Spreuken
1-3 De oprechte arme en de dwaas zonder kennis 4 Bezit en vrienden 5 Een valse getuige en wie leugens blaast 6-7 Rijkdom trekt aan, armoede stoot af 8 Zijn leven liefhebben en het goede vinden 9 Nog eens: een valse getuige en wie leugens blaast 10 Wat niet gepast is 11 Geduld en vergeving 12 De toorn en het welgevallen van een koning 13-15 Huiselijke ellende en huiselijk geluk 16 Zijn leven bewaren of sterven 17 Ontferming over de arme wordt beloond 18-20 Wel of geen tucht en hoe toe te passen 21-23 Raadsbesluit, goedertierenheid en leven 24 Zelfs te lui om te eten 25 Tucht maakt anderen schrander 26-27 Een zoon die schandelijk handelt 28-29 Spotters en het (on)recht
De oprechte arme en de dwaas zonder kennis

1Beter een arme die in zijn oprechtheid [zijn weg] gaat,
dan iemand die verkeerd van lippen en bovendien een dwaas is.
2Ja, bezieling zonder kennis is niet goed,
en wie haastig is met de voeten, zondigt.
3De dwaasheid van een mens verdraait zijn weg,
en [dan] is zijn hart [nog] woedend op de HEERE [ook]!

De tegenstelling in vers 11Beter een arme die in zijn oprechtheid [zijn weg] gaat,
dan iemand die verkeerd van lippen en bovendien een dwaas is.
is die tussen “een arme … in zijn oprechtheid” en “iemand die verkeerd van lippen en bovendien een dwaas is”. Vanwege de tegenstelling met de arme kunnen we bij de dwaas denken aan iemand die rijk is. De arme is niet onder de straf van God omdat hij arm is en de rijke is niet onder de zegen van God omdat hij rijk is. Hier is het aanzien misleidend. Rijkdom zelf wordt niet veroordeeld. Waar het om gaat, is waar we het vandaan hebben en wat we ermee doen.

Het contrast betreft innerlijke waarde en uiterlijke schijn. Hij die alles schijnt te hebben, is de dwaas, terwijl hij die alles tegen lijkt te hebben, oprecht is en daardoor beter af is dan de rijke dwaas. Persoonlijke integriteit, zelfs met armoede, is veel beter dan dwaze verkeerdheid.

Het hangt allemaal af van de relatie met God. De arme die in oprechtheid zijn weg gaat, kan die weg gaan omdat hij zijn weg met God gaat. Daarom is hij in werkelijkheid rijk. De verkeerde van lippen spreekt dingen die aantonen dat hij geen relatie met God heeft. Daarbij komt ook nog dat hij een dwaas is, wat wil zeggen dat hij ook helemaal geen relatie met God wil. De weg die hij zonder God gaat, loopt uit op de dood.

Het woord “ja” geeft aan dat vers 22Ja, bezieling zonder kennis is niet goed,
en wie haastig is met de voeten, zondigt.
met vers 11Beter een arme die in zijn oprechtheid [zijn weg] gaat,
dan iemand die verkeerd van lippen en bovendien een dwaas is.
verbonden is. Hij die bezield is “zonder kennis” te hebben, is de dwaas van vers 11Beter een arme die in zijn oprechtheid [zijn weg] gaat,
dan iemand die verkeerd van lippen en bovendien een dwaas is.
. Onverstandige en onnadenkende ijver leidt tot mislukking. “Bezieling” is zoiets als gretige ijver. Dat komt tot uiting bij iemand die “haastig is met de voeten”, die overhaast een weg gaat om een begeerte te vervullen. Het kenmerkt de man die snel resultaat en zoveel mogelijk winst wil boeken. Mensen die spontaan ergens op af gaan, slaan de verkeerde weg in en missen het doel (het woord ‘zondigen’ betekent letterlijk ‘het doel missen’). Saul was zo iemand (1Sm 13:11-1411En Samuel zei: Wat hebt u gedaan? Toen zei Saul: Omdat ik zag dat het volk zich [begon te] verspreiden, bij mij vandaan, en omdat ú niet op de vastgestelde tijd kwam, en de Filistijnen in Michmas verzameld zijn,12zei ik [bij mijzelf]: Nu zullen de Filistijnen op mij afkomen in Gilgal, en ik heb niet getracht het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen. Daarom heb ik mijzelf gedwongen om het brandoffer te brengen.13Maar Samuel zei tegen Saul: U hebt dwaas gehandeld. U hebt het gebod van de HEERE, uw God, dat Hij u geboden heeft, niet in acht genomen. Anders zou de HEERE uw koningschap over Israël voor eeuwig bevestigd hebben,14maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de HEERE u geboden had.). Er kan zelfs ijver voor God zijn, maar toch zonder verstand (Rm 10:1-41Broeders, de wens van mijn hart en mijn gebed voor hen tot God is, dat zij behouden worden.2Want ik getuig van hen dat zij ijver voor God hebben, maar niet met verstand.3Want daar zij Gods gerechtigheid niet kennen en hun eigen <gerechtigheid> trachten op te richten, hebben zij zich aan de gerechtigheid van God niet onderworpen.4Want Christus is [het] einde van [de] wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.).

Deze spreuk herinnert ons eraan dat we de tijd en de richting voor de actie moeten weten, want anders zal de ijverige inspanning een vergeefse en zelfs verkeerde activiteit zijn. “Bezieling zonder kennis” brengt de voeten in beweging op een weg van zonde. Bezieling is goed als het om het goede gaat (Gl 4:1919mijn kinderen, van wie ik opnieuw in barensweeën ben, totdat Christus gestalte in u krijgt.), maar daarvoor is de kennis van God en Zijn wil nodig. Daarom zal onze ijver moeten voortkomen uit gemeenschap met God, waardoor we Zijn wil kennen. Dan zullen we in rust en tegelijk met voortvarendheid onze weg gaan. Het resultaat hiervan is dat het doel niet wordt gemist, maar wordt bereikt en dat God wordt verheerlijkt.

Bezieling zonder kennis of verstand is iets wat vooral jongeren kenmerkt die zich niet met Gods Woord bezighouden. Zij missen daardoor het nodige onderscheidingsvermogen om de waarde te kennen van dat waaraan ze zich overgeven. Alleen door studie van Gods Woord krijgen zij – en dat geldt uiteraard ook voor ouderen – dat onderscheidingsvermogen. Er is geen enkel excuus om zonder kennis te zijn. We hebben het hele Woord van God tot onze beschikking. Het is de enig betrouwbare, onveranderlijke bron van kennis en toegankelijk voor iedereen die wil leren.

Een dwaas, die zonder kennis is (vers 22Ja, bezieling zonder kennis is niet goed,
en wie haastig is met de voeten, zondigt.
)
, verdraait zijn eigen weg waardoor zijn leven een puinhoop is geworden (vers 33De dwaasheid van een mens verdraait zijn weg,
en [dan] is zijn hart [nog] woedend op de HEERE [ook]!
)
. En dan geeft hij God daarvan nog de schuld ook. Door zijn eigen dwaasheid heeft hij zijn weg verdraaid, hij heeft er een wending aan gegeven waardoor hij in de verkeerde richting is gaan lopen. Het is een weg van God af. Voor de ellende die hij op die weg ontmoet, stelt hij God aansprakelijk. Hij is zelfs woedend op Hem, dat Hij hem dat heeft laten overkomen.

Deze opstelling kenmerkt de mens sinds de zondeval. Toen Adam zijn weg verdraaid had en gezondigd had, gaf hij God de schuld. Het lag aan de vrouw die God hem had gegeven dat het fout was gegaan (Gn 3:1212Toen zei Adam: De vrouw die U gaf om bij mij te zijn, die heeft mij van die boom gegeven en ik heb [ervan] gegeten.). We horen en zien dit vandaag de dag in allerlei variaties terugkomen in al die situaties waar mensen niet op hun verantwoordelijkheid willen worden aangesproken. Altijd is het de schuld van een ander.

De mens wil God niet de controle over zijn leven geven. Als hij goede beslissingen neemt die goed uitpakken, prijst hij zichzelf. Als hij slechte beslissingen neemt met een slecht resultaat, krijgt God de schuld (vgl. Ez 18:2525Verder zegt u: De weg van de Heere is niet recht. Luister toch, huis van Israël! Mijn weg is niet recht? Zijn niet [veeleer] uw wegen onrecht?). De hand in eigen boezem steken is er niet bij. God wordt niet gedankt dat Hij in Zijn goedheid zon en regen en vruchtbare tijden geeft (Mt 5:4545opdat u zonen wordt van uw Vader Die in [de] hemelen is; want Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.; Hd 14:1717hoewel Hij Zich niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde.). Maar als Hij vreselijke plagen over de wereld laat komen die de mens over zichzelf heeft afgeroepen, lasteren de mensen de God van de hemel, zonder dat ze zich bekeren van hun boze werken (Op 16:9-11,219en de mensen werden verbrand door grote hitte en lasterden de Naam van God, Die de macht over deze plagen had, en zij bekeerden zich niet om Hem heerlijkheid te geven.10En de vijfde goot zijn schaal uit op de troon van het beest, en zijn koninkrijk werd verduisterd; en zij kauwden hun tongen van pijn11en lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen en vanwege hun zweren, en zij bekeerden zich niet van hun werken.21En een grote hagel, [elke steen] ongeveer een talent zwaar, viel uit de hemel op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag daarvan is zeer groot.).


Bezit en vrienden

4Bezit voegt veel vrienden toe,
maar een arme wordt van zijn vriend gescheiden.

Dit vers is weer een waarneming zonder er een conclusie aan te verbinden. Die conclusie wordt aan de lezer overgelaten. Het gaat over de onbetrouwbaarheid van een vriendschap die is gebaseerd op bezit. Net als liefde verdient vriendschap niet die benaming als het alleen gaat om het eventuele voordeel dat liefde of vriendschap kan opleveren. Als we zelf geld liefhebben, oogst dat bij anderen niets anders dan liefde voor het geld dat wij hebben. Mensen lopen de rijken achterna in de hoop iets te krijgen.

Maar als de rijke arm is geworden, verdwijnen zijn vrienden. Ze laten hem in de steek, want er is niets meer bij hem te halen. Er vindt zelfs een scheiding plaats, want stel je voor dat de arme iets van jou zou vragen. Je kunt er dus maar beter ruim afstand van nemen. Maar de arme die de Heer Jezus kent, mag weten dat hij nooit van Hem kan en zal worden gescheiden (Rm 8:38-3038Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch machten,; vgl. Ps 40:18a18Ík ben wel ellendig en arm,
[maar] de Heere denkt aan mij.
U bent mijn Helper en mijn Bevrijder;
mijn God, wacht niet langer!
)
.


Een valse getuige en wie leugens blaast

5Een valse getuige wordt niet voor onschuldig gehouden,
en wie leugens blaast, zal niet ontkomen.

“Een valse getuige” zal worden gestraft (Dt 19:16-2116Wanneer een misdadige getuige tegen iemand opstaat om hem aan te klagen wegens afvalligheid,17dan moeten de twee mannen die dit geschil hebben, voor het aangezicht van de HEERE gaan staan, voor [de ogen van] de priesters en de rechters die er in die dagen zijn,18en de rechters moeten [de zaak] goed onderzoeken. En zie, is de getuige een valse getuige, heeft hij vals getuigd tegen zijn broeder,19dan moet u met hem doen zoals hij met zijn broeder dacht te doen. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.20Laten zij die overgebleven zijn, het horen en bevreesd zijn en een dergelijke wandaad niet meer in uw midden verrichten.21Laat uw oog [hem] niet ontzien: leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.); dat staat als een paal boven water. Hetzelfde geldt voor “wie leugens blaast”. Een valse getuige spreekt leugen in het openbaar. Leugens blazen doet meer denken aan het vertellen van leugens in de algemene conversatie in de privésfeer. Een valse getuige en wie leugens blaast staan op hetzelfde niveau en ontvangen eenzelfde oordeel.

Het gezegde is algemeen, want soms wordt een meineed niet gestraft, omdat hij niet wordt ontdekt, of omdat de rechters corrupt zijn. We moeten dit vers dan ook zien in het licht van God. Hij houdt niet voor onschuldig en zal geen enkele schuldige laten ontkomen.


Rijkdom trekt aan, armoede stoot af

6Velen trachten het gezicht van aanzienlijken gunstig te stemmen,
en iedereen is een vriend van wie vrijgevig is.
7Alle broers van een arme haten hem,
hoeveel te meer blijven zijn vrienden ver van hem!
Achtervolgt hij hen met woorden, dan zijn zij er niet.

Mensen zoeken de vriendschap van invloedrijke mensen om er voordeel uit te halen (vers 66Velen trachten het gezicht van aanzienlijken gunstig te stemmen,
en iedereen is een vriend van wie vrijgevig is.
)
. Daarvoor proberen ze bij hen in de gunst te komen (vgl. Jd 1:1616Dezen zijn morrenden, klagers over hun lot die naar hun begeerten wandelen, en hun mond spreekt gezwollen taal en zij bewonderen personen ter wille van voordeel.). “Het gezicht … gunstig te stemmen” is letterlijk ‘het gezicht strelen’ ofwel ‘het gezicht zacht maken’ (Ps 45:1313De dochter van Tyrus [zal komen] met een geschenk;
de rijken onder het volk zullen trachten uw aangezicht gunstig te stemmen.
)
. De aanzienlijken worden gewaardeerd vanwege hun bezit, niet vanwege hun kwaliteiten.

Ook iemand die vrijgevig is, mag zich verzekerd weten van talloze vrienden. De vrijgevigheid hoeft hier geen negatieve betekenis te hebben. Wie vrijgevig is, trekt mensen aan. Iedereen wil bij zijn vrienden horen. Het laat zien dat de mens een egoïst is, iemand die alleen maar op eigen voordeel uit is. Als er iets te halen is waardoor zijn leven wat gemakkelijker verloopt, is hij er als de kippen bij. Zo werkt het ook in het bedrijfsleven en in de politiek.

Dat hij alleen wil wat zijn leven aangenamer maakt, blijkt uit zijn afwijzing van God als de grote Gever. God heeft Zijn Zoon gegeven als een vrije gift van Zijn genade. Maar die Gave wil de mens niet, want dat betekent dat hij zichzelf als egoïst moet veroordelen. Het maakt een einde aan het leven voor zichzelf.

Mensen mijden hen die arm zijn (vers 77Alle broers van een arme haten hem,
hoeveel te meer blijven zijn vrienden ver van hem!
Achtervolgt hij hen met woorden, dan zijn zij er niet.
)
. De gedachte van “haten”, in de zin van ‘verwerpen’, geeft aan dat familieleden en oppervlakkige vrienden de arme man zullen verlaten omdat hij niets meer voor hen kan betekenen. We zien dit ook bij de Heer Jezus. Zijn aardse familie, de Joden, heeft Hem gehaat.

Als je geluk op is, mijdt zelfs je familie je. Je vrienden wensen dat je omkomt. Je kunt roepen wat je wilt, maar ze luisteren niet. Als ze je zien komen, kijken ze de andere kant op en doen ze of ze je niet zien, want het is ‘uit het oog, uit het hart’.


Zijn leven liefhebben en het goede vinden

8Wie verstand verwerft, heeft zijn leven lief,
wie inzicht bewaart, vindt het goede.

“Wie verstand verwerft”, is iemand die daarvoor moeite heeft gedaan, zich ervoor heeft ingezet. Hij bewijst daardoor dat hij zijn leven liefheeft. Het wil zeggen dat hij Gods wil voor zijn leven wil leren kennen. Daarmee bewijst hij zichzelf een grote weldaad. Wie verstand verwerft, komt zover dat hij zijn leven niet liefheeft tot de dood (Op 12:1111En zijzelf hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot [de] dood toe.). Zijn leven liefhebben slaat namelijk niet op het aardse leven, maar op het leven dat Hij van God heeft gekregen om voor Hem te leven.

Daarbij blijft het niet. Na het verwerven komt het bewaren van wat verworven is. Dat bewijst inzicht in wat werkelijk belangrijk is. Het resultaat is dat hij “het goede” vindt. Het goede is het goede leven, het leven met en voor Christus. Het goede is de kennis van Gods wil voor zijn leven en dat is dat het gelijkvormig zal worden aan Christus, dat Hij in zijn leven zichtbaar wordt. Daarin komen verstand en inzicht tot hun recht.


Nog eens: een valse getuige en wie leugens blaast

9Een valse getuige wordt niet voor onschuldig gehouden,
wie leugens blaast, zal omkomen.

Deze spreuk is bijna woordelijk gelijk aan vers 55Een valse getuige wordt niet voor onschuldig gehouden,
en wie leugens blaast, zal niet ontkomen.
. Vers 55Een valse getuige wordt niet voor onschuldig gehouden,
en wie leugens blaast, zal niet ontkomen.
klinkt nog min of meer als een waarschuwing, “hij zal niet ontkomen”, maar hier wordt duidelijk verklaard dat hij “zal omkomen”. De overtreding van het negende gebod stelt zijn schuld en Gods oordeel vast. Een valse getuige zijn en leugens blazen druisen in tegen alles wat God is. Hij is “rechtvaardig en waarachtig”, “de trouwe en waarachtige Getuige”, de “God, Die niet kan liegen” (Dt 32:44Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.
; Op 3:1414En schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicéa: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het begin van de schepping van God:; Tt 1:22in [de] hoop van [het] eeuwige leven dat God, Die niet kan liegen, beloofd heeft vóór [de] tijden van de eeuwen; maar op Zijn eigen tijd heeft Hij Zijn Woord geopenbaard door [de] prediking)
.


Wat niet gepast is

10Weelde past niet bij een dwaas,
hoeveel te minder [past het] een dienaar om te heersen over vorsten!

Er zijn genoeg dwazen die in weelde leven. Dat maakt tegelijk de waarheid van deze spreuk duidelijk. Een dwaas gaat zich altijd aan de weelde te buiten. Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen en die heeft de dwaas niet, omdat het hem aan wijsheid ontbreekt. Hij heeft geen wijsheid om op de juiste manier met de weelde om te gaan. Die weelde kan uit bezit bestaan, maar ook uit een positie. Beide gebruikt hij verkeerd. Hij gedraagt zich lomp en ongevoelig, waardoor hij zichzelf gehaat en tot een bespotting maakt.

Nog erger dan een dwaas die weelde bezit, is een dienaar die macht krijgt (vgl. Pr 10:77Ik heb dienaren te paard gezien en vorsten die als dienaren [te voet] over de aarde gingen.). Er zijn dienaren die hebben geheerst omdat zij trouw waren. Denk aan Jozef en Daniël. Het moet hier over een ontrouwe dienaar gaan. De dienaar hier is mogelijk iemand die zichzelf heeft verhuurd om een schuld te kunnen betalen. Hij is door dwaasheid in schulden geraakt. Als hij zijn eigen bezit niet kan beheren, hoe zal hij dan een heersende functie naar behoren kunnen uitoefenen over hen die dit wel kunnen.

In de wereld van vandaag zijn er ook heel wat mensen die een grote schuld hebben en toch menen een besturende functie te kunnen hebben. Hetzelfde geldt voor de gemeente. Iemand die zijn eigen huis niet kan besturen, kan geen besturende functie in Gods huis, de gemeente van de levende God, hebben. Een dergelijke functie zou ongepast zijn (1Tm 3:55– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –).


Geduld en vergeving

11Het verstand van een mens doet hem zijn toorn uitstellen,
het is zijn sieraad aan een overtreding voorbij te gaan.

Wie onrecht wordt aangedaan en vervolgens zijn gevoel de vrije teugel laat, ontbrandt in toorn en geeft een heftige reactie. Maar als zijn verstand, in de zin van geestelijk inzicht, de boventoon voert, zal hij het uiten van “zijn toorn uitstellen”. Dat kan alleen als er gemeenschap met God is. Daardoor kan hij gehoor geven aan het woord: Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: ‘Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt [de] Heer’” (Rm 12:1919Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: ‘Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt [de] Heer’.).

Hij is dan in staat “aan een overtreding voorbij te gaan”. Dit gaat verder dan in een vergevingsgezinde bui een keer iemand iets niet kwalijk nemen. Het is ook de bekwaamheid om de beledigingen niet toe te rekenen en niet toe te laten dat er een nagloeiend gevoel van gekwetstheid blijft zitten, zelfs wanneer de woorden een wond hebben toegebracht.

Een dergelijke houding doet het in de wereld niet, maar wordt door God zeer gewaardeerd. Deze spreuk is in volmaaktheid waar van God (vgl. Mi 7:1818Wie is een God als U,
Die de ongerechtigheid vergeeft,
Die voorbijgaat aan de overtreding
van het overblijfsel van Zijn eigendom?
Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn,
want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.
)
. Hij stelt Zijn toorn uit en het is Zijn eer aan een overtreding voorbij te gaan. Dit kan Hij doen vanwege het werk van Zijn Zoon, ten aanzien van Wie Hij Zijn toorn niet uitstelde en de overtreding niet voorbijging toen Hij Hem tot zonde maakte.


De toorn en het welgevallen van een koning

12De toorn van een koning is als het brullen van een jonge leeuw,
maar zijn welgevallen is als dauw op het gras.

We hebben hier een prachtige, beeldrijke tegenstelling. Enerzijds het “brullen van een jonge leeuw” dat angst aanjaagt bij iedereen die het hoort, en anderzijds de “dauw op het gras” die onhoorbaar neerdaalt, die verkwikt en zomaar vertrapt kan worden. Deze twee uitingen zien we bij een koning. Zijn toorn boezemt grote schrik in (Op 10:33En Hij riep met luider stem, zoals een leeuw brult; en toen Hij riep, lieten de zeven donderslagen hun stemmen horen.), terwijl zijn welgevallen of gunst een weldaad is (Ps 72:66Hij zal neerdalen als regen op het gemaaide [veld],
als regendruppels die de aarde bevochtigen.
)
.

Een koning heeft de macht om angst aan te jagen of om te verkwikken en te verfrissen. Hij kan dreigend, maar ook vriendelijk kijken. Deze spreuk adviseert de onderdanen van de koning geen dingen te doen die hem toornig maken, want dan zal het niet goed met hen gaan. Ze mogen echter op zijn weldadige welgevallen rekenen als zij hem in trouw dienen.

Dit vers kunnen we net als het voorgaande vers op God en Christus toepassen. Christus is de Leeuw uit de stam van Juda. We moeten Zijn toorn vrezen als we ons tegen Hem verzetten, maar we mogen ons verzekerd weten van Zijn verkwikkende waardering als we Hem in trouw dienen.


Huiselijke ellende en huiselijk geluk

13Een dwaze zoon is een ramp voor zijn vader,
en het geruzie van een vrouw een gestadig druppelen.
14Huis en have zijn een erfelijk bezit van de vaderen,
maar een verstandige vrouw is van de HEERE.
15Luiheid doet in diepe slaap vallen,
een bedrieglijke persoon zal hongerlijden.

“Een dwaze zoon” en “het geruzie van een vrouw” zijn twee problemen die chaos in een gezin veroorzaken (vers 1313Een dwaze zoon is een ramp voor zijn vader,
en het geruzie van een vrouw een gestadig druppelen.
)
. “Een dwaze zoon” ontneemt zijn vader alle plezier door zijn losbandigheid, luiheid, eigenwijsheid, trots, ongezeglijkheid. Het woord ‘ramp’ is meervoud, wat erop wijst dat een dergelijke zoon zijn vader verdriet op verdriet aandoet. Hij is een aaneenschakeling van rampen voor zijn vader, waaronder natuurlijk ook zijn moeder zal lijden.

Een vrouw die ruzie maakt, doet hetzelfde als de zoon, want ook zij maakt door haar ruzies het huis onbewoonbaar. Het huis dat een oase van rust zou moeten zijn, is vol nijd en twist. De ene ruzie volgt op de andere, net als druppels water elkaar gestadig, altijd maar doorgaand, opvolgen. Als het door het dak heen begint te druppelen, weet je niet waar het lek zit. Zolang het lek niet wordt gevonden en vervolgens wordt gedicht, doet het water in het verborgene zijn verrottende werk. Zo is het soms ook met het geruzie van een vrouw. Je weet niet waar het vandaan komt en ook niet hoe je het moet oplossen.

Het kan zijn dat in dit geval wel bekend is waar het ruzie maken vandaan komt en dat is het gedrag van de zoon. Als een zoon, of een kind, zich schandelijk gedraagt, kan dat een splijtzwam in het huwelijk betekenen. Dat gebeurt als de vrouw haar man verwijten gaat maken (het kan in de praktijk ook andersom). Gelukkig kan het ook zo zijn, dat de zorg om een kind man en vrouw een hechtere eenheid maakt. Dat zal zo zijn als ze het kind als een gemeenschappelijke zorg voortdurend in gebed bij de Heer brengen.

Het verkrijgen van “huis en have” is een kwestie van erven (vers 1414Huis en have zijn een erfelijk bezit van de vaderen,
maar een verstandige vrouw is van de HEERE.
)
. Een erfenis gaat over van vader op zoon. Het is een gevolg van het lid zijn van een bepaalde familie. Heel anders is dat met het verkrijgen van “een verstandige vrouw”. Daar is geen sprake van een familierelatie. Als iemand “een verstandige vrouw” krijgt, is dat een speciale gave van God. Het contrast is dus enerzijds de rijkdom die kan worden overgenomen van een vader en anderzijds een verstandige vrouw die een geschenk van de HEERE is.

“Luiheid” is een andere oorzaak die ellende over anderen brengt en niet alleen over de luiaard zelf (vers 1515Luiheid doet in diepe slaap vallen,
een bedrieglijke persoon zal hongerlijden.
)
. Deze spreuk is bedoeld om luiheid af te schrikken. Luiheid betekent dat iemand volledig inactief is. “Een diepe slaap” (Gn 2:2121Toen liet de HEERE God een diepe slaap op Adam vallen, zodat hij in slaap viel; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats ervan toe met vlees.) is een toestand van bewusteloosheid. De tijd verstrijkt zonder dat de luiaard daarvan het geringste besef heeft.

Wie lui is, verspilt tijd die nodig is om voor zichzelf en zijn familie te zorgen. Het gezin waarin de echtgenoot en vader door luiheid geen veiligheid biedt omdat hij niet voor inkomen zorgt, is een ellendig gezin. Er is honger, maar er is niets om de honger mee te stillen. Een luiaard is een slechte rentmeester van een kostbaar geschenk van God: tijd. Luiheid is de doodskist van een levende.


Zijn leven bewaren of sterven

16Wie het gebod in acht neemt, bewaart zijn leven,
wie zijn wegen veracht, zal sterven.

“Het gebod” waarover het hier gaat, is het gebod van God, want Gods gebod is ten leven. Gehoorzaamheid aan het gebod van God is een bescherming van het leven. Het betreft ook gehoorzaamheid aan de geboden van een vader, want hij vertegenwoordigt God op aarde. Hetzelfde geldt voor de geboden van de overheid. Wie daarmee geen rekening houdt, veracht zijn wegen en “zal sterven”.

Als iemand zelf bepaalt hoe hij wil leven, drukt hij daarmee verachting uit voor wat God heeft geboden. Met wat God heeft gezegd over zijn wegen, over zijn manier van leven en de keuzes die hij maakt, wil hij niets te maken hebben. Hij denkt dat hij op de weg van het leven is, maar hij bevindt zich op de weg van de dood. Het verachten van zijn wegen wil zeggen dat hij Gods geboden voor zijn wegen links laat liggen. Hij zal ondervinden dat aan het einde van zijn eigenwillige wegen de dood wacht.


Ontferming over de arme wordt beloond

17Wie zich ontfermt over de arme, leent uit aan de HEERE.
Hij zal hem zijn weldaad vergelden.

Als iemand “zich ontfermt over de arme”, is dat een vorm van uitlenen aan de HEERE (vgl. Mt 25:4040En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.). Geld dat wordt weggegeven aan een arme, ben je niet kwijt. God ziet het als een uitlening aan Hem, het wordt door Hem als een “weldaad” gezien. Hij zal de uitlening overvloedig terugbetalen. Wie zich over de arme ontfermt, laat daarmee een kenmerk van God zien, Die een Ontfermer is (Ps 116:55De HEERE is genadig en rechtvaardig,
onze God is een Ontfermer.
; Js 49:1010Zij zullen geen honger hebben of dorst lijden,
hitte en zon zullen hen niet steken,
want hun Ontfermer zal hen leiden,
Hij zal hen zachtjes leiden naar waterbronnen.
; 54:1010Want al zouden bergen wijken
en heuvels wankelen,
Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken
en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen,
zegt de HEERE, uw Ontfermer.
)
.

De aanwezigheid van armen onder Gods volk is een test voor de rijken (Dt 15:7-117[Maar] als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is.8Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.9Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbijkomt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is.10U moet hem overvloedig geven, en laat uw hart niet verdrietig zijn als u hem geeft. Want vanwege deze zaak zal de HEERE, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat u ter hand neemt.11Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land.). Onze reactie op hun aanwezigheid laat zien of er geloof is of niet (Jk 2:14-1714Wat baat het, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft, maar hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem soms behouden?15Als een broeder of zuster zonder kleding zijn en gebrek hebben aan het dagelijkse voedsel16en iemand van u zegt tot hen: Gaat heen in vrede, warmt u en verzadigt u, maar u geeft hun niet het voor het lichaam benodigde, wat baat het?17Zo is ook het geloof, als het geen werken heeft, op zichzelf dood.). Wie zich ontfermt over de arme, bewijst “weldadigheid”, een daad die door de Heer Jezus “uw gerechtigheid” wordt genoemd (Mt 6:1-41Past er <echter> voor op dat u uw gerechtigheid niet doet voor het oog van de mensen, om door hen te worden gezien; anders hebt u geen loon bij uw Vader Die in de hemelen is.2Wanneer u dan weldadigheid bewijst, bazuin het niet voor u uit, zoals de huichelaars doen in de synagogen en op de straten, opdat zij door de mensen geëerd worden. Voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon al.3Maar u, als u weldadigheid bewijst, laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet,4opdat uw weldadigheid in het verborgen is; en uw Vader Die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden.). De Heer zegt erbij dat dit niet moet gebeuren voor het oog van de mensen, zelfs niet om er zelf een goed gevoel door te krijgen, maar dat het moet gebeuren “in het verborgen. Wie zo geeft, krijgt van Hem de toezegging: “En uw Vader Die in het verborgen kijkt, zal het u vergelden.” God zegent de vrijgevigheid van een van de Zijnen met Zijn vrijgevigheid.

De belofte van een beloning betekent niet noodzakelijkerwijs een terugbetaling van wat is gegeven. Als het dat alleen zou zijn, is dat als het vergelden van een weldaad te zien. Het gaat om een beloning die waardering tot uitdrukking brengt. Als God iets beloont, is dat veel meer dan terugbetalen wat is gegeven. Hij zal de ontfermer een diepere indruk geven van de rijkdom van het leven met Hem. Hier kan geen bedrag aan geld of goud tegenop.


Wel of geen tucht en hoe toe te passen

18Breng uw zoon gehoorzaamheid bij wanneer er nog hoop is,
maar laat het niet in u opkomen hem te doden.
19Wie door het dolle heen is, moet [daarvoor] boeten,
want als u hem [ervan] redt, moet u [daarmee] nog doorgaan.
20Luister naar raad en neem vermaning aan,
opdat u uiteindelijk wijs wordt.

Het bijbrengen van gehoorzaamheid is een opdracht (vers 1818Breng uw zoon gehoorzaamheid bij wanneer er nog hoop is,
maar laat het niet in u opkomen hem te doden.
)
. Het is tegelijk een krachtige waarschuwing tegen ouderlijke passiviteit. Er is een tijd om kinderen gehoorzaamheid bij te brengen. Die tijd begint zodra duidelijk is dat een kind besef krijgt van goed en kwaad, en dat is al heel jong het geval. Als duidelijk is dat een kind niet naar een bevel van de ouders luistert, moet het leren gehoorzamen (Gn 18:1919Want Ik heb hem uitgekozen, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de HEERE in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HEERE over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.). Dat kan veel geduld vragen. Het kan soms zo erg worden, dat een ouder zijn geduld en zelfs zijn verstand verliest. Vandaar de waarschuwing om niet de gedachte te laten opkomen hem te doden of beslissingen te nemen die zijn dood tot gevolg hebben.

“Laat het niet in u opkomen hem te doden”, kan dus betekenen hem zo tuchtigen, dat hij sterft. Maar een andere betekenis is ook mogelijk. Die is hem helemaal niet tuchtigen, zodat hij een dwaas wordt, op het slechte pad komt en door zijn slechte gedrag de dood vindt. Wie zijn kind niet tuchtigt, doodt hem, want dan blijft hij het pad volgen dat op de dood uitloopt. Hem nu zijn straf onthouden zal hem op de weg brengen naar een veel zwaardere en eeuwige straf. Toegeeflijkheid bewerkt zijn ondergang. Valse toegeeflijkheid is echte wreedheid.

Eli heeft zijn zonen geen gehoorzaamheid bijgebracht. Daardoor zijn zij dwazen geworden en aan hun dwaasheid ten onder gegaan (1Sm 3:12-1312Op die dag zal Ik over Eli alles gestand doen wat Ik tegen zijn huis gesproken heb, [van] het begin tot het einde.13Want Ik heb hem bekendgemaakt dat Ik over zijn huis voor eeuwig gericht zal oefenen, omwille van de ongerechtigheid die hij geweten heeft; want toen zijn zonen zich vervloekt gemaakt hebben, heeft hij hen niet eens zuur aangekeken.). Ook David heeft zijn zoon Adonia niet berispt, waardoor deze een dwaas is geworden en een vroegtijdige dood is gestorven (1Kn 1:66Zijn vader had hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt door te zeggen: Waarom heb je dat gedaan? Ook was hij heel knap van gestalte. [Haggith] had hem gebaard, na Absalom.; 2:2424Nu, [zo waar] de HEERE leeft, Die mij aangesteld heeft en mij op de troon van mijn vader David heeft doen zitten, en Die voor mij een [konings]huis gemaakt heeft, zoals Hij gesproken had, voorzeker, Adonia moet vandaag [nog] ter dood gebracht worden!).

Er zijn gevallen waarin het geen zin meer heeft iemand gehoorzaamheid bij te brengen (vers 1919Wie door het dolle heen is, moet [daarvoor] boeten,
want als u hem [ervan] redt, moet u [daarmee] nog doorgaan.
)
. Alle hoop op correctie moet worden opgegeven. Dat is het geval als iemand door het dolle heen is. Iemand die niet te kalmeren is, moet de gevolgen van zijn dwaasheid zelf ervaren. Wie hem wil helpen, komt nooit van hem af, want hij zal zijn les nooit leren.

Een heetgebakerde persoon zal voortdurend in problemen zijn. Alleen bekering en de Heilige Geest kunnen een verandering geven. Christus is de Enige Die van een dergelijk gedrag kan redden. De Zoon maakt vrij.

Vers 2020Luister naar raad en neem vermaning aan,
opdat u uiteindelijk wijs wordt.
sluit aan op de twee voorgaande verzen. Door naar “raad” te luisteren en “vermaning” te aanvaarden wordt iemand “uiteindelijk wijs”. Uiteindelijk zal er door al de tucht die is uitgeoefend en al de onderwijzingen die gegeven zijn, volwassenheid komen. Er zal een standvastige volharding op het pad van het leven zijn. ‘Uiteindelijk’ wil niet zeggen aan het einde van zijn leven, maar aan het einde van het leerproces.


Raadsbesluit, goedertierenheid en leven

21In het hart van de mens zijn veel plannen,
maar de raad van de HEERE, die houdt stand.
22Het verlangen van de mens is zijn goedertierenheid,
maar een arme is beter dan een leugenachtige man.
23De vreze des HEEREN is ten leven,
verzadigd overnacht men, door geen kwaad bezocht.

“Veel plannen” maken mag, maar het is goed ons daarbij te onderwerpen aan “de raad van de HEERE”, of het voornemen van God (vers 2121In het hart van de mens zijn veel plannen,
maar de raad van de HEERE, die houdt stand.
; Jk 4:13-1513Komaan dan, u die zegt: Vandaag of morgen zullen wij naar die stad gaan en daar een jaar doorbrengen en handel drijven en winst maken;14u die niet weet wat morgen [gebeuren] zal. (Want hoe is uw leven? Want u bent een damp die een korte tijd gezien wordt en daarna verdwijnt)15In plaats dat u zegt: Als de Heer het wil en wij leven, zullen wij dit of dat doen.)
. De mens moet blijven bedenken dat hij mens is en dat God is Wie Hij is. De mens is uiterst beperkt in wat hij kan bedenken en nog meer in wat hij kan uitvoeren. God daarentegen is oneindig van verstand en van vermogen. Niet wat de mens uitdenkt, maar wat God bepaalt, dat gebeurt (Kl 3:3737Wie zegt iets en het gebeurt, /mem/
[als] de Heere [het] niet gebiedt?
; Ps 33:10-1110De HEERE vernietigt de raad van de heidenvolken,
Hij verbreekt de gedachten van de volken.
11[Maar] de raad van de HEERE bestaat voor eeuwig,
de gedachten van Zijn hart [bestaan] van generatie op generatie.
; Js 46:1010Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn,
van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben;
Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand
en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
)
. Zo heeft Paulus ook plannen gemaakt, maar God bestuurde het anders (Rm 15:22-3222Daarom ben ik ook vele malen verhinderd geweest tot u te komen.23Maar nu ik in deze streken geen plaats meer heb en sinds vele jaren groot verlangen heb tot u te komen,24[zal ik komen] wanneer ik naar Spanje reis. Want ik hoop op de doorreis u te zien en door u daarheen voortgeholpen te worden, wanneer ik eerst enigermate van u genoten heb.25Maar nu reis ik naar Jeruzalem ten dienste van de heiligen.26Want Macedonië en Achaje hebben goed gevonden een zekere bijdrage te doen voor de armen onder de heiligen die in Jeruzalem zijn;27want zij hebben het goed gevonden, en zij zijn hun schuldenaars; want als de volken aan hun geestelijke [goederen] deel hebben gekregen, zijn zij ook schuldig hen met de stoffelijke te dienen.28Nadat ik dan dit volbracht en hun deze opbrengst afgedragen heb, zal ik via u naar Spanje gaan.29En ik weet, dat als ik tot u kom, ik in een volheid van zegen van Christus zal komen.30Maar ik spoor u aan, <broeders,> door onze Heer Jezus Christus en door de liefde van de Geest, dat u met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij;31opdat ik verlost word van de ongehoorzamen in Judéa en mijn dienst aan Jeruzalem de heiligen welgevallig is,32opdat ik door [de] wil van God met blijdschap tot u kom en mij met u verkwik.).

Ieder mens verlangt ernaar dat een ander hem met “goedertierenheid” behandelt (vers 2222Het verlangen van de mens is zijn goedertierenheid,
maar een arme is beter dan een leugenachtige man.
)
. Ieder mens vindt het aangenaam om vriendelijke woorden te horen, woorden waaruit goedertierenheid blijkt, dat wil zeggen woorden van goedheid. Het zijn opbouwende, bemoedigende woorden, waarin geen leugenachtigheid schuilt. Ze worden niet gesproken om te vleien.

Bij “een leugenachtig man” ontbreekt goedertierenheid. Hij kan wel doen alsof hij goedertieren is door van alles te beloven en de indruk te geven dat hij vol goedheid is, maar dat is huichelarij en misleiding. Achter zijn woorden gaan oneerlijke motieven schuil. Je kunt beter met een arme te maken hebben, van wie je niets kunt verwachten wat hij zou kunnen geven, maar van wie de goedertierenheid afstraalt, dan met zo’n leugenaar.

Eerbied voor de HEERE brengt een leven van tevredenheid en veiligheid (vers 2323De vreze des HEEREN is ten leven,
verzadigd overnacht men, door geen kwaad bezocht.
)
. Wie de HEERE vreest, lijdt geen gebrek en vreest geen gevaar. God geeft een kwaliteit van leven die niet kan worden verstoord door kwaad. De Godvrezende gaat zonder hongergevoel naar bed en slaapt gerust, zonder angst voor iets kwaads dat over hem zou kunnen komen.

Het leven dat aan de vreze des HEEREN verbonden is, is niet het leven dat de mens van nature leeft, maar het leven in verbinding met Hem. Dat leven wordt in zijn volheid pas genoten als de gelovige bij Hem is. Maar ook hier op aarde al geldt dat dit leven door niets kan worden aangetast, omdat het een innerlijk, geestelijk leven is. Het is het leven uit God. Dat leven kent geen gebrek en geen angst. De Heer Jezus zegt daarom dat we niet bang hoeven te zijn “voor hen die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden” (Mt 10:2828En weest niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden, maar weest veeleer bang voor Hem Die zowel ziel als lichaam kan verderven in [de] hel.).

Het ware leven dat hier wordt bedoeld, wordt niet gevonden in rijkdom of in gezondheid, ook niet in een goed huwelijk of een fijn gezin, maar in Christus alleen. Dat moeten we onze kinderen vertellen en voorhouden en voorleven. Van het kwaad dat ons kan treffen, weten we dat God het laat meewerken ten goede (Rm 8:2828Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar [Zijn] voornemen zijn geroepen.; Ps 91:9-109Want U, HEERE, bent mijn toevlucht.
De Allerhoogste hebt u [tot] uw woning gemaakt.
10Geen onheil zal u overkomen,
geen plaag zal uw tent naderen.
)
.


Zelfs te lui om te eten

24Een luiaard steekt zijn hand in de schotel,
maar brengt hem niet meer aan zijn mond.

“Een luiaard” is zo lui, dat hij zijn hand waarmee hij het stuk brood in de schotel met dipsaus heeft gedoopt, “niet meer aan zijn mond” kan brengen. De beschreven handelingen hebben hem zozeer vermoeid, dat hij voordat hij kan gaan kauwen alweer in slaap is gevallen. Het is een lachwekkende beschrijving van een luiaard. Deze voorstelling moet ertoe dienen geen luiaard te willen zijn en de spot te voorkomen die daaraan verbonden wordt.

In de geestelijke toepassing zien we dat er mensen zijn die niet de moeite nemen om zelfs de meest elementaire stap te zetten om uit hun zondige ellende te komen. De redding wordt hun in het evangelie aangeboden en is binnen handbereik, maar ze steken hun hand er niet naar uit om de toegeworpen reddingsboei aan te grijpen.


Tucht maakt anderen schrander

25Sla een spotter, dan zal [die] onverstandige schrander worden,
en wijs een verstandige terecht, [en] hij zal inzicht krijgen.

Er zijn drie soorten mensen in dit vers: “een spotter”, de “onverstandige” en “een verstandige”. Ze tonen wie ze zijn door hun reactie op tucht. De spotter laat zich door geen enkele tucht corrigeren. De bedoeling ervan dringt niet tot hem door omdat hij zich daarvoor afsluit.

De onverstandige is iemand zonder kennis, een onnozele, een leeghoofd. Hij is nog niet zo verhard als de spotter. Bij hem kan het doordringen dat de tucht die over de spotter komt, een waarschuwing voor hem is. Als dat doordringt, zal hij schrander worden en inzien wat hem te wachten staat als hij op de weg van het onverstand verdergaat en een spotter wordt (vgl. Dt 19:2020Laten zij die overgebleven zijn, het horen en bevreesd zijn en een dergelijke wandaad niet meer in uw midden verrichten.).

Een verstandige heeft geen slagen nodig. Hij heeft voldoende geestelijke rijpheid om onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Als hij iets doet wat correctie nodig heeft, kan hij met woorden terechtgewezen worden. Die woorden kunnen ook pijnlijk zijn, maar hij zal ernaar luisteren en “inzicht krijgen” in wat hij heeft gedaan of gezegd wat niet goed was en gecorrigeerd moet worden.


Een zoon die schandelijk handelt

26Wie [zijn] vader mishandelt, [zijn moeder] wegjaagt,
is een zoon die beschaamd maakt en schandelijk handelt.
27Houd [maar] op, mijn zoon, naar vermaning te luisteren,
als je [toch] van de woorden van de kennis afdwaalt.

Het lijkt in vers 2626Wie [zijn] vader mishandelt, [zijn moeder] wegjaagt,
is een zoon die beschaamd maakt en schandelijk handelt.
te gaan over een situatie dat de vader en moeder van de zoon afhankelijk zijn en dat deze zoon de situatie misbruikt tot eigen voordeel. Hierover wordt een scherp oordeel uitgesproken. Het moet kinderen afschrikken zich zo tegenover hun oude ouders te misdragen.

Het gaat hier verder dan alleen over ongehoorzaamheid aan de ouders. Ongehoorzaamheid is op zich al erg genoeg. Het is een overtreding van het gebod vader en moeder te eren (Ex 20:1212Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.). Maar hier is het een afrekenen met de natuurlijke liefde die een kind voor zijn ouders zou moeten hebben. Hij gaat in tegen de meest elementaire natuurwetten. De zoon die hier beschreven wordt, laat niet alleen na wat geboden is, maar hij behandelt zijn ouders met verachting. God laat de Levieten daarvan zeggen: ”Vervloekt is wie zijn vader of zijn moeder veracht!” (Dt 27:1616Vervloekt is wie zijn vader of zijn moeder veracht! En heel het volk moet zeggen: Amen.). Deze zoon is zijn ouders niet alleen ongehoorzaam, maar buit hen uit.

Dit komt steeds vaker voor in een steeds kouder wordend sociaal klimaat. Het was, zoals blijkt uit wat Salomo hier zegt, toen al aan de orde, en het is nu heel actueel. Kinderen doen hun ouders in een toenemend aantal gevallen verbaal of lichamelijk geweld aan met de bedoeling zichzelf te verrijken in plaats van zorg aan hen te besteden, (vgl. Mt 15:4-74Want God heeft gezegd: ‘Eer uw vader en moeder’ en: ‘Wie vader of moeder vloekt, moet [de] dood sterven’.5Maar u zegt: ‘Wie tot zijn vader of moeder zegt: [Het is] een gave, wat u ook van mij ten nutte zou kunnen komen’, – die zal zijn vader <of zijn moeder> geenszins eren.6En u hebt [zo] het Woord van God krachteloos gemaakt ter wille van uw overlevering.7Huichelaars, treffend heeft Jesaja over u aldus geprofeteerd:). Een krantenkop meldde onlangs: ‘Uitbuiting ouderen door eigen kinderen onderschatte vorm ouderenmishandeling’ (RD, 15-06-2015).

Een zoon kan van zijn vader stelen. Hij kan het leven voor zijn moeder zo ondraaglijk maken, dat zij het huis verlaat. Hij maakt beschaamd omdat hij schandelijk handelt. Het is een speciale bitterheid voor ouders als een zoon zo handelt. Zo heeft Israël zich tegenover God gedragen (Js 1:2-32Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.
3Een rund kent zijn bezitter
en een ezel de kribbe van zijn eigenaar,
[maar] Israël heeft geen kennis,
Mijn volk heeft geen inzicht.
)
.

In de spreuk van vers 2727Houd [maar] op, mijn zoon, naar vermaning te luisteren,
als je [toch] van de woorden van de kennis afdwaalt.
is een zekere ironie te beluisteren. Wat de vader tegen zijn zoon zegt, is geen advies om niet te luisteren. De vader wil alleen duidelijk maken dat het geen zin heeft voor zijn zoon naar zijn vermaning te luisteren als hij er toch niet naar handelt. Laat zijn zoon maar ophouden naar de vermaning te luisteren als hij toch van plan is “van de woorden van de kennis” af te dwalen.

De vermaning bestaat dus uit woorden van kennis, dat zijn woorden met de kennis van Gods wil voor zijn leven. Door daarnaar te luisteren en daaraan te gehoorzamen zal de zoon de goede weg bewandelen. De manier waarop de vader hier zijn zoon benadert, confronteert de zoon met zijn verantwoordelijkheid. Wil hij een andere weg gaan dan de weg die hem in de woorden van de kennis wordt voorgehouden? Laat hij dan maar ophouden met luisteren naar vermaning. Hopelijk zal deze benadering de zoon ertoe brengen goed te luisteren en niet af te dwalen.


Spotters en het (on)recht

28Een verdorven getuige spot met het recht,
en de mond van de goddelozen verslindt onrecht.
29Strafgerichten zijn bereid voor de spotters,
en slagen voor de rug van dwazen.

“Een verdorven getuige” (vers 2828Een verdorven getuige spot met het recht,
en de mond van de goddelozen verslindt onrecht.
)
is letterlijk ‘een getuige van Belial’. Hij is geïnspireerd door de satan. Het is iemand die bewust de feiten verdraait. Dat hij “spot met het recht”, wil zeggen dat hij het verdraaien van het recht met het grootste gemak doet. Het recht is bedoeld om mensen van de zonde te weerhouden, maar daar maalt een verdorven getuige niet om. Een begrip als ‘gerechtigheid’ is voor hem iets om belachelijk te maken. Hij trekt zich niets aan van God als Rechter, maar tart Hem door zijn regelrechte verachting van het recht.

Terwijl er verachting is van het recht, wordt er gesmuld van onrecht; het wordt zelfs verslonden. De goddelozen zijn als hongerige wolven die schaamteloos op het onrecht aanvallen en dat opvreten alsof het de grootste lekkernij is. Onrecht is voor de mond van de goddelozen een waar genot. Ze kauwen op leugenachtige woorden en spreken ze vervolgens uit. Daar halen ze al hun levensenergie uit.

Wat de goddelozen kenmerkt, kenmerkt onze gevallen natuur. Onze gevallen natuur maakt ons niet alleen gevoelig voor het ontvangen van leugens, maar maakt dat we ervan genieten.

God heeft “strafgerichten” klaarliggen voor de hardnekkige “spotters” (vers 2929Strafgerichten zijn bereid voor de spotters,
en slagen voor de rug van dwazen.
)
. Zij spotten met de heilige dingen. Hun bespotting zal openbaar geoordeeld worden in de strafgerichten die God naar Zijn voornemen over hen brengt, waaraan zij niet zullen kunnen ontkomen. Ook de “slagen voor de rug van dwazen” liggen klaar en zullen hen onafwendbaar treffen.


Lees verder