Spreuken
1-2 De zelfzuchtige dwaas 3 De goddeloze en wat hem vergezelt 4 Diepe wateren en een overvloeiende beek 5 Geen aanzien des persoons in de rechtspraak 6-8 De woorden van een dwaas en een lasteraar 9 Luiheid werkt vernielend 10-12 De ware veiligheid en de schijnveiligheid 13 Eerst luisteren, dan antwoorden 14 Geestkracht of een neerslachtige geest 15 Kennis verwerven en zoeken 16 Wat een gift kan doen 17-19 Een rechtszaak, geschillen en ruzies 20-21 De vrucht van onze woorden 22 Een vrouw als bewijs van Gods goedgunstigheid 23 Een arme smeekt, een rijke antwoordt hard 24 Het verschil tussen vrienden en een vriend
De zelfzuchtige dwaas

1Een zelfzuchtige jaagt naar [zijn eigen] verlangen,
hij barst los tegen alle wijsheid.
2Een dwaas vindt geen vreugde in inzicht,
maar [alleen] in het blootgeven van zijn hart.

“Een zelfzuchtige” (vers 11Een zelfzuchtige jaagt naar [zijn eigen] verlangen,
hij barst los tegen alle wijsheid.
)
is letterlijk ‘iemand die zichzelf afscheidt of afzondert’. Hij is door zijn zelfzuchtigheid en egoïsme een vijand van elke vorm van vriendschap. Iedereen met wie hij rekening zou moeten houden, hindert hem in het jagen naar het voldoen aan “[zijn eigen] verlangens”. Het enige wat hem voor de aandacht staat, is wat hem zelf plezier geeft. Daarom wil hij niets van enige vorm van wijsheid weten, want dat confronteert hem met een hoger doel van het leven.

Als daarover iets tegen hem wordt gezegd, hetzij door God uit Zijn Woord als dat aan hem wordt voorgehouden, hetzij door een mens, als die hem ergens op wil wijzen, “barst” hij daartegen “los”. Hij is als de afvallige Joden van wie geschreven staat dat zij God niet behagen en tegen alle mensen zijn (1Th 2:1515die zowel de Heer Jezus als de profeten gedood en ons verdreven hebben. Ook behagen zij God niet en zijn tegen alle mensen,). Zijn hele houding laat zien dat hij hoort bij hen die [zich] afscheiden, natuurlijke [mensen] die [de] Geest niet hebben” (Jd 1:1919Dezen zijn het die [zich] afscheiden, natuurlijke [mensen] die [de] Geest niet hebben.).

Er is overigens wel een afzondering of afscheiding die God in Zijn Woord van ons vraagt. Dat betreft een afzondering van de zonde en in de zonde levende mensen en van hen die de zonde in anderen accepteren en daarvan geen afstand nemen (zie 2Tm 2:19-2119Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.20In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer.21Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.; 2Ko 6:14-1714Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?15En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?16En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn [de] tempel van [de] levende God, zoals God gezegd heeft: ‘Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn’.17Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,; Hb 13:1313Laten wij daarom tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij Zijn smaad dragen.; 2Jh 1:7-117Want er zijn vele verleiders uitgegaan in de wereld, die niet Jezus Christus als in [het] vlees gekomen belijden. Dit is de verleider en de antichrist.8Let op uzelf, opdat u niet te gronde richt wat wij bewerkt hebben, maar een vol loon ontvangt.9Ieder die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet. Wie in de leer blijft, die heeft zowel de Vader als de Zoon.10Als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en begroet hem niet.11Want wie hem begroet, heeft gemeenschap met zijn boze werken.).

Vers 22Een dwaas vindt geen vreugde in inzicht,
maar [alleen] in het blootgeven van zijn hart.
sluit aan op vers 11Een zelfzuchtige jaagt naar [zijn eigen] verlangen,
hij barst los tegen alle wijsheid.
. Wie losbarst tegen alle wijsheid, geeft er blijk van dat hij “een dwaas” is, iemand die van nature “geen vreugde vindt in inzicht”. Waar hij wel het grootste plezier in vindt, is het geven van zijn mening en daarmee “het blootgeven van zijn hart”. Hij verafschuwt inzicht, maar geniet van het ten gehore brengen van zijn eigen dwaze inzichten. Door wat hij zegt, onthult of verraadt hij wat er in zijn hart schuilt. Een dergelijk mens stelt vragen om te laten zien hoe slim hij is (dat denkt hij in elk geval van zichzelf) in plaats van onderwezen te willen worden. Hij heeft een voorgevormde, niet te corrigeren mening en laat die horen.

Deze dwaas vinden we in de dagen van de Heer Jezus in de godsdienstige leiders. Zij kunnen niet blij worden van het inzicht dat Christus wil geven en barsten er zelfs tegen los. Zij willen alleen hun eigen inzichten ventileren en daarvoor bewonderd worden.


De goddeloze en wat hem vergezelt

3Waar een goddeloze binnenkomt, komt ook verachting,
en met schande [komt ook] smaad.

“Waar een goddeloze binnenkomt”, waar dat ook maar mag zijn, in zijn kielzog volgen zijn gezworen kameraden “verachting”, “schande” en “smaad”. Verachting komt mee omdat de goddeloze de rechtvaardige altijd met verachting zal bezien, om hem vervolgens met schande en smaad te overladen. Hij zal daartoe altijd iets bij hem vinden, hetzij in zijn omstandigheden, hetzij in zijn manier van leven.

Deze handelwijze hoort bij de goddeloze, het is zijn natuur. Voor hem heeft God geen enkele betekenis of waarde. De waarschuwing is om voor de goddeloze op onze hoede te zijn, want in zijn gezelschap bevinden zich verachting, schande en smaad die hij over anderen uitstort in zijn spreken en gedragingen.


Diepe wateren en een overvloeiende beek

4De woorden uit de mond van een man zijn diepe wateren,
de bron van wijsheid is een overvloeiende beek.

De “man” is hier een wijze. Zijn “mond” wordt vergeleken met een plaats waaruit het water tevoorschijn borrelt en zijn “woorden” worden met dat water vergeleken. Wat hij zegt, zijn eenvoudige woorden, maar ze hebben een diepe betekenis. De woorden zijn niet alleen diepzinnig, maar ze raken ook nooit op en bevatten altijd weer wijsheid omdat ze uit “de bron van wijsheid” komen. De woorden van een man die uit de bron van Gods gedachten komen, zijn zowel diep als overvloeiend. Het wijst op de diepte en de breedte van de wijsheid.

Wijsheid is diep (Jb 28:12-2812Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden?
En waar is de plaats van het inzicht?
13De sterveling kent haar waarde niet,
zij wordt niet gevonden in het land van de levenden.
14De watervloed zegt: In mij is zij niet;
en de zee zegt: Bij mij is zij niet.15Fijn goud kan niet in ruil voor haar gegeven worden,
en haar prijs kan niet met zilver worden afgewogen.
16Zij kan met het fijne goud van Ofir niet betaald worden,
[en evenmin] met de kostbare onyx en saffier.
17Haar waarde kan niet met goud of kristal gemeten worden,
en zij is [niet] in te ruilen voor een kleinood van zuiver goud.
18Aan koraal en kristal wordt niet [meer] gedacht,
want de prijs van de wijsheid is hoger dan die van robijnen.
19Haar waarde kan niet met die van een topaas uit Cusj gemeten worden;
en met het fijne zuivere goud kan zij niet betaald worden.20De wijsheid dus, waar komt zij vandaan,
en waar is de plaats van het inzicht?
21Zij is bedekt voor de ogen van alle levenden,
en voor de vogels in de lucht is zij verborgen.
22Het verderf en de dood zeggen:
Met onze oren hebben wij [slechts] een gerucht over haar gehoord.23God begrijpt haar weg,
en Híj kent haar plaats.
24Want Híj ziet tot aan de einden der aarde,
Hij ziet onder heel de hemel,
25terwijl Hij de kracht van de wind bepaalt,
en de wateren meet met een maat.
26Toen Hij een verordening maakte voor de regen,
en een weg voor het weerlicht van de donder –
27toen zag Hij haar, en peilde haar.
Hij stelde haar vast en ook onderzocht Hij haar.28Maar tegen de mens heeft Hij gezegd:
Zie, de vreze des Heeren, dat is wijsheid,
en zich afkeren van het kwade is inzicht.
)
, het is wat in God is (Rm 11:3333O diepte van rijkdom, zowel van [de] wijsheid als van [de] kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!). Het is een grote genade dat God ons Zijn gedachten van wijsheid heeft meegedeeld. Dat heeft Hij gedaan in Zijn Woord en door Zijn Geest. Door Zijn Geest kunnen wij nu de diepten van God kennen (1Ko 2:9-109maar zoals geschreven staat: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’.10Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God.). De wijsheid is geen oceaan, maar een bron waaruit een beek komt die overvloeit. Die bron is de Heer Jezus.

Mozes spreekt over “diepe wateren” (Dt 8:77Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;) als een van de zegeningen van het beloofde land. In de geestelijke toepassing kunnen we denken aan de zegen van het eeuwige leven. Daarover spreekt de Heer Jezus als Hij tegen de Samaritaanse vrouw zegt: “Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven” (Jh 4:14b14maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven.).


Geen aanzien des persoons in de rechtspraak

5Het is niet goed een goddeloze voor te trekken
en [het recht van] een rechtvaardige te buigen in het gericht.

In een wereld waarvan de satan god en overste is, gebeurt het dat een goddeloze wordt voorgetrokken en dat het recht van de rechtvaardige in het gericht wordt gebogen. Partijdigheid kan een rol spelen als de goddeloze een rijke is, of een familielid, of iemand die door aanzien invloed heeft. Bij een rechtvaardige kan het gaan om iemand die op het kwaad heeft gewezen, zoals Elia en Johannes de doper. God verafschuwt deze gang van zaken. Hij wil dat er eerlijk recht wordt gesproken (2Kr 19:77Nu dan, laat grote vrees voor de HEERE over u komen; neem [uw plichten] waar, en doe [ze], want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht, geen partijdigheid of aanneming van geschenken.; Ml 2:99Daarom heb Ik ook u verachtelijk gemaakt
en onbeduidend voor heel het volk,
want u neemt Mijn wegen niet in acht
en ziet bij [uw onderwijs in] de wet de persoon aan.
)
. Het is verwerpelijk om het recht van een rechtvaardige te buigen, dat wil zeggen zijn recht opzij te zetten, hem zijn recht te ontnemen.

Het gaat hier niet alleen om een gerechtelijke dwaling, een onterechte uitspraak, die tot uiting komt in de vrijspraak van een goddeloze die veroordeeld zou moeten worden. Het gaat niet zozeer om de uitkomst, maar om het motief. Dat motief is het voortrekken, partijzucht (vgl. 1Tm 5:2121Ik betuig voor God en Christus Jezus en de uitverkoren engelen, dat je deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, zonder iets te doen uit partijdigheid.). Het is een uitspraak vanwege aanzien des persoons. Het geldt niet alleen voor een rechtbank, maar in alle gevallen. Jakobus past het toe op de omgang van de leden van Gods volk onder elkaar (Jk 2:1-91Mijn broeders, hebt het geloof in onze Heer Jezus Christus, [de Heer] der heerlijkheid, niet met aanzien des persoons.2Want als er in uw synagoge een man binnenkomt met een gouden ring, in prachtige kleding, en er komt ook een arme binnen in haveloze kleding,3en u kijkt op tegen hem die de prachtige kleding draagt en zegt: Gaat u daar staan, of: Gaat u hier op een goede plaats zitten, en tot de arme zegt u: Gaat u <hier> onderaan mijn voetenbank zitten,4hebt u dan niet bij uzelf onderscheid gemaakt en bent rechters met boze overleggingen geworden?5Hoort, mijn geliefde broeders: heeft God niet de armen in de wereld uitverkoren om rijk te zijn in [het] geloof en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben?6U echter hebt de arme oneer aangedaan. Zijn het niet de rijken die u onderdrukken en die u voor rechtbanken slepen?7Zijn zij het niet die de uitnemende Naam die over u aangeroepen is, lasteren?8Als u dan [de] koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: ‘U zult uw naaste liefhebben als uzelf’, dan doet u goed.9Maar als u de persoon aanziet, doet u zonde en wordt door de wet aan de kaak gesteld als overtreders.). De Heer Jezus waarschuwt: Oordeelt niet naar [het] aanzien, maar velt een rechtvaardig oordeel” (Jh 7:2424Oordeelt niet naar [het] aanzien, maar velt een rechtvaardig oordeel.).


De woorden van een dwaas en een lasteraar

6De lippen van een dwaas komen terecht in onenigheid,
zijn mond roept om slagen.
7De mond van een dwaas is zijn ondergang,
zijn lippen zijn een valstrik voor hemzelf.
8De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen,
die dalen af in de schuilhoeken van zijn binnenste.

Dwaze mensen brengen zichzelf in de problemen door wat ze zeggen (vers 66De lippen van een dwaas komen terecht in onenigheid,
zijn mond roept om slagen.
)
. Wat “een dwaas” roept, brengt “onenigheid” teweeg. Zijn taal is opruiend of kwetsend. Daarom roept hij met wat hij roept “om slagen”, om straf. Wat hij zegt, is niet onschuldig. Niet alleen verkeerde daden moeten worden gestraft, maar ook verkeerde woorden. Verkeerde daden benadelen iemand, doen iemand tekort. Verkeerde woorden benadelen ook een ander en doen hem tekort.

Daarvoor verdient hij straf. Die straf kan hem bijvoorbeeld worden toegediend door zijn ouders, of door zijn baas, of door een rechter. Het kan ook zijn dat hij door God getuchtigd wordt, want met wat hij zegt, roept hij ook Gods oordeel over zich af.

Vers 77De mond van een dwaas is zijn ondergang,
zijn lippen zijn een valstrik voor hemzelf.
is het vervolg van vers 66De lippen van een dwaas komen terecht in onenigheid,
zijn mond roept om slagen.
en gaat een stap verder. Er zijn niet alleen slagen verbonden aan wat hij zegt, maar met wat hij zegt, bewerkt hij zijn eigen “ondergang” (Pr 10:1212Woorden uit de mond van een wijze zijn aangenaam, maar de lippen van een dwaas verslinden hemzelf.). De woorden die hij met zijn lippen spreekt, zijn “een valstrik voor hemzelf”, ze zijn tegen zijn leven gericht. Hij raakt verstrikt in zijn woorden, hij wordt erin gevangen en komt om. Alles wat een dwaas zegt, ook om zichzelf te verdedigen, vormt de grond voor zijn ondergang. Alles wat hij zegt, zal God als bewijs aanvoeren voor de rechtvaardigheid van zijn veroordeling.

In vers 88De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen,
die dalen af in de schuilhoeken van zijn binnenste.
gaat het niet zozeer om de lippen en de mond van de dwaas, maar om hen die er hun oor aan lenen. De dwaas is ook de lasteraar, iemand die roddels rondstrooit. Mensen genieten van het luisteren naar roddels. Roddels zijn “als lekkernijen”, dat is voedsel dat met gretigheid verzwolgen wordt. Wanneer dergelijke ‘smakelijke’ stukken voedsel naar binnen glijden, vullen zij zijn hele “binnenste”, tot “in de schuilhoeken” ervan, waardoor het verlangen naar meer wordt gestimuleerd.

Het binnenste werkt als een opslagkamer, waar de dingen worden bewaard die zijn gezegd om ze later weer op te rakelen. Zo zagen we al eerder dat de luisteraar de roddelaar helpt door naar zijn roddels te luisteren. Zijn woorden worden zonder nadenken ingezogen en zakken weg tot in het diepste innerlijk, waar ze hun ziekmakend werk doen en ziel en geest verzieken tot de dood erop volgt. De roddelaar spreekt met woorden “gladder dan boter” en “zachter dan olie”, maar die “getrokken zwaarden” (Ps 55:2222Zijn mond is gladder dan boter,
maar zijn hart wil strijd;
zijn woorden zijn zachter dan olie,
maar het zijn getrokken zwaarden.
)
zijn, dus een dodelijk effect hebben. Ze doden alle restjes gezond geestelijk leven dat eventueel nog aanwezig was.


Luiheid werkt vernielend

9Ja, wie zich slap opstelt in zijn werk,
die is een broeder van een aartsvernieler.

Eerdere spreuken over luiheid gaan over het verzaken van de eigen bezigheden, waardoor de luiaard tot armoede vervalt. Hier gaat het over iemand die voor een ander werkt, maar zijn werk door luiheid niet met toewijding doet. “Wie zich slap opstelt in zijn werk”, is iemand die zijn handen slap laat hangen. Hij is inactief. Hij is niet beter dan iemand die er actief op uit is een werk te vernielen. Ze zijn allebei familie “van een aartsvernieler”; ze zijn om zo te zeggen van dezelfde ‘bloedgroep’ als de duivel. In het ene geval komt het werk niet klaar, in het andere geval wordt het, als het klaar is, verwoest.

Dit kunnen we toepassen op het werk voor de Heer. De luie slaaf is net zo schadelijk voor Gods koninkrijk als de verkwistende slaaf (Mt 25:2525en ik was bang en ben weggegaan en heb uw talent verborgen in de grond; zie, hier hebt u het uwe.; Lk 16:11Hij nu zei ook tot Zijn discipelen: Er was een rijk mens die een rentmeester had; en deze werd bij hem aangeklaagd, dat hij zijn bezittingen verkwistte.). Als we verzaken de Heer trouw te dienen, zijn we contraproductief. Wat iemand niet doet, kan net zo schadelijk zijn als wat iemand wel doet. De Heer Jezus zegt: “Wie niet met Mij bijeenbrengt, verstrooit” (Mt 12:3030Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, verstrooit.).


De ware veiligheid en de schijnveiligheid

10De Naam van de HEERE is een sterke toren,
een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.
11Het bezit van een rijke is zijn sterke stad,
als een hoge muur, in zijn verbeelding.
12Vóór de ondergang verheft zich het mensenhart,
maar nederigheid gaat vóór de eer.

Dat “de Naam van de HEERE … een sterke toren” is, wil zeggen dat God volledig in staat is om hen die Hem vertrouwen te beschermen (vers 1010De Naam van de HEERE is een sterke toren,
een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.
; vgl. Ps 71:33Wees mij tot een rots om daarin te wonen,
om voortdurend daarin te gaan.
U hebt bevel gegeven om mij te verlossen,
want U bent mijn rots en mijn burcht!
)
. Dat heeft de rechtvaardige nodig, omdat hij leeft in een wereld waar de goddelozen het voor het zeggen hebben. De rechtvaardige gelooft dat zijn enige veiligheid de Naam van de HEERE is en “snelt” daarom “daarheen”.

De beeldspraak wijst op een van de eigenschappen van God en dat is Zijn macht om te beschermen. Het woord ‘snelt’ beschrijft het onverdeelde vertrouwen op die bescherming. Wij nemen de toevlucht tot die Naam als we in nood zijn, of in onzekerheid, en dan in gebed tot Hem gaan (Js 50:1010Wie is er onder u die de HEERE vreest,
die luistert naar de stem van Zijn Knecht?
Als hij in duisternissen gaat
en geen licht heeft,
laat hij [dan] vertrouwen op de Naam van de HEERE
en steunen op zijn God.
)
. Dat doen we omdat we weten dat Hij ons zal ontvangen en de bescherming zal bieden die Hij belooft te geven aan hen die Hem vertrouwen.

De “veilige vesting” is een militaire term en benadrukt het effect voor wie de toevlucht tot die Naam neemt (vgl. Ps 20:22Moge de HEERE u verhoren in de dag van benauwdheid,
de Naam van de God van Jakob u in een veilige vesting zetten.
)
. De veilige vesting is ook een hoge vesting. De rechtvaardige is achter dikke muren, waardoor vijandige wapens hem niet kunnen treffen. Hij is ook op een hoge muur en daardoor boven de aanvallen verheven, waardoor de vijandige wapens hem niet kunnen bereiken. De vijand kan niet door de muur heen en hij kan die ook niet beklimmen.

Rijke mensen veronderstellen vaak dat hun bezit hun “sterke stad” is die hun veiligheid biedt (vers 1111Het bezit van een rijke is zijn sterke stad,
als een hoge muur, in zijn verbeelding.
; vgl. Jb 31:2424Als ik mijn hoop op goud gesteld heb,
of tot het fijne goud gezegd heb: [U bent] mijn vertrouwen;
)
. Zij bouwen daarmee een eigen “hoge muur” van veiligheid. Maar hun vertrouwen daarop is een illusie. Deze schijnveiligheid staat haaks op de werkelijke veiligheid die Gods Naam biedt (vers 1010De Naam van de HEERE is een sterke toren,
een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.
)
. De rijke verwacht van zijn rijkdom wat de rechtvaardige verwacht van zijn God. De eerste beeldspraak, de sterke stad, suggereert bescherming tegen alle aanvallen van buiten; de tweede beeldspraak, de hoge muur, drukt hun gedachten uit over het onoverwinnelijk zijn.

Elke bescherming die rijkdom kan bieden, is uiterst beperkt, zowel wat de kracht als de duurzaamheid ervan betreft. Geld kan nooit absolute veiligheid garanderen, in tegenstelling tot de Naam van God die dat wel kan (1Tm 6:1717Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten,). Wie denkt dat geld absolute veiligheid kan bieden, is een echte dromer, iemand die buiten de realiteit van het leven staat.

De rijke man van vers 1111Het bezit van een rijke is zijn sterke stad,
als een hoge muur, in zijn verbeelding.
is de hoogmoedige man van vers 1212Vóór de ondergang verheft zich het mensenhart,
maar nederigheid gaat vóór de eer.
, de man van wie “zich het mensenhart” verheft. Zijn weg loopt uit op “de ondergang”. De weg die uitloopt op “de eer”, is de weg van “nederigheid”.

De hoogmoedige vindt alle veiligheid in zichzelf. Hij roemt in zijn eigen mogelijkheden om zichzelf te beschermen. Het is de schijnzekerheid niemand nodig te hebben en voor zichzelf te kunnen opkomen en te zorgen. Maar één ding is zeker en dat is dat hij de ondergang tegemoet gaat. Er is voor hem geen bescherming.

Daartegenover staat “nederigheid”, het besef het niet in eigen kracht te redden, maar afhankelijk te zijn van God. De nederige neemt de toevlucht tot de Naam van God en zal daarvoor door Hem worden geëerd. De vernedering en verheerlijking van de Heer Jezus is het duidelijke voorbeeld van deze waarheid (Js 52:13-1513Zie, Mijn Knecht zal verstandig handelen,
Hij zal verhoogd worden en verheven, ja, zeer hoog verheven worden.
14Zoals velen zich over U ontzet hebben
– zo geschonden was Zijn gezicht, meer dan van iemand [anders],
en Zijn gestalte, meer dan van [andere] mensenkinderen –
15zó zal Hij vele heidenvolken besprenkelen,
koningen zullen vanwege Hem sprakeloos staan.
Want zij aan wie het niet verteld was, zullen het zien,
en zij die het niet gehoord hebben, zullen het begrijpen.
; 53:1-121Wie heeft onze prediking geloofd,
en aan wie is de arm van de HEERE geopenbaard?
2Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
3Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als [iemand] voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.4Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
5Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
6Wij dwaalden allen als schapen,
wij keerden ons ieder naar zijn [eigen] weg.
Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen
op Hem doen neerkomen.7Toen [betaling] geëist werd, werd Híj verdrukt,
maar Hij deed Zijn mond niet open.
Als een lam werd Hij ter slachting geleid;
als een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
zo deed Hij Zijn mond niet open.
8Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen,
en wie zal Zijn leeftijd uitspreken?
Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden.
Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest.
9Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld,
en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest,
omdat Hij geen onrecht gedaan heeft
en geen bedrog in Zijn mond geweest is.10Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
11Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
12Daarom zal Ik Hem veel toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
[omdat] Hij de zonden van velen gedragen heeft
en voor de overtreders gebeden heeft.
; Fp 2:1-101Als er dan enige vertroosting in Christus, als er enige troost van [de] liefde, als er enige gemeenschap van [de] Geest, als er enige genegenheid en ontferming is,2maakt dan mijn blijdschap volkomen door hetzelfde te bedenken, terwijl u dezelfde liefde hebt, eenstemmig bent, het ene bedenkt.3[Doet] niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf;4laat ieder niet [alleen] op zijn eigen [belangen], maar ieder <ook> op die van anderen zien.5<Want> laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,6Die in [de] gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn,7maar Zichzelf ontledigd heeft, [de] gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend.8En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot [de] dood, ja, [tot de] kruisdood.9Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is,10opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,)
. Daarin is Hij een voorbeeld voor een ieder die Hem in die weg volgt (Mt 23:12b12Wie nu zichzelf zal verhogen, zal worden vernederd; en wie zichzelf zal vernederen, zal worden verhoogd.).


Eerst luisteren, dan antwoorden

13Wie antwoordt voordat hij geluisterd heeft,
het is hem tot dwaasheid en schande.

De waarheid van dit vers is belangrijk voor alles wat ons in een gesprek of discussie wordt gezegd. We moeten eerst luisteren naar het hele verhaal, iemand laten uitpraten en dan pas reageren. Het leidt tot “dwaasheid en schande” als we antwoord geven, terwijl we maar de helft hebben gehoord en de rest zelf invullen. We moeten “snel zijn om te horen, traag om te spreken” (Jk 1:1919Weet dit, mijn geliefde broeders; laat ieder mens echter snel zijn om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn.). Dat geldt bovenal in de verhouding tot God en het luisteren naar Zijn Woord.

Slecht luisteren betekent dat we de persoon die iets zegt niet respecteren. Dat gebrek aan respect komt voort uit het bezig zijn met het eigen belang. De eigen gedachten worden veel hoger aangeslagen dan wat de ander zegt. De eigen mening is het enige wat ertoe doet. Wie zo met de ander in gesprek is, zal dat “tot dwaasheid en schande” zijn.


Geestkracht of een neerslachtige geest

14Iemands geest[kracht] zal [hem in] zijn ziekte steunen,
maar een neerslachtige geest, wie kan die opbeuren?

Wie geestkracht heeft, wie gezond is in zijn denken, en zijn gedachten op God kan richten, heeft vrede in zijn hart in zijn ziekte. Je kunt lichamelijk uitgeschakeld zijn, maar dat goed verdragen als er “geest[kracht]” is die rust kan vinden in de weg die God gaat. Maar als iemand “een neerslachtige geest” heeft, is de last van die weg vaak moeilijk te dragen. Daarbij kan niemand precies aanvoelen wat er in de geest van zo iemand omgaat.

Een depressie is een zware beproeving. Bij lichamelijke ziekte kun je terugvallen op de wil om te leven, maar in een depressie is de wil om te leven soms verdwenen. Met weinig dingen in de menselijke ervaring is zo moeilijk om te gaan als met depressiviteit. We zien dat in het lijden dat over Job is gekomen. In aansluiting op het vorige vers kunnen we zeggen dat we hier eerst en vooral moeten leren om te luisteren, voordat we zelfs maar een begin van een antwoord kunnen formuleren op de vraag: “Wie kan die opbeuren?”


Kennis verwerven en zoeken

15Het hart van verstandigen verwerft kennis,
en het oor van wijzen zoekt kennis.

De “kennis” die “het hart van verstandigen verwerft”, is kennis aangaande God en Zijn beoordeling van alle dingen. “Het hart” ziet op de gezindheid, het verlangen. Het is ook de opslagplaats van de verworven kennis. Dat staat voorop. “Het oor” is het middel waardoor de kennis in het hart komt. “Het oor van wijzen zoekt kennis”, dat wijst op inspanning, het gretig naar kennis zoeken. Kennis moet worden gezocht, het komt je niet aanwaaien.

“Het oor van wijzen” luistert naar onderwijs en neemt zo kennis tot zich. Het hart van verstandigen onderscheidt wat het oor moet horen om kennis te verwerven. Het is leerzaam om te zien dat de wijze in Spreuken voortdurend naar kennis zoekt. Wie wijs is, zal zichzelf steeds als een leerling zien en zich ook zo opstellen. Zij die veel weten, zijn zich het meest bewust van hun onwetendheid. Het oor zoekt kennis, het hart slaat kennis op.

Verstandig is hij die kan onderscheiden tussen goed en kwaad. Wijs is hij die heeft geleerd om God te vrezen. Het een zal tot het ander voeren. Het verlangen om werkelijk het verschil tussen goed en kwaad te kennen zal ons tot God leiden en in ons een heilige eerbied voor Hem bewerken.


Wat een gift kan doen

16De gift van een mens maakt ruimte voor hem,
en leidt hem in de tegenwoordigheid van groten.

De gift (mathan) waarvan hier sprake is, is niet hetzelfde als een omkoopgeschenk (shokhad). Het woord dat hier wordt gebruikt, mathan, is algemener dan het woord shokhad (Sp 17:8,238Een [omkoop]geschenk is in de ogen van de bezitters ervan een sierlijke steen;
waarheen hij zich [ook] wendt, hij zal voorspoedig zijn.23Een goddeloze zal een [omkoop]geschenk uit de schoot aannemen
om de paden van het recht te buigen.
)
, dat meer een negatieve betekenis heeft. Het is algemeen zo, dat een gift een weg opent naar en ingang geeft bij “groten”. Tegelijk moeten we onze ogen niet sluiten voor het gevaar dat in het aanbieden van een gift schuilt, dat een gift toch als een omkoopgeschenk werkt. Op dat gevaar moet zowel de gever als de ontvanger bedacht zijn.

De spreuk zelf zegt eenvoudig dat een geschenk iemand mild kan stemmen (Gn 32:2020En u moet ook zeggen: Zie, uw dienaar Jakob [komt] achter ons aan! Want hij zei: Ik zal hem gunstig stemmen met dit geschenk, dat voor mij uit gaat; daarna zal ik hem onder ogen komen. Misschien zal hij mij ter wille zijn.; 43:1111Toen zei Israël, hun vader, tegen hen: Als het zo [gesteld] is, doe dan dit. Neem van het beste van dit land in jullie zakken mee en geef dat die man als geschenk: wat balsem, wat honing, specerijen, mirre, pistachenoten en amandelen.; 1Sm 25:2727Welnu, dit is het geschenk dat uw dienares voor mijn heer meegebracht heeft, opdat het gegeven zal worden aan de knechten die mijn heer volgen.). De gift wordt niet gegeven om iemand te vleien, maar als een bewijs van verschuldigd respect vanwege de plaats die iemand inneemt. Het gaat om iemand van aanzien. Wie die persoon zo benadert, maakt meer kans met hem in contact te komen, voor welke zaak dan ook, dan iemand die brutaal om een onderhoud vraagt.


Een rechtszaak, geschillen en ruzies

17Wie de eerste is in zijn rechtszaak, [lijkt] rechtvaardig te zijn,
maar [dan] komt zijn naaste en doorgrondt hem.
18Het lot doet geschillen ophouden,
en maakt scheiding tussen de machtigen.
19Een broeder wie onrecht is aangedaan, is erger dan een sterke stad,
en ruzies zijn als een grendel van een vesting.

De eerste versregel bevestigt de algemene ervaring dat wie als eerste zijn rechtszaak uiteen mag zetten, gelijk lijkt te hebben (vers 1717Wie de eerste is in zijn rechtszaak, [lijkt] rechtvaardig te zijn,
maar [dan] komt zijn naaste en doorgrondt hem.
)
. Maar voordat we hem “rechtvaardig” verklaren, moet zijn naaste gehoord worden en moet deze zijn visie op het geschil kunnen geven. Deze spreuk herinnert ons eraan dat er twee partijen in een geschil zijn – over bijvoorbeeld iets zakelijks, huiselijks of godsdienstigs – en dat beide partijen in een geschil moeten worden gehoord.

Dit is een andere waarschuwing tegen een voortijdig oordeel (vers 1313Wie antwoordt voordat hij geluisterd heeft,
het is hem tot dwaasheid en schande.
)
. Eerst moeten alle feiten bekend zijn. Daar komen we alleen achter als we beide zijden horen. Er moet hoor en wederhoor plaatsvinden. Pas als beide partijen zijn gehoord, kan er een rechtvaardig oordeel volgen (Dt 1:1616Ook beval ik in die tijd uw rechters: Luister naar [de geschillen] tussen uw broeders, en oordeel rechtvaardig tussen een man, zijn broeder en de vreemdeling die [bij] hem is.). Ieder moet de zaak vanuit zijn gezichtspunt kunnen voorstellen.

De eerste kan heel overtuigend zijn verhaal doen, maar als de tweede zijn verhaal doet, kan blijken dat de zaak toch genuanceerder ligt dan we na de eerste spreker dachten. Dat moet de opstelling zijn in alle gevallen waarin een verschil van mening is. Dat kan bijvoorbeeld zijn in een gezin tussen de kinderen onderling, de echtgenoten en ook de broeders en zusters van een plaatselijke gemeente.

Vers 1818Het lot doet geschillen ophouden,
en maakt scheiding tussen de machtigen.
zou een geval kunnen betreffen waarin beide partijen van vers 1717Wie de eerste is in zijn rechtszaak, [lijkt] rechtvaardig te zijn,
maar [dan] komt zijn naaste en doorgrondt hem.
aan het woord zijn geweest, maar waar geen duidelijkheid is gekomen over de vraag wie gelijk heeft. Het is een geschil tussen “de machtigen”, mensen die een belangrijke positie innemen. Ze kunnen beiden hun rechtszaak met verve verdedigen. Dan blijft het lot over om scheiding tussen deze machtigen te maken in de zin van een oplossing van het geschil, waarbij er een in het gelijk wordt gesteld.

Als beide partijen erkennen dat God door het lot het geschil tot een einde brengt (Sp 16:3333Het lot wordt in de schoot geworpen,
maar elke beslissing daardoor komt van de HEERE.
)
en de uitslag aanvaarden, is het geschil uit de wereld. Dat is beter dan dat het aankomt op een krachtmeting, waarvan anderen altijd het slachtoffer zijn. Vandaag hebben we Gods Woord en Gods Geest en geestelijk gezinde gelovigen die in een rechtszaak een uitspraak kunnen doen (1Ko 6:1-81Durft iemand van u, als hij een zaak heeft tegen de ander, recht te zoeken bij de onrechtvaardigen en niet bij de heiligen?2Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als door u de wereld wordt geoordeeld, bent u dan onwaardig voor [de] geringste rechtszaken?3Weet u niet, dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer [de] dingen van dit leven?4Als u dan rechtszaken hebt over de dingen van dit leven, stelt dan daarover hen die in de gemeente niet geacht zijn!5Ik zeg het tot uw beschaming. Is er dan onder u niet één wijze, ook niet één, die uitspraak zal kunnen doen tussen zijn broeders?6Maar een broeder voert met een broeder een rechtsgeding, en dat bij ongelovigen!7Reeds in het algemeen <nu> is het een gebrek bij u, dat u rechtszaken met elkaar hebt. Waarom lijdt u niet liever onrecht? Waarom laat u zich niet liever tekortdoen?8Maar ú doet onrecht en doet tekort en dat aan broeders!).

Er zijn echter ook geschillen waar zelfs het lot geen kans krijgt om voor een oplossing te zorgen. Dat is in het geval dat een broeder “onrecht is aangedaan” (vers 1919Een broeder wie onrecht is aangedaan, is erger dan een sterke stad,
en ruzies zijn als een grendel van een vesting.
)
. Dat onrecht is de broeder tijdens een ruzie aangedaan. Toen is hij behandeld op een manier die hem zo diep heeft gekwetst, dat hij zich heeft teruggetrokken en zich heeft afgesloten voor alle contact.

Hij “is erger dan een sterke stad”, wat wil zeggen dat een sterke stad gemakkelijker is in te nemen dan dat hij benaderd kan worden om het onrecht ongedaan te maken. De stad waarin hij zich heeft opgesloten, is een vesting. De ruzies die aan het onrecht ten grondslag liggen, “zijn als een grendel van een vesting”. Dat betekent dat hij de toegang tot zijn hart heeft gebarricadeerd.

Deze spreuk is een waarneming zonder commentaar. Voor ons is het een aansporing een broeder geen onrecht aan te doen, waardoor hij in een dergelijke gezindheid terecht zou komen. Komt een broeder, of een zuster, toch in een dergelijke gezindheid, dan mag het niet bij een waarneming of constatering blijven. De liefde zal er alles aan doen om de verongelijkte broeder te winnen en te herstellen in zijn relatie met de Heer en met zijn medebroeders en -zusters.


De vrucht van onze woorden

20Van de vrucht van iemands mond wordt zijn buik verzadigd,
hij wordt verzadigd van de opbrengst van zijn lippen.
21Dood en leven zijn in de macht van de tong,
wie hem liefheeft, zal de vrucht ervan eten.

De goede, opbouwende woorden die we met onze “mond” en onze “lippen” spreken, geven innerlijke (“zijn buik”) voldoening (vers 2020Van de vrucht van iemands mond wordt zijn buik verzadigd,
hij wordt verzadigd van de opbrengst van zijn lippen.
)
. Ze zijn als zaad van een goede vrucht dat een voldoening gevende opbrengst of oogst oplevert. Deze spreuk is een stimulans om net zoveel zorg te besteden aan de woorden die we spreken als aan de vrucht van de bomen waarvan we eten. Als we gezonde vruchten eten, zullen we gezond blijven; als we ongezonde vruchten eten, zullen we ziek worden. Als onze woorden voorzichtig, Godvrezend en goed zijn, “in genade … met zout besprengd” (Ko 4:66Laat uw woord altijd in genade zijn, met zout besprengd, opdat u weet hoe u iedereen moet antwoorden.), om anderen daarmee te dienen, zal dat onszelf verzadigen. Het geeft voldoening en een goed geweten.

“Zijn buik” kunnen we ook toepassen op het geweten. Om de buik te verzadigen, dat wil zeggen om een goed geweten te bewaren, moeten we letten op wat we zeggen. Behalve de directe verzadiging is er ook een latere opbrengst of oogst. Ook als we de “opbrengst” van onze wijze, verstandige, Godvrezende woorden zien, dat wil zeggen welke uitwerking ze hebben, geeft dat een diepe voldoening. Het kunnen woorden zijn die we spreken als we een advies geven, maar ook antwoorden op vragen die ons worden gesteld.

Vers 2121Dood en leven zijn in de macht van de tong,
wie hem liefheeft, zal de vrucht ervan eten.
stelt nog eens duidelijk voor wat het effect van onze woorden kan zijn. Wat voor woorden zaaien we: voor de dood of voor het leven? Die vraag is vooral van belang voor “wie hem liefheeft”, dat wil zeggen voor wie “de tong” liefheeft. Het gaat om een verkeerde liefde, namelijk om iemand die ervan geniet om te praten. Hij zal de vrucht eten van wat hij zegt. Wat hij zegt, zal tot hem terugkeren. De dwaas zaait woorden die dood en verderf opleveren; de wijze zaait woorden die leven tot gevolg hebben. Valse leraren zaaien woorden met een kiem van dood en verderf; de gezanten voor Christus verkondigen het leven.


Een vrouw als bewijs van Gods goedgunstigheid

22Wie een vrouw gevonden heeft, heeft iets goeds gevonden,
en de goedgunstigheid van de HEERE verkregen.

Wie naar een vrouw zoekt die bij hem past, zal God vragen om hem die te geven. Hij alleen weet welke vrouw bij welke man past. Als hij haar onder Zijn leiding vindt, heeft hij “iets goeds gevonden”, dat wil zeggen iets wat hem voordeel oplevert, waardoor zijn leven rijker wordt. Het woord ‘goeds’ omschrijft dat het iets is wat God behaagt, wat gunstig is voor het leven en overvloedig vreugde geeft.

Wie dit goeds vindt in de vrouw die hij vindt, heeft “de goedgunstigheid van de HEERE” verkregen. Het zal hem vervullen met dankbaarheid dat God hem zo goed gezind is. God heeft gezegd: “Het is niet goed dat de mens alleen is” (Gn 2:1818Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als [iemand] tegenover hem.). Daarin heeft Hij voorzien door dit goede te geven.


Een arme smeekt, een rijke antwoordt hard

23Een arme spreekt [met] smeekbeden,
maar een rijke antwoordt harde dingen.

De sociale omstandigheden waarin iemand verkeert en de positie die hij daarin inneemt, hebben effect op iemands karakter. Armoede bewerkt een nederige geest die “een arme” ertoe brengt om een gunst te smeken. Hij heeft geen andere keus, hij moet met “smeekbeden” spreken om iets te krijgen. “De rijke” reageert daarop met “harde dingen”, harde verwijten en afwijzing. Hij is nooit in een dergelijke positie van armoede geweest en kan zich de gevoelens van een arme niet voorstellen.

De arme bedelt, de rijke snauwt hem af. Zo gebeurt het vaak. De rijke kan geen enkel begrip voor de arme opbrengen. Rijkdom leidt er vaak toe dat men ongevoelig is voor de nood van een arme, die door de rijke ruw van zich wordt afgeschud als hij zijn nood kenbaar maakt (vgl. 1Sm 25:1717Nu dan, weet [dit], en zie wat u doen kunt, want het kwaad is ten volle over onze heer en heel zijn huis besloten. Hij is een verdorven man, met wie niet te praten valt.; Jk 2:66U echter hebt de arme oneer aangedaan. Zijn het niet de rijken die u onderdrukken en die u voor rechtbanken slepen?; Mt 18:23-3523Daarom is het koninkrijk der hemelen gelijk geworden aan een koning die met zijn slaven afrekening wilde houden.24Toen hij nu begon af te rekenen, werd er een bij hem gebracht die tienduizend talenten schuldig was.25Daar hij echter niets had om te betalen, beval zijn heer hem te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles wat hij had, en dat er betaald moest worden.26De slaaf dan viel smekend voor hem neer en zei: <Heer,> heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.27De heer van die slaaf nu werd met ontferming bewogen, liet hem vrij en schold hem de lening kwijt.28Toen die slaaf echter naar buiten ging, vond hij een van zijn medeslaven, die hem honderd denaren schuldig was; en hij pakte hem beet, greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent.29Zijn medeslaaf dan viel neer en smeekte hem aldus: Heb geduld met mij en ik zal je betalen.30Hij wilde echter niet, maar ging weg en wierp hem in [de] gevangenis, totdat hij zou betalen wat hij schuldig was.31Toen zijn medeslaven dan zagen wat er was gebeurd, werden zij zeer bedroefd; en zij gingen hun heer alles wat er gebeurd was uiteenzetten.32Toen riep zijn heer hem bij zich en zei tot hem: Boze slaaf, die hele schuld heb ik je kwijtgescholden, daar je mij gesmeekt hebt;33had ook jij je niet moeten erbarmen over je medeslaaf, zoals ook ik mij over jou erbarmd heb?34En zijn heer werd toornig en leverde hem over aan de folteraars, totdat hij alles zou betalen wat hij <hem> schuldig was.35Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet ieder zijn broeder van harte vergeeft.).

De Heer Jezus geeft ons het goede voorbeeld. Hij luistert naar de smeekbede van de arme en antwoordt niet met harde dingen, maar met liefde en ontferming.


Het verschil tussen vrienden en een vriend

24Een man die vrienden heeft, kan het slecht vergaan,
maar [soms] is er een echte vriend die meer toegewijd is dan een broer.

Het is beter om één goede, trouwe vriend te hebben dan talrijke onbetrouwbare vrienden. Behalve van de vrienden zegt het ook iets van de man die veel vrienden heeft. Hij lijkt een ‘allemansvriend’ te zijn. Dat is geen positieve eigenschap, maar een negatieve eigenschap. Iemand die met iedereen vriend kan zijn, heeft vaak geen eigen mening. Hij waait met alle winden mee, omdat hij iedereen te vriend wil houden. De kans is groot dat het hem slecht vergaat. Als het slecht met hem gaat, laten ze hem allemaal vallen. Het zijn ‘zwaluwvrienden’, ze komen als het goed met je gaat en vertrekken als het slecht met je gaat.

We moeten onze vrienden dan ook met zorg uitkiezen en daarin investeren. Niet de kwantiteit doet ertoe, maar de kwaliteit. Een echte vriend is iemand die er altijd voor je is. Daar heb je soms meer aan dan aan je eigen broer. David werd door zijn broers met minachting behandeld, maar door zijn vriend Jonathan met trouw, ook toen hij vervolgd werd en in moeilijkheden verkeerde. Trouwe vriendschap is meer dan genegenheid, het is toewijding door dik en dun.


Lees verder