijt over de haat die hem bezielde (Sp 18:1919Een broeder wie onrecht is aangedaan, is erger dan een sterke stad,
en ruzies zijn als een grendel van een vesting.
; 20:2222Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden;
wacht op de HEERE, en Hij zal u verlossen.
; 24:1717Verblijd u niet als uw vijand valt,
en laat uw hart zich niet verheugen als hij struikelt,
; 1Sm 24:18-2018Hij zei tegen David: Jij bent rechtvaardiger dan ik, want jij bent goed voor mij geweest, en ik ben slecht voor jou geweest.19Je hebt vandaag verteld dat je mij goed gedaan hebt; want de HEERE had mij in jouw hand overgeleverd, maar je hebt mij niet gedood.20En wanneer iemand zijn vijand vindt, laat hij hem dan ongehinderd gaan? Moge de HEERE jou belonen voor het goede dat je mij vandaag gedaan hebt.)
. Paulus citeert deze verzen in Romeinen 12 (Rm 12:2020‘Maar als uw vijand honger heeft, geef hem te eten; als hij dorst heeft, geef hem te drinken; want door dit te doen zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen’.).

God verbindt aan dit handelen de belofte van een vergelding in de zin van een vergoeding. We geven iets weg, het kost ons iets, en dat nog wel aan onze vijand. Daardoor worden we echter niet armer, maar veel rijker. God vergeet niet dat wij dit hebben gedaan en zal dat compenseren. Als wij handelen met onze vijanden zoals God dat doet met Zijn vijanden, is dat Hem welgevallig. Wat we daarin investeren, zal Hij vergoeden. De Heer Jezus heeft het voorbeeld gegeven.


Een achterbakse tong en een twistzieke vrouw

23De noordenwind brengt regen voort
en een achterbakse tong toornige gezichten.
24Het is beter te wonen op een hoek van een dak,
dan [in] een gemeenschappelijk huis met een twistzieke vrouw.

Een “achterbakse tong” is een heimelijke tong, een tong van een verborgen plaats. Het is het praten achter iemands rug, hem belasteren en kwaad van hem spreken. Vroeg of laat komt de persoon over wie het gaat erachter. Bij hem en zijn familie zal dat toorn op de gezichten brengen, net zoals de noordenwind regen voortbrengt. In Israël is het niet gebruikelijk dat de noordenwind regen voortbrengt, dat doet de westenwind. Doet hij dat wel, dan is dat niet aangenaam. Op dezelfde wijze werkt een achterbakse tong. Hij kan slijmende woorden spreken, maar hij brengt in plaats van lachende “toornige gezichten” voort.

De achterbakse tong van vers 2323De noordenwind brengt regen voort
en een achterbakse tong toornige gezichten.
is in vers 2424Het is beter te wonen op een hoek van een dak,
dan [in] een gemeenschappelijk huis met een twistzieke vrouw.
veranderd in de scherpe tong van “een twistzieke vrouw”. De herhaling van dit vers (Sp 21:99Het is beter te wonen op een hoek van een dak,
dan [in] een gemeenschappelijk huis met een twistzieke vrouw.
)
verdiept het belang ervan. Twistziek wil zeggen ruzie maken over alle mogelijke zaken die moeten worden gedaan en beslissingen die moeten worden genomen. Zij accepteert niet dat de man het hoofd van het gezin is. Het is een spreuk die meer een verzuchting is en een advies inhoudt.

Het betekent niet dat de man zich uit de woning terugtrekt en alleen gaat wonen omdat hij het geruzie zat is. Het is een waarschuwing voor ieder die nog aan een huwelijk moet beginnen. Je kunt beter in vreedzame eenzaamheid en eenvoud wonen dan in een ruim huis in het gezelschap van iemand met wie je huis en haard deelt, maar die voortdurend twist. Daarom bezin je voordat je eraan begint en zoek een Godvrezende vrouw.


Wat wel en wat geen dorst lest

25[Zoals] koud water op een vermoeide ziel,
[zo] is een goed bericht uit een ver land.
26[Zoals] een vervuilde bron en een verdorven fontein,
[zo] is een rechtvaardige die voor [de ogen van] een goddeloze wankelt.

Goed nieuws dat van ver komt en waar lang op is gewacht, heeft hetzelfde effect als “koud water op een vermoeide ziel” (vers 2525[Zoals] koud water op een vermoeide ziel,
[zo] is een goed bericht uit een ver land.
)
. “Een goed bericht” verfrist en verkwikt iemand die smacht naar nieuws van een geliefde die is vertrokken naar een ver land. Toen de communicatiemiddelen die we nu hebben er nog niet waren, vergde het de nodige tijd voordat er voor de achterblijvers nieuws kwam (vgl. Gn 45:2727Maar toen zij hem alle woorden overgebracht hadden die Jozef tot hen gesproken had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob op.; 1Th 3:5-85Daarom ook heb ik, omdat ik het niet langer uithield, hem gezonden om van uw geloof te weten, of de verzoeker u misschien ook verzocht had en onze arbeid vergeefs was geworden.6Maar nu is Timotheüs van u tot ons gekomen en heeft ons de blijde boodschap gebracht van uw geloof en uw liefde, en dat u ons altijd in goede herinnering houdt en verlangt ons te zien, zoals ook wij u.7Daarom, broeders, zijn wij in al onze nood en verdrukking over u vertroost door uw geloof;8want nu leven wij, als u vaststaat in [de] Heer.). Het tijdsaspect speelt nu niet meer zo’n grote rol, maar een goed bericht dat ons via de moderne media bereikt binnen een seconde nadat het is verzonden, heeft voor een geliefde hetzelfde effect. Een goed bericht verandert het leven.

Het goede bericht uit een ver land kunnen we ook toepassen op het evangelie. Het woord ‘evangelie’ betekent letterlijk ‘goed nieuws’. Het evangelie is uit een ver land, de hemel, tot ons gekomen. Dat hebben de herders ervaren toen een boodschapper uit de hemel tegen hen zei: “Ik verkondig (letterlijk: evangeliseer) u grote blijdschap … want u is heden een Heiland geboren, Die Christus [de] Heer is” (Lk 2:10-1110En de engel zei tot hen: Weest niet bang, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor het hele volk zal zijn;11want u is heden een Heiland geboren, Die Christus [de] Heer is, in [de] stad van David.). In het evangelie wordt het levenswater aangeboden aan ieder die dorst heeft. Wie dorst heeft, mag er gratis van drinken (Op 22:1717En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet.).

De Heer Jezus zegt tegen de vermoeide ziel: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven” (Mt 11:2828Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.). Wie vermoeid is door het leven en gebukt gaat onder de last van zijn zonden, kan bij Hem rust en verkwikking vinden. Het evangelie is de grootste dorstlesser en veranderaar van het leven. Het is een aansporing om het goede nieuws door te geven aan iedere vermoeide ziel.

Tegenover het koude, verkwikkende water staat “een vervuilde bron”, bijvoorbeeld doordat er dieren doorheen gelopen zijn (vgl. Ez 34:18b18Is het te weinig voor u dat u de beste weide afgraast? Moet u het overige van uw weide dan met uw voeten vertrappen? En moet u het heldere water drinken en wat overblijft, met uw voeten troebel maken?), en “een verdorven fontein”, bijvoorbeeld doordat er iets doods in is gevallen (vers 2626[Zoals] een vervuilde bron en een verdorven fontein,
[zo] is een rechtvaardige die voor [de ogen van] een goddeloze wankelt.
)
. Ze zijn een rampscenario voor de oosterling die door de hete woestijn op reis is. Als hij vermoeid en dorstig bij een dergelijke bron of fontein komt, ziet hij tot zijn ontsteltenis dat hij het water uit die bron, dat hij zo nodig heeft, niet kan drinken. Het smaakt niet alleen vies, maar het is vaak ook vergiftigd, waardoor ervan drinken schadelijk is voor het lichaam en uiteindelijk dodelijk kan zijn.

De wijze Salomo gebruikt dit beeld om een rechtvaardige te beschrijven die in de aanwezigheid van een goddeloze zijn standvastigheid in het geloof door angst of gunst verliest. Dit is net zo ontmoedigend als het vinden van een vervuilde bron waar je graag je dorst wilt lessen. Lot was zo’n rechtvaardige (2Pt 2:77en als Hij [de] rechtvaardige Lot gered heeft die zwaar te lijden had door de wandel in losbandigheid van de zedelozen;) die voor de ogen van een goddeloze wankelde. Hij bevond zich in Sodom. Dat was een vervuilde bron en een verdorven fontein waaruit hij zoveel had gedronken, dat hij zelf zo’n verdorven fontein was geworden (Gn 19). Hij kon voor anderen geen verkwikking zijn. Wat bij Lot zijn levenswijze was, is bij Jakob als incident ook voorgekomen, in een ontmoeting met zijn goddeloze broer Ezau (Gn 33:33terwijl hij zelf voor hen uit ging en zich zeven keer ter aarde neerboog, totdat hij bij zijn broer gekomen was.).

Het bovenstaande is vandaag van toepassing op christenen die in de wereld opgaan. Zij behoren een bron van leven voor anderen te zijn, maar ze leven een werelds leven. Wat zij te zeggen hebben, komt uit een vervuilde bron en een verdorven fontein. Zij zijn niet in staat anderen te verfrissen. Als zij in moeilijkheden komen, wankelen zij, terwijl de goddeloze dat ziet. Zij zijn een antigetuigenis. Het kan gebeuren met mensen die in de politiek gaan, het zakenleven ingaan of gaan studeren. Ze komen in aanraking met allerlei verkeerde dingen of leringen, bijvoorbeeld de evolutietheorie. Als ze daardoor beïnvloed worden, worden ze als een vervuilde bron en een verdorven fontein.


Waar ligt onze eer

27Veel honing eten is niet goed,
maar het onderzoeken van gewichtige dingen is een eer.

Veel eten van wat op zichzelf wel gegeten mag worden (Sp 24:1313Eet honing, mijn zoon, want dat is goed,
en honingzeem is zoet voor je gehemelte.
)
, is niet goed. De nadruk ligt niet op het goede ervan, maar op het niet goede ervan. Honing stelt de zoetheid van goede aardse dingen voor. Daarvan mogen we genieten, terwijl we God ervoor danken (1Tm 4:4-54Want al [het] door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen,5want het wordt geheiligd door Gods Woord en door gebed.). Maar er schuilt ook een gevaar in. Dat gevaar is dat we er onze eer in gaan zoeken. Dat blijkt uit de tweede versregel die met “maar” begint en dus een contrast is met de eerste versregel.

Als er iemand een spijsoffer bracht, mocht hij dat niet met honing bereiden (Lv 2:1111Geen enkel graanoffer dat u de HEERE aanbiedt, mag met zuurdeeg bereid worden. Want u mag niets van [wat] met welk zuurdeeg of welke honing dan ook [bereid is], als een vuuroffer voor de HEERE in rook laten opgaan.). Het spijsoffer is een beeld van de Heer Jezus in Zijn volmaakte leven. In Zijn leven heeft Hij Zich nooit laten leiden door de natuurlijke betrekkingen die ook Hij had. Zijn moeder kon Hem niet afbrengen van de weg die Zijn Vader wilde dat Hij ging, terwijl Hij altijd het verschuldigde respect voor Zijn moeder bleef houden. In ons dienen van God behoort dat ook zo te zijn.

Bij “veel honing eten” lijkt het te gaan om het zoeken van eer voor onszelf in de natuurlijke dingen zoals gezin, werk, positie. Onze eer moet echter liggen in het “onderzoeken van gewichtige dingen” (vers 2b2Het is Gods eer een zaak verborgen te houden,
maar de eer van koningen een zaak te doorgronden.
)
. Het gaat niet om onze eer in relaties, maar om inzicht verwerven in de belangrijke dingen die God voor ons heeft bereid op grond van het werk van Zijn Zoon. Het onderzoeken van gewichtige dingen richt de aandacht niet op onszelf, maar op God en Zijn wil met en voor ons. Dan onderzoeken we Zijn Woord, waarvan staat dat het “zoeter dan honing en honingzeem uit de raat” (Ps 19:1111Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
)
is.


Gebrek aan zelfbeheersing

28[Zoals] een opengebroken stad zonder muur,
[zo] is een man die zijn geest niet in bedwang houdt.

“Een opengebroken stad zonder muur” ligt er volledig onbeschermd bij. Iedere kwaadwillende persoon kan er zomaar binnenlopen en zijn boze voornemens uitvoeren. Hij kan zijn slachtoffers ook met zorg uitkiezen, want er is niemand die het hem belet. “Een man die zijn geest niet in bedwang houdt” is net “[zoals] een opengebroken stad zonder muur”, het is iemand die zichzelf niet kan beheersen. Zodra er iets is wat hem niet zint, laat hij zich gaan. Zodra er iets is wat hij wil, laat hij zich ook gaan. Hij is ongeremd in zijn handelen. Daardoor is hij een wel heel gemakkelijke prooi voor (geestelijke) vijanden die uit zijn op zijn ondergang. Zonder dat hij het beseft, wordt zijn persoon in bezit genomen door machten die sterker zijn dan hij.

In deze levensgevaarlijke situatie kan alleen een verandering ten goede komen als de Heilige Geest de controle over iemands geest krijgt. Daarvoor moet hij zich bekeren en zijn leven onder het gezag van Christus stellen. Dan komt de Heilige Geest in hem wonen en komt er zelfbeheersing als een onderdeel van de vrucht van de Geest in hem (Ef 5:1818En wordt niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar wordt vervuld met [de] Geest,; Gl 5:2323Tegen zulke dingen is geen wet.).


Lees verder