Richteren
Inleiding 1 In de hand van Midian 2 In de holen en de grotten 3 Wanneer Israël gezaaid had 4-5 Geen schaap, rund of ezel 6 Zeer verarmd 7-10 Een profeet en zijn boodschap 11 Gideon 12 De HEERE is met u 13 Waar zijn al Gods wonderen? 14 De opdracht 15 Een nieuwe tegenwerping 16 Ik ben met u 17 De vraag om een teken 18 Ik zal blijven 19-20 Het offer 21 God neemt het offer aan 22 Wee mij 23-24 Vrede 25 De eerste opdracht: afbreken en omhakken 26 De tweede opdracht: bouwen en offeren 27 Gideon doet het in de nacht 28-32 De tegenstand bezworen 33-35 De Geest vervult Gideon 36-40 De vacht
Inleiding

Gideon is geen bevrijder aan wie maar één vers wordt gewijd, zoals Samgar. Hij is ook geen bevrijder die in de schaduw van een vrouw staat, zoals Barak. In Gideon krijgen we een bevrijder voor ons die door God Zelf wordt verwekt en opgeleid. Anders dan bij de eerder genoemde richters worden we bij Gideon in staat gesteld zijn persoonlijke oefeningen te zien en hoe hij ertoe wordt gebracht om op één lijn te komen met Gods gedachten.

God gaat met Gideon aan de slag. Met wijsheid en geduld maakt Hij van Gideon een instrument dat Hij kan gebruiken tot zegen voor Zijn volk. Gods handelwijze met Gideon is er een voorbeeld van hoe God ieder die Hem kent en liefheeft en ernaar verlangt Hem te dienen, op een dienst voor Hem voorbereidt. Die dienst bestaat dan niet uit een eenmalige actie, maar uit een heel leven van dienstbaarheid.


In de hand van Midian

1Maar de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen gaf de HEERE hen over in de hand van Midian, zeven jaar.

Na veertig jaar rust is het weer zover. Er is een nieuwe generatie opgestaan in Israël. Voor hen zijn Gods bemoeienissen met Zijn volk in het verleden slechts geschiedenis. Dit nieuwe geslacht is niet beter dan hun vaderen. Ook zij doen wat slecht is in de ogen van de HEERE. Opnieuw moet God Zijn tucht over het volk laten komen. Hij heeft hen te lief om hen op de verkeerde weg te laten voortgaan.

God wil omgang met Zijn volk. Hij wil hun graag vertellen wat er in Zijn hart voor hen leeft. Hij wil ook graag dat zij Hem vertellen wat er in hun hart is voor Hem. Wat moet het God verdriet doen om Zijn volk zo te zien reageren op al Zijn liefde. Hij wil Zijn volk leren en onderwijzen door hun gemeenschap met Hem, maar als ze dat niet willen, moet Hij hen leren en onderwijzen door de hand van een vijand.

Deze keer gebruikt God Midian. Midian is een familievolk van Israël. Ze zijn met elkaar verbonden via Abraham. Midian is een zoon van Abraham en Ketura (Gn 25:1-21Abraham nam weer een vrouw, van wie de naam Ketura was.2En zij baarde hem Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah.). Zeven jaar, dat spreekt van een volkomen periode, zuchten de Israëlieten onder deze overheersing. De naam Midian betekent ‘twist’. Is deze vijand niet te herkennen in het leven van veel afgeweken christenen? Is hij ook niet aanwezig in geloofsgemeenschappen waar men met elkaar overhoop ligt? In de volgende verzen zien we de uitwerking daarvan.


In de holen en de grotten

2Toen Midian de overhand kreeg over Israël, maakten de Israëlieten vanwege Midian voor zichzelf de holen gereed die in de bergen zijn, en de grotten en de bergvestingen.

Nog nooit waren de Israëlieten zo diep gezonken. Ze worden gedwongen om zwervers en vluchtelingen te zijn in hun eigen land en ze verliezen hun vrijheid. Dat is het resultaat als Gods volk geen prijs meer stelt op de dingen van God. Het volk wordt verstrooid, ieder graaft zijn eigen schuilplaats, er is geen eenheid meer.

In een gemeenschap van christenen waar men niet meer samen bezig kan zijn met de zegeningen die God heeft gegeven, waar men niet meer samen naar de Bijbel luistert, krijgen gemakkelijk twist en strijd de overhand. In plaats van samen naar de Heer Jezus te kijken, kijkt men naar elkaar. Daarbij probeert men dan niet iets van de Heer Jezus in elkaar te ontdekken, maar ergert men zich aan elkaar. De verhoudingen kunnen dan zo vertroebeld raken, dat er geen vertrouwen meer is in elkaar.

In plaats van vriendschap, openheid, vertrouwen, vrijheid, houdt men zijn mond en ontloopt men elkaar. Er komt achterdocht en fluisteren achter de hand. Men heeft zich ingegraven in zijn eigen stellingen, de holen en de grotten en de bergvestingen. Het wordt een loopgravenoorlog. Het slot van het liedje is dat men elkaar gaat bijten en opeten (Gl 5:1515Als u echter elkaar bijt en opeet, kijkt dan uit dat u niet door elkaar verslonden wordt.). Zo wordt het mooie van de christelijke gemeenschap verdorven en worden langdurige vriendschappen verbroken. Levens verbitteren en geloofsgemeenschappen springen uit elkaar.


Wanneer Israël gezaaid had

3Want het gebeurde, telkens als Israël gezaaid had, dat Midian optrok. Ook Amalek en de mensen van het oosten trokken tegen hen op.

De vijand weet precies wanneer hij moet komen: op het moment dat er is gezaaid. Hij zal alles doen om te voorkomen dat het gezaaide opkomt, zodat er geen voedsel is voor het volk en het krachteloos wordt. Om de gelovige te verzwakken doet de satan zijn uiterste best hem zijn voedsel te ontnemen. Door allerlei dingen weerhoudt hij hem ervan om de Bijbel te lezen of samenkomsten tot opbouwing te bezoeken. Hij weet daarbij uitstekend welk middel hij bij ieder lid van Gods volk kan gebruiken, waarbij hij uit een geweldig arsenaal kan putten.

De Midianieten komen niet alleen. Amalek is er ook bij. Amalek is een beeld van het vlees. Deze twee vijanden gaan altijd hand in hand. In Galaten 5 wordt als een van de werken van het vlees ”twist” genoemd (Gl 5:2020afgodendienst, toverij, vijandschappen, twist, jaloersheid, toorn, partijzucht, tweedracht, sekten,). In het gevolg daarvan gaat een menigte soorten van kwaad, die we voorgesteld zien in “de mensen van het oosten”. De satan mobiliseert al zijn krachten om te voorkomen dat een gelovige ook maar iets inzamelt van de vruchten van het land.


Geen schaap, rund of ezel

4Dan sloegen zij hun kamp tegen hen op en deden de opbrengst van het land teniet, tot waar men bij Gaza komt. En zij lieten in Israël niets over om van te leven: geen schaap, geen rund en geen ezel. 5Want zij trokken op met hun vee en hun tenten: zo talrijk als sprinkhanen kwamen zij, zodat men hen en hun kamelen niet kon tellen. En zij kwamen in het land om dat teniet te doen.

Gaza is een Filistijnse plaats. De Filistijnen maken zich hier, evenals elders, een met de vijanden van Israël. Gaza is een grote opslagplaats van gestolen goederen die daar door de Midianieten naartoe zijn gebracht. De opbrengst van het land komt dus uiteindelijk in Filistijnse handen terecht.

We hebben al eerder gezien dat Filistijnen naamchristenen voorstellen, mensen die beweren tot het volk van God te behoren, maar er niet toe behoren omdat ze geen leven uit God hebben. Zij eisen de vrucht van het land, de geestelijke zegen, voor zichzelf op, terwijl ze die ontroven aan hen die werkelijk het volk van God vormen. Dit kan alleen gebeuren door de ontrouw van Gods volk, de gemeente, omdat zij niet leven in wat God heeft geschonken. De gezamenlijke vijanden zorgen ervoor dat er voor Gods volk niets overblijft om van te leven. Het gevolg daarvan is dat er geen kracht is.

Wat is er van de gemeente overgebleven, als het gaat om haar getuigenis in de wereld? We zien het in het boek Handelingen. Hoe krachtig is in het begin haar getuigenis. Maar die kracht is verdwenen. Een van de oorzaken daarvan is, dat in de christenheid de Bijbel niet meer als het ware voedsel aan de christenen wordt voorgehouden. Mensen die de Geest niet bezitten, hebben de Bijbel ‘veroverd’ en leggen die uit naar eigen inzichten. Een andere oorzaak is dat christenen zelf niet openstaan voor het zuivere Woord van God. Paulus waarschuwt Timotheüs dat er een tijd zal komen “dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen” (2Tm 4:33Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen;).

Zo blijft er “in Israël niets over om van te leven: geen schaap, geen rund en geen ezel”. Als de Bijbel geen voedsel meer bevat voor de christen, is het ook gedaan met het offeren, waarvan schaap en rund spreken, en de dienst voor de Heer, waarvan de ezel spreekt.


Zeer verarmd

6Zo verarmde Israël zeer vanwege Midian. Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE.

Het land waarvan God gezegd heeft dat het een land is “waarin u zonder schaarste brood zult eten” (Dt 8:99een land waarin u zonder schaarste brood zult eten, waarin het u aan niets ontbreken zal; een land waarvan de stenen ijzer zijn, en [waarin] u uit zijn bergen koper kunt hakken.), is in grote armoede geraakt. Als de Bijbel in huis is, hebben we daarmee alle schatten van de hemel binnen handbereik. Maar als we er niet toe komen de Bijbel open te doen en die biddend te gaan lezen, hebben we er niets aan.

We kunnen weten dat we in het land wonen, met andere woorden, dat we “gezegend zijn met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus” (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,), maar wat hebben we daaraan als ons leven beheerst wordt door bitterheid en twist? We zijn ondanks onze rijkdom armoedzaaiers. Het wordt tijd om, net als de Israëlieten doen, te gaan roepen tot God, opdat Hij uitkomst geeft.


Een profeet en zijn boodschap

7En het gebeurde, toen de Israëlieten vanwege Midian tot de HEERE riepen, 8dat de HEERE een man naar de Israëlieten zond, een profeet, die tegen hen zei: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ík heb u uit Egypte doen optrekken en u uit het slavenhuis geleid. 9En Ik heb u gered uit de hand van de Egyptenaren en uit de hand van ieder die u verdrukte. En Ik heb hen van voor uw [ogen] verdreven en hun land aan u gegeven. 10En Ik zei tegen u: Ik ben de HEERE, uw God! Vrees de goden van de Amorieten niet, in wier land u woont. Maar u hebt niet naar Mijn stem willen luisteren.

Het geroep van de Israëlieten wordt door God beantwoord, maar niet met een directe uitredding. Het antwoord van God is niet dat, wat ze hebben verwacht. Voordat Hij Zijn volk gaat bevrijden, moet er eerst iets anders gebeuren. Om dat te bewerken bedient God Zich voor het eerst in dit boek van een profeet. Hij wil namelijk dat Zijn volk de zonde gaat voelen in hun geweten.

Hun geroep is blijkbaar alleen het gevolg van hun ellende en is niet veroorzaakt door de oorsprong ervan. Gods heilige wijsheid openbaart als antwoord op hun geroep, door de profeet, de oorzaak van hun ellende. Het doel daarvan is dat het volk tot een grondige veroordeling van die oorzaak komt. Alleen dan kan er sprake zijn van een duurzaam herstel.

De profeet laat ons het werk van de Geest van God zien Die het geweten van het volk wakker schudt en aanwijst waar het is afgeweken. Dat is geen taak die in dank wordt afgenomen. Jeremia heeft aan den lijve ondervonden hoe hij naar het leven wordt gestaan vanwege de woorden die hij namens God spreekt. Ja, zolang profeten dingen zeggen die de mensen graag horen, hebben ze geen kwaad te duchten (Js 30:1010die tegen de zieners zeggen: U mág niet zien;
tegen de schouwers: U mág niet voor ons schouwen wat waar is.
Spreek tot ons vleierijen,
schouw bedriegerijen.
)
. Zulke profeten hebben vaak groot succes, maar het resultaat is niet van lange duur.

Als God een profeet stuurt die het volk op zijn falen wijst, is dat, opdat het verkeerde wordt ingezien en beleden, zodat voor God de weg weer open is om het te zegenen. Gods uiteindelijke doel is altijd zegen. Daarom kan een belijdenis geen vluchtige, oppervlakkige zaak zijn. Zo’n belijdenis bewerkt geen echte bekering. Als er in het leven van een gelovige iets fout is gegaan, is het noodzakelijk dat niet alleen de fout wordt beleden, maar ook de oorzaak ervan wordt ingezien. Iemand wordt pas echt hersteld, als hij tot de oprechte erkenning is gekomen dat zijn zonde is voortgekomen uit zijn zondige natuur.

Een zonde is geen schoonheidsfoutje, maar een uiting van het zondige vlees dat niet is gehouden op de plaats waar het hoort, namelijk de dood. Wie dit oprecht erkent, zoekt geen excuses meer voor zijn handelwijze, hij zoekt ook niet naar verzachtende omstandigheden. Eerlijk zelfoordeel, zonder anderen als schuldig of medeschuldig te verklaren, is het beste bewijs van de waarachtigheid van iemands belijdenis.

De naam van de profeet wordt niet genoemd, die doet er niet toe. Bij een profeet gaat het om zijn boodschap. De profeet houdt geen lange rede. Hij getuigt van Gods daden ten gunste van Zijn volk in het verleden. Aan Gods kant is er geen falen. Hij stelt de trouw van God tegenover de ongehoorzaamheid van het volk. Het goede dat God voor hen heeft gedaan, zou aanleiding genoeg moeten zijn om Hem trouw te blijven. Bovendien heeft Hij hen gewaarschuwd geen andere goden te vereren. Maar helaas, het slotwoord, de conclusie van de profeet moet zijn: “Maar u hebt niet naar Mijn stem willen luisteren.” Dit moet diep in het geweten van het volk dringen en daar zijn heilzaam werk doen.

Intussen wordt het instrument voor zijn taak gereed gemaakt. Hem, Gideon, heeft God uitgekozen om Zijn volk te verlossen.


Gideon

11Toen kwam een Engel van de HEERE. Hij nam plaats onder de eik die bij Ofra is, die aan de Abiëzriet Joas toebehoorde. En zijn zoon Gideon klopte tarwe uit in de wijnpers om [die] voor de Midianieten te verbergen.

De Engel van de HEERE – dat is de Heer Jezus, zoals we eerder hebben gezien – komt bij Gideon op bezoek. Deze is druk bezig met de opbrengst van het land. Die wil hij niet in handen van de Midianieten laten vallen, maar er zelf van genieten.

De betekenis van de namen in dit vers geeft ons een indruk van de geestesgesteldheid van Gideon. Ofra betekent ‘stof’. Iemand die zich de schande van Gods volk, dat het onderworpen is aan de wereld, echt bewust is, zal zich in het stof bevinden. Daar is geen roemen op een bepaalde positie, maar diepe nederigheid. Joas betekent ‘de HEERE is ondersteuning’. Iemand die de zwakheid en hopeloosheid kent van de situatie waarin Gods volk verkeert, zal zijn steun zoeken en vinden in de Heer.

Bij de naam Abiëzer, dat ‘mijn vader is hulp’ betekent, kunnen we aan hetzelfde denken, terwijl de gedachte aan een relatie eraan wordt toegevoegd. Wij mogen God kennen als Vader. Gideon betekent ‘neerhouwer’. Alles wat zichzelf verhoogt, moet worden neergehouwen. Straks zal hij die naam openlijk eer aandoen. Nu doet hij die naam eer aan door zichzelf in het stof (Ofra) neer te werpen.

Bij Ofra staat een eik. Het woord eik betekent letterlijk ‘een sterke boom’. Als we nu die twee, eik en Ofra, combineren, zien we een samengaan van kracht en zwakheid naar voren komen. We zullen in de geschiedenis van Gideon zien hoe de kracht van God in de zwakheid van Gideon werkzaam is.

Gideon is bezig met het dorsen van tarwe in de wijnpers, een ongebruikelijke plaats. De wijnpers is leeg, dat wil zeggen dat er geen vreugde is. Wijn is een beeld van de vreugde (Ri 9:1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?). De wijnpers stelt ook oordeel voor (Js 63:2-32Waarom is dat rood aan Uw gewaad,
en is Uw kleding als [die] van iemand die de wijnpers treedt?
3Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
)
. In dagen van twist en strijd, als Midian de overhand heeft, kunnen we alleen wat voedsel krijgen bij de wijnpers, dat is in de erkenning van het oordeel dat God over ons moest brengen.

Wie werkelijk buigt onder dit oordeel, mag kijken naar het kruis. Dat is uiteindelijk de plaats waar het oordeel van God over onze ontrouw is voltrokken aan de Heer Jezus. Voor het geloof is daar altijd voedsel en daar alleen zijn we veilig voor ‘Midian’, de geest van twist, want die kan bij het kruis niet bestaan.

Gideon stelt een beginsel voor. In hem zien we een geest of gezindheid die het volk kan bevrijden van twist en strijd. Hij is onbewust bezig zichzelf voor te bereiden om de bevrijder van het volk te worden. Wie bezig is met de Heer Jezus en Zijn werk op het kruis zoals dat in het Woord van God wordt verteld, kan op een bepaald moment door God worden gebruikt om een leider, herder, oudste, bevrijder te zijn.


De HEERE is met u

12Toen verscheen de Engel van de HEERE aan hem en zei tegen hem: De HEERE is met u, strijdbare held!

Gideon zal verschrikt hebben opgekeken als hij plotseling een stem hoort die tegen hem zegt: “De HEERE is met u.” Toch wordt hij niet bang. Dat wordt hij pas in vers 2222Toen zag Gideon dat het een Engel van de HEERE was. En Gideon zei: Ach, Heere, HEERE! Daarom, omdat ik een Engel van de HEERE heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, [zal ik sterven]! als het tot hem doordringt Wie hij op bezoek heeft. En wat te denken van “u, strijdbare held”? Van strijdbaarheid is op het eerste gezicht niets te zien bij deze man die zich verbergt voor de vijand. Maar voor God telt dat Gideon vastbesloten is om zichzelf van voedsel te voorzien. Ondanks de overmacht van de vijand, ondanks de angst bij de Israëlieten, is hier een man die bezig is met de vrucht van het land. De persoonlijke trouw, in een tijd waarin iedereen het erbij laat zitten, staat hier op de voorgrond. Dat noemt God strijdbaarheid. Dan zijn we in Zijn ogen een held.

Als we persoonlijk bezig zijn om voedsel uit Gods Woord op te diepen en niet meedoen aan de ‘twist’ om ons heen en ons er niet bij neerleggen, zullen we de bijzondere nabijheid van de Heer ervaren en horen dat de Heer met ons is. Deze toezegging geldt voor elk moment dat we ons met de Bijbel bezighouden op een manier dat we duidelijk de stem van God kunnen horen. Deze toezegging geldt ook voor alle opdrachten die we van Hem te horen zullen krijgen. Zó begint God Zijn gesprek met Gideon. Is dat niet een bemoedigend begin?


Waar zijn al Gods wonderen?

13Maar Gideon zei tegen Hem: Och, mijn heer, als de HEERE met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? En waar zijn al Zijn wonderen, waarover onze vaderen ons verteld hebben, toen zij zeiden: Heeft de HEERE ons niet uit Egypte doen optrekken? Maar nu heeft de HEERE ons verlaten en ons in de hand van Midian gegeven!

Er ontstaat een gesprek tussen Gideon en de HEERE. Het is schitterend om te zien hoe de HEERE Gideon alle ruimte geeft om te zeggen hoe hij de dingen beleeft. De HEERE gaat telkens op de vragen van Gideon in en antwoordt hem op een manier zoals alleen Hij dat kan. De antwoorden zitten vol bemoediging voor ieder die van de Heer een bepaalde opdracht krijgt. We zullen zien dat hier veel geleerd kan worden over de vorming van de dienaar – zoals wij er hopelijk ook een willen zijn – die een werk voor de Heer mag gaan doen. Soortgelijke gesprekken komen vaker voor in de Bijbel, bijvoorbeeld tussen Mozes en de HEERE (Ex 3-4) en tussen Ananias en de Heer Jezus (Hd 9:10-1910Nu was er een discipel in Damaskus, genaamd Ananias; en de Heer zei tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zei: Zie, [hier] ben ik, Heer.11En de Heer zei tot hem: Sta op en ga naar de straat, de Rechte geheten, en zoek in [het] huis van Judas naar iemand van Tarsus, genaamd Saulus; want zie, hij bidt.12En hij heeft <in een gezicht> gezien dat een man, genaamd Ananias, binnenkwam en hem <de> handen oplegde, opdat hij weer kon zien.13Ananias echter antwoordde: Heer, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan;14en hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen die Uw Naam aanroepen te boeien.15De Heer zei echter tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren vat om Mijn Naam te dragen zowel voor volken als koningen en zonen van Israël;16want Ik zal hem tonen hoeveel hij moet lijden voor Mijn Naam.17Ananias nu ging en kwam het huis binnen; en hij legde hem de handen op en zei: Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs u kwam, opdat u weer kunt zien en met [de] Heilige Geest vervuld wordt.18En terstond vielen hem als het ware schubben van de ogen en hij kon weer zien; en hij stond op en werd gedoopt.19En toen hij voedsel had genomen, werd hij versterkt. Hij nu was enige dagen bij de discipelen in Damaskus.).

Als we weten dat God ons roept om iets voor Hem te doen, mogen we daarover met Hem praten. We mogen onze eventuele bezwaren indienen. God luistert naar ons en neemt onze tegenwerpingen serieus. Hij antwoordt. Er is één voorwaarde: God gaat met ons in gesprek zolang Hij bij ons de bereidheid ziet om te doen wat Hij van ons vraagt. Als onze bezwaren voortkomen uit ongeloof en onwil, gaat God niet met ons verder.

Er is nog een prachtige karaktertrek bij Gideon te zien. God heeft gezegd: “De HEERE is met u, strijdbare held.” Wat zegt Gideon? “Als de HEERE met ons is.” Hij maakt zichzelf een met het hele volk. Al is Gideon persoonlijk trouw, hij claimt God niet voor zichzelf alleen. God is de God van het hele volk. Het welzijn van het hele volk gaat hem ter harte en niet alleen zijn eigen welzijn.

Dan komen de vragen. Gideon heeft gehoord van alles wat God ten gunste van Zijn volk heeft gedaan toen Hij hen uit Egypte voerde. Gideon gelooft dat. Hij twijfelt niet aan de geschiedenis van het volk en wat God met en voor hen heeft gedaan. Maar waar blijft God nu? Is Hij niet meer Dezelfde? Ja, Hij wel, maar het volk niet. De HEERE heeft hen verstoten, althans zo ervaart Gideon dat.

In Romeinen 11 komt die vraag ook naar voren: “Heeft God Zijn volk verstoten?” (Rm 11:1a1Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers ook een Israëliet, uit [het] geslacht van Abraham, van [de] stam van Benjamin.). In het volgende vers komt het antwoord: “God heeft Zijn volk niet verstoten dat Hij tevoren heeft gekend” (Rm 11:2a2God heeft Zijn volk niet verstoten dat Hij tevoren heeft gekend. Of weet u niet wat de Schrift zegt in [de geschiedenis van] Elia? Hoe hij Israël bij God aanklaagt:). God heeft vanwege de ontrouw van het volk hen voor een tijd moeten prijsgeven aan hun vijanden, maar met het doel om hen naar Zichzelf terug te brengen. Zo zal God Zich ook in de toekomst over Zijn volk ontfermen, door de grote Bevrijder, de Messias van het volk, de Heer Jezus.

Ook hier, bij Midian, laat God zien dat Hij Zijn volk niet heeft verstoten. Hij maakt een bevrijder gereed voor zijn taak en dat is Gideon. Als we hem in dit vers horen spreken, zien we twee dingen die altijd samengaan bij iemand die door God wordt geroepen tot een taak te midden van Zijn volk. Die twee dingen zijn dat hij zich vereenzelvigt met Gods volk en dat hij het Woord van God gelooft zoals hem dat is overgeleverd door de vaderen.


De opdracht

14Toen wendde de HEERE Zich tot hem en zei: Ga in deze kracht van u, en u zult Israël uit de hand van Midian verlossen. Heb Ik u niet gezonden?

Gideon heeft God verteld hoe hopeloos de situatie is. Nu krijgt hij de opdracht daarin verandering aan te brengen. Vaak zijn het de dingen die we als nood bij God brengen waarvan Hij ons opdraagt er iets aan te doen. We zijn dan voor God de meest geschikte instrumenten. Als iemand ziet dat er behoefte is aan kinderwerk, gaat hij of zij daarvoor bidden, mogelijk zonder eraan te denken dat het iets voor hem of haar zelf zou zijn. Toch geeft de aanvoeling van de nood al iets aan van de betrokkenheid bij dit werk voor de Heer.

Dit kunnen we betrekken op tal van andere dingen. Het geldt overigens alleen voor mensen die, net als Gideon, leven in gemeenschap met God. Het gaat namelijk om mensen die in hun leven de Heer alle ruimte geven. In het leven van zulke mensen nemen bijbellezen en bidden de centrale plaats in. Daar draait hun leven om, daar putten ze hun kracht uit.

God geeft Gideon voor zijn opdracht geen nieuwe kracht, maar zegt: “Ga in deze kracht van u.” Welke kracht is dat? Dat is de kracht waarmee hij zijn eten uit handen van de vijanden heeft gehouden om er zelf van te genieten. Daardoor heeft hij ook voldoende kracht om Israël te bevrijden.

Wat de HEERE vervolgens tegen hem zegt, moet alle twijfel over zijn opdracht wegnemen. Gideon mag gaan in Naam van zijn Zender. Hij hoort Hem zeggen: “Heb Ik u niet gezonden?” Dit is alles wat nodig, maar ook noodzakelijk is om een dienstwerk te doen. Zonder dat Hij dit tegen ons zegt, kunnen we niet gaan. Gaan we dan toch, dan maken we brokken.

Een andere belangrijke les in verbinding met de roeping tot een dienstwerk is dat God iemand roept die bezig is. Gideon is aan het werk als hij geroepen wordt. Hetzelfde zien we bij de roeping van de discipelen door de Heer Jezus (Mt 4:18-2218En toen Hij langs de zee van Galiléa wandelde, zag Hij twee broers, Simon, die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andréas, een werpnet in de zee werpen, want zij waren vissers;19en Hij zei tot hen: Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken.20Zij nu lieten terstond hun netten achter en volgden Hem.21En toen Hij vandaar verder was gegaan, zag Hij twee andere broers, Jakobus, de [zoon] van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, terwijl zij in het schip met hun vader Zebedeüs bezig waren hun netten te verstellen. En Hij riep hen;22en zij lieten terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem.). God zoekt geen mensen die niets te doen hebben, maar mensen die ijverig zijn in het doen van de gewone, dagelijkse dingen.


Een nieuwe tegenwerping

15Maar hij zei tegen Hem: Och, mijn heer! Waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn geslacht is het armste in Manasse en ik ben de jongste in mijn familie.

Gideon voert een nieuw argument aan, waardoor hij meent dat hij niet aan Gods opdracht kan voldoen: hij voelt er zich niet toe in staat. Nu is het altijd goed om niet te hoog van jezelf te denken. Daartoe wordt ieder van ons vermaand in Romeinen 12, waar Paulus zegt dat ieder “[van zichzelf] niet hoger moet denken dan het behoort” (Rm 12:33Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik aan ieder die onder u is, dat hij [van zichzelf] niet hoger moet denken dan het behoort, maar dat hij bescheiden moet denken, zoals God aan ieder een maat van geloof heeft toebedeeld.). Maar dit mag nooit een excuus zijn om ons te onttrekken aan wat God van ons vraagt.

Gideon wijst op zijn geringe afkomst en de plaats die hij inneemt in het gezin waartoe hij behoort. Manasse is de stam die als enige gedeeld is. De ene helft woont in het land en de andere helft woont erbuiten. Hij weet wat het betekent om in een situatie van verdeeldheid te verkeren. Vaak heb je dan al zoveel ruzie en twist met de bijkomende ellende gezien, dat je geen zin meer hebt in nog meer strijd, al is dat ook de goede.

Zijn plaats in het gezin – hij is de jongste – lijkt erop te wijzen dat hij nooit echt betrokken is in het familiegebeuren. Dat is David ook overkomen (1Sm 16). David wordt gewoon vergeten als Samuel het hele gezin heeft samengeroepen. Dat kan een gevoel geven dat je waardeloos bent, onbelangrijk, dat je van geen nut bent. Gideon kan zich zo hebben gevoeld.

Misschien voelen wij ons ook zo. Toch mogen we er zeker van zijn dat God juist dan iets met ons kan beginnen. Onze zwakheid en het niet in tel zijn bij anderen maakt ons geschikt als een werktuig voor God. Wat God door ons heen wil doen, moet alleen aan Hem toegeschreven worden en niet aan ons. Is het niet groot dat God ons in onze geringheid en zwakheid wil gebruiken?

Luister naar wat Paulus zegt in 2 Korinthiërs 12. Als hij gebeden heeft om bevrijd te worden van iets wat hem zwak en verachtelijk maakt, zegt de Heer tegen hem: “Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht” (2Ko 12:9a9en Hij zei tegen mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont.). Het antwoord van Paulus is: “Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont. Daarom heb ik een welgevallen in zwakheden … voor Christus; want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk” (2Ko 12:9b-109en Hij zei tegen mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont.10Daarom heb ik een welgevallen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen en benauwdheden voor Christus; want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk.). Kijk, dat is waartoe wij moeten komen. Niet ons sterk voelen in eigen kunnen, maar ons zwak voelen; dan kan God met ons Zijn werk doen.

Gideon ziet op zichzelf en dan is er geen kracht. Maar het kleine ‘ik’ is net zo’n grote verhindering om door God gebruikt te worden als het grote ‘ik’. Als we dat erkennen, mogen we zeggen wat Paulus zegt: “Ik vermag alles door Hem Die mij kracht geeft” (Fp 4:1313Ik vermag alles door Hem Die mij kracht geeft.).


Ik ben met u

16Maar de HEERE zei tegen hem: Omdat Ik met u zal zijn, zult u Midian verslaan alsof [het maar] één man [was].

De manier waarop de HEERE op het laatste argument van Gideon ingaat, is bemoedigend. In vers 1414Toen wendde de HEERE Zich tot hem en zei: Ga in deze kracht van u, en u zult Israël uit de hand van Midian verlossen. Heb Ik u niet gezonden? is hij in zijn opdracht gesteund door het bewustzijn dat de HEERE zijn Zender is. Dat geeft de waarde aan de taak die hij moet gaan uitvoeren. In dit vers gaat het nog een stap verder. De HEERE zegt dat Hij Zelf meegaat.

Deze belofte van de Heer geldt ook nu. Na Zijn opstanding geeft Hij Zijn discipelen de opdracht: “Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen, hen dopend tot de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en hen lerend te bewaren alles wat Ik u heb geboden” (Mt 28:1919Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen, hen dopend tot de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en hen lerend te bewaren alles wat Ik u heb geboden.). Daaraan voegt Hij toe, en daarmee besluit het evangelie naar Mattheüs, zodat die woorden als het ware in de oren van de discipelen blijven naklinken: “En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw” (Mt 28:2020En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw.).

In de voorbije eeuwen zijn tallozen door deze woorden bemoedigd en hebben de taak volbracht die hun was opgedragen. Laten wij ons ook maar door deze woorden bemoedigen voor de ons opgedragen taken. Al hebben we een leger van helpers om ons heen, maar we hebben de Heer niet, dan zullen we nog verliezen. Al zijn we helemaal alleen, maar we hebben de Heer aan onze zijde, dan zullen we de grootste vijandelijke legermacht kunnen verslaan alsof [het maar] één man [was]”. Dat dit echt de ‘logica’ van het geloof is, zal de geschiedenis van Gideon ons verder leren.


De vraag om een teken

17En hij zei tegen Hem: Als ik dan genade gevonden heb in Uw ogen, geef mij dan een teken dat U het bent Die met mij spreekt.

Gideon is nu overtuigd van zijn opdracht en vat moed door de toezeggingen van de HEERE. Hij heeft nog één verzoek. Hij wil absolute zekerheid dat hij te maken heeft met de HEERE Zelf. Deze zekerheid vindt hij van wezenlijk belang voor het volbrengen van zijn missie. Daarom vraagt hij om een teken.

Een mooi voorbeeld, waard om na te volgen, hebben we in de manier waarop Gideon zijn vraag stelt. Hij doet dat niet vanuit een houding die spreekt van het recht dat hij op een teken zou hebben. Zijn houding laat zien dat hij er geen aanspraak op kan maken: “Als ik dan genade gevonden heb in Uw ogen.”

De vraag om een teken past niet bij de nieuwtestamentische gelovige. Hij heeft geen teken nodig, omdat hij het hele Woord van God heeft en ook de Heilige Geest Die in hem woont. Wie zekerheid over een bepaalde zaak wil hebben, kan het Woord van God lezen en in gebed aan God vragen of Hij door Zijn Woord en Geest de dingen duidelijk wil maken. God kan daarvoor ook anderen gebruiken, bijvoorbeeld in samenkomsten waar het Woord wordt verkondigd, of door persoonlijke gesprekken met gelovigen die met de Heer leven.

Gideon bezit niet de volle openbaring van God en hij heeft ook de Heilige Geest niet inwonend. Vandaar dat zijn vraag om een teken niet verkeerd is. Hierbij kan nog wel worden opgemerkt dat ook in het Oude Testament God het meest geëerd wordt door onvoorwaardelijk geloof. Ook is het in die tijd niet noodzakelijk een teken te vragen om Gods wil te leren kennen of ter bevestiging van wat Hij had gezegd.

Een duidelijk bewijs daarvan vinden we in Hebreeën 11. Van de gelovigen die daar worden opgesomd, wordt telkens gezegd dat zij “door geloof” iets hebben gedaan, zonder dat zij daarvoor bepaalde zichtbare tekenen hebben ontvangen. Overigens wordt ook Gideon daar vermeld. Hij heeft zich niet in de eerste plaats door tekenen laten leiden, maar door geloof.

Een vers dat door alle eeuwen heen van grote betekenis is geweest bij het zoeken naar de wil van God, is: “Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan; Ik geef raad, Mijn oog is op u” (Ps 32:88Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan;
Ik geef raad, Mijn oog is op u.
)
. Bij de bespreking van de verzen 36-4036En Gideon zei tegen God: Als U Israël door mijn hand zult verlossen, zoals U gesproken hebt,37zie, ik ga een wollen vacht op de dorsvloer leggen. Als er alleen op de vacht dauw zal zijn en droogte op heel het land [eromheen], dan zal ik weten dat U Israël door mijn hand zult verlossen, zoals U gesproken hebt.38En zo gebeurde het. De volgende dag stond hij vroeg op, wrong de vacht uit en perste de dauw uit de vacht: een schaal vol water.39En Gideon zei tegen God: Laat Uw toorn niet tegen mij ontbranden, als ik alleen deze keer nog spreek. Laat mij toch nog eenmaal een proef met de vacht nemen: laat er alleen op de vacht droogte zijn en op heel het land [eromheen] dauw.40En God deed zo in diezelfde nacht, want de droogte was alleen op de vacht en op heel het land [eromheen] was dauw. horen we nog iets meer over het vragen van een teken om de wil van God te leren kennen.


Ik zal blijven

18Ga toch niet vanhier weg, totdat ik [weer] bij U kom en mijn geschenk naar buiten heb gebracht en U heb voorgezet. En Hij zei: Ík zal blijven tot u terugkomt.

Het is treffend: God voldoet aan Gideons verzoek. Het lijkt haast een bevel voor Hem, maar Hij schikt Zich. Wat is Hij genadig in Zijn handelen met Gideon en met ons als Hij het oprechte verlangen ziet om Hem te eren. Hij gaat dan aan veel onkunde voorbij. Gideon wil de HEERE iets aanbieden. Door het gesprek met Hem is er bij Gideon een verlangen ontstaan om een offer te brengen. Dat is wat God in zijn hart ziet en daarop wil Hij graag wachten.

Als wij met de Heer Jezus hebben gesproken, krijgen we dan ook het verlangen om Hem een offer te brengen? We kunnen ons uiten in dankzegging en het uitspreken van onze bewondering voor Hem en wat Hij heeft gedaan.


Het offer

19Gideon ging naar binnen en maakte een geitenbokje klaar, en ongezuurde [broden] van een efa meel. Het vlees legde hij in een mand en het kooknat deed hij in een pot. Vervolgens bracht hij het naar buiten, bij Hem onder de eik, en bood het aan. 20Maar de Engel van God zei tegen hem: Neem het vlees en de ongezuurde [broden] en leg ze op die rots en giet het kooknat eroverheen. En zo deed hij.

Terwijl Gideon zijn offer klaarmaakt, blijft de HEERE geduldig wachten. Het offer dat hij brengt, is niet gering als we bedenken dat het een tijd van grote schaarste is (vers 44Dan sloegen zij hun kamp tegen hen op en deden de opbrengst van het land teniet, tot waar men bij Gaza komt. En zij lieten in Israël niets over om van te leven: geen schaap, geen rund en geen ezel.).

Een geitenbokje, het dier dat Gideon als offer klaarmaakt, wordt meestal gebruikt voor het brengen van een zondoffer (Lv 4:2323of [als] zijn zonde, die hij daartegen begaan heeft, hem [later] bekendgemaakt wordt, dan moet hij zijn offergave brengen: een geitenbok, een mannetje zonder enig gebrek.; 16:55Van de gemeenschap van de Israëlieten moet hij twee geitenbokken nemen als zondoffer en één ram als brandoffer.). Door dit offer brengt Gideon in beeld iets tot uitdrukking waarvan wij veel kunnen leren. Het zondoffer is een beeld van de Heer Jezus in Zijn werk op het kruis, waar Hij het oordeel over de zonde heeft ondergaan. Gideon laat zien dat hij zich bewust is dat er voor de zonde van het volk en voor hem persoonlijk alleen redding is door een offer. Wij weten dat het spreekt van wat de Heer Jezus heeft gedaan op het kruis.

Het andere offer dat hij brengt, de “ongezuurde [broden] van een efa meel”, doet denken aan het spijsoffer dat in Leviticus 2 op verschillende manieren wordt beschreven. Dit is een niet-bloedig offer en spreekt van het leven van de Heer Jezus.

Het is voor God een vreugde als wij Hem vertellen Wie de Heer Jezus is geweest in Zijn leven op aarde en in Zijn werk op het kruis. Wij komen niet met letterlijke, maar met geestelijke offers. De Heer Jezus zegt daarover: “Er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers de Vader zoekt zulke personen die Hem aanbidden” (Jh 4:2323Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.). Als we iets hebben gezien van de schoonheid en heerlijkheid van de Zoon van God, zal God, de Vader, Zich erover verheugen als we dat tegen Hem zeggen.

De Heer Jezus zegt er nog wel iets bij: “God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid” (Jh 4:2424God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.). God laat het niet aan onze beleefdheid over hoe wij Hem aanbidden. Hij verlangt ernaar dat we komen, maar geeft ook aan hoe we moeten komen. Het moet zijn “in geest”, dat wil zeggen geleid door de Heilige Geest, op een geestelijke wijze, en niet volgens menselijke programmering. Het moet ook zijn in “waarheid”, dus volgens de openbaring die Hij van Zichzelf heeft gegeven in de Bijbel en niet zoals wij menen over God te kunnen denken.

Bij Gideon was dit ook zo. In vers 2020Maar de Engel van God zei tegen hem: Neem het vlees en de ongezuurde [broden] en leg ze op die rots en giet het kooknat eroverheen. En zo deed hij. geeft God aan wat hij met het offer moet doen. Hij moet het brengen op de rots, ook een beeld van Christus (1Ko 10:4b4en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.); Mt 16:1818En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.). Het vers besluit zo mooi met “en zo deed hij”. Het geeft de prachtige gezindheid van Gideon aan. Het is te wensen dat dit ook onze gezindheid is.


God neemt het offer aan

21Toen stak de Engel van de HEERE het uiteinde van de staf uit, die in Zijn hand was, en raakte het vlees en de ongezuurde [broden] aan. Daarop steeg er vuur op uit de rots, dat het vlees en de ongezuurde [broden] verteerde. Toen was de Engel van de HEERE uit zijn ogen verdwenen.

De wijze waarop de HEERE het offer behandelt, is indrukwekkend. Hij raakt het aan met de staf die Hij in Zijn hand heeft. Die staf is een heersersstaf, een scepter. Zo’n staf wordt gedragen door voorname personen die gezag hebben over anderen. Het is een teken van koninklijke waardigheid (Es 4:1111Alle dienaren van de koning en de bevolking van de gewesten van de koning weten dat voor ieder, man of vrouw, die naar de koning gaat, in het binnenste voorhof, en die niet geroepen is, zijn enige vonnis is dat men [hem] doodt, tenzij de koning hem de gouden scepter toereikt; dan zal hij in leven blijven. En wat mij betreft, ik ben nu al dertig dagen niet geroepen om naar de koning te komen.; 5:22En het gebeurde, toen de koning koningin Esther in de voorhof zag staan, dat zij genade vond in zijn ogen, zodat de koning Esther de gouden scepter, die in zijn hand was, toereikte. En Esther kwam naar voren en raakte het uiteinde van de scepter aan.). De HEERE in Zijn verhevenheid en majesteit aanvaardt het offer dat Gideon in zwakheid brengt.

Er komt vuur, een beeld van de onderzoekende en beproevende heiligheid van God, uit de rots en verteert het offer. Na het offer van Gideon op deze wijze te hebben aangenomen verdwijnt de HEERE uit het zicht.

Door dit offer neemt Gideon zijn ware plaats in voor God. Alleen op de grondslag van het offer van Christus is iemand aangenaam voor God en kan God hem accepteren. Daarmee is de basis voor Gideons verdere dienst gelegd.


Wee mij

22Toen zag Gideon dat het een Engel van de HEERE was. En Gideon zei: Ach, Heere, HEERE! Daarom, omdat ik een Engel van de HEERE heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, [zal ik sterven]!

Dan klinkt het “ach” in de zin van ’wee mij’. Gideon is zich namelijk bewust geworden dat hij oog in oog heeft gestaan met God. Dit bewustzijn verbreekt hem. Elke gedachte aan zichzelf en aan eigen onmacht verdwijnt. Alleen de HEERE blijft over in Zijn grootheid en heerlijkheid, en dat is het juiste uitgangspunt voor de komende strijd. Het maakt klein en tegelijk geeft het vertrouwen.

Bij Jesaja zien we dezelfde reactie als hij door God wordt geroepen. Hij ziet de HEERE zitten op een hoge en verheven troon, terwijl hij de serafs elkaar hoort toeroepen: “Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten … Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen en woon te midden van een volk met onreine lippen” (Js 6:1-51In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.2Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte [ieder] zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
3De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
4De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook.5Toen zei ik:
Wee mij, want ik verga!
Ik ben immers een man met onreine lippen
en woon te midden van een volk met onreine lippen.
Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien.
)
. Jesaja komt tot deze persoonlijke uitroep nadat hij in Jesaja 5 tot zes keer toe “wee hun” (Js 5:8-238Wee hun die huis aan huis trekken,
veld aan veld voegen,
tot er geen plaats [meer] over is,
en alleen u in het midden van het land gevestigd bent.
9De HEERE van de legermachten [heeft] tot mij persoonlijk [gesproken]:
Voorwaar, veel huizen zullen tot een woestenij worden,
grote en mooie zullen zonder bewoner zijn!
10Ja, tien bunders wijngaard zullen [slechts] één bath opleveren,
en een homer zaad zal [maar] een efa opleveren.11Wee hun die 's morgens vroeg opstaan
[en] op sterkedrank uit zijn,
daarmee doorgaan tot de schemering,
[totdat] de wijn hen heeft verhit.
12Harp en luit, tamboerijn en fluit,
en wijn – [dat] zijn hun drinkgelagen,
maar voor de daden van de HEERE hebben zij geen oog;
het werk van Zijn handen zien zij niet.
13Daarom zal Mijn volk in ballingschap gaan:
het heeft geen kennis.
Zijn hooggeplaatsten zullen verhongeren,
en zijn [mensen]menigte zal van dorst versmachten.
14Daarom zal het graf zijn keel wijd opensperren
en zijn muil wagenwijd opendoen,
zodat zijn adel en zijn [mensen]menigte erin neer zullen dalen
met hun gejoel en uitgelaten gehuppel.
15Dan zal de [gewone] man gebukt gaan,
de man [van aanzien] vernederd worden,
en de ogen van de hoogmoedigen zullen neergeslagen zijn.
16Maar de HEERE van de legermachten zal verhoogd worden door het recht,
en de heilige God zal geheiligd worden door gerechtigheid.
17En lammeren zullen er grazen als was het hun weide,
en [van] de puinhopen van de weldoorvoeden zullen vreemdelingen eten.18Wee hun die de ongerechtigheid [naar zich toe] trekken met koorden van valsheid,
en de zonde als [met] dikke wagentouwen,
19die zeggen: Laat Hij haast maken,
vaart zetten achter Zijn werk,
zodat we het zien.
Laat het naderen, laat het komen,
het raadsbesluit van de Heilige van Israël,
zodat wij er kennis mee maken.20Wee hun die het kwade goed noemen
en het goede kwaad;
die duisternis voorstellen als licht,
en licht als duisternis;
die bitter voorstellen als zoet
en zoet als bitter.21Wee hun die in hun [eigen] oog wijs zijn
en naar hun eigen mening verstandig.22Wee hun die een held zijn in wijn drinken
en dappere mannen in het mengen van sterkedrank,
23die de goddelozen in het gelijk stellen voor een geschenk,
maar de rechtvaardigen hun recht ontnemen.
)
heeft uitgesproken over verschillende groepen mensen en de verschillende zonden die zij bedrijven.

Voordat hij tot hen kan worden gezonden, moet hij eerst erkennen dat hij zelf niet beter is. God brengt hem daartoe door hem oog in oog te plaatsen met Zichzelf en Zijn heerlijkheid. Dat doet hem voor de zevende keer een ‘wee’ uitroepen, maar dan over zichzelf. Dan geeft de HEERE Jesaja het bewijs van verzoening en is hij bereid om te gaan waarheen Hij hem zal zenden en te doen wat Hij van hem vraagt: “Zie, hier ben ik, zend mij” (Js 6:6-86Maar een van de serafs vloog naar mij toe, en hij had een gloeiende kool in zijn hand, [die] hij met een tang van het altaar had genomen.
7[Daarmee] raakte hij mijn mond aan en zei:
Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt.
Zo is uw misdaad [van u] geweken en uw zonde verzoend.8Daarna hoorde ik de stem van de Heere. Hij zei: Wie zal Ik zenden? Wie zal er voor Ons gaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij.
)
.

Dit is de beste en grondigste manier om de dienaar op zijn taak voor te bereiden. Het geeft aan de ene kant een diepe indruk van wie de mens is en toont de eigen onwaardigheid en onbekwaamheid. Aan de andere kant wordt die indruk opgedaan in de tegenwoordigheid van God de Almachtige, en dat is een enorme bemoediging om te doen wat Hij van ons vraagt. Hij zendt en is met ieder die op de grondslag van het offer van Zijn Zoon staat (Ri 6:14,16,2114Toen wendde de HEERE Zich tot hem en zei: Ga in deze kracht van u, en u zult Israël uit de hand van Midian verlossen. Heb Ik u niet gezonden?16Maar de HEERE zei tegen hem: Omdat Ik met u zal zijn, zult u Midian verslaan alsof [het maar] één man [was].21Toen stak de Engel van de HEERE het uiteinde van de staf uit, die in Zijn hand was, en raakte het vlees en de ongezuurde [broden] aan. Daarop steeg er vuur op uit de rots, dat het vlees en de ongezuurde [broden] verteerde. Toen was de Engel van de HEERE uit zijn ogen verdwenen.).


Vrede

23Maar de HEERE zei tegen hem: Vrede zij met u! Wees niet bevreesd, u zult niet sterven. 24Toen bouwde Gideon daar een altaar voor de HEERE en hij noemde het: De HEERE is vrede! Het is er nog tot op deze dag, in het Ofra van de Abiëzrieten.

Dan hoort Gideon de woorden “vrede zij met u” uit de mond van de HEERE. Hij hoeft niet bang te zijn omdat hij oog in oog met de HEERE heeft gestaan. Hij is door het offer toch door God aangenomen? Hij kan nu in vrede gaan. Velen hebben deze vrede voor hun geweten gekregen, nadat ze in geloof het werk van de Heer Jezus hebben aanvaard: “Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus” (Rm 5:11Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus,). Dat is de vrede waarover de Heer Jezus spreekt, als Hij zegt: “Vrede laat Ik u” (Jh 14:27a27Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld geeft, geef Ik u. Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden.).

Door de vrede met God die door de Heer Jezus op het kruis is bewerkt, is er voor angst voor God geen plaats meer. Bang zijn voor God betekent in feite tekortdoen aan Zijn waardering van het werk van de Heer Jezus. God heeft het werk van Zijn Zoon aanvaard en daarvan het bewijs gegeven door Hem uit de doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand in de hemel een plaats te geven.

De vrees bij Gideon is weg en hij bouwt een altaar met de mooie naam: “De HEERE is vrede.” Dit laat zien dat Gideon geen last meer heeft van angst. Hij neemt niet langer zijn eigen gevoelens als uitgangspunt, maar de HEERE Zelf. De vrede die hij nu bezit, is niet het gevolg van een goed gevoel, maar van Wie de HEERE is. Hij heeft die vrede gemaakt. Dat maakt Gideon tot een aanbidder, waarvan het altaar spreekt dat hij bouwt. Hier zien we de eerste uitwerking die het ontvangen van vrede heeft: God wordt ervoor aangebeden.

Deze vrede krijgt ook een praktische uitwerking in het leven van Gideon. Dat behoort ook in ons leven zo te zijn. De innerlijke vrede die hij nu bezit, heeft hij getoond in het vervullen van de taak die hem is opgedragen. Die vrede is een getuigenis gebleven in de omgeving waar hij woont. Het is geen voorbijgaande vrede. Hij heeft in die vrede geleefd en zó de vijanden bestreden.

Dat is de vrede waarover de Heer Jezus spreekt als Hij zegt: “Mijn vrede geef Ik u” (Jh 14:27b27Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld geeft, geef Ik u. Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden.). Deze vrede is Zijn eigen vrede die Hij heeft in de weg die Hij is gegaan omdat de Vader Hem had opgedragen die weg te gaan. Deze vrede mag het deel zijn van ieder die in opdracht van God een taak heeft te verrichten. Het is deze vrede die in de aanhef van veel brieven van het Nieuwe Testament door de diverse schrijvers aan hun lezers wordt toegewenst.


De eerste opdracht: afbreken en omhakken

25En het gebeurde in diezelfde nacht dat de HEERE tegen hem zei: Neem een jonge stier van de runderen die van uw vader zijn, en wel de tweede jonge stier, van zeven jaar. Breek vervolgens het altaar van de Baäl af dat van uw vader is, en hak de gewijde paal om die erbij staat.

Gideon ontvangt zijn eerste opdracht nadat hij door God in de juiste verhouding tot Hem is gebracht. Nu kan Hij hem gaan gebruiken. Maar voordat God Gideon in het openbaar laat optreden, moet hij eerst in zijn familie aan de slag. Hij moet thuis beginnen. Ditzelfde maakt de Heer Jezus Zijn discipelen duidelijk, als Hij hun opdraagt van Hem te getuigen en daarmee te “beginnen bij Jeruzalem” (Lk 24:4747en in Zijn Naam bekering tot vergeving van zonden moest worden gepredikt aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem.), dat wil zeggen in hun directe omgeving, dicht bij huis. Daarna kunnen ze verdergaan naar “heel Judéa en Samaria en tot aan [het] einde van de aarde” (Hd 1:88Maar u zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt, en u zult Mijn getuigen zijn, zowel in Jeruzalem als <in> heel Judéa en Samaria en tot aan [het] einde van de aarde.).

De opdracht die Gideon krijgt, is duidelijk. Hij heeft zojuist een altaar voor de HEERE gebouwd en thuis staat nog een altaar voor de Baäl. Deze twee altaren verdragen elkaar niet. Wie een altaar voor de Heer bouwt, zal ertoe moeten komen elk ander altaar af te breken. Pas dan kan er een getuigenis gegeven worden in de strijd voor de Heer. Eerst moet de Baäl worden weggedaan, anders zou misschien de overwinning aan hem worden toegeschreven. Ook de gewijde paal die erbij staat, moet eraan geloven. De gewijde paal lijkt een soort bescherming van het altaar te zijn. Zowel het altaar als de paal moet worden omgehouwen. Hier krijgt de naam Gideon, ‘neerhouwer’, zijn praktische betekenis.

In het altaar van de Baäl kunnen we de eerbied zien die mensen kunnen hebben voor allerlei dingen in hun leven, zonder dat God Zijn plaats daarin heeft. We weten nog wel dat Baäl ‘heer’ betekent. Zo kunnen er dingen in ons leven zijn die gezag over ons hebben, waardoor we ons laten overheersen. We maken onszelf met voor onszelf aannemelijke redenen wijs dat die dingen in ons leven aanwezig behoren te zijn, we ondervinden er nut van.

Een voorbeeld kan een en ander verduidelijken. Een bepaalde sport kan in ons leven zo’n grote plaats innemen, dat we er alles voor over hebben. We maken onszelf wijs dat het nuttig is voor ons lichaam. Om door de Heer gebruikt te kunnen worden zullen we zowel onze houding tegenover die sport als onze nuttigheidsredeneringen moeten veroordelen. Hiermee bedoel ik niet te zeggen dat het verkeerd is aan sport te doen. Ik wil alleen aangeven dat het een ‘altaar’ in ons leven kan zijn dat moet worden omgehouwen, samen met de verkeerde ideeën waarmee we dit ‘altaar’ beschermen.


De tweede opdracht: bouwen en offeren

26Bouw daarna voor de HEERE, uw God, een altaar op de top van deze vesting, op een geschikte plaats. Neem dan de tweede jonge stier en breng een brandoffer met het hout van de gewijde paal, die u om zult hakken.

Neerhouwen van het verkeerde is niet de enige opdracht die Gideon krijgt. Hij moet ook een nieuw altaar bouwen. Daarop moet hij de tweede stier van zijn vader offeren met het hout van de gewijde paal. Wat wil dit alles zeggen? Iets nieuws moet de plaats van het oude gaan innemen. Het oude heeft met de Baäl te maken, het nieuwe met de HEERE.

In vers 2424Toen bouwde Gideon daar een altaar voor de HEERE en hij noemde het: De HEERE is vrede! Het is er nog tot op deze dag, in het Ofra van de Abiëzrieten. bouwt Gideon spontaan een altaar om uitdrukking te geven aan de aanbidding die er in zijn hart voor de HEERE is. Nu krijgt hij van God de opdracht een nieuw altaar te bouwen. Je zou dit het altaar van zijn getuigenis voor God kunnen noemen. Hij moet het bouwen op een plek die voor iedereen zichtbaar is. Hiermee komt hij er openlijk voor uit dat hij tegen de Baäl en voor God kiest.

Samen met de tweede stier moet het hout van de gewijde paal worden geofferd. Dat wil zeggen dat alle redeneringen die we tot nu toe hebben gehad om onze dienst aan de ‘Baäl’ goed te praten, hun einde vinden in de offerdood van Christus. We erkennen dat in de dood van Christus alle gedachten die uit ons vlees voortkomen, zijn geoordeeld.

De tweede stier spreekt van de Heer Jezus. De tweede krijgt de voorkeur boven de eerste. Dit doet denken aan een “eerste mens” en een “tweede Mens” (1Ko 15:4747De eerste mens is uit [de] aarde, stoffelijk, de tweede Mens is uit [de] hemel.). De eerste mens, Adam, heeft gefaald; de tweede mens, dat is Christus, heeft in alles aan Gods wensen beantwoord. Gideon moet de tweede stier nemen omdat deze een mooie afspiegeling is van de Heer Jezus, Die God altijd volkomen toegewijd heeft gediend, tegenover een steeds weer falend volk.


Gideon doet het in de nacht

27Toen nam Gideon tien mannen van zijn knechten en deed zoals de HEERE tegen hem gezegd had. Maar het was uit vrees voor zijn familie en voor de mannen van de stad om dit overdag te doen, dat hij het 's nachts deed.

In gezelschap van tien knechten gaat Gideon op weg om zijn opdracht uit te voeren. In Ruth 4 treffen we ook tien mannen aan (Ru 4:22En hij haalde tien mannen uit de oudsten van de stad, en zei: Gaat u hier zitten. En zij gingen zitten.). Zij stellen een afdoende getuigenis voor, zoals de wet dat is. Wat Gideon doet, kan door deze mannen worden bevestigd, zij kunnen getuigen wat er is gebeurd en hoe het is gebeurd. Als het op handelen aankomt, is Gideon geen ‘Einzelgänger’, iemand die alles alleen doet. Hij zorgt ervoor dat hij geruggensteund wordt door getuigen. Toch heeft hij nog niet de moed om zijn getuigenis op klaarlichte dag te geven. Hij doet het ‘s nachts.

Wie zal hem dat kwalijk nemen? Ik weet nog goed dat ik voor de eerste keer blaadjes met een evangelieboodschap ging verspreiden in de buurt waar ik toen woonde. Dat deed ik toen ook pas ‘s avonds, toen het donker was geworden. Nicodémus is ook zo iemand. Ook hij durft er eerst niet openlijk voor uit te komen dat hij belangstelling heeft voor de Heer Jezus (Jh 3:22deze kwam ‘s nachts bij Hem en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als Leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is.). Maar dat is veranderd. Verderop in het evangelie naar Johannes horen we hoe hij het voor de Heer Jezus opneemt tegenover zijn collega-farizeeën (Jh 7:50-5150Nicodémus, die vroeger <’s nachts> naar Hem toe was gekomen, die een van hen was, zei tot hen:51Veroordeelt onze wet soms de mens, tenzij zij eerst van hem hoort en weet wat hij doet?). Nog weer later blijkt zijn liefde voor de Heer Jezus als hij “met een mengsel van mirre en aloë” komt als de Heer begraven wordt (Jh 19:39-4239En ook Nicodémus, die eerst ‘s nachts tot Hem was gekomen, kwam met een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd pond.40Zij namen dan het lichaam van Jezus en bonden het in linnen doeken met de specerijen, zoals de Joden de gewoonte van begraven hebben.41Nu was er op de plaats waar Hij was gekruisigd een tuin, en in de tuin een nieuw graf waarin nog nooit iemand was gelegd.42Daar legden zij dan Jezus wegens de voorbereiding van de Joden, omdat het graf dichtbij was.). Zowel in Johannes 7 als in Johannes 19 wordt eraan herinnerd dat hij “eerst ‘s nachts tot Hem was gekomen”.

In elk geval handelt Gideon in gehoorzaamheid. En als er gehoorzaamheid is, kunnen de gevolgen aan God worden overgelaten. Als wij doen wat God van ons vraagt, doet God voor ons wat wij niet kunnen. God neemt het voor Gideon op tegen diens vijanden.


De tegenstand bezworen

28Toen de mannen van de stad 's morgens vroeg opstonden, zie, het altaar van de Baäl was afgebroken en de gewijde paal die erbij stond, omgehakt. En de tweede jonge stier was op het [nieuw] gebouwde altaar geofferd. 29Toen zeiden zij tegen elkaar: Wie heeft dit gedaan? En toen zij het onderzocht hadden en navraag hadden gedaan, zei men: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit gedaan. 30Toen zeiden de mannen van de stad tegen Joas: Breng uw zoon naar buiten. Hij moet sterven, omdat hij het altaar van de Baäl heeft afgebroken en de gewijde paal die erbij stond, omgehakt. 31Joas daarentegen zei tegen allen die bij hem stonden: Wilt ú het voor de Baäl opnemen? Moet ú hem verlossen? Wie het voor hem opneemt, zal nog deze morgen worden gedood! Als hij een god is, laat hij het dan voor zichzelf opnemen, omdat men zijn altaar heeft afgebroken. 32Daarom noemde hij [zijn zoon] op die dag Jerubbaäl, en zei: Laat de Baäl het tegen hem opnemen, want hij heeft zijn altaar afgebroken.

Als de inwoners van de stad de volgende dag ontdekken wat er is gebeurd, is de ontsteltenis groot. Na onderzoek blijkt dat Gideon de dader is. Daarom wordt zijn leven geëist.

Er is niets wat zoveel vijandschap oproept dan wanneer iemands godsdienst wordt geminacht. Je haalt je de woede van supporters op de hals als je iets negatiefs over hun club durft te zeggen. Sport, in Nederland vooral voetbal, is godsdienst geworden. Er worden bijbelse uitdrukkingen gebruikt om voetbalsterren te verheerlijken. Ze worden ‘godenzonen’ genoemd.

En wat te denken van de macht van de islam? Getuigenissen van bekeerde moslims vermelden dat ze met de dood bedreigd zijn, omdat hun geloof in de Heer Jezus betekent dat ze de islam hebben afgezworen. Daarmee is voor God aangetoond dat hun vroegere godsdienst waardeloos voor hen is geworden. Voor een bekeerde Jood geldt vaak hetzelfde. Wie in een omgeving waar mensen goden hebben gemaakt naar eigen inbeelding, kiest voor de ware God en daar openlijk voor uitkomt, zal rekening moeten houden met hevige tegenstand.

Dit openlijk voor God uitkomen is het moment waarop Hij een wending in de gebeurtenissen brengt. Achter de schermen neemt Hij het voor Gideon op. Daarvoor gebruikt Hij de vader van Gideon. De vrijmoedigheid van Gideon in de nacht maakt zijn vader vrijmoedig overdag. Gideons vader doet met een nuchter verhaal een beroep op het verstand van de inwoners van de stad. Hij stelt heel eenvoudig dat als Baäl een god is, hij dan zichzelf maar moet wreken voor het oneerbiedige dat hem is aangedaan. Dit doet denken aan de uitdaging die Elia uitspreekt in zijn confrontatie met de priesters van de Baäl over de vraag, wie werkelijk God is (1Kn 18:2727En het gebeurde tijdens de middag dat Elia met hen begon te spotten en zei: Roep met luide stem! Hij is immers een god. Hij is vast in gedachten! Of hij heeft zich vast afgezonderd! Of hij is vast op reis! Misschien slaapt hij [wel] en moet hij wakker worden!).

De mannen van de stad hebben geen weerwoord. Ze geven Gideon alleen de naam “Jerubbaäl”, waarin ze tot uitdrukking brengen dat ze van de Baäl verwachten dat hij zich wel op Gideon zal wreken. Deze naam lijkt een erenaam te zijn geworden als blijkt dat er niets met Gideon gebeurt.

In wat Gideon gedaan heeft, wordt openbaar wat in de harten van de mensen is. Ze komen er duidelijk voor uit dat ze de Baal als hun god erkennen. Als we openlijk voor God en Zijn waarheid uitkomen, maakt dat ook vandaag duidelijk wat er in het hart van de mensen om ons heen leeft.

De mensen die Gideon ter dood willen brengen om wat hij heeft gedaan, zijn mensen van zijn eigen stad. Als wij in woord en daad ervoor uitkomen dat wij voor de Heer Jezus hebben gekozen, zullen we tegenstand ontmoeten. De meeste tegenstand komt misschien wel van hen die het dichtst bij ons staan, maar geen deel hebben aan de Heer Jezus, terwijl ze van zichzelf vinden dat ze zeer godsdienstig zijn. Als wij, als kinderen van God, het verkeerde in ons eigen leven zien en het daaruit verwijderen, doet het pijn als dan niet de wereld daar aanmerkingen op maakt, maar dat juist medegelovigen daar negatief op reageren.

Als we voor God kiezen tegenover het verkeerde, mogen we erop rekenen dat God voor ons opkomt. Hij staat aan onze kant. Op welke manier Hij dat laat merken, is bij ieder weer anders. Zeker is, dat Hij van onverwachte zijde uitkomst zal geven als wij trouw en gehoorzaam doen wat Hij van ons vraagt, net zoals Hij dat bij Gideon heeft gedaan.


De Geest vervult Gideon

33Nu hadden heel Midian, alsook Amalek en de mensen van het oosten zich samen verzameld. Zij trokken [de Jordaan] over en sloegen hun kamp op in het dal van Jizreël. 34Toen bekleedde de Geest van de HEERE Gideon. Hij blies op de bazuin, en Abiëzer werd achter hem bijeengeroepen. 35Ook stuurde hij boden door heel Manasse en ook dat werd achter hem bijeengeroepen. Eveneens stuurde hij boden naar Aser, Zebulon en Naftali, en zij trokken op, hun tegemoet.

De vijand wordt steeds actief als er bij Gods volk dingen gebeuren die spreken van een hernieuwd besef dat God er is en dat alleen Hij recht heeft op Zijn volk. We hebben deze activiteit bij de vijand ook in Richteren 4 gezien (Ri 4:12-1312Toen vertelde men Sisera dat Barak, de zoon van Abinoam, de berg Tabor was opgetrokken.13Daarop riep Sisera al zijn strijdwagens bijeen, negenhonderd ijzeren strijdwagens, en al het volk dat bij hem was, vanuit Haroseth-Haggojim, bij de beek Kison.). De vijand maakt zich klaar om zijn claim op het land te bevestigen en te versterken. Dat is het moment waarop de Geest van de HEERE Gideon bekleedt. Letterlijk staat er dat de Geest van de HEERE Zich met Gideon bekleedt. De Geest gebruikt Gideon gewoon als Zijn kleding. De Geest is in Gideon en Gideon is het omhulsel (vgl. 1Kr 12:1818Toen kwam de Geest over Amasai, het hoofd van de dertig, [en hij zei]:
            [Wij zijn] de uwe, David,
                        ja, met u [zijn wij], zoon van Isaï.
            Vrede, vrede [zij] u,
                        en vrede uw helper,
                                    want uw God helpt u.
Toen nam David hen aan, en stelde hen aan tot hoofden over de bende.
)
.

De Geest is natuurlijk al langer werkzaam in dit hoofdstuk, maar nu komt Hij in Gideon om door hem te gaan werken en de vijand te verjagen. Het is één ding te weten dat de Geest werkzaam is in je leven; het is een ander ding je daadwerkelijk door de Geest te laten gebruiken om overwinningen te behalen in je leven.

Wat in de vorige verzen over Gideon is vermeld, is een voorbereiding om hem geschikt te maken tot iemand die de Heilige Geest kan gebruiken. In die voorbereiding heeft Gideon zijn trouw en gehoorzaamheid aan de HEERE getoond. Dit is de vruchtbare bodem waarop de Heilige Geest verder kan bouwen. Tot ons wordt gezegd: “Wordt vervuld met [de] Geest” (Ef 5:1818En wordt niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar wordt vervuld met [de] Geest,). De opdracht – want dat is het – om vervuld te worden met de Geest, volgt op enkele zaken die in een christelijke levenswandel niet of wel aanwezig behoren te zijn. Wie vervuld is met de Geest, kan zich op dat moment niet door het vlees laten leiden.

Na de opdracht om vervuld te zijn met de Geest volgt: “En spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen” (Ef 5:1919en spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer,). Dit is een prachtig resultaat van het vervuld zijn met de Geest. Wat we elkaar te zeggen hebben, gebeurt dan op een welluidende manier, ongeacht of het gaat om bemoediging, vertroosting of vermaning. Het lijkt erop dat we dit kunnen vergelijken met het blazen op de bazuin door Gideon. Het resultaat is dat de Abiëzrieten, dat is zijn familie, bij hem komen.

Als de Geest van God de gelegenheid krijgt om de harten te vervullen, is dat het begin van het einde van de strijd te midden van de gelovigen. Midian betekent immers ‘twist’? Door de bazuin – een beeld van het Woord van God waarnaar we luisteren – wordt het volk verzameld en ontstaat er eenheid. Als we ons beijveren “de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede” (Ef 4:33[en] u beijvert de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede:) zal de strijd ophouden.

Gideon stuurt ook boden naar zijn eigen stam, Manasse, en naar andere, noordelijk gelegen stammen. Ze sluiten zich allemaal bij hem aan. Manasse is de enige stam in Israël die verdeeld is over twee gebieden. Er is één helft in het land, de andere helft bevindt zich erbuiten, aan de andere kant van de Jordaan ofwel in het Overjordaanse. Hierdoor weet Gideon uit eigen ervaring wat verdeeldheid inhoudt. Misschien is dit wel een extra aansporing voor hem geweest er alles aan te doen om de eenheid onder Gods volk te bewerken.

Wie weet wat verdeeldheid is, veroorzaakt door strijd binnen de eigen gelederen met zijn rampzalige gevolgen, zal ervoor strijden om Gods volk weer bij elkaar te brengen en te houden. Elke scheuring onder het volk van God veroorzaakt veel leed onder gelovigen en is tot oneer van de Heer. Daarmee is niet gezegd dat ten koste van alles de eenheid moet worden bewaard of bewerkt. De eenheid die bewaard moet worden, is die van de Geest, niet die van het vlees of welke andere door mensen gemaakte eenheid ook. Dat neemt echter de pijn en schande van zo’n gebeuren niet weg. Het is te wensen dat de Geest gelegenheid krijgt in ons leven te bewerken wat dient tot bevordering van het welzijn van de gemeente en het zichtbaar maken van de eenheid ervan.


De vacht

36En Gideon zei tegen God: Als U Israël door mijn hand zult verlossen, zoals U gesproken hebt, 37zie, ik ga een wollen vacht op de dorsvloer leggen. Als er alleen op de vacht dauw zal zijn en droogte op heel het land [eromheen], dan zal ik weten dat U Israël door mijn hand zult verlossen, zoals U gesproken hebt. 38En zo gebeurde het. De volgende dag stond hij vroeg op, wrong de vacht uit en perste de dauw uit de vacht: een schaal vol water. 39En Gideon zei tegen God: Laat Uw toorn niet tegen mij ontbranden, als ik alleen deze keer nog spreek. Laat mij toch nog eenmaal een proef met de vacht nemen: laat er alleen op de vacht droogte zijn en op heel het land [eromheen] dauw. 40En God deed zo in diezelfde nacht, want de droogte was alleen op de vacht en op heel het land [eromheen] was dauw.

Het is opmerkelijk hoezeer God tegemoetkomt aan alle vragen van Gideon met betrekking tot zijn opdracht. God heeft al zonneklaar verteld wat Hij van Gideon wil (verzen 14-1614Toen wendde de HEERE Zich tot hem en zei: Ga in deze kracht van u, en u zult Israël uit de hand van Midian verlossen. Heb Ik u niet gezonden?15Maar hij zei tegen Hem: Och, mijn heer! Waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn geslacht is het armste in Manasse en ik ben de jongste in mijn familie.16Maar de HEERE zei tegen hem: Omdat Ik met u zal zijn, zult u Midian verslaan alsof [het maar] één man [was].). Als Gideon een teken vraagt, geeft Hij dat (vers 1717En hij zei tegen Hem: Als ik dan genade gevonden heb in Uw ogen, geef mij dan een teken dat U het bent Die met mij spreekt.). Nu vraagt Gideon nog een bevestiging van zijn opdracht, zelfs twee keer. Hij krijgt geen verwijt te horen, maar God geeft hem waar hij om vraagt, tot twee keer toe.

Het ‘uitleggen van een vlies’ – of, zoals hier is vertaald: “vacht” – is spreekwoordelijk geworden als het erom gaat de wil van God te weten te komen in een bepaalde zaak. Het is het vragen om een teken ter bevestiging van het vervullen van een taak die iemand op zich wil nemen. Op zichzelf genomen is het niet verkeerd dat iemand zekerheid wil hebben over wat hij voor de Heer wil doen.

Over het vragen van een teken is al iets gezegd bij de bespreking van vers 1717En hij zei tegen Hem: Als ik dan genade gevonden heb in Uw ogen, geef mij dan een teken dat U het bent Die met mij spreekt.. Daaraan kan in verband met ‘het vlies’ nog het volgende worden toegevoegd. God kan Zijn wil ook duidelijk maken of bevestigen door middel van de omstandigheden waarin iemand zich bevindt of terechtkomt. Een voorbeeld zien we in het leven van Joni. Deze vrouw is volledig invalide geworden als gevolg van een duik in ondiep water waardoor zij haar nek heeft gebroken. Zij wordt door God nog steeds op een bijzondere wijze gebruikt.

Nu hoeven onze omstandigheden niet zo drastisch te veranderen als dat bij haar is gebeurd. Het gaat erom aan te geven dat er dingen in ons leven kunnen gebeuren waardoor wij weten: dit is wat God van mij vraagt. Dat zullen overigens nooit dingen zijn die tegen Zijn Woord ingaan. Als bijvoorbeeld een gelovige bidt voor een huwelijkspartner en de omstandigheden lijken iemand op zijn weg te brengen, maar het blijkt een ongelovige te zijn, dan kan dit nooit de leiding van God zijn. Hij verbiedt namelijk in Zijn Woord dat een gelovige met ongelovige trouwt (2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?).

Nu nog iets over de geestelijke betekenis van de vacht met betrekking tot het land eromheen en de dauw. Een teken betekent iets, geeft iets weer, stelt iets voor, verwijst naar iets. Dauw spreekt van verfrissing, verkwikking. Het is de frisheid van een nieuwe dag. De dauw wordt in het Oude Testament meerdere keren als een zegen van de hemel voor het land van God beschreven.

Als Gideon dan ook in het eerste teken vraagt om dauw op de vacht en droogte op de aarde eromheen, lijkt dat een voorstelling van de zegen van God voor Zijn aardse volk Israël, terwijl de volken eromheen er geen deel aan hebben. Israël heeft door de verwerping van zijn Messias de zegen verspeeld, maar deze wordt wel bewaard voor later. Mogelijk kunnen we dat symbolisch voorgesteld zien in het uitwringen van de vacht waardoor een schaal gevuld wordt met water voor later gebruik.

Het tweede teken stelt het omgekeerde voor, want nu blijft de vacht droog en wordt de aarde eromheen nat door de dauw. Dit wil zeggen dat, na de verwerping van de Messias door Israël, God Zijn volk terzijde heeft gesteld en Hij de volken is gaan zegenen.

Beide ‘tekenen’ vinden we terug in de brief aan de Romeinen. We lezen daar ten aanzien van Israël over “hun overtreding”, “hun verlies”, “hun verwerping”. Deze uitdrukkingen tonen aan dat zij door God terzijde zijn gesteld. Als gevolg van “hun overtreding is de behoudenis tot de volken [gekomen]”, en is er sprake van “[de] rijkdom van [de] wereld”, “[de] rijkdom van [de] volken” en “[de] verzoening van [de] wereld“ (Rm 11:11-1511Ik zeg dan: Zijn zij gestruikeld, opdat zij zouden vallen? Volstrekt niet! Maar door hun overtreding is de behoudenis tot de volken [gekomen], om hun jaloersheid op te wekken.12En als hun overtreding [de] rijkdom van [de] wereld is en hun verlies [de] rijkdom van [de] volken, hoeveel te meer hun volheid!13Tot u dan, de volken, zeg ik: Voor zover ik [de] apostel van [de] volken ben, verheerlijk ik mijn bediening,14of ik op enigerlei wijze de jaloersheid mocht opwekken van mijn [verwanten naar het] vlees en enigen uit hen mocht behouden.15Want als hun verwerping [de] verzoening van [de] wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit [de] doden?).

Maar daarmee is Israël niet voorgoed verstoten. Er komt een tijd die in dat gedeelte “hun volheid” en “hun aanneming” genoemd wordt. Dan zal Israël alsnog de zegen ontvangen. In beide tekenen is het duidelijk dat God het doet. Gideon draagt er niets aan bij. Alleen God is bij machte de zegen te geven, zowel aan Israël als aan de volken.

De plaats waar Gideon de vacht neerlegt, is ook van belang. Hij kiest daarvoor de dorsvloer. Dat is de plaats waar hij voor het eerst de HEERE heeft ontmoet en waar hij zijn waardering voor Gods zegen heeft getoond. Hij is daar bezig geweest met de vrucht van het land. Vanuit de plaats die spreekt van het oordeel dat de Heer Jezus op het kruis heeft ondergaan (vers 1111Toen kwam een Engel van de HEERE. Hij nam plaats onder de eik die bij Ofra is, die aan de Abiëzriet Joas toebehoorde. En zijn zoon Gideon klopte tarwe uit in de wijnpers om [die] voor de Midianieten te verbergen.), komt alle verkwikking en kracht om het ons opgedragen werk te doen.

Zoals gezegd, hoeft Gideon niets te doen. Wat hij wel doet, is vroeg opstaan, waarmee hij zijn verlangen naar het resultaat laat zien. De wijze waarop Gideon zich hier tot de HEERE richt, lijkt op die van Abraham in zijn voorbede voor Sodom ten behoeve van Lot (Gn 18:23-3323En Abraham kwam dichterbij en zei: Zult U ook de rechtvaardige [tegelijk] met de goddeloze wegvagen?24Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen binnen de stad; wilt U hen ook wegvagen en de plaats niet sparen omwille van de vijftig rechtvaardigen die daarin zijn?25Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat [U] de rechtvaardige [samen] met de goddeloze doodt? Dan zal het zijn: zo de rechtvaardige zo de goddeloze. [Daar] kan bij U toch geen sprake van zijn! Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?26Toen zei de HEERE: Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen binnen de stad vind, dan zal Ik de hele plaats omwille van hen sparen.27Abraham antwoordde en zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken, hoewel ik stof en as ben!28Misschien zullen er aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult U dan om vijf [mensen] de hele stad te gronde richten? En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten, als Ik er vijfenveertig vind.29Hij sprak opnieuw tot Hem: Misschien zullen er daar veertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen omwille van die veertig.30Verder zei hij: Laat de Heere toch niet [in toorn] ontbranden, omdat ik spreek; misschien zullen er daar dertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen, als Ik er daar dertig vind.31Hij zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken; misschien zullen er daar twintig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die twintig.32Verder zei hij: Laat de Heere toch niet [in toorn] ontbranden, omdat ik nog eenmaal spreek: Misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die tien.33Toen ging de HEERE weg, nadat Hij geëindigd had met Abraham te spreken, en Abraham keerde terug naar zijn [woon]plaats.).


Lees verder