Spreuken
1 Spreuken en de schrijver 2 Met wijsheid bekend worden en woorden begrijpen 3 Vermaning aannemen 4 Schranderheid, kennis en bedachtzaamheid 5 Wijs en verstandig 6 Spreuk, spreekwoord, woorden, raadsels 7 De vreze des HEEREN 8-9 Luisteren wordt beloond 10-19 Mijd verkeerd gezelschap 20-23 De Wijsheid roept 24-32 Gevolgen van niet luisteren 33 Het deel van wie wel luistert
Spreuken en de schrijver

1De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël,

De verzen 1-61De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël,2om bekend te worden met wijsheid en vermaning,
om woorden [vol] inzicht te begrijpen,3om vermaning die inzicht biedt, aan te nemen,
gerechtigheid, recht en billijkheid,4om aan onverstandigen schranderheid te geven,
aan een jongeman kennis en bedachtzaamheid.5Wie wijs is, zal horen en inzicht vermeerderen,
en wie verstandig is, zal wijze raad verwerven6om een spreuk en een spreekwoord te begrijpen,
woorden van wijzen en hun raadsels.
zijn de inleiding op het boek. Daarin staat wie de schrijver is en wat het doel van het boek is. Het boek draagt de naam van het eerste woord ervan, “spreuken”. Een definitie van een spreuk is: een kort en bondig gezegde waarin een duidelijke, algemeen toepasbare waarheid tot uitdrukking wordt gebracht (Ez 16:4444Zie, ieder die spreekwoorden gebruikt, zal over u [dit] spreekwoord gebruiken: Zo moeder, zo dochter.). Een spreuk is een tijdloze waarheid die een fundamentele werkelijkheid van het leven in de vorm van een eenvoudige illustratie voorstelt. Het kan ook gaan om een les die uit het verleden wordt getrokken (Ps 78:2-62Ik wil mijn mond met spreuken opendoen
en van aloude verborgenheden doen overvloeien,
3die wij gehoord hebben en weten
en onze vaders ons verteld hebben.
4Wij zullen ze niet verbergen voor hun kinderen,
[maar] aan de volgende generatie
de loffelijke daden van de HEERE vertellen,
Zijn kracht en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.5Want Hij heeft een getuigenis ingesteld in Jakob,
een wet vastgesteld in Israël;
die heeft Hij onze vaderen geboden
om ze hun kinderen bekend te maken,
6opdat de volgende generatie [ze] zal kennen,
de kinderen die geboren zullen worden,
[en] zij opstaan en [ze weer] aan hun kinderen vertellen;
)
. Het doel van een spreuk is dat de juiste keus wordt gemaakt uit de mogelijkheden die aanwezig zijn, zodat de weg van de dwaasheid wordt vermeden en de weg van de wijsheid wordt gegaan.

De grondbetekenis van het Hebreeuwse woord voor ‘spreuken’, mashal, is het vergelijken van twee dingen door het ene ding naast het andere te plaatsen. Het stamt af van een woord dat ‘vergelijken’ betekent. Mashal betekent vergelijking of gelijkenis. Het boek heet zo, omdat daarin voortdurend dingen met elkaar worden vergeleken. Er worden steeds tegenstellingen gemaakt, bijvoorbeeld tussen het goede en het kwade, de wijze en de dwaas, de gehoorzame en de ongehoorzame, de ijverige en de luie.

Het woord mashal heeft meerdere betekenissen. Mashal betekent ook spreuk in de zin van lering of onderwijzing (Ps 78:22Ik wil mijn mond met spreuken opendoen
en van aloude verborgenheden doen overvloeien,
)
. Ook is het woord vermoedelijk verwant met macht, wat erop wijst dat een spreuk een machtswoord is. Een korte spreuk is een krachtig woord, waarover de luisteraar goed moet nadenken. Salomo is niet alleen een wijze koning, hij is ook een machtige koning. Bij hem gaan wijsheid en kracht hand in hand. Het onderstreept wat eerder is opgemerkt, namelijk dat hij een type of schaduwbeeld van de Heer Jezus is, Die genoemd wordt “[de] kracht en [de] wijsheid van God” (1Ko 1:2424maar voor de geroepenen zelf, zowel Joden als Grieken, Christus, [de] kracht van God en [de] wijsheid van God;).

Het zijn de spreuken “van Salomo”. Hoewel de naam van Salomo aan dit boek wordt verbonden, staan er ook spreuken van anderen in (Spreuken 30-31). Het is te vergelijken met het boek Psalmen dat in zijn algemeenheid aan David wordt toegeschreven, hoewel er ook psalmen in staan die door anderen zijn gedicht. Salomo heeft drieduizend spreuken uitgesproken (1Kn 4:3232Ook sprak hij drieduizend spreuken uit en waren er van hem duizend en vijf liederen.), waarvan het boek Spreuken een selectie van ruim achthonderd spreuken bevat. Onder Goddelijke leiding heeft hij uit de grote hoeveelheid van gedachten in geregelde orde een verzameling samengesteld die dient tot onderwijzing van Gods volk door de tijd heen tot het einde van de tijd.

De naam Salomo betekent ‘vrede’. De spreuken hebben tot doel dat de gelovige in vrede zijn weg door het leven gaat, zoals ook de Heer Jezus Zijn weg op aarde in vrede is gegaan.

Salomo heeft gesproken als “de zoon van David”. David had meer zonen, maar Salomo is bij uitstek de zoon, want hij is de geliefde van de HEERE (2Sm 12:24-2524Daarna troostte David zijn vrouw Bathseba. Hij ging naar haar toe en sliep met haar. Zij baarde een zoon, die hij de naam Salomo gaf. De HEERE had hem lief,25en zond een [boodschap] door de dienst van de profeet Nathan en noemde zijn naam Jedid-Jah, omwille van de HEERE.). Hij is daarom ook een prachtig beeld van de Heer Jezus, de grote Zoon van David, de geliefde Zoon van de Vader.

Hij heeft zijn spreuken ook uitgesproken als “de koning van Israël”. Als vorst van dat volk is hij ook hun onderwijzer. Ook als de koning van Israël is hij een type of afschaduwing van de Heer Jezus en wel als de Vredevorst Die in het duizendjarig vrederijk in recht en gerechtigheid over Zijn volk zal regeren.

Dit boek brengt ons in het duizendjarig vrederijk. Voor de wereld is de Heer Jezus nog steeds de verworpen Zoon van David, maar binnenkort komt Hij als de Koning van Israël. Het geloof kent Hem echter nu al als de ware Salomo, de Vredevorst. In dit licht wandelt de gelovige in vrede met God, met de vrede van God in het hart en met de God van de vrede Zelf. De spreuken van Salomo helpen ons dat deze vrede ongestoord in ons aanwezig is, in een wereld die vol onvrede is. De brief aan de Filippenzen kunnen we zien als de nieuwtestamentische tegenhanger van het boek Spreuken. In die brief is een man aan het woord die waarmaakt wat we in Spreuken leren.

Het merendeel van Psalmen is geschreven door David, de man van beproeving en strijd. Spreuken is geschreven door Salomo, een man van vrede. Hij heeft ze niet overgenomen van anderen, maar ze zelf uitgesproken. Ze zijn uitingen van zijn wijsheid die hem door God is gegeven. Spreuken is een boek van wijsheid. Dat de naam van Salomo eraan wordt verbonden, maakt de aanbeveling ervan alleen maar krachtiger. Hij heeft immers een hart dat wijd is als het zand aan de oever van de zee en hij is wijzer dan alle mensen (1Kn 4:29-3129God gaf Salomo wijsheid, zeer veel inzicht en groot verstand, [overvloedig] als het zand dat aan de oever van de zee is.30De wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van alle mensen van het Oosten, en dan alle wijsheid van de Egyptenaren,31ja, hij was wijzer dan alle mensen, dan Ethan, de Ezrahiet, Heman, Chalcol en Darda, de zonen van Mahol, en zijn naam was [bekend] bij alle heidenvolken rondom.).

Salomo is een uitzonderlijk type van Christus. In zijn persoon verwijst hij naar Hem Die “meer dan Salomo” is (Mt 12:4242[De] koningin van [het] Zuiden zal worden opgewekt in het oordeel met dit geslacht en het veroordelen, want zij kwam van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen; en zie, meer dan Salomo is hier!). We lezen van Christus dat Hij voor ons “wijsheid van God(swege)” geworden is (1Ko 1:24,3024maar voor de geroepenen zelf, zowel Joden als Grieken, Christus, [de] kracht van God en [de] wijsheid van God;30Uit Hem toch bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is: wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing;). Hij is de Wijsheid in eigen Persoon. In Hem zijn “al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen” (Ko 2:2-32opdat hun harten vertroost worden en zij samengevoegd zijn in liefde en tot alle rijkdom van de volle zekerheid van het inzicht, tot kennis van de verborgenheid van God <[de] Vader>, <Christus>,3in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.). Als de Wijsheid zendt Hij wijzen tot Zijn volk (Mt 23:3434Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden; van hen zult u er doden en kruisigen, en van hen zult u er in uw synagogen geselen en van stad tot stad vervolgen;; Lk 11:4949Daarom ook heeft de wijsheid van God gezegd: Ik zal tot hen profeten en apostelen zenden, en van hen zullen zij er doden en vervolgen;). De wijzen die Hij zendt, kennen we zowel uit het Oude als uit het Nieuwe Testament. In het Oude Testament zijn dat Zijn profeten (Hb 1:11Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,). In het Nieuwe Testament zijn dat Zijn apostelen en profeten. Zo is ook Salomo een wijze die door Hem tot Zijn volk en ons is gezonden.

In dit boek gaat het om Christus als de Koning van Israël. Dat Hij dit is, zal Hij in de toekomst tonen. In Spreuken regeert Hij nog niet openlijk, hoewel er wel naar de tijd van Zijn regering vooruitgewezen wordt. Het gevolg van Zijn afwezigheid is dat het kwaad vaak niet onmiddellijk wordt gestraft en dat ook het goede niet altijd direct wordt beloond. We zien ons in een situatie geplaatst waarin het kwaad heerst en wij als rechtvaardigen de weg moeten zien te vinden die God wil dat wij gaan. In het vinden van die weg is Christus ons voorbeeld. We moeten Hem zien in dit boek. Hij heeft de wet en de profeten vervuld. Hij is de zin van het hele Oude Testament, van elk boek ervan, dus ook van dit boek Spreuken.


Met wijsheid bekend worden en woorden begrijpen

2om bekend te worden met wijsheid en vermaning,
om woorden [vol] inzicht te begrijpen,

In de verzen 2-42om bekend te worden met wijsheid en vermaning,
om woorden [vol] inzicht te begrijpen,3om vermaning die inzicht biedt, aan te nemen,
gerechtigheid, recht en billijkheid,4om aan onverstandigen schranderheid te geven,
aan een jongeman kennis en bedachtzaamheid.
maakt Salomo duidelijk wat het meervoudige doel van het boek is. Daarvoor gebruikt hij in deze verzen negen woorden die telkens weer in het boek terugkomen:

1. Wijsheid (Hebr. hokma): het doorgronden van de aard van dingen en situaties, waardoor er bekwaamheid is om goede keuzes te maken.
2. Vermaning (Hebr. musar): onderwijs / opvoeding door correctie, waarschuwing en tucht.
3. Inzicht (Hebr. bina): het vermogen om dat wat je begrijpt toe te passen door te onderscheiden tussen goed en kwaad, gezond makend en ziek makend, waarheid en leugen.
4. Gerechtigheid (Hebr. tsedek): het juiste gedrag (slaat op handelen en denken).
5. Recht (Hebr. mishpat): wat recht is volgens de normen en het Wezen van God.
6. Billijkheid (Hebr. meyshar): vaardigheid om te handelen naar eer en deugd, naar wat past bij de situatie.
7. Schranderheid (Hebr. orma): vaardigheid om in anderen te kunnen zien waarom het gaat.
8. Kennis (Hebr. da’at): gezonde, door ervaring verkregen informatie.
9. Bedachtzaamheid (Hebr. mezimma): het vermogen om voorzichtig, nadenkend, met beleid en tact te handelen.

Het gaat er in de eerste plaats om bekend te worden met wijsheid en vermaning”. Wijsheid en vermaning worden als een eenheid aan elkaar verbonden. De grondbetekenis van wijsheid is ‘bekwaamheid’ (Ex 31:66En Ik, zie, Ik heb Aholiab, de zoon van Ahisamach, uit de stam Dan, aan hem toegevoegd. En in het hart van ieder die vakkundig is, heb Ik wijsheid gegeven zodat zij alles kunnen maken wat Ik u geboden heb:; Ps 107:2727Zij wankelen en waggelen als een dronken man,
al hun wijsheid wordt verslonden.
; 1Kn 3:2828En heel Israël hoorde het oordeel dat de koning geveld had, en men had ontzag voor de koning, want zij zagen dat de wijsheid van God in hem was om recht te doen.)
. In Spreuken is wijsheid de bekwaamheid om het leven te leven zoals God het wil. Het is de bekwaamheid om wijze keuzes te maken en succesvol te leven naar de geboden van God. Het gaat dan om succes in de zin van zegen en voordeel in ons geestelijk leven. Als we in deze zin bekwaam leven, zal ons leven vruchten voortbrengen die van blijvende waarde zijn voor God en voor de gemeenschap waarvan we deel uitmaken. Al Gods verordeningen zijn eenvoudig. Als we daarnaar leven, is ‘succes’ verzekerd.

Wijsheid is het beheersen van de kunst van het leven, maar dan wel zoals het is naar de wil van God. De kunst daarbij is niet alleen dat de wijze de gevaren van het leven onderkent, maar ook dat hij weet hoe hij ze overwint. Wijsheid is kijken en zien zoals God kijkt en ziet. Het is kijken naar hoe Hij de wereld bestuurt, en op dat bestuur op de juiste wijze reageren.

Vermaning is onlosmakelijk aan de wijsheid verbonden. Het houdt onderwijzing in, of – in ruimere zin – opvoeding, ook wel training. Het bevat de onderwijzingen van een vader aan zijn zoon. Daarbij hoort ook vermaning en bestraffing of tucht, omdat de neiging tot dwaasheid moet worden gecorrigeerd en de eerbied voor de Heer moet worden ontwikkeld. Daardoor wordt de jongeman in de juiste richting gestuurd. Aan de vermaning is dus gezag verbonden, want als hij afwijkt, moet tuchtiging volgen.

Het gaat erom met wijsheid en vermaning “bekend te worden”, waardoor ze ons eigendom worden. Dat betekent dat we er inspanning voor moeten leveren. Het komt ons niet aanwaaien. We moeten ons best doen om ons wijsheid en vermaning eigen te maken.

“Woorden [vol] inzicht” zijn woorden waaruit blijkt dat iemand inzicht heeft in de weg die moet worden gekozen. Het zijn woorden die iemand de juiste weg wijzen. Willen deze woorden de gewenste uitwerking kunnen hebben, dan moet de jongeman ze “begrijpen”. Om deze reden worden die woorden uitgelegd. Maar met uitleg alleen is de jongeman niet geholpen. Hij moet de uitleg ook begrijpen. Daarvoor moet hij de juiste gezindheid bezitten.

Samenvattend kunnen we zeggen dat Salomo zijn woorden bekendmaakt en uitlegt, opdat ze worden begrepen. Om voordeel van zijn onderwijs te hebben moet de jongeman aan twee voorwaarden voldoen: hij moet bereid zijn zich ervoor in te spannen om de wijze woorden te leren kennen en hij moet ze willen begrijpen.


Vermaning aannemen

3om vermaning die inzicht biedt, aan te nemen,
gerechtigheid, recht en billijkheid,

Het onderwijs van Salomo heeft tot doel dat het zijn zoon, en ons, verstandig maakt, waardoor we in het leven tot de juiste keuzes zullen komen. Hij onderwijst een “vermaning die inzicht biedt”. De wijsheidsleraar houdt zijn zoon een vermaning voor die inzicht biedt in hoe het leven geleefd moet worden. Het is een ‘handleiding’ voor het leven.

Door het op deze wijze voor te stellen wil hij zijn zoon, en ons, ertoe brengen zijn vermaning aan te nemen. Het zou heel dom zijn om zijn ‘handleiding’ voor ons leven af te slaan of er geen acht op te slaan. Het woord ‘aannemen’ heeft te maken met onderwerping aan de vermaning of het onderwijs, met de gedachte dat wat wordt aangeboden de moeite waard is om aan te nemen.

Van nature willen wij ons eigen leven bepalen en zijn we niet geneigd ons te onderwerpen. Het is dus noodzakelijk dat we ons onderwerpen om inzicht in het leven te krijgen. We worden echter niet gedwongen om de vermaning aan te nemen, maar daartoe, hoewel nadrukkelijk en indringend, uitgenodigd. De vader geeft nadrukkelijke opdrachten en de zoon zal er verstandig aan doen daaraan te gehoorzamen, maar hij moet zelf de keus maken of hij dat doet.

Niemand verplicht ons om eerst de meegeleverde handleiding bij een apparaat te lezen voordat we het apparaat gebruiken, maar het wordt ons toch dringend aangeraden. Het kan ons wel eens veel geld kosten als we het apparaat gaan gebruiken zonder de handleiding te hebben gelezen. Dat geldt voor het gebruik van deze handleiding voor het leven natuurlijk helemaal. De uitnodiging die in dit vers naar voren komt, is dat we de inhoud van dit boek aannemen en in ons leven toepassen.

“Inzicht” wil zeggen dat we ons door Gods Woord verlichte verstand gebruiken om bepaalde zaken te doordenken, plannen te maken en risico’s in te schatten om dan de juiste keuze te maken tussen goed en kwaad. Als we dit onderwijs aannemen, zullen we in ons handelen ook rekening houden met

1. “gerechtigheid”, dat wil zeggen dat we handelen naar de juiste norm of standaard, zoals dat bijvoorbeeld met maten en gewichten gebeurt om iets juist af te meten en af te wegen (Dt 25:1515U moet een zuivere en rechtmatige [weeg]steen hebben, u moet een zuivere en rechtmatige efa hebben, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.); het betekent dat we handelen in overeenstemming met Gods wet;
2. “recht”, dat wil zeggen handelen als gevolg van en in overeenstemming met een officiële, rechterlijke uitspraak (Dt 16:18-1918U moet binnen al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, rechters en beambten over uw stammen aanstellen. Zij moeten met een rechtvaardig oordeel rechtspreken over het volk.19U mag het recht niet buigen. U mag niet partijdig zijn en geen geschenk aannemen, want een geschenk verblindt de ogen van wijzen en verdraait de woorden van rechtvaardigen.), het doen wat gepast is;
3. “billijkheid”, dat wil zeggen met wat eerlijk en voor anderen aangenaam is en dat we oprecht te werk gaan.


Schranderheid, kennis en bedachtzaamheid

4om aan onverstandigen schranderheid te geven,
aan een jongeman kennis en bedachtzaamheid.

In dit vers noemt Salomo de twee soorten mensen tot wie hij zijn onderwijs in het bijzonder richt en van wie hij door zijn onderwijs het karakter wil vormen. Als zij luisteren naar zijn onderwijs, zullen ze geestelijk voorspoedig zijn. We kunnen zeggen dat het boek Spreuken de sleutel tot succes is. Wie ernaar luistert, dat wil zeggen het onderwijs ervan ter harte neemt, weet hoe hij zijn weg moet gaan, wat de verstandigste weg is. Het is de weg waarop God Zijn zegen kan geven.

De “onverstandigen” zijn de eerste soort. Zij zijn onnozel, naïef, onnadenkend, dom. We mogen hen niet vereenzelvigen met de dwazen. De onverstandige leeft het leven zoals het op hem afkomt. Hij maakt zich nergens druk om en denkt nergens over na. Dat houdt in dat hij zich gemakkelijk laat verleiden tot het gaan van een verkeerde weg.

De “jongeman” behoort tot de tweede soort. Omdat hij jong is, ontbreekt het hem aan ervaring. Hij kan nog niet weten wat het leven allemaal in zich heeft en is daardoor kwetsbaar en gemakkelijk te verleiden tot een verkeerde weg.

De onverstandigen en de jongeman moeten ertoe komen God te vrezen. Dan zal Hij hen door dit boek onderwijzen aangaande de weg die zij moeten kiezen (Ps 25:1212Wie is de man die de HEERE vreest? /mem/
Hij onderwijst hem in de weg [die] hij moet kiezen.
)
.

De wijsheidsleraar wil door zijn onderwijs de onverstandige “schranderheid” geven. Schranderheid is slimheid of scherpzinnigheid. Als de onverstandige de schranderheid gebruikt die hem wordt gegeven, zal hij op uitgekiende wijze weten te handelen. Daardoor levert zijn keus geen schade voor zichzelf op, maar integendeel voordeel (Sp 22:33Een schrandere ziet het kwaad en verbergt zich,
maar onverstandigen gaan voort en zullen [daarvoor] boeten.
)
. Hij weet hoe hij de valkuilen van het leven moet vermijden. Als hij niet naar het onderwijs van de wijze luistert, maar zich inlaat met dwazen, wordt hij een dwaas.

Voor de jongeman heeft de wijsheidsleraar “kennis en bedachtzaamheid” op het oog. Omdat het een jongeman aan kennis van het leven ontbreekt, is het onderwijs erop gericht hem bekend te maken met de geheimen van het leven. Jongemannen menen soms veel kennis te hebben, maar het is slechts kennis uit boekjes. Ze praten vaak als een kip zonder kop. Ze kunnen gewoon nog niet weten wat het leven inhoudt. In dit gebrek wordt door het spreukenboek op meer dan voortreffelijke wijze voorzien.

Als het gebrek aan kennis is weggewerkt door het tot zich nemen van het onderwijs van de inhoud van dit boek, is het vervolgens belangrijk die kennis op de juiste manier en de juiste tijd toe te passen. Daarom wordt hier aan de kennis direct de “bedachtzaamheid” gekoppeld (2Pt 1:6a6en bij de kennis de zelfbeheersing, en bij de zelfbeheersing de volharding, en bij de volharding de Godsvrucht,). Bedachtzaamheid is bezonnenheid, nadenkendheid of zelfbeheersing. Wie bezonnen is, denkt eerst na voordat hij iets doet of zegt. Hij zal niet overijld handelen of spreken, maar wachten op de juiste tijd.


Wijs en verstandig

5Wie wijs is, zal horen en inzicht vermeerderen,
en wie verstandig is, zal wijze raad verwerven

Niet alleen de onverstandige en de jongeman doen hun voordeel met dit boek, maar ook ieder die al “wijs” en “verstandig” is. Wijs en verstandig worden houdt nooit op. Wie echt wijs en verstandig is, zal niet zeggen dat hij dit is, maar heeft het verlangen om daarin steeds meer onderwezen te worden. We kunnen altijd wijzer en verstandiger worden, we kunnen altijd meer op Christus gaan lijken. Gods wijsheid is oneindig en Zijn verstand is ondoorgrondelijk. Het boek is voor ieder die de weg van de wijsheid en het verstand nog niet gaat een aansporing om die weg te gaan. Het boek is voor ieder die deze weg al heeft gekozen een handleiding voor het vervolgen van die weg.

Als we wijs zijn en de weg van de wijsheid zijn ingeslagen, kunnen we des te beter horen wat de onderwijzer zegt. “Horen” of luisteren is een geweldig middel om te leren. Eerst horen, dan doen. Als we horen, zullen we “inzicht vermeerderen”. God wil niet dat we stilstaan, maar dat we geestelijk blijven groeien en steeds toenemen in de kennis van Zijn gedachten. Inzicht is het begrijpen van het verband waarin een bepaalde zaak staat en het overzien van de elementen die allemaal meespelen (vgl. 1Kr 12:3232En van de nakomelingen van Issaschar, die inzicht hadden in de tijden om te weten wat Israël moest doen: hun hoofden waren er tweehonderd, met al hun broeders onder hun bevel.).

“Wijze raad verwerven” is een activiteit om goede adviezen en wijze raadgevingen in te winnen om tot een goede afweging te komen en vervolgens een goede beslissing te kunnen nemen. Wie verstandig is, zal zijn best doen om goede adviezen en wijze raadgevingen te verwerven. Verwerven duidt op inspanning. De verstandige ziet de waardevolle betekenis van het inwinnen van wijze raad in en zal zich voor overleg inzetten. Hij gaat niet op zijn eigen inzichten af (Sp 3:5b5Vertrouw op de HEERE met heel je hart,
en steun op je [eigen] inzicht niet.
)
.


Spreuk, spreekwoord, woorden, raadsels

6om een spreuk en een spreekwoord te begrijpen,
woorden van wijzen en hun raadsels.

Salomo heeft in de voorgaande verzen het belang van zijn onderwijs in dit spreukenboek op indringende wijze duidelijk gemaakt. Als we maar enigszins begrepen hebben hoe groot het belang van een gids naar en op de weg van de wijsheid is, zullen we ernaar verlangen de inhoud van dit boek aan te nemen.

Dit betekent niet dat alles hapklaar voor ons ligt. Er doet zich een schijnbare moeilijkheid voor. Het boek bestaat naast heldere spreuken en voor iedereen begrijpelijke woorden van wijzen ook uit spreekwoorden en raadsels van wijzen. Dit betekent dat niet altijd direct duidelijk is wat er wordt bedoeld. Vaak zijn spreuken ‘doordenkertjes’, raadsels. We moeten erover nadenken en doordenken. We zullen naar elke spreuk intensief moeten luisteren en die nauwkeurig moeten bekijken. Daarbij moeten we ook letten op het verband waarin de spreuk staat.

We moeten dus soms over een spreuk nadenken en de betekenis ervan onderzoeken. Als we dat doen, zullen we tot onze verrassing ontdekken dat de spreuk ons onderzoekt. Hij zet aan tot zelfonderzoek en het stellen van vragen aan onszelf. Het onderzoek plaatst ons onder het onderzoekende oog van God, doordat Hij Zelf in dit boek tot ons spreekt. God zet Zijn schijnwerper op ons leven, zodat we het in Zijn licht bezien. Dat moet ons tot een conclusie brengen waaruit blijkt dat we Hem hebben begrepen en ons leven daaraan aanpassen.

Dit nadenken en doordenken over een spreuk is een belangrijk punt om aan het begin van dit boek op te merken. We hebben tijd nodig om de wijsheid eruit te halen en die tot ons te laten doordringen. Het onderwijs ligt niet altijd zomaar voor het oprapen. We moeten ernaar zoeken, ernaar graven. Dit boek is geen vluchtig romannetje dat vlotjes wegleest. Maar als we serieus wijsheid zoeken, zijn we op de juiste vindplaats. Als we overtuigd zijn van het belang van de zoektocht naar wijsheid, zal elke inspanning beloond worden. De betekenis die wijsheid voor ons heeft, zal af te meten zijn aan onze inzet voor het verkrijgen ervan.


De vreze des HEEREN

7De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.

Gelukkig is het zoeken naar Gods wijsheid niet afhankelijk van ons intellect. De wijsheid die God aan Zijn kinderen wil geven als zij daarnaar op zoek gaan, is verborgen voor de wijzen en verstandigen van de wereld (Mt 11:2525In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard.). Gods wijsheid wordt gevonden door hen die Hem vrezen. God vrezen betekent Hem erkennen in Wie Hij is en Hem vertrouwen, eerbied voor Hem hebben, Hem aanbidden, gehoorzamen en dienen. “Beginsel” wil zeggen het wezenlijke, waar het ten diepste om gaat. Elke “kennis” moet verworven worden vanuit de vreze des HEEREN, anders is het duisternis.

“De vreze des HEEREN” wordt in een mens bewerkt door de vergeving die hij heeft gekregen na belijdenis van zijn zonden (Ps 130:3-43Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
4Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.
)
. Dan zijn we klein geworden voor de grote God, Wiens toorn we vrezen en Wiens liefde ons aantrekt. Als we echt weten dat onze zonden vergeven zijn, zal er een groot en diep ontzag voor Hem zijn en zullen we ernaar verlangen om tot Zijn eer te leven. Hiermee hebben we de sleutel tot het begrijpen van dit boek in handen. De wijsheid van dit boek is niet in de eerste plaats bedoeld om ons een beter gedrag aan te meten, maar ons meer gelijkvormig aan Christus te maken, zodat Hij in ons leven zichtbaar wordt.

De vreze des HEEREN (Sp 9:1010Het beginsel van wijsheid is de vreze des HEEREN
en de kennis van de heiligen is inzicht.
; 15:3333De vreze des HEEREN is vermaning tot wijsheid,
en nederigheid gaat vooraf aan eer.
; Jb 28:2828Maar tegen de mens heeft Hij gezegd:
Zie, de vreze des Heeren, dat is wijsheid,
en zich afkeren van het kwade is inzicht.
; Ps 111:1010De vreze des HEEREN is het beginsel van wijsheid, /resj/
allen die ernaar handelen, hebben een goed inzicht; /sin/
Zijn lof houdt voor eeuwig stand. /taw/
)
is precies wat ontbreekt in alle wijsheidsspreuken van de heidenvolken, want die weten niet van berouw over hun zonden en bekering tot God. Het boek Spreuken is niet slechts een boek met een verzameling mooie, wijze en praktische adviezen, maar alle levenslessen worden onder één noemer gebracht en dat is de vreze des HEEREN. Als die noemer ontbreekt, kom je met al je zogenaamde wijsheid toch in de hel, de eeuwige pijn, terecht. Het gaat om het verlangen om bij het Woord van de Heer te leven. Dat is de kern van de ware wijsheid. De Heer Jezus heeft op aarde ten opzichte van Zijn God en Vader naar dit woord geleefd.

Dit boek staat vol met ‘praktijkoefeningen in de Godsvrucht’ (1Tm 4:77Verwerp echter de ongoddelijke oude-vrouwenfabels. Oefen je echter in [de] Godsvrucht.). Die oefeningen gaan het hele leven door. Zonder de vreze des HEEREN is het niet mogelijk om zich te oefenen in de Godsvrucht. Het is onmogelijk wijsheid te krijgen zonder die vrees, net zoals het onmogelijk is om te lezen zonder het alfabet te kennen of wiskunde te studeren zonder getallen te kennen.

“Dwazen verachten wijsheid en vermaning” omdat zij de vreze des HEEREN verachten. Het zijn mensen die eerst onverstandig waren, maar dwazen zijn geworden omdat ze het onderwijs van de wijsheid dat tot hen is gekomen, hebben veracht. De dwaas denkt het zelf wel te redden. Hij meent het zonder onderwijs te kunnen stellen.

In dit boek worden in het Hebreeuws drie verschillende woorden gebruikt die in het Nederlands alle drie met ‘dwaas’ worden vertaald. De verschillende woorden geven aan dat de dwaas een dikkop en eigenzinnige is, iemand die door luiheid en kortzichtigheid weigert iets van een ander aan te nemen. Het ontbreekt hem aan geestelijke kennis omdat hij God buiten zijn leven sluit. Daardoor is hij een arrogante, onbehouwen mens die stug aan zijn eigen weg vasthoudt.

De grondwet van de wijsheid is de wet van zaaiing en oogst. Dat wil zeggen dat wij van alle handelingen die wij verrichten (zaaien), de gevolgen moeten dragen (oogsten). Als we nare gevolgen willen vermijden, moeten we geen domme handelingen verrichten. Als we zonder jas de barre koude ingaan, worden we verkouden en ziek. Dat is een natuurwet, waarin we ook het handelen van God zien. God beloont goede daden en straft slechte handelingen. Wie kwaad spreekt en doet, zal het kwaad op zijn weg tegenkomen.

Het is hierbij wel belangrijk op te merken dat de gevolgen niet altijd al op aarde worden gezien, maar pas later, na de dood. Dit gezichtspunt zullen we keer op keer in dit boek tegenkomen. Het is een vast gegeven dat God altijd het kwaad straft en het goede beloont. Soms doet Hij dat al op aarde, maar zeker na de dood (1Tm 5:24-2524Van sommige mensen zijn de zonden tevoren openbaar en gaan [hun] voor in het gericht; maar bij anderen volgen zij.25Evenzo zijn ook de goede werken tevoren openbaar en die waarmee het anders is, kunnen niet verborgen blijven.). Uiteindelijk loopt het met de goddeloze slecht af en gaat het de rechtvaardige goed.


Luisteren wordt beloond

8Mijn zoon, luister naar de vermaning van je vader
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet,
9want ze zijn een bevallige krans om je hoofd,
en schakels [van een ketting] om je hals.

Het eerste onderwijs dat een mens krijgt, is dat van zijn vader en moeder. Het is ook de eerste verhouding waarin een mens geplaatst is en waarin hij leert dat hij aan gezag onderworpen is. Gods gezag komt in dit boek niet zozeer tot uiting in het geven van voorschriften, maar in de verhoudingen die Hij tussen de mensen heeft ingesteld en in het bijzonder die van ouders en kinderen. Wie zich als kind onderwerpt aan zijn ouders, onderwerpt zich aan de orde die God heeft ingesteld

De vader richt het woord tot zijn zoon (vers 88Mijn zoon, luister naar de vermaning van je vader
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet,
)
. Hier is niet de leraar in de klas aan het woord die zijn leerlingen toespreekt. We luisteren hier naar de raad van een vader aan zijn zoon die ook diens moeder erbij betrekt (Sp 6:2020Mijn zoon, neem het gebod van je vader in acht
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet.
; 10:11De Spreuken van Salomo.
Een wijze zoon verblijdt [zijn] vader,
maar een dwaze zoon betekent verdriet [voor] zijn moeder.
)
. Het boek Spreuken is het opvoedkundeboek bij uitstek. Ouders vinden er alles in wat nodig is voor de opvoeding van hun kinderen.

Vers 88Mijn zoon, luister naar de vermaning van je vader
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet,
bepaalt ons erbij dat het onderwijs van de wijsheid bovenal wordt gegeven in gezinsverband. Als we ouders zijn, hebben we een grote opdracht onze kinderen in de wijsheid te onderwijzen. Het onderwijs van dit boek vormt hun karakter als christen (Sp 4:3-43Want ik was een zoon voor mijn vader,
onervaren en een enig [kind] voor mijn moeder.
4Hij onderwees mij en zei tegen mij:
Laat je hart mijn woorden vasthouden:
neem mijn geboden in acht en leef.
; Dt 6:77U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.)
. We mogen God er wel voor danken als we een ouderlijk huis hebben gehad waar in alle dingen van het leven met Hem werd gerekend.

De vader spreekt zijn zoon direct aan. Het boek Spreuken is een leerboek met onderwijs van een vader aan zijn zoon. De sfeer waarin het onderwijs plaatsvindt, is de vader-zoon relatie. Het is een sfeer van liefde, vertrouwelijkheid, betrokkenheid en geborgenheid. In de toepassing betekent dit dat de spreuken in dit boek bedoeld zijn voor hen die in een intieme relatie leven met de Heer Jezus, de Wijsheid in Persoon. De spreuken van dit boek zijn ook alleen door hen te begrijpen.

Door zijn zoon als “mijn zoon” aan te spreken onderstreept de vader de nauwe relatie die hij met hem heeft. Daaruit vloeit automatisch de directe verantwoordelijkheid voort om zijn zoon te vermanen. Hij beveelt zijn zoon te luisteren “naar de vermaning”. Vermaning is een ruim begrip. Het houdt onderwijzing en training in en indien nodig ook tucht in de zin van lichamelijke kastijding. De vermaning van de vader heeft tot doel om zijn zoon ertoe te brengen dat hij luistert naar de vermaning, dat wil zeggen dat hij er gehoor aan geeft door eraan te gehoorzamen. Luisteren is het actief toehoren in het besef direct en persoonlijk te worden aangesproken, terwijl de bereidheid aanwezig is om te doen wat er wordt gezegd.

Het zijn de vermaningen “van je vader”. Daarmee laat de vader de zoon weten dat hij belangrijk voor hem is. Een vader ‘doceert’ niet, maar spreekt vanuit een relatie van liefde. Een echte vader weet dat hij vader is en zal dat zijn kinderen ook laten ervaren. Hij is ten nauwste betrokken bij hun geestelijke ontwikkeling en zal alles doen om hen te helpen steeds de goede keuzes te maken, waardoor hun ontwikkeling niet stagneert of zelfs verkeerd gaat.

De betrokkenheid van “je moeder” bij de geestelijke ontwikkeling van haar zoon ligt in “het onderricht” dat zij hem geeft. Dat doet ze met haar woorden en voorbeeld, niet zozeer met vermaning. Vermaning is hoofdzakelijk verbonden aan de bijdrage die de vader in de opvoeding heeft (Ef 6:44En u, vaders, prikkelt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in [de] tucht en vermaning van de Heer.). De zoon loopt gevaar het onderricht van zijn moeder te veronachtzamen. Vandaar deze oproep van zijn vader. Het onderricht van de moeder houdt in dat zij hem de juiste richting wijst. Zij leert hem zijn leven geordend te leven.

Uit het feit dat en de wijze waarop de vader zijn vrouw bij de opvoeding betrekt, is wel wat te leren. Het is belangrijk dat een man de inbreng van zijn vrouw stimuleert en ondersteunt. Man en vrouw moeten één lijn trekken in de opvoeding en elkaar niet afvallen, zeker niet in het bijzijn van de kinderen. Kinderen voelen het feilloos aan als er verschil is tussen vader en moeder. Ze weten in voorkomende gevallen dit verschil goed uit te buiten.

Als een zoon luistert naar vermaning en onderricht, zal dat zijn leven sieren, waardoor het aantrekkelijk wordt (vers 99want ze zijn een bevallige krans om je hoofd,
en schakels [van een ketting] om je hals.
)
. Een krans om het hoofd en een ketting om de hals duiden op waardigheid. Er is hier sprake van “een bevallige krans”. Er straalt lieflijkheid af van iemand die vermaning en onderricht van zijn vader en moeder heeft aangenomen. Gehoorzame kinderen zijn aantrekkelijk en dwingen respect af. Hoogwaardigheidsbekleders dragen een gouden keten om hun hals (Gn 41:4242Toen nam de farao zijn ring van zijn hand en deed hem aan Jozefs hand; hij liet hem kleren van fijn linnen aantrekken en hing een gouden keten om zijn hals.; Dn 5:2929Toen gaf Belsazar bevel dat zij Daniël in purper moesten kleden, met een gouden keten om zijn hals, en dat zij van hem moesten uitroepen dat hij de derde heerser in het koninkrijk zou zijn.). Zo worden zij gezien die tucht en onderwijzing aannemen.

Als we ‘versierd’ zijn met de onderwijzing, laten we de waarheid van Gods wijsheid in onze woorden en ons leven zien (vgl. Tt 2:9-109[Vermaan] de slaven aan hun eigen meesters onderdanig te zijn, in alles welbehaaglijk te zijn, niet tegen te spreken,10niet te ontvreemden, maar alle goede trouw te bewijzen, opdat zij de leer van God, onze Heiland, in alles versieren.). Als we ons laten gezeggen door de wijsheid, zullen de scherpe kantjes van ons gedrag verdwijnen en worden we aangenamer voor anderen in de omgang met hen. We geven ook een duidelijker beeld van het leven als christen omdat we meer van de Heer Jezus laten zien.

Wat we in dit vers van de vader en moeder lezen, kunnen we ook toepassen op hen die in geestelijke zin vaders en moeders in de gemeente zijn. Zij hebben een bijzondere zorg voor jonge gelovigen om hen met hun wijsheid te helpen hun weg met de Heer te gaan. Paulus was voor de pas tot geloof gekomen gelovigen in Thessalonika als een vader en een moeder (1Th 2:7,117maar wij waren vriendelijk in uw midden, zoals een voedende moeder haar eigen kinderen koestert.11U weet immers hoe wij, als een vader zijn eigen kinderen, ieder van u vermaanden en vertroostten,). Zowel ouders als ouderen in de gemeente vertegenwoordigen een Vader in de hemel Die ons onderwijst. Dat doet Hij door Zijn Zoon: “Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem” (Lk 9:3535En er kwam een stem uit de wolk, die zei: Deze is Mijn uitverkoren Zoon, hoort Hem.).


Mijd verkeerd gezelschap

10Mijn zoon, als zondaars jou willen verleiden,
bewillig er dan niet in.
11Als zij zeggen: Ga met ons mee,
laten wij loeren op bloed,
zonder reden een onschuldige belagen,
12laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,
volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.
13Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden,
onze huizen zullen wij vullen met buit.
14Je zult je lot in ons midden werpen,
wij zullen allen [tezamen] één buidel hebben –
15Mijn zoon, ga niet met hen op weg,
weerhoud je voet van hun pad,
16want hun voeten snellen naar het kwaad
en zij haasten zich om bloed te vergieten.
17Voorzeker, het net wordt tevergeefs gespannen
voor de ogen van al wat vleugels bezit.
18Zíj loeren op hun [eigen] bloed,
zij belagen hun [eigen] leven.
19Zo zijn de paden van allen die op winstbejag uit zijn,
die ontneemt haar bezitters het leven.

Het eerste waarvoor de vader zijn zoon waarschuwt, is slecht gezelschap (vers 1010Mijn zoon, als zondaars jou willen verleiden,
bewillig er dan niet in.
)
. Hij herhaalt die waarschuwing in vers 1515Mijn zoon, ga niet met hen op weg,
weerhoud je voet van hun pad,
. Dit slechte gezelschap bestaat uit zondaars van wie het leven uit zondigen bestaat, van wie zondigen de levensstijl is. Ze doen niets anders en zijn alleen daar op uit. Ze leven niet van eerlijke arbeid, maar van de opbrengst van criminaliteit. Daarvoor zoeken ze niet alleen slachtoffers, maar ook nieuwe metgezellen. Om die reden benaderen ze jonge mensen. Ze stellen de jongeman voor de keus tussen het gemakkelijke en snelle geld en de lange weg van gehoorzaamheid aan wat zijn vader en moeder hem hebben verteld.

De vader laat het niet bij een algemene en daardoor vage waarschuwing. Hij verbiedt zijn zoon niet kortweg zich bij een gezelschap van zondaars aan te sluiten, maar onderwijst hem over hun handelwijze. Hij laat hem weten hoe ze hem benaderen, zodat hij hen kan herkennen als ze met hun praatjes bij hem komen om hem in te palmen. De vader neemt de tijd om met zijn zoon te praten. Ouders moeten tijd nemen om met hun kinderen te praten.

Op die manier moeten ze niet met peuters praten. Die moeten leren luisteren en gehoorzaam zijn aan wat de ouders zeggen, ook zonder verklaring. Er wordt vaak veel te jong al met de kinderen gepraat om hen van iets te overtuigen. Dat werkt bij kinderen niet en zal zelfs later moeilijkheden opleveren als er directe gehoorzaamheid wordt gevraagd. Het werkt wel bij hen die ‘zoon’ zijn, dat wil zeggen kinderen die al een zekere mate van volwassenheid hebben en in staat zijn om te overwegen wat wordt gezegd.

Het feit dat de eerste alarmbellen in Spreuken rinkelen met betrekking tot slecht gezelschap, is een belangrijk signaal voor gezinnen met kinderen. Buitenshuis bevinden de kinderen zich vaak in groepen, bijvoorbeeld:
Ze gaan met een groep kinderen naar school.
Op school maken ze deel uit van een groep.
Er zijn groepsopdrachten.
Ze zitten op een sportclub of muziekschool.
Ze gaan naar verjaardagsfeestjes.
De sociale media kennen groepen.

De groepsdruk op scholen, zowel in het lager als in het hoger en universitair onderwijs, is groot. Daar moeten onze kinderen weerbaar tegen worden gemaakt. Hoe ze zich zullen ontwikkelen, is voor een deel afhankelijk van het gezelschap waarin ze zich ophouden. Daarom moeten we als ouders weten met wie ze omgaan – ook en vooral op de sociale media! – en hen waarschuwen voor verkeerd gezelschap. Het is dwaasheid en zelfbedrog als ouders zeggen dat (jonge) kinderen ‘recht op privacy’ hebben en ze ‘dus’ niet willen weten met wie hun kinderen contacten op de sociale media hebben.

Zondaars vormen een gezelschap dat geen deel heeft aan het gezelschap van Gods kinderen, maar er wel aansluiting bij zoekt. De vader is niet naïef en weet maar al te goed dat dit gezelschap erop uit is om zijn zoon tot zonde te verleiden. Direct nadat de satan is gevallen, is hij een verleider en verzoeker geworden. De zondaars zijn door hem getrainde knechten. Het enige wat de duivel kan doen, is ons verleiden. Hij kan ons niet dwingen om te zondigen. ‘Bewilligen’ is toegeven aan zijn verleiding, waarop de zonde volgt. Eva bewilligt en vervolgens zondigt zij (Gn 3:66En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook [wat] aan haar man, die bij haar was, en hij at [ervan].). Jozef geeft niet toe aan de verleiding en zondigt niet (Gn 39:8-98Maar hij weigerde en zei tegen de vrouw van zijn heer: Zie, mijn heer neemt, met mij [naast zich], geen kennis [meer] van wat er in dit huis gebeurt, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven.9Niemand heeft meer aanzien in dit huis dan ik; en hij heeft mij niets onthouden dan [alleen] u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan dit grote kwaad kunnen doen en zondigen tegen God?).

Wat is het belangrijk dat ouders hun kinderen voor slecht gezelschap waarschuwen en hen daar weghouden. Veel ouders spannen zich in en sparen tijd noch geld noch moeite om hun kinderen te laten uitblinken in bijvoorbeeld muziek, sport of sociale activiteiten. Het is te hopen dat ze dezelfde inzet hebben om hun kinderen te laten uitblinken in het kennen van en gehoorzamen aan het Woord van God.

Kinderen zullen alleen ‘nee’ kunnen zeggen tegen het kwaad, als ze ‘ja’ zeggen tegen God. De vreze Gods laat hen wijken van het kwaad. Daarom moeten we hen leren God te vrezen. Het is altijd gemakkelijker de menigte te volgen dan tegen de stroom in te zwemmen (vgl. Ex 23:22U mag de meerderheid niet volgen in het kwaad, en u mag in een rechtszaak niet [zo] antwoorden dat u zich schikt naar de meerderheid om [zo het recht] te buigen.). We moeten een doel hebben in het leven om te weten in welke richting we moeten lopen. Dat doel is Christus. Laten we dat doel aan onze kinderen voorhouden.

De jongeman moet twee dingen over de zondaars weten. Dat zijn
1. de methoden die zij gebruiken om hem te verleiden met hen mee te doen (verzen 11-1411Als zij zeggen: Ga met ons mee,
laten wij loeren op bloed,
zonder reden een onschuldige belagen,
12laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,
volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.
13Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden,
onze huizen zullen wij vullen met buit.
14Je zult je lot in ons midden werpen,
wij zullen allen [tezamen] één buidel hebben –
)
en
2. wat hun einde is (verzen 15-1915Mijn zoon, ga niet met hen op weg,
weerhoud je voet van hun pad,
16want hun voeten snellen naar het kwaad
en zij haasten zich om bloed te vergieten.
17Voorzeker, het net wordt tevergeefs gespannen
voor de ogen van al wat vleugels bezit.
18Zíj loeren op hun [eigen] bloed,
zij belagen hun [eigen] leven.
19Zo zijn de paden van allen die op winstbejag uit zijn,
die ontneemt haar bezitters het leven.
)
.

In de verzen 11-1211Als zij zeggen: Ga met ons mee,
laten wij loeren op bloed,
zonder reden een onschuldige belagen,
12laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,
volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.
vertelt de vader zijn zoon hoe de zondaars in hun pogingen om hem te verleiden te werk gaan. Hij moet erop bedacht zijn dat ze hem benaderen en uitnodigen om deel te nemen aan een rooftocht. Het zijn professionele criminelen die het doel al voor ogen hebben. De vader gebruikt een extreem, maar daarom nog geen onrealistisch, voorbeeld. De meeste keuzes in het leven liggen op een lager en schijnbaar minder belangrijk niveau. Dit extreme voorbeeld maakt duidelijk waar een eerste stap op de weg met de zondaars uiteindelijk toe leidt.

De zondaars stellen hun plan als iets spannends voor en tegelijk als iets heel simpels. De zoon krijgt de uitnodiging om met hen op bloed te loeren. Het woord ‘loeren’ heeft te maken met het in een hinderlaag liggen met de bedoeling iemand te vermoorden (Dt 19:1111Maar als er iemand is die zijn naaste haat, een hinderlaag voor hem legt, hem aanvalt en om het leven brengt, zodat hij sterft, en [dan] naar een van die steden vlucht,) of te kidnappen (Ri 21:2020En zij geboden de Benjaminieten: Ga in de wijngaarden op de loer liggen.). Hier is het om bloed te vergieten.

Geweld is een van de twee hoofdkenmerken van de zonde. Het andere hoofdkenmerk is verdorvenheid. Alle zonden vallen onder een van deze twee hoofdkenmerken. De eerste zonde die door de mens is begaan, is die van de verdorvenheid. Dat is als Eva de duivel gelooft en daarmee God voor leugenaar verklaart (Gn 3:1-61De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof?2En de vrouw zei tegen de slang: Van de vrucht van de bomen in de hof mogen wij eten,3maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: U mag daarvan niet eten en hem niet aanraken, anders sterft u.4Toen zei de slang tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven.5Maar God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en [dat] u als God zult zijn, goed en kwaad kennend.6En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook [wat] aan haar man, die bij haar was, en hij at [ervan].). De tweede zonde is de zonde van geweld. Dat is als Kaïn zijn broer Abel doodt (Gn 4:4-84Ook Abel bracht [een offer], van de eerstgeborenen van zijn kleinvee en van hun vet. De HEERE nu sloeg acht op Abel en op zijn offer,5maar op Kaïn en op zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen ontstak Kaïn in grote [woede] en liet hij zijn hoofd zakken.6En de HEERE zei tegen Kaïn: Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken?7Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.8En Kaïn sprak met zijn broer Abel. En het gebeurde toen zij op het veld waren, dat Kaïn zijn broer Abel aanviel en hem doodde.). Sindsdien is de wereld vol verdorvenheid en geweld (vgl. Gn 6:1111Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol met geweld.).

Het slachtoffer is “een onschuldige”, iemand die geen enkele aanleiding voor een overval geeft (vgl. Ps 35:77Want zonder reden verborgen zij een kuil – hun net – voor mij,
zonder reden groeven zij [een kuil] voor mijn ziel.
)
. Het maakt deze lieden niet uit wie hun slachtoffer is. Het gebeurt ook vandaag wel dat iemand de pech heeft langs een groep criminele jongeren te lopen die uit is op een verzetje. Zonder enige aanleiding wordt hij in elkaar geslagen en beroofd. Het is het gedrag van Kaïn die zijn broer Abel doodt, terwijl die hem niets heeft gedaan (Gn 4:88En Kaïn sprak met zijn broer Abel. En het gebeurde toen zij op het veld waren, dat Kaïn zijn broer Abel aanviel en hem doodde.).

De zondaars voegen aan hun voorstel toe dat ze alle sporen van hun boze daden onherkenbaar zullen uitwissen (vers 1212laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,
volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.
)
. Met deze voorstelling van zaken willen ze de zoon overhalen om mee te doen. Hij hoeft niet bang te zijn dat hij gepakt zal worden. Ze zullen hun slachtoffer onvindbaar begraven. De taal die ze hier gebruiken, wil zeggen dat ze als God zullen handelen, Die de opstandelingen Korach, Dathan en Abiram ook levend naar het graf doet afdalen, zodat er niets meer van hen te zien en te vinden is (Nm 16:3333En zij daalden levend af naar het graf, zij en alles wat van hen was. En de aarde overdekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden van de gemeente.). Maar God ziet het en zal het openbaar maken (Gn 4:9-109En de HEERE zei tegen Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet [het] niet; ben ik de hoeder van mijn broer?10En Hij zei: Wat hebt u gedaan! Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept.).

In de verzen 13-1413Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden,
onze huizen zullen wij vullen met buit.
14Je zult je lot in ons midden werpen,
wij zullen allen [tezamen] één buidel hebben –
wordt de zoon het lokaas voorgehouden om hem over te halen mee te doen. De zondaars beloven de nieuweling snel succes, dat wil zeggen snel verkregen rijkdom (vers 1313Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden,
onze huizen zullen wij vullen met buit.
)
. Hij hoeft alleen maar met hen mee te gaan, daarvoor hebben ze hem uitgenodigd (vers 1111Als zij zeggen: Ga met ons mee,
laten wij loeren op bloed,
zonder reden een onschuldige belagen,
)
. Meer vragen ze niet.

De zondaars spiegelen het zo aantrekkelijk mogelijk voor. ‘Denk je eens in wat we zullen vinden als ons slachtoffer is verslonden en verdwenen. We zullen allerlei kostbare dingen vinden en onze huizen vullen met de buit. Het gaat niet om een klein beetje, maar om een grote roof. Daar kun je jaren op teren.’ De taal die de zondaars gebruiken, is die van de landlieden over wie de Heer Jezus in een gelijkenis spreekt:Toen de landlieden echter de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen” (Mt 21:3838Toen de landlieden echter de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.).

Van een gemakkelijke manier om aan geld te komen, los van God, gaat een grote verleiding uit. Voor zover we in de Schrift kunnen zien, zijn er drie manieren om op een geoorloofde manier aan geld te komen:
1. door het met werken te verdienen,
2. door het te erven,
3. doordat iemand het ons schenkt.

Door middel van geweld aan geld komen is er niet bij. De wortel van dit kwaad van geweld is de geldzucht. Paulus vermaant Timotheüs zoals een vader zijn kind doet en houdt hem voor dat hij de geldzucht moet ontvluchten (1Tm 6:9-11a9Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.10Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.11Maar jij, mens Gods, ontvlucht deze dingen en jaag naar gerechtigheid, Godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.).

De zondaars beloven de jongeman dat hij ‘erbij’ zal horen als volwaardig lid van de bende. Het sluit aan op wat bijna alle jonge mensen, ook vandaag, verlangen en dat is om bij de groep te horen. Ze hebben alles wat ze hebben geroofd in één pot gedaan. Daaruit krijgt hij net zo goed als ieder ander zijn deel. Echt, ze zullen alles ‘eerlijk’ met hem delen.

Veel jonge mensen trappen hierin, omdat ze dan ‘iemand’ zijn. Ze maken deel uit van de bende, delen in de buit en worden door de andere bendeleden erkend. Het knellende juk van hun ouders, die natuurlijk niets van hun drang naar vrijheid begrijpen, werpen ze af. Dan zijn ze vrij om te doen en te laten wat ze zelf willen. Daarbij komen ze ook nog eens in het bezit van de begeerde luxe. Maar het is een schijnvrijheid, want ze hebben hun ziel verkocht aan de duivel. Als ze niet meer nodig zijn, worden ze afgedankt, weggeworpen of afgemaakt.

In de toepassing hoeven we niet alleen te denken aan jeugdbendes van jongeren uit gebroken gezinnen die op een snelle manier geld willen hebben. Het gaat ook om de witteboordencriminaliteit, de financiële fraudeurs. Mensen die een hoge functie hebben bij grote maatschappijen, vullen hun zakken door allerlei dubieuze afspraken. Daarbij betrekken ze ondergeschikten die ze nodig hebben en paaien hen door hun een deel van de opbrengst te beloven. De verleiding van het ‘gemakkelijke geld’ is er in alle lagen van de bevolking en in alle leeftijdsgroepen.

In vers 1515Mijn zoon, ga niet met hen op weg,
weerhoud je voet van hun pad,
waarschuwt de vader zijn zoon voor de tweede keer (vers 1010Mijn zoon, als zondaars jou willen verleiden,
bewillig er dan niet in.
)
. De waarschuwing “ga niet met hen” staat tegenover de uitnodiging van de zondaars “ga met ons” in vers 1111Als zij zeggen: Ga met ons mee,
laten wij loeren op bloed,
zonder reden een onschuldige belagen,
. De vader heeft zijn zoon in de vorige verzen voorgehouden waar de zondaars op uit zijn en hoe ze te werk gaan. Die levensstijl moet voldoende waarschuwing zijn om zich niet bij hen aan te sluiten en niet in te gaan op hun uitnodiging. In de verzen 16-1816want hun voeten snellen naar het kwaad
en zij haasten zich om bloed te vergieten.
17Voorzeker, het net wordt tevergeefs gespannen
voor de ogen van al wat vleugels bezit.
18Zíj loeren op hun [eigen] bloed,
zij belagen hun [eigen] leven.
laat hij zijn zoon zien waarom hij niet met hen op weg moet gaan en zijn voet van hun pad moet weerhouden.

De vader kent namelijk ook de ernstige gevolgen voor wie zich bij de zondaars aansluit. Die houdt hij zijn zoon ook voor. Hij waarschuwt hem voor wat hem zal treffen als hij meegaat en meedoet. Zij spiegelen hem een aangenaam leven voor, maar de vader laat hem weten dat dit leven leidt tot verwoesting van zijn eigen leven. Daarom gebiedt hij hem zijn voet van hun pad te weerhouden. Wie zich aan Gods Woord houdt, zal zijn voet niet op het criminele pad zetten (Ps 119:101101Ik heb mijn voeten weerhouden van alle slechte paden,
opdat ik mij aan Uw woord zal houden.
)
.

Niemand wordt direct een crimineel of een hooligan. Om niet met zondaars op de weg te wandelen moet de voet ervan worden weerhouden ook maar één stap op hun pad te zetten, want “verkeerde omgang bederft goede zeden” (1Ko 15:3333Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden.). Als de eerste stap erop is gezet, volgen al snel meerdere stappen. Begin dus niet aan de eerste stap. Bij elke stap die we op de weg van de satan zetten, verwijderen we ons verder van de omgang met God.

“Want” geeft de reden aan, waarom de zoon zich niet bij hen moet aansluiten (vers 1616want hun voeten snellen naar het kwaad
en zij haasten zich om bloed te vergieten.
)
. Het is omdat hun gedrag niet deugt. Het is immoreel en gewelddadig. De vader maakt zijn zoon duidelijk dat de bendeleden snel zijn om kwaad te doen en zich haasten om bloed te vergieten (vgl. Js 59:77Hun voeten snellen naar het kwaad,
zij haasten zich om onschuldig bloed te vergieten.
Hun gedachten zijn zondige gedachten,
verwoesting en ondergang [zijn] op hun gebaande wegen.
)
. Wie zich op hun pad begeeft, begeeft zich op een aflopende weg. Het lopen gaat op een gegeven moment zo snel, dat er niet meer afgeremd en gestopt kan worden. Er is snelheid en haast, geen rust. Ieder die zich op het pad van de zondaar bevindt, wordt opgejaagd.

De vader verzekert zijn zoon dat er een mogelijkheid is om aan hun weg te ontkomen en dat is door te luisteren naar zijn waarschuwing (vers 1717Voorzeker, het net wordt tevergeefs gespannen
voor de ogen van al wat vleugels bezit.
)
. Hij geeft een voorbeeld uit de natuur. Een vogel die het net ziet dat voor hem is gespannen, zal er niet in, maar overheen vliegen en zo voor gevangenschap bewaard blijven. De eerste natuurlijke reactie van iedereen die ziet dat ergens gevaar dreigt, is dit kwaad te ontwijken. Zo is het in elk geval bij vogels die het net zien. Dat houdt in dat wie zich bij een slecht gezelschap aansluit niet alleen verkeerd bezig is, maar ook dom is. Als we bij het beeld van de vogel blijven, kunnen we zeggen dat wie zich boven de laag-bij-de-grondse activiteiten van de zondaars verheft, zich niet door hen zal laten verleiden en zich niet in hun net zal laten vangen.

Sommige mensen zijn dommer dan vogels. Ze reageren met heel hun verduisterd verstand en ingebeelde wijsheid niet op gevaar zoals de dieren dat doen, maar lopen er met open ogen in. Ze hebben niet in de gaten dat ze hun eigen graf graven (vgl. Ps 7:16-1716Hij heeft een kuil gedolven en die uitgegraven,
maar hij is gevallen in het graf [dat] hij [zelf] gemaakt heeft.
17Zijn moeite zal op zijn [eigen] hoofd terugkeren,
zijn geweld op zijn [eigen] schedel neerdalen.
; Jb 18:88Want met zijn voeten wordt hij in een net geworpen,
en hij wandelt over een vlechtwerk [van een vangkuil].
; Es 7:9-109En Charbona, een van de hovelingen die in dienst [stond] van de koning, zei: Zie, ook de galg die Haman heeft gemaakt voor Mordechai, die goed voor de koning gesproken heeft, staat bij het huis van Haman, vijftig el hoog. Toen zei de koning: Hang hem daaraan.10Toen hingen zij Haman aan de galg die hij voor Mordechai had laten oprichten. Toen bedaarde de woede van de koning.)
. Ze denken dat ze voor anderen een hinderlaag leggen, maar ze leggen een hinderlaag voor hun eigen leven. Als hun activiteiten eenmaal bekend zijn, zullen ze zelf het slachtoffer worden van anderen. Er vinden heel wat afrekeningen plaats in het criminele circuit. Een moordenaar wordt vaak op zeker moment ook zelf vermoord.

In vers 1919Zo zijn de paden van allen die op winstbejag uit zijn,
die ontneemt haar bezitters het leven.
vat de vader de waarschuwing van de verzen 10-1810Mijn zoon, als zondaars jou willen verleiden,
bewillig er dan niet in.
11Als zij zeggen: Ga met ons mee,
laten wij loeren op bloed,
zonder reden een onschuldige belagen,
12laten wij hen levend verslinden, zoals het graf,
volledig, zoals hen die in de kuil neerdalen.
13Allerlei kostbare bezittingen zullen wij vinden,
onze huizen zullen wij vullen met buit.
14Je zult je lot in ons midden werpen,
wij zullen allen [tezamen] één buidel hebben –
15Mijn zoon, ga niet met hen op weg,
weerhoud je voet van hun pad,
16want hun voeten snellen naar het kwaad
en zij haasten zich om bloed te vergieten.
17Voorzeker, het net wordt tevergeefs gespannen
voor de ogen van al wat vleugels bezit.
18Zíj loeren op hun [eigen] bloed,
zij belagen hun [eigen] leven.
samen (Jb 8:1313Zo zijn de paden van allen die God vergeten;
de hoop van de huichelaar vergaat.
)
. Het verkrijgen van onrechtmatige winst betekent het verlies van het leven. Zondige handelingen lijken voordeel en winst op te leveren, waardoor men meent een aangenamer leven te kunnen leiden, maar het is de weg van de dood. Als zondaars en wie zich met hen verbinden de onschuldige beroven en doden, beroven en doden ze zichzelf. Ze zondigen tegen hun eigen leven. Elke misdaad die ze tegen een ander begaan, begaan ze in werkelijkheid tegen zichzelf. Ze benemen zichzelf het leven. De enige manier om daaraan te ontkomen is het gezelschap van zondaars te mijden.

Een belangrijk element van het nieuwe leven is dat het zich naar de eeuwigheid uitstrekt (Rm 2:77hun die met volharding in goed werk heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, eeuwig leven;). Daartegenover staat de zichtbare wereld met zijn normen. Macht en geld beheersen deze wereld. Daarvan gaat een grote aantrekkingskracht uit die ons wil meeslepen. ‘Nee’ zeggen is soms uiterst moeilijk.

De rijke jongeman en Judas Iskariot bewijzen dat met hebzucht altijd de verwerping van Christus en het verlies van het eigen leven is verbonden: ze “ontneemt haar bezitters het leven”. Het lijkt erop dat ze bezitters zijn, onafhankelijk, maar de werkelijkheid is dat hun verslaving hen doodt. De een ging bedroefd weg, de ander hing zich op (Mt 19:2222Toen de jongeman echter dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg, want hij had vele bezittingen.; 27:55En na de zilverlingen in het tempelhuis geworpen te hebben vertrok hij en ging weg en hing zich op.). Daarom roept de Wijsheid in het volgende gedeelte.


De Wijsheid roept

20Buiten roept de hoogste Wijsheid luid,
op de pleinen laat Zij Haar stem klinken.
21Zij roept boven het rumoer uit,
aan de ingangen van de poorten in de stad spreekt Zij Haar woorden uit.
22Hoelang zult u, onverstandigen, onverstand liefhebben,
zullen spotters spotternij voor zich begeren
en dwazen kennis haten?
23Keert u zich tot Mijn bestraffing,
zie, Ik zal Mijn Geest over u uitstorten,
Mijn woorden u bekendmaken.

Nadat de vader aan het woord is geweest, komt nu de Wijsheid aan het woord. De vader heeft zijn zoon gewaarschuwd voor het gezelschap van de zondaars. Dat is gebeurd in de besloten sfeer van de huiselijke kring. Nu wordt door de Wijsheid tot de zondaars gesproken. Dat gebeurt in het openbaar. Vanaf vers 2020Buiten roept de hoogste Wijsheid luid,
op de pleinen laat Zij Haar stem klinken.
klinkt een lange oproep van de Wijsheid aan de zondaars die buiten zijn.

Er is in Haar stem een aandrang te horen die niet op die manier in de stem van de vader te horen is. Zij richt Zich tot zondaars die hun keus al hebben gemaakt. We kunnen hierbij ook denken aan jonge mensen die de waarschuwingen van hun vader in de wind hebben geslagen. Zij zijn ondanks alle waarschuwingen toegetreden tot het slechte gezelschap van de zondaars en maken daarvan nu volledig deel uit. Toch laat de Wijsheid hen niet aan hun lot over, maar gaat hen na en houdt hun voor waar hun weg eindigt. Ze roept hen op zich te bezinnen en te bekeren om aan dat einde te ontkomen.

De Wijsheid wordt hier als een Goddelijke Persoon voorgesteld Die op openbare plaatsen (“buiten”, “op de pleinen”) luid roept. Er is veel rumoer om Haar heen, waardoor het gevaar groot is dat Haar stem niet wordt gehoord (vers 2121Zij roept boven het rumoer uit,
aan de ingangen van de poorten in de stad spreekt Zij Haar woorden uit.
)
. Daarom verheft Zij Haar stem. Ze doet dat overal waar mensen druk bezig zijn met de dagelijkse dingen die een mens zo in beslag kunnen nemen. Maar het leven bestaat uit meer dan geld verdienen. Ze gaat zelfs naar de “ingangen van de poorten in de stad”, de plaats waar de mensen de stad binnenkomen om er handel te drijven en winst te maken. Daar bevinden zich ook de rechters die vaak alleen op hun eigen voordeel uit zijn. Daar spreekt Zij Haar woorden uit om de aanwezigen op te roepen zich te bekeren.

De Wijsheid begint met de klacht “hoelang?” (vers 2222Hoelang zult u, onverstandigen, onverstand liefhebben,
zullen spotters spotternij voor zich begeren
en dwazen kennis haten?
)
. Deze vraag houdt in dat er een mogelijkheid is om terug te keren van de weg van de zondaar en tegelijk dat er een moment komt dat het niet meer mogelijk is. Na de vraag spreekt Ze drie groepen mensen aan. Ze richt zich tot “onverstandigen”, “spotters” en “dwazen”.

1. De onverstandige is de naïeve of onnozele persoon, iemand die niet nadenkt over het leven en het leeft zoals het komt. Hij gelooft alles, behalve God, en onderzoekt niets. Hij denkt niet aan God en aan de toekomst. Elke oproep die wordt gedaan om over het leven na te denken, wordt door hem beschouwd als een verstoring van zijn rust en een inbreuk op zijn privacy. Hij ziet het als een storende, onzinnige alarmering.

2. De spotter is de opstandige en cynische vrijdenker. Hij denkt dat hij alles weet en is zonder enige vrees of schaamte. Spijt kent hij niet. Hij is bot en ruw in zijn handelwijze en in zijn woorden. Elk fatsoen ontbreekt. Spotten is een lievelingsbezigheid van hem. Voor hem is godsdienst iets voor achterlijke mensen.

3. De dwaas is de moreel verdorven, ongevoelige goddeloze. Hij sluit zich af voor alles wat hem wijs en gelukkig zou kunnen maken. Van veel andere dingen heeft hij kennis, althans dat meent hij, maar van het begin van de echte kennis, de vreze des HEERE, wil hij niets weten. De kennis van de andere dingen maakt hem blind en ongevoelig voor de ware kennis.

De Wijsheid roept hen allen op zich tot Haar bestraffing te keren, dat wil zeggen daar gehoor aan te geven (vers 2323Keert u zich tot Mijn bestraffing,
zie, Ik zal Mijn Geest over u uitstorten,
Mijn woorden u bekendmaken.
)
. Als dat gebeurt, zal Zij Haar Geest over hen uitstorten en als gevolg daarvan zal Zij Haar woorden bekendmaken. Ze belooft dat de Bijbel, die vóór die tijd een gesloten Boek is, voor hen zal opengaan en dat ze de inhoud zullen begrijpen. We hebben die Geest van wijsheid nodig om de woorden van God te begrijpen (vgl. Ef 1:1717opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u [de] geest van wijsheid en openbaring geeft in [de] kennis van Hem,).


Gevolgen van niet luisteren

24Omdat Ik riep, maar u weigerde,
Mijn hand uitstrekte, maar niemand er acht op sloeg,
25omdat u al Mijn raad verwierp,
Mijn bestraffing niet hebt gewild,
26daarom zal Ik ook lachen om uw ondergang,
u bespotten wanneer uw angst komt,
27wanneer uw angst komt als een verwoesting,
uw ondergang eraan komt als een wervelwind,
wanneer benauwdheid en nood over u komen.
28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden.
Zij zullen mij ernstig zoeken, maar zullen Mij niet vinden,
29omdat zij de kennis hebben gehaat
en de vreze des HEEREN niet hebben verkozen.
30Zij hebben Mijn raad niet gewild,
al Mijn bestraffingen hebben zij verworpen.
31Zij zullen van de vruchten van hun weg eten,
en verzadigd worden van hun [eigen] opvattingen,
32want de afvalligheid van de onverstandigen zal hen doden
en de zorgeloze rust van de dwazen zal hen ombrengen.

Alle scheppingswerken blijven staan waar de Wijsheid hen heeft geplaatst en zij dienen Haar (Ps 119:90-9190Uw trouw duurt van generatie op generatie;
U hebt de aarde gegrondvest, zodat zij blijft staan.
91Volgens Uw bepalingen blijven zij [ook] heden [nog] staan,
want zij alle zijn Uw dienaren.
)
. Alleen de verstokte zondaars weigeren te reageren op de oproep van de Wijsheid en de plaats in te nemen die hen tegenover Haar past (vers 2424Omdat Ik riep, maar u weigerde,
Mijn hand uitstrekte, maar niemand er acht op sloeg,
)
. Zij heeft Haar hand uitnodigend naar hen uitgestrekt gehouden (vgl. Js 65:22De hele dag heb Ik Mijn handen uitgespreid
naar een opstandig volk,
dat de weg gaat die niet goed is,
naar hun [eigen] gedachten;
)
. Maar de zondaars hebben de allerbelangrijkste raad, die van de Wijsheid, verworpen (vers 2525omdat u al Mijn raad verwierp,
Mijn bestraffing niet hebt gewild,
)
.

Ook Haar “bestraffing”, die dient om hen tot Zich te trekken, heeft geen effect gehad, omdat zij niet willen. Het is een bewuste, eigenwillige keus tegen de Wijsheid. De zondaars hebben alles ‘geweigerd’ wat de Wijsheid heeft aangeboden (vers 24a24Omdat Ik riep, maar u weigerde,
Mijn hand uitstrekte, maar niemand er acht op sloeg,
)
, ‘er geen acht op geslagen’ (vers 24b24Omdat Ik riep, maar u weigerde,
Mijn hand uitstrekte, maar niemand er acht op sloeg,
)
, ‘verworpen’ (vers 25a25omdat u al Mijn raad verwierp,
Mijn bestraffing niet hebt gewild,
)
en ‘niet gewild’ (vers 25b25omdat u al Mijn raad verwierp,
Mijn bestraffing niet hebt gewild,
)
. Zij heeft hen zo lang verdragen, maar zij hebben die verdraagzaamheid veracht (Rm 2:44Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, zonder te weten dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?; 9:2222Als nu God, daar Hij Zijn toorn wilde betonen en Zijn macht bekendmaken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft [de] vaten van [de] toorn, tot [het] verderf toebereid;).

Na “omdat” van de verzen 24-2524Omdat Ik riep, maar u weigerde,
Mijn hand uitstrekte, maar niemand er acht op sloeg,
25omdat u al Mijn raad verwierp,
Mijn bestraffing niet hebt gewild,
volgt in vers 2626daarom zal Ik ook lachen om uw ondergang,
u bespotten wanneer uw angst komt,
“daarom”. Ze hebben de Wijsheid uitgelachen en ermee gespot. Daarom zal de Wijsheid over hen lachen bij hun ondergang. Haar lachen is een vreselijk lachen (Ps 2:44Die in de hemel woont, zal lachen,
de Heere zal hen bespotten.
)
. Het is een verachtelijk lachen, omdat nu over hen komt waarvoor Zij hen heeft gewaarschuwd.

De Wijsheid heeft de zondaars geroepen, maar zij hebben niet geluisterd. Dan gebeurt het omgekeerde (vgl. Ez 8:1818Daarom zal ook Ik handelen in grimmigheid: Ik zal niemand ontzien en Ik zal geen medelijden hebben. Al roepen zij met luide stem ten aanhoren van Mij, toch zal Ik niet naar hen luisteren.). De Wijsheid zal spotten wanneer de hardnekkige zondaars gegrepen zullen worden door hun angst (Jb 15:2424Benauwdheid en angst overvallen hem;
ze overweldigen hem als een koning die klaar is voor de strijd.
; Dn 5:5-6,305Op hetzelfde ogenblik verschenen er vingers van een mensenhand, die op de gepleisterde wand van het koninklijk paleis schreven, tegenover de kandelaar, en de koning zag het gedeelte van de hand die schreef.6Toen veranderde de gelaatskleur van de koning, zijn gedachten verschrikten hem, zijn heupgewrichten verslapten en zijn knieën knikten.30In diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.)
. Ze zullen door hun angst verwoest worden (vers 2727wanneer uw angst komt als een verwoesting,
uw ondergang eraan komt als een wervelwind,
wanneer benauwdheid en nood over u komen.
)
. Als door “een wervelwind” zullen ze ten onder gaan in “benauwdheid en nood”.

In vers 2828Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden.
Zij zullen mij ernstig zoeken, maar zullen Mij niet vinden,
wordt gezegd op welke manier de Wijsheid inhoud geeft aan Haar lachen en bespotten. Zij neemt afstand van de zondaars – alsof Zij hen niet langer kan verdragen – en spreekt nu niet meer tot hen, maar over hen tot anderen. Ze waarschuwt die anderen om niet het voorbeeld van de zondaars te volgen. De Wijsheid zal niet reageren op het hulpgeroep van de zondaars als zij in hun nood tot Haar zullen roepen, want zij wilden niet reageren toen Zij haar waarschuwingen tot hen riep. Het is een afschuwelijke zaak om door God verlaten te worden (Hs 9:1212Ook al brengen zij hun kinderen groot,
Ik zal hen van kinderen beroven, geen mens zal er [meer] zijn!
Ja ook, wee hun, wanneer Ik van hen wijk!
)
, hoeveel te meer als het ook nog een tijd van nood is (1Sm 28:1515Samuel zei tegen Saul: Waarom hebt u mijn rust verstoord door mij op te roepen? Toen zei Saul: Ik ben in grote nood, want de Filistijnen strijden tegen mij en God is van mij weggegaan: Hij antwoordt mij niet meer, niet door de dienst van de profeten, en ook niet door dromen. Daarom heb ik u geroepen, om mij te laten weten wat ik doen moet.).

De Wijsheid verklaart waarom Zij niet naar de zondaars luistert als zij in nood tot Haar roepen. Het is “omdat zij de kennis hebben gehaat” (vers 2929omdat zij de kennis hebben gehaat
en de vreze des HEEREN niet hebben verkozen.
)
. De onverstandigen willen dom blijven. De dwazen geven niet alleen de voorkeur aan dwaasheid, maar ze verachten ook de kennis. Ze willen gewoon niet onderwezen worden. Het is een bewuste keus om niet voor de vreze des HEEREN te kiezen. Wie zo zijn, missen het begin van de kennis; ze kunnen niet wijs worden en blijven daarom dwaas.

Ze hebben niet naar de raad van de Wijsheid willen luisteren die Zij hun voorhield (vers 3030Zij hebben Mijn raad niet gewild,
al Mijn bestraffingen hebben zij verworpen.
)
. Al Haar bestraffingen, die ertoe dienden om hen tot luisteren te bewegen, “hebben zij verworpen”. Wie zo hardnekkig weigeren zich open te stellen voor de Wijsheid, zijn niet te helpen. Ze zullen erachter komen wanneer ze de bittere vruchten van hun eigenwillige weg te eten krijgen (vers 3131Zij zullen van de vruchten van hun weg eten,
en verzadigd worden van hun [eigen] opvattingen,
)
. Ze oogsten wat ze hebben gezaaid en krijgen wat ze verdienen en zelf willen (Gl 6:7-87Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.8Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie voor de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.). Ze zullen zat worden van de waanzin “van hun [eigen] opvattingen”.

Hoe dat gebeurt, wordt in vers 3232want de afvalligheid van de onverstandigen zal hen doden
en de zorgeloze rust van de dwazen zal hen ombrengen.
verklaard. Het woord “want” geeft dat aan. Hun afvalligheid van de levende God betekent hun dood. De liefde van de dwazen voor hun zorgeloze rust is als een wiegend bootje dat op de rivier drijft en waarin ze liggen te slapen. Zonder dat ze er erg in hebben, drijft het bootje langzaam maar zeker naar de waterval waar het naar beneden stort en te pletter slaat. De rust die zij omarmen, is de rust van de dood. De eigenzinnigheid en zelfgenoegzaamheid van deze mensen zal hen doden en ombrengen.


Het deel van wie wel luistert

33Maar wie naar Mij luistert, zal veilig wonen,
hij zal vrij zijn van angst voor het kwaad.

Het gedeelte eindigt niet in mineur, maar met een prachtige en ook aantrekkelijke belofte voor wie wel naar de Wijsheid luistert. Wat hij krijgt, is een permanente, niet te verstoren veiligheid. Het is daarbij ook een situatie waarin geen dreiging gevoeld wordt. Hij is “vrij … van angst voor het kwaad”.

Luisteren naar de Wijsheid biedt bescherming tegen het kwaad. Dat is het grote contrast tussen de valse zekerheid van de goddelozen in het vorige vers en de ware en blijvende vrede van de rechtvaardige die naar de Wijsheid luistert in dit vers. In deze situatie van veiligheid en vrede mag iedere gelovige al leven die naar het Woord van God luistert en dat toepast op alle aspecten van zijn leven.


Lees verder