Spreuken
1-3 Rust, erven en louteren 4-5 Luisteren naar leugen bewerkt bespotting 6 Eer in de geslachten 7 Twee dingen die niet bij elkaar passen 8 Steekpenningen brengen overal voorspoed 9 Toedekken tegenover oprakelen 10-11 Als tucht niet werkt, volgt oordeel 12-13 Waarschuwingen tegen dwaasheid 14 Voorkom erger 15 God haat verdraaiing van het recht 16 Een dwaas heeft geen verstand 17 Echte vriendschap 18 Alleen een dwaas stelt zich borg 19-20 Ruzie liefhebben komt uit een verkeerd hart 21 Het verdriet van een vader 22 Een blij hart of een neerslachtige geest 23 Het doel van een omkoopgeschenk 24 Waar iemand naar kijkt 25 Verdriet voor de vader en bitterheid voor de moeder 26 Niet een onschuldige straffen 27-28 Controle over de tong
Rust, erven en louteren

1Beter een droog stuk [brood] met rust erbij,
dan een huis vol geslachte dieren met onenigheid.
2Een verstandige dienaar zal heersen over een zoon die beschaamd maakt,
te midden van de broers zal hij in de erfenis delen.
3Een smeltkroes is er voor het zilver en een oven voor het goud,
maar de HEERE beproeft de harten.

Het contrast in vers 11Beter een droog stuk [brood] met rust erbij,
dan een huis vol geslachte dieren met onenigheid.
, weergegeven in een “beter … dan” constructie, is eenvoudig en begrijpelijk. De wijze zal ermee instemmen dat armoede met vrede beter is dan welvaart met strijd (vgl. Sp 15:16-1716Beter is weinig met de vreze des HEEREN,
dan een grote schat met verwarring erbij.
17Beter is een schotel groente waar liefde is,
dan een gemeste os met haat erbij.
)
. Hij geeft de voorkeur aan “rust”, terwijl er niet meer is dan “een droog stuk [brood]” om de honger mee te stillen, boven “onenigheid”, terwijl er een overvloed aan eten is. Het “droog stuk [brood]” is brood zonder iets wat het gemakkelijker en smakelijker maakt om het door te slikken (vgl. Ru 2:1414Toen het etenstijd was, zei Boaz tegen haar: Kom er hier bij en eet van het brood en doop uw stukje [brood] in de zure wijn. Zo zat zij neer naast de maaiers, en hij reikte haar geroosterd koren aan. En zij at en werd verzadigd en hield nog over.; Jh 13:2626Jezus antwoordde: Hij is het voor wie Ik het stuk brood zal indopen en hem zal geven. Toen Hij dan het stuk brood had ingedoopt, <nam Hij het en> gaf het aan Judas Iskariot, [de zoon] van Simon.).

Een karige maaltijd “met rust erbij” wil zeggen dat zij die daaraan deelnemen voldoening vinden in de gemeenschap met God en met elkaar. Daardoor wordt de karige maaltijd een feestmaaltijd. Dat is beter dan “een huis vol geslachte dieren” waarbij zij die daaraan deelnemen met elkaar overhoopliggen. Daardoor wordt het feestmaal ondergedompeld in bitterheid. Overvloed brengt vaak een verslechtering van waarden en normen met zich mee, met als gevolg een toename van jaloersheid en ruzie.

Het lijkt hier om offerdieren te gaan die in de tempel, Gods huis, als dank- of vredeoffers zijn gebracht, en waarvan de offeraars een deel mochten eten samen met anderen (Lv 7:11-2111Dit nu is de wet voor het dankoffer dat men aan de HEERE moet aanbieden.12Als [iemand] het als lofoffer aanbiedt, dan moet hij naast het lofoffer ongezuurde koeken aanbieden, met olie gemengd, ongezuurde platte koeken met olie bestreken en koeken van door elkaar gemengd meelbloem met olie gemengd.13Bij de koeken moet hij als zijn offergave gezuurd brood aanbieden, samen met zijn lof- en dankoffer.14En van elke offergave moet hij één [koek] als een hefoffer aan de HEERE aanbieden. Het is voor de priester die het bloed van het dankoffer sprenkelt.15En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de [volgende] morgen overlaten.16Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is, dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden.17Wat er dan [nog] van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, moet op de derde dag in het vuur verbrand worden,18want als er op de derde dag ook maar [een deel] van het vlees van zijn dankoffer gegeten wordt, dan komt het hem die het aangeboden heeft, niet ten goede; het wordt [hem] niet toegerekend. Het is onrein vlees: de persoon die daarvan eet, moet zijn ongerechtigheid dragen.19Ook het vlees dat met iets onreins in aanraking is gekomen, mag niet gegeten worden. Het moet in het vuur verbrand worden. Maar wat het [andere] vlees betreft, ieder die rein is, mag [dat] vlees eten.20De persoon echter die vlees eet van het dankoffer, dat voor de HEERE is, terwijl hij onrein is, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.21En wanneer een persoon met iets onreins in aanraking komt, [zoals] de onreinheid van een mens, of onreine dieren of een of ander onrein [en] afschuwelijk iets, en [toch] eet van het vlees van het dankoffer, dat voor de HEERE is, dan moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.). Het hebben van onenigheid tijdens het eten van het dank- of vredeoffer is in strijd met het karakter ervan. Het dank- of vredeoffer is juist een uiting van eenheid. In de gemeente in Korinthe doet zich een dergelijke situatie voor. De gelovigen voelen zich geestelijk rijk, maar onderling is er verdeeldheid. Paulus vermaant hen daarover (1Ko 11:17-3417Nu ik dit beveel, prijs ik [u] niet, omdat u niet ten goede, maar ten kwade samenkomt.18Want ten eerste hoor ik, dat er, wanneer u als gemeente samenkomt, scheuringen onder u zijn, en ten dele geloof ik het.19Want er moeten ook sekten onder u zijn, opdat <ook> de beproefden onder u openbaar worden.20Wanneer u nu op één plaats samenkomt, is dat niet ‘s Heren avondmaal eten;21want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen avondmaal, en de een is hongerig en de ander dronken.22Hebt u dan soms geen huizen om te eten en te drinken? Of veracht u de gemeente van God en beschaamt u hen die niets hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Hierin prijs ik [u] niet.23Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam;24en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.26Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.27Daarom, wie op onwaardige wijze het brood eet of de drinkbeker van de Heer drinkt, zal schuldig zijn aan het lichaam en het bloed van de Heer.28Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker.29Want wie eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, als hij niet het lichaam <van de Heer> onderscheidt.30Daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken en nogal velen zijn ontslapen.31Als wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet geoordeeld worden;32maar als wij geoordeeld worden, dan worden wij door <de> Heer getuchtigd, opdat wij niet met de wereld veroordeeld worden.33Daarom, mijn broeders, als u samenkomt om te eten, wacht op elkaar.34Als iemand honger heeft, laat hij thuis eten, opdat u niet tot een oordeel samenkomt. – De overige dingen nu zal ik ordenen als ik kom.).

De spreuk in vers 22Een verstandige dienaar zal heersen over een zoon die beschaamd maakt,
te midden van de broers zal hij in de erfenis delen.
gaat over “een verstandige dienaar” die in de dienst voor zijn heer goed gebruikmaakt van al zijn capaciteiten. Tegenover de manier van doen van de dienaar staat de manier van doen van de zoon van die heer. De zoon leeft een goddeloos leven. Zijn vader schaamt zich daarover. Hij onterft zijn zoon en maakt in diens plaats de dienaar tot mede-erfgenaam van de broers, wat betekent dat hij hem als zoon aanneemt. Daardoor krijgt de dienaar een plaats boven de onterfde zoon, met als gevolg dat hij over de zoon heerst.

Het is een bemoediging voor allen die trouw zijn in hun werk. Trouw wordt beloond met een positie van heersen en met het delen in de erfenis van de familie. Iemand die in nederigheid trouw dient, wordt geplaatst boven iemand die een bepaalde positie heeft, maar zich daarin onwaardig gedraagt.

De eerste versregel van vers 33Een smeltkroes is er voor het zilver en een oven voor het goud,
maar de HEERE beproeft de harten.
maakt duidelijk wat de bedoeling van de tweede versregel is. Zoals in “een smeltkroes” en “een oven” respectievelijk zilver en goud worden verhit om die edelmetalen zuiverder te maken, zo beproeft de HEERE de harten (Ml 3:2-42Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?
Wie zal bij Zijn verschijning standhouden?
Want Hij is als vuur van een edelsmid,
en als zeep van de blekers.
3Hij zal zitten [als iemand] die zilver smelt en reinigt:
Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver.
Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid.
4Dan zal het graanoffer van Juda en Jeruzalem
voor de HEERE aangenaam zijn,
zoals [in] de dagen van oude tijden af,
zoals in vroegere jaren.
; 1Pt 1:6-76Daarin verheugt u zich, zo nodig nu een korte tijd bedroefd door allerlei verzoekingen,7opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus.; vgl. Js 48:1010Zie, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver;
Ik heb u beproefd in de smeltkroes van ellende.
; Zc 13:99Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
)
. God onderzoekt elke gedachte en elk motief. Die onderzoekingen en beproevingen zijn altijd tot vermeerdering van de waarde van hem die gezuiverd wordt.

God wil door de hitte van beproevingen het hart van de Zijnen zuiveren van alles wat verhindert om Christus zichtbaar te maken. De Godvrezende vraagt ook zelf aan God om dat te doen (Ps 26:22Beproef mij, HEERE, ja, stel mij op de proef,
toets mijn nieren en mijn hart.
)
. In die gezindheid zijn we in staat het dank- of vredeoffer te eten met rust (vers 11Beter een droog stuk [brood] met rust erbij,
dan een huis vol geslachte dieren met onenigheid.
)
en zijn we waardige erfgenamen (vers 22Een verstandige dienaar zal heersen over een zoon die beschaamd maakt,
te midden van de broers zal hij in de erfenis delen.
)
.


Luisteren naar leugen bewerkt bespotting

4Een kwaaddoener slaat acht op bedrieglijke lippen,
een leugenaar hoort een verderfelijke tong aan.
5Wie de arme bespot, smaadt diens Maker,
wie zich verblijdt over [iemands] ongeluk, zal niet voor onschuldig gehouden worden.

“Een kwaaddoener” en “een leugenaar” luisteren graag naar leugens en verderfelijk gepraat (vers 44Een kwaaddoener slaat acht op bedrieglijke lippen,
een leugenaar hoort een verderfelijke tong aan.
; vgl. Jr 5:30-3130Iets verschrikkelijks, iets afschuwelijks
gebeurt er in het land:
31de profeten profeteren leugens,
de priesters heersen door hun handen,
en Mijn volk heeft het graag zo.
Maar wat zult u doen aan het einde hiervan?
)
. Waarover het hier gaat, is dat zij die naar dergelijk gepraat luisteren met hetzelfde sop overgoten zijn als zij die dit gepraat laten horen. De “lippen” en de “tong” betekenen spreken; de kwalificaties “bedrieglijk” en “verderfelijk” zeggen dat dit spreken verwoestingen aanricht.

De mensen die naar roddels luisteren zijn net zo schuldig aan die roddels als degenen die ze vertellen. Als er geen luisteraars waren, waren er ook geen roddels. Luisteraars naar roddels helpen de roddels in stand te houden. Zo is het met roddelbladen. Als er geen kopers waren, waren er geen roddelbladen. De kopers van roddelbladen zijn net zulke erge roddelaars als de samenstellers en uitgevers ervan.

En hoe is het met ons? Genieten wij ook van programma’s waarin leugen en bedrog als amusement worden gepresenteerd en op die manier worden verheerlijkt? Als wij blijven kijken en niet wegdraaien, dat wil zeggen het programma uitzetten, zijn wij hetzelfde als de mensen die hier kwaaddoener en leugenaar worden genoemd.

Het bespotten van de arme gebeurt omdat hem een ongeluk is overkomen, waardoor hij arm is geworden (vers 55Wie de arme bespot, smaadt diens Maker,
wie zich verblijdt over [iemands] ongeluk, zal niet voor onschuldig gehouden worden.
)
. Dat blijkt uit de tweede versregel. Iedereen die een arme bespot, minacht diens en zijn eigen Maker en zal daarom worden gestraft. De mens is immers naar Zijn beeld gemaakt (Gn 1:26-2726En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!27En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.; Jk 3:55Zo is ook de tong een klein lid en zij beroemt zich op grote dingen. Zie, hoe zo’n klein vuur zo’n groot bos aansteekt.). De tweede versregel verklaart dat zo iemand “niet voor onschuldig gehouden worden” zal, maar zal worden gestraft.

De bespotting van de arme uit zich in leedvermaak over het ongeluk dat hem heeft getroffen. Iemand kan blij zijn over de ellende die een ander treft. Het versmaden van de Maker kan worden gezien als een minachtende opmerking aan Gods adres, met als inhoud dat Hij die arme niet voor dat ongeluk heeft kunnen bewaren. Behalve dat God wordt gesmaad, krijgt ook de arme de volle laag. De spotter geniet ervan dat de arme in de ellende is terechtgekomen. Hij wrijft hem zout in zijn vele wonden door hem voor te houden dat hij zijn armoede aan zichzelf, zijn eigen falen, te wijten heeft.

De Edomieten hebben leedvermaak gehad over het ongeluk dat Israël was overkomen. De profeet Obadja laat zien dat zij niet voor onschuldig worden gehouden. God belooft dat Hij de Edomieten zal straffen (Ob 1:12-1612U had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder,
op de dag dat hij een vreemde [voor u] was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten [tegen hen]
op de dag van [hun] benauwdheid.13U had de poort van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.
U had [uw handen] niet mogen uitstrekken naar zijn leger
op de dag van zijn ondergang.14U had niet op het kruispunt mogen staan
om degenen van hen die ontkomen waren, uit te roeien.
U had degenen van hen die ontvlucht waren niet mogen overleveren
op de dag van [hun] benauwdheid.15Want de dag van de HEERE is nabij over alle heidenvolken;
zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden;
wat u verdient, zal op uw [eigen] hoofd terugkeren!16Want zoals u op Mijn heilige berg gedronken hebt,
zullen alle heidenvolken voortdurend drinken;
zij zullen drinken en slurpen;
zij zullen worden alsof zij er niet geweest waren!
)
. Hetzelfde geldt ook voor Ammon (Ez 25:6-76Want zo zegt de Heere HEERE: Omdat u in de handen geklapt en met de voeten gestampt hebt, en u in al uw leedvermaak zich van harte verblijdde over het land van Israël,7daarom, zie, Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken en u als buit geven aan de heidenvolken. Ik zal u uitroeien uit de volken en u verdelgen uit de landen, Ik zal u wegvagen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.). Job zei dat hij van dergelijk gedrag vrij was (Jb 31:2929Als ik mij verblijd heb over de verdrukking van hem die mij haatte,
en opgewekt ben geweest wanneer het kwaad hem trof!
).
Hoe is onze reactie op het ongeluk dat iemand treft en dan vooral iemand aan wie wij een hekel hebben?


Eer in de geslachten

6Kleinkinderen zijn de kroon van de ouderen,
en het sieraad van kinderen zijn hun vaders.

Het is een eer voor een man als hij zolang leeft, dat hij kinderen en kleinkinderen ziet die ieder hun eigen generatie dienen op de manier die God wil (Ps 128:66U zult de kinderen van uw kinderen zien.
Vrede over Israël!
; Gn 50:2323Jozef zag van Efraïm de derde generatie; ook werden de zonen van Machir, de zoon van Manasse, op de knieën van Jozef geboren.;
vgl. Hd 13:3636Want nadat David in zijn eigen geslacht de raad van God had gediend, is hij wel ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet en heeft ontbinding gezien,). Als de generaties elkaar waarderen en in het goede navolgen, is er harmonie. Er ligt nadruk op de verantwoordelijkheid van (groot)ouders voor hun (klein)kinderen. De volgende generatie wordt eraan herinnerd om met respect naar de vorige generaties terug te kijken.

In wat hier wordt gezegd, wordt de ideale situatie voorgesteld. We weten dat de wereld vol is van eigenwillige ouders en weerspannige kinderen die niet kunnen terugzien op een gelukkige jeugd. Maar voor elke nieuwe generatie ligt de uitdaging om die trend te doorbreken. Dit vers is een stimulans om daaraan te werken.

Kinderen kunnen ervoor zorgen dat hun kinderen aan hen als Godvruchtige ouders en aan hun ouders als Godvruchtige grootouders kunnen denken. De kinderen zullen zich niet voor hun ouders en grootouders schamen, maar er juist dankbaar van getuigen dat zij zo'n "sieraad" hebben. Dat kan weer tot gevolg hebben dat de kinderen van hun kinderen in de weg van de Heer gaan. De lijn naar beneden van kinderen en kindskinderen, de geslachtslijn naar beneden, is de glorie van de ouderdom; de lijn naar boven van ouders en grootouders, de geslachtslijn naar boven, is het sieraad van hun kinderen ofwel hun nakomelingen.


Twee dingen die niet bij elkaar passen

7Een lip [die] voortreffelijke [dingen spreekt], past niet bij een dwaas,
hoeveel te minder een vals woord bij een aanzienlijke.

Het onderwijs van dit vers is dat, zoals we uit de mond van dwazen geen voortreffelijke uitspraken verwachten, we zeker geen vals woord van een aanzienlijke verwachten. Als een dwaas voortreffelijke dingen spreekt, is dat als een vlag op een modderschuit. Normaal braakt hij de grootste dwaasheid uit en ineens laat hij prachtige uitspraken horen. Dan ‘kraakt’ het in onze oren. Het doet denken aan het spreekwoord ‘als de vos de passie preekt, boer pas op je kippen’, dat wil zeggen wanneer een sluwe persoon mooie praatjes verkoopt, voert hij wat in zijn schild. Zijn woorden zijn niet in overeenstemming met zijn karakter.

Omgekeerd is het zo, dat een vals woord niet bij een aanzienlijk iemand hoort. Bij zo iemand horen geen woorden die een ander benadelen. Met een aanzienlijk iemand wordt een leider of een vorst bedoeld, iemand die een bepaalde status heeft en op wie men vertrouwt. Bij zijn status past de erecode van waarachtigheid en geen vals woord. Leugens horen gewoon niet bij hem.


Steekpenningen brengen overal voorspoed

8Een [omkoop]geschenk is in de ogen van de bezitters ervan een sierlijke steen;
waarheen hij zich [ook] wendt, hij zal voorspoedig zijn.

De betekenis is dat “een [omkoop]geschenk” werkt als een toversteen waardoor “de bezitters” die daarvan gebruikmaken, overal in hun voornemen slagen en voorspoedig zijn. Het woord dat hier voor ‘geschenk’ wordt gebruikt, is een ander woord dan het woord dat wordt gebruikt voor een belangeloze gift. Daarom is er terecht omkoopgeschenk van gemaakt, want dat is de betekenis ervan. Wij spreken over ‘steekpenningen’ of ‘smeergeld’.

“Een sierlijke steen” is zo aantrekkelijk voor degene aan wie de bezitter ervan die steen voorhoudt, dat deze de verleiding niet kan weerstaan de steen aan te nemen en in ruil daarvoor het gevraagde te geven. Er gaat een bezwering van uit naar de ontvanger, waardoor alle weerstand wegsmelt. Een omkoopgeschenk opent deuren die anders gesloten zouden blijven, alsof er een toverformule is uitgesproken.

De spreuk toont de werking van een omkoopgeschenk aan zonder commentaar te geven. Het is geen aanbeveling tot het gebruik van steekpenningen. De wet verbiedt duidelijk het aannemen van steekpenningen (Ex 23:88U mag geen geschenk aannemen, want het geschenk maakt zienden blind en verdraait de woorden van de rechtvaardigen.). Wat Salomo zegt, is de realiteit vanuit het gezichtspunt van iemand die de steekpenning geeft: op deze manier werkt het. Het is een steen die geluk brengt, een steen die magische eigenschappen heeft en als een bezwering werkt. Het is een ‘gelukssteen’.


Toedekken tegenover oprakelen

9Wie de overtreding toedekt, zoekt liefde,
maar wie de zaak weer oprakelt, maakt scheiding tussen de beste vrienden.

Deze spreuk gaat over het contrast tussen “wie de overtreding toedekt” en “wie de zaak weer oprakelt”, of de zaak herhaalt, door deze aan een ander door te vertellen. De eerste bevordert de “liefde” en de tweede “maakt scheiding tussen de beste vrienden”. Vriendschap vereist het vermogen om een overtreding toe te dekken, die te vergeven en te vergeten. Als dat niet gebeurt, is dat het einde van de beste vriendschappen. Het oprakelen van het verleden en daarop blijven hameren heeft heel wat vriendschappen en huwelijken verwoest.

De ware vriend zal uit liefde het verkeerde begraven in plaats van een campagne te voeren waarin hij de zaak doorvertelt aan wie het maar wil horen. Oprakelen is een activiteit die liefde en vertrouwen vernietigt en daardoor vernietigt wat het verdient om te bewaren. Toedekken betekent niet dat een overtreding wordt doodgezwegen of genegeerd, maar dat er niet met anderen over wordt gesproken, dat het niet wordt doorverteld.

“Liefde bedekt een menigte van zonden” (1Pt 4:88Vóór alles, hebt vurige liefde tot elkaar, want liefde bedekt een menigte van zonden.). Dat heeft ieder kind van God mogen ervaren, want door de liefde van de Heer Jezus, die Hij heeft laten zien op het kruis van Golgotha, zijn zijn zonden bedekt. Ze bestaan voor God niet meer. Dat betekent niet dat God ze door de vingers ziet, maar dat Hij ze vergeeft en toedekt als er berouw en bekering is. Het toedekken van de overtreding gebeurt na belijdenis, waarna God vergeeft. In navolging van Hem mogen wij zo handelen als iemand tegen ons een overtreding begaat (Ef 4:3232<Maar> weest jegens elkaar goedertieren, welgezind, elkaar vergevend, zoals ook God in Christus u vergeven heeft.; 5:1-21Weest dan navolgers van God, als geliefde kinderen,2en wandelt in liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offerande en een slachtoffer voor God tot een welriekende reuk.).


Als tucht niet werkt, volgt oordeel

10Een bestraffing werkt dieper in op een verstandige,
dan een honderdtal [stok]slagen op een dwaas.
11Een opstandige zoekt slechts het kwade,
en er zal een meedogenloze bode naar hem toe gestuurd worden.

Het bedekken van een overtreding (vers 99Wie de overtreding toedekt, zoekt liefde,
maar wie de zaak weer oprakelt, maakt scheiding tussen de beste vrienden.
)
betekent niet dat de overtreding niet aan de kaak wordt gesteld. Dit gebeurt door de overtreder met zijn overtreding te confronteren, hem daarvoor te bestraffen. “Een verstandige” zal van de bestraffing profiteren, maar de dwaas niet (vers 1010Een bestraffing werkt dieper in op een verstandige,
dan een honderdtal [stok]slagen op een dwaas.
)
.

Dit vers contrasteert de verstandige en de dwaas in hun reactie op een bestraffing. Wie verstandig is en vernederd wordt door een bestraffing, zal ervan leren. Maar op een dwaas zullen zelfs “een honderdtal [stok]slagen” geen indruk maken. Stokslagen komen neer op zijn rug, maar ze veranderen zijn hart niet; hij blijft een dwaas.

Het verschil tussen een verstandige en een dwaas wordt vooral duidelijk door de manier waarop er op een bestraffing wordt gereageerd. De bestraffing die Petrus kreeg, zowel van de Heer Jezus als van Paulus (Mt 16:2323Hij echter keerde Zich om en zei tot Petrus: Ga weg, achter Mij, satan, je bent Mij een aanstoot; want je bedenkt niet de dingen van God, maar de dingen van de mensen.; Gl 2:11-1511Maar toen Kefas in Antiochië kwam, weerstond ik hem in zijn gezicht, omdat hij te veroordelen was.12Want voordat er enigen van Jakobus kwamen, at hij met [die uit] de volken; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en zonderde zich af uit vrees voor die uit [de] besnijdenis;13en met hem huichelden <ook> de overige Joden, zodat zelfs Barnabas door hun huichelarij werd meegesleept.14Maar toen ik zag dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het evangelie, zei ik tot Kefas in het bijzijn van allen: Als u, die een Jood bent, leeft als de volken en niet als de Joden, waarom dwingt u de volken naar Joodse wijze te leven?15Wij, van nature Joden en geen zondaars uit [de] volken,), werkte diep op hem in. Het bewerkte geen wrok, maar hij leerde ervan. Maar de vele en heftige plagen die over Egypte kwamen, deden de farao niet van gedachten veranderen (Ex 7-12). Hij bleef een dwaas en kwam in zijn dwaasheid om.

“Een opstandige” (vers 1111Een opstandige zoekt slechts het kwade,
en er zal een meedogenloze bode naar hem toe gestuurd worden.
)
is volledig ongevoelig voor tucht. Hij leeft in opstand tegen God en zijn naaste. Als een toegewijde volgeling van de grote opstandeling tegen God, de duivel, is hij erop uit om onrust en oproer te veroorzaken. Er staat hem niets anders voor ogen dan “het kwade”; hij zoekt er bewust naar.

Deze opstandeling zal worden opgezocht door “een meedogenloze bode” die speciaal naar hem toe wordt gestuurd met het doel hem te doden. Het is een zaak van oorzaak en gevolg. Opstandige mensen hebben geen ander doel dan het kwade te zoeken. Het gevolg ervan is dat vergelding wordt gezonden in de vorm van een genadeloze bode. Deze uitdrukking kan verwijzen naar een meedogenloze boodschapper die de koning stuurt; hij kan ook verwijzen naar stormen, een ziekte, of een ongeluk als Gods boodschapper van vergelding.

Benaja was een bode die erop werd uitgestuurd om de tegenstanders van David en Salomo te doden (1Kn 2:13-4613Toen kwam Adonia, de zoon van Haggith, bij Bathseba, de moeder van Salomo, en zij zei: Is je komst [met] vrede? Hij zei: [Met] vrede.14Daarna zei hij: Ik heb een vraag aan u. Zij zei: Spreek.15Toen zei hij: Ú weet dat het koningschap mij toekwam. Heel Israël had zich erop ingesteld dat ik koning zou worden. Maar het koningschap nam een wending: het is aan mijn broer gekomen, want door de HEERE is het aan hem gekomen.16Nu zou ik u één verzoek willen doen. Wijs mij niet af. Zij zei tegen hem: Spreek.17Hij zei: Zeg toch tegen koning Salomo – want hij zal u niet afwijzen – dat hij mij Abisag uit Sunem tot vrouw geeft.18Bathseba zei: Goed, ik zal met de koning over je spreken.19Zo kwam Bathseba bij koning Salomo om met hem over Adonia te spreken. De koning stond op, [ging] haar tegemoet en boog zich voor haar neer. Daarna ging hij op zijn troon zitten en liet een stoel voor de koningin-moeder neerzetten en zij ging aan zijn rechterhand zitten.20Toen zei zij: Ik wil je één klein verzoek doen. Wijs mij niet af. De koning zei tegen haar: Vraag [maar], mijn moeder, want ik zal u niet afwijzen.21Zij zei: Laat Abisag uit Sunem aan je broer Adonia tot vrouw gegeven worden.22Toen antwoordde koning Salomo en zei tegen zijn moeder: Waarom vraagt u Abisag uit Sunem voor Adonia? Vraag dan [ook maar] het koningschap voor hem, want hij is mijn broer die ouder is dan ik. Ja, [vraag het maar,] voor hem, voor de priester Abjathar en voor Joab, de zoon van Zeruja.23En koning Salomo zwoer bij de HEERE: God mag zó en nog veel erger met mij doen! Voorzeker, ten koste van zijn leven heeft Adonia dit woord gesproken!24Nu, [zo waar] de HEERE leeft, Die mij aangesteld heeft en mij op de troon van mijn vader David heeft doen zitten, en Die voor mij een [konings]huis gemaakt heeft, zoals Hij gesproken had, voorzeker, Adonia moet vandaag [nog] ter dood gebracht worden!25En koning Salomo stuurde door de dienst van Benaja, de zoon van Jojada, [een bevel,] en deze stak hem neer, zodat hij stierf.26En tegen de priester Abjathar zei de koning: Ga naar Anathoth, naar uw akkers, want u bent een man des doods. Op deze dag zal ik u echter niet ter dood brengen, omdat u de ark van de Heere HEERE voor mijn vader David uit gedragen hebt, en omdat u in alles waarin mijn vader onderdrukt werd, [ook] onderdrukt werd.27Zo verdreef Salomo Abjathar, zodat hij geen priester van de HEERE meer zou zijn, en [zo] liet hij het woord van de HEERE in vervulling gaan dat Hij over het huis van Eli in Silo gesproken had.28Toen dit gerucht Joab bereikte – Joab had zich immers achter Adonia geschaard, maar achter Absalom had hij zich niet geschaard – vluchtte Joab naar de tent van de HEERE en greep de horens van het altaar vast.29En aan koning Salomo werd bekendgemaakt dat Joab naar de tent van de HEERE was gevlucht, en zie, hij bevond zich bij het altaar. Toen stuurde Salomo Benaja, de zoon van Jojada, [erheen] en zei: Ga, steek hem dood.30Benaja kwam bij de tent van de HEERE en zei tegen hem: Dit zegt de koning: Kom naar buiten. Maar hij zei: Nee, want hier zal ik sterven. En Benaja bracht verslag uit aan de koning en zei: Dit heeft Joab gesproken, ja, dit heeft hij mij geantwoord.31De koning zei tegen hem: Doe zoals hij gesproken heeft, steek hem dood en begraaf hem, en neem [zo] het bloed dat Joab zonder reden vergoten heeft, van mij en van het huis van mijn vader weg.32Zo zal de HEERE zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, neergestoken en hen met het zwaard gedood heeft, terwijl mijn vader David [er] niet [van] wist: Abner, de zoon van Ner, de bevelhebber van het leger van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de bevelhebber van het leger van Juda.33Zo zal hun bloed op het hoofd van Joab terugkeren, en op het hoofd van zijn nageslacht, voor eeuwig; maar David, zijn nageslacht, zijn huis en zijn troon zullen van de HEERE voor eeuwig vrede hebben.34Benaja, de zoon van Jojada, ging [op weg], stak hem neer en doodde hem. Hij werd begraven in zijn huis in de woestijn.35En de koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats aan over het leger, en de priester Zadok stelde de koning aan in de plaats van Abjathar.36Daarna stuurde de koning [een bode] en liet Simeï roepen en zei tegen hem: Bouw een huis voor uzelf in Jeruzalem en ga daar wonen. Ga daar echter niet vandaan, waar dan ook heen.37Want het zal gebeuren, op de dag dat u [de stad] uitgaat en de beek Kidron oversteekt, dat u zeker weten kunt dat u beslist zult sterven. Uw bloed zal op uw hoofd rusten.38Simeï zei tegen de koning: [Dit] woord is goed. Zoals mijn heer de koning gesproken heeft, zo zal uw dienaar doen. En Simeï woonde vele dagen in Jeruzalem.39Maar na verloop van drie jaar gebeurde het dat twee slaven van Simeï wegliepen, naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath. En men vertelde Simeï: Zie, uw slaven zijn in Gath.40Toen stond Simeï op, zadelde zijn ezel en ging naar Gath, naar Achis, om zijn slaven te zoeken. Simeï ging [op weg] en bracht zijn slaven uit Gath terug.41Aan Salomo werd bekendgemaakt dat Simeï uit Jeruzalem naar Gath gegaan en [weer] teruggekomen was.42Toen stuurde de koning [een bode] en liet Simeï roepen en zei tegen hem: Heb ik u niet bij de HEERE laten zweren, u gewaarschuwd en gezegd: Op de dag dat u [de stad] uitgaat, waar dan ook heen, kunt u zeker weten dat u beslist zult sterven? En u zei tegen mij: Het woord dat ik gehoord heb, is goed.43Waarom hebt u [uw] eed bij de HEERE, en het gebod dat ik u heb opgelegd, dan niet in acht genomen?44Verder zei de koning tegen Simeï: Ú weet al het kwaad – waar uw hart weet van heeft – dat u mijn vader David aangedaan hebt. Daarom heeft de HEERE uw kwaad op uw hoofd doen terugkeren.45Maar koning Salomo is gezegend, en de troon van David zal voor het aangezicht van de HEERE voor eeuwig zeker zijn.46En de koning gaf Benaja, de zoon van Jojada, bevel en hij ging naar buiten en stak hem neer, zodat hij stierf. Zo werd het koningschap in de hand van Salomo bevestigd.). Iemand die slechts het kwade zoekt, staat niet open voor iets goeds. Daarom moet er met hem op die manier worden gehandeld.


Waarschuwingen tegen dwaasheid

12Laat iemand een beer die van jongen beroofd is, [maar] tegenkomen,
maar niet een dwaas met zijn dwaasheid.
13Wie kwaad voor goed vergeldt,
het kwaad zal van zijn huis niet wijken.

Het is gevaarlijker om een dwaas tegen te komen die zich bezighoudt met dwaasheid, dan “een beer die van jongen beroofd is” (vers 1212Laat iemand een beer die van jongen beroofd is, [maar] tegenkomen,
maar niet een dwaas met zijn dwaasheid.
)
. De mens, die wordt verondersteld intelligent en rationeel te zijn, is in zijn dwaasheid gevaarlijker dan de beer die naar zijn instinct handelt (2Sm 17:88Verder zei Husai: Ú kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, en dat zij bitter van gemoed zijn, zoals een beer die in het veld van jongen beroofd is. Bovendien is uw vader een strijdbare man en zal hij niet overnachten bij het volk.; Hs 13:88Ik trof hen aan als een berin die van jongen beroofd is,
scheurde hun borstkas open,
verslond hen daar als een leeuwin.
De dieren van het veld zullen hen verscheuren.
)
. De dwaas is totaal blind voor zijn dwaasheid en handelt in domme verblinding. De les is: kom niet in de buurt van die beer en zeker niet in de buurt van een dwaas.

Wij onderschatten vaak het enorme gevaar van dwaasheid. Dwaasheid is het buitensluiten van God. Het houdt in dat de waarschuwingen van God als een grap worden beschouwd, zoals de schoonzoons van Lot deden (Gn 19:1414Toen ging Lot naar buiten en sprak tot zijn schoonzoons, die zijn dochters [tot vrouw] zouden nemen en zei: Sta op! Ga naar buiten, uit deze plaats! Want de HEERE gaat deze stad te gronde richten. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzoons als iemand die grappen maakte.). Dat brengt een mens in een veel groter gevaar dan welk aards gevaar ook. Van een beer weet je wat je moet verwachten, van een dwaas weet je dat vaak niet.

Adam is de eerste op wie vers 1313Wie kwaad voor goed vergeldt,
het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
ten volle van toepassing is. Hij heeft al de goedheid van God met kwaad vergolden. Daarom is er kwaad over zijn huis, dat wil zeggen over zijn hele nageslacht, gekomen dat tot vandaag niet is geweken. Het kwaad wijkt alleen als het wordt beleden. Dan gebeurt het omgekeerde: God vergeldt goed voor kwaad voor ieder die gelooft.

Het vers is algemeen van toepassing op ieder mens die kwaad voor goed vergeldt, ook op de gelovige, zonder te zeggen of God direct het kwaad op hem laat terugkomen of dat pas later doet. David heeft ondervonden dat Saul het goede dat hij voor hem heeft gedaan met kwaad heeft vergolden. Nabal heeft hetzelfde tegenover David gedaan. Maar David heeft ook zelf kwaad voor goed vergolden toen hij Uria liet vermoorden, terwijl Uria hem met volle toewijding diende. Daarom is het kwaad niet van zijn huis geweken (2Sm 12:9-129Waarom hebt u [dan] het woord van de HEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.10Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig niet van uw huis wijken, omdat u Mij veracht hebt en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te zijn.11Zo zegt de HEERE: Zie, Ik breng onheil over u uit uw [eigen] huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen.12Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht.).

Bovenal hebben de Joden de Heer Jezus kwaad voor goed vergolden. Dat horen we als Hij zegt: “Zij hebben kwaad over Mij gebracht in plaats van goed en haat in plaats van Mijn liefde” (Ps 109:55Zij hebben kwaad over mij gebracht in plaats van goed,
en haat in plaats van mijn liefde.
; 35:1212Zij vergelden mij kwaad voor goed,
[zij willen] mij van het leven beroven.
)
. Als gevolg daarvan is het kwaad niet van het huis van Juda geweken. De Heer heeft Zijn discipelen voorgehouden – en daarmee houdt Hij het ook ons voor – dat zij, net als Hij dat deed, andersom moeten handelen: Hebt daarentegen uw vijanden lief, en doet goed” (Lk 6:3535Hebt daarentegen uw vijanden lief, en doet goed, en leent zonder iets terug te hopen; en uw loon zal groot zijn, en u zult zonen van [de] Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.). Voor ons geldt in dit verband nog de volgende aansporing: Laat u door het kwade niet overwinnen, maar overwin het kwade door het goede” (Rm 12:2121Laat u door het kwade niet overwinnen, maar overwin het kwade door het goede.).


Voorkom erger

14Het begin van een ruzie is [alsof] iemand water de vrije loop geeft.
Stop daarom de onenigheid, voordat ze [echt] losbarst.

Conflicten moeten worden gestopt voordat ze uit de hand lopen. Dat is wat deze spreuk ons voorhoudt. Het beeld is dat van een klein lek, bijvoorbeeld in een dam, waardoor langzaam water begint te stromen. Als er niet snel wordt ingegrepen, zal het lek groter en een groot gat worden. De ramp van de overstroming die volgt, is niet te overzien. We kunnen dit toepassen op een ruzie die moet worden opgelost, omdat het anders kan uitdraaien op een rechtszaak. Als er naar de rechter wordt gegaan, kan dat misschien een juridische overwinning betekenen, maar tegelijk krijgt de ruzie een permanent en niet meer te herstellen karakter.

Een ruzie begint vaak om een kleinigheid. Als men dat niet direct en goed oplost, kan die uitgroeien tot een oorlog. Het beste is om er zelf mee op te houden en niets meer terug te zeggen. Als beide partijen op hun gelijk blijven hameren, loopt het uit de hand. Het is als een klein vonkje dat een enorme brand veroorzaakt als het vonkje niet snel wordt uitgetrapt. In het begin van de gemeente was er onenigheid tussen twee groepen van weduwen. Voordat het op een echte ruzie uitdraaide, hebben de twaalf apostelen deze onenigheid gestopt door een wijs besluit (Hd 6:1-61In die dagen nu, toen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemopper van de Griekssprekende [Joden] tegen de Hebreeën, omdat in de dagelijkse bediening hun weduwen over het hoofd werden gezien.2De twaalf nu riepen de menigte van de discipelen bijeen en zeiden: Het is niet bevredigend dat wij het Woord van God nalaten en [de] tafels dienen.3Ziet nu uit, broeders, naar zeven mannen uit u, met een [goed] getuigenis, vol van [de] Geest en van wijsheid, die wij over deze nood zullen stellen.4Wij echter zullen volharden in het gebed en in de bediening van het Woord.5En dit woord bevredigde de hele menigte; en zij kozen Stéfanus, een man vol van geloof en van [de] Heilige Geest, en Filippus, Próchorus, Nicánor, Timon, Pármenas en Nicolaüs, een proseliet van Antiochië,6die zij voor de apostelen stelden; en na gebeden te hebben legden zij hun de handen op.).


God haat verdraaiing van het recht

15Wie de goddeloze vrijspreekt en wie de rechtvaardige schuldig verklaart,
zijn voor de HEERE een gruwel, allebei.

In de rechtspraak is het zaak dat het recht wordt gehandhaafd, dat wil zeggen dat de goddeloze wordt geoordeeld en de rechtvaardige wordt vrijgesproken. Als dat wordt omgedraaid en een rechter “de goddeloze vrijspreekt” en “de rechtvaardige schuldig verklaart”, dan is zowel het een als het ander “voor de HEERE een gruwel” (vgl. Js 5:2020Wee hun die het kwade goed noemen
en het goede kwaad;
die duisternis voorstellen als licht,
en licht als duisternis;
die bitter voorstellen als zoet
en zoet als bitter.
)
. De duidelijkste en meest afschuwelijke illustratie van deze spreuk zien we in het ‘proces’ tegen de Heer Jezus. Pilatus heeft de goddeloze Barabbas vrijgesproken en de Rechtvaardige schuldig verklaard (Mt 27:24-2624Toen Pilatus nu zag dat het niets hielp, maar dat er veeleer opschudding ontstond, nam hij water en waste zijn handen ten aanschouwen van de menigte en zei: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze <Rechtvaardige>; het is uw zaak!25En al het volk antwoordde en zei: Zijn bloed over ons en over onze kinderen!26Toen liet hij hun Barabbas los, maar Jezus geselde hij en leverde Hem over om gekruisigd te worden.).

Het grote wonder van de genade van God is dat de eerste versregel op God Zelf van toepassing is. De brief aan de Romeinen laat deze versregel van Gods kant zien op grond van het werk van Christus. God spreekt de goddeloze vrij op basis van gerechtigheid. Hij heeft de Rechtvaardige schuldig verklaard door Hem de straf van de goddeloze toe te rekenen, waardoor Hij de goddeloze kan rechtvaardigen: Maar hem die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid” (Rm 4:55Maar hem die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid;).


Een dwaas heeft geen verstand

16Waarom toch zou er in de hand van een dwaas geld zijn
om wijsheid te kopen, terwijl hij geen verstand heeft?

Een dwaas is een dwaas omdat hij niet naar God zoekt, terwijl dat eerst nodig is om wijs te kunnen worden. De dwaas heeft geen interesse in het verkrijgen van wijsheid op de manier waarop die moet worden verkregen. Geld heeft in dit geval geen enkele waarde, het stelt niets voor, want wat nodig is – een relatie met God –, kan niet worden gekocht. Hij kan wel de reputatie van de wijze willen hebben, maar hij kan niet aan de vereisten ervan voldoen, want hij mist het verstand, het geestelijke verstand, ervoor. Simon de tovenaar, die de gave van de Heilige Geest voor geld wilde kopen, was zo’n dwaas (Hd 8:18-1918Toen nu Simon zag dat door de oplegging van de handen van de apostelen de <Heilige> Geest gegeven werd, bood hij hun geld aan19en zei: Geeft ook mij deze macht, opdat ieder die ik de handen opleg, [de] Heilige Geest ontvangt.).

In de vraag klinkt verbazing en verontwaardiging. Er wordt in feite gezegd dat het onzinnig is dat een dwaas geld in handen heeft om wijsheid te kopen want hij heeft geen hersens. Hij zou wijsheid niet eens herkennen als hij die zag.


Echte vriendschap

17Een vriend heeft te allen tijde lief,
en een broeder wordt in benauwdheid geboren.

De liefde van een echte vriend is constant. Zijn liefde verandert niet mee met de omstandigheden. Hij is een vriend in voor- en tegenspoed, in goede tijden en in tijden dat de vriendschap op de proef wordt gesteld. Christus laat zien dat Hij zo’n vriend is Die altijd onder alle omstandigheden liefheeft (Jh 13:11Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.). Hij noemt ons Zijn “vrienden” (Jh 15:14-1514U bent Mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied.15Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader heb gehoord, bekendgemaakt heb.). Ook noemt Hij ons “broeders” (Jh 20:1717Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.; Hb 2:11-1211Want én Hij Die heiligt én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt:12‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.). Er staat overigens nergens in de Schrift dat Zijn volgelingen Hem ‘vriend’ of ‘broeder’ noemen. Daarom zullen wij Hem ook niet zo noemen. Hij is ver boven ons verheven.

Vriendschap houdt in dat gedachten worden gedeeld. Vrienden zijn er voor elkaar en helpen elkaar altijd (Lk 11:5-85En Hij zei tot hen: Wie van u zal een vriend hebben die te middernacht bij hem komt en tot hem zegt: Vriend, leen mij drie broden,6aangezien een vriend van mij op reis bij mij is aangekomen en ik niets heb om hem voor te zetten;7en hij zou van binnen uit antwoorden en zeggen: Val mij niet lastig, de deur is al gesloten en mijn kinderen zijn met mij naar bed, ik kan niet opstaan om het je te geven?8Ik zeg u, al zou hij niet opstaan en hem geven omdat hij zijn vriend is, toch zal hij om zijn onbeschaamdheid overeind komen en hem geven zoveel hij nodig heeft.). Een broeder is een bloedverwant. Er is een familierelatie. Ruth en Naomi en ook David en Jonathan laten zien wat vriendschap en familieverwantschap voor de praktijk betekent, in het bijzonder in tijden van benauwdheid.

Het is volmaakt waar van de Heer Jezus, Die als een vriend met ons Zijn gedachten deelt, en Die als een broeder voor ons in de hemel is om ons bij te staan in onze moeilijkheden, die Hij uit eigen ervaring kent. Dat een broeder in benauwdheid geboren wordt, wil zeggen dat juist als we “in benauwdheid” zijn, wij een beroep doen op Hem.


Alleen een dwaas stelt zich borg

18Een mens zonder verstand bevestigt [iets] met handslag
[en] stelt zich borg voor zijn naaste.

Het is dwaas om zekerheid te bieden voor garanties aan iemand die zich in de schulden heeft gestoken (vgl. Sp 6:1-51Mijn zoon, als je borg staat voor je naaste,
[en] je [iets] met handslag aan een vreemde bevestigt,
2ben je verstrikt in de woorden van je [eigen] mond,
ben je in de woorden van je [eigen] mond gevangen.
3Doe dan dit, mijn zoon, en red je,
want je bent in de greep van je naaste gekomen,
ga, onderwerp je en dring bij je naaste aan.
4Geef je ogen geen slaap,
en je oogleden geen sluimer.
5Red je als een gazelle uit de hand [van de jager],
en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.
)
. Iets “met handslag” bevestigen wil zeggen dat het beloofd is. Het is als het zetten van een handtekening onder een afspraak, waarmee de belofte wordt bevestigd. Iemand die zich borg stelt voor zijn naaste, is “een mens zonder verstand”. Je weet immers maar nooit waar je voor komt te staan. De schuld kan wel zo groot zijn, dat die onbetaalbaar is.

Wat de Heer Jezus deed toen Hij Zich borg stelde, kan vanuit menselijk oogpunt ‘zonder verstand’ lijken, maar dat was het niet. Hij wist namelijk hoe hoog de prijs was en Hij wist dat Hij die kon betalen. Het herinnert ons aan de uitspraak in de brief aan Filémon waar de apostel Paulus als een echte navolger van de Heer Jezus zich tegenover Filémon ten aanzien van Onésimus ook als borg aanbiedt (Fm 1:1818En als hij u enig onrecht heeft aangedaan of u iets schuldig is, breng dat mij in rekening.).


Ruzie liefhebben komt uit een verkeerd hart

19Wie overtreding liefheeft, heeft ruzie lief,
wie zijn deur verhoogt, zoekt ondergang.
20Wie verkeerd van hart is, zal het goede niet vinden,
en wie vals van tong is, valt in het kwaad.

We kunnen “door een overtreding overvallen” (Gl 6:11Broeders, zelfs als iemand door een overtreding overvallen wordt, brengt u die geestelijk bent zo iemand terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, opdat ook u niet in verzoeking komt.) worden zonder die overtreding lief te hebben. Iemand anders kan ons dan terechtbrengen. Maar “wie overtreding liefheeft” (vers 1919Wie overtreding liefheeft, heeft ruzie lief,
wie zijn deur verhoogt, zoekt ondergang.
)
, bezit een verdorven geest. Zijn optreden laat zien dat hij ruzie liefheeft. Een overtreding heeft gevolgen voor onderlinge verhoudingen. Wie ervan houdt om te overtreden, heeft een voorkeur voor ruzie. Door zijn verderfelijke gepraat zet hij voortdurend goede relaties onder druk.

De betekenis van “wie zijn deur verhoogt” is niet helemaal duidelijk. In het verband waarin deze uitdrukking wordt gebruikt, lijkt de deur hier ‘de mond’ voor te stellen. De betekenis kan dan zijn ‘een grote mond opzetten’ (vgl. 1Sm 2:33Spreek toch niet steeds zo bijzonder hoogmoedig,
en laat niets hooghartigs uit uw mond gaan;
want de HEERE is een [al]wetend God,
en Zijn daden zijn recht.
; Ps 141:33HEERE, zet een wacht voor mijn mond,
behoed de deur van mijn lippen.
; Mi 7:55Geloof een vriend niet,
vertrouw niet op een huisvriend,
bewaak de deuren van uw mond
voor haar die in uw schoot ligt.
)
. Wie ruzie liefheeft, zet een grote mond op naar de hemel, naar God, en ook naar zijn medemens (Ps 73:8-98Zij spotten en spreken boosaardig van onderdrukking,
zij spreken uit de hoogte.
9Zij zetten hun mond op tegen de hemel,
hun tong wandelt [honend] rond op de aarde.
)
. Hij zoekt niet iemands voorspoed, maar iemands “ondergang”.

Vers 2020Wie verkeerd van hart is, zal het goede niet vinden,
en wie vals van tong is, valt in het kwaad.
toont de oorsprong van vers 1919Wie overtreding liefheeft, heeft ruzie lief,
wie zijn deur verhoogt, zoekt ondergang.
.
Wie ruzie liefheeft, geeft er blijk van dat hij “verkeerd van hart is”. Wie een verkeerd hart heeft, zoekt niet alleen de ondergang van anderen, maar zal zelf “het goede niet vinden”. Met “het goede” worden de zegeningen van God bedoeld die Hij geeft aan ieder die Hem dient. De verkeerde van hart zoekt wat goed is in zijn eigen ogen. Hij streeft naar bezit ten koste van anderen.

Hij is “vals van tong”, de woorden die hij spreekt, zijn vals. Hij spreekt valsheid, wat aantoont dat hij wars is van de waarheid. Hij streeft de ondergang van anderen na, maar zal zelf in het kwaad vallen en zijn eigen ondergang bewerken. In plaats van het werkelijk goede te vinden wordt hij geconfronteerd met een leven vol calamiteiten. De welvaart die hij voor zichzelf zoekt, loopt uit op zijn ondergang.


Het verdriet van een vader

21Wie een dwaas verwekt – [deze] zal hem tot verdriet worden,
de vader van een dwaas zal zich niet verblijden.

Het is een verdriet voor een vader om een kind te verwekken dat een dwaas blijkt te zijn. Hij hoopte op een zoon die een aanwinst voor het gezin en het geloof zou zijn, maar hij vindt alleen teleurstelling als zijn zoon een dwaas blijkt te zijn. Een Godvrezende vader zal zich niet over zijn dwaze zoon verblijden. De vader “zocht een Goddelijk nageslacht” (Ml 2:1515Heeft Hij [er] niet maar één gemaakt,
hoewel Hij [nog] geest overhad?
En waarom die ene?
Hij zocht een goddelijk nageslacht.
Daarom, wees op uw hoede met uw geest,
en handel niet trouweloos tegen de vrouw van uw jeugd.
)
, maar zijn zoon blijkt uit de duivel te zijn. Hij heeft zijn zoon opgevoed “in [de] tucht en vermaning van de Heer” (Ef 6:44En u, vaders, prikkelt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in [de] tucht en vermaning van de Heer.), opdat deze tot eer van God zou gaan leven, maar hij heeft alle onderwijs van zijn vader verworpen. De vader zal zich niet over zijn zoon verblijden, maar diens dwaasheid zal zijn hart breken.

Niemand weet wat voor kind hij verwekt. Daarom is het zo belangrijk te bidden voordat een kind wordt verwekt, dat God een kind geeft dat tot Zijn verheerlijking zal leven. Toch kunnen Godvrezende ouders goddeloze kinderen hebben. Het blijft de keus die een kind, zodra het daaraan toe is, zelf moet maken: voor of tegen Christus.

We kunnen niet altijd de ouders de schuld geven van de keus die kinderen maken en ouders kunnen er geen claim op leggen dat hun kinderen Godvrezend zullen zijn. Ouders zijn wel verantwoordelijk voor de opvoeding, om zich er ten volle voor in te zetten dat het kind de weg van de Heer leert kennen. Daarbij zullen ze het kind voorleven in het gaan van die weg. Of het kind die weg dan ook gaat, is de keus die het zelf zal moeten maken.


Een blij hart of een neerslachtige geest

22Een blij hart bevordert de genezing,
maar een neerslachtige geest doet de beenderen verdorren.

“Een blij hart” is een hart dat zich verheugt in God en de dingen van de Heer. Een blij hart krijgt iemand als daarin de vrede van God woont. Daardoor wordt “de genezing” van het lichaam en de geest bevorderd. Iemand die “een neerslachtige geest” heeft, ervaart het tegendeel. Van blijdschap is geen sprake, die is verdwenen door alle zorgen en ellende waaronder hij gebukt gaat. Dit proces “doet de beenderen verdorren”. Zoals eerder gezegd, geven beenderen het lichaam de kracht om zich voort te bewegen. Als beenderen verdord zijn, wil dat zeggen dat de gezondheid is verdwenen en dat krachteloosheid zijn intrede heeft gedaan (vgl. Ez 37:1-141De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]!4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been.8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.9Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier wind[streken] en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.10Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.11Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden!12Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël.13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk.14Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, [dit] gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.).

Dit vers is geen veroordeling van iemand die depressief is. De bedoeling ervan is niet dat hij maar blij moet zijn, zodat de depressiviteit wel verdwijnt. Ook hier wordt voorgesteld wat algemeen waar is, zonder een oordeel uit te spreken over de toestand waarin iemand zich bevindt. Iemand die depressief is, weet wel dat een blij hart de genezing bevordert. Het probleem is dat hij geen blij hart heeft. Hij krijgt geen blij hart door hem steeds maar te vertellen dat hij dat moet hebben. Zo iemand heeft een heel andere benadering nodig. Wat vooral nodig is, is begrip en geduld. Laat wie hiermee te maken heeft, de Heer daarvoor om wijsheid bidden.


Het doel van een omkoopgeschenk

23Een goddeloze zal een [omkoop]geschenk uit de schoot aannemen
om de paden van het recht te buigen.

Omkoping verderft het recht. Wie zich laat omkopen, is “een goddeloze”. Het lijkt te gaan om het beïnvloeden van een gerechtelijke uitspraak, want het gaat erom “de paden van het recht te buigen”, ofwel het recht niet zijn loop te laten hebben. Het recht wordt niet alleen tegengehouden, maar omgebogen in onrecht, terwijl de schijn van het recht wordt opgehouden. Het feit dat een rechter dit geschenk “uit de schoot” aanneemt, wijst erop dat het stiekem gebeurt. Het is een geheime transactie, niet zuiver. Een omkoopbare rechter is een goddeloze.

Het buigen van de paden van het recht kan ook in werksituaties gebeuren. Iemand kan zijn werknemer omkopen met een geschenk om te zwijgen over een strafbaar feit dat hij heeft gepleegd. Hetzelfde kan gebeuren binnen een familie en in Gods gemeente. Het omkoopgeschenk hoeft niet uit geld te bestaan. Het kan ook bestaan uit promotie of cadeautjes of een voorkeursbehandeling.


Waar iemand naar kijkt

24Een verstandige heeft wijsheid voor ogen,
maar de ogen van de dwaas [zijn gericht] op het einde van de aarde.

“Een verstandige” volhardt in het volgen van de loop van de wijsheid. Hij heeft altijd wijsheid als zijn kompas voor ogen. Daar kijkt hij naar en bepaalt dan zijn route door het leven. Hij concentreert zich op de wijsheid, omdat hij de echte problemen van het leven begrijpt en weet dat alleen wijsheid hem daar omheen of daar doorheen kan leiden. Een verstandige weet wat het is om een ‘eenvoudig oog’ te hebben (Mt 6:2222De lamp van het lichaam is het oog; als dan uw oog eenvoudig is, zal uw hele lichaam verlicht zijn;; Lk 11:3434De lamp van uw lichaam is uw oog; wanneer uw oog eenvoudig is, is ook uw hele lichaam verlicht; als het echter boos is, is ook uw lichaam duister.), dat wil zeggen dat hij zijn oog op slechts één voorwerp gericht houdt, waardoor hij de rechte weg blijft volgen.

De dwaas mist elke serieuze concentratie. Hij is niet in staat om zijn aandacht ergens vast op te richten. Omdat hij geen verstand heeft, zwerven zijn ogen de hele wereld door, maar ze vinden nergens een rustplaats. Hij is als een student die niet hoort wat zijn leraar zegt, omdat zijn ogen voortdurend door de klas zwerven. Daardoor ontgaat hem het onderwijs van de wijsheidsleraar.

De ogen zijn het venster van de ziel. Wat met de ogen wordt waargenomen, heeft invloed op de ziel. De mens is een zondaar geworden door te zien, te begeren en te nemen. Met televisie en internet is het mogelijk om de ogen te richten “op het einde van de aarde”. Dat gebeurt dan ook massaal. Mensen laten zich leiden door wat ze op deze media zien en blijven zo blind voor de wijsheid, dat is Christus, “in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn” (Ko 2:33in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.). Daardoor blijven ze dwaas en zullen in hun dwaasheid omkomen, tenzij ze oog krijgen voor de wijsheid van Boven.

De verstandige zal zijn oog onafgebroken gericht houden op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God” (Hb 12:22terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.).


Verdriet voor de vader en bitterheid voor de moeder

25Een dwaze zoon is een verdriet voor zijn vader,
en bitterheid voor wie hem gebaard heeft.

Het is een intens verdriet een kind te hebben dat zich tot een dwaas ontwikkelt (vers 2121Wie een dwaas verwekt – [deze] zal hem tot verdriet worden,
de vader van een dwaas zal zich niet verblijden.
)
. Hier ligt de nadruk op de zoon die zijn vader dit verdriet aandoet en de oorzaak is van de bitterheid van zijn moeder, die “hem gebaard heeft”. De vreugde waarmee de geboorte werd aangekondigd, is veranderd in verdriet. De blijdschap van de geboorte na de smart van de bevalling is veranderd in bitterheid door de weg die de dwaze zoon gaat.

Een dwaze zoon doet niet alleen zijn eigen ziel geweld aan, hij is niet alleen opstandig tegen God, maar toont de grootst mogelijke ondankbaarheid tegenover zijn ouders. Zijn moeder heeft hem met smart gebaard en hem vervolgens onderwezen. Zijn vader heeft hem wijze lessen over het leven geleerd. Maar hij verwerpt alles. Zijn grootste dwaasheid is dat hij onverschillig blijft over wat hij zijn vader en moeder aandoet.

Vader en moeder delen de pijn van de weg die hun dwaze zoon gaat. Daardoor kunnen ze elkaar aanvoelen en vertroosten en bemoedigen om met hun nood naar de Heer te gaan. Dat voorkomt dat ze elkaar verwijten gaan maken. Ze kunnen elkaar ook helpen om met deze heel moeilijke situatie om te gaan. De moeder kan de vader helpen met zijn boosheid om te gaan, de vader kan de moeder helpen niet onder het verdriet te bezwijken. Soms geldt ook het omgekeerde.


Niet een onschuldige straffen

26Het is niet goed de rechtvaardige ook te laten boeten,
[nog minder] aanzienlijken te slaan vanwege [hun] oprechtheid.

Dit is opnieuw een spreuk die gaat over het kwaad van oneerlijke rechtspraktijken. Iedereen zal ermee instemmen dat het “niet goed” is “de rechtvaardige ook te laten boeten” met de onrechtvaardigen, want hij heeft niets gedaan wat dat rechtvaardigt. Als het toch gebeurt, laat dat zien hoe vervallen de maatschappij is. Met God, Die de rechtsorde heeft ingesteld, wordt geen rekening gehouden.

Nog kwalijker is het “aanzienlijken te slaan vanwege [hun] oprechtheid”. Hier is het recht zozeer vervallen, dat mensen die oprecht zijn, juist vanwege die oprechtheid lichamelijk worden gepijnigd. De aanzienlijken zijn mensen die voor het recht willen opkomen. Dat zou waardering verdienen, maar het wordt afgestraft. In deze tijd leven wij. Oprechtheid wil zeggen leven naar Gods Woord. Wie dat wil, krijgt in toenemende mate met tegenstand en vijandschap te maken.

Voor de rechtvaardige en de aanzienlijken die moeten boeten en lijden voor het vasthouden aan Gods Woord, geldt dat zij ter wille van de gerechtigheid lijden. Zij worden “gelukkig” genoemd (1Pt 3:1414Maar al lijdt u ook ter wille van [de] gerechtigheid, gelukkig bent u. Vreest echter niet zoals zij vrezen, en wordt niet in verwarring gebracht,). Want het is beter, als de wil van God het wil, door goeddoen te lijden dan door kwaaddoen” (1Pt 3:1717Want het is beter, als de wil van God het wil, door goeddoen te lijden dan door kwaaddoen.).


Controle over de tong

27Wie kennis van zaken heeft, houdt zijn woorden in,
en iemand met inzicht is bezonnen van geest.
28Zelfs een dwaas die zwijgt, wordt wijs geacht,
wie zijn lippen op elkaar houdt, verstandig.

De eerste versregel van vers 2727Wie kennis van zaken heeft, houdt zijn woorden in,
en iemand met inzicht is bezonnen van geest.
gaat over het in toom houden van de tong om geen ondoordachte en ontijdige dingen te zeggen. Letterlijk staat er dat hij ‘zijn woorden spaart’. Wie dat doet, blijkt “kennis van zaken” te hebben. De tweede versregel gaat over bezonnenheid, letterlijk ‘een koele geest’. Dat is het tegendeel van heetgebakerd zijn. “Iemand met inzicht” zal zijn geduld niet verliezen en niet verhit raken tijdens een discussie. We leren hier dat we om kalmte, bedaardheid, zelfbeheersing en terughoudendheid te hebben, kennis en inzicht moeten ontwikkelen.

De wijze heeft een bron van kennis in zich. Die kennis heeft hij opgedaan omdat hij wijs is. Dat hij die kennis nu heeft, betekent dat hij wijs is en weet wat hij wel en vooral ook wat hij niet moet zeggen. Hij zal zich niet op zijn kennis beroemen en een man van weinig woorden zijn. Hij is geduldig en wacht af wanneer het Gods tijd is om iets te zeggen.

Zwijgen is een teken van wijsheid (vers 2828Zelfs een dwaas die zwijgt, wordt wijs geacht,
wie zijn lippen op elkaar houdt, verstandig.
)
. Zelfs een dwaas lijkt wijs en wordt wijs geacht als hij zwijgt, dat wil zeggen door wie hem niet kent. In elk geval verbergt hij zijn dwaasheid door te zwijgen. Als dit al voor de dwaas geldt, hoeveel te meer geldt dan voor de wijze dat zijn zwijgen bewijst dat hij een wijze is. Natuurlijk wordt de dwaze niet wijs; hij verbergt alleen zijn dwaasheid. De dwaas kan wel zwijgen en de indruk geven dat hij wijs is, maar God kent zijn hart en ook de wijze zal zich niet laten misleiden.


Lees verder