Spreuken
1-5 De HEERE is soeverein 6-9 Leven onder de soevereiniteit van God 10-15 Kenmerken van een koning naar Gods hart 16 Wijsheid en inzicht zijn beter dan goud en zilver 17 De gebaande weg 18-19 Nederigheid is beter dan hoogmoed 20-24 De waarde van het Woord en woorden 25 Het einde van een schijnbaar rechte weg 26 Honger spoort aan tot werken 27-30 De verdorven, verderfelijke, gewelddadige man 31-32 Grijsheid, geduld en zelfbeheersing 33 De mens wikt, God beschikt
De HEERE is soeverein

1Een mens heeft overleggingen in het hart,
maar het antwoord van de tong komt van de HEERE.
2Al [zijn] wegen zijn iemand zuiver in zijn [eigen] ogen,
maar de HEERE toetst de geesten.
3Vertrouw uw werken aan de HEERE toe,
en uw plannen zullen bevestigd worden.
4De HEERE heeft alles gemaakt omwille van Zichzelf,
ja, zelfs de goddeloze voor de dag van het onheil.
5Al wie hooghartig is, is voor de HEERE een gruwel.
Hand op hand: hij zal niet voor onschuldig gehouden worden.

Vers 11Een mens heeft overleggingen in het hart,
maar het antwoord van de tong komt van de HEERE.
geeft aan dat de HEERE boven de “overleggingen in het hart” van “een mens” staat. Het woord “maar” aan het begin van de tweede versregel veronderstelt dat er een contrast is met de eerste versregel. In de eerste versregel gaat het over de mens en de overleggingen die hij in zijn hart heeft. In de tweede versregel gaat het over “de HEERE” Die “het antwoord van de tong” van de mens laat komen. Dat hier en in de volgende verzen over “de HEERE” (Jahweh) wordt gesproken, laat zien dat de nadruk ligt op Gods relatie met de mens.

De mens kan en mag overleggingen in zijn hart hebben. Het woord ‘overleggingen’ heeft te maken met het in geregelde orde opstellen van een plan met de bedoeling dat op die manier uit te voeren. Maar als het om de uitvoering gaat, is het belangrijk te beseffen dat God het laatste woord heeft. Hij beslist over de uitvoering ervan en die kan wel eens anders zijn dan de mens had gedacht. Het gaat om de erkenning van God in het uitvoeren van de plannen die een mens maakt.

Het is een algemene spreuk die opgaat voor ieder mens, gelovig en ongelovig. Een ongelovige erkent God niet en betrekt Hem niet bij zijn plannen en de uitvoering ervan. Toch heeft God ook hier het laatste woord. Een voorbeeld daarvan is Bileam. Hij had overleggingen in zijn hart om Gods volk te vervloeken, maar God heeft hem zegeningen over Zijn volk laten uitspreken (Numeri 23-24).

Vers 22Al [zijn] wegen zijn iemand zuiver in zijn [eigen] ogen,
maar de HEERE toetst de geesten.
geeft aan dat de HEERE boven de “wegen” van de mens staat. Met “wegen” wordt het geheel van zijn wegen bedoeld, zijn hele handel en wandel, alles wat hij zegt en doet. Als de mens zichzelf beoordeelt, als hij zichzelf met zijn eigen ogen bekijkt, vindt hij dat hij “zuiver” is. Hij ziet geen onzuiverheid in zijn motieven. Maar omdat hij zichzelf beoordeelt, kan hij niet objectief zijn. Gebrek aan zelfkennis en de grote kans op zelfbedrog maken zijn zelfbeoordeling onbetrouwbaar. De spreuk veronderstelt dat een dergelijke voortijdige mening over zichzelf op zijn best naïef en op zijn slechtst zelfvoldaan is.

Maar de HEERE doorgrondt het gedrag en kent de motieven ervan. Hij toetst of beproeft de geesten waardoor iemand tot zelfbeoordeling komt. In Zijn licht kan blijken dat iemand verre van zuiver in zijn motieven is. Als God zegt: “De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan” (1Sm 16:77Maar de HEERE zei tegen Samuel: Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.), geldt dat niet alleen als we naar anderen kijken, maar ook als we naar onszelf kijken. Het toetsen van de geesten is meer dan alleen het toetsen van de motieven. God ziet ook de gezindheid waarin iemand spreekt en werkt. Is er gehoorzaamheid of opstandigheid?

De conclusie is dat we onszelf gemakkelijk bedriegen en daarom niet in staat zijn onszelf volledig te evalueren. Alleen God komt tot een volmaakte, alles doordringende taxatie. Verstandelijke verklaringen en zelfrechtvaardiging zijn eigen aan de natuur van de gevallen mens. Maar God ziet door het rookgordijn daarvan heen en weet wat een mens innerlijk drijft.

We kunnen de splinter in het oog van onze broeder zien en tegelijkertijd blind zijn voor de balk in ons eigen oog (Mt 7:33En wat ziet u de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog merkt u niet?). We zijn blind voor onze eigen fouten en menen dat we helemaal goed zitten. Maar de Heer kent ons volkomen. Als het goed is, zijn we ons van niets bewust en tegelijk weten we dat we daardoor niet gerechtvaardigd zijn, omdat de kennis van onszelf heel beperkt is. Daarom is het goed het uiteindelijke oordeel over onszelf en onze dienst aan de Heer over te laten (1Ko 4:4-54Want ik ben van mij niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij Die mij beoordeelt, is [de] Heer.5Oordeelt daarom niets vóór [de] tijd, totdat de Heer komt, Die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God.).

Vers 33Vertrouw uw werken aan de HEERE toe,
en uw plannen zullen bevestigd worden.
geeft aan dat de HEERE boven de “werken” van de mens staat. Willen onze plannen slagen, dan moeten we afhankelijk zijn van God. Daarom moeten we onze werken, wat we van plan zijn te gaan doen, aan Hem toevertrouwen. Het werkwoord ‘toevertrouwen’ is letterlijk ‘wentelen’ of ‘rollen’. Het beeld is dat van het wentelen of rollen van lasten. Het houdt in dat we de zorg voor de werkzaamheden, het project en de uitvoering ervan, als een steen van onszelf afwentelen en wentelen in de richting van God en zo die zorg aan Hem toevertrouwen (vgl. Ps 22:88Allen die mij zien, bespotten mij;
zij trekken de lippen op, zij schudden het hoofd [en zeggen]:
; 37:55Wentel uw weg op de HEERE/gimel/
en vertrouw op Hem: Híj zal het doen.
; 55:2222Zijn mond is gladder dan boter,
maar zijn hart wil strijd;
zijn woorden zijn zachter dan olie,
maar het zijn getrokken zwaarden.
)
. We doen dat door wat ons bezighoudt in gebed bij Hem neer te leggen.

Als we dat doen, zullen onze plannen bevestigd worden, dat wil zeggen uitgevoerd worden, tot stand komen. Het toont volledige afhankelijkheid van God. Het wel of niet slagen van onze plannen hangt niet af van toevallige gebeurtenissen of tegenstanders, maar van God. Daarom moeten we onze werken aan Hem toevertrouwen. Toevertrouwen houdt in dat we alles op Hem werpen en bij Hem laten (1Pt 5:77terwijl u al uw bezorgdheid op Hem werpt, want Hij zorgt voor u.). Het is een eenmalige zaak. Het is goed om de dag te beginnen met ons aan Hem toe te vertrouwen voor alles wat ons die dag gepland of ongepland zal bezighouden.

Vers 44De HEERE heeft alles gemaakt omwille van Zichzelf,
ja, zelfs de goddeloze voor de dag van het onheil.
zegt dat de HEERE boven al Zijn werken staat, ook boven de goddeloze. Alles wat Hij heeft gemaakt, is onderdeel van Zijn plan. Er bestaat niets ‘toevallig’; er bestaan geen ‘losse eindjes’ in Zijn wereld. Hij staat aan het begin van alles en heeft alles gemaakt met een doel. Alles wat er is, beantwoordt aan Zijn bedoeling. Dat doel is Zijn verheerlijking (Ko 1:1616want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.). Al Zijn werken zullen Hem loven (Ps 145:1010Al Uw werken zullen U loven, HEERE; /jod/
Uw gunstelingen zullen U danken.
)
.

Dat geldt ook voor de goddeloze. Als hij in het oordeel terechtkomt, is dat omdat dit bij zijn leven past. Zo heeft God het verordend. We mogen hieruit niet de verkeerde conclusie trekken dat God de Auteur van het kwaad zou zijn. God kan niet zondigen en verleidt niemand tot zonde (Jk 1:13-1513Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.14Maar ieder wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt.15Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volwassen geworden is, brengt zij [de] dood voort.). Van Hem komen alleen goede dingen (Jk 1:16-1816Dwaalt niet, mijn geliefde broeders.17Elke goede gave en elk volmaakt geschenk daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering.18Naar Zijn wil heeft Hij ons voortgebracht door [het] Woord van [de] waarheid, opdat wij in zekere zin een eersteling van Zijn schepselen zouden zijn.).

God heeft de mens goed gemaakt (Gn 1:2727En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.), maar de mens is zich goddeloos gaan gedragen (Pr 7:2929Alleen, zie, dit heb ik gevonden:
dat God de mens oprecht gemaakt heeft,
maar zij hebben vele uitvluchten gezocht.
)
. God roept de goddeloze op zich te bekeren (Hd 17:3030Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren,), want Hij heeft geen lust in de dood van de zondaar (Ez 33:1111Zeg tegen hen: [Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik vind geen vreugde in de dood van de goddeloze, maar daarin dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft! Bekeer u, bekeer u van uw slechte wegen, want waarom zou u sterven, huis van Israël?). Maar als deze zich niet bekeert vóór de dag van het oordeel, zal hij in die dag omkomen. De goddeloze en de dag van het onheil horen bij elkaar.

Goddelozen hebben God niet geëerd in hun leven. Zij zullen dat gedwongen doen in het oordeel (Fp 2:10-1110opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,11en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.). De goddeloze is niet gemaakt om goddeloos te leven en goddeloos te sterven. Er is geen uitverkiezing om verworpen te worden. De Heer Jezus zegt van Judas Iskariot dat het goed voor hem zou zijn geweest “als hij niet geboren was” (Mt 26:2525Het zou goed voor die mens zijn als hij niet geboren was. Judas nu, die Hem overleverde, antwoordde en zei: Ik toch niet, Rabbi? Hij zei tot hem: Jij hebt het gezegd.). Judas is volledig verantwoordelijk voor de keus die hij heeft gemaakt om de Heer Jezus tegen betaling te verraden en over te leveren. Tegelijk wist God hem te gebruiken voor het uitvoeren van Zijn plan.

Alles heeft een doel. Het bestaan van de goddeloze lijkt met dat doel te spotten. Daarom wordt hier duidelijk gezegd dat “de goddeloze” is gemaakt “voor de dag van het oordeel”. De goddeloze richt zich op het doel dat hem door God vanwege zijn goddeloosheid is toegewezen. Ook uit het oordeel over de goddeloze – waarbij we vooral, maar niet uitsluitend, kunnen denken aan de antichrist, de mens van de zonde – blijkt Gods verhevenheid boven alles wat Hij heeft gemaakt.

Vers 55Al wie hooghartig is, is voor de HEERE een gruwel.
Hand op hand: hij zal niet voor onschuldig gehouden worden.
zegt dat de HEERE staat boven “al wie hooghartig is”. De goddeloze van vers 4b4De HEERE heeft alles gemaakt omwille van Zichzelf,
ja, zelfs de goddeloze voor de dag van het onheil.
heeft volgelingen: een ieder die hoogmoedig is. ‘Hooghartig’ beschrijft de arrogantie van hen die zich aanmatigend tegen God opstellen (2Kr 26:1616Maar toen hij sterk geworden was, werd zijn hart hoogmoedig, tot [zijn eigen] verderf. Hij werd ontrouw aan de HEERE, zijn God. Hij ging namelijk de tempel van de HEERE binnen om [reukwerk] in rook te laten opgaan op het reukofferaltaar.; Ps 131:11Een pelgrimslied, van David.
HEERE, mijn hart is niet hoogmoedig,
mijn ogen zijn niet trots,
ook wandel ik niet in [dingen]
die te groot en te wonderlijk voor mij zijn.
)
. Het is niet alleen de hoogmoedige oogopslag, maar de hoogmoed in het hart waardoor iemand zich verheft boven alles en iedereen. Hoogmoed is het kenmerk van de satan en de antichrist en al hun volgelingen. Omdat hoogmoed de verhevenheid betwist die God boven alles heeft en omdat de hoogmoedige die plaats zelf wil innemen, is deze zonde een gruwel voor Hem. Het is de zonde van de satan en de mens.

God zal die zonde wreken. Dat is absoluut zeker. Het is net zo zeker als de handslag (“hand op hand”) iets bevestigt. Deze arrogante mensen zullen niet als onschuldigen ongestraft vrijuit gaan. God zal allen vernederen die arrogant en trots zijn (Js 2:11-1211De hoogmoedige ogen van de mensen zullen neergeslagen worden,
en de trots van de mannen zal neergebogen worden.
Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.
12Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is,
tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;
)
.


Leven onder de soevereiniteit van God

6Door goedertierenheid en trouw wordt een misdaad verzoend,
en door de vreze des HEEREN keert men zich af van het kwade.
7Als de HEERE behagen schept in iemands wegen,
zal Hij zelfs zijn vijanden vrede met hem doen sluiten.
8Beter is een weinig met gerechtigheid,
dan een veelheid aan inkomsten zonder recht.
9Het hart van een mens overdenkt zijn weg,
maar de HEERE bestuurt zijn voetstappen.

Het gaat in vers 66Door goedertierenheid en trouw wordt een misdaad verzoend,
en door de vreze des HEEREN keert men zich af van het kwade.
over de volledige bevrijding van de zonde, waardoor die bevrijding tot stand is gekomen en wat daarvan het gevolg is in de praktijk. De eerste versregel spreekt over de verzoening van een misdaad. De tweede versregel spreekt over het zich afkeren van het kwade.

“Goedertierenheid en trouw” zijn eigenschappen van God. Ze worden bijzonder zichtbaar op het kruis (Ps 85:1111Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar,
gerechtigheid en vrede kussen [elkaar].
)
. God heeft door het kruiswerk van Zijn Zoon Jezus Christus de verzoening bewerkt voor ieder die gelooft. Zijn goedertierenheid spreekt ervan dat Hij vol goedheid en liefde voor de mens is. Dat heeft Hij laten zien in de gave van Zijn Zoon.

Zijn trouw heeft te maken met Zijn trouw aan de waarheid. Hij kan niet zonder meer aan de zonde voorbijgaan. De zonde moet worden geoordeeld. Dat heeft Hij gedaan in het oordeel dat Hij over Zijn Zoon heeft gebracht. Zijn trouw aan de waarheid houdt ook in dat Hij ieder met Zichzelf verzoent die het offer aanvaardt dat Hij in Christus heeft gebracht.

Wie deel heeft aan de verzoening van zijn misdaden, is bevrijd van de macht van de zonde. In zijn leven zal te zien zijn dat hij de zonde niet meer dient en dat hij zich van het kwade afkeert. Dat kan hij niet in eigen kracht. De stimulans daarvoor ligt in “de vreze des HEEREN”. Uit liefde en eerbied voor God zal hij niets meer met het kwade, met de zonde, te doen willen hebben om alleen nog tot eer van God te leven (Tt 2:11-1211Want de genade van God, heilbrengend voor alle mensen, is verschenen12en onderwijst ons, dat wij met verzaking van de goddeloosheid en de wereldse begeerten ingetogen, rechtvaardig en Godvruchtig zouden leven in deze tegenwoordige eeuw,).

Als “iemands wegen” de HEERE behagen, is dat omdat die Hem herinneren aan de wegen die de Heer Jezus op aarde is gegaan en waarin Hij een volkomen welbehagen had (vers 77Als de HEERE behagen schept in iemands wegen,
zal Hij zelfs zijn vijanden vrede met hem doen sluiten.
)
. Die wegen roepen in eerste instantie haat op van de zijde van de wereld en geen vrede. Toch zullen vijanden het voordeel van een dergelijke weg erkennen en vanwege dat voordeel vriendschap met hem zoeken.

Een levensstijl die God behaagt, ontwapent sociale vijandigheid. Het leven dat God behaagt, is een leven dat wordt geleefd in geloof (Hb 11:66Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een Beloner is van hen die Hem zoeken.). Het zal onberispelijk zijn en genade vinden bij anderen. God kan dat bewerken. Het gaat niet om alle vijandschap van alle vijanden, maar in bepaalde situaties, waarin Hij dat wil. Iemand kan door vijanden worden aangeklaagd en in de gevangenis worden geworpen. In de gevangenis kan God de harten van de medegevangenen bewerken om de gelovige te aanvaarden en te waarderen. Jozef heeft dat ervaren.

We moeten niet vergeten dat deze spreuk niet voor alle situaties geldig moet worden verklaard. Een andere regel, die even geldig is, is dat gelovigen in de wereld verdrukking hebben (Jh 16:3333Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.), zoals ook “allen die Godvruchtig willen leven in Christus Jezus” vervolgd zullen worden (2Tm 3:1212En ook allen die Godvruchtig willen leven in Christus Jezus zullen vervolgd worden.).

De weinige bezittingen die iemand heeft, maar die op een rechtvaardige manier zijn verkregen, zijn beter dan “een veelheid aan inkomsten” die op een oneerlijke manier, ”zonder” daarop “recht” te hebben, zijn verkregen (vers 88Beter is een weinig met gerechtigheid,
dan een veelheid aan inkomsten zonder recht.
)
. “Weinig” betekent niet per definitie extreme armoede; het zou kunnen verwijzen naar een bescheiden inkomen. Het gaat om wat voldoening geeft in het leven en dat is Gods goedkeuring en gemeenschap met Hem. God verafschuwt oneerlijk verkregen inkomsten.

Wat op oneerlijke wijze wordt verkregen, wordt ook niet goed gebruikt. Wat eerlijk is verdiend, wordt goed besteed en wel om van te leven en ook om er goed mee te doen aan anderen. Wat oneerlijk is verkregen, wordt verbrast in een losbandig leven. Wie daar eenmaal de smaak van te pakken heeft, is onverzadigbaar en zal zich nog meer zonder recht willen toe-eigenen om zijn luxe levensstijl te kunnen financieren.

De weduwe in Zarfath, die weinig had, maar met Elia de hulpbronnen van God in huis had (1Kn 17:10-1510Vervolgens stond hij op en ging naar Zarfath. Toen hij bij de ingang van de stad kwam, zie, daar was een weduwvrouw hout aan het sprokkelen. Hij riep tot haar en zei: Haal toch een beetje water voor mij in deze kruik, zodat ik kan drinken.11Toen zij [op weg] ging om het te halen, riep hij haar na en zei: Breng toch [ook] een stuk brood voor mij mee.12Maar zij zei: [Zo waar] de HEERE, uw God, leeft! Ik heb geen broodkoek [meer], behalve een handvol meel in de pot en een beetje olie in de kruik! En zie, ik ben een paar stukken hout aan het sprokkelen. Zodra ik [thuis] kom, ga ik het voor mij en voor mijn zoon klaarmaken. Daarna zullen we het opeten en sterven.13Maar Elia zei tegen haar: Wees niet bevreesd! Ga, doe overeenkomstig uw woord, maar maak er eerst voor mij een kleine koek van en breng die bij mij. Maak daarna voor u en voor uw zoon [iets] klaar.14Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Het meel in de pot zal niet opraken en in de kruik zal het aan olie niet ontbreken tot op de dag dat de HEERE regen op de aardbodem geven zal.15Zij ging en deed overeenkomstig het woord van Elia. Zo at zij, en hij, en haar gezin, [vele] dagen.), was beter af dan Izebel met haar ‘veelheid aan inkomsten zonder recht’ (2Kn 9:32-3732Hij keek omhoog naar het venster en zei: Wie is er met mij, wie? Toen zagen twee, drie hovelingen op hem neer.33Hij zei: Gooi haar naar beneden. En zij gooiden haar naar beneden, zodat [een deel] van haar bloed tegen de muur en tegen de paarden spatte, en hij vertrapte haar.34Vervolgens ging hij naar binnen en at en dronk. Toen zei hij: Zie toch om naar die vervloekte en begraaf haar; ze is immers een koningsdochter.35En zij gingen [ernaartoe] om haar te begraven, maar zij vonden niets van haar dan haar schedel, [haar] voeten en haar handpalmen.36Toen kwamen zij terug en vertelden het hem. Hij zei: Dit is het woord van de HEERE dat Hij gesproken heeft door de dienst van Zijn dienaar Elia, de Tisbiet, [die zei]: Op het stuk [land] van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten.37En het dode lichaam van Izebel zal zijn als mest op het veld, in het stuk [land] van Jizreël, zodat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel.). In geestelijke zin kunnen we dit toepassen op de gemeente op aarde. De ware gelovigen, de ware kerk, hebben weinig in aards opzicht, maar bezitten Gods gerechtigheid in Christus. Ze hebben kleine kracht. Daartegenover staat de valse kerk, het rooms-katholieke systeem dat zich erop beroemt alle geestelijke rijkdom te bezitten, maar zonder recht. De ware kerk heeft niets behalve Christus, de valse kerk heeft alles behalve Christus.

Vers 99Het hart van een mens overdenkt zijn weg,
maar de HEERE bestuurt zijn voetstappen.
toont het contrast aan dat er kan zijn tussen wat wij van plan zijn en wat er werkelijk gebeurt. God bepaalt wat er werkelijk gebeurt. We mogen plannen maken voor de weg die we willen gaan. Maar als we stappen willen zetten om die weg te gaan, moeten we blijven bedenken dat uiteindelijk de Heer ons leven bestuurt (Jr 10:2323Ik weet, HEERE,
dat het niet aan de mens is zijn weg,
[dat] het niet aan een man is [zijn] gang te [bepalen]
en zijn voetstappen te richten.
; Ps 37:2323De voetstappen van [die] man worden door de HEERE vastgezet,/mem/
Hij vindt vreugde in zijn weg.
)
. Het gaat erom dat we leren zeggen: “Als de Heer het wil en wij leven, zullen wij dit of dat doen” (Jk 4:1515In plaats dat u zegt: Als de Heer het wil en wij leven, zullen wij dit of dat doen.; Jk 4:13-1413Komaan dan, u die zegt: Vandaag of morgen zullen wij naar die stad gaan en daar een jaar doorbrengen en handel drijven en winst maken;14u die niet weet wat morgen [gebeuren] zal. (Want hoe is uw leven? Want u bent een damp die een korte tijd gezien wordt en daarna verdwijnt); 1Th 3:1111Maar onze God en Vader Zelf en onze Heer Jezus <Christus> moge onze weg tot u banen!).


Kenmerken van een koning naar Gods hart

10Een beslissend vonnis ligt op de lippen van een koning,
in de rechtspraak pleegt zijn mond geen trouwbreuk.
11Een betrouwbare waag en weegschaal behoren de HEERE toe,
alle [weeg]stenen in de buidel zijn Zijn werk.
12Voor koningen is het een gruwel goddeloos te handelen,
want door gerechtigheid wordt een troon bevestigd.
13Koningen hebben een welgevallen aan lippen die oprechtheid [spreken],
zij hebben lief wie oprechte [woorden] spreekt.
14De woede van een koning is [als] de boden van de dood,
maar een wijze man verzoent die.
15In het licht van het gezicht van een koning is leven,
zijn welgevallen is als een wolk met late regen.

In de verzen 10-1510Een beslissend vonnis ligt op de lippen van een koning,
in de rechtspraak pleegt zijn mond geen trouwbreuk.
11Een betrouwbare waag en weegschaal behoren de HEERE toe,
alle [weeg]stenen in de buidel zijn Zijn werk.
12Voor koningen is het een gruwel goddeloos te handelen,
want door gerechtigheid wordt een troon bevestigd.
13Koningen hebben een welgevallen aan lippen die oprechtheid [spreken],
zij hebben lief wie oprechte [woorden] spreekt.
14De woede van een koning is [als] de boden van de dood,
maar een wijze man verzoent die.
15In het licht van het gezicht van een koning is leven,
zijn welgevallen is als een wolk met late regen.
volgt een serie spreuken over koningen. Wat in deze verzen van een koning en van koningen wordt gezegd, wordt volmaakt in praktijk gebracht door de Heer Jezus, zowel nu in Zijn regering in verborgenheid als binnenkort, wanneer Hij openlijk over de wereld zal regeren. Koningen zijn de vertegenwoordigers van God op aarde (Rm 13:1-71Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.2Wie zich dus tegen de overheid verzet, weerstaat de instelling van God; en zij die weerstaan, zullen oordeel voor zichzelf ontvangen.3Want de overheidspersonen zijn niet voor het goede, maar voor het kwade werk te vrezen. Wilt u nu de overheid niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben,4want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.5Daarom is het nodig onderdanig te zijn, niet alleen om de straf, maar ook om het geweten.6Want daarom betaalt u ook belasting; immers, zij zijn dienaars van God, juist daarin voortdurend werkzaam.7Geeft aan allen wat hun toekomt: belasting, aan wie belasting; tol, aan wie tol; vrees, aan wie vrees; eer, aan wie eer [toekomt].). God wil dat in hun spreken en handelen Zijn eigenschappen als rechtvaardige Regeerder tot uitdrukking komen.

Dat geldt ook voor het spreken en handelen van de gelovigen in deze tijd, want zij zijn een koninklijk priesterdom (1Pt 2:99U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht,) en gemaakt tot een koninkrijk (Op 1:66en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen.). Ze hebben nog geen regeringstaken, maar hebben wel de waardigheid van koningen en behoren zich daar ook naar te gedragen.

De eerste en voornaamste taak van iemand die regeert, is rechtvaardige beslissingen nemen (vers 1010Een beslissend vonnis ligt op de lippen van een koning,
in de rechtspraak pleegt zijn mond geen trouwbreuk.
)
. Een koning moet rechtvaardige uitspraken in geschillen doen. Als er “een beslissend vonnis op de lippen van een koning ligt”, ziet dat op een officiële rechterlijke uitspraak van hem in zijn hoedanigheid als koning. Tegen een dergelijk vonnis is geen beroep mogelijk en ook niet nodig. Het is letterlijk een ‘orakel’, een Godsspraak, want hij vertegenwoordigt God. Het betekent niet dat hij onfeilbaar is, maar het maakt duidelijk wat voor verantwoordelijke functie hij heeft. Zo zijn ook wij er verantwoordelijk voor, als wij met onze genadegave dienen, dat ons spreken moet zijn “als uitspraken van God” (1Pt 4:1111Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God; als iemand dient, laat het zijn als uit sterkte die God verleent, opdat in alles God verheerlijkt wordt door Jezus Christus, aan Wie de heerlijkheid en de kracht is tot in alle eeuwigheid! Amen.). Ook hier is het woord ‘uitspraken’ letterlijk ‘orakels’.

De koning die zich van zijn hoge positie en grote verantwoordelijkheid bewust is, zal in “de rechtspraak” met “zijn mond geen trouwbreuk” plegen. Dit geldt volmaakt voor de Heer Jezus. Trouwbreuk in de rechtspraak is een rechtspraak die in strijd is met de waarheid. In dat geval spreekt een koning de schuldige vrij en veroordeelt hij de onschuldige. Dat doet God nooit en de Heer Jezus dus ook niet. Ook een gelovige die leeft in gemeenschap met God en Christus zal dat nooit doen.

Vers 1111Een betrouwbare waag en weegschaal behoren de HEERE toe,
alle [weeg]stenen in de buidel zijn Zijn werk.
staat tussen verzen in die over een koning en koningen gaan. Daarom is dit vers in de eerste plaats op hen van toepassing. Zij moeten volkomen eerlijk, integer, zijn. Niet een koning bepaalt wat eerlijk en oneerlijk is, maar God. God is de soevereine Heerser over de moraal, niet de koning. God is de bron van eerlijkheid en rechtvaardigheid in alle menselijke verhoudingen en handelingen. De spreuk gaat over “een betrouwbare waag en weegschaal” en over “[weeg]stenen”. In de wet van de HEERE staat dat de middelen om te wegen rechtvaardig moeten zijn (Lv 19:3636U moet een zuivere weegschaal hebben, zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin. Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte geleid heeft.; Dt 25:1313U mag niet twee verschillende [weeg]stenen in uw zak hebben, een grote en een kleine.; Am 8:55door te zeggen: Wanneer is de nieuwemaansdag voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? En de sabbat, zodat wij de korenschuren kunnen openen? U maakt de efa kleiner, de sikkel groter, en u bedriegt met valse weegschalen.; Mi 6:1111Zou Ik rein zijn met een goddeloze weegschaal
en met een zak valse [weeg]stenen?
)
.

God heeft de mens de bekwaamheid gegeven om met maten en gewichten te werken. Het is aan Hem te danken dat ze er zijn. Zoals Hij de boer onderwijst hoe hij het land moet bewerken (Js 28:23-2923Neem ter ore en luister naar mijn stem,
sla er acht op en luister naar mijn woorden!
24Ploegt de ploeger heel de dag door om te zaaien?
Blijft hij zijn land [altijd maar] openleggen en eggen?
25Is het niet zo: heeft hij de bovenlaag ervan geëffend,
dan strooit hij wikke uit, zaait er komijn op,
en zet tarwe op rij, gerst per vak,
en spelt aan de rand?
26Zijn God onderwijst hem
over de juiste wijze. Hij onderwijst hem.
27Want men dorst wikke toch niet met een dorsslede,
en rolt over komijn toch geen wagenwiel?
Maar wikke wordt uitgeklopt met een stok,
en komijn met een staak.
28Broodkoren moet [wel] fijngemaakt worden,
maar hij dorst en dorst
[het] niet voor altijd door;
hij plet het niet met zijn wagenwiel,
met zijn paarden verpulvert hij het niet.
29Ook dit gaat uit van de HEERE van de legermachten.
Hij is wonderbaar van raad, Hij is groot in wijsheid.
)
, zo onderwijst Hij ook de koopman en ieder die handelt. Hij maakt een geregelde koop en verkoop mogelijk doordat Hij aan de mens de kunde van het wegen heeft gegeven. Daardoor kan hij op een eerlijke manier geld verdienen en daarmee voorzien in zijn levensonderhoud.

Omdat de mens zondig is, moet hem worden gezegd dat hij niet met afwijkende, dus valse, maten en gewichten mag werken. Hij moet betrouwbaar zijn. Dat geldt bovenal voor hen die een voorbeeldfunctie hebben zoals koningen, maar ook ouders, oudsten, onderwijzers.

Doortrapte handelaren hadden lichte en zware gewichten voor oneerlijke transacties. Ze gebruikten lichte gewichten als ze iets moesten verkopen, waardoor ze minder goederen meegaven dan waarvoor werd betaald. In onze tijd kunnen we denken aan het voeren van twee boekhoudingen, waarbij steeds de boekhouding die het meeste voordeel oplevert als bewijsstuk wordt getoond.

Betrouwbaarheid in handelstransacties moet er ook zijn als het om geestelijke zaken gaat. Als er afwegingen gemaakt moeten worden in een geestelijke zaak, moet dat ook eerlijk gebeuren. Sympathie of antipathie mag geen rol spelen. Er moet naar de zaak zelf worden gekeken, zonder aanzien des persoons. Het is ook belangrijk de waarheid van Gods Woord evenwichtig of uitgebalanceerd voor te stellen en niet bepaalde waarheden te beklemtonen ten koste van andere waarheden.

Een rechtvaardige koning doet niet alleen recht, maar het is voor hem ook “een gruwel goddeloos te handelen” (vers 1212Voor koningen is het een gruwel goddeloos te handelen,
want door gerechtigheid wordt een troon bevestigd.
)
. Hij verafschuwt overspel en moord die anderen begaan, maar verafschuwt die zonden ook voor zichzelf. Wat voor anderen verkeerd is, is zeker verkeerd voor koningen, die geacht worden het verkeerde te straffen.

Als zij zelf goddeloos zouden handelen, zou dat hun troon in gevaar brengen. Een rechtvaardig bestuur bepaalt de stabiliteit van regeerders. Daarom verafschuwen koningen het plegen van strafbare feiten. De regering van de Heer Jezus beantwoordt hier volkomen aan (Ps 45:7-8a7Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd;
de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid.
8U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,
met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
; 89:15a15Gerechtigheid en recht zijn het fundament van Uw troon,
goedertierenheid en trouw gaan voor Uw aangezicht uit.
)
.

Godvrezende koningen houden van oprechtheid en niet van huichelachtige vleierij (vers 1313Koningen hebben een welgevallen aan lippen die oprechtheid [spreken],
zij hebben lief wie oprechte [woorden] spreekt.
)
. Vleierij is aan de orde van de dag in paleizen, maar wordt veracht door hem die in de vreze Gods regeert. Mensen die eerlijk en openhartig zijn, zijn waardevol voor landsbestuurders. Politieke leiders weten dat de samenleving waarover zij gezag hebben, zonder zulke mensen in een chaos verandert. Alleen als de waarheid regeert, wordt er goed geregeerd. Een koning die rechtvaardig wil regeren, zal betrouwbare mensen in zijn regering opnemen.

Als de woede van een koning is ontstoken, gaat daarvan een doodsdreiging uit (vers 1414De woede van een koning is [als] de boden van de dood,
maar een wijze man verzoent die.
)
. De uitingen van zijn woede zijn boden van de dood voor hem of hen over wie zijn woede is ontbrand. Wie het voorwerp van zijn woede zijn, doen er goed aan zich wijs te gedragen. Alleen wijsheid biedt een mogelijkheid om aan de dood als gevolg van de woede van de koning te ontkomen (Pr 10:44Als de geest van de heerser zich tegen u keert, verlaat [dan] uw plaats niet, want het is een medicijn, het voorkomt grote zonden.).

Gods woede is ontbrand tegen de zonde. Hij laat de waarschuwing voor het oordeel van de dood door boden uitgaan. Wie naar die boden luistert en erkent dat Zijn oordeel terecht is, en daarmee zijn juiste plaats voor Hem inneemt, ziet dat er een wijze Man is, Die verzoening heeft bewerkt. Christus heeft de woede van God over de zonde gestild voor ieder die gelooft, door in de plaats van ieder die gelooft de woede van Gods toorn te ondergaan. Daardoor is ieder die gelooft en de verzoening aanvaardt, ook wijs.

De verzen 1414De woede van een koning is [als] de boden van de dood,
maar een wijze man verzoent die.
en 15 horen bij elkaar. Een koning heeft macht over dood (vers 1414De woede van een koning is [als] de boden van de dood,
maar een wijze man verzoent die.
)
en leven (vers 1515In het licht van het gezicht van een koning is leven,
zijn welgevallen is als een wolk met late regen.
)
. Vers 1515In het licht van het gezicht van een koning is leven,
zijn welgevallen is als een wolk met late regen.
is de keerzijde van vers 1414De woede van een koning is [als] de boden van de dood,
maar een wijze man verzoent die.
. Tegenover de donkere woede van een koning met als dreiging de dood staat het licht van zijn gezicht met als uitkomst het leven. Dit licht straalt van Gods gezicht voor allen die met Hem verzoend zijn door het werk van Christus. Wie leeft in het licht, leeft het ware leven. Licht en leven horen bij elkaar (Jh 1:44In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen.).

Op hen die in het licht van Zijn gezicht wandelen, rust Zijn welgevallen. Het betekent dat zij in gemeenschap met Hem leven. Daardoor gaat er voor hen een grote zegen van Hem uit. Hij is voor hen “als een wolk met late regen”. In Israël is de late regen de regen die vlak voor de oogst valt. Daardoor krijgt de oogst een laatste groeistimulans om tot volle rijpheid te komen. Het is ook een beeld van de komst van de Heer Jezus voor Zijn volk (Hs 6:33Dan zullen wij kennen,
wij zullen ernaar jagen de HEERE te kennen!
Zijn verschijning staat vast als de dageraad.
Ja, Hij komt naar ons toe als de regen,
als late regen, die het land natmaakt.
)
en bovendien een beeld van Hem Zelf (Ps 72:66Hij zal neerdalen als regen op het gemaaide [veld],
als regendruppels die de aarde bevochtigen.
)
. De grootste zegen van het leven in het licht van Gods gezicht is de gemeenschap met Christus. Dat bewerkt geestelijke groei en een uitzien naar Zijn komst.

In profetische zin ziet het op de zegen die Christus in Zijn regering op aarde voor de aarde zal betekenen. Onder Zijn rechtvaardige regering zal het land een welvaart kennen die het nooit eerder heeft gekend (Ps 72:15-1715Hij zal leven!
Men zal Hem van het goud van Sjeba geven,
men zal voortdurend voor Hem bidden,
de hele dag zal men Hem zegenen.
16Is er een handvol koren op het land,
op de top van de bergen,
de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon;
de stedelingen zullen bloeien als het gewas op de aarde.
17Zijn Naam zal voor eeuwig blijven;
zolang de zon er is, wordt Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant.
Zij zullen in Hem gezegend worden;
alle heidenvolken zullen Hem gelukkig prijzen.
)
.


Wijsheid en inzicht zijn beter dan goud en zilver

16Hoeveel beter is het verwerven van wijsheid dan bewerkt goud,
en het verwerven van inzicht is verkieslijker dan zilver!

Wijsheid is niet een beetje, maar veel waardevoller dan het zuiverste goud. Wijsheid bouwt een mens op, goud bouwt zijn bezit op. Wijsheid en rijkdom zijn niet onverenigbaar. Het gaat in deze vergelijking om het verschil tussen rijkdom zonder wijsheid en wijsheid zonder rijkdom. Aardse rijkdom zonder hemelse wijsheid komt vaak voort uit hebzucht of ontaardt daar vaak in.

De kracht van de spreuk is mensen aan te moedigen wijsheid en inzicht te verwerven. Als de keus (wat is “verkieslijker”) moet worden gemaakt tussen het verwerven van inzicht en het verwerven van zilver, stelt Salomo duidelijk dat de keus op het verwerven van inzicht moet vallen. Goud en zilver zijn aardse, tijdelijke dingen; wijsheid en inzicht, die alleen van God kunnen komen, zijn van blijvende waarde. Geen enkel edelmetaal geeft de ziel voldoening.

De betekenis van deze spreuk vinden we terug in de woorden van de Heer Jezus om geen schatten op aarde te verzamelen, maar in de hemel. Hij zegt: Verzamelt u geen schatten op de aarde, waar mot en afvreter ze bederft en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in [de] hemel, waar geen mot of afvreter ze bederft en waar dieven niet inbreken of stelen; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn” (Mt 6:19-2119Verzamelt u geen schatten op de aarde, waar mot en afvreter ze bederft en waar dieven inbreken en stelen;20maar verzamelt u schatten in [de] hemel, waar geen mot of afvreter ze bederft en waar dieven niet inbreken of stelen;21want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.).


De gebaande weg

17De gebaande weg van oprechten is zich af te keren van het kwade:
wie zijn weg in acht neemt, bewaart zijn ziel.

“De gebaande weg van oprechten” is de hoogstaande manier van leven van oprechte personen. De gebaande weg is een verhoogde en geëffende weg. De kuilen in die weg zijn gedicht en de hobbels op die weg zijn verwijderd. De gevaren van vallen in een kuil of struikelen over een hoogte zijn voor de oprechten niet aanwezig. Dat betekent niet dat zij zorgeloos hun weg gaan. Ze hebben er oog voor dat het kwade hen van alle kanten bedreigt en keren zich daar van af. Dat bewijst dat zij een gebaande weg gaan en in oprechtheid leven.

Wie de gebaande weg gaat en er goed op let op die weg te blijven, “bewaart zijn ziel”. Hij beschermt zijn leven tegen onheil. Rechtvaardig leven is een bescherming tegen onheil. De gebaande weg is de beste weg, maar het is niet de weg die iedereen gaat. Het is de weg van de pelgrim. Hij gaat die weg omdat deze weg in zijn hart is (Ps 84:66Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
)
. Het is “de heilige weg” (Js 35:88Daar zal zijn een effen baan, een weg;
de heilige weg zal hij genoemd worden.
Een onreine zal er niet over gaan,
want hij zal [alleen] voor hen zijn. Wie [deze] weg ook gaat,
zelfs dwazen zullen niet dwalen.
)
, die God ons in Zijn Woord toont.


Nederigheid is beter dan hoogmoed

18Trots komt vóór de ondergang,
en hoogmoed komt vóór de val.
19Het is beter met zachtmoedigen nederig van geest te zijn,
dan de buit met hoogmoedigen te delen.

Het is een handeling van Gods gerechtigheid dat Hij trotse, hoogmoedige mensen vernedert (vers 1818Trots komt vóór de ondergang,
en hoogmoed komt vóór de val.
)
. Zij hebben zichzelf verheven en worden door God neergeworpen. Hun ondergang en val komen als zij zichzelf op het toppunt van hun roem wanen en met hun neus in de hoogte God tarten (Dn 4:30-3130De koning nam het woord en zei: Is dit niet het grote Babel dat ík als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterke macht en ter ere van mijn majesteit?31Dit woord was nog in de mond van de koning [of] er klonk een stem vanuit de hemel: U, koning Nebukadnezar, wordt aangezegd: Het koningschap is van u weggegaan!; Op 18:7-87Naarmate zij zichzelf verheerlijkt heeft en weelderig geleefd heeft, geeft haar zoveel pijniging en rouw. Want zij zegt in haar hart: Ik zit als koningin en ben geen weduwe en zal helemaal geen rouw zien.8Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en honger, en met vuur zal zij verbrand worden; want sterk is [de] Heer, God, Die haar geoordeeld heeft.). Wie met zijn neus in de hoogte loopt, ziet niet waar hij loopt en waarover hij kan struikelen. Dat veroorzaakt zijn “ondergang” en “val”. We hoeven dan ook niet bang te zijn voor de trots en hoogmoed van anderen, maar des te meer voor onze eigen trots en hoogmoed. Haman is een illustratie van dit vers (Es 5:9-149Haman vertrok die dag, blij en welgemoed. Maar toen Haman Mordechai bij de poort van de koning zag dat hij niet opstond en niet voor hem beefde, werd Haman vervuld van woede over Mordechai.10Maar Haman bedwong zich, en toen hij in zijn huis aankwam, stuurde hij er [een bode] op uit om zijn vrienden en Zeres, zijn vrouw, te laten komen.11Haman vertelde hun [over] de luister van zijn rijkdom, zijn vele zonen en [over] alles waarmee de koning hem had grootgemaakt en waarmee hij hem had verheven boven de vorsten en dienaren van de koning.12Verder zei Haman: Ook heeft koningin Esther niemand met de koning naar de maaltijd laten komen die zij heeft aangericht, dan mij. En ook morgen ben ik bij haar uitgenodigd samen met de koning.13Maar dit alles geeft mij geen voldoening zolang ik de Jood Mordechai zie zitten in de poort van de koning.14Toen zei Zeres, zijn vrouw, tegen hem, samen met al zijn vrienden: Laat men een galg maken, vijftig el hoog, en zeg morgen tegen de koning dat men Mordechai daaraan moet hangen. Ga dus blij met de koning naar de maaltijd. Deze raad was goed in de ogen van Haman en hij liet de galg maken.; 7:1-101Toen de koning met Haman gekomen was om met koningin Esther te drinken,2zei de koning ook op de tweede dag bij het drinken van de wijn tegen Esther: Wat is uw vraag, koningin Esther? Het zal u gegeven worden. En wat is uw verzoek? Het zal ingewilligd worden, al was het ook de helft van het koninkrijk.3Toen antwoordde koningin Esther en zei: Als ik genade in uw ogen heb gevonden, koning, en als het de koning goeddunkt, dat men mij dan op mijn vraag mijn leven zal geven, en op mijn verzoek [het leven] van mijn volk.4Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, om te worden weggevaagd, gedood en omgebracht. Zouden wij als slaven en als slavinnen verkocht zijn, [dan] zou ik hebben gezwegen, hoewel [ook dan] de tegenstander de schade voor de koning zeker niet zou kunnen vergoeden.5Toen sprak koning Ahasveros en zei tegen koningin Esther: Wie is hij en waar is hij die zijn hart vervuld heeft om zo te handelen?6Esther zei: De man, de tegenstander en vijand, is deze slechte Haman. Toen werd Haman door angst overvallen in de tegenwoordigheid van de koning en de koningin.7Woedend stond de koning op van het drinken van de wijn en [ging] naar de tuin van het paleis. Haman bleef staan om bij koningin Esther voor zijn leven te smeken, want hij zag dat bij de koning het onheil over hem ten volle besloten was.8Toen de koning uit de tuin van het paleis terugkwam in de zaal waar men de wijn gedronken had, was Haman neergevallen op het rustbed waarop Esther [lag]. En de koning zei: [Zou hij] ook [nog] de koningin in huis aanranden in mijn bijzijn? [Toen] dit woord uit de mond van de koning was gekomen, bedekte men het gezicht van Haman.9En Charbona, een van de hovelingen die in dienst [stond] van de koning, zei: Zie, ook de galg die Haman heeft gemaakt voor Mordechai, die goed voor de koning gesproken heeft, staat bij het huis van Haman, vijftig el hoog. Toen zei de koning: Hang hem daaraan.10Toen hingen zij Haman aan de galg die hij voor Mordechai had laten oprichten. Toen bedaarde de woede van de koning.).

Vers 1919Het is beter met zachtmoedigen nederig van geest te zijn,
dan de buit met hoogmoedigen te delen.
sluit aan op vers 1818Trots komt vóór de ondergang,
en hoogmoed komt vóór de val.
. Het is beter om samen “met zachtmoedigen nederig van geest te zijn”, dan samen met de “hoogmoedigen” in “de buit” van plunderingen “te delen”. De nederige van geest onderwerpt zich aan God. Hij is bescheiden en dringt zich niet op de voorgrond. Dat bewijst dat hij tot het gezelschap van de zachtmoedigen behoort en daardoor bij de Heer Jezus van Wie zij hebben geleerd om zachtmoedig en nederig te zijn (Mt 11:2929Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;). Iemand is zachtmoedig als hij niet op zijn rechten staat en zichzelf niet verdedigt als hem onrecht wordt aangedaan.

De hoogmoedigen zijn zij die in hun trots rebelleren tegen God. Zij zijn aanmatigend en onderdrukkend. Dat er sprake is van het delen van de buit met hoogmoedigen wijst op de druk die hoogmoedigen op de zachtmoedigen uitoefenen om mee te doen met hun kwade praktijken, met als lokmiddel het delen in de buit. Om niet in het lokaas te bijten moeten we een nederige, van God afhankelijke geest hebben.


De waarde van het Woord en woorden

20Wie verstandig omgaat met het woord, zal het goede vinden,
en wie op de HEERE vertrouwt: welzalig is hij.
21De wijze van hart wordt verstandig genoemd,
en zoetheid van lippen vermeerdert het inzicht.
22Het verstand is voor de bezitters ervan een bron van leven,
maar de vermaning van dwazen is dwaasheid.
23Het hart van een wijze maakt zijn mond verstandig,
en zal op zijn lippen het inzicht vermeerderen.
24Lieflijke woorden zijn een honingraat,
zoet voor de ziel, en genezing voor de beenderen.

Een conclusie die we uit de beide versregels van vers 2020Wie verstandig omgaat met het woord, zal het goede vinden,
en wie op de HEERE vertrouwt: welzalig is hij.
kunnen trekken, is dat “wie verstandig omgaat met het woord … op de HEERE vertrouwt”. Omgekeerd kunnen we zeggen dat wie op de HEERE vertrouwt, verstandig om zal gaan met het Woord van God. Het verstandig omgaan met het Woord is letterlijk ‘de verstandig omgaande met het woord’. Dat maakt nog wat duidelijker dat het niet een incidenteel omgaan met het Woord is, maar dat bedoeld wordt de dagelijkse, voortdurende omgang met het Woord van God. Het gaat om wat God zegt en niet om wat iemand zelf zegt.

Met het Woord van God omgaan houdt in dat we luisteren naar het onderwijs ervan. Wie in die gezindheid luistert en zo met Gods Woord leeft, “zal het goede vinden”. Hij zal er de ware betekenis van het leven in vinden, dat is Christus. Hij is de verpersoonlijking van het goede. Hij is de Goede.

Dat het erom gaat wat God zegt en niet de persoon die hier wordt aangesproken, blijkt uit de tweede versregel. Aandacht geven aan wat God zegt, houdt in dat we Hem vertrouwen. De vertrouwende is hij die voortdurend vertrouwt. Wie dat doet, kan werkelijk “welzalig” worden genoemd. Hij zal alle soorten van zegen ontvangen (Jr 17:77Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is.
)
. De HEERE voorziet door Zijn Woord in het goede voor wie aan Zijn Woord aandacht besteedt, voor wie daar ernstig rekening mee houdt.

Dat iemand wijs van hart is, zal blijken uit zijn spreken en zwijgen en zijn hele gedrag (vers 2121De wijze van hart wordt verstandig genoemd,
en zoetheid van lippen vermeerdert het inzicht.
)
. Het zal anderen opvallen en men zal hem “verstandig” noemen, een man van verstand, iemand die met kennis van zaken spreekt. Zijn wijze woorden zullen hem een reputatie van bekwaamheid bezorgen en de mogelijkheid bieden om een weldadige invloed op zijn omgeving uit te oefenen.

Zijn manier van spreken maakt het een lust om naar hem te luisteren. Zijn woorden zijn zoet of aangenaam. Het zijn vriendelijke woorden die met een bepaalde sierlijkheid worden uitgesproken. Er zit geen bitterheid of scherpte in. Wat hij zegt, bouwt de luisteraar op, het geeft hem meer inzicht in dat waarover wordt gesproken. Zijn woorden van onderwijs worden goed ontvangen, omdat ze overtuigend zijn. De wijze van hart is “geschikt om te leren” (1Tm 3:22De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,).

De “bron van leven” die de bezitters van verstand in hun verstand bezitten (vers 2222Het verstand is voor de bezitters ervan een bron van leven,
maar de vermaning van dwazen is dwaasheid.
)
, is hun door God gegeven. Die bron is niet alleen een verkwikking voor de bezitters, maar ook voor allen om hen heen. De nieuwtestamentische gelovige bezit ook zo’n bron. Daarvan wordt gezegd dat het stromen van levend water zijn die uit zijn binnenste naar anderen vloeien om hen te verkwikken (Jh 4:1414maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven.; 7:38-3938Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.). Die verkwikking kan alleen naar anderen vloeien door de kracht van de Heilige Geest. Zo is Paulus door de kracht van de Geest een bron van leven geweest in de verkondiging van het evangelie en in het versterken van de gelovigen (Hd 14:21-2221En nadat zij aan die stad het evangelie hadden verkondigd en vele discipelen hadden gemaakt, keerden zij terug naar Lystra, naar Iconium en naar Antiochië22en versterkten de zielen van de discipelen, terwijl zij hen vermaanden in het geloof te blijven en dat wij door vele verdrukkingen het koninkrijk van God moeten binnengaan.).

Ook wij kunnen dat zijn, want ook ons is het verstand gegeven, waardoor wij de Waarachtige kennen (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.). Het is het verstand dat eerst duisternis was (Ef 4:1818verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.), maar nu door de Geest van Christus geopend en verlicht is, waardoor we de Schrift kunnen verstaan (Lk 24:4545Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden,). Met de kennis die wij van Hem hebben, kunnen we anderen dienen en zo voor anderen een bron van leven worden.

Bij de dwaas is geen bron van leven aanwezig. Dwazen hebben niets anders in zich dan een bron van dwaasheid. Als er uit hun mond een vermaning of onderwijzing komt, is dat niets anders dan dwaasheid. Wie daarnaar luistert, wordt aan de dwazen gelijk.

Wie een wijs hart heeft, wordt door zijn hart onderwezen om verstandige dingen te zeggen (vers 2323Het hart van een wijze maakt zijn mond verstandig,
en zal op zijn lippen het inzicht vermeerderen.
)
. Hij zal ook weten wanneer hij moet spreken en tegen wie. Hij spreekt niet alleen goed gekozen woorden die de ander begrijpt, maar zijn woorden zijn onderwijzend en vermeerderen het inzicht van hem tot wie hij spreekt. Wat de wijze zegt, is niet alleen nuttig, maar bevordert ook de groei. Er is een toename van inzicht, wat zal blijken uit wat hij zegt.

Het hart van een wijze is een bron van woorden van wijsheid. Dat is alleen waar van het wedergeboren hart. Als het Woord van Christus rijkelijk in ons woont, zullen we in alle wijsheid elkaar leren en terechtwijzen met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen (Ko 3:1616Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.).

Met “lieflijke woorden” (vers 2424Lieflijke woorden zijn een honingraat,
zoet voor de ziel, en genezing voor de beenderen.
)
zullen de woorden uit het hart van de wijze van het vorige vers bedoeld zijn. Zulke woorden hebben de zoetheid van een honingraat (Ps 19:1111Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
; 119:103103Hoe zoet zijn Uw woorden voor mijn gehemelte,
[zoeter] dan honing voor mijn mond.
)
. Lieflijke woorden zijn vertroostend en bemoedigend. Het kunnen woorden zijn uit het Woord van God, of woorden uitgesproken in een gebed of een lofprijzing. Het zijn woorden waarnaar God graag luistert en dus ook ieder die uit Hem geboren is.

Zoals de honing in een honingraat door ijverige bijen wordt geproduceerd, zo zijn lieflijke woorden het resultaat van een continue omgang met God in het verborgene. Wie lieflijke woorden kan spreken, heeft ijverig de Schrift bestudeerd en kan daaruit oude en nieuwe dingen naar voren brengen tot welzijn van de luisteraars, tot bemoediging en herstel van geestelijke kracht (Mt 13:5252Hij nu zei tot hen: Daarom is iedere schriftgeleerde die een discipel van het koninkrijk der hemelen is gemaakt, gelijk aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.).

We zien het weldadige effect van het gebruik van een beetje honing bij Jonathan (1Sm 14:2727Maar Jonathan had het niet gehoord, toen zijn vader het volk bezworen had. Hij stak de punt van de stok die in zijn hand was, uit en doopte hem in een honingraat. Daarop bracht hij zijn hand naar zijn mond en stonden zijn ogen [weer] helder.). In geestelijke zin hebben zoete woorden datzelfde effect. Zoete woorden zijn geen zoetsappige woorden. Het zijn liefdevolle en tegelijk duidelijke, overtuigende woorden. Zoete woorden zijn genezend als ze voortkomen uit het onderwijs van Gods Woord.

Beenderen zijn de kracht waardoor het lichaam kan bewegen en zich kan voortbewegen. Er komt weer geestelijke en lichamelijke kracht als we opbeurende woorden hebben gehoord. Naar woorden van profetie, dat wil zeggen woorden die worden gesproken tot “opbouwing, vermaning en vertroosting” (1Ko 14:33Maar wie profeteert, spreekt voor mensen [tot] opbouwing, vermaning en vertroosting.), kan worden geluisterd als naar welluidende muziek (vgl. 1Kr 25:1-61Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.2Wat betreft de zonen van Asaf: Zakkur, Jozef, Nethanja en Asarela, zonen van Asaf; onder leiding van Asaf, die profeteerde onder leiding van de koning.3Wat betreft Jeduthun: de zonen van Jeduthun waren Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes. [Zij stonden] onder leiding van hun vader Jeduthun die bij [het spel van] de harp profeteerde onder het loven en prijzen van de HEERE.4Wat betreft Heman: de zonen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, Romamti-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir [en] Mahazioth.5Deze allen waren zonen van Heman, de ziener van de koning, met woorden van God om de hoorn op te heffen. God had Heman veertien zonen gegeven en drie dochters.6Deze allen [stonden] onder leiding van hun vader [opgesteld] voor het lied in het huis van de HEERE met cimbalen, luiten, en harpen, voor de dienst in het huis van God, onder leiding van de koning – Asaf, Jeduthun en Heman.).


Het einde van een schijnbaar rechte weg

25Er is [soms] een weg die iemand recht schijnt,
maar het einde ervan zijn wegen van de dood.

Deze spreuk is identiek aan Spreuken 14:12. Daar staat deze spreuk in verband met schijn die bedriegt (Sp 14:11-1311Het huis van de goddelozen zal weggevaagd worden,
maar de tent van de oprechten zal in bloei staan.
12Er is [soms] een weg die iemand recht schijnt,
maar het einde ervan zijn wegen van de dood.
13Ook bij het lachen zal het hart pijn lijden:
het einde van zulke blijdschap is verdriet.
)
, met het zien naar wat voor ogen is, terwijl de werkelijkheid anders is. Het is het afgaan op wat je ziet zonder in de gaten te hebben dat je voor gek gehouden wordt. Hier staat de spreuk in verband met de manier waarop we ons leven invullen en waarop het uitloopt. Het gaat erom hoe we over ons eigen leven denken en het invullen tegenover de manier waarop God erover denkt en wil dat het wordt geleefd.

De weg die iemand recht schijnt, kan de weg van plezier en zorgeloos genieten zijn. We zien dat die ene ogenschijnlijk rechte weg, uitloopt op talloze "wegen van de dood". Er is keus genoeg op die ene weg, maar elke keus daarop voert naar de dood. Het hoeft daarbij niet eens om de keus voor een leven in grove zonden te gaan. Als er geld genoeg is, als er carrière gemaakt kan worden, als het goed gaat in het gezin en men geeft ieder ook nog eens het zijne, dan vindt iemand dat hij op de goede weg is. Zulke mensen zullen bedrogen uitkomen. Het is ermee als met de man die zei: ‘Ik beklom de ladder van succes, maar ik ontdekte dat hij tegen de verkeerde muur stond.’

Een andere weg die iemand recht kan lijken, is die van totale vrijheid. Geef vrije seks de ruimte in elke verhouding die men maar wil, geef de mens het recht op leven en dood door hem toe te staan abortus en euthanasie te plegen, en men zal zeggen dat dit de rechte weg van en naar geluk is. Ook hier zal blijken dat die weg eindigt in de dood.

De brede weg van de zonde lijkt recht omdat velen erop wandelen. Maar het is schijn, want die weg eindigt in de dood (Mt 7:13-1413Gaat in door de nauwe poort; want wijd <is de poort> en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor binnengaan;14hoe nauw is de poort en smal de weg die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.). De weg van de dood wordt bewandeld door hen die hun verstand, hun gevoel of hun geweten als maatstaf nemen en niet Gods Woord. Iemand gaat pas de weg die echt recht is als hij op Christus vertrouwt en niet op zijn eigen inzicht, en Hem in al zijn wegen kent (Sp 3:5-65Vertrouw op de HEERE met heel je hart,
en steun op je [eigen] inzicht niet.
6Ken Hem in al je wegen,
dan zal Híj je paden rechtmaken.
)
.


Honger spoort aan tot werken

26De honger van de arbeider werkt ten behoeve van hemzelf,
want zijn mond dringt hem [ertoe].

Honger stimuleert een mens, prikkelt hem, dringt er bij hem op aan, oefent druk op hem uit, om ijverig te werken (vgl. Pr 6:77Al het zwoegen van de mens is voor zijn mond
en toch wordt de begeerte niet vervuld.
)
. Honger is goed en heeft het weldadige effect dat het iemand aanzet tot werken om geld te verdienen. Dit maakt het mogelijk om eten te kopen waarmee de honger gestild kan worden. In het Nieuwe Testament wordt ook diverse keren gewezen op het belang van werken, onder andere om daardoor in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en ook nog aan anderen te kunnen geven (2Th 3:10-1210Immers, toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen: Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten.11Want wij horen dat sommigen onder u ongeregeld wandelen door niet te werken, maar zich met andere zaken te bemoeien.12Zulke [mensen] nu bevelen en vermanen wij in [de] Heer Jezus Christus, dat zij rustig werkend hun eigen brood eten.; Ef 4:2828Laat hij die een dief was, niet meer stelen, maar veeleer arbeiden en met zijn <eigen> handen het goede werken, opdat hij kan meedelen aan hem die gebrek heeft.; 6:77die met bereidwilligheid slavendienst doen als aan de Heer en niet aan mensen;).

In geestelijk opzicht geldt hetzelfde. Wie pas bekeerd is en dus nieuw leven heeft, zal verlangen naar geestelijk voedsel (1Pt 2:22Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis;.) Geestelijke honger zet ertoe aan om ijverig Gods Woord te onderzoeken.


De verdorven, verderfelijke, gewelddadige man

27Een verdorven man graaft kwaad op,
en op zijn lippen is het als een verzengend vuur.
28Een verderfelijke man brengt ruzie teweeg,
en een lasteraar maakt scheiding tussen de beste vrienden.
29Een man van geweld misleidt zijn naaste
en brengt hem op een weg die niet goed is.
30Hij doet zijn ogen dicht om verderfelijke dingen te bedenken,
bijt hij op zijn lippen, [dan] voert hij kwaad uit.

De verzen 27-3027Een verdorven man graaft kwaad op,
en op zijn lippen is het als een verzengend vuur.
28Een verderfelijke man brengt ruzie teweeg,
en een lasteraar maakt scheiding tussen de beste vrienden.
29Een man van geweld misleidt zijn naaste
en brengt hem op een weg die niet goed is.
30Hij doet zijn ogen dicht om verderfelijke dingen te bedenken,
bijt hij op zijn lippen, [dan] voert hij kwaad uit.
gaan over de verdorven, verderfelijke en gewelddadige man. Er zit een opklimming in deze verzen. Het begint met de “verdorven man”, dat is wat deze man is in zichzelf en hoe hij te werk gaat (vers 2727Een verdorven man graaft kwaad op,
en op zijn lippen is het als een verzengend vuur.
)
. Verdorven mensen bedenken manieren om mensen te belasteren. ‘Een verdorven man’ is letterlijk een ‘man van Belial’, iemand in wie niets goeds is. De term beschrijft diepe verdorvenheid en goddeloosheid.

Deze man is een slechte persoon, want hij “graaft kwaad op”. De betekenis is die van het aan de oppervlakte brengen van het kwaad en zich daar ook erg voor inspannen. Graafwerk is zwaar werk. Hij zal iemands hele dossier doornemen om iets kwaads te vinden dat hij kan gebruiken. Sociale media zijn een bijvoorbeeld van een breed en diep ‘graafterrein’, waarbij ook nog bepaalde gegevens zodanig gemanipuleerd kunnen worden, dat ze het kwaadaardige doel dienen dat de verdorven man voor ogen heeft.

Wat hij aan kwaad opgraaft, ongeacht of het waar is of een leugen, strooit hij als zaad uit met “zijn lippen”. Zijn spreken is als “een verzengend vuur”, wat wijst op het verwoestende effect van zijn woorden. Jakobus spreekt over de tong als “een vuur, de wereld van de ongerechtigheid” en vervolgt: De tong is onder onze leden gesteld als dat wat het hele lichaam bevlekt en de loop van de natuur in vlam zet en door de hel in vlam gezet wordt” (Jk 3:66Ook de tong is een vuur, de wereld van de ongerechtigheid. De tong is onder onze leden gesteld als dat wat het hele lichaam bevlekt en de loop van de natuur in vlam zet en door de hel in vlam gezet wordt.).

De verdorven man van vers 2727Een verdorven man graaft kwaad op,
en op zijn lippen is het als een verzengend vuur.
is in vers 2828Een verderfelijke man brengt ruzie teweeg,
en een lasteraar maakt scheiding tussen de beste vrienden.
de “verderfelijke man”. Hij is een man van onwaarheden en leugens en “een lasteraar”. Openlijke aanvallen werken niet, dus kiest hij voor het fluisteren van leugen en laster, verdachtmakingen, halve waarheden. De verderfelijke man veroorzaakt ruzie en brengt zelfs scheiding tussen de beste vrienden.

Hij kan zelf geen vrienden maken en kan het niet uitstaan dat er vriendschap tussen anderen is. Om deze reden start hij een lastercampagne. Hij lastert bij de een over de ander en zaait twijfel en wantrouwen tussen beiden. Hij vertelt een leugen over iemand waarvan hij weet dat het zal worden doorverteld. Daarbij houdt hij rekening met het feit dat het bij het doorvertellen steeds erger wordt. Daarom wordt hij ook een “verderfelijke man” genoemd, omdat hij goede relaties verderft.

In vers 2929Een man van geweld misleidt zijn naaste
en brengt hem op een weg die niet goed is.
is de verdorven en verderfelijke man van de vorige verzen “een man van geweld”, ‘een man van hamas’, geworden. De vrienden zijn door zijn lasterpraat van elkaar gescheiden, dat onheil heeft hij al gesticht. Maar daarmee is hij niet tevreden. Ze moeten ook worden gedood. Het blijft niet bij praten, maar hij gebruikt geweld.

Hij is tevens een misleider, die anderen wil beïnvloeden om zich bij hem aan te sluiten. De man van geweld zal mensen in zijn omgeving willen beïnvloeden om het door hem geplande geweld te begaan (Sp 1:10-1410Mijn zoon, als zondaars jou willen verleiden,
bewillig er dan niet in.
11Als zij zeggen: Ga met ons mee,
laten wij loeren op bloed,
zonder reden een onschuldige belagen,
12laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,
volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.
13Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden,
onze huizen zullen wij vullen met buit.
14Je zult je lot in ons midden werpen,
wij zullen allen [tezamen] één buidel hebben –
; 2:12-1512om je te redden van de verkeerde weg,
van de man die verderfelijke dingen spreekt,
13[van hen] die de rechte paden verlaten
om op de wegen van de duisternis te gaan,
14[van hen] die zich verblijden in kwaad te doen,
zich verheugen in verderfelijk kwaad,
15van wie de paden slinks zijn,
die afwijken in hun sporen,
)
. Hij wil zijn naaste brengen “op een weg die niet goed is”, dat wil zeggen dat hij hem wil binnenbrengen in het criminele circuit.

Om het doel van vers 2929Een man van geweld misleidt zijn naaste
en brengt hem op een weg die niet goed is.
te bereiken bedenkt hij “verderfelijke dingen” en vervolgens “voert hij het kwaad uit” (vers 3030Hij doet zijn ogen dicht om verderfelijke dingen te bedenken,
bijt hij op zijn lippen, [dan] voert hij kwaad uit.
)
. Hij is zo aan het kwaad toegewijd, dat zijn lichaamstaal zijn kwade bedoelingen niet kan onderdrukken, maar die verraadt. Gezichtsuitdrukkingen maken vaak duidelijk of iemand iets kwaads in de zin heeft (Sp 6:13-1413knipoogt [heimelijk], geeft een teken met zijn voeten
en wijst met zijn vingers.
14In zijn hart zijn verderfelijke dingen, hij smeedt te allen tijde kwaad
en hij brengt twisten teweeg.
)
. Hier worden twee uitdrukkingen genoemd: de ogen dichtdoen en op de lippen bijten.

Iemand doet zijn ogen dicht wanneer hij geconcentreerd aan iets wil denken zonder te worden afgeleid. Zo is de verdorven, verderfelijke, gewelddadige man helemaal geconcentreerd op het kwaad. Hij ziet het voor zich hoe het gaat gebeuren. Op de lippen bijten wil zeggen dat iemand zich inhoudt om geen uiting te geven aan zijn gevoelens, hetzij om te lachen hetzij om in woede uit te barsten. Hier wijst het op verborgen kwade bedoelingen die hij op het punt staat uit te voeren.


Grijsheid, geduld en zelfbeheersing

31Grijsheid is een sierlijke kroon,
ze wordt gevonden op de weg van de gerechtigheid.
32Een geduldig [man] is beter dan een dappere held,
en wie zijn geest beheerst, is [beter] dan wie een stad inneemt.

Als iemand grijs haar heeft en daarmee “een sierlijke kroon” draagt, is dat een bewijs dat hij de weg van de gerechtigheid bewandelt en die tot nu toe heeft bewandeld. Gerechtigheid wordt beloond met een lange levensduur (vgl. Ps 92:1414Wie in het huis van de HEERE geplant zijn,
die mogen groeien in de voorhoven van onze God.
; Lk 1:5-75In de dagen van Herodes, koning van Judéa, was er een priester, Zacharia genaamd, uit [de] afdeling van Abia, en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron en haar naam was Elizabeth.6Zij nu waren beiden rechtvaardig voor God, wandelend in alle geboden en inzettingen van de Heer, onberispelijk.7En zij hadden geen kind, omdat Elizabeth onvruchtbaar was; en zij waren beiden op hoge leeftijd gekomen.)
. Dit is weer de algemene strekking van dit boek. De algemene betekenis van gerechtigheid in Spreuken is dat de goddeloze niet lang leeft en vroegtijdig aan zijn einde komt en dat de rechtvaardige lang leeft. Maar dat wil niet zeggen dat het voor iedereen in alle gevallen geldt. De grijsheid van een goddeloos levende oudere is geen sieraad, en iemand kan sterven voordat de eerste grijze haren gezien worden, terwijl hij de weg van de gerechtigheid heeft bewandeld.

Het moet de grootste zorg van ouderen zijn om “op de weg van de gerechtigheid” te blijven. Als in hun ouderdom gezien wordt dat zij met God hebben gewandeld en dat nog steeds doen, is hun “grijsheid … een sierlijke kroon” voor hen. Salomo zegt dit in de eerste plaats tegen de jongeren. Jongeren zijn geneigd vooral jeugdige kracht als een sierlijke kroon te zien, waarbij ze ouderen soms vanwege hun lichamelijke zwakheid verachten. Gods Woord verbiedt dat en eist daarvoor in de plaats respect voor ouderen (Lv 19:3232U moet opstaan voor iemand met grijze haren en eer bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE.). Wie zich daaraan houdt, toont respect voor Gods verkiezing van gerechtigheid boven jeugdige kracht.

Maar dit woord is niet alleen voor jongeren belangrijk. Voor ouderen is het van belang dat zij zich die ‘sierlijke kroon’ waardig gedragen. Laten oude gelovigen oude discipelen zijn (Hd 21:1616En ook gingen er van de discipelen uit Caesaréa met ons mee en brachten [ons] bij een zekere Mnason, een Cypriër, een vroege discipel, bij wie wij zouden worden gehuisvest.). Daardoor geven zij de jongeren aanleiding hen te respecteren. Het ligt in dezelfde lijn als wat tegen Timotheüs wordt gezegd dat hij ervoor moet zorgen dat niemand hem vanwege zijn jeugdige leeftijd veracht (1Tm 4:1212Laat niemand je jeugdige leeftijd verachten, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof, in reinheid.). Los daarvan is het altijd op zijn plaats dat jongeren ouderen met respect behandelen, ook als een oudere zich niet waardig gedraagt (Gn 9:20-2720En Noach werd landbouwer en plantte een wijngaard.21Hij dronk van de wijn en werd dronken; en hij ontkleedde zich midden in zijn tent.22En Cham, de vader van Kanaän, zag de naaktheid van zijn vader en vertelde het aan zijn beide broers buiten.23Toen namen Sem en Jafeth een kleed, legden het op hun beider schouders, liepen achteruit en bedekten de naaktheid van hun vader, met het gezicht afgewend, zodat zij de naaktheid van hun vader niet zagen.24Toen ontwaakte Noach uit zijn roes en kwam hij te weten wat zijn jongste zoon hem aangedaan had.
25Hij zei:
Vervloekt is Kanaän!
Laat hij voor zijn broers een dienaar van dienaren zijn!
26Ook zei hij:
Gezegend is de HEERE, de God van Sem!
Laat Kanaän een dienaar voor hem zijn!
27Laat God Jafeth uitbreiden en laat hij in de tenten van Sem wonen!
En laat Kanaän voor hem een dienaar zijn!
)
.

Evenals grijsheid boven jeugdige kracht gaat (vers 3131Grijsheid is een sierlijke kroon,
ze wordt gevonden op de weg van de gerechtigheid.
)
, is geduld beter dan lichamelijke kracht (vers 3232Een geduldig [man] is beter dan een dappere held,
en wie zijn geest beheerst, is [beter] dan wie een stad inneemt.
)
. Geduld is een eigenschap van God (Ex 34:66Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,; Na 1:33De HEERE is geduldig, maar groot van kracht
en Hij houdt [de schuldige] zeker niet voor onschuldig.
De weg van de HEERE is in wervelwind en in storm, /beth/
wolken zijn het stof van Zijn voeten.
)
en een onderdeel van de vrucht van de Geest (Gl 5:2222Maar de vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.). Iemand is “een dappere held” bij een bepaalde gelegenheid in een bepaald geval, maar “een geduldige [man]” is beter, want hij laat niet alleen bij bepaalde gelegenheden, maar voortdurend deze Goddelijke eigenschap zien.

“Wie zijn geest beheerst”, of zijn geest ‘controleert’, of zichzelf beheerst, bewijst dat hij beter is “dan wie een stad inneemt”. Een stad innemen na een kortere of langere belegering is een daad waarbij slachtoffers vallen. Zelfbeheersing of zelfoordeel doet niemand kwaad, maar spaart juist levens. Het is tot zegen voor anderen en tot zelfbescherming.

Een vrome man zei eens tegen de koning: ‘U bent de dienaar van mijn dienaar.’ Hij bedoelde daarmee: ‘U bent de slaaf van uw boze neigingen, terwijl ik de meester ben van mijn boze neigingen’. Het hart is een slagveld. De boze neigingen die erin huizen, zijn dodelijke vijanden. Voor de gelovige zijn het overwonnen vijanden. Waar het om gaat, is de boze neigingen te doden zodra ze zich willen laten gelden (Ko 3:55Doodt dan uw leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is,), dat wil zeggen dat ze direct in zelfoordeel onschadelijk worden gemaakt. Dat doen we door ze te zien als geoordeeld in Christus op het kruis. De ware kracht om te overwinnen ligt in het kennen van onze positie in Christus. In Hem zijn wij meer dan overwinnaars (Rm 8:3737Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.).


De mens wikt, God beschikt

33Het lot wordt in de schoot geworpen,
maar elke beslissing daardoor komt van de HEERE.

Dit vers gaat over de praktijk van het zoeken naar Goddelijke leiding door het lot te werpen. Wat door het lot wordt beslist, is uiteindelijk de beslissing van de HEERE. Zelfs als ongelovigen het doen, staat Hij daarboven. Hij bepaalt de gang van zaken. Niets gebeurt buiten Hem om, zonder Zijn wil. Hij is bij alles betrokken en het gebeurt overeenkomstig Zijn raad. Wij zien overal Zijn hand in, een hand die alle gebeurtenissen met wijsheid bestuurt. We zien dus dat het hoofdstuk eindigt zoals het begon, met een woord over Gods soevereiniteit.

In het Oude Testament werd het lot onder andere geworpen om

1. de dienst in de tempel te regelen (1Kr 24:5,315Zij deelden hen in door het lot, zowel de ene als de andere groep, want de leiders van het heiligdom en de door God [aangestelde] leiders waren uit de zonen van Eleazar en uit de zonen van Ithamar.31Ook zij wierpen het lot – evenals hun broeders, de zonen van Aäron – in tegenwoordigheid van koning David, Zadok en Achimelech, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; het familiehoofd evenals zijn jongste broer.; 25:7-87Hun aantal was [samen] met hun broeders die onderwezen waren in het lied voor de HEERE, tweehonderdachtentachtig, allen volleerd.8Zij wierpen het lot over de taken, zowel de jongste als de oudste, de volleerde [samen] met de leerling.);
2. de waarheid aan het licht te brengen (1Sm 14:4141Saul sprak tot de HEERE, de God van Israël: Toon de onschuldige. Toen werden Jonathan en Saul aangewezen, en het volk ging [vrij]uit.);
3. overtreders op te sporen (Jz 7:1616Toen stond Jozua 's morgens vroeg op, en hij liet Israël per stam aantreden; en de stam van Juda werd aangewezen.);
4. geschillen te laten ophouden (Sp 18:1818Het lot doet geschillen ophouden,
en maakt scheiding tussen de machtigen.
)
;
5. het land Kanaän onder de stammen te verdelen (Nm 26:5555Het land zal echter door het lot verdeeld worden; volgens de namen van de stammen van hun vaderen zullen zij [het] in erfelijk bezit nemen.).

De laatste vermelding van het gebruik van het lot in de Schrift staat in verband met de vraag wie Judas Iskariot als apostel moest opvolgen (Hd 1:2626En zij wierpen het lot over hen en het lot viel op Matthias; en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.).

De christen heeft het lot niet nodig, want hij heeft de Heilige Geest in zich wonen, Die hem in de hele waarheid leidt (Jh 16:1313Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.). Hij heeft ook het complete Woord van God tot zijn beschikking waarin hij de wil van God kan leren kennen. Daarbij staat hem het gebed ter beschikking. Hij mag rechtstreeks tot God als zijn Vader naderen om Hem te vragen naar Zijn wil.


Lees verder