Richteren
Inleiding 1-5 1. De HEERE wordt geprezen 6-8 2. Israël tijdens de bezetting 9-11 3. Oproep om te getuigen 12-18 4. De rol van de afzonderlijke stammen 19-23 5. Beschrijving van de strijd 24-27 6. Jaël wordt geroemd 28-30 7. De moeder van Sisera wacht tevergeefs 31 8. Omkomen en opgaan
Inleiding

Het lied dat Barak en Debora na de overwinning zingen, is een bijzonder en indrukwekkend lied. Het is ook een lang lied in vergelijking met de korte beschrijving van de strijd. Het is het enige lied in dit boek, er wordt verder niet gezongen. De inhoud van het lied past bij de toestand van die dagen. De doorgemaakte emoties komen erin tot uiting en de herinnering aan Gods daden blijft bewaard.

Maar het gaat niet alleen om het kijken naar het verleden, naar wat God heeft gedaan en hoe de verschillende personen en stammen zich hebben gedragen. Het is ook een lied waarin het geloof de toekomstige eindoverwinning ziet. Het put deze zekerheid uit wat God zojuist voor Zijn volk heeft bewerkt. In het leven van de gelovige is elke overwinning die hij behaalt een voorschot op de eindoverwinning. Hij mag in het geloof rekenen op de belofte: “De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren” (Rm 16:2020De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus <Christus> zij met u!). De eindzege staat vast. Elke geloofszege verwijst naar dat ogenblik en bemoedigt de gelovige in zijn vertrouwen op God.

In het eerste lied dat we in de Bijbel tegenkomen, het lied van Mozes (Ex 15:11Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
Ik zal zingen voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
, zien we iets dergelijks. We lezen daarin hoe het geloof van Mozes over de hele woestijnreis, die toen nog voor hen lag, heen ziet naar het beloofde land (Ex 15:13,1713U leidde in Uw goedertierenheid
dit volk, dat U verlost hebt.
U leidde [hen] zachtjes door Uw kracht
naar Uw heilige woning.17U zult hen brengen en hen planten
op de berg [die] Uw eigendom [is],
Uw vaste woonplaats,
die U gemaakt hebt, HEERE,
het heiligdom, Heere,
dat Uw handen gesticht hebben.
)
. Dat bezingt hij en het hele volk stemt ermee in. Dit laatste is niet zo in het lied van Debora. We horen slechts twee stemmen. Het is mooi om te zien, hoe dit lied begint en eindigt met de HEERE (verzen 1-51Toen zong Debora met Barak, de zoon van Abinoam, op die dag:
2Nu de leiders in Israël de leiding hebben genomen,
nu het volk zich vrijwillig gegeven heeft,
loof de HEERE!
3Luister, koningen, hoor [mij] aan, vorsten!
Ik wil, ja, ik wil voor de HEERE zingen.
Ik wil psalmen zingen voor de HEERE,
de God van Israël.
4HEERE, toen U uittrok uit Seïr,
toen U voortschreed uit het veld van Edom,
beefde de aarde, ook droop de hemel,
ook dropen de wolken van water.
5De bergen vloeiden weg van voor het aangezicht van de HEERE,
zelfs de Sinaï, van voor het aangezicht van de HEERE, de God van Israël.
; vers 3131Zo moeten al Uw vijanden omkomen, HEERE!
Maar laten zij die Hem liefhebben, zijn als het opgaan van de zon in haar kracht.
En het land had veertig jaar rust.
)
.

Een indeling van dit lied kan helpen om de inhoud beter te begrijpen:
1. De HEERE wordt geprezen om Zijn tussenkomst (verzen 1-51Toen zong Debora met Barak, de zoon van Abinoam, op die dag:
2Nu de leiders in Israël de leiding hebben genomen,
nu het volk zich vrijwillig gegeven heeft,
loof de HEERE!
3Luister, koningen, hoor [mij] aan, vorsten!
Ik wil, ja, ik wil voor de HEERE zingen.
Ik wil psalmen zingen voor de HEERE,
de God van Israël.
4HEERE, toen U uittrok uit Seïr,
toen U voortschreed uit het veld van Edom,
beefde de aarde, ook droop de hemel,
ook dropen de wolken van water.
5De bergen vloeiden weg van voor het aangezicht van de HEERE,
zelfs de Sinaï, van voor het aangezicht van de HEERE, de God van Israël.
).

2. Hoe het er in Israël uitzag tijdens de bezetting (verzen 6-86In de dagen van Samgar, de zoon van Anath,
in de dagen van Jaël, lagen de wegen verlaten,
en zij die de paden bewandelden,
gingen kronkelwegen.
7De dorpen lagen verlaten
in Israël, ze lagen verlaten,
totdat ik, Debora, opstond,
tot ik opstond,
een moeder in Israël.
8Koos men nieuwe goden,
dan was er strijd in de poorten.
Werd er ook een schild of speer gezien
onder veertigduizend in Israël?
).

3. Oproep om te getuigen van de overwinning van de HEERE (verzen 9-119Mijn hart is bij de wetgevers van Israël,
die zich vrijwillig gaven onder het volk;
loof de HEERE!
10U die rijdt op witte ezelinnen,
u die op mantels zit
en u die wandelt op de weg:
spreek ervan,
11van het geluid van schutters tussen waterputten.
Daar praten zij over de rechtvaardige daden van de HEERE,
de rechtvaardige daden voor Zijn dorpen in Israël.
Toen daalde het volk van de HEERE af naar de poorten.
)
.
4. De rol van de afzonderlijke stammen (verzen 12-1812Ontwaak, ontwaak, Debora!
Ontwaak, ontwaak [en] spreek een lied!
Sta op, Barak,
en neem uw gevangenen gevangen, zoon van Abinoam!
13Toen daalden de overgeblevenen af naar de machtigen.
Het volk van de HEERE daalde naar mij af met de helden.
14Uit Efraïm [kwamen zij], hun wortel [ligt] in Amalek.
Achter u [kwam] Benjamin, onder uw volksgenoten.
Uit Machir daalden wetgevers af
en uit Zebulon wervers [van krijgsvolk]
met [hun] schrijversstaf.
15Ook de vorsten in Issaschar waren met Debora
en [zoals] Issaschar, zo was Barak.
Te voet werd hij het dal in gestuurd.
In de gelederen van Ruben
waren de overleggingen van het hart groot.
16Waarom bleef u zitten tussen de schaapskooien,
om naar het geblaat van de kudden te luisteren?
Voor de gelederen van Ruben
waren de overleggingen van het hart groot.
17Gilead bleef aan de overzijde van de Jordaan.
En Dan, waarom verbleef hij bij de schepen?
Aser bleef zitten aan de kust van de zee
en bleef bij zijn havens.
18Zebulon is een volk dat zijn leven heeft versmaad tot de dood toe,
Naftali evenzo, op de hooggelegen velden.
)
.
5. Een beschrijving van de strijd (verzen 19-2319De koningen kwamen, zij streden.
Toen streden de koningen van Kanaän
bij Taänach, aan het water van Megiddo,
[maar] buit aan zilver namen zij niet mee.
20Vanuit de hemel streden zij,
vanuit hun banen streden de sterren
tegen Sisera.
21De beek Kison sleurde hen mee,
de aloude beek, de beek Kison!
Vertrap, mijn ziel, de sterken!
22Toen stampten de paardenhoeven
van het in galop, in galop van zijn machtigen.
23Vervloek Meroz! zegt de Engel van de HEERE.
Vervloek zijn inwoners voortdurend,
omdat zij de HEERE niet te hulp zijn gekomen,
de HEERE te hulp met de helden.
)
.
6. Jaël wordt geroemd om haar daad (verzen 24-2724Laat gezegend zijn boven de vrouwen
Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet,
laat zij boven de vrouwen in de tent gezegend zijn.
25Water vroeg hij, melk gaf zij.
In een schaal voor machtigen bracht zij boter.
26Haar hand strekte zij uit naar de pin,
en haar rechterhand naar de hamer van de arbeiders.
Zij sloeg Sisera, spleet zijn hoofd,
verbrijzelde en doorboorde zijn slaap.
27Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij, lag hij.
Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij.
Waar hij zich kromde,
daar viel hij, geschonden.
)
.
7. De moeder van Sisera wacht tevergeefs (verzen 28-3028Door het venster keek zij uit;
de moeder van Sisera schreeuwde door het traliewerk:
Waarom duurt het zo lang voor zijn wagen komt?
Waarom blijft het geratel van zijn wagens uit?
29Haar meest wijze vorstinnen antwoordden –
en ook zíj beantwoordde haar woorden voor zichzelf:
30Zouden zij dan geen buit vinden en verdelen,
één meisje of twee meisjes voor elke man?
Een buit van gekleurde stoffen voor Sisera,
een buit van gekleurde stoffen,
geborduurde, gekleurde stoffen, aan beide zijden geborduurd,
voor [om] de halzen van de buit.
)
.
8. Omkomen en opgaan (vers 3131Zo moeten al Uw vijanden omkomen, HEERE!
Maar laten zij die Hem liefhebben, zijn als het opgaan van de zon in haar kracht.
En het land had veertig jaar rust.
)
.


1. De HEERE wordt geprezen

1Toen zong Debora met Barak, de zoon van Abinoam, op die dag:
2Nu de leiders in Israël de leiding hebben genomen,
nu het volk zich vrijwillig gegeven heeft,
loof de HEERE!
3Luister, koningen, hoor [mij] aan, vorsten!
Ik wil, ja, ik wil voor de HEERE zingen.
Ik wil psalmen zingen voor de HEERE,
de God van Israël.
4HEERE, toen U uittrok uit Seïr,
toen U voortschreed uit het veld van Edom,
beefde de aarde, ook droop de hemel,
ook dropen de wolken van water.
5De bergen vloeiden weg van voor het aangezicht van de HEERE,
zelfs de Sinaï, van voor het aangezicht van de HEERE, de God van Israël.

Zoals gezegd, wordt dit lied door slechts twee mensen gezongen, een vrouw van geloof en een man van geloof, terwijl toch het hele volk in de overwinning deelt. Toch is het een lied naar het hart van God. Het gaat in tijden van verval niet om het bijeenbrengen van een massa mensen om lofliederen te zingen. We mogen ons vandaag best afvragen of het organiseren van zogenaamde ‘praise-bijeenkomsten’, waarbij iedereen wordt uitgenodigd, voortkomt uit de werking van Gods Geest. Zingen kan ook een doel op zichzelf worden. Er is niets op tegen samen te zingen als daartoe aanleiding is. Als zulke bijeenkomsten echter worden gehouden om eenheid onder christenen te bewerken, dan wordt het zingen gebruikt voor een zaak die niet door de Bijbel wordt ondersteund.

Hoe ontstaat een loflied? Het wordt geboren in een hart dat een ervaring met God heeft opgedaan. God heeft Zich in zo’n leven op een speciale manier geopenbaard. Het gevolg daarvan is een loflied. Wie weet dat zijn zonden vergeven zijn, kan daarvan zingen. Dat kan samen met allen die ook de zekerheid van de vergeving van hun zonden hebben. Dat brengt bij elkaar; er is een gemeenschappelijke aanleiding om samen te zingen. Hoe zou je samen met ongelovigen tot eer van God kunnen zingen? Zij hebben immers geen ervaringen met God opgedaan?

De aanleiding voor het lied van Debora en Barak is wat God heeft gedaan met Jabin. In het vorige hoofdstuk staat: “Zo vernederde God op die dag Jabin” (Ri 4:2323Zo vernederde God op die dag Jabin, de koning van Kanaän, vóór de Israëlieten.). In vers 11Toen zong Debora met Barak, de zoon van Abinoam, op die dag:
van ons hoofdstuk staat: “Toen zong Debora met Barak … op die dag.” Op dezelfde dag dat God Jabin vernederde, wordt er gezongen. Er wordt niet gewacht op een officiële gelegenheid. Het handelen van God ten gunste van Zijn volk wekt blijkbaar een spontane reactie in de vorm van een lied bij Debora en Barak op. Zo is elke vorm van bevrijding ook voor ons een directe aanleiding tot het zingen van een loflied. Ons wordt zelfs gezegd dat wij door de Heer Jezus “voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden” (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.). Doen wij dat ook?

Vers 22Nu de leiders in Israël de leiding hebben genomen,
nu het volk zich vrijwillig gegeven heeft,
loof de HEERE!
De vertaling van het eerste deel van dit vers schijnt niet eenvoudig te zijn. In een toelichting op dit vers schrijft iemand die Hebreeuws kent: ‘De openingszin is een van de duisterste zinnen van het lied. Er kan ook worden vertaald: “Toen de haarlokken lang groeiden in Israël”. Dat zou een verwijzing zijn naar een praktijk waarin men zijn haar niet liet knippen om een gelofte te vervullen (Nm 6:5,185Alle dagen van de gelofte van zijn nazireeërschap mag geen scheermes over zijn hoofd gaan. Totdat de dagen waarvoor hij zich aan de HEERE gewijd had, voorbij zijn, moet hij heilig zijn [en] de haarlokken van zijn hoofd lang laten groeien.18Dan moet de nazireeër [bij] de ingang van de tent van ontmoeting het hoofd van zijn nazireeërschap scheren. Hij moet het hoofdhaar van zijn nazireeërschap nemen en op het vuur leggen dat onder het dankoffer is.). Dit zou een toewijding aan de HEERE betekenen om deel te nemen aan een heilige oorlog. Deuteronomium 32:42 kan een verwijzing naar langharige soldaten betekenen, hoewel ‘leiders’ daar ook mogelijk is (Dt 32:4242Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed,
en Mijn zwaard zal vlees eten
van het bloed van de gesneuvelde en de gevangene,
van het hoofd van de vijand [met zijn] loshangende haar.
)
.’ Tot zover het citaat uit de toelichting.

Het lange haar ziet op toewijding en onderworpenheid. Van de vrouw staat dat het lange haar “een eer voor haar is, omdat het lange haar tot een sluier gegeven is” (1Ko 11:1515Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.). Het gaat in dat gedeelte over haar verhouding tot de man en hoe God die ziet. De vrouw kan in haar uiterlijk laten zien dat ze innerlijk een gezindheid van toewijding en onderdanigheid aan de man heeft. De vrouw kan in het dragen van lang haar laten zien dat ze instemt met wat God van haar vraagt in haar relatie tot de man. Zij geeft haar eigen wil prijs en neemt een positie van onderdanigheid in. Deze algemene gedachte over het lange haar is ook van toepassing op teksten in het Oude Testament waar het lange haar wordt genoemd.

Als we kijken naar de andere vertaling, waarin over leiders wordt gesproken, dan lijkt dat een totaal ander aspect te belichten. Toch is dat niet zo. Als leiders weer gaan functioneren zoals van hen mag worden verwacht en zij opnieuw hun verantwoordelijkheden op zich nemen, dan kunnen ze pas goed als echte leiders functioneren, als zij zich toewijden aan God en zich bewust zijn van hun onderworpenheid aan Hem. Het resultaat daarvan is dat het volk zich vrijwillig aanbiedt. Er wordt geen bevel uitgevaardigd, maar er wordt een voorbeeld gesteld. Goed voorbeeld doet goed volgen. Als de verhoudingen in het volk van God weer zo gaan werken, is dat een reden om de HEERE te prijzen.

Doet het niet weldadig aan als in een geloofsgemeenschap op een bijbelse manier leiding wordt gegeven door leiders die niet door mensen, maar door God zijn aangesteld? Over zulke personen gaat het tegen Paulus zegt: “Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld” (Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].). Is het resultaat van hun optreden niet dat anderen zich vrijwillig aanbieden om iets voor de Heer te doen? Hebben wij daar oog voor en wat is onze reactie?

Vers 33Luister, koningen, hoor [mij] aan, vorsten!
Ik wil, ja, ik wil voor de HEERE zingen.
Ik wil psalmen zingen voor de HEERE,
de God van Israël.
De trouw van de leiders en de gewilligheid van het volk brengen bij Debora een lied tot eer van de HEERE tot uiting. Tegelijk is dit lied een getuigenis voor andere hoogwaardigheidsbekleders. Koningen en andere machthebbers worden opgeroepen te luisteren naar wat zij gaat zingen. Ze kunnen daarvan veel leren. Machthebbers die rekening willen houden met de wil van God, worden door Debora in haar lied bemoedigd. Wie echter geen rekening met Gods wil houdt, krijgt in ditzelfde lied duidelijke waarschuwingen te horen.

Als we bedenken dat wij, dat wil zeggen de gelovigen van de gemeente, ook koningen worden genoemd (1Pt 2:99U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht,; Op 5:10a10en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.), dan heeft haar lied ook ons het nodige te zeggen. Laten wij onze oren goed openzetten en de inhoud van dit lied goed in ons opnemen.

Verzen 4-54HEERE, toen U uittrok uit Seïr,
toen U voortschreed uit het veld van Edom,
beefde de aarde, ook droop de hemel,
ook dropen de wolken van water.
5De bergen vloeiden weg van voor het aangezicht van de HEERE,
zelfs de Sinaï, van voor het aangezicht van de HEERE, de God van Israël.
In deze verzen gaat alle aandacht naar de HEERE Zelf en wat Hij heeft gedaan in het verleden. Hij wordt hier beschreven als een zichtbare verschijning. Zo wordt God ook beschreven in Psalm 68, waar Hij ook wordt bezongen als de Verlosser van Zijn volk (Ps 68:8-98O God, toen U voor Uw volk uittrok,
toen U voortschreed door de wildernis, /Sela/
9beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
)
. Debora vergelijkt het optreden van God ten gunste van Zijn volk in het vorige hoofdstuk met Zijn optreden aan het begin van Israëls geschiedenis.

Ze ziet Hem uittrekken met een majesteit die de tegenstanders verlamt. Groot en indrukwekkend is de majesteit van deze Held. Ook Habakuk geeft een levendige beschrijving van Gods optreden voor Zijn volk in het verleden (Hk 3:3-153God kwam van Teman,
de Heilige van het gebergte Paran. /Sela/
Zijn majesteit bedekte de hemel,
de aarde was vol van Zijn lof.4Er was een glans als van het zonlicht;
lichtstralen kwamen uit Zijn hand,
daarin ging Zijn macht schuil.5Voor Hem uit ging de pest,
de gloed ervan volgde Hem op de voet.6Hij stond en deed de aarde schudden,
Hij keek en liet heidenvolken opspringen.
De aloude bergen werden verpletterd,
de eeuwige heuvels hebben zich neergebogen.
De eeuwige wegen zijn van Hem.
7Ik zag de tenten van Kusjan [gebogen] onder het onrecht,
de tentkleden van het land Midian sidderden.8Was de HEERE tegen de rivieren ontbrand?
[Woedde] Uw toorn tegen de rivieren,
of was Uw verbolgenheid tegen de zee,
dat U op Uw paarden reed?
Uw wagens [brachten] heil.
9U haalde Uw boog tevoorschijn
[om] de eden, aan de stammen gedaan [door] het woord. /Sela/
Met rivieren spleet U de aarde.10De bergen zagen U, zij beefden van angst.
Een vloed van water stroomde voorbij,
de watervloed liet zijn stem klinken,
hoog hief hij zijn handen op.11Zon en maan stonden stil in [hun] woning;
met het licht bewogen Uw pijlen zich voort,
met de gloed Uw glinsterende speer.12In gramschap schreed U voort [over] de aarde,
in toorn vertrapte U de heidenvolken.
13U bent uitgetrokken tot heil van Uw volk,
tot heil van Uw Gezalfde.
U hebt het dak van het huis van de goddeloze verbrijzeld,
U legt het fundament bloot tot de hals toe. /Sela/14U doorboorde met zijn [eigen] pijlen het hoofd van zijn strijders.
Zij stormden aan om mij te verspreiden,
zij die zich verheugden
alsof zij de ellendige in een verborgen plaats wilden verslinden.
15U betrad met Uw paarden de zee,
de schuimkoppen van grote wateren.
)
. Veel van Gods handelen in het heden wordt verklaard als we eens kijken naar Zijn optreden in vroeger tijden.

Seïr is een naam voor de bergen waar de nakomelingen van Ezau, de Edomieten, wonen. Zij hebben de Israëlieten vijandig behandeld toen die vroegen door hun land te mogen trekken (Nm 20:14-2114En Mozes stuurde uit Kades boden naar de koning van Edom, [met de boodschap]: Dit zegt uw broeder Israël: U weet zelf van al de moeite die ons getroffen heeft,15dat onze vaderen naar Egypte vertrokken zijn, en dat wij vele dagen in Egypte gewoond hebben, en dat de Egyptenaren ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.16Toen riepen wij tot de HEERE. Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte. En zie, wij zijn in Kades, een stad aan het uiterste van uw grens.17Laat ons toch door uw land trekken. Wij zullen niet door akkers of wijngaarden trekken, en wij zullen geen water uit een put drinken. Wij zullen de koninklijke weg nemen, wij zullen niet naar rechts of naar links afwijken, totdat wij door uw gebied getrokken zijn.18Maar Edom zei tegen hem: U mag niet door mijn [land] trekken, anders ga ik u met het zwaard tegemoet!19Toen zeiden de Israëlieten tegen hem: Wij zullen langs de hoofdweg trekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, dan zal ik daarvoor de prijs betalen. Ik wil alleen maar te voet doortrekken, meer niet.20Maar hij zei: U mag er niet doortrekken! En Edom trok eropuit, hem tegemoet, met een zwaar [bewapend] volk, en met sterke hand.21Zo weigerde Edom [toestemming] aan Israël om door zijn gebied te trekken [en] daarom week Israël van hem af.; Dt 2:1-81Daarna keerden wij om en trokken naar de woestijn, in de richting van de Schelfzee, zoals de HEERE tot mij gesproken had, en wij trokken om het Seïrgebergte heen, vele dagen.2Toen zei de HEERE tegen mij:3U bent lang genoeg om dit bergland heen getrokken. Keer u om naar het noorden4en gebied het volk: U gaat door het gebied van uw broeders trekken, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen. Zij zullen wel bevreesd voor u zijn, maar u moet zeer op uw hoede zijn.5Ga niet de strijd met hen aan, want Ik zal u van hun land nog geen voetbreed geven. Ik heb het Seïrgebergte immers aan Ezau in bezit gegeven.6Voedsel moet u voor geld van hen kopen, zodat u kunt eten; ook water moet u voor geld van hen kopen, zodat u kunt drinken.7Want de HEERE, uw God, heeft u gezegend in al het werk van uw hand. Hij weet van uw tocht door deze zo grote woestijn. Deze veertig jaar is de HEERE, uw God, met u geweest. Het heeft u aan niets ontbroken.8Zo trokken wij verder, weg van onze broeders, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, en van de weg door de Vlakte, van Elath en Ezeon-Geber. Wij keerden om en trokken langs de weg door de woestijn van Moab.). De Israëlieten mochten met Edom geen oorlog voeren en moesten om hun land heen trekken.

In het lied van Debora horen wij hoe God Zelf in verhevenheid voor Zijn volk is uitgetrokken. Bergen zijn in de Bijbel vaak een beeld van grote aardse machten, maar zij wankelen tegenover de grootheid van God. Ze houden voor Hem geen stand. Sinaï, de berg waar God aan Zijn volk de wet heeft gegeven, ondergaat eenzelfde indruk (Hb 12:18-2118Want u bent niet genaderd tot [de] tastbare <berg> en [het] brandende vuur, tot donkerheid, duisternis, onweer,19bazuingeschal en een geluid van woorden waarvan zij die ze gehoord hadden, smeekten dat [het] woord niet tot hen zou worden gericht20(want zij konden niet verdragen wat geboden werd: ‘Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd’;21en zo vreselijk was het gezicht, dat Mozes zei: ‘Ik ben vol vrees en ik beef zeer’),). Het feit dat God Israël heeft uitgekozen om Zijn volk te zijn, neemt niet weg dat Hij ook voor hen een indrukwekkende verschijning blijft.

Hoewel wij als gelovigen die tot de gemeente behoren niet in een verbondsbetrekking tot God staan en Hem onze Vader mogen noemen, staat ook voor ons geschreven: “Onze God is een verterend vuur” (Hb 12:2929Immers, onze God is een verterend vuur.). Dit hoeft ons geen angst aan te jagen, maar het zal onze eerbied en ontzag voor Hem doen toenemen. Tegelijk is het een bemoediging te mogen weten dat deze God onze God is. Hij trekt voor ons uit in de strijd tegen de vijand. Welke vijand zal dan kunnen standhouden?


2. Israël tijdens de bezetting

6In de dagen van Samgar, de zoon van Anath,
in de dagen van Jaël, lagen de wegen verlaten,
en zij die de paden bewandelden,
gingen kronkelwegen.
7De dorpen lagen verlaten
in Israël, ze lagen verlaten,
totdat ik, Debora, opstond,
tot ik opstond,
een moeder in Israël.
8Koos men nieuwe goden,
dan was er strijd in de poorten.
Werd er ook een schild of speer gezien
onder veertigduizend in Israël?

Vers 66In de dagen van Samgar, de zoon van Anath,
in de dagen van Jaël, lagen de wegen verlaten,
en zij die de paden bewandelden,
gingen kronkelwegen.
We hebben al een enkel vers over Samgar gelezen (Ri 3:3131Na hem nu kwam Samgar, zoon van Anath. Hij doodde de Filistijnen, zeshonderd man, met een prikstok voor ossen. Zo verloste ook hij Israël.). Nu lezen we nog iets van hem en wel over de tijd waarin hij leefde. We worden hier gewaar dat de tijd waarin Samgar leefde, lijkt op die van Jaël. Het waren tijden waarin de vijand het volk Israël belaagde. Niemand durfde meer op weg te gaan. De straten waren leeg. Wie toch ergens naar toe moest, zocht zijpaden en kronkelwegen.

God heeft voorzegd dat de wegen ‘woest’ zouden worden als het volk ontrouw zou worden (Lv 26:2222Ik zal de dieren van het veld op u afsturen en die zullen u van kinderen beroven, uw vee uitroeien en u [in aantal zó] verminderen, dat uw wegen er verlaten bij liggen.). Wanneer de Messias regeert, zal dat anders zijn, dan zijn de wegen weer bevolkt:
“Daar zal zijn een effen baan, een weg;
de heilige weg zal hij genoemd worden.
Een onreine zal er niet over gaan,
want hij zal [alleen] voor hen zijn. Wie [deze] weg ook gaat,
zelfs dwazen zullen niet dwalen.
Daar zal geen leeuw zijn,
geen verscheurend dier zal erop komen;
ze zullen daar niet aangetroffen worden,
maar de verlosten zullen [die] bewandelen.
Want wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen terugkeren;
zij zullen Sion binnenkomen met gejuich.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten” (Js 35:8-108Daar zal zijn een effen baan, een weg;
de heilige weg zal hij genoemd worden.
Een onreine zal er niet over gaan,
want hij zal [alleen] voor hen zijn. Wie [deze] weg ook gaat,
zelfs dwazen zullen niet dwalen.
9Daar zal geen leeuw zijn,
geen verscheurend dier zal erop komen;
ze zullen daar niet aangetroffen worden,
maar de verlosten zullen [die] bewandelen.10Want wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen terugkeren;
zij zullen Sion binnenkomen met gejuich.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.
)
.

Daar is het volk tot God teruggekeerd en ontvangt het de beloofde, uitgestelde zegen.

Onze tijd lijkt op de dagen van Samgar en Jaël. Met het Woord van God wordt weinig rekening meer gehouden. Het lukt de vijand helaas om veel christenen van de rechte weg af te brengen en er vanaf te houden.

Samgar en Jaël hebben in geloof gehandeld en de vijand een gevoelige slag toegebracht. Zij hebben zich niet neergelegd bij de algemene opvatting dat het toch niets hielp om je te verzetten. In alle tijden, ook in de onze, is steeds duidelijk geworden wie zich voegt bij de algemene opinie en wie openlijk aan Gods kant gaat staan. De kromme wegen zijn een beeld van het handelen naar eigen inzichten, terwijl men niet naar de wil van God vraagt. Vaak gebeurt dit uit angst voor de strijd die zeker komt als men tegen de mening van de massa ingaat.

Vers 77De dorpen lagen verlaten
in Israël, ze lagen verlaten,
totdat ik, Debora, opstond,
tot ik opstond,
een moeder in Israël.
Het volk van God ging eigen wegen. Ze bepaalden zelf hoe ze hun leven zouden inrichten en vroegen niet naar Gods wil. Er waren geen leiders, geen mensen die het volk bekendmaakten met die wil. Gebrek aan kennis van het Woord van God, het niet vragen aan God hoe Hij over de dingen denkt, leidt onvermijdelijk tot de ondergang van het volk van God (Hs 4:1,61Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten,
want de HEERE heeft een rechtszaak
met de inwoners van [dit] land,
omdat er geen trouw, geen goedertierenheid
en geen kennis van God in het land is.6Mijn volk is uitgeroeid,
omdat het zonder kennis is.
Omdat ú de kennis verworpen hebt,
heb Ik u verworpen om als priester voor Mij te dienen.
Omdat u de wet van uw God hebt vergeten,
zal Ik ook uw kinderen vergeten.
)
. Dan staat Debora op. Debora is niet hoogmoedig als ze zichzelf “een moeder in Israël” noemt. Verderop komt nog een moeder aan het woord, die van Sisera, maar die is anders dan Debora.

Dat Debora zich “een moeder” noemt en niet ‘een leider’ zegt iets over de manier waarop leiding gegeven moet worden. Een moeder is iemand die zich met liefde en zorg aan haar kinderen wijdt. Ze zet alles op alles om haar kinderen te geven wat ze nodig hebben voor hun groei naar volwassenheid en zelfstandigheid. Aan zulke leiders is grote behoefte in de gemeente van God. Paulus is een leider die zich in de gemeente in Thessalonika, een heel jonge gemeente, als een moeder, en ook als een vader, gedraagt (1Th 2:7,117maar wij waren vriendelijk in uw midden, zoals een voedende moeder haar eigen kinderen koestert.11U weet immers hoe wij, als een vader zijn eigen kinderen, ieder van u vermaanden en vertroostten,). De echte leider is niet iemand die gediend wordt, maar die zelf dient. Een prachtig voorbeeld daarvan is de Heer Jezus (Lk 22:24-2724En er ontstond ook strijd onder hen, wie van hen wel [de] grootste mocht zijn.25Hij echter zei tot hen: De koningen van de volken heersen over hen, en zij die gezag over hen voeren, worden weldoeners genoemd.26U echter niet aldus, maar laat de grootste onder u als de jongste zijn, en de voorganger als een die dient.27Want wie is groter, hij die aanligt of hij die dient? Niet hij die aanligt? Ik echter ben in uw midden als Degene Die dient.).

Vers 88Koos men nieuwe goden,
dan was er strijd in de poorten.
Werd er ook een schild of speer gezien
onder veertigduizend in Israël?
Het woord “goden” wordt in het Oude Testament enkele keren gebruikt om daarmee richters of bestuurders aan te duiden, mensen die leiding geven aan het volk (Ps 82:11Een psalm van Asaf.
God staat in de vergadering van God,
Hij oordeelt te midden van de goden:
)
. De poort is in Israël vaak de plaats waar bestuur wordt uitgeoefend (Ru 4:1-111Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.2En hij haalde tien mannen uit de oudsten van de stad, en zei: Gaat u hier zitten. En zij gingen zitten.3Toen zei hij tegen de losser: Het stuk land dat van onze broeder Elimelech was, heeft Naomi, die uit het land Moab teruggekomen is, verkocht.4En ík heb gezegd: Ik zal het u ter ore doen komen door te zeggen: Koop het, in aanwezigheid van de inwoners en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk. Als u het wilt lossen, los het. En als u het niet wilt lossen, vertel het mij dan, zodat ik het weet. Want er is niemand om het te lossen, behalve u, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen.5Maar Boaz zei: Op de dag dat u het land van de hand van Naomi koopt, koopt u het ook van Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden.6Toen zei de losser: Ik kan het voor mij niet lossen, anders zou ik mijn erfelijk bezit te gronde richten. Neemt ú voor uw rekening wat ik zou moeten lossen, want ik kan [het] niet lossen.7Nu was het vroeger in Israël bij lossing en bij ruil [de gewoonte] om de hele zaak te bevestigen: iemand trok zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit diende als bewijs in Israël.8Dus zei de losser tegen Boaz: Koopt u het voor uzelf. En hij trok zijn schoen uit.9Toen zei Boaz tegen de oudsten en heel het volk: U bent vandaag getuigen dat ik van de hand van Naomi alles gekocht heb wat van Elimelech geweest is, en alles wat van Chiljon en Machlon geweest is.10Daarbij neem ik voor mijzelf Ruth, de Moabitische, de vrouw van Machlon, tot vrouw om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden, opdat de naam van de gestorvene niet zal worden uitgewist onder zijn broeders en in de poort van zijn [woon]plaats. U bent vandaag getuigen.11En heel het volk dat in de poort was en de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen. Moge de HEERE deze vrouw, die in uw huis komt, maken als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben. Doe krachtige daden in Efratha en maak uw naam beroemd in Bethlehem.).

We kunnen ons bij het eerste deel van dit vers een verkiezingsstrijd voorstellen. Het resultaat van zo’n verkiezing is opnieuw strijd en dat niet tegen een vijand van buiten, maar onderling. De oorzaak is dat naar de wil van God niet wordt gevraagd. De nieuwe leiders zijn niet beter dan de vorige. Ze zijn uit op eigen winst. Van rust en vrede is geen sprake.

Is het vandaag anders in de wereld? En wat zien we onder het volk van God? Veel leiders denken alleen aan hun eigen positie, eer en inkomen en hebben geen echte zorg voor de kudde van God. Daardoor worden er geen wapens bij het volk gevonden waarmee ze zich tegen de vijand kunnen verdedigen (“schild”) of hem kunnen verjagen (“speer”). Dit lijkt op de tijd van Saul, als er geen smid in Israël is, waardoor er geen zwaarden gemaakt kunnen worden (1Sm 13:1919Nu was er in heel het land Israël geen smid te vinden, want de Filistijnen hadden gezegd: Anders gaan de Hebreeën zwaarden of speren maken.).

De wapens die wij, gelovigen van de gemeente, gebruiken, zijn niet vleselijk, maar geestelijk. Het is een triest gegeven dat strijd onder de leiders van Gods volk het hele volk krachteloos maakt. De mensen die verantwoordelijk zijn voor de toerusting van Gods volk, onthouden het de noodzakelijke handreiking om een overwinningsleven te leiden. Naar het Woord van God, dat een schild en een speer is, wordt niet meer verwezen, of er wordt een eigen, eigentijdse en inhoudsloze uitleg aan gegeven. In de christenheid worden “schild of speer” nauwelijks meer gevonden. Weten wij hoe we Gods Woord op de juiste manier moeten hanteren? Als dat onze wens is, zullen wij ons daarvoor door de Geest van God laten onderwijzen.


3. Oproep om te getuigen

9Mijn hart is bij de wetgevers van Israël,
die zich vrijwillig gaven onder het volk;
loof de HEERE!
10U die rijdt op witte ezelinnen,
u die op mantels zit
en u die wandelt op de weg:
spreek ervan,
11van het geluid van schutters tussen waterputten.
Daar praten zij over de rechtvaardige daden van de HEERE,
de rechtvaardige daden voor Zijn dorpen in Israël.
Toen daalde het volk van de HEERE af naar de poorten.

Vers 99Mijn hart is bij de wetgevers van Israël,
die zich vrijwillig gaven onder het volk;
loof de HEERE!
gaat door met het bemoedigende thema van vers 22Nu de leiders in Israël de leiding hebben genomen,
nu het volk zich vrijwillig gegeven heeft,
loof de HEERE!
. Verdrukking en strijd hebben plaatsgemaakt voor overwinning. Debora maakt zich een met de mensen die zich beschikbaar hebben gesteld om Gods volk weer vrij te maken. Haar hart gaat naar hen uit. Sluiten wij ons ook aan bij gelovigen die een leven van toewijding aan de Heer leiden? Voelen we ons met hen verbonden, zijn wij blij met zulke gelovigen? Debora prijst de HEERE er opnieuw voor, want Hij heeft dit bewerkt. Laten we doorgaan met Hem groot te maken voor alles waarin we Zijn daden opmerken.

Reizigers kunnen weer zonder vrees voor gevaar op weg gaan (vers 1010U die rijdt op witte ezelinnen,
u die op mantels zit
en u die wandelt op de weg:
spreek ervan,
)
. De dagelijkse bezigheden kunnen worden opgepakt. Dit zijn de mooie resultaten van de bevrijding uit de macht van de vijand. Maar Debora nodigt niet alleen hen uit die gestreden hebben. Nee, allen mogen de vruchten van de strijd plukken. Iedereen wordt opgeroepen te getuigen van wat God heeft gedaan ten gunste van Zijn volk en daarover na te denken.

Ze roept op om de rechtvaardige daden die ons in Richteren 4 worden meegedeeld met elkaar te delen (vers 1111van het geluid van schutters tussen waterputten.
Daar praten zij over de rechtvaardige daden van de HEERE,
de rechtvaardige daden voor Zijn dorpen in Israël.
Toen daalde het volk van de HEERE af naar de poorten.
)
. Ze noemt deze daden “de rechtvaardige daden van de HEERE, de rechtvaardige daden van Zijn leiders” (‘voor Zijn dorpen’ kan ook vertaald worden met ‘van Zijn leiders’). Heel mooi wordt hier het handelen van de HEERE gezien door het handelen van de leiders heen. Ze worden Zijn leiders genoemd. Met zulke mensen wil Hij zich graag een maken. Hun daden zijn Zijn daden.

Deze rechtvaardige daden vormen een onderwerp van gesprek bij de waterplaatsen. Daar komen de vrouwen water putten om allen die dorst hebben iets te drinken te kunnen geven. Water is hier opnieuw een beeld van het Woord van God (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,). Waterplaatsen stellen gelegenheden voor waar men bij elkaar komt om uit het Woord te putten. Dat zijn geen plaatsen waar gestreden wordt, maar waar ieder zijn geestelijke dorst kan lessen.

Die gelegenheden kunnen we vaak zelf maken. Een koffievisite of een verjaardag kan soms zo’n gelegenheid worden. Het gaat niet om diepgaande discussies, maar om onder de indruk te komen van de rechtvaardige daden die de Heer Zelf of door middel van Zijn dienaren heeft gedaan. Het samen delen in wat de Heer heeft gedaan, maakt blij en bemoedigt (Hd 15:3-4,123Nadat zij dan door de gemeente waren uitgeleid, gingen zij door Fenicië en Samaria, verhaalden de bekering van de volken en bereidden alle broeders grote blijdschap.4En in Jeruzalem aangekomen werden zij ontvangen door de gemeente, de apostelen en de oudsten; en zij berichtten alles wat God met hen had gedaan.12De hele menigte nu zweeg; en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen welke grote tekenen en wonderen God door hen onder de volken had gedaan.).

Het gevolg ervan is dat het volk naar de poorten kan gaan omdat daar weer op een goede manier wordt rechtgesproken, in tegenstelling tot wat in vers 88Koos men nieuwe goden,
dan was er strijd in de poorten.
Werd er ook een schild of speer gezien
onder veertigduizend in Israël?
staat vermeld. Samen spreken over het Woord van God is een van de belangrijkste voorwaarden voor een goed bestuur (de poort) in de plaatselijke gemeente.

Er staat dat “het volk van de HEERE” afdaalde naar zijn poorten. Dat lijkt erop te wijzen dat de relatie tussen de HEERE en Zijn volk weer is hersteld. Ze zijn wel steeds Zijn volk geweest, maar hebben zich niet zo gedragen. Nu zijn ze die naam weer waard. Het volk laat zien dat ze opnieuw met de HEERE zijn verbonden, doordat ze bereid zijn te luisteren naar de mensen die Hij in ‘de poorten’ heeft gegeven om Zijn wil bekend te maken. Een echte relatie met de Heer blijkt uit onze liefde tot Hem en die liefde komt altijd tot uiting in het verlangen Zijn Woord te raadplegen en te doen wat Hij daarin zegt.


4. De rol van de afzonderlijke stammen

12Ontwaak, ontwaak, Debora!
Ontwaak, ontwaak [en] spreek een lied!
Sta op, Barak,
en neem uw gevangenen gevangen, zoon van Abinoam!
13Toen daalden de overgeblevenen af naar de machtigen.
Het volk van de HEERE daalde naar mij af met de helden.
14Uit Efraïm [kwamen zij], hun wortel [ligt] in Amalek.
Achter u [kwam] Benjamin, onder uw volksgenoten.
Uit Machir daalden wetgevers af
en uit Zebulon wervers [van krijgsvolk]
met [hun] schrijversstaf.
15Ook de vorsten in Issaschar waren met Debora
en [zoals] Issaschar, zo was Barak.
Te voet werd hij het dal in gestuurd.
In de gelederen van Ruben
waren de overleggingen van het hart groot.
16Waarom bleef u zitten tussen de schaapskooien,
om naar het geblaat van de kudden te luisteren?
Voor de gelederen van Ruben
waren de overleggingen van het hart groot.
17Gilead bleef aan de overzijde van de Jordaan.
En Dan, waarom verbleef hij bij de schepen?
Aser bleef zitten aan de kust van de zee
en bleef bij zijn havens.
18Zebulon is een volk dat zijn leven heeft versmaad tot de dood toe,
Naftali evenzo, op de hooggelegen velden.

Vers 1212Ontwaak, ontwaak, Debora!
Ontwaak, ontwaak [en] spreek een lied!
Sta op, Barak,
en neem uw gevangenen gevangen, zoon van Abinoam!
Het is mogelijk dat er in het leven van Debora ook een periode van lauwheid is geweest, dat ze zich de toestand waarin Gods volk verkeerde niet zo heeft aangetrokken. Ze is tot het bewustzijn gekomen dat het anders moet in haar leven. Ze heeft zichzelf opgeroepen een lied te zingen. Het kan zijn dat hier een oorlogslied bedoeld wordt, om aan te geven dat ze weer strijdvaardig is. Pas nadat ze tot zichzelf heeft gesproken en heeft erkend dat ze eerst zelf wakker moest worden, richt ze zich tot Barak.

Soms moeten wij onszelf wakker schudden en eens goed aanpakken om ons te kunnen realiseren dat we niet goed bezig zijn. Het is mogelijk dat we zijn ingedut door alle aangename dingen van het leven. Er is dan geen geestelijke activiteit meer, we zijn druk met onze maatschappelijke en materiële belangen. We zitten wel in de samenkomsten, maar we zijn er niet echt bij betrokken. We lezen wel in de Bijbel, maar het raakt ons niet echt. Dan moeten we niet blijven dutten, maar wordt het tijd dat we wakker worden en onze ogen opengaan voor de dingen die echt belangrijk zijn.

Mocht iemand in zo’n fase zitten, laat hij dan tot zichzelf spreken en het anders gaan doen, gemotiveerd door Gods liefde voor hem en Zijn volk. Weer strijdvaardig gemaakt, kan hij vervolgens anderen opwekken om actief te worden en de strijd aan te gaan, zoals Debora dat doet bij Barak. Ze spoort hem aan op te staan en zijn krijgsgevangenen weg te voeren. Wat hier aan Barak wordt toegezongen, wordt ook toegeschreven aan de HEERE (Ps 68:1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
)
en aan Christus (Ef 4:88Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar [de] hoge heeft Hij de gevangenschap gevangengenomen <en> heeft de mensen gaven gegeven’.). Barak is hier een beeld van Christus.

Vers 1313Toen daalden de overgeblevenen af naar de machtigen.
Het volk van de HEERE daalde naar mij af met de helden.
De uitdrukking “de overgeblevenen” geeft aan dat de periode van onderdrukking zijn tol heeft geëist. Velen zijn in de strijd gevallen. Wat is overgebleven, is geen talrijk volk. Maar de HEERE heeft voor hen een bijzondere beloning: zij mogen heersen over hun vijanden, “de machtigen”. “De overgeblevenen” vormen tevens “het volk van de HEERE”. Het hele volk van de HEERE bestaat uit mensen die aan de vijand zijn ontkomen. Het hele volk dat er nog is, een overblijfsel, is in zijn bestaan een getuigenis van Gods genade. Allen hebben immers gezondigd en zijn van Hem afgeweken? Dat er nog mensen zijn overgebleven, is alleen te danken aan Zijn genade.

Zo zal het ook in de toekomst met Israël gaan. Om hun zonden zullen zij in een grote verdrukking komen. De Heer Jezus zegt daarvan: “Als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden” (Mt 24:2222En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.). Maar ook dan zal een rest, een overblijfsel, behouden worden en dat zal dan “heel Israël” zijn, dat “behouden zal worden” (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.).

Vers 1414Uit Efraïm [kwamen zij], hun wortel [ligt] in Amalek.
Achter u [kwam] Benjamin, onder uw volksgenoten.
Uit Machir daalden wetgevers af
en uit Zebulon wervers [van krijgsvolk]
met [hun] schrijversstaf.
Efraïm en Benjamin, de twee stammen die in het zuiden wonen, worden het eerst genoemd. Machir behoort tot de halve stam Manasse die in het land woont (Jz 13:30-3130zodat hun toeviel: het gebied vanaf Mahanaïm; heel Basan; heel het koninkrijk van Og, de koning van Basan; en al de dorpen van Jaïr, die in Basan liggen, zestig steden;31en half Gilead, en Astharoth en Edreï, steden van het koninkrijk van Og in Basan; [dit alles] was voor de nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse, [namelijk] de helft van de nakomelingen van Machir, naar hun geslachten.). Zebulon wordt ook nog in vers 1818Zebulon is een volk dat zijn leven heeft versmaad tot de dood toe,
Naftali evenzo, op de hooggelegen velden.
genoemd en geprezen voor zijn moed. Samen met Naftali heeft Zebulon gereageerd op de oproep van Barak in Richteren 4 (Ri 4:1010Barak riep vervolgens Zebulon en Naftali te Kedes bijeen en hij trok te voet op [met] tienduizend man. Ook Debora trok met hem op.), misschien vanwege hun verbinding met Debora.

Efraïm heeft het goede voorbeeld gegeven. Zij komen uit het gebied van de Amalekieten die een beeld zijn van het vlees. In Efraïm zien we hier mensen die niet toegeven aan de begeerten van het vlees, maar zich willen inzetten voor de belangen van God en Zijn volk. Het goede voorbeeld doet goed volgen: Benjamin is Efraïm achterna gegaan om met hem te strijden.

Uit Manasse hebben de leiders zich bij de strijders aangesloten. Zij voelden hun verantwoordelijkheid. Van Zebulon worden de wervers [van krijgsvolk] met [hun] schrijversstaf” speciaal vermeld. Dit zijn de officieren die de namen van vrijwilligers noteren. Zij zijn wervers. Deze mensen doen hun best anderen bij de strijd te betrekken. Zij denken niet dat ze het wel alleen af kunnen. We kunnen hieruit leren dat we elkaar nodig hebben in de strijd.

Vers 15a15Ook de vorsten in Issaschar waren met Debora
en [zoals] Issaschar, zo was Barak.
Te voet werd hij het dal in gestuurd.
In de gelederen van Ruben
waren de overleggingen van het hart groot.
Issaschar is ook een stam die zich vol overgave in de strijd heeft gestort. Zowel de naam van Debora als die van Barak wordt in dit vers aan deze stam gekoppeld. De vorsten van Issaschar deelden de overtuiging van Debora. Zij waren “met Debora”. Naar Barak toe ging er een stimulerende werking van deze stam uit: “Als Issaschar, zo ook Barak.” Wij mogen achter mensen gaan staan die een goed zicht hebben op wat Gods Woord zegt en zullen dan zelf ook weer voor anderen tot een stimulans zijn.

Verzen 15b-1615Ook de vorsten in Issaschar waren met Debora
en [zoals] Issaschar, zo was Barak.
Te voet werd hij het dal in gestuurd.
In de gelederen van Ruben
waren de overleggingen van het hart groot.
16Waarom bleef u zitten tussen de schaapskooien,
om naar het geblaat van de kudden te luisteren?
Voor de gelederen van Ruben
waren de overleggingen van het hart groot.
Na het prijzen van enkele stammen die zich hebben ingezet voor de belangen van Gods volk, spreekt Debora over enkele andere stammen die het hebben laten afweten. Wat zij daarover zegt, is leerrijk voor ons. Ruben heeft er wel over nagedacht om zijn tijd en krachten aan de strijd te geven. Toch is het er niet van gekomen.

Wat was de verhindering? Ruben heeft veel vee. De kudden van Ruben hebben hem ook al verhinderd om zijn deel van het land in bezit te nemen (Nm 32:11Nu hadden de nakomelingen van Ruben veel vee; en de nakomelingen van Gad hadden geweldig veel [vee]. Zij bekeken het land Jaëzer en het land Gilead, en zie, die plaats was een [geschikte] plaats voor vee.). Hij heeft genoegen genomen met het Overjordaanse. Nu is er een beroep op hem gedaan om zich bij zijn broeders aan te sluiten en met hen de vijand te bestrijden. Hij heef gedacht en overlegd – dat wordt twee keer van hem gezegd! – en hij heeft het niet gedaan. Hij is tot de conclusie gekomen dat zijn eigen zaken belangrijker zijn dan die van God.

Wij hebben ook zo onze overleggingen bij het deelnemen aan de strijd voor Gods volk tegen de vijand. Steeds opnieuw doen zulke gelegenheden zich voor. Er wordt gevraagd mee te doen aan traktaatverspreiding, of straatevangelisatie, of andere geestelijke activiteiten. Die kosten tijd en inspanning. Elke keer wanneer zoiets op ons af komt, is dat een beslissend moment waarbij zal blijken hoe wij onze prioriteiten stellen. Zoeken we ons eigen belang of dat van Jezus Christus (Fp 2:2121want allen zoeken hun eigen [belang], niet dat van Jezus Christus.)? Er zijn christenen die echt wel willen. Ze zitten vol goede voornemens en hebben zelfs soms goede ideeën, maar op het beslissende moment haken ze af. De dingen van het leven, de eigen belangen, geven de doorslag. Dat is Ruben.

Vers 1717Gilead bleef aan de overzijde van de Jordaan.
En Dan, waarom verbleef hij bij de schepen?
Aser bleef zitten aan de kust van de zee
en bleef bij zijn havens.
Gilead hield van zijn rust. Stel je voor dat je moe zou worden! Lekker in je luie stoel, je favoriete programma voor je ogen dat je voor geen geredde zondaar of herstelde broeder zou willen missen.

De stam Dan had het te druk met zaken doen. Zij hadden een groot bedrijf met internationale contacten. De zaken en de winst waren belangrijker dan de strijd voor de broeders en het erfdeel van de HEERE.

Aser deed helemaal niets. Hij hing in ledigheid om, lag in de zon te bakken aan het strand en maakte zich nergens druk om. Als hij daar lang genoeg had gelegen, kon je hem aantreffen achter een drankje op het terras om zich te vermaken met het kijken naar de mensen die voorbijliepen.

Vers 1818Zebulon is een volk dat zijn leven heeft versmaad tot de dood toe,
Naftali evenzo, op de hooggelegen velden.
Wat een tegenstelling vormen Zebulon en Naftali met de zojuist genoemde stammen! Zij zijn de echte overwinnaars die overwinnen door hun leven niet lief te hebben, maar het te versmaden en wel tot de dood toe (vgl. Op 12:1111En zijzelf hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot [de] dood toe.; Lk 14:2626Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn broers en zijn zusters, ja, zelfs ook zijn eigen leven, kan hij Mijn discipel niet zijn.). Zij hebben God meer lief dan zichzelf en dat bewijzen ze door hun leven op het spel te zetten.

Ook wij kunnen dat, als wij zien hoe God ons heeft liefgehad. Die liefde is duidelijk te zien in wat de Heer Jezus heeft gedaan op het kruis. Als we dat zien, kan er dan iets anders van ons worden verwacht? “Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons heeft afgelegd; ook wij behoren het leven voor de broeders af te leggen” (1Jh 3:1616Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons heeft afgelegd; ook wij behoren het leven voor de broeders af te leggen.).

Paulus is zo iemand die de liefde van God beantwoordt met een leven waarin hij zichzelf wegcijfert om anderen te dienen. In Handelingen 20 getuigt hij daarvan: “Ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen” (Hd 20:2424Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen.). Van een andere dienaar zegt hij, dat deze “om het werk van Christus … [de] dood nabijgekomen” is (Fp 2:3030want om het werk van Christus is hij [de] dood nabijgekomen, doordat hij zijn leven heeft gewaagd om aan te vullen wat aan uw dienstbetoon jegens mij ontbrak.). Waar zijn vandaag de dag zulke mannen en vrouwen te vinden? Willen wij er zo een zijn?


5. Beschrijving van de strijd

19De koningen kwamen, zij streden.
Toen streden de koningen van Kanaän
bij Taänach, aan het water van Megiddo,
[maar] buit aan zilver namen zij niet mee.
20Vanuit de hemel streden zij,
vanuit hun banen streden de sterren
tegen Sisera.
21De beek Kison sleurde hen mee,
de aloude beek, de beek Kison!
Vertrap, mijn ziel, de sterken!
22Toen stampten de paardenhoeven
van het in galop, in galop van zijn machtigen.
23Vervloek Meroz! zegt de Engel van de HEERE.
Vervloek zijn inwoners voortdurend,
omdat zij de HEERE niet te hulp zijn gekomen,
de HEERE te hulp met de helden.

Vers 1919De koningen kwamen, zij streden.
Toen streden de koningen van Kanaän
bij Taänach, aan het water van Megiddo,
[maar] buit aan zilver namen zij niet mee.
In dit levendige verslag zien we hoe de koningen van Kanaän in grote zelfverzekerdheid optrokken om met het opstandige volkje Israël af te rekenen. Ze hadden gedacht een grote overwinning te behalen, met veel buit. Maar met ironie in haar stem zegt Debora: [Maar] buit aan zilver namen zij niet mee.”

De strijd speelde zich af bij Taänach, bij de wateren van Megiddo, dat is in de grensgebieden van Issaschar en Manasse. Veel uitleggers wijzen op het verband dat er bestaat tussen Megiddo in het Oude Testament en ”Harmagedon” in Openbaring 16 (Op 16:1616En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.). Harmagedon betekent vermoedelijk ‘gebergte of berg van Megiddo’.

De verwantschap tussen de namen is niet het enige wat opvalt. Wat van nog groter belang is, is de overeenkomst tussen de gebeurtenissen uit Richteren 4 en wat beschreven wordt in het boek Openbaring. Bij Megiddo worden de vijandelijke legers verslagen en wordt het volk van de HEERE bevrijd. Bij Harmagedon zal iets dergelijks plaatsvinden (Op 19:11-2111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.17En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.20En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.). De legers van het dan herstelde Romeinse rijk, dat is het verenigde West-Europa dat in de toekomst het afvallige Israël te hulp zal komen in zijn strijd tegen de koning van het noorden, zullen door de komst van Christus worden verdelgd. Het Godvrezende deel van Israël is dan behouden en wordt “heel Israël” genoemd (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.).

Verzen 20-2220Vanuit de hemel streden zij,
vanuit hun banen streden de sterren
tegen Sisera.
21De beek Kison sleurde hen mee,
de aloude beek, de beek Kison!
Vertrap, mijn ziel, de sterken!
22Toen stampten de paardenhoeven
van het in galop, in galop van zijn machtigen.
Het vermoeden is geuit dat hier wordt gezinspeeld op een wolkbreuk, waardoor het strijdtoneel veranderde in een modderpoel en de vastgelopen strijdwagens niets meer konden uitrichten. Daardoor konden de Israëlieten de overwinning behalen. Hieruit zou te verklaren zijn dat Sisera niet in zijn wagen vluchtte, maar te voet (Ri 4:1515En de HEERE bracht Sisera met al [zijn] strijdwagens en heel [zijn] leger door de scherpte van het zwaard in verwarring vóór Barak, zodat Sisera van [zijn] wagen afklom en te voet vluchtte.). De wielen bleven in de modder steken en de paarden zakten erin weg. Dit verklaart ook dat de beek Kison in een woest stromende watermassa kon veranderen.

Het is echter ook mogelijk dat God iets deed wat Hij eerder bij de plagen over Egypte heeft gedaan. Bij de zevende plaag lezen we: “En de HEERE gaf donder en hagel. Vuur schoot naar de aarde, en de HEERE liet hagel neerkomen op het land Egypte. Er viel hagel en er flitste vuur te midden van de hagel, een zeer zware [bui]” (Ex 9:23-2423Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel, en de HEERE gaf donder en hagel. Vuur schoot naar de aarde, en de HEERE liet hagel neerkomen op het land Egypte.24Er viel hagel en er flitste vuur te midden van de hagel, een zeer zware [bui]. Iets dergelijks was er in heel het land Egypte nooit gebeurd, sinds het een volk was geworden.). We kunnen ons voorstellen dat bij zulk natuurgeweld het erop kan lijken dat de sterren van de hemel vallen en dat de hagel de grond drassig en de beek woest maakt.

Dit schouwspel is voor ieder die aan de strijd deelneemt een bemoediging. Ze zeggen tegen zichzelf: Vertrap, mijn ziel, de sterke!” Als we zien dat God Zich in de strijd mengt, geeft dat kracht en moed. De uitdrukking “vertrap” wordt ook vertaald met “hun hoogten betreden” (Dt 33:2929Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u?
U bent een volk dat door de HEERE verlost is.
[Hij is] een schild [en] een hulp voor u,
Hij is uw majesteitelijke zwaard;
daarom zullen uw vijanden zich geveinsd aan u onderwerpen,
en ú zult hun hoogten betreden!
)
als bewijs van de onderwerping van de vijand. In Richteren 20 is het vertaald met “liepen … onder de voet” (Ri 20:4343Zij omsingelden Benjamin, zij achtervolgden hem, zij liepen hem met gemak onder de voet, tot tegenover Gibea, aan de kant waar de zon opgaat.). Het “vertrap” ziet op het verbreken van de vijandelijke macht en het behalen van de overwinning.

Deze taal is ook kenmerkend voor iemand die in de overwinning van Christus staat. Zo’n persoon is niet tevreden met het halve resultaat, maar gaat door, totdat de volle overwinning is behaald in de zekerheid die ook te zullen behalen. Hoe de paardenhoeven van de vijandelijke legers ook in galop stampen en de grond laten dreunen, de vijand zal in de achtervolging verslagen worden door de dappere strijders van Gods volk.

Vers 2323Vervloek Meroz! zegt de Engel van de HEERE.
Vervloek zijn inwoners voortdurend,
omdat zij de HEERE niet te hulp zijn gekomen,
de HEERE te hulp met de helden.
Het is niet bekend waar Meroz ligt of gelegen heeft. Waarschijnlijk is het een stad die midden in het gebied lag waar de strijd zich afspeelde. Dat is af te leiden uit de zware vervloeking die over Meroz wordt uitgesproken. Andere stammen hebben ook verwijten te horen gekregen omdat zij niet aan de strijd hebben deelgenomen, maar die zijn niet zo ernstig. Het kan zijn dat dit onderscheid voortkomt uit de ligging van de gebieden. Wie zich dichter bij een strijdgebied bevindt en met eigen ogen ziet wat er gebeurt, heeft een grotere verantwoordelijkheid dan wie er verder vanaf staat en minder direct bij de gebeurtenissen is betrokken.

Een mogelijke betekenis van de naam Meroz is ‘gebouwd van ceders’. Dit geeft wel iets aan van de dingen waarvoor zij leefden. Zij woonden in cederen paleizen en leefden in alle rust, zonder zich zorgen te maken over de toestand van hun broeders. Ze hadden zichzelf lief en niet de HEERE. Paulus zegt van mensen die de Heer niet liefhebben: “Als iemand de Heer niet liefheeft, die zij vervloekt” (1Ko 16:2222Als iemand de Heer niet liefheeft, die zij vervloekt; Maranatha!).

Wat Debora van Meroz zegt, doet denken aan wat de HEERE door de mond van Haggaï zegt. Hij verwijt Zijn volk dat zij allemaal voor hun eigen huis bezig zijn, terwijl ze zich niets aantrekken van Gods huis (Hg 1:2-4,92Zo spreekt de HEERE van de legermachten: Dit volk zegt: De tijd is nog niet gekomen, de tijd om het huis van de HEERE te herbouwen.3Toen kwam het woord van de HEERE door de dienst van de profeet Haggaï:4Is het voor u wel de tijd
om in uw fraai overdekte huizen te wonen,
terwijl dit huis verwoest ligt?9U rekent op veel, maar zie, het wordt weinig.
Wat u in huis bracht, daar blies Ik in.
Waarom? spreekt de HEERE van de legermachten.
Vanwege Mijn huis, dat verwoest ligt,
terwijl u zich uitslooft, ieder voor zijn eigen huis.
)
. Zij leefden voor hier-en-nu.

Debora is de mond van de Engel van de HEERE als zij de vloek over Meroz uitspreekt. Deze onverschilligheid ten opzichte van hun broeders wordt gezien als het verzaken van hulp aan de HEERE in Zijn strijd tegen de vijand. We zien hier hoe de HEERE Zich vereenzelvigt met Zijn lijdende volk.


6. Jaël wordt geroemd

24Laat gezegend zijn boven de vrouwen
Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet,
laat zij boven de vrouwen in de tent gezegend zijn.
25Water vroeg hij, melk gaf zij.
In een schaal voor machtigen bracht zij boter.
26Haar hand strekte zij uit naar de pin,
en haar rechterhand naar de hamer van de arbeiders.
Zij sloeg Sisera, spleet zijn hoofd,
verbrijzelde en doorboorde zijn slaap.
27Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij, lag hij.
Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij.
Waar hij zich kromde,
daar viel hij, geschonden.

Vers 2424Laat gezegend zijn boven de vrouwen
Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet,
laat zij boven de vrouwen in de tent gezegend zijn.
Wat Jaël heeft gedaan, vormt een groot contrast met de houding van Meroz in het vorige vers. Door de zaken tegenover elkaar te stellen komen de daden van iedere betrokkene des te duidelijker naar voren. We hebben in Richteren 4 al gezien wat het aandeel van Jaël in de strijd is geweest (Ri 4:17-2217En Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet. Er was namelijk vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en het huis van Heber, de Keniet.18Jaël kwam naar buiten, Sisera tegemoet, en zei tegen hem: Wijk af [van uw weg], mijn heer! Wijk af [van uw weg en kom] bij mij, wees niet bevreesd! En hij week naar haar af in de tent en zij dekte hem toe met een deken.19Daarna zei hij tegen haar: Geef mij toch een beetje water te drinken, want ik heb dorst. Toen opende zij een leren melkzak en gaf hem te drinken en dekte hem [weer] toe.20Ook zei hij tegen haar: Ga bij de ingang van de tent staan, en als er iemand komt en u vraagt en zegt: Is hier iemand, dan moet u zeggen: Niemand.21Vervolgens nam Jaël, de vrouw van Heber, een tentpin, nam een hamer in haar hand, ging stilletjes naar hem toe en dreef de pin in zijn slaap, zodat hij aan de grond vastzat. Hij was namelijk in een diepe slaap gevallen, en uitgeput. En hij stierf.22En zie, Barak achtervolgde Sisera. Jaël kwam naar buiten, hem tegemoet, en zei tegen hem: Kom, en ik zal u de man laten zien die u zoekt. Zo ging hij bij haar naar binnen, en zie, [daar] lag Sisera dood, met de pin in zijn slaap.). Hier wordt zij geprezen om wat zij heeft gedaan. Zij torent boven alle vrouwen van Israël uit. Haar verbinding met Heber maakte haar niet neutraal en heeft haar niet weerhouden van het verrichten van haar geloofsdaad.

Zij is een eenvoudige huisvrouw, als zoveel anderen, maar zij heeft zich onderscheiden door de moed die zij heeft getoond. Nog eens: dit is een grote bemoediging voor iedere huisvrouw. Zij kunnen op hun eigen terrein grote en beslissende overwinningen voor de Heer behalen.

Vers 2525Water vroeg hij, melk gaf zij.
In een schaal voor machtigen bracht zij boter.
Debora beschrijft hoe Jaël heeft gehandeld. Zij is omzichtig te werk gegaan en heeft de middelen gebruikt die haar ter beschikking stonden. Zij stelde de vijand op zijn gemak. Hoewel Sisera uitgeput bij haar arriveerde, was dat niet het juiste moment om hem te doden. Zij onderkende dat. Het is belangrijk om het goede moment af te wachten om de vijand de nederlaag te bezorgen. Als ze te vroeg had gehandeld, zou veel meer energie nodig zijn geweest. Daarbij kunnen we ons afvragen of het beoogde resultaat inderdaad bereikt zou zijn. Deze oefening is voor ons allemaal noodzakelijk.

Jaël raakt niet in paniek als de machtige vijand haar tent binnenkomt. Ze komt tegemoet aan zijn verzoek en geeft hem zelfs meer dan hij gevraagd heeft. Ze past zelfs het drinkgerei aan haar voorname gast aan en geeft hem uit een “schaal voor machtigen” te drinken. Het hele gedrag van Jaël moet Sisera het gevoel hebben gegeven dat hij zich op veilige bodem bevond. Uitgeput valt hij in slaap. Dit is het moment waarop ze heeft gewacht en zonder te aarzelen rekent ze met deze vijand af.

Verzen 26-2726Haar hand strekte zij uit naar de pin,
en haar rechterhand naar de hamer van de arbeiders.
Zij sloeg Sisera, spleet zijn hoofd,
verbrijzelde en doorboorde zijn slaap.
27Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij, lag hij.
Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij.
Waar hij zich kromde,
daar viel hij, geschonden.
Op een indrukwekkende manier bezingt Debora de handelingen die Jaël heeft verricht om de gevreesde vijand om te brengen. Je ziet het voor je. Over de betekenis van de middelen die zij gebruikt heeft, is in het vorige hoofdstuk al iets gezegd. Er worden op deze plaats wat details aan toegevoegd. Ze zijn belangrijk omdat de Geest ze vermeldt. Hij wil onze aandacht erop vestigen.

Hier staat dat zij haar “rechterhand” gebruikte en dat ze “de hamer van de arbeiders” nam. De rechterhand spreekt van kracht. De hamer is een beeld van het Woord van God (Jr 23:2929Is niet Mijn woord zó, als het vuur, spreekt de HEERE,
of als een hamer [die] een rots verplettert?
)
, maar de toevoeging “van de arbeiders” laat zien dat het Woord in praktijk moet worden gebracht. Tevens toont het aan dat je eenvoudig moet zijn om het te gebruiken en dat je niet tot de ‘hooggeschoolden’ hoeft te behoren.

Wat Jaël met de hamer doet, wordt hier in verschillende bewoordingen bezongen. Ze sloeg, spleet, verbrijzelde en doorboorde, verschillende woorden voor dezelfde handeling. Dit wijst op de machtige werking van het Woord.

Het resultaat wordt net zo beeldend aan ons voorgesteld. De macht van deze vijand is compleet gebroken en hij is voorgoed uitgeschakeld. Hij kromde zich, viel en lag daar, overweldigd, aan de voeten van een vrouw. Van zijn vroegere grootsheid en macht blijft niets over. Het is een beeld van wat uiteindelijk met alle tegenstanders van God zal gebeuren. Wij kunnen aan het geloof van Jaël een voorbeeld nemen.


7. De moeder van Sisera wacht tevergeefs

28Door het venster keek zij uit;
de moeder van Sisera schreeuwde door het traliewerk:
Waarom duurt het zo lang voor zijn wagen komt?
Waarom blijft het geratel van zijn wagens uit?
29Haar meest wijze vorstinnen antwoordden –
en ook zíj beantwoordde haar woorden voor zichzelf:
30Zouden zij dan geen buit vinden en verdelen,
één meisje of twee meisjes voor elke man?
Een buit van gekleurde stoffen voor Sisera,
een buit van gekleurde stoffen,
geborduurde, gekleurde stoffen, aan beide zijden geborduurd,
voor [om] de halzen van de buit.

Vers 2828Door het venster keek zij uit;
de moeder van Sisera schreeuwde door het traliewerk:
Waarom duurt het zo lang voor zijn wagen komt?
Waarom blijft het geratel van zijn wagens uit?
Van de eenvoudige tent van Jaël wordt onze blik nu gericht op het luxueuze huis van Sisera. Daar woont ook een vrouw, een moeder, maar een heel ander type dan Jaël en Debora. Haar vertwijfeling komt op treffende wijze tot uiting. Haar zoon kwam maar niet thuis en dat was ze niet gewend. Meestal kwam hij gauw terug van een gevecht en had dan de bewijzen van zijn overwinning bij zich. Dat hij zo lang wegbleef, kon betekenen dat hij was verslagen.

De moeder van Sisera leek vrij, ongebonden, te zijn, maar ze was het niet. Ze zat achter “traliewerk” waardoor ze de wereld bekeek. Dat spreekt van de ‘geestelijke’ tralies van haar denken. Ze kende geen echte vrijheid. Zo is dat met alle vijanden van God. Ze menen met niemand iets te maken te hebben, terwijl ze zich aan alle kanten omgeven met veiligheidsmaatregelen. De tralies, die als bescherming moeten dienen, zijn juist het bewijs van haar gevangenschap. Ze durft hem ook niet tegemoet te gaan. Ze blijft in haar fort, want dat is het, hoe luxueus het ook is ingericht. De angst heerst waar vertrouwd wordt op het eigen denken of mensen of zaken in plaats van op God.

Verzen 29-3029Haar meest wijze vorstinnen antwoordden –
en ook zíj beantwoordde haar woorden voor zichzelf:
30Zouden zij dan geen buit vinden en verdelen,
één meisje of twee meisjes voor elke man?
Een buit van gekleurde stoffen voor Sisera,
een buit van gekleurde stoffen,
geborduurde, gekleurde stoffen, aan beide zijden geborduurd,
voor [om] de halzen van de buit.
De vragen van Sisera’s moeder worden beantwoord door pientere dames. Hun antwoorden zijn die welke aansluiten bij haar eigen opvattingen. Het zijn antwoorden die het geweten moeten sussen: ‘Je hoeft niet bang te zijn, het komt allemaal wel goed. Het ligt aan de grote buit die ze meevoeren. Dat vertraagt de terugtocht.’

Het was gebruikelijk dat de soldaten mooie meisjes als trofeeën mee naar huis namen. Het woord voor “meisje” betekent eigenlijk ‘schoot’ of ‘baarmoeder’, wat aangeeft dat deze meisjes moesten dienen tot bevrediging van de lusten van de soldaten. Tot de oorlogsbuit behoorde ook mooie en dure kleding. De gekleurde gewaden waren voor Sisera, het bonte borduursel voor zijn moeder en de edelvrouwen. Naast de bevrediging van de lusten diende deze kleding ertoe aan iedereen te laten zien hoe groot hun overwinning was. Het streelde de hoogmoed, het aanzien groeide. Het zijn de kenmerken van de vijand: gericht zijn op zichzelf en het zoeken van eigen eer.

Laten wij erop bedacht zijn dat wat de vijand typeert, ook in ons boze hart aanwezig is. We moeten voorkomen dat deze kenmerken bij ons ingang vinden. Hoe? Door te kijken naar wat ermee is gebeurd op het kruis van Golgotha en naar wat er mee zal gebeuren bij de komst van de Heer Jezus. Op het kruis is de vijand verslagen. Toch wil hij zich nog graag laten gelden. Daarvoor krijgt hij de kans als wij ons niet voor de zonde dood houden en het vlees toch laten werken.

Bij de komst van de Heer Jezus voor de gemeente zullen we alles achterlaten wat we verworven hebben door de zonde en het vlees. Niets ervan gaat mee naar de hemel. Zijn we niet dom en dwaas als wij toch willen voldoen aan de begeerten van het vlees? Luister naar wat Debora zegt in het laatste vers van haar lied.


8. Omkomen en opgaan

31Zo moeten al Uw vijanden omkomen, HEERE!
Maar laten zij die Hem liefhebben, zijn als het opgaan van de zon in haar kracht.
En het land had veertig jaar rust.

In dit vers stelt Debora de vijanden en de getrouwen naast elkaar. Let op het einde van elke groep. De vijanden komen om, zoals Sisera en zijn leger. Hun heerschappij is gebroken en voorgoed voorbij, ze zijn vernederd en tenietgedaan.

En de getrouwen? Debora noemt hen “die Hem liefhebben”. Het gaat om de getrouwen die in vorige verzen zijn genoemd (verzen 13,14,15,1813Toen daalden de overgeblevenen af naar de machtigen.
Het volk van de HEERE daalde naar mij af met de helden.
14Uit Efraïm [kwamen zij], hun wortel [ligt] in Amalek.
Achter u [kwam] Benjamin, onder uw volksgenoten.
Uit Machir daalden wetgevers af
en uit Zebulon wervers [van krijgsvolk]
met [hun] schrijversstaf.
15Ook de vorsten in Issaschar waren met Debora
en [zoals] Issaschar, zo was Barak.
Te voet werd hij het dal in gestuurd.
In de gelederen van Ruben
waren de overleggingen van het hart groot.
18Zebulon is een volk dat zijn leven heeft versmaad tot de dood toe,
Naftali evenzo, op de hooggelegen velden.
)
. Hun liefde tot God en voor Zijn zaak is tot uiting gekomen in de liefde die zij voor de zaak van Zijn volk hadden. Het is gemakkelijk te zeggen dat je God liefhebt. Maar je mag het alleen zeggen, als het je oprechte verlangen is dit in je daden, je hele gedrag en houding te laten zien. Dat hebben de verschillende stammen in dit hoofdstuk duidelijk getoond.

Wie Hem zó liefheeft, wordt vergeleken met “het opgaan van de zon in haar kracht”. De zon laat zijn licht schijnen en maakt dat het dag wordt. Dit is een prachtige verwijzing naar de Heer Jezus. Hij wordt “de Zon der gerechtigheid” genoemd (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. Hij verdrijft met Zijn licht de duisternis uit ons leven, van al die terreinen waar onzekerheid of zonde ons leven duister maken. De tijd waarnaar Maleachi verwijst, is de tijd waarin de Heer Jezus als de Zoon des Mensen over de aarde zal regeren. Duizend jaar lang zal Hij ervoor zorgen dat de zonde op aarde geen kans krijgt om de ellende te veroorzaken die er nu nog is.

Maar dat wil Hij nu al doen in de levens van hen die Hem liefhebben. Zij mogen zijn “als” de zon. Zij mogen op Hem gaan lijken en daarin toenemen, zoals ook de zon in kracht toeneemt. Daarvan zal zegen uitgaan, naar anderen toe, net zoals er voor iedereen zegen is als de Heer Jezus over de aarde regeert. Wel is er nu nog tegenstand en vijandschap. Die zal er niet meer zijn als Hij regeert.

Een onderwerp voor verdere studie is het volgende. De uitdrukking “die Hem (of God of Mij) liefhebben”, komt nog enkele keren voor. Steeds wordt er iets anders aan verbonden, zoals hier de opgaande zon (Ps 145:2020De HEERE bewaart allen die Hem liefhebben, /sjin/
maar alle goddelozen vaagt Hij weg.
; Sp 8:1717Ik heb lief wie Mij liefhebben,
en wie Mij ernstig zoeken, zullen Mij vinden.
; Rm 8:2828Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar [Zijn] voornemen zijn geroepen.; 1Ko 2:99maar zoals geschreven staat: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben’.; Jk 1:1212Gelukkig [de] man die verzoeking verdraagt; want beproefd geworden zal hij de kroon van het leven ontvangen, die Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben.; 2:55Hoort, mijn geliefde broeders: heeft God niet de armen in de wereld uitverkoren om rijk te zijn in [het] geloof en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben?)
. Naar aanleiding van deze tekstplaatsen kan de lezer zelf nadenken over deze bijzondere uitdrukking.


Lees verder