Spreuken
1-2 Niet jaloers zijn op slechte mensen 3-4 Een huis bouwen en binnenkamers vullen 5-6 Kracht en overwinning door wijsheid 7 Wijsheid is voor een dwaas te hoog 8-9 Kwaad beramen en dwaasheid bedenken 10 Beproeving van benauwdheid 11-12 Red hen die ter slachting gaan 13-14 De zoetheid van de wijsheid 15-16 Een rechtvaardige valt, maar staat weer op 17-18 Geen leedvermaak 19-20 Het kwaad heeft geen toekomst 21-22 Vrees God en de koning 23-26 Geen partijdigheid in een rechtszaak 27 Financiële zelfstandigheid 28-29 Niet vals getuigen en niet wraak nemen 30-34 De les van de luiaard
Niet jaloers zijn op slechte mensen

1Wees niet jaloers op slechte mensen,
en verlang er niet naar om bij hen te zijn,
2want hun hart bedenkt verwoesting
en hun lippen spreken onheil.

De vader waarschuwt zijn zoon dat hij “niet jaloers” moet zijn “op slechte mensen” (vers 11Wees niet jaloers op slechte mensen,
en verlang er niet naar om bij hen te zijn,
)
. Hij moet er niet naar verlangen “om bij hen te zijn”, want ze zijn slecht gezelschap (vgl. Sp 1:10-1910Mijn zoon, als zondaars jou willen verleiden,
bewillig er dan niet in.
11Als zij zeggen: Ga met ons mee,
laten wij loeren op bloed,
zonder reden een onschuldige belagen,
12laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,
volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.
13Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden,
onze huizen zullen wij vullen met buit.
14Je zult je lot in ons midden werpen,
wij zullen allen [tezamen] één buidel hebben –
15Mijn zoon, ga niet met hen op weg,
weerhoud je voet van hun pad,
16want hun voeten snellen naar het kwaad
en zij haasten zich om bloed te vergieten.
17Voorzeker, het net wordt tevergeefs gespannen
voor de ogen van al wat vleugels bezit.
18Zíj loeren op hun [eigen] bloed,
zij belagen hun [eigen] leven.
19Zo zijn de paden van allen die op winstbejag uit zijn,
die ontneemt haar bezitters het leven.
; 3:3131Wees niet jaloers op een man van geweld
en verkies geen van zijn wegen,
; 23:1717Laat je hart niet jaloers zijn op de zondaars,
maar heel de dag blijven in de vreze des HEEREN.
)
. De jaloersheid hier gaat verder dan alleen een gevoel of een uiting. Het gaat om een verlangen om bij slechte mensen te zijn vanwege hun klaarblijkelijke voorspoed. Daarop moet de zoon niet jaloers zijn en die ook willen hebben. Jaloersheid is een haatdragend, wrokkend besef van de voorspoed van een ander.

Het voelen of uiten van bitterheid of verontwaardiging over een (vermeende) oneerlijke behandeling kan het gevolg zijn van jaloersheid: waarom heeft hij die welvaart wel en ik niet? Het is in elk geval ontevredenheid over de eigen omstandigheden, een ontevredenheid die het gevolg is van het vergelijken met anderen, terwijl God buiten de omstandigheden wordt gesloten of gehouden. Jaloersheid is een kenmerk van mensen die aan kortzichtigheid lijden.

Het woord “want” waarmee vers 22want hun hart bedenkt verwoesting
en hun lippen spreken onheil.
begint geeft aan dat nu de reden voor de waarschuwing van vers 11Wees niet jaloers op slechte mensen,
en verlang er niet naar om bij hen te zijn,
volgt. Slechte mensen zijn geobsedeerd door geweld. “Hun hart” gaat naar “verwoesting” uit, die wordt daar bedacht. “Hun lippen” geven uiting aan wat er in hun hart leeft en dat is niets anders dan “onheil”. Ze spreken woorden die iemand alleen maar het onheil, het ongeluk, toewensen. Hun ogenschijnlijke voorspoed danken ze aan de verwoesting die ze in hun hart hebben bedacht en aan de woorden van onheil die ze hebben uitgesproken. Als de zoon zich dat realiseert, zal hij toch niet zo dom zijn om zich bij hen aan te sluiten.


Een huis bouwen en binnenkamers vullen

3Door wijsheid wordt een huis gebouwd
en door inzicht wordt [het] gegrondvest.
4Door kennis worden binnenkamers gevuld
met allerlei kostbare en aangename bezittingen.

De verzen 3-43Door wijsheid wordt een huis gebouwd
en door inzicht wordt [het] gegrondvest.
4Door kennis worden binnenkamers gevuld
met allerlei kostbare en aangename bezittingen.
vormen een geheel. Ze gaan over de bouw van een huis, de grondvesting ervan en waarmee de binnenkamers ervan worden gevuld. Om een goed huis te bouwen, dat op de juiste grondslag te doen en het met smaak in te richten zijn achtereenvolgens “wijsheid”, “inzicht” en “kennis” nodig. Tegelijk geeft het gebruik van deze woorden aan dat het om meer gaat dan om het bouwen van een stenen huis, met kamers die worden voorzien van meubilair.

Bij “huis” mogen we hier dan ook vooral denken aan een huisgezin dat in dat huis woont. Er is “wijsheid” nodig om een gezin te stichten (vers 33Door wijsheid wordt een huis gebouwd
en door inzicht wordt [het] gegrondvest.
)
. Het geluk van een gezin hangt meer af van de onderlinge verhoudingen dan van de stenen en het metselwerk. Alleen door de wijsheid van God kunnen er goede verhoudingen tussen de gezinsleden zijn. Er ontstaat dan een huis dat goed gebouwd is.

“Inzicht” is voor de grondvesting van belang. Dit houdt in dat Gods Woord de basis is van het functioneren van ieder gezinslid. Het inzicht dat ieder lid van het gezin anders is dan ieder ander lid en waaruit de verschillen bestaan – zoals geslacht, leeftijd, aanleg –, zorgen ervoor dat ieder lid zichzelf mag zijn. Er zal geen noodzaak zijn om zich beter voor te doen of een uitoefening van dwang om iemand de dingen te laten doen op onze manier. Daardoor worden ook spanningen voorkomen.

De “kennis” die er is van de capaciteit die ieder heeft gekregen van God, zal aanzetten tot het inzetten van die capaciteiten (vers 44Door kennis worden binnenkamers gevuld
met allerlei kostbare en aangename bezittingen.
)
. Daardoor kan ieder zijn of haar eigen waardevolle bijdrage leveren en daarin ook gestimuleerd worden. Daardoor “worden de binnenkamers gevuld met allerlei kostbare en aangename bezittingen”. Kostbare en aangename bezittingen zijn onder andere liefde en saamhorigheid, veiligheid en geborgenheid, aanvaarding van wie je bent en er zijn voor de ander. Kinderen die opgroeien in een sfeer van liefde en geborgenheid, groeien op tot liefdevolle en vredelievende personen.

We kunnen dit ook toepassen op de plaatselijke gemeente, die we ook als een huisgezin kunnen zien. Wijze gelovigen met inzicht en kennis zullen er alles aan doen om iedere gelovige de plaats in de gemeente te laten innemen die de Heilige Geest hem of haar heeft toebedeeld (1Ko 12:44Nu is er verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest;).


Kracht en overwinning door wijsheid

5Een wijs man is sterk,
en een man van kennis zet zijn krachten in.
6Want na rijp beraad zult u oorlog voeren voor uzelf,
en in een veelheid van raadgevers ligt de overwinning.

Het bouwen van het huisgezin waarover het gaat in de verzen 3-43Door wijsheid wordt een huis gebouwd
en door inzicht wordt [het] gegrondvest.
4Door kennis worden binnenkamers gevuld
met allerlei kostbare en aangename bezittingen.
vraagt om de kracht van wijsheid (vers 55Een wijs man is sterk,
en een man van kennis zet zijn krachten in.
; Pr 7:1919De wijsheid maakt de wijze sterker
dan tien machthebbers die in de stad zijn.
; 9:15-1615Daar trof men een arme, wijze man aan. Hij redde de stad door zijn wijsheid, maar geen mens dacht aan die arme man.
16Toen zei ik:
Wijsheid is beter dan kracht,
maar de wijsheid van de arme wordt veracht
en zijn woorden worden door niemand gehoord.
)
. In het natuurlijke leven weet een wijs man met bepaalde middelen een last te vervoeren die vele malen zwaarder is dan één man kan dragen. In het geestelijke leven komt het niet aan op lichaamskracht, maar op de kracht van wijsheid. Die kracht is aanwezig bij wie leeft met Christus, de Bron van wijsheid.

“Een wijs man” is ook “een man van kennis”. Als het aankomt op de inzet van de krachten die de wijsheid verleent, het gebruik ervan, is kennis van de omstandigheden nodig. “Een man van kennis” kent de wil van God en wil die doen. Hij weet op de juiste manier met zijn krachten om te gaan en ze op de juiste plaats in te zetten. Wijsheid voor het maken van de juiste keuze en kennis van de wil van God gaan hand in hand (Ko 1:9-119Daarom houden ook wij, van de dag af dat wij ervan gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat u vervuld mag worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht,10om de Heer waardig te wandelen tot al [Zijn] welbehagen, terwijl u in alle goed werk vrucht draagt en opgroeit door de kennis van God,11met alle kracht bekrachtigd, naar de sterkte van Zijn heerlijkheid, tot alle volharding en lankmoedigheid, met blijdschap,).

Het woord “want” waarmee vers 66Want na rijp beraad zult u oorlog voeren voor uzelf,
en in een veelheid van raadgevers ligt de overwinning.
begint, geeft het belang aan van de kracht van wijsheid en kennis. We moeten ons realiseren dat we in geestelijk oorlogsgebied leven en verwikkeld zijn in een geestelijke strijd. Die strijd woedt vooral om de gezinnen van de gelovigen. Meer dan ooit is wijze raad nodig voor deze geestelijke oorlog.

Een wijs man is niet eigenwijs en zoekt niet alles alleen uit. Hij kent de betekenis en waarde van “rijp beraad” met anderen, met “een veelheid van raadgevers”. Misplaatst zelfvertrouwen of vertrouwen op eigen middelen of kracht zijn bij hem niet aan de orde. God heeft ons als leden van Zijn volk aan elkaar gegeven. We vragen Hem om raad en we vragen ook raad bij broeders en zusters die met Hem leven, wat we zien aan hun gehoorzaamheid aan en kennis van Gods Woord.

Nadat we raad hebben ingewonnen, moeten we “oorlog voeren” voor onszelf. In het leven van elke dag zijn we niet omgeven door onze broeders en zusters, maar door een Godvijandige wereld. De wereld wil ons alles afnemen wat we voor God willen afzonderen, zoals ons gezin en onze bezittingen. Er zullen ons allerlei hindernissen in de weg worden gelegd om ons gezin af te breken, om onze kinderen in te palmen. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door lessen op school en/of beslissingen van de politiek die tegen Gods Woord ingaan. Impulsiviteit, naïviteit en besluiteloosheid voeren tot een nederlaag. Een overwinningsleven is het gevolg van diepgaand overleg, goed nadenken en verstandig strijd voeren.


Wijsheid is voor een dwaas te hoog

7[Alle] wijsheid is voor een dwaas te hoog,
hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.

De hoogmoedige, verharde dwaas kan geen enkele wijsheid verkrijgen. Alle wijsheid, op welk terrein ook, is onbereikbaar voor hem. Wijsheid ligt ver boven zijn vermogen. Hij zal nooit enige verstandige raad kunnen geven en we moeten dan ook nooit bij hem te rade gaan. Daarom mag hij ook nooit de gelegenheid krijgen om in de poort zijn mond open te doen. De poort is de plaats waar de stadsbestuurders de problemen bespreken en beslissingen nemen (Sp 31:2323Haar echtgenoot is bekend in de poorten, [nun]
als hij [daar] zit met de oudsten van het land.
; Ru 4:11Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.)
. Daar mag de dwaas niet de kans krijgen zijn dwaasheid te laten horen.


Kwaad beramen en dwaasheid bedenken

8Wie kwaad doen beraamt,
die zal men een meester in listige plannen noemen.
9Het bedenken van dwaasheid is zonde,
een spotter is een gruwel voor de mens.

“Wie kwaad doen beraamt” (vers 88Wie kwaad doen beraamt,
die zal men een meester in listige plannen noemen.
)
, doet het werk van de duivel, die niet anders kan doen dan kwaad beramen. De duivel kan met recht “een meester in listige plannen” genoemd worden. Wie geen kind van God is, is een kind van de duivel (1Jh 3:1010Hierin zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel openbaar: ieder die [de] gerechtigheid niet doet, is niet uit God, en wie zijn broeder niet liefheeft.). Alle kinderen van de duivel hebben zijn natuur. Hij inspireert hen om kwaad te beramen, ze zijn “uitvinders van boze dingen” (Rm 1:3030kwaadsprekers, lasteraars, Godhaters, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, uitvinders van boze dingen, [de] ouders ongehoorzaam,). Niet iedereen doet dit in dezelfde mate, maar het beginsel is in het denken van alle kinderen van de duivel. Het gaat hier in het bijzonder om de kille, berekenende persoon die actief is in het beramen van het kwaad.

Niet alleen het begaan van dwaasheid is zonde, maar zelfs al “het bedenken van dwaasheid is zonde” (vers 99Het bedenken van dwaasheid is zonde,
een spotter is een gruwel voor de mens.
)
. De dwaasheid van een spotter is wel het toppunt van dwaasheid. Dit type persoon lapt alle moraal aan zijn laars. Zelfs mensen die niets met God te maken willen hebben, maar die er toch nog een zekere moraal op na houden, krijgen op een zeker moment een afschuw van hem. Een spotter is iemand die niet alleen verwerpt wat hij moet geloven, maar die uitlacht en belachelijk maakt en veracht wat hij moet geloven. Hetzelfde doet hij met hen die geloven.


Beproeving van benauwdheid

10Als u zich in de dag van benauwdheid slap opstelt,
is uw kracht beperkt.

“De dag van benauwdheid” is niet een letterlijke dag van vierentwintig uur, maar elke dag of periode van moeilijkheden en beproeving die het leven benauwd kunnen maken. Wie zich dan slap opstelt en ontmoedigd raakt en het leven met de Heer wil opgeven, toont weinig kracht. Er is geen geestkracht en de handen hangen slap neer (vgl. Hb 12:12-1312Daarom, richt op uw slappe handen en uw verlamde knieën13en maakt rechte paden voor uw voeten, opdat het kreupele niet ontwricht maar veeleer gezond wordt.). Juist in een dag van benauwdheid wordt duidelijk of iemand de kracht van de wijsheid bezit (vers 55Een wijs man is sterk,
en een man van kennis zet zijn krachten in.
)
, waardoor zijn oog gericht blijft op de Bron van de wijsheid (Js 40:3131maar wie de HEERE verwachten, zullen [hun] kracht vernieuwen,
zij zullen [hun] vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.
)
.

Salomo gebruikt hier een woordspeling om de verbinding tussen de beide versregels te benadrukken. Het Hebreeuwse woord voor ‘benauwdheid’ is sarah en het woord voor ‘beperkt’ (letterlijk: nauw) is sar. Het is goed om ons in dagen van benauwdheid te sterken in God (1Sm 30:66David werd zeer benauwd, want het volk sprak erover hem te stenigen. De zielen van het hele volk waren namelijk verbitterd, ieder over zijn zonen en over zijn dochters. David echter sterkte zich in de HEERE, zijn God.; Ps 84:66Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
)
. Dan zal Gods kracht in onze zwakheid worden volbracht (2Ko 12:99en Hij zei tegen mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont.).


Red hen die ter slachting gaan

11Red hen die opgepakt zijn om te sterven,
[wee] als u zich afzijdig houdt van wie wankelend ter slachting gaat.
12Wanneer u zegt: Zie, wij hebben dat niet geweten,
zal Hij Die de harten toetst, dat niet merken?
Hij Die uw ziel gadeslaat, zal Híj het [niet] weten?
Immers, Hij zal een mens vergelden naar zijn werk.

God geeft Zijn volk de verantwoordelijkheid om mensen te redden die in levensgevaar zijn (vers 1111Red hen die opgepakt zijn om te sterven,
[wee] als u zich afzijdig houdt van wie wankelend ter slachting gaat.
)
. Het gaat om mensen “die opgepakt zijn” en meegevoerd worden, een zekere dood tegemoet, zonder enige mogelijkheid zichzelf uit die situatie te bevrijden. De woorden “sterven” en “slachting” geven de ernst van de situatie aan. Deze mensen zijn onschuldige slachtoffers van roversbenden of omstandigheden die zij niet in de hand hebben. Ze staan op het punt gedood, afgeslacht, te worden. “Wankelend”, uitgeput, worden ze in de richting van de dood gedreven. Als er niet heel snel van ongedachte zijde redding daagt, is het met hen gedaan.

De opdracht is duidelijk. We moeten al het mogelijke doen om hen van de dood te redden. Er klinkt een dreigend ‘wee’ als we ons afzijdig houden, als we ‘wegkijken’ en geen hand uitsteken. De Hebreeuwse vroedvrouwen hebben de jongetjes tegen het bevel van de farao in niet in de Nijl gegooid, maar hen gered (Ex 1:13-1713De Egyptenaren lieten de Israëlieten met harde [hand voor zich] werken.14Zij maakten het leven bitter voor hen door [hen] zwaar werk [te laten verrichten] met leem en bakstenen, en door allerlei werk op het veld: al hun werk, waarmee zij hen moesten dienen, met harde [hand].15Bovendien zei de koning van Egypte tegen de vroedvrouwen van de Hebreeuwse vrouwen, van wie de naam van de een Sifra was en de naam van de ander Pua,16hij zei: Als u de Hebreeuwse vrouwen bij het bevallen helpt en u let op de stenen [baarstoel]*, dan moet u, als het een zoon is, hem doden, maar als het een dochter is, mag zij blijven leven.17De vroedvrouwen vreesden echter God en deden niet wat de koning van Egypte tot hen gesproken had, maar lieten de jongetjes in leven.). Esther heeft haar leven op het spel gezet om haar volk, dat ten dode gedoemd was, te redden (Es 3:6-136Maar het was in zijn ogen verachtelijk om alleen aan Mordechai de hand te slaan, want zij hadden hem verteld [tot welk] volk Mordechai [behoorde]. En Haman zocht [een manier] om alle Joden, die in heel het koninkrijk van Ahasveros waren, het volk van Mordechai, weg te vagen.7In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men het 'pur', dat is het lot, in de tegenwoordigheid van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, [tot] de twaalfde maand, dat is de maand Adar.8Toen zei Haman tegen koning Ahasveros: Eén volk is er dat verstrooid en verspreid is onder de volken in alle gewesten van uw koninkrijk. Hun wetten zijn anders dan [die van] alle volken en er is niemand die de wetten van de koning uitvoert. Het past de koning niet hen met rust te laten.9Als het de koning goeddunkt, laat er dan geschreven worden dat men hen ombrengt. Dan zal ik tienduizend talent zilver afwegen op de handen van hen die het werk doen, om die naar de schatkist van de koning te brengen.10Toen nam de koning zijn zegelring van zijn hand en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van de Joden.11En de koning zei tegen Haman: Laat het zilver u geschonken zijn, en het volk, om daarmee te doen wat goed is in uw ogen.12Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, in de eerste maand, op de dertiende dag ervan. Er werd geschreven, overeenkomstig alles wat Haman beval, aan de stadhouders van de koning, aan de landvoogden die in elk gewest waren, en aan de vorsten van elk volk, elk gewest in zijn [eigen] schrift en elk volk in zijn [eigen] taal. Er werd geschreven in de naam van koning Ahasveros, en het werd verzegeld met de zegelring van de koning.13De brieven werden door ijlboden verzonden naar alle gewesten van de koning, [met het bevel] alle Joden weg te vagen, te doden en om te brengen, van jong tot oud, [met] de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar, en hun bezit te plunderen.; 4:13-1613Mordechai zei dat ze Esther moesten antwoorden: Beeld je niet in dat jij [als enige] van alle Joden zult ontkomen, [omdat je] in het huis van de koning [bent].14Want als je je in deze tijd in diep stilzwijgen hult, dan zal er vanuit een andere plaats verlichting en verlossing voor de Joden komen, maar jij en het huis van je vader zullen omkomen. En wie weet of jij niet juist voor een tijd als deze tot deze Koninklijke [waardigheid] gekomen bent.15Toen zei Esther dat men Mordechai moest antwoorden:16Ga, verzamel alle Joden die zich in Susan bevinden, en vast voor mij: eet niet en drink niet, drie dagen [lang], nacht en dag. Ook ikzelf zal zo vasten, samen met mijn dienaressen, en dan zal ik naar de koning gaan, wat niet overeenkomstig de wet is. Als ik dan omkom, [dan] kom ik om.; 8:4-64Daarop reikte de koning Esther de gouden scepter toe. Toen stond Esther op en ging voor de koning staan.5Zij zei: Als het de koning goeddunkt en als ik genade bij hem heb gevonden, en deze zaak juist is in de ogen van de koning en ik aangenaam ben in zijn ogen, laat er dan een schrijven uitgaan om de brieven te herroepen met het plan van Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, die hij heeft geschreven om de Joden om te brengen in alle gewesten van de koning.6Want hoe zal ik in staat zijn het onheil aan te zien dat mijn volk zal treffen? En hoe zal ik in staat zijn het verderf van mijn familie aan te zien?). Zij hebben gered en zich niet afzijdig gehouden. Zelfs de profeet Obadja die aan het hof van Achab diende, heeft profeten van de dood gered door hen te verbergen en van voedsel te voorzien (1Kn 18:44Het was namelijk gebeurd, toen Izebel de profeten van de HEERE uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam en ze per vijftig man in een grot verborg en hen met brood en water onderhield.).

De geestelijke toepassing is dat wij de mensen van de wereld vertellen dat zij “opgepakt zijn om te sterven”. Door de zonde zijn zij aan de dood overgeleverd. Hier is geen sprake van onschuldig zijn, maar wel van het ontbreken van enig vermogen om zichzelf te redden. Onze verantwoordelijkheid is om de mensen van de wereld te vertellen dat zij aan het oordeel van God kunnen ontkomen door hun zonden te belijden en te geloven in de Heer Jezus. Als we dat niet doen, klinkt ook voor ons het dreigende ‘wee’. Paulus heeft dat begrepen en gezegd: “Want wee mij, als ik het evangelie niet verkondig” (1Ko 9:1616Want als ik het evangelie verkondig, strekt het mij niet tot roem, want [de] noodzaak is mij opgelegd; want wee mij, als ik het evangelie niet verkondig!).

Er zal verantwoording van ons worden gevraagd voor al die gevallen waarin wij hebben geweten van de eeuwige dood waarheen mensen onderweg waren en dat wij niet hebben gewezen op de mogelijkheid om eraan te ontkomen (Ez 33). We kunnen niet aankomen met “zie, wij hebben dat niet geweten” (vers 1212Wanneer u zegt: Zie, wij hebben dat niet geweten,
zal Hij Die de harten toetst, dat niet merken?
Hij Die uw ziel gadeslaat, zal Híj het [niet] weten?
Immers, Hij zal een mens vergelden naar zijn werk.
)
. Onwetendheid is geen excuus als we bewust de ogen voor een kwaad hebben gesloten. Het klinkt als het excuus dat Duitsers na de Tweede Wereldoorlog gebruikten ten aanzien van de Holocaust en dat tot een gevleugeld woord is geworden: ‘Wir haben es nicht gewußt’ (‘Wij hebben het niet geweten’).

Met het excuus van onwetendheid kun je soms bij mensen wegkomen, maar niet bij God. Hij toetst voortdurend de harten en merkt zonder Zich te vergissen of daarin de waarheid woont. Hij slaat de ziel gade, Hij ziet hoe het leven geleefd wordt en wat daarbij de drijfveren zijn. Hart en ziel staan onder Zijn doorlopende toezicht, waarbij geen enkel motief Hem ontgaat. Hij weet daarom volmaakt of de bewering het niet te hebben geweten waar is of dat het een leugen is.

Op grond van Zijn alwetendheid zal Hij “een mens vergelden naar zijn werk” (Op 22:1212Zie, Ik kom spoedig, en Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden zoals zijn werk is.), waarbij het onmogelijk is dat Hij Zich vergist. Vergelden naar zijn werk betekent dat de mens wordt gemeten met de maat waarmee hij heeft gemeten. Wie geen barmhartigheid heeft bewezen, zal geen barmhartigheid ontvangen. Wie de levens van anderen had kunnen redden en het niet heeft gedaan, zal de dood sterven.


De zoetheid van de wijsheid

13Eet honing, mijn zoon, want dat is goed,
en honingzeem is zoet voor je gehemelte.
14Evenzo is het kennen van wijsheid voor je ziel:
als je haar vindt, dan is er toekomst,
en wordt je hoop niet afgesneden.

De vader spoort zijn zoon aan om honing te eten (vers 1313Eet honing, mijn zoon, want dat is goed,
en honingzeem is zoet voor je gehemelte.
)
omdat hij het eten van honing wil toepassen op het kennen van wijsheid (vers 1414Evenzo is het kennen van wijsheid voor je ziel:
als je haar vindt, dan is er toekomst,
en wordt je hoop niet afgesneden.
)
. Wat honing is voor zijn lichaam, is het kennen van wijsheid voor zijn ziel.

Honing is goed, want het is gezond (vers 1313Eet honing, mijn zoon, want dat is goed,
en honingzeem is zoet voor je gehemelte.
)
. Honingzeem is het beste van de honing. Het is de honing die zich vanzelf, zonder persing, zonder menselijke handeling, uit de honingraten afscheidt. Het is dus het meest zuivere. Van het land Kanaän staat meerdere keren dat het een land is dat vloeit van melk en honing. Honing is een bijzondere zegen van God voor Zijn aardse volk.

“Het kennen van wijsheid” (vers 1414Evenzo is het kennen van wijsheid voor je ziel:
als je haar vindt, dan is er toekomst,
en wordt je hoop niet afgesneden.
)
heeft de gezondheid en zoetheid van honing. Het heeft het toegevoegde kenmerk van een genot dat duurt tot in eeuwigheid (vgl. Ps 19:1111Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
; 119:103103Hoe zoet zijn Uw woorden voor mijn gehemelte,
[zoeter] dan honing voor mijn mond.
; Ez 3:33Hij zei tegen mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, vul uw binnenste met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik en hij werd in mijn mond als honing zo zoet.)
. De vader spreekt er tot zijn zoon over dat hij ernaar op zoek moet gaan, want hij moet haar vinden. Hij belooft hem dat zijn inspanningen rijk beloond zullen worden. Hij zal er nu al de zoetheid van genieten en voor de “toekomst” zal hij “hoop” hebben. Aan wijsheid zijn toekomst en hoop verbonden. Wijsheid geeft een hoop die niet wordt afgesneden, een hoop die niet beschaamt.

Zij die honing hebben geproefd, hebben geen verder bewijs nodig dat hij zoet is. Zij zullen door geen enkel argument kunnen worden overtuigd van het tegendeel, want ze hebben het immers zelf geproefd. Hetzelfde geldt in de geestelijke toepassing voor hen die de kracht van de wijsheid van God in Christus hebben ervaren. Al de atheïsten in de wereld kunnen met al hun drogredenen die smaak niet wegredeneren en het genot ervan niet wegnemen.

Honing is het product van ijverig samenwerkende bijen en niet van wie de honing verzamelt. Aan het kennen van wijsheid is een rijkdom verbonden die wordt verkregen door ons te voeden met wat anderen al hebben bijeengebracht. De honingzeem genieten we als we ons direct met de Bron van de wijsheid bezighouden, met Christus, door in Gods Woord te lezen. De honing die we tot ons nemen als we met broeders en zusters samenzijn en de honingzeem die we tot ons nemen als we Gods Woord lezen, worden door ons persoonlijk genoten.


Een rechtvaardige valt, maar staat weer op

15Goddeloze, loer niet op de woning van een rechtvaardige,
verwoest zijn verblijfplaats niet,
16want [al] valt een rechtvaardige zevenmaal, hij staat [weer] op,
maar goddelozen struikelen in onheil.

De goddeloze, mogelijk de zich goddeloos gedragende zoon, wordt bevolen “niet op de woning van een rechtvaardige” te loeren (vers 1515Goddeloze, loer niet op de woning van een rechtvaardige,
verwoest zijn verblijfplaats niet,
)
. De bedoeling van het loeren is om te kijken of er een gelegenheid komt om er in te breken en te stelen, bijvoorbeeld als de rechtvaardige zijn woning verlaat. Hij kan zelfs zoveel onheil willen stichten, dat hij de “verblijfplaats” van de rechtvaardige wil verwoesten. Het woord voor ‘verblijfplaats’ wordt ook gebruikt voor de stal van de schapen, waar ze gaan liggen. Het tekent de rechtvaardige als een schaap dat weerloos en onschuldig is. Wie op die woonplaats loert en erop uit is om in te breken en de woonplaats te verwoesten, is een wolf, een symbool voor de duivel.

Het is zinloos en bewerkt tevens de eigen ondergang, om iemand van Gods volk te mishandelen, want hij overleeft altijd (vers 1616want [al] valt een rechtvaardige zevenmaal, hij staat [weer] op,
maar goddelozen struikelen in onheil.
)
. De goddelozen daarentegen komen om in het onheil dat zij aanrichten. Een rechtvaardige aanvallen is God aanvallen en het zal altijd onmogelijk blijken Hem te overwinnen (vgl. Mt 16:1818En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.). Een rechtvaardige kan een aantal keren vallen, hij zal weer opstaan (Ps 37:2424Als hij valt, wordt hij niet weggeworpen,
want de HEERE ondersteunt zijn hand.
; Mi 7:88Verblijd u niet over mij, mijn vijandin,
want [als] ik gevallen ben, zal ik [weer] opstaan,
als ik in duisternis zit,
is de HEERE mij een licht.
; Jb 5:1919In zes benauwdheden zal Hij je redden,
en in zeven zal het kwaad je niet treffen.
)
. Omgekeerd zullen de goddelozen niet overleven. Zonder God hebben zij geen macht om het ongeluk te overleven. Uiteindelijk zullen de rechtvaardigen zegevieren en degenen die tegen hen zijn, zullen struikelen in hun onheil.

“Zevenmaal” betekent een afgerond aantal. God laat de rechtvaardige net zoveel tuchtiging ondervinden als Hij nodig vindt. Die tuchtigingen dienen tot zijn loutering, niet tot zijn ondergang. De rechtvaardige komt zelfs een zware val te boven, terwijl de goddelozen slechts struikelen, waarna het met hen over en uit is. Petrus is vaak gevallen, maar is steeds weer opgestaan. Judas struikelde in het onheil en bleef liggen.


Geen leedvermaak

17Verblijd u niet als uw vijand valt,
en laat uw hart zich niet verheugen als hij struikelt,
18anders zou de HEERE het zien en zou het slecht zijn in Zijn ogen,
en zou Hij Zijn toorn van hem afwenden.

Salomo verbiedt zijn zoon leedvermaak te hebben als zijn vijand valt (vers 1717Verblijd u niet als uw vijand valt,
en laat uw hart zich niet verheugen als hij struikelt,
)
. Hij mag er zich zelfs in zijn hart niet over verheugen, dat wil zeggen geen innerlijke voldoening over hebben, als zijn vijand struikelt. Het gaat hier om persoonlijke vijanden, om mensen die ons het leven moeilijk maken. Het is misschien begrijpelijk dat we dankbaar zijn als onze vijand iets overkomt omdat wij daardoor van een kwelgeest bevrijd zijn, maar er blij om zijn is nog iets anders. Hier gaat het om blijdschap over de val van een vijand met daarbij de gedachte dat hij zijn verdiende loon krijgt. Leedvermaak speelt daarbij een rol. Een dergelijke blijdschap is verboden.

David verblijdde zich niet over de val van Saul en riep er ook toe op ervoor te zorgen dat anderen dat niet zouden doen (2Sm 1:2020Maak het niet bekend in Gath,
breng de boodschap niet op de straten van Askelon,
anders verblijden de dochters van de Filistijnen zich,
anders springen de dochters van de onbesnedenen op van vreugde.
)
. Een voormalige lijfwacht van de wrede Irakese dictator Saddam Hoessein die uit diens greep wist te ontkomen en daarna Christus heeft leren kennen, zei dat hij zich niet verblijdde over de dood van de dictator. De gedachte dat deze wrede man in de hel is, gaf hem geen blijdschap, maar verdriet. De Heer Jezus zegt dat wij onze vijanden moeten liefhebben en moeten bidden voor hen die ons vervolgen (Mt 5:4444Maar Ik zeg u: hebt uw vijanden lief en bidt voor hen die u vervolgen,).

In vers 1818anders zou de HEERE het zien en zou het slecht zijn in Zijn ogen,
en zou Hij Zijn toorn van hem afwenden.
wordt gezegd waarom het ons geraden is om ons niet met leedvermaak te verheugen over de val van onze vijand. God heeft het toegelaten dat onze vijand ons lastigviel omdat Hij daarmee een bedoeling had. Als Hij ervoor zorgt dat de vijand wordt uitgeschakeld en wij hebben daarover leedvermaak, vergrijpen wij ons aan een schepsel van God. Dat is slecht in de ogen van God. Dan kan Hij Zijn toorn van onze vijand afwenden, waardoor deze zich weer als onze vijand, misschien in een andere gedaante, kan gaan gedragen. We zijn dan niet van hem af.


Het kwaad heeft geen toekomst

19Ontsteek niet [in woede] over de kwaaddoeners,
wees niet jaloers op de goddelozen,
20want het kwaad heeft geen toekomst,
de lamp van goddelozen wordt uitgedoofd.

Vers 1919Ontsteek niet [in woede] over de kwaaddoeners,
wees niet jaloers op de goddelozen,
lijkt wel een citaat dat Salomo van zijn vader David overneemt, die hetzelfde heeft gezegd (Ps 37:11[Een psalm] van David.
Ontsteek niet [in woede] over de kwaaddoeners,/aleph/
benijd niet wie onrecht doen.
; Sp 23:1717Laat je hart niet jaloers zijn op de zondaars,
maar heel de dag blijven in de vreze des HEEREN.
; 24:11Wees niet jaloers op slechte mensen,
en verlang er niet naar om bij hen te zijn,
)
. Het is dwaas om je op te winden “over de kwaaddoeners” en “jaloers” te zijn “op de goddelozen”. Vers 2020want het kwaad heeft geen toekomst,
de lamp van goddelozen wordt uitgedoofd.
geeft daarvoor de reden, wat te zien is aan het woord “want” waarmee het vers begint. Het toekomstige lot van de goddelozen moet de zoon ervoor bewaren jaloers te worden op hun tegenwoordige voorspoed. Hun voorspoed heeft een houdbaarheidsdatum. Daarna is het afgelopen. Hij moet zich ook realiseren dat God in Zijn voorzienigheid kwaaddoeners en goddelozen nog steeds hun gang laat gaan. Ze staan onder Zijn controle, hoewel het lijkt alsof ze ongestoord hun gang kunnen gaan.

Wat zij doen, kan ons in bepaalde gevallen kwaad maken en in andere gevallen jaloers. Het ligt er maar aan wat ze doen en hoe wij daar tegenaan kijken of mee te maken hebben. Als we alleen naar hen en hun gedrag kijken, komen we tot zulke gevoelens. Dan geven we blijk van een heel kortzichtige kijk op hen. We moeten ons bewust zijn dat het kwaad geen toekomst heeft, maar zal worden geoordeeld en voor eeuwig zal worden opgesloten in de hel, zonder uitzicht op bevrijding. De lamp van goddelozen, dat wil zeggen hun levenslicht, zal dus niet altijd blijven schijnen. Hun leven zal worden uitgedoofd, zoals met een olielamp gebeurt die wordt uitgeblazen. Hun lamp zal ook nooit meer worden aangestoken (Jb 18:5-65Ja, het licht van de goddelozen wordt uitgedoofd,
en de vlam van zijn vuur zal niet [meer] schijnen.
6Het licht wordt in zijn tent verduisterd,
en zijn lamp boven hem wordt uitgedoofd.
; 21:1717Hoe vaak gebeurt het dat de lamp van de goddelozen wordt uitgedoofd,
en hun ondergang hun overkomt;
dat [God hun] in Zijn toorn smarten uitdeelt,
)
.


Vrees God en de koning

21Mijn zoon, vrees de HEERE en de koning,
laat je niet in met hen die op veranderingen uit zijn,
22want hun ondergang zal plotseling opdagen
en wie kent de verdrukking door hen beiden [teweeggebracht]?

Salomo spreekt zijn zoon heel direct aan (“mijn zoon”) om hem voor te houden dat hij zowel God als de koning moet vrezen (vers 2121Mijn zoon, vrees de HEERE en de koning,
laat je niet in met hen die op veranderingen uit zijn,
)
. Hij zegt tegen hem dat hij eerbied moet hebben voor het hoogste gezag in het universum, dat van God, en het door God ingestelde gezag op aarde dat Hem vertegenwoordigt, de koning (1Pt 2:17b17Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de koning.; Rm 13:1-71Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.2Wie zich dus tegen de overheid verzet, weerstaat de instelling van God; en zij die weerstaan, zullen oordeel voor zichzelf ontvangen.3Want de overheidspersonen zijn niet voor het goede, maar voor het kwade werk te vrezen. Wilt u nu de overheid niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben,4want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.5Daarom is het nodig onderdanig te zijn, niet alleen om de straf, maar ook om het geweten.6Want daarom betaalt u ook belasting; immers, zij zijn dienaars van God, juist daarin voortdurend werkzaam.7Geeft aan allen wat hun toekomt: belasting, aan wie belasting; tol, aan wie tol; vrees, aan wie vrees; eer, aan wie eer [toekomt].). Dat kan hij doen door zich daaraan te onderwerpen en eraan te gehoorzamen.

Tegenover het vrezen van God en de koning staat het “op veranderingen uit zijn”. Met ‘veranderingen’ wordt hier bedoeld het geen rekening meer houden met het gezag van God en dat van Zijn vertegenwoordiger op aarde. Het gaat om mensen die niet meer aan Hem gehoorzaam willen zijn, die in opstand komen tegen Zijn gezag. Zij willen Zijn gezag en dat van de koning omverwerpen. Zulke mensen willen veranderingen aanbrengen in de door God gegeven gezagsstructuren en die naar hun eigen hand zetten.

Het gaat om mensen die Gods Woord naar hun hand zetten en het daarmee aan de kant zetten. Bepaalde gezagsstructuren, zoals die van man en vrouw, worden tijdgebonden verklaard. Wat Gods Woord daarover zegt, wordt als achterhaald en daarmee vogelvrijverklaard. We zien dat in de politiek, in de maatschappij, in de gezinnen en ook in gemeenten. Gezag is een ‘vies’ woord geworden.

Vers 2222want hun ondergang zal plotseling opdagen
en wie kent de verdrukking door hen beiden [teweeggebracht]?
geeft de reden voor de waarschuwing van het vorige vers. We zien dat aan het woord “want” waarmee het vers begint. Als de zoon zich inlaat met deze opstandelingen tegen het gezag van God en de koning, de veranderaars en vernieuwers of nieuwlichters, zal hij delen in de ondergang die plotseling voor hen zal opdoemen. God en de Koning – met Hem wordt uiteindelijk de Heer Jezus bedoeld – zullen “Beiden” hun gezag laten gelden. Wat dat aan verdrukking voor de opstandelingen teweeg zal brengen, blijft nog even de vraag. Dat maakt de waarschuwing alleen maar des te dreigender.

De beloning voor hen die leven in vrede onder het gezag van God in de wereld is het ontsnappen aan de rampen die over de opstandigen zullen komen. Zij die onder gezag staan en dat respecteren, zullen elkaar geen kwaad doen. Ze blijven ervoor bewaard elkaar te gaan benijden en zelfs te gaan slaan (vgl. Mt 24:48-4948Als die boze slaaf echter in zijn hart zegt:49Mijn heer blijft uit, en zijn medeslaven begint te slaan en eet en drinkt met de dronkaards,). Een positieve uitwerking van erkenning van gezag is de aanwezigheid van rust en vrede.


Geen partijdigheid in een rechtszaak

23Ook deze [spreuken] zijn voor de wijzen:
Het is niet goed partijdig te zijn in een rechtszaak.
24Wie tegen een goddeloze zegt: U bent rechtvaardig,
die zullen de volken vervloeken,
de natiën zullen hem verwensen,
25maar hun die voor het recht opkomen, zal het aangenaam zijn,
de zegen van het goede zal over hen komen.
26Men zal de lippen kussen
van hem die [met] oprechte woorden antwoordt.

Hier begint een nieuw gedeelte, maar wel duidelijk in nauwe aansluiting op het voorgaande (Sp 22:17-24:2217Neig uw oor en luister naar de woorden van wijzen,
richt uw hart op mijn kennis.
18Want het is goed dat u ze in uw binnenste bewaart,
ze zullen alle bestendig op uw lippen zijn.
19Opdat uw vertrouwen op de HEERE zal zijn,
maak ik [het] heden aan u bekend, ja, aan u!
20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven,
met raadgevingen en kennis,
21om u bekend te maken de juistheid van betrouwbare woorden,
zodat u [met] betrouwbare woorden kunt antwoorden aan wie u stuurden?22Beroof de geringe niet, omdat hij gering is,
en vertrap de ellendige niet in de poort.
23Want de HEERE zal hun rechtszaak voeren,
wie hen beroven, zal Hij van het leven beroven.24Ga niet om met een opvliegend man,
en laat u niet in met een driftig iemand,
)
. Dat blijkt uit de woorden “ook deze [spreuken]” (vers 23a23Ook deze [spreuken] zijn voor de wijzen:
Het is niet goed partijdig te zijn in een rechtszaak.
)
. De nu volgende spreuken – in de verzen 23-3423Ook deze [spreuken] zijn voor de wijzen:
Het is niet goed partijdig te zijn in een rechtszaak.
24Wie tegen een goddeloze zegt: U bent rechtvaardig,
die zullen de volken vervloeken,
de natiën zullen hem verwensen,
25maar hun die voor het recht opkomen, zal het aangenaam zijn,
de zegen van het goede zal over hen komen.
26Men zal de lippen kussen
van hem die [met] oprechte woorden antwoordt.27Regel uw werk buiten
en maak het op de akker voor u gereed,
en bouw daarna uw huis.28Wees niet zonder reden getuige tegen uw naaste,
want zou u met uw lippen misleiden?
29Zeg niet: Zoals hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen,
ik zal die man vergelden naar zijn werk.30Ik ging langs de akker van een luiaard,
ja, langs de wijngaard van een mens zonder verstand.
31En zie, hij was helemaal vol gegroeid met netels,
distels bedekten zijn oppervlak,
en zijn stenen muur was afgebroken.
32Toen ik het zelf aanschouwde, nam ik het ter harte,
ik zag het [en] nam vermaning aan:
33een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen,
34zo komt uw armoede [over u als] een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.
“zijn voor de wijzen”. Ze zijn dus bedoeld voor hen die al wijs zijn, maar die nog wijzer willen worden. Wijsheid blijkt juist uit het feit dat iemand in wijsheid wil groeien.

Dit gedeelte begint met het veroordelen van partijdigheid in een rechtszaak (vers 23b23Ook deze [spreuken] zijn voor de wijzen:
Het is niet goed partijdig te zijn in een rechtszaak.
)
. Het gaat erom dat een rechter duidelijk onderscheid moet maken tussen gerechtigheid en kwaad (Sp 18:55Het is niet goed een goddeloze voor te trekken
en [het recht van] een rechtvaardige te buigen in het gericht.
; Lv 19:1515U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, u mag geen partij trekken voor de arme en de aanzienlijke niet voortrekken. Op rechtvaardige wijze moet u uw naaste oordelen.; Dt 16:1919U mag het recht niet buigen. U mag niet partijdig zijn en geen geschenk aannemen, want een geschenk verblindt de ogen van wijzen en verdraait de woorden van rechtvaardigen.)
. Hij mag die twee niet verwisselen en uit partijdigheid op de verkeerde persoon toepassen.

Zo mag hij tegen een goddeloze niet zeggen: “U bent rechtvaardig” (vers 2424Wie tegen een goddeloze zegt: U bent rechtvaardig,
die zullen de volken vervloeken,
de natiën zullen hem verwensen,
)
. Doet hij dat wel, dan zal niet alleen God hem oordelen, maar haalt hij zich ook de gram van de volken op de hals. Het gaat niet zomaar om een mening en ook niet om zomaar iemand die dit zegt. Hier is iemand aan het woord die in het openbaar recht spreekt en dat doet uit Naam van God. Dit is een grove schending van het recht en tevens een grote oneer voor de Rechter van de hele aarde. Een rechter die zo partijdig is dat hij tot een dergelijke uitspraak komt, wordt overal op aarde door iedereen vervloekt en verwenst.

Als er recht wordt gedaan door de goddeloze te veroordelen en de rechtvaardige vrij te spreken, is dat aangenaam voor hen “die voor het recht opkomen” (vers 2525maar hun die voor het recht opkomen, zal het aangenaam zijn,
de zegen van het goede zal over hen komen.
)
. Over rechters die het recht handhaven en over hen die zich daarover verblijden, zal de zegen van het goede komen. God vindt in hen de kenmerken van Zichzelf. Er is altijd zegen verbonden aan het doen van en opkomen voor het recht.

Voor het handhaven van het recht en voor het doen van de juiste uitspraak door een rechter in een zaak, is het van belang dat een getuige met “oprechte woorden antwoordt” (vers 2626Men zal de lippen kussen
van hem die [met] oprechte woorden antwoordt.
)
. Het kan ook de rechter betreffen die een goede uitspraak in een zaak doet. Een antwoord met oprechte woorden levert een waardevolle bijdrage aan de vrede en rust in het land, wat wij mogen toepassen op de plaatselijke gemeente. Wie dit doet, krijgt geen vervloekingen en verwensingen te horen (vers 2424Wie tegen een goddeloze zegt: U bent rechtvaardig,
die zullen de volken vervloeken,
de natiën zullen hem verwensen,
)
, maar ontvangt uitingen van liefde.

Het kussen van de lippen is een erkenning van de waarde van de oprechte antwoorden die gegeven zijn. Zulke woorden brengen geen verwijdering, maar verbinden in liefde. Een kus is ook een teken van verzoening (Ps 2:1212Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.
Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!
)
. Wie oprechte woorden antwoordt, bewerkt verzoening.


Financiële zelfstandigheid

27Regel uw werk buiten
en maak het op de akker voor u gereed,
en bouw daarna uw huis.

Dit vers gaat over het stellen van de juiste prioriteiten in het leven. Het houdt ons voor dat we eerst de dingen moeten doen die het eerst moeten gebeuren. Eerst het een, “daarna” het ander. We moeten in onze bezigheden de juiste volgorde aanhouden. Doen we dat niet, dan wordt ons leven een chaos en loopt het uit op een fiasco.

De toepassing kan worden gemaakt op het vormen van een gezin. Voordat iemand daaraan kan beginnen, moet hij in staat zijn om zijn gezin te onderhouden. Daarom moet hij eerst een inkomen hebben. Dat kan hij krijgen door ervoor te werken. Van wat hij met werken verdient, kan hij zijn huis gaan bouwen, dat wil zeggen een gezin gaan vormen en dat ook onderhouden.


Niet vals getuigen en niet wraak nemen

28Wees niet zonder reden getuige tegen uw naaste,
want zou u met uw lippen misleiden?
29Zeg niet: Zoals hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen,
ik zal die man vergelden naar zijn werk.

Vers 2828Wees niet zonder reden getuige tegen uw naaste,
want zou u met uw lippen misleiden?
is een waarschuwing zich niet te laten verleiden om tegen een naaste te getuigen zonder dat er een duidelijke reden voor is. We kunnen in omstandigheden terechtkomen dat collega’s of mensen uit onze omgeving onze mening vragen over het gedrag van iemand met wie we samenwerken of die in onze buurt woont, met de bedoeling zo iemand aan te klagen. Als wij persoonlijk niet een bepaalde ervaring met de betreffende persoon hebben opgedaan, moeten we ons niet laten misleiden en geen getuige in die zaak zijn. De boodschap is dat er heel solide redenen moeten zijn voordat iemand ooit tegen een naaste als getuige moet gaan optreden.

Ook wraakgevoel mag geen rol spelen in een rechtszaak (vers 2929Zeg niet: Zoals hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen,
ik zal die man vergelden naar zijn werk.
)
. Nog minder mag iemand het recht in eigen hand nemen. Als iemand ons kwaad heeft gedaan, zouden we ons van een van beide mogelijkheden kunnen bedienen, maar ze zijn allebei verkeerd. We mogen iemand niet het kwaad vergelden dat hij ons heeft aangedaan. We mogen het zelfs niet eens zeggen, hardop of in ons hart.

Om deze gezindheid te hebben is het nodig dat we God vertrouwen. Hem ontgaat het niet dat ons kwaad is aangedaan. Onze reactie daarop ontgaat Hem ook niet. Hij weet hoe wij kunnen reageren. Als we iemand willen vergelden, nemen we de plaats van God als Rechter in (Rm 12:1919Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: ‘Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt [de] Heer’.). Onrecht dat ons is aangedaan, mogen we, net als de Heer Jezus deed, overgeven “aan Hem Die rechtvaardig oordeelt” (1Pt 2:2323Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;). Dit was ook de houding die David tegenover Saul aannam. Hij wilde niet voor eigen rechter spelen, maar gaf Saul over aan God en wachtte op wat Hij met Saul zou doen. Daarmee is hij niet beschaamd uitgekomen.


De les van de luiaard

30Ik ging langs de akker van een luiaard,
ja, langs de wijngaard van een mens zonder verstand.
31En zie, hij was helemaal vol gegroeid met netels,
distels bedekten zijn oppervlak,
en zijn stenen muur was afgebroken.
32Toen ik het zelf aanschouwde, nam ik het ter harte,
ik zag het [en] nam vermaning aan:
33een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen,
34zo komt uw armoede [over u als] een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.

De wijze Salomo vertelt in de verzen 30-3430Ik ging langs de akker van een luiaard,
ja, langs de wijngaard van een mens zonder verstand.
31En zie, hij was helemaal vol gegroeid met netels,
distels bedekten zijn oppervlak,
en zijn stenen muur was afgebroken.
32Toen ik het zelf aanschouwde, nam ik het ter harte,
ik zag het [en] nam vermaning aan:
33een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen,
34zo komt uw armoede [over u als] een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.
over een wandeling die hij maakte en wat hij daarbij opmerkte. Daaraan verbindt hij een les voor zichzelf en voor zijn zoon. Het gebeurde dat hij “langs de akker van een luiaard” ging (vers 3030Ik ging langs de akker van een luiaard,
ja, langs de wijngaard van een mens zonder verstand.
)
. Hij zocht die akker niet op, maar passeerde hem gewoon. Ja, die akker was een wijngaard geweest, die indruk kreeg hij in elk geval, maar daar was niets meer van te zien. Dat kwam omdat het beheer ervan lag in de handen “van een mens zonder verstand”. Slechts een dergelijk mens, zonder het geringste besef van verantwoordelijkheid, kan zijn wijngaard zo laten verwilderen. Het gaat hier niet om iemand zonder ruggengraat, maar om iemand zonder hersens, zonder verstand, letterlijk zonder hart. Het ontbrak hem niet aan de kracht, maar aan de wil.

“En zie” (vers 3131En zie, hij was helemaal vol gegroeid met netels,
distels bedekten zijn oppervlak,
en zijn stenen muur was afgebroken.
)
, terwijl hij daar zo voorbijliep, constateerde hij enkele dingen. De wijze liep niet te dagdromen of te slaapwandelen, maar nam de situatie om zich heen in zich op. Op de akker stond niet slechts hier en daar wat onkruid, nee, “hij was helemaal vol gegroeid met netels”. Er was geen stukje grond meer te zien, want ”distels bedekten zijn oppervlak”. Waar druiven hadden moeten groeien, was een overvloed aan netels en distels te zien. Die komen er niet van de ene op de andere dag. Hier was al een hele tijd geen enkel werk verricht.

Zo kan er in het leven van een gelovige die ontrouw aan de Heer is en Hem steeds meer vergeet een vergelijkbare situatie ontstaan. De goede vruchten van het geloof die het hart verblijden (de wijngaard spreekt van blijdschap) verdwijnen en in plaats daarvan komen netels en distels die pijn doen en kwetsen. De gevolgen van de zonde in de schepping hebben zich een plaats verworven in de levenssfeer van de gelovige.

De wijze zag ook dat “zijn stenen muur was afgebroken”. Alle bescherming was weg. Het terrein kon door iedereen worden betreden. Als de woning van de luiaard zich ook daar bevond, kon iedere inbreker die met het grootste gemak bereiken.

Het gaat om een akker die eerder een wijngaard was. Israël wordt met een wijngaard vergeleken (Js 5:1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
. De wijngaard moet wijn opleveren. Wijn is een beeld van blijdschap (Ri 9:1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?; Ps 104:1515wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
)
. God wilde Zich in Zijn volk verheugen, maar Zijn volk heeft Hem die vreugde niet bezorgd. De wijngaard was door luiheid een akker geworden, waarop de symbolen van de zonden (Gn 3:1818dorens en distels zal hij voor u laten opkomen
en u zult het gewas van het veld eten.
)
, de werken van het vlees, welig tierden.

We kunnen hier een toepassing maken. Als we geestelijk lui zijn, zullen ‘netels’ en ‘distels’, dat wil zeggen zondige dingen, de wijngaard van ons leven overwoekeren. God kan Zich dan niet over ons leven verheugen, want niets erin herinnert Hem aan het leven van de Heer Jezus. En als we de muur van afzondering van de wereld laten afbrokkelen, krijgen de wereld en het wereldse denken ingang in ons leven en zullen we slachtoffers van de ondergang worden.

Na de waarneming in de verzen 30-3130Ik ging langs de akker van een luiaard,
ja, langs de wijngaard van een mens zonder verstand.
31En zie, hij was helemaal vol gegroeid met netels,
distels bedekten zijn oppervlak,
en zijn stenen muur was afgebroken.
trekt de wijze voor zichzelf een les en deelt die met ons (verzen 32-3432Toen ik het zelf aanschouwde, nam ik het ter harte,
ik zag het [en] nam vermaning aan:
33een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen,
34zo komt uw armoede [over u als] een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.
)
. Wat hij zag, sloeg hij op in zijn hart. Het hield een vermaning in, een vermaning zonder woorden. Een van de beste leermethoden is dat we iets aanschouwen, dat wil zeggen iets met intense aandacht bekijken, en het ter harte nemen. Dan leren we er echt van. Als we de kwalijke gevolgen van een daad of een houding zien, zal dat ons ervoor waarschuwen niet ook zulke daden te doen of zo’n houding aan te nemen.

Wat Salomo heeft gezien en wat een vermaning voor hem inhield, zal hem ervoor bewaren tot luiheid te vervallen. Het begint met een beetje slapen, een beetje sluimeren, een beetje liggen met gevouwen handen. Het is allemaal maar “een beetje”, maar al die beetjes lijken op de wandelaar die ook niet hard loopt, maar wel gestaag zijn weg vervolgt. En al die beetjes bij elkaar zijn als een gewapend man. Alle beetjes slapen en sluimeren en liggen met gevouwen handen hebben tot gevolg dat er armoede en gebrek geleden wordt (Sp 6:10-1110Een beetje slapen, een beetje sluimeren,
een beetje liggen met gevouwen handen!
11Zo komt uw armoede [over u] als een wandelaar
en uw gebrek als een gewapend man.
)
.


Lees verder