Spreuken
1-3 De HEERE bestuurt en beoordeelt alles 4 Hoogmoed is zonde 5 Vlijt, geen overhaasting 6-8 Een bedrieglijke tong en een kromme weg 9 Beter alleen wonen dan met ruzie samenwonen 10 Wie belust is op het kwade, kent geen genade 11 De spotter boet, de wijze doet kennis op 12 De goddelozen worden in het onheil gestort 13 Niet horen en zelf niet gehoord worden 14 Een gift en een geschenk brengen kalmte 15 Recht doen bewerkt blijdschap en verschrikking 16 Afdwalen voert tot de gestorvenen 17 Wie blijdschap, wijn en olie liefheeft 18 Een goddeloze als losgeld 19 Beter eenzaam wonen dan met een ruziënde vrouw 20-21 De wijze is spaarzaam en leeft 22-23 De wijze overwint en bewaart zichzelf 24 De spotter en zijn mateloze overmoed 25-26 De luiaard en de rechtvaardige 27-29 De huichelaar komt om 30-31 De HEERE is onoverwinnelijk en overwint
De HEERE bestuurt en beoordeelt alles

1Het hart van een koning is in de hand van de HEERE [als] waterbeken,
Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.
2Al [zijn] wegen zijn iemand recht in zijn [eigen] ogen,
maar de HEERE toetst de harten.
3Gerechtigheid en recht te doen
is voor de HEERE verkieslijker dan een offer.

Vers 11Het hart van een koning is in de hand van de HEERE [als] waterbeken,
Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.
is een van de duidelijkste bewijzen in de Schrift van de soevereiniteit van God. We zien dit in het leven van de machtigste heersers die we in de Schrift ontmoeten, zoals bij Nebukadnezar (Dn 4), Belsazar (Dn 5), Ahasveros (Es 6) en Kores (Ea 6:2222En zij vierden zeven dagen met blijdschap het Feest van de ongezuurde [broden], want de HEERE had hen verblijd en Hij had het hart van de koning van Assyrië in hun voordeel gewend om hen te bemoedigen bij het werk aan het huis van God, de God van Israël.; Js 45:1-71Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde,
tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand,
om de volken vóór hem neer te werpen,
en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden;
om deuren voor hem te openen,
poorten zullen niet gesloten worden:
2Zelf zal Ik voor u uit gaan,
het oneffene zal Ik rechtmaken,
bronzen deuren zal Ik openbreken,
en ijzeren grendels stukbreken.
3En Ik zal u geven schatten die in het duister zijn,
verborgen rijkdommen,
opdat u zult weten dat Ik de HEERE ben, Die [u] bij uw naam roept,
de God van Israël.
4Ter wille van Jakob, Mijn dienaar,
Israël, Mijn uitverkorene,
riep Ik u bij uw naam;
Ik gaf u een erenaam, hoewel u Mij niet kende.
5Ik ben de HEERE, en niemand anders,
buiten Mij is er geen God.
Ik zal u omgorden, hoewel u Mij niet kende,
6opdat men zal weten, vanwaar de zon opkomt tot waar [hij] ondergaat,
dat er buiten Mij niets is.
Ik ben de HEERE, en niemand anders.
7Ik formeer het licht en schep de duisternis,
Ik maak de vrede en schep het onheil;
Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
)
. God heeft de volkomen controle over hen. Hetzelfde geldt voor de tegenwoordige wereldleiders en ook voor de twee grote dictators in de eindtijd, het beest uit de zee en het beest uit de aarde (Op 13:1-181En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.11En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.16En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;17<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.18Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.). Geen menselijke heerser is dus de hoogste heerser in het heelal, maar de HEERE. Hij is waarlijk de Koning der koningen (Ea 7:21,2721Door mij, mij koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatbewaarders aan de overzijde van de Eufraat, dat alles zorgvuldig gedaan moet worden wat de priester Ezra, de schriftgeleerde, [bedreven in] de wet van de God van de hemel, van u vraagt,27Geloofd zij de HEERE, de God van onze vaderen, Die het zo in het hart van de koning heeft gegeven om het huis van de HEERE dat in Jeruzalem [staat], aanzien te geven.; Js 10:6-76Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
; 41:2-42Wie heeft vanwaar [de zon] opkomt de rechtvaardige doen opstaan,
hem geroepen om te gaan?
[Wie] heeft heidenvolken aan hem overgeleverd
en doet hem koningen vertreden?
[Wie] heeft [hen] als stof overgeleverd aan zijn zwaard,
als wegwaaiende stoppels aan zijn boog?
3Hij achtervolgde hen, trok verder in vrede,
over een pad [dat] hij met zijn voeten niet eerder betrad.
4Wie heeft [dit] bewerkt en gedaan?
[Hij] Die de generaties riep vanaf het begin!
Ik, de HEERE, Die de Eerste ben,
en bij de laatsten ben Ik Dezelfde.
; Dn 2:2121Hij verandert de tijden en gelegenheden,
Hij zet koningen af en stelt koningen aan,
Hij geeft de wijsheid aan wijzen,
de kennis aan wie verstand hebben.
; Jh 19:1111Jezus antwoordde <hem>: U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven was gegeven; daarom heeft hij die Mij aan u heeft overgeleverd, een grotere zonde.; Op 17:1717Want God heeft in hun harten gegeven Zijn bedoeling uit te voeren en het met enerlei bedoeling uit te voeren en hun koninkrijk aan het beest te geven, totdat de woorden van God vervuld zullen zijn.)
.

Beslissingen die een koning in zijn hart neemt, worden bestuurd en gecontroleerd door God. Hij leidt de koning in “alles”, dus niets uitgezonderd, wat Hij wil. Hij doet dat in elke gewenste richting. Het hart van een koning is in Zijn hand, wat aangeeft dat Hij er volkomen macht over heeft. Het is als “waterbeken”, waarmee Hij doet zoals een boer doet die kanalen graaft om de loop van het water naar en over zijn land te regelen zodat het precies daar komt waar hij het wil hebben. Zo handelt God met het hart van een koning.

Vers 22Al [zijn] wegen zijn iemand recht in zijn [eigen] ogen,
maar de HEERE toetst de harten.
sluit naadloos aan op vers 11Het hart van een koning is in de hand van de HEERE [als] waterbeken,
Hij neigt het tot alles wat Hem behaagt.
. Zoals God het hart van een koning kent, zo kent Hij het hart van ieder mens. Een mens kan wel menen dat “al [zijn] wegen … recht” zijn, maar dan wel in “zijn [eigen] ogen” (Sp 16:22Al [zijn] wegen zijn iemand zuiver in zijn [eigen] ogen,
maar de HEERE toetst de geesten.
)
. Wij zijn er meesters in om onze weg “recht” te praten, terwijl we een kromme weg gaan. De werkelijke Beoordelaar van wat er in het hart is, is God. Hij ziet niet alleen de weg die iemand gaat, maar “toetst” ook “de harten”. Hij doorgrondt de motieven.

De farizeeër die een heel goede mening over zichzelf heeft, blijkt in werkelijkheid een hart vol trots op zichzelf en vol verachting voor anderen te hebben. Dit oordeel spreekt Hij uit Die weet wat in de mens is (Lk 18:9-149Hij nu zei ook tot sommigen die van zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren en de overigen verachtten, deze gelijkenis:10Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden, de een een farizeeër en de ander een tollenaar.11De farizeeër ging [daar] staan en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de overige mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar.12Ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van al mijn inkomsten.13De tollenaar echter bleef op een afstand staan en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg zich op de borst en zei: O God, wees mij, de zondaar, genadig!14Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling met de ander; want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd, maar wie zichzelf vernedert, zal worden verhoogd.; Jh 2:2424Maar Jezus Zelf vertrouwde Zich aan hen niet toe, omdat Hij allen kende,). Hij “doorgrondt het hart” van de mens volkomen (Jr 17:1010Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
)
en weet dat het “arglistig is … boven alles” (Jr 17:99Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
)
.

Onze kijk op onze weg is beperkt, zowel in tijd als in richting. God is eeuwig en overziet alles en kent het doel. Daarom is het goed dat wij met David bidden: “Doorgrondt mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg is en leidt mij op de eeuwige weg” (Ps 139:23-2423Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
24Zie of er bij mij een schadelijke weg is
en leid mij op de eeuwige weg.
)
.

Een van de dingen die recht kan zijn in onze eigen ogen (vers 22Al [zijn] wegen zijn iemand recht in zijn [eigen] ogen,
maar de HEERE toetst de harten.
)
, is het brengen van een offer en dan denken dat het wel goed zit met ons leven (vers 33Gerechtigheid en recht te doen
is voor de HEERE verkieslijker dan een offer.
)
. We zien een offer dan als een compensatie voor de ongerechtigheid die we doen en het onrecht dat we plegen waarmee we dan rustig kunnen doorgaan. We geven God het een en ander en veronderstellen dat Hij daarvoor als ‘tegenprestatie’ niet zo nauw naar ons leven kijkt.

Hier staat niet dat offers moeten worden vermeden, maar dat godsdienstige handelingen zonder een rechtvaardig leven waardeloos zijn. God geeft de voorkeur aan het doen van “gerechtigheid en recht” boven godsdienstigheid. “Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer” (1Sm 15:2222Maar Samuel zei:
Heeft de HEERE evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers
als in het gehoorzamen aan de stem van de HEERE?
Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer,
opmerkzaam zijn [beter] dan het vet van rammen.
; Sp 15:88Het offer van goddelozen is voor de HEERE een gruwel,
maar het gebed van oprechten is Hem welgevallig.
; 21:2727Het offer van goddelozen is een gruwel,
hoeveel te meer als zij het met een schandelijke bedoeling brengen!
; Ps 40:6-86HEERE, mijn God, veel zijn Uw wonderen, die Ú hebt gedaan,
en Uw gedachten, die U over ons hebt.
Men kan ze voor U niet uiteenzetten.
Zou ik ze verkondigen en uitspreken,
[dan] zijn ze zó machtig veel dat ik ze niet kan tellen.7U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer,
U hebt Mijn oren doorboord;
brandoffer en zondoffer
hebt U niet geëist.
8Toen zei Ik: Zie, Ik kom,
in de boekrol is over Mij geschreven.
; Js 1:11-1711Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
12Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
13Breng niet langer nutteloze offers.
Het reukwerk is Mij een gruwel.
Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten:
Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten.
14Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen
haat [Ik met heel] Mijn ziel;
ze zijn Mij tot last;
Ik ben het moe om [ze] te dragen.
15En wanneer u uw handen uitspreidt,
verberg Ik Mijn ogen voor u;
ook wanneer u [uw] gebed vermeerdert,
luister Ik niet:
uw handen zitten vol bloed.16Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de weduwe!
; Mk 12:3333en Hem lief te hebben met heel het hart en met heel het inzicht en met heel de kracht en de naaste lief te hebben als zichzelf is meer dan alle brandoffers en slachtoffers.)
. Wie gerechtigheid en recht doet, houdt zich aan wat God in Zijn Woord zegt, aan Zijn rechtsbepalingen.

God verwierp het offer van Kaïn omdat hij geen gerechtigheid en recht deed, maar integendeel ongerechtigheid en onrecht, wat bleek toen hij zijn broer vermoordde (1Jh 3:1212niet zoals Kaïn uit de boze was en zijn broer doodsloeg. En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broer rechtvaardig.). Uiterlijke handelingen als doop en avondmaal zijn belangrijk, want God spreekt daarover in Zijn Woord. Maar als doop en avondmaal niet anders zijn dan uiterlijke handelingen en ons hart er niet bij betrokken is, zijn het voor God verwerpelijke handelingen.


Hoogmoed is zonde

4Een hooghartige oogopslag en een trots hart
– het pas ontgonnen land van goddelozen – zijn zonde.

“Een hooghartige oogopslag” weerspiegelt “een trots hart”. Het eerste bewijst de aanwezigheid van het tweede. Beide “zijn zonde”. Uiterlijk (een hooghartige oogopslag) en innerlijk (een trots hart) is er niets anders dan zonde. Ze horen bij het bestaan van de goddelozen, dit is wat zij voortbrengen. De grond van hun leven levert niets anders op.

Een goddeloze bewerkt zijn leven als een land. Ook als hij een nieuw project begint, als hij nieuw land ontgint, levert dat “pas ontgonnen land” niets anders dan hoogmoed op. Zijn leven brengt alleen hoogmoed voort. Alles dient tot zijn eigen glorie, terwijl hij anderen minacht.


Vlijt, geen overhaasting

5De plannen van wie vlijtig is, [leiden] alleen tot overschot,
maar al wie zich overhaast, [komt] slechts tot gebrek.

Dit vers spoort aan tot vlijt en waarschuwt tegelijk voor overhaasting. Vlijt is goed als er planmatig, met overleg, wordt gewerkt. Vlijt en het maken van plannen gaan hand in hand. Wie vlijtig is, maar ook het geduld heeft om plannen te maken, zal niet tekortkomen, maar “overschot” hebben. Dat overschot kan worden gebruikt om in andere of nieuwe projecten te investeren of om anderen, die in armoede leven, mee te helpen.

Wie al te vlijtig is, “wie zich overhaast”, gunt zichzelf geen tijd om plannen te maken. Hij is impulsief en wil zo snel mogelijk zoveel mogelijk voordeel of winst. Maar hij komt “slechts tot gebrek” omdat hij onbezonnen, onbesuisd, te werk gaat. Spoed is goed, maar ‘haastige spoed is zelden goed’. De tekst stelt een berekende, snelle, winstgevende handeling tegenover onproductieve of zelfs verliesgevende haast.

Het gaat bij overhaasting om al die gevallen waarvan wij vinden dat we ons moeten haasten, omdat we anders, naar onze mening, een buitenkans op voordeel missen. Mensen worden opgejut om vooral nú ergens op in te schrijven of nú iets aan te schaffen of nú ergens op te klikken, want over een uur of over een dag of volgende week kan dat niet meer. Dan is die buitenkans voorbij.

Maar laten we bedenken dat tijd om ergens over na te denken, of iets zorgvuldig te plannen, geen verloren tijd is. Het is tijd die zichzelf met grote winst terugverdient en in elk geval voor grote verliezen door domme investeringen bewaart. Daarom moeten we onze plannen eerst aan de Heer voorleggen en Zijn goedkeuring vragen. Als Hij die geeft, kunnen we vlijtig aan de slag gaan met de zekerheid van een optimaal resultaat.


Een bedrieglijke tong en een kromme weg

6Wie met een bedrieglijke tong schatten verwerft,
is [als] de verwaaiende zucht van hen die de dood zoeken.
7De verwoesting van goddelozen sleurt hen mee,
omdat zij weigeren recht te doen.
8De weg van een mens is krom en vreemd,
maar het werk van een reine is juist.

“Met een bedrieglijke tong” (vers 66Wie met een bedrieglijke tong schatten verwerft,
is [als] de verwaaiende zucht van hen die de dood zoeken.
)
wil zeggen op een frauduleuze manier, door leugens te vertellen of, door wat wel een ‘babbeltruc’ wordt genoemd. Het is bijvoorbeeld iemand die bij een oudere aan de deur komt, een mooi verhaal ophangt en de oudere diens geld of pinpas en pincode ontfutselt. Hij zal bemerken dat de schatten die hij op die manier heeft verworven, hem geen enkel houvast voor dit leven bieden. Het zal zijn alsof ze in de lucht verdwijnen en oplossen. Daarbij komt dat hijzelf gelijk is “aan hen die de dood zoeken”. Ze zijn niet bewust op zoek naar de dood, maar door wat zij doen, doen ze dat automatisch.

Gehazi is een voorbeeld van zo iemand (2Kn 5:20-2720zei Gehazi, de knecht van Elisa, de man Gods: Zie, mijn heer heeft Naäman, die Syriër, tegengehouden; hij heeft uit zijn hand niets aangenomen van wat hij meegebracht had. Maar [zo waar] de HEERE leeft, ik zal hem achterna rennen en [wel] iets van hem aannemen.21Dus volgde Gehazi Naäman. En toen Naäman zag dat hij hem achterna rende, liet hij zich van de wagen zakken, [ging] hem tegemoet en zei: Is [alles] goed?22En hij zei: [Alles] is goed. Mijn heer heeft mij gestuurd om te zeggen: Zie, er zijn nu uit het bergland van Efraïm twee jongemannen van de leerling-profeten bij mij gekomen. Geef hun toch een talent zilver en twee stel gewaden.23Naäman zei daarop: Neem alstublieft twee talent aan. Hij drong bij hem aan en bond twee talent zilver in twee buidels, met twee stel gewaden, en hij gaf ze aan twee van zijn knechten, die ze voor hem uit droegen.24Toen hij nu bij de heuvel kwam, nam hij [alles] van hen over en borg het op in een huis. Hij liet de mannen gaan en zij gingen weg.25Daarna keerde hijzelf [terug] en ging voor zijn heer staan. Elisa zei toen tegen hem: Waar [kom je] vandaan, Gehazi? Hij zei: Uw dienaar is niet hierheen of daarheen gegaan.26Maar hij zei tegen hem: Ging mijn hart niet mee, toen die man zich vanaf zijn wagen omkeerde [en] je tegemoet ging? Was het tijd om dat zilver aan te nemen en gewaden aan te nemen, [om] olijfbomen en wijngaarden, schapen en runderen, dienaren en dienaressen [te kunnen kopen]?27Daarom zal de melaatsheid van Naäman zich voor eeuwig aan jou en aan jouw nageslacht hechten. Toen ging hij bij hem weg, melaats, [wit] als de sneeuw.). Door zijn bedriegerij is hij rijk geworden, maar tevens melaats, een ziekte die tot de dood voert. Hij heeft daardoor niet van zijn bedrieglijk verworven schatten kunnen genieten, in tegenstelling tot wat hij had gedacht. Ananias en Saffira hebben hun bedrog direct met de dood moeten bekopen en geen minuut van hun in werkelijkheid van God gestolen geld kunnen genieten (Hd 5:1-111Een man nu genaamd Ananias, met zijn vrouw Saffira, verkocht een eigendom2en hield iets van de opbrengst achter met medeweten van zijn vrouw, en hij bracht een deel en legde het aan de voeten van de apostelen.3Petrus echter zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om te liegen tegen de Heilige Geest en van de opbrengst van het land achter te houden?4Als het [onverkocht] was gebleven, bleef het niet van u en was na de verkoop [de opbrengst] niet in uw macht? Waarom hebt u zich deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.5Toen nu Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en stierf. En er kwam grote vrees over allen die [het] hoorden.6De jongemannen nu stonden op, wikkelden hem in, droegen hem naar buiten en begroeven hem.7Het gebeurde nu ongeveer drie uur daarna, dat zijn vrouw binnenkwam, zonder te weten wat er was gebeurd.8Petrus nu antwoordde haar: Zeg mij: hebt u het land voor zóveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zóveel.9Petrus nu zei tot haar: Waarom bent u onderling overeengekomen de Geest van [de] Heer te verzoeken? Zie, de voeten van hen die uw man hebben begraven, zijn voor de deur en zij zullen u naar buiten dragen.10En zij viel onmiddellijk neer aan zijn voeten en stierf. En de jongemannen kwamen binnen en vonden haar dood, en zij droegen haar naar buiten en begroeven haar bij haar man.11En er kwam grote vrees over de hele gemeente en over allen die deze dingen hoorden.).

Goddelozen spreken niet alleen met een bedrieglijke tong (vers 66Wie met een bedrieglijke tong schatten verwerft,
is [als] de verwaaiende zucht van hen die de dood zoeken.
)
, maar hun handelingen zijn verwoestende handelingen (vers 77De verwoesting van goddelozen sleurt hen mee,
omdat zij weigeren recht te doen.
)
. Ze worden als willoze dieren meegesleurd door hun goddeloosheid. Ze gaan van verwoesting naar verwoesting, ze kunnen niet anders dan overal verwoesting bewerken. Dat zal ten slotte tot hun eigen verwoesting leiden, “want allen die [het] zwaard nemen, zullen door [het] zwaard omkomen” (Mt 26:5252Toen zei Jezus tot hem: Steek je zwaard weer op zijn plaats; want allen die [het] zwaard nemen, zullen door [het] zwaard omkomen.).

Ze zijn niet de passieve slachtoffers van hun misdaden of omstandigheden, mensen die het ook allemaal niet kunnen helpen. Ze handelen zo, “omdat zij weigeren recht te doen”. Ze zullen alleen zichzelf de schuld van hun eigen verwoesting kunnen geven, want ze kozen ervoor om geen recht te doen en dus te volharden in het kwaad.

In vers 88De weg van een mens is krom en vreemd,
maar het werk van een reine is juist.
spreekt de vader over de twee soorten mensen die er zijn. In de eerste versregel spreekt hij over “de weg van een mens”, die hij in de verzen 6-76Wie met een bedrieglijke tong schatten verwerft,
is [als] de verwaaiende zucht van hen die de dood zoeken.
7De verwoesting van goddelozen sleurt hen mee,
omdat zij weigeren recht te doen.
heeft voorgesteld, de mens die leeft zonder God. In de tweede versregel spreekt hij over het werk van iemand die met God in verbinding staat.

“De weg van een mens” – dat wil zeggen van een mens die weigert de rechte weg van God te gaan – “is krom en vreemd”. De weg van de natuurlijke mens is vol bochten, zijn hele handel en wandel is vol draaierijen. Een kromme weg gaat in tegen de waarheid, tegen de aanwijzingen van Gods Woord over de rechte weg. Het is ook een vreemde weg, een weg die vreemd is aan de Schrift, waarvoor in de Schrift geen enkele aanwijzing te vinden is. Deze weg wordt bewandeld door hen die vreemd zijn aan het leven uit en met God, die daaraan geen deel hebben. Hun hele leven toont aan dat zij behoren tot “een krom en verdraaid geslacht” (Fp 2:1515opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God te midden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in [de] wereld,).

In de tweede versregel staat “weg” tegenover “werk”, “een reine” tegenover “een mens” en “juist” tegenover “krom en vreemd”. Een reine is iemand die gereinigd is door het geloof en daardoor met God in verbinding staat. Hij is een reine van hart, wat blijkt uit zijn werk (vgl. Tt 1:15a15Voor de reinen is alles rein, maar voor de besmetten en ongelovigen is niets rein, maar zowel hun verstand als hun geweten is besmet.). Het is een juist of recht werk omdat het juist of recht is voor God en mensen.


Beter alleen wonen dan met ruzie samenwonen

9Het is beter te wonen op een hoek van een dak,
dan [in] een gemeenschappelijk huis met een twistzieke vrouw.

Dit is weer een “beter … dan” spreuk over het samenwonen met een twistzieke vrouw (Sp 21:1919Het is beter te wonen in een woestijnachtig land
dan bij een twistzieke en wrevelige vrouw.
; vgl. Sp 19:1313Een dwaze zoon is een ramp voor zijn vader,
en het geruzie van een vrouw een gestadig druppelen.
)
. Ieder kan zich de situatie voorstellen die Salomo hier voorstelt en instemmen met wat beter is. Je zult maar met een twistzieke vrouw getrouwd zijn. Als je getrouwd bent, ben je tot samenwonen verplicht. Je kunt alles tot in de puntjes hebben geregeld. Het huis is ruim en van alle gemakken voorzien. Je trekt erin, om vervolgens in dat ruime en van alle gemakken voorziene huis niets anders dan ruzie te beleven. De sfeer in huis is verziekt.

Zou Salomo hier uit ervaring spreken? Hij had per slot van rekening duizend vrouwen. Het is voorstelbaar dat onder die vele vrouwen er wel enkele waren die constant ruzie maakten. Salomo was omgeven met alle pracht en praal die een mens zich maar kan wensen, maar hij beseft dat eenvoud en eenzaamheid met rust beter zijn dan al die luxe die in een sfeer van ruzie wordt ondergedompeld.

Dan kun je beter maar niet getrouwd zijn en in eenvoud en eenzaamheid in een klein kamertje ergens op een hoek van een dak wonen (vgl. 2Kn 4:1010Laten wij toch een klein bovenvertrek van steen maken en daar een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar voor hem neerzetten; komt hij dan bij ons, dan kan hij zich daar terugtrekken.). Je woont kleinbehuisd, maar je hebt vrede. Het kan krap en eenzaam zijn, mogelijk ben je op de hoek van dat dak zelfs blootgesteld aan weer en wind, maar er is rust, je hebt niet te maken met constante conflicten die je leven vergallen.

Wie (nog) niet getrouwd is, vindt in dit vers een tegenhanger van de gedachte dat getrouwd zijn het hoogste genot geeft. Getrouwd zijn met de vrouw die God heeft gegeven, is inderdaad een groot geschenk en een voortdurende bron van blijdschap. Maar als je met de verkeerde vrouw trouwt, de vrouw op wie je je zinnen hebt gezet, kan het huwelijk waarvan je droomde, in een nachtmerrie veranderen. Het vers toont weer aan hoe belangrijk het is alleen te trouwen met de vrouw die God geeft.


Wie belust is op het kwade, kent geen genade

10De ziel van een goddeloze is belust op het kwade,
zijn naaste vindt geen genade in zijn ogen.

“Een goddeloze” streeft “het kwade” en niet genade na. Hij doet niet alleen het kwade, maar zijn ziel “is belust” op het doen ervan. Hij is een sadist, een vertegenwoordiger van de satan, die er zijn genoegen in vindt anderen pijn te doen. De ziel is de zetel van de begeerten. De goddeloze begeert met heel zijn ziel het kwade, omdat alleen dat zijn diepste gevoelens bevredigt.

De gedachte aan het bewijzen van genade aan zijn naaste ontbreekt volledig bij hem. In zo iemand is niet alleen geen greintje genade voor zijn vijand, maar ook niet voor zijn naaste. Als zijn naaste hem om genade zou smeken, zou hij hem met plezier het kwade aandoen, waarvan zijn naaste smeekt het niet te doen.


De spotter boet, de wijze doet kennis op

11Als men de spotter laat boeten, wordt de onverstandige wijs,
en als men de wijze onderricht, doet hij kennis op.

Er is hier weer sprake van de drie personen “de spotter”, “de onverstandige” en “de wijze”. “De spotter” is de hardleerse persoon. Hij moet boeten voor zijn spotternij. De straf kan worden toegediend door God of een rechter of iemand anders die boven hem staat, maar de spotter verandert er niet door in zijn gedrag. Hij blijft spotten. De vraag is of het wel zin heeft om hem te straffen als het toch niet helpt.

Dan blijkt dat zijn straf toch een heilzaam effect heeft, niet voor hemzelf, maar voor “de onverstandige” die dit ziet. Het voorbeeld dat hij ziet, heeft als gevolg dat hij wijs wordt. Hij ziet wat de consequenties van de spotternij zijn en die wil hij ontlopen. Dat is wijsheid. Een straf die wordt toegediend, bereikt niet alleen de persoon die de straf ondergaat, maar ook anderen. Hij corrigeert de een en voorkomt dat anderen ook die fout begaan, waardoor zij ook straf voorkomen (Sp 19:2525Sla een spotter, dan zal [die] onverstandige schrander worden,
en wijs een verstandige terecht, [en] hij zal inzicht krijgen.
; vgl. Dt 19:2020Laten zij die overgebleven zijn, het horen en bevreesd zijn en een dergelijke wandaad niet meer in uw midden verrichten.; 1Tm 5:2020Stel hen die zondigen in tegenwoordigheid van allen aan de kaak, opdat ook de overigen vrees hebben.; Hd 5:1111En er kwam grote vrees over de hele gemeente en over allen die deze dingen hoorden.)
.

Terwijl de onverstandige door een voorbeeld leert, leert “de wijze” door “onderricht”, waardoor hij “kennis” opdoet. Het onderricht dat hij krijgt, zorgt er niet alleen voor dat hij iets ‘weet’, maar het geeft hem inzicht in de problemen van het leven. De wijze stopt nooit met leren.


De goddelozen worden in het onheil gestort

12De rechtvaardige let aandachtig op het huis van een goddeloze:
[God] stort goddelozen in het onheil.

“De rechtvaardige” laat zich niet misleiden door wat hij van het huis van de goddeloze ziet. Vaak ziet hij de voorspoed en welvaart ervan. Hij kijkt er echter niet oppervlakkig naar, maar “let aandachtig op het huis”; hij kijkt ernaar met de ogen van God. Dan ziet hij dat de voorspoed van zijn huis tijdelijk is. Als hij met het oog van het geloof kijkt, ziet hij het einde van de voorspoed van het huidige moment.

Er komt namelijk een moment dat God de “goddelozen in het onheil” stort. Alles waarop zij zich beroemden en waar ze hun rust in vonden, is dan veranderd in rampspoed en ellende, die niet tijdelijk, maar eeuwig zijn. Dat er een moment komt waarop de Rechter van de hele aarde recht zal doen, is voor de rechtvaardige een bemoediging om armoede en lijden te verdragen.


Niet horen en zelf niet gehoord worden

13Wie zijn oren dichtstopt voor het geroep van de arme,
ook hij zal roepen en niet verhoord worden.

Gods oordeel komt niet alleen over mensen die kwaad doen (vers 1212De rechtvaardige let aandachtig op het huis van een goddeloze:
[God] stort goddelozen in het onheil.
)
, maar ook over hen die weigeren het goede te doen. Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde” (Jk 4:1717Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde.). “Wie zijn oren dichtstopt”, wil bewust niets horen (vgl. Hd 7:5757Zij echter schreeuwden met luider stem, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem af,). Het is een uiting van wreedheid en ongevoeligheid. Hier doet iemand dat om “het geroep van de arme” niet te horen. Hij sluit zich af voor een hulpvraag. Hij hoort het wel, maar doet alsof hij het niet hoort.

Het gaat daarbij om een uitgesproken hulpvraag. Het kan ook worden toegepast op een onuitgesproken hulpvraag, op het waarnemen van iemand die arm is, maar daar met een boog omheen lopen. Wie dat doet, heeft geen gevoel, hij sluit zijn innerlijk, zijn ingewanden (1Jh 3:1717Wie nu aardse goederen heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden en zijn hart voor hem sluit, hoe blijft de liefde van God in hem?). Hij kan zijn doofheid zelfs met heel vrome woorden camoufleren (Jk 2:1616en iemand van u zegt tot hen: Gaat heen in vrede, warmt u en verzadigt u, maar u geeft hun niet het voor het lichaam benodigde, wat baat het?).

Wie geen genade tonen, zullen geen genade verkrijgen als ze daar zelf om roepen (vgl. Jk 2:13a13Want het oordeel zal onbarmhartig zijn over hem die geen barmhartigheid gedaan heeft; barmhartigheid roemt tegen oordeel.). De arme Lazarus lag aan de voorpoort van de rijke man en verlangde ernaar zijn honger te stillen met wat van de tafel van de rijke viel, maar de rijke keek aan hem voorbij. Hij sloot zijn oren en ogen voor Lazarus en bekommerde zich niet om hem. Als de rijke man zijn ogen opslaat in de pijniging en om verkoeling voor zijn tong vraagt, vindt hij geen gehoor (Lk 16:19-3119Nu was er een rijk mens, en hij ging gekleed in purper en fijn linnen en vierde elke dag schitterend feest.20Nu lag er ook een arme, genaamd Lazarus, aan zijn voorpoort, vol zweren,21begerig zich te verzadigen met wat van de tafel van de rijke viel; maar zelfs de honden kwamen zijn zweren likken.22Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham.23De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.24En hij riep de woorden: Vader Abraham, erbarm u over mij en zend Lazarus om de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong te verkoelen, want ik lijd smart in deze vlam.25Abraham echter zei: Kind, bedenk dat u het goede hebt ontvangen in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij hier vertroost, maar u lijdt smart.26En bij dat alles is er tussen ons en u een grote kloof gevestigd, zodat zij die van hier naar u willen overgaan, niet kunnen, en zij vandaar niet naar ons kunnen overkomen.27Hij echter zei: Ik bid u dan, vader, dat u hem zendt naar het huis van mijn vader, want ik heb vijf broers,28opdat hij ernstig tot hen kan getuigen, zodat ook zij niet komen in deze plaats van pijn.29Abraham echter zei: Zij hebben Mozes en de profeten; laten zij naar hen luisteren.30Hij echter zei: Nee, vader Abraham, maar als iemand van [de] doden naar hen toe gaat, zullen zij zich bekeren.31Hij echter zei tot hem: Als zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij, ook al stond iemand uit [de] doden op, zich niet laten overtuigen.).


Een gift en een geschenk brengen kalmte

14Een gift in het verborgene houdt toorn eronder,
en een geschenk in de schoot hevige woede.

“Een gift in het verborgene” is een gift die niet luidkeels wordt gedaan. Het is een gift van de ene aan de andere persoon zonder dat anderen ervan horen. Een dergelijke gift heeft een kalmerende werking op iemand die om wat voor reden dan ook toornig is. Hij wordt daardoor milder gestemd. De tweede versregel zegt met andere woorden hetzelfde.

Het lijkt in dit vers niet te gaan om een omkoopgeschenk, om steekpenningen of smeergeld of zwijggeld, maar om een middel waardoor iemand kan worden gekalmeerd. Het doet iemand die ergens door in woede is ontstoken, vaak goed als er iemand komt die vriendelijk tegen hem doet. De gift of het geschenk hoeft niet te worden gegeven door degene op wie hij toornig is geworden, maar kan ook iemand zijn die ervan heeft gehoord. Voorbeelden zijn het geschenk dat Jakob naar Ezau stuurt (Gn 32:1-201Ook Jakob ging zijns weegs en engelen van God ontmoetten hem.2Toen hij hen zag, zei Jakob: Dit is een leger van God! Daarom gaf hij die plaats de naam Mahanaïm.3En Jakob stuurde boden voor zich uit naar zijn broer Ezau, naar het land Seïr, het gebied van Edom.4Hij gebood hun: Dit moet u zeggen tegen mijn heer, tegen Ezau: Dit zegt uw dienaar Jakob: Ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond en heb mij daar tot nu toe opgehouden.5Ik heb runderen, ezels, kleinvee, slaven en slavinnen, en ik heb [iemand] gestuurd om [dit] aan mijn heer te vertellen, opdat ik genade in uw ogen vind.6De boden kwamen terug bij Jakob en zeiden: Wij zijn bij uw broer, bij Ezau, aangekomen, en nu komt hij u tegemoet, met vierhonderd man bij zich.7Toen werd Jakob erg bevreesd en het benauwde hem. Hij verdeelde de mensen die bij hem waren, het kleinvee, de runderen en de kamelen in twee kampen,8want hij zei: Als Ezau bij het ene kamp aankomt en het verslaat, dan kan het overgebleven kamp ontkomen.9Verder zei Jakob: God van mijn vader Abraham, en God van mijn vader Izak, HEERE, Die tegen mij gezegd hebt: Keer terug naar uw land en uw familiekring, en Ik zal u weldoen –10ik ben te onbeduidend voor al de blijken van goedertierenheid en al de trouw die U Uw dienaar bewezen hebt. Immers, [slechts] met mijn staf ben ik de Jordaan hier overgestoken en nu ben ik tot twee kampen uitgegroeid!11Red mij toch uit de hand van mijn broer, uit de hand van Ezau; want ik ben bevreesd voor hem; anders zal hij komen en mij [en] de moeders [samen] met hun kinderen neerslaan!12U hebt immers gezegd: Ik zal u zéker weldoen en Ik zal uw nageslacht maken als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!13Hij overnachtte daar die nacht; en hij nam een [deel] van wat in zijn bezit gekomen was als geschenk voor zijn broer Ezau:14tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen,15dertig zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezels.16Vervolgens gaf hij ze in de hand van zijn dienaren, elke kudde apart; en hij zei tegen zijn dienaren: Steek [de beek] over, voor mij uit, en houd afstand tussen de kudden.17En hij gebood de eerste: Als mijn broer Ezau u tegenkomt en u vraagt: Van wie bent u? En waar gaat u heen? En van wie is deze [kudde] die [u] voor u uit [drijft]?18dan moet u zeggen: Dat is een geschenk van uw dienaar Jakob, gestuurd aan mijn heer Ezau; zie, hijzelf komt ook achter ons aan!19En hij gebood ook de tweede, de derde en allen die achter de kudden liepen: U moet op dezelfde manier tot Ezau spreken zodra u hem aantreft.20En u moet ook zeggen: Zie, uw dienaar Jakob [komt] achter ons aan! Want hij zei: Ik zal hem gunstig stemmen met dit geschenk, dat voor mij uit gaat; daarna zal ik hem onder ogen komen. Misschien zal hij mij ter wille zijn.) en het geschenk dat Abigaïl meeneemt als ze naar David gaat (1Sm 25:18-20,3518Toen haastte Abigaïl zich en nam tweehonderd broden, twee zakken wijn, vijf toebereide schapen, vijf maten geroosterd koren, honderd rozijnenkoeken en tweehonderd klompen vijgen, en legde [dat alles] op ezels.19En zij zei tegen haar knechten: Trek voor mij uit; zie, ik kom achter jullie aan. Maar aan haar man Nabal vertelde zij het niet.20Toen zij op de ezel reed en [de berg] afdaalde, door de bergwand aan het gezicht onttrokken, zie, toen gebeurde het dat David en zijn mannen haar tegemoetkwamen; en zij ontmoette hen.35Toen nam David uit haar hand aan wat zij voor hem meegebracht had, en hij zei tegen haar: Ga in vrede naar uw huis; zie, ik heb naar uw stem geluisterd en ben u ter wille.).


Recht doen bewerkt blijdschap en verschrikking

15Voor de rechtvaardige is het een blijdschap recht te doen,
maar voor hen die onrecht bedrijven, is het een verschrikking.

Het karakter van mensen blijkt uit hun reactie op het doen van wat recht is. Als voor iemand recht doen “een blijdschap” is, hebben we met een rechtvaardige te maken. Als het doen van recht voor mensen “een verschrikking” is, hebben we te maken met hen die onrecht bedrijven. De rechtvaardige doet niet alleen recht omdat het zo hoort, maar hij doet het met blijdschap. Hij doet niet recht omdat hij bang is voor de gevolgen als hij dat niet doet, maar hij doet recht omdat hij het recht liefheeft. De Heer Jezus is de ware Rechtvaardige. God getuigt van Hem: “U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat” (Hb 1:9a9U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie boven Uw metgezellen’.).

“Hen die onrecht bedrijven” zijn zij van wie het leven uit het doen van onrecht bestaat. Recht doen is het doen van Gods wil. Daar moeten zij niet aan denken. De gedachte alleen al is voor hen een verschrikking. Ze kunnen geen recht doen en ze willen het ook helemaal niet. Ze zullen volledig door verschrikking worden bevangen als ze zich voor Hem zullen moeten verantwoorden. Dan zullen ze worden gedwongen tot recht doen en wel in de zin van zich buigen voor Hem voor Wie ze nooit hebben willen buigen. De hel zal vol zijn met mensen die het recht altijd hebben gehaat. Ze zullen onder een eeuwige verschrikking zijn omdat er aan hun onrecht recht is gedaan.


Afdwalen voert tot de gestorvenen

16Een mens die van de weg van het verstand afdwaalt,
zal in gezelschap van de gestorvenen rusten.

“Een mens die van de weg van het verstand afdwaalt”, is iemand die de goede weg heeft gekend, maar die verlaat. De weg van het verstand is de weg van God. Wie die verlaat, keert God en Zijn Woord en Zijn volk de rug toe. Eerst wandelde hij op de weg die God in Zijn Woord als de rechte weg aan de mens voorhoudt, dat is de weg van zegen. Wie daarvan afdwaalt, wordt iemand die voortdurend dwaalt en altijd een dwaalweg gaat (2Pt 2:1515Door [de] rechte weg te verlaten zijn zij afgedwaald en volgen de weg van Bileam, [de zoon] van Bosor, die [het] loon van [de] ongerechtigheid liefhad,).

De tragiek is dat zo iemand meent dat hij op die dwaalweg de weg van het verstand gaat. Dat is ook zo, maar dan wel de weg van zijn eigen, verduisterde verstand. Het is onmogelijk dat iemand die in volslagen geestelijke duisternis leeft, de goede weg vindt en die gaat. Alleen de genade van God kan iemand tot de ontdekking doen komen dat hij dwaalt.

Wie afdwaalt, is op de weg van het “gezelschap van de gestorvenen” om daar te “rusten”, dat wil zeggen daar te wonen of te verblijven. Dat ziet op de dwaalweg die hij gaat. Die weg is vol van de geestelijk doden, zij die zonder God als gestorvenen leven. Het ziet ook op de plaats waar hij uiteindelijk terechtkomt als hij lichamelijk sterft.


Wie blijdschap, wijn en olie liefheeft

17Wie blijdschap liefheeft, zal gebrek lijden,
wie wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.

De liefde voor “blijdschap” en “wijn en olie” is een liefde voor deze dingen op zichzelf, zonder een verbinding met God. Het gaat om iemand die behoort tot de groep mensen over wie Paulus zegt dat zij “meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God” zijn (2Tm 3:44verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God.). We mogen zeker genieten van allerlei aardse zegeningen die God ons heeft gegeven. Maar als we vergeten dat we alles aan Hem te danken hebben en ons leven alleen om de aardse dingen draait, komt er gebrek aan geestelijk leven en gemis aan geestelijke rijkdom. Blijdschap in de zin van het platte vermaak, het elke dag veel plezier hebben, is een holle vorm van leven. Dit leven wordt door de wereld om ons heen als het hoogste goed gezien.

‘Genieten’ is het sleutelwoord. Je komt het in tal van reclames tegen. Heerlijk eten en drinken, muziek, sport en amusement in allerlei variaties moeten een gevoel van blijdschap geven. Het is echter het geknetter van dorens waar heel even warmte van komt als ze in brand worden gestoken, maar waarvan het vuur binnen de kortste keren is gedoofd. Dan is het over en uit met de warmte.

Wijn en olie staan hier symbool voor het luxe leven en als op zichzelf staande oorzaken van vreugde (Am 6:66[u,] die wijn uit sprengbekkens drinkt
en u zalft met de beste olie,
maar om de ondergang van Jozef bekommert u zich niet.
)
. Als deze dingen nagejaagd worden, leiden ze tot een leven van zelfgenoegzaam genot, wat weer leidt tot geestelijke armoede. Wie zich richt op het leven in luxe, zal steeds minder de gemeenschap met God gaan zoeken in bijbellezen en bidden. Hij zal geestelijk verarmen. Wie luxe najaagt, zal ook andere verantwoordelijkheden gaan verwaarlozen, zoals aandacht en zorg voor vrouw en kinderen.

Het heeft ook ons, christenen, iets te zeggen. We kunnen zo geconcentreerd zijn op de blijdschap van het geloof, dat we de Bron ervan vergeten. Het wordt blij zijn om en in de blijdschap. Blijdschap is echter nooit louter een verschijnsel, maar vloeit voort uit de Bron uit Wie geput kan worden. Je komt dit wel tegen in bepaalde gemeenten waar blijdschap en de ‘Geest’, van Wie de olie een beeld is, een buitensporige plaats innemen. Het gevolg is dan ook steeds de armoede waar hier sprake van is.


Een goddeloze als losgeld

18Een goddeloze is losgeld voor de rechtvaardige,
en de trouweloze [komt] in de plaats van de oprechten.

Als God Zijn oordeel over de goddeloze brengt, is dat te zien als losgeld voor de rechtvaardige (vgl. Js 43:3-43Want Ik ben de HEERE, uw God,
de Heilige van Israël, uw Heiland.
Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,
Cusj en Seba in uw plaats.
4Sinds u kostbaar bent in Mijn ogen,
bent u verheerlijkt en heb Ík u liefgehad.
Daarom heb Ik mensen gegeven in uw plaats
en volken in plaats van uw ziel.
)
. De rechtvaardige wordt daardoor vrijgemaakt van de verdrukking door de goddeloze. Losgeld is de prijs die wordt betaald om een gevangene te bevrijden. God brengt over de goddeloze het kwaad dat deze de rechtvaardigen heeft aangedaan (vgl. Sp 11:88De rechtvaardige wordt uit benauwdheid gered,
maar de goddeloze komt in zijn plaats.
)
. Ook de trouweloze komt om onder het oordeel van God. Hij verdient en krijgt dat oordeel omdat hij zelf eerst de oprechten heeft onderdrukt.

Er komt een tijd dat God de rollen omdraait. Dat is bij de komst van de Heer Jezus naar de aarde om te oordelen en te gaan regeren. Hij zal de verdrukkers van Zijn volk oordelen, en Zijn volk dat verdrukt werd in de rust brengen (2Th 1:6-76daar het rechtvaardig is bij God, aan hen die u verdrukken, verdrukking te vergelden,7en aan u die verdrukt wordt, rust met ons bij de openbaring van de Heer Jezus van [de] hemel met [de] engelen van Zijn kracht, in vlammend vuur,). Hij brengt de goddeloze om en bevrijdt daardoor de rechtvaardige.


Beter eenzaam wonen dan met een ruziënde vrouw

19Het is beter te wonen in een woestijnachtig land
dan bij een twistzieke en wrevelige vrouw.

Evenals vers 9 is deze spreuk een “beter … dan” spreuk over het leven met een twistzieke vrouw. Van een hoek op een dak waar de man in vers 99Het is beter te wonen op een hoek van een dak,
dan [in] een gemeenschappelijk huis met een twistzieke vrouw.
een betere plaats had dan in de gemeenschappelijke woning, is de man verhuisd naar “een woestijnachtig land”. Daar is het voor hem beter wonen dan “bij een twistzieke en wrevelige vrouw”. Hij is daar ver buiten het gehoor van deze vrouw.

Op een hoek van een dak kon hij haar nog horen, maar daar was hij ook in staat tot sociale contacten. In een woestijnachtig land woont hij helemaal alleen en nagenoeg zonder sociale contacten. Het is er dunbevolkt en heel rustig, maar ook gevaarlijk vanwege de wilde dieren. Toch hebben dat woongebied en die omgeving de voorkeur boven voortdurend te worden geconfronteerd met ‘binnenlandse strijd’. De vrouw is niet alleen twistziek, steeds maar uit op ruzie, maar daarbij ook nog eens ‘wrevelig’, een vrouw aan wie de man zich ergert en van wie hij verdriet heeft. Het huwelijk met zo’n vrouw is een voortdurende bron van ellende in plaats van vreugde.

Beide verzen die over het wonen met een twistzieke vrouw gaan, zijn een waarschuwing voor de ongetrouwde man. Ze houden geen advies in voor de getrouwde man om ergens anders te gaan wonen als zijn vrouw kenmerken van twistziekte en wreveligheid vertoont. Ze onderstrepen hoe belangrijk het is om voorzichtig te zijn bij het kiezen van een huwelijkspartner. Tevens is het een waarschuwing voor de getrouwde man om zich ervoor in te zetten dat niet twist en wrevel, maar dienende liefde het huwelijk kenmerken. Dat is in de eerste plaats zijn verantwoordelijkheid.


De wijze is spaarzaam en leeft

20In de woning van een wijze ligt een begerenswaardige schat en olie,
maar een dwaas mens verspilt die.
21Wie gerechtigheid en goedertierenheid najaagt,
vindt het leven, rechtvaardigheid en eer.

“Een wijze” (vers 2020In de woning van een wijze ligt een begerenswaardige schat en olie,
maar een dwaas mens verspilt die.
)
leeft met het oog op de toekomst gericht, terwijl hij ook bij de dag leeft. Er ligt in zijn woning “een begerenswaardige schat en olie” waarvan hij elke dag gebruikt, terwijl hij weet dat wat hij heeft ook genoeg is in toekomstige tijden van gebrek. Dat komt omdat hij verder en vooral hoger dan deze middelen kijkt. Hij ziet dat hij ze uit Gods hand ontvangt.

De wijze kan een arme zijn die in een hut woont. De begerenswaardige schat is niet zozeer een hoop goud of zilver, maar kan een beetje brood zijn, met daarbij het vertrouwen op God dat Hij hem elke dag de hoeveelheid brood zal geven die hij die dag nodig heeft (Mt 6:1111Geef ons vandaag ons toereikend brood.). De olie ziet niet op een grote voorraad olie die hij later kan verkopen, maar op een klein beetje waarvan hij vertrouwt dat het genoeg is voor wat hij die dag nodig heeft en ook later nodig zal hebben. Kortom, de wijze vertrouwt op God.

De weduwe in Zarfath was zo’n wijze (1Kn 17:11-1511Toen zij [op weg] ging om het te halen, riep hij haar na en zei: Breng toch [ook] een stuk brood voor mij mee.12Maar zij zei: [Zo waar] de HEERE, uw God, leeft! Ik heb geen broodkoek [meer], behalve een handvol meel in de pot en een beetje olie in de kruik! En zie, ik ben een paar stukken hout aan het sprokkelen. Zodra ik [thuis] kom, ga ik het voor mij en voor mijn zoon klaarmaken. Daarna zullen we het opeten en sterven.13Maar Elia zei tegen haar: Wees niet bevreesd! Ga, doe overeenkomstig uw woord, maar maak er eerst voor mij een kleine koek van en breng die bij mij. Maak daarna voor u en voor uw zoon [iets] klaar.14Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Het meel in de pot zal niet opraken en in de kruik zal het aan olie niet ontbreken tot op de dag dat de HEERE regen op de aardbodem geven zal.15Zij ging en deed overeenkomstig het woord van Elia. Zo at zij, en hij, en haar gezin, [vele] dagen.). Ze had een beetje meel en een beetje olie in huis, maar ook de man van God. Hij zorgde ervoor dat het meel en de olie niet opraakten, omdat de vrouw hem geloofde. Zo hebben wij een begerenswaardige schat en olie in huis als we alles in ons huis aan de Heer Jezus geven. Dan zal Hij ervoor zorgen dat het ons aan niets ontbreekt.

De dwaas denkt niet aan de toekomst. Hij heeft ook een begerenswaardige schat en olie, maar geen Godsvertrouwen. Daarom jaagt hij alles wat hij heeft erdoor. De wijze leeft hier-en-nu, maar met het oog gericht op de toekomst; de dwaas leeft alleen voor het hier-en-nu. De dwaas laat het geld als zand tussen zijn vingers door glippen. Hij beziet zijn bezit niet in het licht van de toekomst en daarom verspilt hij het. Zijn motto is ‘wie dan leeft, wie dan zorgt’, maar hij bedenkt niet dat hij ‘dan’ God zal ontmoeten en zich voor Hem zal moeten verantwoorden voor wat hij met zijn bezit heeft gedaan.

Wie iets “najaagt” (vers 2121Wie gerechtigheid en goedertierenheid najaagt,
vindt het leven, rechtvaardigheid en eer.
)
, is overtuigd van de waarde ervan en dat het de moeite waard is om zich daar helemaal voor in te zetten. De wijze is overtuigd van de waarde van “gerechtigheid en goedertierenheid”. Gerechtigheid is het geven aan God waarop Hij recht heeft en aan mensen waarop zij recht hebben. Het is handelen overeenkomstig het recht. “Goedertierenheid” wijst op een gezindheid van goedheid. Ze gaan in God op volmaakt evenwichtige wijze samen. Ze moeten ook in de rechtvaardige samengaan.

Wie deze twee kenmerken najaagt, zal het ware “leven” vinden en beleven, zowel nu als in de eeuwigheid. Het ware leven is leven in gemeenschap met God, zoals Christus dat heeft gekend toen Hij op aarde was. Daarnaast vindt hij ook “rechtvaardigheid”. Hij weet zich volledig door God aanvaard. Het gaat hier niet om het verkrijgen van een positie voor God, want die kan niet worden verdiend. Het gaat hier om het besef van de zegen om in Gods tegenwoordigheid te kunnen zijn. De basis daarvan is het werk van Christus. Ten slotte vindt hij ook “eer”. God eert hem voor zijn inzet (vgl. Jh 12:2626Als iemand Mij dient, laat hij Mij volgen; en waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren.).

Dit ‘najagen’ kan niemand in eigen kracht. Het kan alleen gebeuren door de Heilige Geest Die in het nieuwe leven dit najagen bewerkt. Tegen Timotheüs wordt ook gezegd dat hij moet jagen naar gerechtigheid en nog een aantal andere kenmerken. Als hij dat doet, zal hij het ware, het eeuwige leven grijpen (1Tm 6:11-1211Maar jij, mens Gods, ontvlucht deze dingen en jaag naar gerechtigheid, Godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.12Strijd de goede strijd van het geloof; grijp het eeuwige leven, waartoe je geroepen bent en de goede belijdenis hebt afgelegd voor vele getuigen.). Timotheüs was een gelovige, maar het gaat erom dat het nieuwe leven ook door hem wordt geleefd. Dat is ook wat Salomo hier bedoelt.


De wijze overwint en bewaart zichzelf

22Een wijze beklimt een stad van helden
en haalt de vesting waarop men vertrouwt, neer.
23Wie zijn mond en zijn tong bewaart,
bewaart zichzelf voor benauwdheden.

“Een stad van helden” denkt dat ze onoverwinnelijk is (vers 2222Een wijze beklimt een stad van helden
en haalt de vesting waarop men vertrouwt, neer.
)
. Ze vertrouwt op de kracht van haar helden. Maar “wijsheid is beter dan kracht” (Pr 9:1616Toen zei ik:
Wijsheid is beter dan kracht,
maar de wijsheid van de arme wordt veracht
en zijn woorden worden door niemand gehoord.
)
. Het is effectiever om wijsheid te gebruiken dan te vertrouwen op kracht (Pr 7:1919De wijsheid maakt de wijze sterker
dan tien machthebbers die in de stad zijn.
)
. Een wijze is door zijn wijsheid in staat om die stad te beklimmen ondanks de helden die daarin zijn en de vesting neer te halen waarvan men meende dat die niet neer te halen was (Pr 9:14-1514Er was een kleine stad met weinig mensen erin. Een groot koning trok ertegen op en omsingelde die. Hij bouwde er grote bolwerken tegenaan.15Daar trof men een arme, wijze man aan. Hij redde de stad door zijn wijsheid, maar geen mens dacht aan die arme man.
)
.

De vesting wordt neergehaald omdat men daarop vertrouwt. Dat maakt het verschil met wijsheid. Wijsheid is sterker dan zelfvertrouwen en vertrouwen op menselijke middelen, want wijsheid steunt op God. Het vrezen van God is immers het begin van de wijsheid. Alleen door de kracht van God die met de wijsheid samengaat, is de wijze in staat een stad van helden te beklimmen.

Een voorzichtige tactiek en een wijze toepassing van moed winnen het van louter spierkracht en behendig wapengebruik. Zo nam Jozua Ai in (Jz 8:3-223Toen stond Jozua op met al het krijgsvolk om op te trekken naar Ai. En Jozua koos dertigduizend mannen uit, strijdbare helden. Hij stuurde hen ’s nachts [op weg]4en gebood hun: Zie, u moet een hinderlaag tegen de stad leggen, aan de achterzijde van de stad. Ga niet te ver van de stad weg en houdt u allen gereed.5Ik en al het volk dat bij mij is, zullen de stad naderen. En het zal gebeuren, als zij [de stad] uit zullen gaan, ons tegemoet, dat wij voor hen op de vlucht zullen slaan, zoals de vorige [keer].6Laat hen dan [de stad] uit gaan, achter ons [aan], totdat wij hen uit de stad weggelokt hebben. Zij zullen immers zeggen: Zij vluchten voor ons zoals de vorige [keer]. Zo zullen wij voor hen uit vluchten.7Dan moet ú opstaan uit de hinderlaag en de stad innemen, want de HEERE, uw God, zal hem in uw hand geven.8En het zal gebeuren, als u de stad ingenomen hebt, dat u de stad in brand zult steken. In overeenstemming met het woord van de HEERE moet u dat doen. Zie, ik heb het u geboden.9Zo stuurde Jozua hen [op weg] en zij gingen naar de hinderlaag. Zij lagen tussen Bethel en Ai, ten westen van Ai. Jozua [zelf] echter overnachtte die nacht te midden van het volk.10En Jozua stond 's morgens vroeg op en hij monsterde het volk. Toen trok hij op, hij en de oudsten van Israël, voor het volk uit, naar Ai.11Ook trok al het krijgsvolk op dat bij hem was. Zij naderden en kwamen tegenover de stad. Zij sloegen hun kamp op ten noorden van Ai. Het dal lag tussen hem en Ai in.12Verder nam hij ongeveer vijfduizend man en legde hen in een hinderlaag tussen Bethel en Ai, ten westen van de stad.13Zij stelden het volk op, heel het leger dat ten noorden van de stad was, en zijn hinderlaag bevond zich ten westen van de stad. En Jozua trok in diezelfde nacht door het midden van het dal.14En het gebeurde, toen de koning van Ai [dat] zag, dat zij zich haastten en vroeg opstonden. De mannen van de stad kwamen [de stad] uit, Israël tegemoet voor de strijd, hij en heel zijn volk, naar de verzamelplaats tegenover de Vlakte. Hij wist namelijk niet dat er achter de stad een hinderlaag voor hem was gelegd.15Jozua en heel Israël lieten zich door hen verslaan, en zij vluchtten [langs de] weg naar de woestijn.16Daarom werd heel het volk dat in de stad was, opgeroepen om hen te achtervolgen. En zij achtervolgden Jozua en werden van de stad weggelokt.17Er werd niet één man in Ai achtergelaten, en ook niet in Bethel, die niet [de stad] uit ging, achter Israël aan. Zij lieten de stad open achter en achtervolgden Israël.18Toen zei de HEERE tegen Jozua: Strek de werpspies die in uw hand is, uit naar Ai, want Ik zal het in uw hand geven. En Jozua strekte de werpspies die in zijn hand was, uit naar de stad.19Daarop stonden [de mannen in] de hinderlaag haastig op van hun plaats, en zij kwamen snel aanlopen, zodra [Jozua] zijn hand uitgestrekt had. En zij kwamen bij de stad en namen die in, en zij haastten zich en staken de stad in brand.20Toen de mannen van Ai zich omkeerden, zagen zij, en zie, de rook van de stad steeg op naar de hemel. Zij hadden geen ruimte [meer] om hierheen of daarheen te vluchten, want het volk dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen hen die [hen] achtervolgden.21Toen Jozua en heel Israël zagen dat [de mannen in] de hinderlaag de stad ingenomen hadden en dat de rook van de stad opsteeg, keerden zij zich om en versloegen de mannen van Ai.22Ook kwamen die [mannen] uit de stad hun tegemoet, zodat zij midden tussen de Israëlieten in kwamen: deze van hier en die van daar. Zij versloegen hen, totdat er geen ontkomene of overlevende overbleef.) en versloeg Gideon met een klein leger het grote leger van de Midianieten (Ri 7:77Toen zei de HEERE tegen Gideon: Door de driehonderd man die gelikt hebben, zal Ik u verlossen en Midian in uw hand geven. Laat daarom al het [overige] volk weggaan, ieder naar zijn [woon]plaats.). De macht van de vijand wordt gebroken door wie op God vertrouwt. Dat geldt ook in de geestelijke strijd. Elk bolwerk van menselijk, Godvijandig denken wordt omvergehaald en neergeworpen door wie zich door de Geest van God en het Woord van God laat leiden (2Ko 10:3-53Want al wandelen wij in [het] vlees, wij voeren geen strijd naar [het] vlees;4want de wapens van onze strijd zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God, tot afbreking van bolwerken;5daar wij [de] overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, afbreken en elke gedachte gevangennemen tot de gehoorzaamheid van Christus,).

Een andere overwinning is die over de tong (vers 2323Wie zijn mond en zijn tong bewaart,
bewaart zichzelf voor benauwdheden.
)
. Wie zijn tong in bedwang kan houden, daarover de controle heeft, voorkomt dat hij in de problemen terechtkomt. De wijze kent de tijd om te zwijgen (Pr 3:77een tijd om stuk te scheuren
en een tijd om dicht te naaien,
een tijd om te zwijgen
en een tijd om te spreken;
)
. De loslippige raakt snel in benauwdheden. Hij heeft zijn mond voorbijgepraat en iets gezegd wat niemand mocht weten of hij is te snel geweest in het uitspreken van een oordeel over iemand. Dat bezorgt hem tegenstand en soms zelfs vijandschap. Het wordt hem kwalijk genomen dat hij het heeft gezegd.

Mensen die controle over hun mond en tong hebben, denken eerst na voordat ze iets zeggen. Zij zullen niet snel vanwege een verkeerde opmerking in maatschappelijke of juridische moeilijkheden raken (vgl. Sp 13:33Wie zijn mond behoedt, bewaart zijn ziel,
wie zijn lippen openspert, hem [wacht] de ondergang.
)
. Daarom is het goed om dingen te bedenken die waar, eerzaam, rechtvaardig, rein, beminnelijk en welluidend zijn (Fp 4:88Overigens, broeders, al wat waar, al wat eerzaam, al wat rechtvaardig, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, als er enige deugd en als er enige lof is, bedenkt dat.) en die dingen ook te zeggen, terwijl we alles vermijden wat vals, pijnlijk en schadelijk voor anderen is.


De spotter en zijn mateloze overmoed

24Hoogmoedig, trots: spotter is zijn naam,
hij gaat met mateloze overmoed te werk.

“Hoogmoed” en “trots” zijn de eigenschappen waaraan de spotter herkend wordt. Iemand die hoogmoedig en trots is, draagt de naam “spotter”. Hij gaat arrogant door het leven, met minachting voor elke vorm van gezag. In zijn hoogmoed weigert hij zich te buigen voor God. In zijn trots verheft hij zich boven anderen. Er is bij hem geen enkel verlangen naar wijsheid, want dat houdt in dat hij eerbied voor God moet hebben.

Er is bij de spotter een totaal gebrek aan bescheidenheid. In zijn verwaandheid gaat hij “met mateloze overmoed te werk”. Hij meent dat hij alles voor elkaar krijgt en dat hij iedereen kan bevelen hem te helpen. Tegenspraak duldt hij niet. De antichrist is de spotter bij uitstek. De farao en Sanherib hebben zich snoevend over God uitgelaten en zijn beiden omgekomen door Gods oordeel (Ex 5:22Maar de farao zei: Wie is de HEERE, naar Wiens stem ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de HEERE niet en ik zal Israël ook niet laten gaan.; 14:23-3023De Egyptenaren achtervolgden hen en kwamen hen achterna, [met] al de paarden van de farao, zijn strijdwagens en zijn ruiters, tot in het midden van de zee.24Maar het gebeurde bij het aanbreken van de dag, dat de HEERE in de vuur- en wolkkolom neerzag op het leger van de Egyptenaren, en Hij bracht het leger van de Egyptenaren in verwarring.25Hij liet de wielen van hun wagens wegzakken en liet ze met moeite vooruitkomen. Toen zeiden de Egyptenaren: Laten wij voor Israël vluchten, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaren.26Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit over de zee, zodat het water terugkeert over de Egyptenaren, over hun strijdwagens en over hun ruiters.27Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug naar zijn oorspronkelijke plaats, terwijl de Egyptenaren het water tegemoetvluchtten. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee.28Want toen het water terugvloeide, bedolf het de strijdwagens en de ruiters van het hele leger van de farao, die hen in de zee achternagekomen waren. Niet een van hen bleef er over.29Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden door de zee. Het water was voor hen een muur aan hun rechter- en linkerhand.30Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee [liggen].; Js 36:16-2016Luister niet naar Hizkia, want dit zegt de koning van Assyrië: Geef u aan mij over, kom uit [de stad] naar mij toe. Dan mag ieder eten van zijn [eigen] wijnstok en ieder van zijn [eigen] vijgenboom, en ieder water drinken uit zijn [eigen] put,17totdat ik kom en u meevoer naar een land als uw [eigen] land, een land van koren en nieuwe wijn, een land van brood en wijngaarden.18Laat Hizkia u niet misleiden door te zeggen: De HEERE zal ons redden. Hebben de goden van de volken, ieder zijn [eigen] land, gered uit de hand van de koning van Assyrië?19Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij Samaria dan soms uit mijn hand gered?20Wie onder al de goden van deze landen zijn er die hun land uit mijn hand gered hebben? Zou de HEERE Jeruzalem dan wél uit mijn hand redden?; 37:6-10,36-386En Jesaja zei tegen hen: Dit moet u tegen uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Wees niet bevreesd voor de woorden die u gehoord hebt, [de woorden] waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij gelasterd hebben.7Zie, Ik geef een geest in hem, dat hij een gerucht zal horen en zal terugkeren naar zijn land. Dan zal Ik hem in zijn land door het zwaard neervellen.8Toen keerde de commandant terug en trof de koning van Assyrië aan, in strijd gewikkeld met Libna. Hij had namelijk gehoord dat hij uit Lachis was vertrokken.9Toen [Sanherib] over Tirhaka, de koning van Cusj, hoorde zeggen: Hij is uitgetrokken om tegen u te strijden – toen hij dat hoorde, stuurde hij [opnieuw] gezanten naar Hizkia om te zeggen:10Dit moet u tegen Hizkia, de koning van Juda, zeggen: Laat uw God, op Wie u vertrouwt, u niet bedriegen door te zeggen: Jeruzalem zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden.36Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.37Daarop brak Sanherib, de koning van Assyrië, op. Hij trok weg en keerde [naar zijn land] terug; en hij bleef in Ninevé.38Het gebeurde nu, toen hij zich in het huis van Nisroch, zijn god, neerboog, dat Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard doodden. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.). Zo zal ook de antichrist omkomen en ieder die hem volgt en door zijn geest van spotternij wordt gekenmerkt.


De luiaard en de rechtvaardige

25Het verlangen van een luiaard zal hem doden,
want zijn handen weigeren te werken.
26De hele dag is hij belust op begerenswaardige zaken,
maar een rechtvaardige geeft en houdt niets achter.

“Een luiaard” heeft een krachtig werkend “verlangen”, maar “handen” die “weigeren te werken” (vers 2525Het verlangen van een luiaard zal hem doden,
want zijn handen weigeren te werken.
)
. Die combinatie brengt hem in de dood. Een luiaard ligt te dagdromen over eten en drinken, over wat anderen allemaal hebben en wat hij ook wil hebben. Maar hij wil zijn handen niet laten wapperen. Dat kost hem te veel energie. Het is geen kwestie van niet kunnen, maar van niet willen. Hij kiest ervoor om niet te werken.

De luiaard is daarbij ook nog onverstandig of onnozel, want hij heeft niet in de gaten dat zijn luiheid hem naar de dood voert. Hij is zo bezig met zijn verlangens, hij leeft zo in de schijnwereld van ‘wensdenken’, dat deze manier van leven fataal voor hem wordt en dat hij sterft van gebrek.

Vers 2626De hele dag is hij belust op begerenswaardige zaken,
maar een rechtvaardige geeft en houdt niets achter.
sluit direct op vers 2525Het verlangen van een luiaard zal hem doden,
want zijn handen weigeren te werken.
aan en vervolgt het thema van de luiaard en waar hij naar verlangt. Een luiaard zit helemaal opgesloten in zijn eigen leefwereld. Hij is de hele dag vervuld van lustgevoelens die op zoek zijn naar bevrediging. Het kan gaan om lekker eten en drinken, of om het aanschaffen van dingen die het leven leuk of spannend maken. Dat zijn voor hem “begerenswaardige zaken”. In zijn fantasie heeft hij zich daarmee omgeven, maar de gedachte deze zaken aan te schaffen met door hemzelf verdiend geld, werpt hij van zich.

“Een rechtvaardige” is geen luiaard, maar een ijverige werker. Dat hij een rechtvaardige is, blijkt ook uit zijn vrijgevigheid. De Bijbel leert dat een rechtvaardig persoon een gevende persoon is. De rechtvaardige is niet alleen ijverig en heeft niet alleen genoeg voor zichzelf, maar heeft zoveel, dat hij ook aan de armen geeft. Wie lui is, begeert voortdurend, de rechtvaardige geeft voortdurend en dat zonder terughoudendheid (vgl. Hd 20:34-3534U weet zelf, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren, hebben voorzien.35In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en de woorden van de Heer Jezus in herinnering moet houden, dat Hijzelf heeft gezegd: Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.). De luiaard wil altijd maar ontvangen zonder ervoor te werken. De rechtvaardige werkt hard en geeft rijkelijk weg aan wie arm zijn.


De huichelaar komt om

27Het offer van goddelozen is een gruwel,
hoeveel te meer als zij het met een schandelijke bedoeling brengen!
28Een leugenachtige getuige zal omkomen,
maar iemand die luistert, mag voor altijd spreken.
29Een goddeloze man trekt een stalen gezicht,
maar een oprechte, die versterkt zijn weg.

God verafschuwt “het offer” of de aanbidding “van goddelozen” omdat zij zonder erkenning van hun zonden bij God komen en dus zonder gerechtigheid voor God zijn (vers 2727Het offer van goddelozen is een gruwel,
hoeveel te meer als zij het met een schandelijke bedoeling brengen!
; Jr 6:2020Waarom zou voor Mij wierook uit Sjeba moeten komen
en de beste kalmoes uit een ver land?
Uw brandoffers zijn [Mij] niet welgevallig,
en uw slachtoffers zijn Mij niet aangenaam.
; Am 5:21-2421Ik haat, Ik versmaad uw feesten.
Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten,22want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers,
Ik schep er geen behagen in.
En het dankoffer van uw gemest vee:
Ik wil het niet aanzien.23Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg,
en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!24Laat het recht stromen als water,
de gerechtigheid als een altijd stromende beek.
)
. Het offer dat of de aanbidding die zo iemand brengt, is niet alleen onaanvaardbaar voor God, Hij gruwt ervan. God vereist eerst van de aanbidder ware bekering en het voornemen om rechtschapen te leven. “De offers voor God zijn een gebroken geest; een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten” (Ps 51:1919De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
)
.

Hypocriete aanbidding is al erg genoeg; aanbidding “met een schandelijke bedoeling” is helemaal verwerpelijk. God wil geen daden van aanbidding zonder berouw en Hij verafschuwt ze helemaal van iemand die denkt dat hij met zijn offer God kan omkopen om hem zijn verlangens te geven. ‘Voor wat hoort wat; ik breng God een offer – ik geef bijvoorbeeld geld aan de kerk of bezoek af en toe een zieke –, dan moet Hij mij geven wat ik wil of in elk geval ervoor zorgen dat mij niets overkomt.’ Schandelijke bedoelingen zijn voor God een grote gruwel.

De huichelaar van vers 2727Het offer van goddelozen is een gruwel,
hoeveel te meer als zij het met een schandelijke bedoeling brengen!
staat tegenover God. De huichelaar in vers 2828Een leugenachtige getuige zal omkomen,
maar iemand die luistert, mag voor altijd spreken.
staat tegenover mensen. “Een leugenachtige getuige” is iemand die bewust een vals getuigenis tegen iemand aflegt. Hij zal omkomen. God zal hem oordelen. Als voor mensen blijkt dat hij een vals getuigenis heeft afgelegd, zal hij op aarde al door de rechter worden geoordeeld.

Tegenover de leugenachtige getuige staat in de tweede versregel “iemand die luistert”. Zo iemand is een ware, betrouwbare getuige. De man die voortdurend eerst luistert naar wat er wordt gezegd over een zaak waarin hij moet getuigen, die niets zegt dan wat hij heeft gehoord of gezien, kan voor altijd getuigen. Hij is betrouwbaar, hij mag telkens in voorkomende gevallen getuigen. Omdat hij weet en begrijpt wat de waarheid is, hoeft hij nooit te zwijgen. Niemand zal hem kunnen weerspreken of weerleggen.

Stéfanus was zo’n getuige. Hij heeft geluisterd naar Gods stem door Zijn Woord. De wijsheid en de geest waarmee hij sprak, waren niet te weerstaan (Hd 6:1010En zij waren niet in staat de wijsheid en de geest waarmee hij sprak te weerstaan.). Ook nadat hij is gestorven, spreekt hij nog (vgl. Hb 11:44Door [het] geloof offerde Abel aan God een beter slachtoffer dan Kaïn, waardoor hij getuigenis verkregen heeft dat hij rechtvaardig was, daar God over zijn gaven getuigenis gaf; en daardoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.). Bovenal is de Heer Jezus de trouwe en waarachtige Getuige. Hij heeft altijd naar God geluisterd en mag daarom altijd spreken. Hij is de waarheid en spreekt de waarheid.

“Een goddeloze man” geeft de indruk een overtuigd man te zijn (vers 2929Een goddeloze man trekt een stalen gezicht,
maar een oprechte, die versterkt zijn weg.
)
. Zijn gezicht is van staal. Hij schaamt zich nergens over en weet niet van blozen (Jr 6:1515Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen;
ten tijde dat Ik hen zal straffen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.
; 8:1212Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich zelfs niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen,
ten tijde van de vergelding aan hen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.
)
. Het verharde gezicht weerspiegelt een verhard, onbekeerlijk hart (Js 48:44Omdat Ik wist dat u hard bent,
uw nek een ijzeren pees is,
en uw voorhoofd van brons,
; Jr 5:33HEERE, [zien] Uw ogen
niet uit naar betrouwbaarheid?
U hebt hen geslagen, maar zij voelden geen pijn.
U hebt hen omgebracht, [maar] zij weigerden vermaning te aanvaarden.
Zij hebben hun gezichten harder gemaakt dan een rots,
zij hebben geweigerd zich te bekeren.
; Ez 3:77Maar het huis van Israël wil naar u niet luisteren, omdat zij naar Mij niet willen luisteren, want heel het huis van Israël heeft een hard voorhoofd en zij zijn hardleers.)
. Met een uitgestreken gezicht vertelt hij de grofste leugens en bedrijft hij de gruwelijkste daden. Uit de tweede versregel blijkt dat een goddeloze man een weg gaat die geen enkel houvast biedt, hoe krachtig hij zich ook voordoet. Hij zal wegzakken in peilloos diepe ellende als hij door God wordt geoordeeld.

“Een oprechte, die versterkt zijn weg” omdat hij omhoogkijkt, naar God, en Hem om leiding vraagt. Hij stelt zich afhankelijk en zwak op. Daardoor is hij sterk, want God geeft hem kracht. Gods welgevallen rust op hem. De Heer Jezus is ook hier het volmaakte voorbeeld. In Zijn navolging zien we ook in Paulus een voorbeeld. Hij was oprecht (2Ko 1:1717Heb ik dan soms door mij dit voor te nemen lichtvaardig gehandeld? Of wat ik mij voorneem, neem ik mij dat naar [het] vlees voor, zodat er bij mij zou zijn het ja, ja en het nee, nee?) en erkende dat hij afhankelijk was van genade: “Wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk” (2Ko 12:1010Daarom heb ik een welgevallen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen en benauwdheden voor Christus; want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk.).


De HEERE is onoverwinnelijk en overwint

30Er is geen wijsheid, er is geen inzicht,
en er is geen raad tegen de HEERE.
31Een paard wordt gereedgemaakt voor de dag van de strijd,
maar de overwinning is van de HEERE.

Het hoofdstuk eindigt waarmee het is begonnen: de absolute soevereiniteit en verhevenheid van God. Alles wat Hij Zich voorneemt, zal gebeuren. Er is niets wat en niemand die Hem kan verhinderen Zijn plannen uit te voeren (vers 3030Er is geen wijsheid, er is geen inzicht,
en er is geen raad tegen de HEERE.
)
. Hij lacht om alles wat de mens onderneemt om Hem in Zijn plannen te dwarsbomen (Ps 2:1-41Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
3Laten wij Hun banden verscheuren
en Hun touwen van ons werpen!4Die in de hemel woont, zal lachen,
de Heere zal hen bespotten.
)
.

Menselijke “wijsheid”, “inzicht” en “raad” zijn in het licht van de wijsheid, het inzicht en de raad van God niets anders dan dwaasheid. Er spreekt totale verblinding en onmacht uit. Door drie keer het woord “geen” te gebruiken wordt benadrukt dat er werkelijk niets tegen de HEERE is in te brengen. Al Zijn voornemens en handelingen zijn volmaakt en onaantastbaar voor welke macht dan ook.

We zien dat in alles wat tegen de Heer Jezus was gepland om Hem te vermoorden. Toch is alles verlopen op de manier die God had bepaald (Hd 2:2323Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt u door [de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood.). Als de godsdienstige leiders bijvoorbeeld Zijn graf bij de goddelozen hebben gesteld, dan is Hij toch bij de rijke in Zijn dood omdat God dat zo heeft bepaald (Js 53:99Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld,
en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest,
omdat Hij geen onrecht gedaan heeft
en geen bedrog in Zijn mond geweest is.
; Mt 27:57-6057Toen het nu avond was geworden, kwam een rijk man van Arimathéa, Jozef geheten, die ook zelf een discipel van Jezus was geworden.58Deze kwam naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus het [hem] te geven.59En Jozef nam het lichaam, wikkelde het in een rein stuk linnen60en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had uitgehouwen; en na een grote steen voor de ingang van het graf gewenteld te hebben ging hij weg.)
. God verkondigt vanaf het begin het einde en de mens kan daaraan niets veranderen. Integendeel, God gebruikt hem zelfs voor de vervulling van Zijn plannen.

Een mens kan in bepaalde opzichten wijs zijn en inzicht hebben en daardoor verstandige raad geven. Hij kan gestudeerd hebben en ervaring hebben opgedaan. Maar als hij geen vreze des HEEREN heeft, ontbreekt hem de ware wijsheid en het ware inzicht en blijkt zijn raad dwaasheid te zijn. We beledigen God als we menselijke wijsheid, inzicht en raad zouden willen vergelijken met Zijn wijsheid, inzicht en raad.

De mens is van “gisteren en weet niets” (Jb 8:99Immers, wij zijn van gisteren en weten niets,
want onze dagen op aarde zijn een schaduw.
)
. “Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid” (Hb 13:88Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.). Hij, Die God is, overziet het verleden, het heden en de toekomst. De mens kan niet in de toekomst kijken. Hij kan voorspellingen doen op basis van ervaring en aannames, maar garanties bieden kan hij niet. God bepaalt wat er gebeurt. De mens doet er wijs aan dat te beamen en zich niet tegen Hem te keren. De zogenaamd wijze mensen bezitten geen vooruitziende blik en ze hebben geen controle over de toekomst. Ze matigen zich dat wel aan door met hoogdravende woorden doelstellingen voor de toekomst te presenteren, maar al hun claims lijden schipbreuk op de HEERE, want Hij alleen heeft wijsheid, inzicht en raad.

Het uiteindelijke succes van een onderneming of de overwinning in een strijd komt van God en niet door menselijke inspanningen (vers 3131Een paard wordt gereedgemaakt voor de dag van de strijd,
maar de overwinning is van de HEERE.
)
. Het contrast is hier tussen enerzijds de plannen en de inspanningen voor de strijd, “het paard wordt gereedgemaakt voor de dag van de strijd”, en anderzijds de erkenning van de werkelijke bron van de overwinning, “de HEERE” (Ps 20:88Dezen [vertrouwen] op strijdwagens en die op paarden,
maar wíj zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen.
; vgl. 33:17)
. Er mogen middelen worden gebruikt om iets te bereiken, maar we moeten nooit vergeten dat we het aan God te danken hebben als we slagen. We mogen middelen gebruiken, maar daar nooit een afgod van maken (vgl. Hk 1:1616Daarom offert hij aan zijn sleepnet,
brengt hij een reukoffer aan zijn werpnet,
want daardoor is zijn vangst groot
en zijn voedsel overvloedig.
)
.


Lees verder