Spreuken
Inleiding 1 Een wijze zoon en een dwaze zoon 2-3 Gerechtigheid is leven 4-5 Vlijtig werken in de zomer 6-7 Zegen of wegteren 8-10 Ten val komen of een veilige weg gaan 11-14 De mond van de rechtvaardige en de dwaas 15-17 Veiligheid en leven of ondergang 18-21 Het gebruik van de lippen 22-26 De zegen van de HEERE 27-28 Verwachting en hoop 29-30 De weg van de HEERE 31-32 Mond en lippen van de rechtvaardige
Inleiding

Vanaf Spreuken 10:1 is er een opvallende verandering in de vorm waarin Salomo zijn spreuken doorgeeft. Deze veranderde vorm loopt door tot Spreuken 22:16. We vinden daarin niet de krachtige vermaningen om wijsheid te zoeken en geen lange toespraken met duidelijke situaties en personen of personificaties. In plaats daarvan vinden we, wat overeenkomt met de naam van het boek, Spreuken, een verzameling korte, bondige spreuken of uitspraken. Het zijn er ongeveer driehonderd vijfenzeventig.

In het eerste deel van het boek, Spreuken 1-9, gaat het over twee personen: vrouw Wijsheid en vrouw Dwaasheid. In dit tweede gedeelte, Spreuken 10:1-22:16, gaat het over twee soorten personen van wie elke soort een van de genoemde vrouwen volgt. De ene soort is wijs, rechtvaardig, goed, enzovoort; de andere soort is dwaas, goddeloos, slecht, enzovoort.

De vorm van de spreuken in dit tweede deel bestaat, op een enkele uitzondering na, uit twee versregels, waarbij de tweede regel de gedachte van de eerste regel uitwerkt. Deze wijze van schrijven wordt ‘parallellisme’ genoemd. De regels lopen parallel, ze lopen evenwijdig.

We zullen drie hoofdtypen van parallellisme tegenkomen. Het is de moeite waard om daarop te letten:

1. Er zijn parallellen die met elkaar overeenkomen, ook wel synoniem parallellisme genoemd. In dat geval wordt in de tweede versregel met andere woorden een soortgelijke gedachte als in de eerste versregel herhaald. Het zijn twee delen die één gedachte weerspiegelen. Een voorbeeld daarvan is:
Trots komt vóór de ondergang,
en hoogmoed komt vóór de val. (Sp 16:1818Trots komt vóór de ondergang,
en hoogmoed komt vóór de val.
)

2. Er zijn ook parallellen die tegenover elkaar staan, die een contrast vormen, ook wel antithetisch parallellisme genoemd. In dat geval wordt in de tweede versregel het tegenovergestelde gezegd van wat in de eerste versregel staat. Vaak wordt dat weergegeven door het woord ‘maar’ aan het begin van de tweede versregel. Een voorbeeld daarvan is:
Een wijze zoon verblijdt [zijn] vader,
maar een dwaze zoon betekent verdriet [voor] zijn moeder. (Sp 10:11De Spreuken van Salomo.
Een wijze zoon verblijdt [zijn] vader,
maar een dwaze zoon betekent verdriet [voor] zijn moeder.
)

3. Een derde vorm van parallellisme is de aanvullende vorm, ook wel synthetisch parallellisme genoemd. Daarbij geeft de tweede versregel een aanvulling op de eerste. De gedachte van de eerste versregel wordt in de tweede versregel verder uitgewerkt. Vaak wordt dat weergegeven door het woord ‘en’ aan het begin van de tweede versregel. Een voorbeeld daarvan is:
In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen,
en voor Zijn kinderen zal Hij een toevlucht zijn. (Sp 14:2626In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen,
en voor Zijn kinderen zal Hij een toevlucht zijn.
)

Het gebruik van deze verschillende soorten van ‘parallellisme’ zal ons de kracht van de afzonderlijke spreuken des te meer laten voelen. Overigens vinden we dit gebruik van parallellisme ook in Psalmen en in Prediker.

De spreuken in dit tweede deel gaan vooral over de gevolgen van goed of fout handelen. In de brief aan de Galaten zegt Paulus het zo: “Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten. Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie voor de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten” (Gl 6:7b-87Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.8Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie voor de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.). De spreuken die nu volgen, helpen bij en stimuleren tot het maken van de goede keuze ofwel het zaaien voor de Geest. Er bestaat niet zoiets als een voorbestemming tot het maken van een keus, alsof het onvermijdelijk zou zijn die keus te maken. Dat zou de eigen verantwoordelijkheid uitsluiten. Dit boek maakt duidelijk dat ieder verantwoordelijk is voor de keus die hij maakt en daarmee voor de gevolgen van die keus. Dat maakt dit boek zo belangrijk.

Er is geen duidelijke volgorde in dit gedeelte van het boek op te merken, hoewel het wel eens voorkomt dat twee of meerdere opeenvolgende spreuken met elkaar verbonden zijn. In dat geval blijkt dit uit een thema of een woord dat in de opeenvolgende verzen wordt genoemd. Dat er in de meeste gevallen geen verband tussen de verzen is, dwingt de lezer om zich diepgaand met de betekenis van één bepaald vers, dus één bepaalde spreuk, bezig te houden, voordat hij naar de volgende spreuk gaat.

Dat het verband ontbreekt, in elk geval voor ons oog, sluit ook aan bij de gang van het dagelijkse leven, waarin ook niet altijd alles volgens een bepaald patroon, een vaste volgorde, verloopt. Hoewel we een zeker verwachtingspatroon hebben op basis van ervaring, zit het leven toch ook vol verrassingen. Als we bij de Heer zijn, kan blijken dat allerlei gebeurtenissen waartussen wij geen verband zien, toch verband met elkaar hebben gehouden, maar dat dit ons is ontgaan.

Juist vanwege de ogenschijnlijke onsamenhangendheid nodigt dit boek uit dat we er elke dag in lezen. Het is niet zozeer de bedoeling om elke dag een hoofdstuk te lezen. Dat is zeker niet verkeerd, want daardoor raken we in algemene zin steeds meer met de inhoud vertrouwd. Waar het om gaat, is dat we een vers of enkele verzen lezen en daarover nadenken. Wie weet, komen we met een situatie in aanraking waarop van toepassing is wat we hebben gelezen en overdacht.

Zo geven de spreuken in dit deel van het boek steeds weer nieuwe impulsen door ons telkens een andere waarheid of dezelfde waarheid vanuit een ander perspectief voor te stellen. Gods Geest heeft Salomo deze ‘losse’ spreuken, waarin op het eerste gezicht geen bepaalde volgorde te ontdekken is, aan ons gegeven met een doel. Hij weet wat we op een bepaalde dag of in een bepaalde situatie nodig hebben. Hij kan ons daarvoor een bepaalde spreuk in herinnering brengen of ons die op dat moment laten lezen.


Een wijze zoon en een dwaze zoon

1De Spreuken van Salomo.
Een wijze zoon verblijdt [zijn] vader,
maar een dwaze zoon betekent verdriet [voor] zijn moeder.

Dit tweede deel van Spreuken (Spreuken 10:1-22:16) heeft dezelfde aanhef als het eerste deel, “de Spreuken van Salomo” (vers 11De Spreuken van Salomo.
Een wijze zoon verblijdt [zijn] vader,
maar een dwaze zoon betekent verdriet [voor] zijn moeder.
; Sp 1:11De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël,)
. Het bevestigt dat het boek hier doorgaat, hoewel de vorm anders is dan in het eerste deel. Het tweede deel van vers 11De Spreuken van Salomo.
Een wijze zoon verblijdt [zijn] vader,
maar een dwaze zoon betekent verdriet [voor] zijn moeder.
, met daarin de eerste spreuk, onderstreept dat. De eerste spreuk gaat over een zoon in zijn relatie met zijn vader en moeder. Dat wijst erop dat de sfeer waarin het onderwijs wordt gegeven net als in het eerste deel die van het gezin is (Sp 1:88Mijn zoon, luister naar de vermaning van je vader
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet,
)
. Het benadrukt het belang van een opvoeding in de vrees van God.

Alle volgende spreuken hebben de bedoeling de zoon te helpen als een wijze zoon te handelen en hem ervoor te bewaren als een dwaze zoon te handelen. Wie als een wijze zoon handelt, toont een zoon van de wijsheid te zijn. Het resultaat is blijdschap bij zijn vader, die hem in de wijsheid heeft opgevoed, zoals de vorige hoofdstukken hebben laten zien. Daarbij hoort ook de waarschuwing zich niet als een dwaze zoon te gedragen, wat tot verdriet voor zijn moeder leidt. Ezau is een dwaze zoon. Hij heeft zijn ouders verdriet bezorgd door zijn huwelijk met Hethietische vrouwen (Gn 26:34-3534Toen Ezau veertig jaar oud was, nam hij Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet tot vrouw.35Zij waren een bittere kwelling voor Izak en Rebekka.; 27:4646Rebekka zei tegen Izak: Ik heb een afkeer van mijn leven vanwege de dochters van de Hethieten. Als Jakob een vrouw neemt uit de dochters van de Hethieten zoals deze [twee], uit de dochters van dit land, wat heeft mijn leven dan nog voor zin?).

Vader en moeder hebben beiden een eigen, onmisbare rol bij de opvoeding. De vader zorgt door zijn krachtige liefde voor veiligheid en geborgenheid. De moeder geeft door haar warme, gevoelvolle liefde het kind het gevoel dat het gewenst en aanvaard is.

Het kind kan een zoon of een dochter zijn. Dat er steeds over een ‘zoon’ wordt gesproken, is omdat het gaat om het ‘mannelijke’ aspect van het leven als gelovige, dat wil zeggen het in praktijk brengen van een relatie. Het ‘vrouwelijke’ aspect van de gelovige stelt meer de relatie zelf voor, de verhouding waarin de gelovige is geplaatst.

Een wijze zoon is niet wijs omdat hij simpelweg veel kennis heeft en ook de nodige ervaring heeft opgedaan. Wijsheid is niet ‘kennis plus ervaring’, maar kennis van Christus als de wijsheid van God. Het begin van de wijsheid is het vrezen van de Heer. Het is onmogelijk om wijs te worden als Hij niet het centrum van ons hart en leven is. Wijsheid is ‘Christus-gecentreerd’.

We zien in de eerste spreuk wat het gevolg is als er naar het onderwijs van en over de wijsheid wordt geluisterd en wat het gevolg is als er niet naar wordt geluisterd. Wie ernaar luistert, is “een wijze zoon”. Hij is een voortdurende bron van vreugde voor zijn vader. Wie er niet naar luistert, is “een dwaze zoon”. Hij is een voortdurende oorzaak van intens verdriet voor zijn moeder. Het zal duidelijk zijn dat de moeder zich met de vader voortdurend verblijdt over een wijze zoon en de vader met de moeder voortdurend verdriet heeft over een dwaze zoon.

We zien dat de gevolgen van wijsheid of dwaasheid in de zoon anderen raken. Dat zijn in de eerste plaats de beide ouders die hem de wijsheid en de dwaasheid hebben voorgehouden (vgl. Sp 17:21,2521Wie een dwaas verwekt – [deze] zal hem tot verdriet worden,
de vader van een dwaas zal zich niet verblijden.25Een dwaze zoon is een verdriet voor zijn vader,
en bitterheid voor wie hem gebaard heeft.
; 23:24-2524De vader van een rechtvaardige zal zich buitengewoon verheugen,
wie een wijze [zoon] verwekt heeft, zal zich over hem verblijden.
25Laten je vader en je moeder zich verblijden,
en laat zij die jou gebaard heeft, zich verheugen.
)
. Maar ook anderen die met God leven, zullen blij of verdrietig zijn als ze naar jonge mensen kijken en wijsheid of dwaasheid waarnemen (vgl. 2Jh 1:44Ik heb mij zeer verblijd, dat ik [sommigen] van uw kinderen heb gevonden die in [de] waarheid wandelen, zoals wij een gebod ontvangen hebben van de Vader.).


Gerechtigheid is leven

2Schatten aan goddeloosheid baten niet,
maar gerechtigheid redt van de dood.
3De HEERE laat een rechtvaardige ziel geen hongerlijden,
maar de begeerte van goddelozen stoot Hij weg.

De volgende spreuk gaat over leven en dood (vers 22Schatten aan goddeloosheid baten niet,
maar gerechtigheid redt van de dood.
)
. De goddeloze leeft voor het hier-en-nu en probeert zoveel mogelijk schatten in dit leven te bemachtigen. Hij doet dat op zijn eigen, goddeloze manier. Al die schatten zijn “schatten aan goddeloosheid”, schatten gekenmerkt door goddeloosheid. Dat kan zijn vanwege de goddeloze manier waarop ze zijn verkregen of vanwege de manier waarop ermee wordt omgegaan. Met deze door goddeloosheid gekenmerkte schatten denkt hij een aangenaam leven te kunnen leiden.

Maar die schatten baten hem niet als hij sterft. Om het met een bekend spreekwoord te zeggen: Gestolen goed gedijt niet. Welke baat heeft Achab gehad bij het zich toe-eigenen van de wijngaard van Naboth (1Kn 21:4-244Toen kwam Achab thuis, somber gestemd en woedend vanwege het woord dat Naboth uit Jizreël tot hem had gesproken; dat deze had gezegd: Ik geef u het erfelijk bezit van mijn vaderen niet. Hij ging op zijn bed liggen, wendde zijn gezicht af en nam geen voedsel tot zich.5Toen kwam Izebel, zijn vrouw, bij hem. Zij sprak tot hem: Wat is er, dat uw geest somber gestemd is en dat u geen voedsel tot u neemt?6Hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth uit Jizreël heb gesproken en tegen hem heb gezegd: Geef mij uw wijngaard voor geld. Of, als u dat liever hebt, zal ik u er een wijngaard voor in de plaats geven. Hij heeft echter gezegd: Ik geef u mijn wijngaard niet.7Toen zei Izebel, zijn vrouw, tegen hem: Moet ú nu het koningschap over Israël uitoefenen? Sta op, neem voedsel tot u, laat uw hart vrolijk zijn, dan zal ík u de wijngaard van Naboth uit Jizreël, geven.8Vervolgens schreef zij brieven in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel, en zij stuurde de brieven naar de oudsten en naar de edelen die bij Naboth in diens stad woonden.9In die brieven schreef zij: Roep een vasten uit en laat Naboth aan het hoofd van het volk zitten.10En laat twee mannen tegenover hem zitten, verdorven lieden, die tegen hem getuigen: U hebt God en de koning vaarwel gezegd. Breng hem dan naar buiten en stenig hem, zodat hij sterft.11En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel hun opgedragen had, zoals geschreven was in de brieven die zij hun gestuurd had.12Zij riepen een vasten uit, en zij lieten Naboth aan het hoofd van het volk zitten.13Toen kwamen er twee mannen, verdorven lieden, tegenover hem zitten, en die verdorven lieden getuigden tegen hem, tegen Naboth, ten overstaan van het volk: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. Daarop brachten zij hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, zodat hij stierf.14Daarna stuurden zij Izebel [een bode] om te zeggen: Naboth is gestenigd en is dood.15Het gebeurde nu, toen Izebel hoorde dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tegen Achab zei: Sta op, neem de wijngaard van Naboth uit Jizreël in bezit, die hij weigerde u voor geld te geven. Naboth leeft namelijk niet [meer], maar is dood.16En het gebeurde, toen Achab hoorde dat Naboth dood was, dat Achab opstond om naar de wijngaard van Naboth uit Jizreël af te dalen om die in bezit te nemen.17Maar het woord van de HEERE kwam tot Elia, de Tisbiet:18Sta op, daal af, Achab, de koning van Israël, tegemoet, die in Samaria woont. Zie, hij is in de wijngaard van Naboth, waarheen hij afgedaald is om die in bezit te nemen.19En u moet tegen hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Hebt u een moord gepleegd en ook [iemands land] in bezit genomen? Verder moet u tot hem spreken: Zo zegt de HEERE, op de plaats waar de honden het bloed van Naboth opgelikt hebben, zullen de honden uw bloed oplikken, ja, het uwe!20En Achab zei tegen Elia: Hebt u mij gevonden, mijn vijand? Hij zei: Ik heb [u] gevonden, omdat u uzelf verkocht hebt om te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE.21Zie, Ik breng onheil over u. Ik zal uw nakomelingen wegvagen, en Ik zal van Achab alle mannen uitroeien, zowel de gebondene als de vrije in Israël.22Ik zal uw huis maken als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en als het huis van Baësa, de zoon van Ahia, vanwege [uw] tergen, waarmee u [Mij] tot toorn hebt verwekt en Israël hebt doen zondigen.23En verder sprak de HEERE over Izebel: De honden zullen Izebel opeten bij de vestingwal van Jizreël.24Wie van Achab in de stad sterft, die zullen de honden opeten, en wie in het veld sterft, die zullen de vogels in de lucht opeten.; 22:3939Het overige nu van de geschiedenis van Achab, alles wat hij gedaan heeft, het ivoren huis dat hij gebouwd heeft en al de steden die hij gebouwd heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?)? Welke voordeel hebben de dertig zilverlingen Judas opgeleverd voor het overleveren van de Heer Jezus (Mt 27:55En na de zilverlingen in het tempelhuis geworpen te hebben vertrok hij en ging weg en hing zich op.)? Beiden zijn omgekomen in hun zonden.

Alleen “gerechtigheid redt van de dood”. In het bestuur van God zal het doen van gerechtigheid ons niet in de dood brengen, maar ons daarvan vrijwaren. We doen gerechtigheid als we ieder geven waar hij recht op heeft, zowel God als een mens. Dit kan alleen worden waargemaakt door iemand die de gerechtigheid van God in Christus bezit. Zo iemand bezit een schat van onschatbare waarde. Die schat staat los van alle aardse schatten. Wie die schat bezit, kan zonder angst de dood tegemoet zien, want de dood is voor hem van zijn verschrikking beroofd. Christus heeft de dood overwonnen.

Gerechtigheid is van veel grotere waarde dan aardse welvaart zeker als die ook nog eens oneerlijk is verkregen. Daarbij kan welvaart slechts voor een beperkte tijd worden genoten, op zijn langst tijdens het korte verblijf op aarde, terwijl gerechtigheid door de dood heen gaat om ook daarna genoten te worden.

De HEERE zorgt ervoor dat het een rechtvaardige aan niets ontbreekt (vers 33De HEERE laat een rechtvaardige ziel geen hongerlijden,
maar de begeerte van goddelozen stoot Hij weg.
)
. De Heer Jezus wijst Zijn discipelen op de vogels van de hemel waarvoor Hij zorgt. Vervolgens zegt Hij dat de Zijnen die vogels ver te boven gaan (Mt 6:25-2625Daarom zeg Ik u: weest niet bezorgd voor uw leven, wat u eten <of wat u drinken> zult, ook niet voor uw lichaam, waarmee u zich zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam dan de kleding?26Kijkt naar de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, niet maaien en niet in schuren verzamelen, en uw hemelse Vader voedt ze. Gaat u ze niet ver te boven?). Wie in verbinding met Hem leeft, krijgt van Hem wat hij nodig heeft. Ook al heeft hij gebrek, toch zal zijn ziel geen hongerlijden, want in zijn ziel heeft hij gemeenschap met God. Habakuk kan daarom zingen, terwijl hij gebrek aan alles heeft (Hk 3:17-1917Al zal de vijgenboom niet in bloei staan
en er geen vrucht aan de wijnstok zijn,
al zal de opbrengst van de olijfboom tegenvallen
en zullen de velden geen voedsel voortbrengen,
al zal het kleinvee uit de kooi verdwenen zijn
en er geen rund in de stallen over zijn –
18ik zal dan toch in de HEERE van vreugde opspringen,
mij verheugen in de God van mijn heil.19De HEERE Heere is mijn kracht,
Hij maakt mijn voeten als die van de hinden,
en Hij doet mij treden op mijn hoogten.
Voor de koorleider, bij mijn snarenspel.
)
.

Goddelozen krijgen niets van God. Zij hebben ook nooit iets aan Hem gevraagd, maar hun bezit van anderen en bovenal van God gestolen. Hun begeerte stoot Hij weg. Een goddeloze is nooit tevreden, hij zegt nooit dat hij genoeg heeft, maar wil altijd meer. Zijn begeerten zijn ook boze begeerten, begeerten die hij wil bevredigen ten koste van anderen. Soms lukt hem dat ook, maar God zal het hem allemaal afnemen. Hij zal eeuwig moeten leven met onvervulde begeerten. Het is een van de kwellingen van de hel dat de goddelozen nooit zullen krijgen wat ze verlangen, omdat zij nooit naar God verlangden toen Hij hun Christus aanbood.


Vlijtig werken in de zomer

4Wie met een bedrieglijke hand werkt, wordt arm,
maar de hand van de vlijtigen maakt rijk.
5Wie in de zomer verzamelt, is een verstandige zoon,
wie in de oogst[tijd] diep slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.

Deze verzen sluiten aan op het vorige vers. Dat God zorgt (vers 33De HEERE laat een rechtvaardige ziel geen hongerlijden,
maar de begeerte van goddelozen stoot Hij weg.
)
, betekent niet dat de mens niet moet werken om zijn brood te verdienen (vers 44Wie met een bedrieglijke hand werkt, wordt arm,
maar de hand van de vlijtigen maakt rijk.
)
. Hier worden aan de ene kant luiheid en armoede aan elkaar gekoppeld en aan de andere kant vlijt en rijkdom. Luiheid veroorzaakt armoede, en vlijt heeft rijkdom tot gevolg. Een “bedrieglijke hand” is een slappe, luie hand, een hand die wel wat lijkt te presteren, maar in werkelijkheid niets doet. Het is een hand die bedriegt, die teleurstelt, omdat er niets mee wordt gedaan. Wie lui is, zal arm worden. Vlijt, of ijver, is een voorwaarde om rijk te worden. Paulus waarschuwt voor luiheid (2Th 3:7-127Want u weet zelf hoe men ons moet navolgen omdat wij ons onder u niet ongeregeld gedragen hebben;8wij hebben bij niemand brood voor niets gegeten, maar met arbeid en moeite werkten wij nacht en dag om niemand van u een last op te leggen.9Niet dat wij er geen recht toe hebben, maar om onszelf aan u tot voorbeeld te stellen, opdat u ons navolgt.10Immers, toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen: Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten.11Want wij horen dat sommigen onder u ongeregeld wandelen door niet te werken, maar zich met andere zaken te bemoeien.12Zulke [mensen] nu bevelen en vermanen wij in [de] Heer Jezus Christus, dat zij rustig werkend hun eigen brood eten.). Ruth is een voorbeeld van iemand die ijverig is (Ru 2:2,192Ruth, de Moabitische, zei tegen Naomi: Laat mij toch naar de akker gaan en aren rapen achter hem in wiens ogen ik genade zal vinden. En zij zei tegen haar: Ga, mijn dochter.19Vervolgens zei haar schoonmoeder tegen haar: Waar heb je vandaag [aren] geraapt en waar heb je gewerkt? Moge hij die naar je omgezien heeft, gezegend worden. En zij vertelde haar schoonmoeder bij wie zij gewerkt had en zei: De naam van de man bij wie ik vandaag gewerkt heb, is Boaz.).

Bij vlijt hoort ook dat de tijd om te werken wordt gezien en benut. Het is niet de bedoeling dat we pas gaan werken als we er zin in hebben. Er moet worden gewerkt wanneer de gelegenheid ervoor aanwezig is, of, zoals de Heer Jezus van Zichzelf zegt, dat Hij werkt “zolang het dag is” (Jh 9:44Ik moet de werken werken van Hem Die Mij heeft gezonden, zolang het dag is; [de] nacht komt wanneer niemand kan werken.). Een zoon van de wijsheid zal “in de zomer” verzamelen (vers 55Wie in de zomer verzamelt, is een verstandige zoon,
wie in de oogst[tijd] diep slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
; Sp 6:6-86Ga naar de mier, luiaard,
zie zijn wegen en word wijs.
7Hoewel hij geen aanvoerder heeft,
[geen] leidinggevende of heerser,
8maakt hij zijn eten gereed in de zomer,
verzamelt hij zijn voedsel in de oogst[tijd].
; 30:2525de mieren zijn een volk zonder kracht,
maar in de zomer bereiden ze hun voedsel,
)
. Daarmee bewijst hij dat hij “een verstandige zoon” is. De oogst is de juiste tijd om het juiste te doen. Jozef handelde als een verstandige zoon door in een tijd van overvloed die overvloed te verzamelen en te bewaren voor de ‘magere’ jaren (Gn 41:46-5646En Jozef was dertig jaar oud, toen hij bij de farao, de koning van Egypte, in dienst trad. Toen ging Jozef bij de farao weg en trok heel het land Egypte door.47Het land bracht in de zeven jaren van overvloed bij handen vol op,48en hij bracht al het voedsel van de zeven jaren dat in het land Egypte was, bijeen en sloeg het voedsel op in de steden; het voedsel van de akkers van elke stad, die eromheen lagen, sloeg hij binnen die [stad] op.49Jozef sloeg koren op als het zand van de zee, zeer veel, totdat men ophield met tellen, want er was geen tellen [meer] aan.50[Nog] voor er een jaar van honger kwam, werden bij Jozef twee zonen geboren, die Asnath, de dochter van Potifera, een priester uit On, hem baarde.51Jozef gaf de eerstgeborene de naam Manasse. Want, [zei hij,] God heeft mij al mijn moeite en heel mijn familie doen vergeten.52De tweede gaf hij de naam Efraïm. Want, zei hij, God heeft mij vruchtbaar doen worden in het land van mijn verdrukking.53Toen eindigden de zeven jaren van overvloed die er in het land Egypte geweest waren,54en begonnen de zeven jaren van hongersnood te komen, zoals Jozef gezegd had. Er was honger in alle landen, maar in heel het land Egypte was brood.55Toen ook heel het land Egypte honger kreeg, schreeuwde het volk bij de farao om brood, en de farao zei tegen alle Egyptenaren: Ga naar Jozef [en] doe wat hij u zegt.56Toen er honger in heel het land was, opende Jozef alle [korenschuren] en verkocht koren aan de Egyptenaren, want de honger werd sterk in het land Egypte.).

Als wij de geschikte gelegenheid ten volle benutten, de tijd uitkopen (Ef 5:15-1615Kijk dus nauwkeurig uit hoe u wandelt, niet als onwijzen maar als wijzen,16terwijl u de geschikte gelegenheid ten volle uitbuit, want de dagen zijn boos.), handelen wij als “een verstandige zoon”. Dit heeft alles te maken met het leren kennen van de wil van God, die Hij bekendmaakt aan hen die gehoorzaam willen zijn. Jonge mensen laten zien dat ze ‘een verstandige zoon’ zijn, als ze ijverig zijn in het bestuderen van het Woord van God. Ze geven dan gehoor aan de aansporing die Salomo in het boek Prediker geeft: Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd, voordat de kwade dagen komen” (Pr 12:1a1Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd,
voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen
waarvan u zeggen zult:
Ik vind er geen vreugde in;
)
.

Tegenover een verstandige zoon staat de zoon die “in de oogst[tijd] diep slaapt”. Terwijl iedereen hard aan het werk is om de oogst binnen te halen, ligt deze zoon in diepe slaap verzonken op bed. Zo laat hij de tijd van verzamelen voorbijgaan en zal niets hebben als hij wakker wordt. De Heer Jezus zegt: “De velden … zijn al wit om te maaien” (Jh 4:3535Zegt u niet: Het zijn nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Slaat uw ogen op en aanschouwt de velden, want zij zijn al wit om te maaien.). Maar Hij moet helaas ook zeggen: “De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig” (Mt 9:3737Toen zei Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig;; Lk 10:22Hij nu zei tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig; smeekt dan de Heer van de oogst dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstuurt.). Veel christenen zijn in een diepe geestelijke slaap verzonken. Ze zijn bezig met veel dingen voor zichzelf en niet met het werk voor de Heer.

Een zoon die in de oogsttijd slaapt, doet niet alleen zichzelf tekort. Hij “is een zoon die beschaamd maakt”, dat wil zeggen dat hij ook zijn vader, die hem wijsheid heeft onderwezen, beschaamd maakt en tekortdoet. Hij gedraagt zich schandelijk door uit luiheid zijn plicht te verzaken, terwijl hij die kent. Demas is een voorbeeld van iemand die anderen beschaamd maakt. Paulus moet met droefheid tegen Timotheüs zeggen dat Demas “de tegenwoordige eeuw heeft lief gekregen” (2Tm 4:1010want Demas heeft mij verlaten, daar hij de tegenwoordige eeuw heeft lief gekregen, en is naar Thessalonika gereisd, Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.). Ontrouwe gelovigen maken gelovigen beschaamd die voor hun geestelijk welzijn hebben gebeden en gestreden (vgl. 1Jh 2:2828En nu, kinderen, blijft in Hem, opdat wij als Hij geopenbaard wordt, vrijmoedigheid hebben en niet beschaamd worden voor Hem bij Zijn komst.).

Christenen die niet beantwoorden aan de roeping waarmee God hen heeft geroepen, maken God de Vader beschaamd. God schaamt zich voor hen. Het volk van God dat uit Babel was teruggekeerd naar Juda en Jeruzalem, maakte God beschaamd door te zeggen dat het voor de bouw van het huis van God niet de juiste tijd was (Hg 1:2-32Zo spreekt de HEERE van de legermachten: Dit volk zegt: De tijd is nog niet gekomen, de tijd om het huis van de HEERE te herbouwen.3Toen kwam het woord van de HEERE door de dienst van de profeet Haggaï:). Zij liepen hard voor hun eigen huizen, terwijl elke inspanning voor Gods huis hun te veel was.


Zegen of wegteren

6Zegeningen rusten er op het hoofd van de rechtvaardige,
maar geweld overdekt de mond van de goddelozen.
7De herinnering aan de rechtvaardige is tot zegen,
maar de naam van goddelozen zal wegteren.

“De rechtvaardige” en “zegeningen” horen bij elkaar (vers 66Zegeningen rusten er op het hoofd van de rechtvaardige,
maar geweld overdekt de mond van de goddelozen.
)
. Op het hoofd van de rechtvaardige rusten zegeningen van God (vgl. Gn 49:2626De zegeningen van je vader
gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven,
tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels.
Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.
; Dt 33:1616met het beste van de aarde en haar volheid,
en [met] de goedgunstigheid van Hem Die in de doornstruik woonde.
Laat het komen op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers!
)
, wat mensen hem ook mogen aandoen of over hem mogen zeggen. God spreekt Zijn zegen uit over de rechtvaardige en zegent hem met stoffelijke en geestelijke zegeningen. Hierbij mogen we weer in de eerste plaats aan de Heer Jezus denken Die de Gezegende is.

Tegenover het hoofd van de rechtvaardige staat “de mond van de goddeloze”. Zijn mond wordt door “geweld overdekt”. Dat kan betekenen dat zijn mond met geweld wordt gesnoerd. Voor hem is er geen zegen, maar hem wordt hardhandig het zwijgen opgelegd (vgl. Ps 107:4242De oprechten zien het en zijn verblijd,
maar alle ongerechtigheid sluit haar mond.
)
. Het kan ook betekenen dat geweld als een kleed over zijn mond ligt, dat uit zijn mond alleen geweld komt. Elk woord van zegen voor een ander is hem vreemd.

Wat het leven van de rechtvaardige en de goddelozen heeft gekenmerkt, wordt na de dood voortgezet (vers 77De herinnering aan de rechtvaardige is tot zegen,
maar de naam van goddelozen zal wegteren.
)
. Hoe gezegend is de herinnering aan dé Rechtvaardige, Christus Jezus (Ps 112:6b6Voorzeker, hij zal voor eeuwig niet wankelen, /kaph/
de rechtvaardige zal eeuwig in gedachtenis blijven. /lamed/
)
, en hoe afschrikwekkend is de naam van Judas. Het nadenken over rechtvaardigen die vóór ons hebben geleefd, is een bezigheid waar zegen voor ons van uitgaat (Hb 11). We ervaren dat wanneer we biografieën van toegewijde gelovigen lezen. Zulke gelovigen houden we in dankbare herinnering.

“De naam van goddelozen” bewerkt het tegendeel. Het denken eraan of noemen ervan roept afschuw op. We zullen onze kinderen niet de naam van een goddeloos iemand geven. Van zo’n naam gaat geen zegen uit, maar die naam “zal wegteren”, wat duidt op een rottingsproces. De naam van koning Jerobeam is zo’n naam. Hij wordt na zijn dood aangeduid als de koning “die Israël deed zondigen” (1Kn 14:1616Hij zal Israël overgeven vanwege de zonden van Jerobeam, die gezondigd heeft en die Israël deed zondigen.; 15:3030vanwege de zonden van Jerobeam, die zondigde en die Israël deed zondigen, en om zijn tergen, waarmee hij de HEERE, de God van Israël, tot toorn had verwekt.; 22:5353Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij ging namelijk in de weg van zijn vader en in de weg van zijn moeder, in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.; 2Kn 3:33Alleen hield hij vast aan de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen. Hij week daarvan niet af.; 10:29,3129Alleen week Jehu niet af van het navolgen van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, [te weten van] de gouden kalveren die in Bethel en die in Dan waren.31Maar Jehu wandelde niet nauwlettend [en] met heel zijn hart in de wet van de HEERE, de God van Israël; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, die Israël deed zondigen.; 13:2,6,112Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, want hij volgde de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af.6Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israël deed zondigen, [maar] zij gingen daarin voort; ook bleef de gewijde paal in Samaria staan.11Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, maar hij ging daarin voort.; 14:2424Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week niet af van alle zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.; 15:18,24,2818Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.24Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.28Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.; 23:1515En ook het altaar dat in Bethel stond, [en] de [offer]hoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, gemaakt had – ook dat altaar en die [offer]hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de [offer]hoogte, verpulverde die tot stof en verbrandde de gewijde paal.).

De vraag die op ons afkomt, is hoe wij herinnerd willen worden. Bij begrafenissen worden vaak alleen de goede dingen genoemd, terwijl de persoon soms heel anders bekendstond. Maar de geur van het leven dat iemand heeft geleefd, blijft na de dood hangen, welke woorden er bij de begrafenis ook gesproken mogen zijn. Laten we een aangename geur of stank na? Zal onze naam met dankbaarheid of met afschuw genoemd worden?


Ten val komen of een veilige weg gaan

8Wie wijs van hart is, neemt de geboden aan,
maar wie dwaas van lippen is, komt ten val.
9Wie in oprechtheid [zijn weg] gaat, gaat [een] veilige [weg],
maar wie kromme wegen gaat, zal opgemerkt worden.
10Wie [heimelijk] knipoogt, richt leed aan,
en wie dwaas van lippen is, komt ten val.

“Wie wijs van hart is, neemt de geboden aan” die zijn vader of iemand anders die boven hem staat, hem voorhoudt (vers 88Wie wijs van hart is, neemt de geboden aan,
maar wie dwaas van lippen is, komt ten val.
)
. Hij doet dat omdat hij zich bewust is van zijn behoefte daaraan en de waarde ervan. In zichzelf heeft hij geen kracht om nee te zeggen tegen de zonde in zichzelf en tegen de verleidingen van de wereld om zich heen. Daarom verlangt de wijze van hart naar geboden die hij in zijn hart kan bewaren om daardoor in zijn leven geleid te worden (Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
)
. Hij wil onderwezen worden om nog wijzer te worden.

De dwaas is voortdurend zelf aan het woord met gepraat dat kant noch wal raakt. Daardoor is hij niet in staat om te luisteren naar de geboden die hem worden voorgehouden en die ten leven zijn. Je kunt proberen hem erop te wijzen dat hij wijsheid nodig heeft, maar hij praat er direct overheen met breedsprakige onzinnigheden. Zo omzeilt hij de confrontatie met zijn werkelijke nood, want die wil hij niet zien.

Iemand gaat “in oprechtheid [zijn weg]” als hij met God wandelt en niet voor het oog van de mensen (vers 99Wie in oprechtheid [zijn weg] gaat, gaat [een] veilige [weg],
maar wie kromme wegen gaat, zal opgemerkt worden.
; Gn 17:11Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HEERE aan Abram en zei tegen hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht.)
. Dan gaat hij een “veilige [weg]”. Veiligheid gaat samen met oprechtheid. Jozef ging in oprechtheid zijn weg en genoot daarop de bescherming van God. “Maar wie kromme wegen gaat”, dat wil zeggen zondige wegen, blijft niet onopgemerkt. God ziet al zijn wegen en zal hem daarmee confronteren. Die ontdekking, dat “opgemerkt worden”, brengt straf met zich mee (Ps 125:55Maar wie zich neigen [tot] kronkelwegen,
zal de HEERE doen verdwijnen,
met hen die onrecht bedrijven.
Vrede over Israël!
)
.

Petrus ging een kromme weg toen hij uit vrees voor de Joden zijn christelijke positie verloochende. Hij wandelde niet recht naar de waarheid van het evangelie. Paulus heeft dat opgemerkt en hem daarover streng vermaand (Gl 2:11-1411Maar toen Kefas in Antiochië kwam, weerstond ik hem in zijn gezicht, omdat hij te veroordelen was.12Want voordat er enigen van Jakobus kwamen, at hij met [die uit] de volken; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en zonderde zich af uit vrees voor die uit [de] besnijdenis;13en met hem huichelden <ook> de overige Joden, zodat zelfs Barnabas door hun huichelarij werd meegesleept.14Maar toen ik zag dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het evangelie, zei ik tot Kefas in het bijzijn van allen: Als u, die een Jood bent, leeft als de volken en niet als de Joden, waarom dwingt u de volken naar Joodse wijze te leven?).

Er zijn mensen die leed bij anderen veroorzaken door geheime communicatie (vers 1010Wie [heimelijk] knipoogt, richt leed aan,
en wie dwaas van lippen is, komt ten val.
; vgl. Sp 6:12-1412Een verdorven mens, een man van onrecht,
gaat rond met valsheid van mond,
13knipoogt [heimelijk], geeft een teken met zijn voeten
en wijst met zijn vingers.
14In zijn hart zijn verderfelijke dingen, hij smeedt te allen tijde kwaad
en hij brengt twisten teweeg.
; Ps 35:1919Laat over mij zich niet verblijden
wie om valse redenen mijn vijand zijn,
en laat niet [heimelijk] knipogen
 wie mij zonder reden haten.
)
. Iets met een knipoog zeggen heeft de betekenis dat wat wordt gezegd, niet waar is. Een “dwaas van lippen” veroorzaakt zijn eigen val. Hier is de tweede versregel niet een vergelijking met de eerste versregel, het is ook geen tegenstelling, maar een aanvulling daarop, wat wordt weergegeven door het woord “en” aan het begin van de tweede versregel.


De mond van de rechtvaardige en de dwaas

11De mond van de rechtvaardige is een bron van leven,
maar geweld overdekt de mond van de goddelozen.
12Haat wekt twisten op,
maar liefde bedekt alle overtredingen.
13Op de lippen van verstandigen wordt wijsheid gevonden,
maar op de rug van [mensen] zonder verstand de stok.
14Wijzen bergen kennis op,
maar de mond van de dwaas is de ondergang nabij.

“De mond van de rechtvaardige”, dat wil zeggen wat de rechtvaardige zegt, “is een bron van leven” voor wie naar hem luistert (vers 1111De mond van de rechtvaardige is een bron van leven,
maar geweld overdekt de mond van de goddelozen.
)
. Zijn woorden zijn weldadig en geven levenskracht. Een bron geeft telkens fris water. Dit is volmaakt waar van de mond van de Heer Jezus. Uit Zijn mond komen woorden van genade (Lk 4:2222En allen gaven Hem getuigenis en verwonderden zich over de woorden van de genade die uit Zijn mond kwamen, en zeiden: Is Deze niet [de] Zoon van Jozef?). Zijn woorden “zijn geest en zijn leven” (Jh 6:6363De Geest is het Die levend maakt; het vlees heeft geen enkel nut. De woorden die Ik tot u heb gesproken, zijn geest en zijn leven.).

We vinden het ook bij alle profeten die Gods Woord hebben gesproken. Al hun woorden van vermaning die zij namens God spraken, waren bedoeld om het volk van God het ware leven te laten leven. Hetzelfde geldt voor de mond van de nieuwtestamentische gelovige. Die is een bron van leven als hij zich in zijn woorden door de Heilige Geest laat leiden. Dan komen er uit zijn binnenste “stromen van levend water” voor anderen (Jh 7:38-3938Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.).

Wat de goddeloze zegt, heeft een totaal andere inhoud. Hij verspreidt geweld. Wat hij zegt, richt alleen maar schade bij anderen aan (vers 6b6Zegeningen rusten er op het hoofd van de rechtvaardige,
maar geweld overdekt de mond van de goddelozen.
)
. De kwaliteit van het leven wordt door hem verwoest. Waar hij is en zijn mond opendoet, wordt de atmosfeer vergiftigd. In plaats van verkwikking en leven zaait hij met zijn gepraat dood en verderf.

De goddelozen worden gedreven door “haat”, maar de rechtvaardige door “liefde” (vers 1212Haat wekt twisten op,
maar liefde bedekt alle overtredingen.
)
. Uit haat ontspringen twisten en ruzies. De woorden van de goddelozen zijn met geweld overdekt, maar de liefde van de rechtvaardige bedekt zonden door ze te vergeven. Liefde brengt vrede door vergeving, door de bedekking van “alle overtredingen”.

Er is een wezenlijk verschil tussen de overdekking of bedekking van vers 1111De mond van de rechtvaardige is een bron van leven,
maar geweld overdekt de mond van de goddelozen.
en de bedekking van vers 1212Haat wekt twisten op,
maar liefde bedekt alle overtredingen.
. In vers 1111De mond van de rechtvaardige is een bron van leven,
maar geweld overdekt de mond van de goddelozen.
gaat het om de bedekking zelf. Er wordt niets bedekt, maar zichtbaar en wel geweld. In vers 1212Haat wekt twisten op,
maar liefde bedekt alle overtredingen.
wordt door de bedekking iets verborgen en weggenomen en wel alle overtredingen.

De Heer Jezus heeft in Zijn liefde alle overtredingen van wie in Hem geloven met Zijn bloed bedekt en daardoor vergeven. Liefde “rekent het kwade niet toe” (1Ko 13:55handelt niet onwelvoeglijk, zoekt niet haar eigen [belang], wordt niet verbitterd, rekent het kwade niet toe,). Petrus past dit woord krachtig toe op onze onderlinge omgang als gelovigen die in de eindtijd leven (1Pt 4:7-87Het einde van alles nu is nabij, weest dus bezonnen en nuchter tot gebeden.8Vóór alles, hebt vurige liefde tot elkaar, want liefde bedekt een menigte van zonden.). Het bedekken van overtredingen of zonden doen we ook als we een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengen (Jk 5:19-2019Mijn broeders, als iemand onder u van de waarheid afdwaalt en iemand brengt hem terug,20laat hij dan weten dat wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, <zijn> ziel van [de] dood redden en een menigte van zonden bedekken zal.).

Wie “wijsheid” zoekt, vindt die “op de lippen van de verstandigen” (vers 1313Op de lippen van verstandigen wordt wijsheid gevonden,
maar op de rug van [mensen] zonder verstand de stok.
)
. Daar wordt wijsheid aangetroffen. Zoals wijsheid en lippen van de verstandigen bij elkaar horen, zo horen ook “de stok” en “de rug van [mensen] zonder verstand” bij elkaar. De enige taal die mensen zonder verstand verstaan, is de taal van de stok die op hun rug slaat als een bestraffing. Zij hebben anderen pijn gedaan met hun gepraat en krijgen als straf pijn toegediend.

Rehabeam, de dwaze zoon van Salomo, is iemand die als een man zonder verstand heeft gehandeld toen het volk om verlichting van de lasten vroeg. Hij luisterde niet naar verstandige raad, maar volgde een dwaas advies op. Daarom kreeg hij met de stok, dat is de tucht van God, te maken (1Kn 12:1-241Rehabeam ging naar Sichem, want heel Israël was naar Sichem gekomen om hem koning te maken.2Het gebeurde nu, toen Jerobeam, de zoon van Nebat, [dit] hoorde, terwijl hij nog in Egypte was – want hij was gevlucht voor koning Salomo en Jerobeam woonde in Egypte –3dat zij [een bode] stuurden en hem lieten roepen. Toen kwam Jerobeam, met heel de gemeente van Israël, en zij spraken tot Rehabeam:4Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; maakt u het harde dienstwerk voor uw vader en zijn zware juk, dat hij ons heeft opgelegd nu lichter, dan zullen wij u dienen.5Hij zei tegen hen: Ga en kom over drie dagen bij mij terug. En het volk ging weg.6Koning Rehabeam pleegde overleg met de oudsten die bij zijn vader Salomo in dienst waren geweest, toen die [nog] leefde, en zei: Wat raadt u aan om dit volk te antwoorden?7Zij spraken tot hem: Als u heden een dienaar voor dit volk wilt zijn, en [als] u hen dient, hun antwoord geeft en goede woorden tot hen spreekt, dan zullen zij alle dagen uw dienaren zijn.8Maar hij verwierp de raad van de oudsten, die zij hem hadden gegeven, en pleegde overleg met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en bij hem in dienst waren.9Hij zei tegen hen: Wat raadt u aan dat wij dit volk zullen antwoorden, dat tot mij sprak: Maak het juk dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?10De jonge mannen, die met hem waren opgegroeid, spraken tot hem: Dit moet u zeggen tegen dat volk, dat tot u heeft gesproken: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maakt u het voor ons lichter. Dit moet u tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader.11Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk [nog meer] toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.12Toen kwam Jerobeam met heel het volk bij Rehabeam, op de derde dag, zoals de koning had gesproken: Kom op de derde dag bij mij terug.13En de koning gaf het volk een hard antwoord, want hij verwierp de raad van de oudsten die hem raad gegeven hadden.14Hij sprak tot hen overeenkomstig de raad van de jonge mannen: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ík zal aan uw juk [nog meer] toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.15Dus luisterde de koning niet naar het volk. Deze ommekeer kwam namelijk van de HEERE, opdat Hij Zijn woord gestand zou doen dat de HEERE door de dienst van Ahia uit Silo tot Jerobeam, de zoon van Nebat, had gesproken.16Toen heel Israël zag dat de koning niet naar hen geluisterd had, gaf het volk de koning ten antwoord:
Wat voor deel hebben wij aan David?
Wij hebben geen erfelijk bezit met de zoon van Isaï.
Naar uw tenten, Israël!
Zorg nu voor uw eigen huis, David!
En Israël ging naar zijn tenten.17Maar wat betreft de Israëlieten die in de steden van Juda woonden, over hen bleef Rehabeam koning.18Toen stuurde koning Rehabeam Adoram, die over de herendienst [ging]. Maar heel Israël stenigde hem met stenen, zodat hij stierf. Koning Rehabeam had echter de moed om op de wagen te klimmen om naar Jeruzalem te vluchten.19Zo werden de Israëlieten afvallig van het huis van David, tot op deze dag.20En het gebeurde, toen heel Israël hoorde dat Jerobeam was teruggekeerd, dat zij hem naar de volksvergadering lieten roepen, en hem over heel Israël koning maakten. Niemand volgde het huis van David dan alleen de stam van Juda.21Toen Rehabeam in Jeruzalem aangekomen was, riep hij heel het huis van Juda en de stam van Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend van de beste [manschappen], geoefend in de strijd, om tegen het huis van Israël oorlog te voeren en het koningschap aan Rehabeam, de zoon van Salomo, terug te brengen.22Maar het woord van God kwam tot Semaja, de man Gods:23Zeg tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tegen heel het huis van Juda en Benjamin en de rest van het volk:24Zo zegt de HEERE: U mag niet optrekken of strijden tegen uw broeders, de Israëlieten. Keer terug, ieder naar zijn huis, want deze zaak is bij Mij vandaan gekomen. Zij luisterden naar het woord van de HEERE en keerden terug om weg te gaan, overeenkomstig het woord van de HEERE.
)
.

“Wijzen” zijn een bergplaats van “kennis” (vers 1414Wijzen bergen kennis op,
maar de mond van de dwaas is de ondergang nabij.
)
. Zij kunnen op de juiste tijd bij de juiste gelegenheid het juiste naar voren brengen (Mt 12:35a35De goede mens brengt uit zijn goede schat goede dingen voort, en de boze mens brengt uit zijn boze schat boze dingen voort.; 13:5252Hij nu zei tot hen: Daarom is iedere schriftgeleerde die een discipel van het koninkrijk der hemelen is gemaakt, gelijk aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.). Wijzen kennen de waarde van het zwijgen. De kennis is een kostbare schat, die je niet zomaar te grabbel gooit. Ze strooien niet te pas en te onpas met woorden van wijsheid. De dwaas laat van zich horen op de meest ongelegen tijden en in de meest ongepaste situaties. Uit wat hij zegt, blijkt dat hij zichzelf naar de ondergang leidt.


Veiligheid en leven of ondergang

15Het bezit van een rijke is zijn sterke stad,
de armoede van de armen is hun ondergang.
16Het werk van de rechtvaardige is ten leven,
het inkomen van de goddeloze tot zonde.
17Het pad ten leven is voor hem die vermaning in acht neemt,
maar wie bestraffing achter zich laat, doet dwalen.

Wie rijk is, voelt zich daardoor net zo veilig als iemand die in een versterkte stad zit (vers 1515Het bezit van een rijke is zijn sterke stad,
de armoede van de armen is hun ondergang.
)
. Hij kan zich van allerlei middelen voorzien om zichzelf tegen kwaad te beschermen. De armen hebben dat niet en vallen gemakkelijk aan kwaadwillende lieden ten prooi. Dit is wat de wijze waarneemt in de wereld. Iemand kan rijk of arm zijn, wat iemand een bepaalde onkwetsbaarheid of kwetsbaarheid geeft.

Geestelijk kunnen we dit toepassen op rijk of arm zijn in het geloof. Wie beseft hoe rijk hij in Christus is, weet zich in een sterke stad. Maar de gelovige die daarvan geen besef heeft, heeft een armzalig en kwetsbaar geloofsleven. De rijke gelovige is veilig tegen dwaalleer, hij zal zich zijn rijkdom niet laten ontroven. De arme is een prooi van “elke wind van leer” (Ef 4:1414opdat wij niet meer onmondigen zijn, heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door [hun] sluwheid om door listen te doen dwalen,).

Iemands beloning hangt af van zijn morele karakter, dat wil zeggen of hij een rechtvaardige of een goddeloze is (vers 1616Het werk van de rechtvaardige is ten leven,
het inkomen van de goddeloze tot zonde.
)
. Wat een rechtvaardige doet, bevordert het leven; wat een goddeloze verwerft, zijn inkomen, leidt tot zonde en dood. In nieuwtestamentische taal gezegd: “Want wat het vlees bedenkt, is [de] dood, maar wat de Geest bedenkt, is leven en vrede” (Rm 8:66want wat het vlees bedenkt, is [de] dood, maar wat de Geest bedenkt, is leven en vrede;). Bovenal is “het werk van de Rechtvaardige”, Christus, een werk “ten leven”. Zijn werk heeft als gevolg dat “ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft” (Jh 3:1616Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.).

Als iemand “de vermaning in acht neemt”, naar vermaning luistert en die accepteert, komt hij op “het pad ten leven” terecht (vers 1717Het pad ten leven is voor hem die vermaning in acht neemt,
maar wie bestraffing achter zich laat, doet dwalen.
)
. Hij zal daaraan ook vasthouden en daardoor op het pad van het leven blijven. Zo is hij een uitnodigend voorbeeld voor anderen om ook naar vermaning te luisteren. Wie geen oor heeft voor vermaning, brengt anderen op een dwaalweg. Hoe we zijn, heeft niet alleen gevolgen voor onszelf. We geven daardoor een voorbeeld dat anderen tot een bepaald handelen brengt. Goed voorbeeld doet goed volgen, slecht voorbeeld doet slecht volgen.


Het gebruik van de lippen

18Wie haat toedekt, heeft valse lippen,
en wie een kwaad gerucht verspreidt, die is een dwaas.
19In de veelheid van woorden ontbreekt de overtreding niet,
maar wie zijn lippen inhoudt, is verstandig.
20De tong van de rechtvaardige is het beste zilver,
het hart van de goddelozen is weinig [waard].
21De lippen van de rechtvaardige voeden velen,
maar de dwazen sterven door gebrek aan verstand.

“Haat” toedekken, het verkeerde verbergen, is hypocriet en getuigt van “valse lippen” (vers 1818Wie haat toedekt, heeft valse lippen,
en wie een kwaad gerucht verspreidt, die is een dwaas.
)
. Wie haat toedekt, is een leugenaar, want hij houdt zijn ware bedoelingen verborgen. Hij doet lief, maar in zijn hart brandt de haat. Zo iemand was Absalom in zijn benadering van Amnon (2Sm 13:22-2922Maar Absalom sprak niet met Amnon, geen kwaad en geen goed, want Absalom haatte Amnon, omdat hij zijn zuster Tamar verkracht had.23Het gebeurde twee volle jaren later, toen Absalom [schaap]scheerders [aan het werk] had in Baäl-Hazor, dat bij Efraïm ligt, dat Absalom alle zonen van de koning uitnodigde.24Absalom kwam bij de koning en zei: Zie toch, uw dienaar heeft [schaap]scheerders [aan het werk]; laat de koning en zijn dienaren toch met uw dienaar meegaan.25Maar de koning zei tegen Absalom: Nee, mijn zoon, laten wij toch niet allemaal gaan, zodat wij je niet tot last zijn. [Absalom] hield bij hem aan. Hij wilde echter niet meegaan, maar gaf hem zijn zegen.26Toen zei Absalom: Zo niet, laat dan mijn broer Amnon met ons meegaan. Maar de koning zei tegen hem: Waarom zou hij met je meegaan?27Toen Absalom bij hem bleef aanhouden, liet hij Amnon en al de koningszonen met hem meegaan.28Absalom gaf zijn knechten de opdracht: Let er toch op, als het hart van Amnon vrolijk is van de wijn en ik tegen u zeg: Dood Amnon, dan moet u hem doden. Wees niet bevreesd, heb ík het u niet geboden? Wees sterk en wees dappere mannen.29En de knechten van Absalom deden met Amnon zoals Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen van de koning op, reden weg – ieder op zijn muildier – en vluchtten.). De tweede versregel spreekt over een mogelijk nog groter kwaad. Dat betreft het verspreiden van “kwaad gerucht”. Wie dat doet, breekt iemand af bij allen aan wie hij het kwaad gerucht vertelt. Wie dat doet, is een dwaas. In de eerste versregel wordt iets toegedekt of verborgen gehouden, in de tweede wordt iets verspreid of openbaar gemaakt.

Een veelprater kan onmogelijk in alles wat hij zegt voor honderd procent de waarheid spreken (vers 1919In de veelheid van woorden ontbreekt de overtreding niet,
maar wie zijn lippen inhoudt, is verstandig.
)
. Vooral voor hem geldt wat Jakobus zegt van de woorden die een mens spreekt: “Want wij allen struikelen dikwijls” (Jk 3:2a2Want wij struikelen allen dikwijls. Als iemand in [het] woord niet struikelt, die is een volmaakt man, in staat ook het hele lichaam in toom te houden.). Een dwaas gebruikt veel woorden (Pr 5:22Want [zoals] de droom komt door veel bezigheid,
zo ook het gepraat van de dwaas door veelheid van woorden.
)
. Een “overtreding” wil zeggen een grens overschrijden, op verboden terrein komen. Het getuigt van verstand als we onze lippen inhouden. Het is verstandig om niet altijd en zeker niet direct alles te zeggen wat we denken. Ieder mens moet “snel zijn om te horen, traag om te spreken” (Jk 1:1919Weet dit, mijn geliefde broeders; laat ieder mens echter snel zijn om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn.).

“De tong van de rechtvaardige”, dat betekent wat de rechtvaardige zegt, is veel meer waard dan “het hart van de goddeloze”, dat wil zeggen zijn beste bedoelingen (vers 2020De tong van de rechtvaardige is het beste zilver,
het hart van de goddelozen is weinig [waard].
)
. Het contrast tussen beide uitdrukkingen is dat tussen het uiterlijk en het innerlijk. Het uiterlijk is de tong, ofwel wat wordt gezegd. Het innerlijk is de gezindheid van het hart, ofwel wat men van plan is. Daar hoort een gezond evenwicht tussen te zijn.

Wat de rechtvaardige zegt, heeft de waarde van “het beste zilver”, terwijl wat de goddeloze van plan is, geen enkele waarde heeft. De Heer Jezus had een tong van “het beste zilver”, want Hij gebruikte Zijn tong nadat Hij onderwijs had ontvangen. Daardoor wist Hij “met de vermoeide een woord op de juiste tijd te spreken” (Js 50:44De Heere HEERE gaf Mij een tong van een die onderwijs ontving,
zodat Ik weet met de vermoeide een woord op de juiste tijd te spreken.
Hij wekt Mij elke morgen, Hij wekt Mij het oor,
zodat Ik hoor als zij die onderwijs ontvangen.
)
. Zilver is een beeld van de prijs die voor de verlossing moet worden betaald (Ex 30:11-1611Verder sprak de HEERE tot Mozes:12Wanneer u het aantal Israëlieten opneemt, volgens hun tellingen, dan moet ieder bij hun telling aan de HEERE een losgeld geven voor zijn leven, opdat er bij hun telling geen plaag over hen komt.13Dit moeten allen die bij de getelden gaan behoren, geven: een halve sikkel, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom (de sikkel is twintig gera [waard]), een halve sikkel als een hefoffer voor de HEERE.14Al wie bij de getelden gaat behoren, van twintig jaar oud en daarboven, moet het hefoffer voor de HEERE geven.15De rijke mag niet meer en de arme niet minder geven dan een halve sikkel, als u het hefoffer voor de HEERE geeft om voor uw leven verzoening te doen.16U moet het geld ter verzoening van de Israëlieten nemen en het bestemmen voor de dienst van de tent van ontmoeting. Het moet een herinnering voor de Israëlieten zijn voor het aangezicht van de HEERE, om voor uw leven verzoening te doen.). De woorden van de Heer Jezus waren erop gericht om mensen te verlossen.

De waarde van de woorden van de rechtvaardige is dat velen er (geestelijk) door worden gevoed en erdoor in leven blijven (vers 2121De lippen van de rechtvaardige voeden velen,
maar de dwazen sterven door gebrek aan verstand.
)
. Voeden wil zeggen weiden, zoals een herder dat doet. Het gaat niet alleen om voedsel, maar ook om zorg voor het juiste voedsel. De woorden worden met zorg doorgegeven. Dat geldt wel bijzonder voor de woorden van de Heer Jezus. Hij is het Brood van het leven. Ook de profeten die in Zijn Naam hebben gesproken, hebben met hun woorden het volk gevoed, ze hebben het goede geestelijke voedsel gegeven (Jr 3:1515Ik zal u herders geven naar Mijn hart, die u zullen weiden met kennis en verstand.). Die woorden bouwen op. De taak van de herder en leraar in de gemeente is ook om de gemeente op te bouwen.

De dwazen ontbreekt het aan verstand. Zij willen niet door de lippen van de Rechtvaardige gevoed worden, zij verachten Diens woorden. Daarmee wijzen ze het leven af en sterven. Wie Hem verwerpt en Zijn woorden niet aanneemt, zal geoordeeld worden door het woord dat Hij heeft gesproken (Jh 12:4848Wie Mij verwerpt en Mijn woorden niet aanneemt, heeft dat wat hem oordeelt: het woord dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen op de laatste dag.).


De zegen van de HEERE

22De zegen van de HEERE, die maakt rijk,
Hij voegt er geen zwoegen aan toe.
23Zoals het voor een dwaas een spel is zich schandelijk te gedragen,
zo is wijsheid [dat] voor iemand met inzicht.
24Wat de goddeloze vreest, dat zal hem overkomen,
maar van rechtvaardigen vervult [God] het verlangen.
25Zoals een wervelwind voorbijgaat, is de goddeloze er niet [meer],
maar de rechtvaardige is een eeuwig fundament.
26Zoals zure wijn voor de tanden en rook voor de ogen,
zo is de luiaard voor wie hem ergens opuit sturen.

Alle rijkdom die we hebben, is ons door God gegeven (vers 2222De zegen van de HEERE, die maakt rijk,
Hij voegt er geen zwoegen aan toe.
)
. Het is Zijn zegen, zonder dat Hij enige prestatie, enig “zwoegen”, van onze kant vraagt (vgl. Ps 127:11Een pelgrimslied, van Salomo.
Als de HEERE het huis niet bouwt,
tevergeefs zwoegen zijn bouwers eraan;
als de HEERE de stad niet bewaart,
tevergeefs waakt de wachter.
)
. Het woord “die” legt de volle nadruk op “de zegen van de HEERE”. Alleen die zegen maakt rijk. Dit vers is een waarschuwing tegen zelfvoldaanheid, tegen de gedachte dat wij onze rijkdom aan onszelf te danken hebben.

Er is geen tegenspraak met vers 44Wie met een bedrieglijke hand werkt, wordt arm,
maar de hand van de vlijtigen maakt rijk.
, waar staat dat de hand van de vlijtigen rijk maakt. Zowel het een als het ander is waar. We moeten werken, maar ook beseffen dat de Heer ons de kracht ervoor moet geven en tevens de zegen erop. Dan beseffen we dat alles van Hem komt en zullen we Hem daarvoor de eer geven.

Iemands karakter wordt openbaar door de dingen waarin hij plezier vindt (vers 2323Zoals het voor een dwaas een spel is zich schandelijk te gedragen,
zo is wijsheid [dat] voor iemand met inzicht.
)
. Voor een dwaas is zich schandelijk gedragen als sport en spel. Het gaat hem net zo gemakkelijk af als spelen een kind afgaat. Hij vindt er het grootste plezier in om schandelijk te praten, wat blijkt uit de schunnigste uitdrukkingen die hij gebruikt. “Schandelijk gedrag” is een aanduiding voor heel zondig gedrag. De dwaas beschouwt zelfs het ergste op het gebied van de zonde als vermaak, als een grap. Hij lacht erbij en erom.

Dat staat tegenover de wijsheid die iemand met inzicht volle vreugde geeft alsof het een plezierig spel betreft. Het gaat niet om wat iemand doet, maar om de houding die iemand heeft bij wat hij doet. Wijsheid geeft vermaak aan iemand die inzicht heeft. Dat vermaak wordt gevonden in Gods Woord (Ps 119:117117Ondersteun mij, dan ben ik verlost
en vermaak ik mij voortdurend in Uw verordeningen.
)
.

De goddeloze kan wel plezier hebben in zijn schandelijke gedrag, maar tegelijk is hij innerlijk heel bang voor wat komen gaat. Hij krijgt inderdaad ook waar hij bang voor is (vers 2424Wat de goddeloze vreest, dat zal hem overkomen,
maar van rechtvaardigen vervult [God] het verlangen.
)
. Hij leeft zonder God en daarom zonder enige zekerheid en dus altijd in angst. De rechtvaardige daartegenover krijgt waar hij naar verlangt, want hij leeft met God en verwacht alles van Hem. Hier wordt een enorm contrast geschilderd.

Wie geen fundament in zijn leven heeft, dat wil zeggen wie geen bijbelse uitgangspunten heeft, lijkt op een wervelwind die voorbijgaat (vers 2525Zoals een wervelwind voorbijgaat, is de goddeloze er niet [meer],
maar de rechtvaardige is een eeuwig fundament.
)
. Een wervelwind raast een ogenblik en verdwijnt dan weer, terwijl hij een spoor van verwoesting achterlaat. Zo is de goddeloze. Dit sluit aan bij het vorige vers, waarin staat dat over de goddeloze komt wat hij vreest. Hij kan in zijn leven alles genieten wat hij wenst, zoals rijkdom, aanzien, familie, terwijl hij in angst leeft dat het hem allemaal een keer zal ontvallen. Het zal hem inderdaad ook als door een razende storm afgenomen worden. Mogelijk al in dit leven, maar zeker bij zijn (mogelijk plotselinge) dood.

De rechtvaardige is het tegenovergestelde. Hem kunnen dezelfde dingen overkomen als de goddeloze. Ook zijn rijkdom, aanzien en familie kunnen hem ontvallen (Jb 1-2). Maar als er in zijn leven rampen komen, blijkt hij “een eeuwig fundament” te zijn (vgl. Mt 7:24-2724Ieder dan die deze Mijn woorden hoort en ze doet, zal vergeleken worden met een wijs man, die zijn huis op de rots heeft gebouwd;25en de slagregen viel en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en beukten tegen dat huis; en het viel niet, want het was op de rots gegrondvest.26En ieder die deze Mijn woorden hoort en ze niet doet, zal vergeleken worden met een dwaas man, die zijn huis op het zand heeft gebouwd;27en de slagregen viel en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis; en het viel, en zijn val was groot.). Het toont de onwrikbaarheid van de positie van de rechtvaardige die hij heeft omdat zijn leven is gebouwd op Christus de Rots. Daardoor blijft zijn levenshuis vaststaan, hoezeer de wervelwind er ook tegenaan beukt.

Zure wijn voelt heel naar aan de tanden als je die drinkt (vers 2626Zoals zure wijn voor de tanden en rook voor de ogen,
zo is de luiaard voor wie hem ergens opuit sturen.
)
. Ook rook aan de ogen is heel irritant, want je ogen beginnen te tranen, je ziet niets meer en kunt geen stap meer verzetten. Met deze onaangename ervaringen wordt een luiaard vergeleken die erop uit wordt gestuurd met een bepaalde opdracht. Hij voert die opdracht niet uit, of te laat, of onnauwkeurig en onvolledig. Een luiaard veroorzaakt alleen maar irritatie als je iets van hem verwacht. Traagheid in het werk van de Heer is ook een kwalijke en irritante zaak. Wie daarin traag is, haalt daardoor zelfs een vloek over zich (Jr 48:1010Vervloekt wie het werk van de HEERE traag uitvoert,
ja, vervloekt wie zijn zwaard bloed onthoudt.
)
.


Verwachting en hoop

27De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen,
maar de jaren van de goddelozen worden bekort.
28De verwachting van de rechtvaardigen is blijdschap,
maar de hoop van de goddelozen zal vergaan.

De normale verwachting voor iemand die de HEERE vreest, is dat hij lang zal leven, terwijl de jaren van de goddeloze “worden bekort” (vers 2727De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen,
maar de jaren van de goddelozen worden bekort.
)
. Dat een Godvrezend iemand soms jong sterft en een goddeloze lang leeft, kan twijfel aan dit vers veroorzaken (Ps 49; 73). Die twijfel verdwijnt als we eraan denken dat de betekenis over de dood heen reikt.

De verwachting die de rechtvaardige heeft, geeft hem nu al blijdschap en niet pas straks, bij de vervulling van die verwachting (vers 2828De verwachting van de rechtvaardigen is blijdschap,
maar de hoop van de goddelozen zal vergaan.
)
. De oorzaak daarvan is dat zijn verwachting is verbonden aan de trouwe God en Zijn Christus. Die God is nu ook al bij hem. Op Hem vertrouwt zijn hart. Het oog van de rechtvaardige is niet in de eerste plaats gericht op wat hij verwacht, het leven tot in eeuwigheid, maar op Hem Die zijn verwachting niet zal beschamen.

Iemand heeft gezegd dat het niet gaat om een lang leven, maar om een vol leven. Een vol leven is een leven gevuld met de wil van God en is daarom een lang leven, want “wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid” (1Jh 2:1717En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.). De Heer Jezus heeft gesproken over het leven in overvloed (Jh 10:10b10De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.). Aan dat leven komt nooit een einde en is tevens leven dat in zijn volheid wordt genoten. Het gaat niet alleen om de duur, maar ook om de inhoud. Het korte verblijf op aarde wordt gevolgd door een leven tot in eeuwigheid bij de Heer Jezus in het Vaderhuis.

De goddelozen hebben ook hun hoop (vers 2929De weg van de HEERE is kracht voor de oprechte,
maar de ondergang voor hen die onrecht bedrijven.
)
. Ze rekenen zichzelf rijk als ze voorspoed hebben en gezond zijn door te leven alsof dit eindeloos zo zal blijven. In hun droomhuis wanen ze zich nu al in de hemel, maar ze zullen ontwaken in de hel. Zij hebben geen enkele grond voor hun hoop dat hun voorspoed altijd zal voortduren, omdat zij niet met God rekenen. Hun hoop zal daarom ook vergaan. Koning Zedekia is hiervan een duidelijk voorbeeld (Jr 39:1-81In het negende jaar van Zedekia, de koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, met heel zijn leger naar Jeruzalem en zij belegerden het.2In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van die maand, werd de stad opengebroken.3Toen kwamen alle vorsten van de koning van Babel naar binnen en zij vatten post bij de Middenpoort, [namelijk] Nergal-Sarezer, Samgar-Nebu, Sarsechim, de bevelhebber van de hofhouding, Nergal-Sarezer, de rab-mag, en al de overige vorsten van de koning van Babel.4En het gebeurde zodra Zedekia, de koning van Juda, en al de strijdbare mannen hen zagen, dat zij op de vlucht sloegen en 's nachts uit de stad vertrokken, in de richting van de tuin van de koning, door de poort tussen de twee muren. [Zelf] vertrok hij in de richting van de Vlakte.5Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Zij namen hem [gevangen] en brachten hem naar Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit.6De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia in Ribla voor diens ogen afslachten. Ook [liet] de koning van Babel alle edelen van Juda afslachten.7Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden om hem naar Babel te brengen.8Het huis van de koning en de huizen van het volk verbrandden de Chaldeeën met vuur, en de muren van Jeruzalem braken zij af.).


De weg van de HEERE

29De weg van de HEERE is kracht voor de oprechte,
maar de ondergang voor hen die onrecht bedrijven.
30De rechtvaardige zal voor eeuwig niet wankelen,
maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.

“De weg van de HEERE”, dat wil zeggen de weg die Hij gaat en de handelingen die Hij verricht, het werk dat Hij doet, betekent voor de oprechte kracht (vers 2929De weg van de HEERE is kracht voor de oprechte,
maar de ondergang voor hen die onrecht bedrijven.
)
. De oprechte voelt zich op Gods weg, onder Zijn leiding, volkomen veilig, beschermd tegen allerlei gevaren. Hij geeft in vertrouwen alles aan God over, omdat hij weet dat Die rechtvaardig handelt. Dat deed de Heer Jezus (1Pt 2:23b23Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;). Hetzelfde handelen van God dat de kracht is voor de oprechte, betekent voor hen die onrecht bedrijven “de ondergang”. God gebruikt Zijn kracht tegen hen. Hij is rechtvaardig in Zijn handelen zowel met de rechtvaardige als met de goddeloze.

“De rechtvaardige” zal met zekerheid “voor eeuwig niet wankelen” (vers 3030De rechtvaardige zal voor eeuwig niet wankelen,
maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.
)
. Hij zal onwankelbaar, ononderbroken standhouden en alle beloften krijgen die hem door God zijn toegezegd. Hij zal altijd in het land wonen (Lv 20:2222U moet al Mijn verordeningen en al Mijn bepalingen in acht nemen en ze houden, zodat het land, waar Ik u heen breng om er te wonen, u niet zal uitspuwen.). Maar de goddelozen krijgen niets van de toekomstige zegen die God op aarde aan Zijn volk zal geven (Dt 4:25-2725Als u kinderen en kleinkinderen verwekt zult hebben en in het land oud geworden zult zijn en verderfelijk zult handelen, [als] u een beeld zult maken, de afbeelding van enig ding, en doen wat slecht is in de ogen van de HEERE, uw God, om Hem tot toorn te verwekken,26dan roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u zeker [al] snel zult verdwijnen uit het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen. U zult [uw] dagen daarin niet verlengen, maar zeker weggevaagd worden.27De HEERE zal u dan overal verspreiden onder de volken. U zult [met slechts] weinig mensen overblijven onder de heidenen naar wie de HEERE u voeren zal.). Zij worden van de aarde uitgeroeid en zullen die dus “niet bewonen”.


Mond en lippen van de rechtvaardige

31De mond van de rechtvaardige loopt over van wijsheid,
maar de tong van [wie] verderfelijke dingen [spreekt], wordt afgesneden.
32De lippen van de rechtvaardige weten wat aangenaam is,
maar de mond van de goddelozen [alleen] verderfelijke dingen.

“De mond van de rechtvaardige” spreekt niet alleen wijsheid, maar “loopt” ervan “over” (vers 3131De mond van de rechtvaardige loopt over van wijsheid,
maar de tong van [wie] verderfelijke dingen [spreekt], wordt afgesneden.
)
. Zoals steeds denken we ook hier bij ‘de rechtvaardige’ in de eerste plaats aan de Heer Jezus. Hij spreekt voortdurend en overvloedig wijsheid. Daaraan kunnen anderen zich verkwikken. Hij is de Bron uit Wie onophoudelijk wijsheid stroomt.

Heel anders is het met “de tong van [wie] verderfelijke dingen [spreekt]”. Zijn tong zal worden “afgesneden”, zoals een “boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in [het] vuur geworpen” (Mt 3:1010En de bijl ligt al aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in [het] vuur geworpen.). De mens van de zonde, de antichrist, is het prototype hiervan. Het geldt ook voor alle valse profeten en valse leraren. Als de tong is afgesneden, is het onmogelijk om nog een woord te zeggen. Het resultaat is dat hij niemand meer met zijn schandelijke praat kan verderven.

“De lippen van de rechtvaardige” spreken aangename dingen die een mens goed doen (vers 3232De lippen van de rechtvaardige weten wat aangenaam is,
maar de mond van de goddelozen [alleen] verderfelijke dingen.
)
. De rechtvaardige weet “wat aangenaam is” voor anderen om naar te luisteren, hij weet zijn woorden goed te kiezen. De Heer Jezus heeft gesproken wat aangenaam is. Hij heeft woorden van genade gesproken, waarover de mensen zich hebben verbaasd (Lk 4:2222En allen gaven Hem getuigenis en verwonderden zich over de woorden van de genade die uit Zijn mond kwamen, en zeiden: Is Deze niet [de] Zoon van Jozef?). Tegen ons wordt gezegd dat we een woord spreken “dat goed is, waar dat nodig is, opdat het genade geeft aan hen die horen” (Ef 4:2929Laat geen vuil woord uit uw mond komen, maar veeleer een dat goed is tot opbouwing waar dat nodig is, opdat het genade geeft aan hen die horen.). Dit zijn aangename woorden.

Daartegenover laat de goddeloze slechts verderfelijke dingen horen. Hij spreekt zonder daarover na te denken. Wat hij zegt, zal hemzelf en anderen in het verderf brengen.


Lees verder