Richteren
Inleiding 1-2 Leren strijden 3 De vijanden 4 Luisteren naar de geboden 5 Te midden van de heidenen 6 Trouwen en aanbidden 7 Slecht in de ogen van de HEERE 8 Cusjan Risjataïm 9 Othniël 10-11 De vijand verslagen 12 Moab en Eglon 13 Ammon en Amalek 14 Periode van onderdrukking 15 Ehud 16 Een tweesnijdend zwaard 17 Een zeer zwaarlijvig man 18-19 Een geheime boodschap 20-23 Het oordeel over Eglon 24-25 De dienaren van Eglon 26-30 De overwinning van het volk 31 Samgar
Inleiding

In Richteren 3 maken we kennis met de eerste drie richters en hun optreden. Van alle drie lezen we iets wat hun persoon een lager aanzien geeft. Othniël is een jongere broer van Kaleb, Ehud is linkshandig en Samgar gebruikt een prikstok voor ossen in de strijd. In het algemeen krijgen zulke mannen niet de meeste stemmen in een verkiezingsstrijd. Het maakt wel duidelijk dat het mannen van Gods keuze zijn en niet die van het volk, van de mens. Deze keuze behoort bij de wegen die God gaat in gebroken situaties, als de glans van het begin is verbleekt.

Kijk ook maar naar het ontstaan van de gemeente met haar grote apostelen en vergelijk dit met de latere situatie, die van verval. In het begin kan de Geest machtig werken als een antwoord op de verheerlijking van Christus. Na het intreden van het verval worden ook de instrumenten gekenmerkt door bepaalde vormen van zwakheid. Luther en Calvijn, Darby en Kelly, allen grote Godsmannen in hun tijd, bereiken niet de hoogte van een Paulus en een Petrus. Toch heeft God hen voor Zijn gemeente willen gebruiken, in de reformatie van zestiende eeuw en in het reveil van de negentiende eeuw. Zo wil God steeds, ook vandaag, zwakke, beperkte en onaanzienlijke mensen gebruiken voor de bevrijding van Zijn volk.

Algemeen gesproken is de reformatie de bevrijding van het juk van Rome, het ritualisme; het reveil is de bevrijding van de dode orthodoxie, het rationalisme, in de protestantse kerken. De bevrijding die vandaag nodig is, is de bevrijding van de geest van Laodicéa, de geest van zelfgenoegzaamheid, het willen bezitten van een geestelijk leven zonder leven uit de Geest. Het gaat dan om de beleving: waar voel ik mij goed bij?

Geestelijk leven en gevoel liggen in elkaars verlengde. De dingen van God worden beoordeeld naar onze smaak en gevoelens en niet aan de hand van het Woord van God. Dat vandaag vooral deze vijanden werkzaam zijn, wil niet zeggen dat de oude vijanden, ritualisme en rationalisme, voorgoed overwonnen zijn. Deze vijanden zullen voortdurend proberen Gods volk weer in hun greep te krijgen. Deze toestand zorgt ervoor dat we steeds opnieuw met deze vijanden moeten afrekenen en als richter moeten optreden.


Leren strijden

1Dit nu zijn de volken die de HEERE liet blijven om Israël door hen op de proef te stellen, [dat wil zeggen] alle [Israëlieten] die niet wisten van al de oorlogen met Kanaän, 2alleen opdat de [jongere] generaties van de Israëlieten [daarvan] zouden weten, om hun de oorlog te leren, alleen hun die er tevoren niet van wisten:

De verzen 1-61Dit nu zijn de volken die de HEERE liet blijven om Israël door hen op de proef te stellen, [dat wil zeggen] alle [Israëlieten] die niet wisten van al de oorlogen met Kanaän,2alleen opdat de [jongere] generaties van de Israëlieten [daarvan] zouden weten, om hun de oorlog te leren, alleen hun die er tevoren niet van wisten:3vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Hevieten, die in het bergland van de Libanon woonden, van de berg Baäl-Hermon af tot aan Lebo-Hamath.4Zij waren er om Israël door hen op de proef te stellen, opdat men zou weten of zij naar de geboden van de HEERE zouden luisteren, die Hij hun vaderen door de dienst van Mozes geboden had.5Toen nu de Israëlieten te midden van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten woonden,6namen zij hun dochters voor zich tot vrouwen en gaven zij hun [eigen] dochters aan hun zonen. En zij dienden hun goden. van dit hoofdstuk horen bij het vorige hoofdstuk. Ze beschrijven nog andere redenen waarvoor God de vijanden in het land heeft gelaten. God doet nooit iets zonder bedoeling. Hij heeft voor heel Zijn handelen Zijn eigen redenen. Soms heeft Hij zelfs meerdere doeleinden in gedachten. Hij kan met een bepaalde handeling of een bepaald woord verschillende dingen bewerken. Waar het God uiteindelijk om gaat, is Zichzelf te verheerlijken in het geluk en de zegen van de mens in het algemeen en van Zijn volk in het bijzonder. De reden die hier wordt genoemd, is dat God door de aanwezigheid van de vijanden Zijn volk het strijden wil leren.

Als het een mens voor de wind gaat, zijn leven verloopt voorspoedig en zonder tegenslagen, wordt niet zo duidelijk wat er voor God in zijn hart aanwezig is. Voorspoed neemt de ontrouw die in het hart aanwezig is niet weg. Als alles voor de wind gaat, zijn er geen oefeningen en worstelingen om te leren Wie God is en hoe er gebruikgemaakt kan worden van Zijn kracht om tegenstand te overwinnen. Het is niet Gods bedoeling dat wij ons laten overwinnen door de vijand, door het kwaad, maar dat wij het kwaad overwinnen in Zijn kracht.

God weet wat er in de mens is, maar door de achtergelaten vijanden zal de mens dat ook zelf gaan ontdekken. Zijn reactie op het kwaad toont aan wat er in zijn hart is. Als er een echte verbinding met God is, zal hij tot God gaan als er gevaar dreigt.

Wat door ontrouw ontstaat – het volk is immers ontrouw geweest en heeft nagelaten alle vijanden uit te roeien –, wordt door God ten goede gebruikt. De vijanden die zijn gespaard, dienen om generaties die niet aan de verovering van Kanaän hebben deelgenomen, te leren strijden voor de zegeningen die God heeft geschonken. Door de aanwezigheid van de vijanden kunnen ze laten zien of ze het land van God waarderen.

Wie prijs stelt op wat God heeft gegeven, zal niet toelaten dat de vijand die gave van God in bezit zal nemen of houden. Hij zal ervoor vechten. Wat op die wijze aan de macht van de vijand wordt ontrukt, zal een extra waardevolle betekenis hebben. In het dagelijks leven is dat ook zo. Het geeft immers meerwaarde aan ons bezit als we er zelf voor hebben gewerkt? Het is veel meer ons eigendom. We genieten er intenser van dan van dingen die ons zo in de schoot zijn geworpen.

Tijden van verval zijn tijden van strijd voor iemand die trouw wil zijn aan de Heer. In de tweede brief aan Timotheüs, die de tijd van het verval in de christenheid beschrijft, wordt verschillende keren over strijd gesproken (2Tm 2:3-43Lijd mee verdrukking als een goed soldaat van Christus Jezus.4Niemand die als soldaat dient, wikkelt zich in de zorgen van het leven, opdat hij hem behaagt die hem in dienst genomen heeft.; 4:77Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.). Op die plaatsen wordt de enkeling opgeroepen om trouw te blijven te midden van het verval. Strijd maakt overwinnaars openbaar (Op 2:7,11,17,267Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik te eten geven van de boom van het leven die in het paradijs van God is.11Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, zal geenszins van de tweede dood schade lijden.17Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt.26En wie overwint en Mijn werken tot [het] einde toe bewaart, die zal Ik macht geven over de volken;; 3:5,12,215Wie overwint, die zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.12Wie overwint, die zal Ik maken tot een pilaar in de tempel van Mijn God en hij zal geenszins meer daaruit weggaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam van Mijn God en de naam van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van Mijn God, en Mijn nieuwe Naam.21Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen en Mij gezet heb met Mijn Vader op Zijn troon.).

Bij dit alles moeten we steeds voor ogen houden dat onze strijd zich in de hemelse gewesten afspeelt en niet een strijd is tegen vlees en bloed. De volken die overgelaten zijn, zijn een beeld van het vlees in ons. Het vlees is niet in ons gelaten opdat wij het zouden dienen, maar opdat we leren het te oordelen. Deze volken kunnen ook een beeld zijn van een “doorn voor het vlees” zoals Paulus die heeft gehad (2Ko 12:77En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen niet verhef, is mij een doorn voor het vlees gegeven, een engel van satan, om mij met vuisten te slaan, <opdat ik mij niet verhef>.). Het doel van die doorn was niet om hem in zijn dienst voor God lam te leggen, maar om hem klein en afhankelijk te houden.

Zo kunnen er ook in ons leven dingen zijn, waar we graag vanaf zouden willen, maar die we toch moeten meedragen. Dat zijn geen zonden, want die moeten we veroordelen. Het gaat meestal om onaangename zaken die, naar onze mening, ons functioneren beperken. Maar God heeft die dingen toegelaten om ons klein te houden, zodat we beter voor Hem gaan functioneren.


De vijanden

3vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Hevieten, die in het bergland van de Libanon woonden, van de berg Baäl-Hermon af tot aan Lebo-Hamath.

De vijanden die bij name worden genoemd, zijn de Filistijnen, de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Hevieten. Ook wordt het gebied van de vijanden beschreven. Elke vijand heeft zijn eigen werkterrein. De Filistijnen worden als eerste genoemd. Zo vinden we het ook in Jozua 13 (Jz 13:1-21Jozua nu was oud [en] op dagen gekomen, en de HEERE zei tegen hem: U bent zelf oud geworden en op dagen gekomen, en er is [nog] zeer veel land overgebleven om dat in bezit te nemen.2Dit is het land dat overgebleven is: alle gebieden van de Filistijnen en heel [het land van] de Gesuriet;). Daar zegt de HEERE dat er nog veel land is overgebleven om in bezit te nemen. Als het niet veroverde land wordt opgesomd, wordt het gebied van de Filistijnen het eerst genoemd.

De Filistijnen nemen onder de vijanden van Israël een bijzondere plaats in. Zij zijn de hardnekkigste vijanden. Pas als David koning is, zal hij deze vijand zijn kracht ontnemen, maar ook dan wordt hij niet volkomen uitgeschakeld. Ook dan nog blijft hij actief, al is het niet meer als overheerser van het volk.

Opmerkelijk is dat hier niet het Filistijnse volk wordt genoemd, maar “vijf vorsten van de Filistijnen”. In het zojuist aangehaalde Jozua 13 lezen we over dezelfde vijf vorsten en worden de namen van de plaatsen opgesomd waarover zij heersen (Jz 13:33vanaf de Sichor, die tegenover Egypte ligt, tot aan het gebied van Ekron in het noorden, dat tot [het gebied van] de Kanaänieten wordt gerekend. De vijf stadsvorsten van de Filistijnen, die van Gaza en die van Asdod, die van Askelon, die van Gath en die van Ekron, en de Avvieten;). Drie van die plaatsen heeft Juda ingenomen (Ri 1:1818Verder nam Juda Gaza met zijn gebied in, alsook Askelon met zijn gebied en Ekron met zijn gebied.). Maar hier blijkt dat ze dat niet afdoende hebben gedaan.

De Filistijnen vormen een volk dat zich in het land heeft genesteld en het voor zichzelf opeist. In Exodus 13 lezen we dat God Zijn volk uit Egypte laat trekken en dat Hij hen niet leidde [langs] de weg door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was” (Ex 13:1717Toen de farao het volk had laten gaan, is het gebeurd dat God hen niet leidde [langs] de weg door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was. Want God zei: Anders zal het het volk berouwen bij het zien van oorlog en wil het naar Egypte terugkeren.). Via het land van de Filistijnen zou de kortste weg naar Kanaän geweest zijn. Toch is dat niet de weg die God Zijn volk heeft aangewezen. Hij heeft een andere weg voor hen in gedachten gehad, een weg waarop ze ervaringen met Hem hebben opgedaan en waardoor ze Hem beter hebben leren kennen en ook zichzelf.

De Filistijnen zijn het land via een andere weg binnengekomen. Zij zijn een beeld van een volk dat niet de verlossing uit Egypte kent, hoewel ze er wel mee verbonden zijn, want ze komen oorspronkelijk uit Egypte. In Genesis 10 wordt Mizraïm genoemd als een voorvader van de Filistijnen en Mizraïm is Egypte (Gn 10:13-1413Mitsraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,14de Pathrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn – en de Kaftorieten.). Dit betekent dat zowel Israël als de Filistijnen met Egypte te maken hebben gehad.

Het verschil is dat Israël daar in slavernij is geweest en door God is verlost, terwijl de Filistijnen een zwervend volk zijn dat Egypte wel heeft verlaten, maar nooit de verlossing heeft gekend. Ook weten zij niets van ervaringen met God in de woestijn en van een doortocht door de Jordaan om in het beloofde land te komen.

De Filistijnen stellen mensen voor die zeggen dat ze christenen zijn, die zeggen dat ze recht hebben op de zegeningen van God, maar die geen leven uit God hebben. Ze hebben nooit hun zonden oprecht voor God beleden en hebben geen deel aan de verlossing door het geloof in de Heer Jezus. Het zijn naamchristenen. Het zijn mensen die zich in hun zogenaamde christen zijn laten leiden door hun eigen gedachten en gevoelens.

Naamchristenen zetten de Bijbel naar hun hand. God dienen doen ze op de manier die hun het beste lijkt. Hun godsdienst wordt bepaald door de ‘vijf vorsten’. We kunnen dit vergelijken met de vijf zintuigen van de mens. De naamchristen laat zich in het dienen van God leiden door wat hij hoort, ziet, ruikt, voelt en proeft, dat wil zeggen zuiver door eigen waarneming en niet door de Geest van God, want Die bezit hij niet.

Deze manier van godsdienst komt in de christenheid algemeen voor. Niet wat God zegt, is bepalend, maar wat de mens vindt. Als de mening van naamchristenen doorslaggevend wordt in de dingen van God, hebben als het ware de Filistijnen de touwtjes in handen en wordt het volk van God beroofd van Gods zegen en het genieten daarvan.

Over de tweede hier genoemde vijand, de Kanaänieten, is al het een en ander geschreven bij de bespreking van Richteren 1:8-9. Verderop, bij vers 55Toen nu de Israëlieten te midden van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten woonden, van dit hoofdstuk, zal er nog wat aan worden toegevoegd.

De derde vijand komt uit Sidon. Dat ligt in het gebied van Aser (Ri 1:3131Aser heeft de inwoners van Acco en de inwoners van Sidon, Achlab, Achzib, Chelba, Afik en Rehob niet verdreven.). Door de ontrouw van Aser is ook deze vijand nog in leven en oefent zijn invloed uit. Daardoor zijn de Israëlieten de goden van de Sidoniërs gaan dienen (Ri 10:66Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE, en dienden de Baäls en de Astartes en de goden van Syrië, de goden van Sidon, de goden van Moab, de goden van de Ammonieten en de goden van de Filistijnen. Zij verlieten de HEERE en dienden Hem niet.). Uit de oordeelsprofetie over Sidon (Ez 28:21-2421Mensenkind, richt uw blik op Sidon, en profeteer ertegen.22Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Sidon! Ik zal Mij in uw midden verheerlijken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik er strafgerichten voltrek en er geheiligd word.23Ik zal de pest op [de stad] afsturen, en bloed op haar straten. De dodelijk gewonden zullen in haar midden vallen door het zwaard, [dat] van rondom tegen haar is. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.24Dan zal er voor het huis van Israël geen prikkende doorn of pijnlijke distel meer zijn onder allen die hen omringen [en] hen verachten. Dan zullen zij weten dat Ik de Heere HEERE ben.) blijkt dat Sidon voor Israël een ‘wondende doorn’ en een ‘pijndoende doorn’ is geweest. God verwijt deze stad dat de inwoners zichzelf hebben verrijkt met Zijn zilver en goud en dat zij Zijn volk als koopwaar hebben verhandeld (Jl 3:4-64En ook,
wat wilt u van Mij, Tyrus en Sidon,
en alle gebieden van Filistea?
Wilt u Mij [Mijn] handelwijze vergelden?
Als u Mij dat wilt aandoen,
zal Ik snel en onmiddellijk
uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren,5omdat u Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen,
het beste van Mijn kostbaarheden naar uw tempels hebt gebracht.6U hebt de Judeeërs en de inwoners van Jeruzalem
aan de Grieken verkocht,
om hen ver weg te voeren
uit hun [eigen] gebied.
)
.

De vijand die Sidon ons voorstelt, is de zucht naar rijkdom. Als de geldzucht gaat heersen over het volk van God, wordt hij een plaag, waardoor niet genoten kan worden van Gods zegeningen. De relatie tussen de geldzucht van Sidon en de pijn die Sidon het volk van God in alle tijden bezorgt, komt treffend tot uitdrukking in 1 Timotheüs 6. Daar lezen we: “Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord” (1Tm 6:1010Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.). Kan het duidelijker?

De Hevieten komen bij de bespreking van vers 55Toen nu de Israëlieten te midden van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten woonden, aan bod.


Luisteren naar de geboden

4Zij waren er om Israël door hen op de proef te stellen, opdat men zou weten of zij naar de geboden van de HEERE zouden luisteren, die Hij hun vaderen door de dienst van Mozes geboden had.

In het vorige hoofdstuk staat dat Israël op de proef wordt gesteld om te zien “of zij de weg van de HEERE in acht zullen nemen” (Ri 2:2222opdat Ik door hen Israël op de proef stel, [om te zien] of zij de weg van de HEERE in acht zullen nemen door daarin te gaan, zoals hun vaderen [die] in acht genomen hebben, of niet.). Nu zien we een andere invalshoek waarom de vijanden in het land zijn gebleven. Het doel is hier om Israël door hen op de proef te stellen, opdat men zou weten of zij naar de geboden van de HEERE zouden luisteren, die Hij hun vaderen door de dienst van Mozes geboden had”. De aanwezigheid van de vijanden is dus ook een test of zij zich aan het Woord van God zullen houden.

Kort gezegd, gaat het om de weg van de HEERE (Ri 2:2222opdat Ik door hen Israël op de proef stel, [om te zien] of zij de weg van de HEERE in acht zullen nemen door daarin te gaan, zoals hun vaderen [die] in acht genomen hebben, of niet.) en om de wet van de HEERE (Ri 3:44Zij waren er om Israël door hen op de proef te stellen, opdat men zou weten of zij naar de geboden van de HEERE zouden luisteren, die Hij hun vaderen door de dienst van Mozes geboden had.; vgl. Dt 8:22Ook moet u heel de weg in gedachten houden waarop de HEERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u zou verootmoedigen, [en] u op de proef zou stellen om te weten wat er in uw hart was, of u Zijn geboden in acht zou nemen of niet.).

Op de weg die wij gaan, gebeuren allerlei dingen waarop wij reageren, bewust of onbewust. Door onze reactie laten we zien of we rekening houden met God en Zijn belangen of dat wij bezig zijn met onszelf en onze eigen belangen.


Te midden van de heidenen

5Toen nu de Israëlieten te midden van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten woonden,

De aanwezigheid van de volken te midden waarvan Israël woont, is veroorzaakt door de ontrouw van Israël in het verleden. Maar God laat het daar niet bij. Hij gebruikt deze volken om de trouw van Zijn volk op de proef te stellen. Hij levert hen over aan de resultaten van hun ongehoorzaamheid, maar doet dat, opdat ze weer naar Hem gaan vragen.

Dag aan dag leven ze te midden van deze heidenen. Ze worden daardoor voortdurend op de proef gesteld of zij de HEERE trouw en gehoorzaam zullen blijven en deze vijanden alsnog zullen verjagen. Hun aanwezigheid vormt aan de ene kant een getuigenis van hun ontrouw in het verleden en aan de andere kant is het een uitdaging hun vijanden te verdrijven en in bezit te nemen wat God hun geschonken heeft, of te herstellen wat ze zijn kwijtgeraakt.

Wat stellen deze vijanden voor? Ze zijn een beeld van geestelijke machten die het gedrag van Gods volk willen beïnvloeden. Welke soort invloeden dat zijn, kunnen we opmaken uit de betekenis van hun namen. Aan deze invloeden staat iedere christen of gemeenschap van christenen bloot. De grote vraag is hoe we erop reageren. Geven we eraan toe, laten we ons beïnvloeden door deze vijanden, of gaan we erop af en verslaan we ze met Gods Woord? Dat is de test voor ons in geestelijke zin zoals het voor Israël in letterlijke zin is.

Kanaänieten

Over de betekenis van de naam Kanaän (‘koopman’) is nog een toepassing te maken die we wellicht herkennen. Soms kunnen we ons, zonder dat we het zelf weten of willen, gemakkelijk door deze vijand laten beïnvloeden. Het gaat daarbij niet om financieel voordeel. Er is namelijk ook voordeel te halen in sociaal opzicht. Iets kan een bepaalde status aan iemand geven.

Sommige groten der aarde laten zich erop voorstaan dat ze christen zijn. Wie bij zulke vooraanstaande heren in het gevlei wil komen, zal zich moeten uitgeven voor christen en zich christelijke waarden moeten aanmeten. Het christelijk goed wordt op die manier tot koophandel gemaakt. Het gaat niet om de vraag of iemand echt christen is of alleen in naam. In veel gevallen kan alleen God die vraag beantwoorden. Waar het om gaat, is de handelwijze, de manier waarop met de dingen van God wordt omgegaan.

Ik las daarvan eens een illustratie in de krant. Er werd een lijst gepubliceerd van de top zes van favoriete predikers van de Amerikaanse president Bill Clinton (president van 20-01-1993 tot 20-01-2001). Je vraagt je af, waar dat nu goed voor is. Als je daarbij hoort, scoort dat natuurlijk goed, zeker als je nummer één voor hem bent. Het zet de persoon van de prediker in het zonnetje en ook zijn achterban. Dat levert winst op. Als je voor Clinton nummer 1 of 5 of 6 bent, zullen er veel meer komen die zich bij jou en jouw groep willen aansluiten. Velen identificeren zich veel liever met een gevierd en invloedrijk persoon in de wereld dan met een verworpen en verachte Christus in de hemel. Hoe God de waarde en winst van zo’n top zes beoordeelt, zullen we maar aan Hem overlaten.

Hethieten

Hun naam betekent ‘zonen van de verschrikking’. De invloed die zij uitoefenen ligt in de sfeer van het inboezemen van angst. Deze vijand is erop uit om de monden van de christenen te snoeren. Zijn beproefde wapen is angst. Veel christenen zijn bang om hun mond open te doen om van hun Heer te getuigen. Het kan daarbij gaan om een woord tegenover onbekeerde mensen, maar ook om een woord te midden van gelovigen.

Waarom doen zo weinig gelovigen aan evangelisatie? Waarom doen zo weinig kinderen van God in de gemeente hun mond open om God te danken of om te bidden? Angst heeft het volk van God in zijn greep. Bang om af te gaan, bang om je gezicht te verliezen. Bang, omdat je teveel met jezelf bezig bent. Als het hart vol is van de Heer Jezus, worden schroom en angst overwonnen, want waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over (Mt 12:34b34Adderengebroed, hoe kunt u goede dingen spreken, terwijl u boos bent? Want uit de overvloed van het hart spreekt de mond.). De aanwezigheid van deze vijand is de uitdaging om je bezig te houden met de Heer Jezus. Dan kun je hem verslaan.

Amorieten

Zij zijn de ‘praters’, dat is een van de betekenissen van hun naam. Het is een heel andere vijand dan de vorige die je de mond snoert. Iemand kan veel praten, maar zonder echt iets te zeggen. Een gemakkelijke prater gebruikt veel woorden. Let wel, het gaat hier om een vijand. Het gaat om praten als een negatief kenmerk.

Er zijn christenen die bang zijn om te getuigen van de Heer Jezus, maar die wel hele verhalen kunnen ophangen over christelijke waarden. Kijk maar eens naar de ‘christelijke’ politiek. Deze vijand moet worden overwonnen door gemeenschap met de Heer. Wanneer het “denken van Christus” (1Ko 2:1616Want ‘wie heeft [het] denken van [de] Heer gekend, dat hij Hem zou onderrichten?’ Maar wij hebben [het] denken van Christus.) het gedachteleven gaat besturen, worden de ‘praters’ verslagen. Dan krijgen de woorden inhoud en werken ze iets uit in hen die ze horen.

Ferezieten

Ferezieten betekent onder andere ‘regeerders’. Zij stellen een geestelijke klasse voor die boven het gewone volk staat. Zij zijn de mensen die het kunnen weten, want zij hebben er per slot van rekening voor gestudeerd. Het gaat niet om wat zij zeggen, maar om wat zij zijn. Iemand die niet gestudeerd heeft, geen titel voor zijn naam heeft, kan niet met gezag spreken. In een gemeenschap waar dit geldt, zijn de Ferezieten de baas.

Het onderwijs van de Heer Jezus dat Hij geeft als Hij op aarde is, wordt onder andere niet geaccepteerd, omdat Hij niet de papieren bezit die men nodig oordeelt (Jh 7:1515De Joden dan verwonderden zich en zeiden: Hoe is Deze zo geleerd zonder onderwezen te zijn?). Vandaag werkt dat nog steeds zo. Iemand die geen erkende godsdienstige opleiding heeft gevolgd, wordt in grote delen van de christenheid niet serieus genomen, hoezeer hij ook Gods waarheid spreekt. Er wordt gewoon niet naar hem geluisterd, want hij is geen ‘vakgenoot’. Deze vijand wordt overwonnen door te luisteren naar wat de Heer Jezus in Lukas 22 zegt (Lk 22:25-2725Hij echter zei tot hen: De koningen van de volken heersen over hen, en zij die gezag over hen voeren, worden weldoeners genoemd.26U echter niet aldus, maar laat de grootste onder u als de jongste zijn, en de voorganger als een die dient.27Want wie is groter, hij die aanligt of hij die dient? Niet hij die aanligt? Ik echter ben in uw midden als Degene Die dient.).

Hevieten

De Hevieten vormen de tegenhangers van de Ferezieten. In tegenstelling tot de Ferezieten, de ‘regeerders’, zien we in de Hevieten de ‘dorpsbewoners’. Dat is de betekenis van hun naam. Zij zijn de gewone mensen, de leken. Zij maken zich niet druk om de uitleg van de Bijbel. Daar hebben ze hun ‘regeerders’ voor die door hen worden betaald. Het gemak dient de mens, en als men er ook nog voor betaalt, kan men daarmee het geweten geruststellen. Veel christenen vinden het wel fijn als ze geen verantwoordelijkheid hoeven te dragen en onthouden zich van elke activiteit.

In 1 Korinthiërs 12 komen we zowel de Ferezieten als de Hevieten tegen. Daar horen we iemand zeggen dat hij “niet van het lichaam” is (1Ko 12:15-1615Als de voet zegt: Omdat ik geen hand ben, ben ik niet van het lichaam, – is hij daarom niet van het lichaam?16En als het oor zegt: Omdat ik geen oog ben, ben ik niet van het lichaam, – is het daarom niet van lichaam?). Het lijkt erop dat hier een ‘Heviet’ aan het woord is. Hoewel het gaat om iemand die ontevreden is over de plaats die hij in het lichaam heeft, kan het wel worden toegepast op deze vijand. Het resultaat van gemakzucht en ontevredenheid is namelijk hetzelfde: er gebeurt niets.

Ieder kind van God heeft zijn eigen, unieke plaats in het lichaam (de gemeente) en mag, ja moet zelfs de functie die daarbij hoort, uitoefenen. Zijn functie is tot nut van het hele lichaam (de hele gemeente).

We beluisteren ook een ‘Fereziet’ (1Ko 12:21-2221Het oog nu kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig; of ook het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig.22Integendeel, de leden van het lichaam die de zwakkere schijnen te zijn, zijn des te noodzakelijker;). Hij kan het alleen wel af en heeft de anderen niet nodig. Hij staat erboven.

Beide vijanden worden overwonnen door te letten op wat God heeft gewild (1Ko 12:18,2518Maar nu heeft God de leden, elk van hen, in het lichaam gesteld zoals Hij heeft gewild.25opdat er geen verdeeldheid in het lichaam is, maar de leden voor elkaar gelijke zorg dragen.). God wil dat dit zichtbaar wordt in de plaatselijke gemeente (1Ko 12:2727En u bent [het] lichaam van Christus en ieder afzonderlijk leden.) en daarom moeten deze vijanden worden ‘verjaagd’.

Jebusieten

De Jebusieten sluiten de rij. De betekenis van hun naam, ‘vertrappers’, laat het eindresultaat zien van wat we in de vorige vijanden hebben opgemerkt. Zij vertrappen alles wat van God is. Ze lopen het onder de voet. Ze lijken op de honden en de varkens van Mattheüs 7 (Mt 7:66Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw parels niet voor de varkens; opdat zij ze niet misschien met hun poten vertrappen en zich omkeren en u verscheuren.). De Heer Jezus waarschuwt daar Zijn discipelen dat ze “het heilige” en “uw parels” niet aan hen zullen geven, want ze zullen het vertrappen en verscheuren.

Bij ‘het heilige’ kunnen we denken aan het avondmaal. Dat is niet voor onbekeerde mensen, maar alleen voor hen die door bekering tot God en geloof in de Heer Jezus tot de gemeente behoren. Ongelovigen begrijpen niets van de betekenis ervan. Ze hebben geen deel aan het verlossingswerk van de Heer Jezus. Het enige wat ze met het avondmaal kunnen doen, is het met hun voeten vertrappen.

Bij ‘uw parels’ kunnen we denken aan de kostbare waarheden die in de Bijbel staan over de gemeente en over zoveel zegeningen van de gelovige. Al deze waarheden zijn niet bestemd voor ongelovigen, maar voor gelovigen. Onbekeerde mensen kunnen deze kostbare waarheden niet waarderen. Ze maken ze belachelijk en bespotten ze. Daarom moeten we daarover niet met hen spreken.

Deze vijand kan overwonnen worden door erop toe te zien, dat geen onbekeerde toegelaten wordt aan de tafel van de Heer. We mogen niet toelaten dat iemand die geen leven uit God heeft, deel kan nemen aan de dienst in de gemeente. Dit kan door het handhaven van tucht in de gemeente, zoals de Schrift dat aangeeft onder andere in 1 Korinthiërs 5. Dit kan ook door ons te houden aan wat Paulus zegt in 2 Korinthiërs 6-7 en in 2 Timotheüs 2 (2Ko 6:14-1814Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?15En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?16En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn [de] tempel van [de] levende God, zoals God gezegd heeft: ‘Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn’.17Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,18en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’.; 2Ko 7:11Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekking van [het] vlees en van [de] geest, en [de] heiligheid volbrengen in [de] vrees van God.; 2Tm 2:16-2216Maar onttrek je aan ongoddelijk gezwets;17want zij zullen voortgaan tot toenemende goddeloosheid en hun woord zal als kanker voortwoekeren. Onder hen zijn Hymenéüs en Filétus,18die van de waarheid zijn afgeweken door te zeggen dat <de> opstanding al heeft plaatsgehad en die het geloof van sommigen omverwerpen.19Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.20In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer.21Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.22Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.).


Trouwen en aanbidden

6namen zij hun dochters voor zich tot vrouwen en gaven zij hun [eigen] dochters aan hun zonen. En zij dienden hun goden.

De vijand weet hoe hij de Israëlieten aan zich kan onderwerpen. Dat lukt het beste via de liefde. Hij redeneert als volgt: ‘Laat onze meisjes maar trouwen met mannen uit Israël en laat de meisjes uit Israël maar trouwen met onze mannen. Na een poosje zullen de Israëlieten dan wel onze gewoonten overnemen. Ze zullen ten slotte zelfs onze goden gaan aanbidden.’

Deze manier is altijd succesvol gebleken. Als niet in gehoorzaamheid aan Gods Woord met de vijand wordt afgerekend, zal er een liefdesrelatie ontstaan met de wereld die de ondergang van Gods volk betekent. Het is onmogelijk om neutraal met de vijand om te gaan. De vijand houdt zich nooit voor verslagen en zal elke gelegenheid te baat nemen om Gods volk aan zich te onderwerpen.

Hetzelfde geldt voor ons. Als we ons thuis voelen in het gezelschap van de wereld, zullen we ons ermee verbinden, terwijl christenen een volk zijn dat, net als Israël, alleen, dat is afgezonderd van de wereld, moet wonen (Jh 17:1717Heilig hen door de waarheid: Uw woord is [de] waarheid.; Nm 23:9b9Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,
vanaf de heuvels neem ik hem waar;
zie, dat volk woont afgezonderd,
onder de heidenvolken rekent het zich niet.
)
. De volgende en laatste stap is dat de goden van de wereld worden gediend. We zien dat de volgorde is: eerst samen eten en drinken, dan trouwen ofwel een verbintenis aangaan en ten slotte samen aanbidden.

In Numeri 25 en in 1 Korinthiërs 10 staan verschillende negatieve geschiedenissen die ook te maken hebben met eten en drinken en die hetzelfde resultaat laten zien (Nm 25:1-31Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab.2Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk at en boog zich voor hun goden neer.3Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde, ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël.; 1Ko 10:77Wordt ook geen afgodendienaars zoals sommigen van hen, zoals geschreven staat: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en zij stonden op om te spelen’.). Eten en drinken zijn in deze gevallen geen op zichzelf staande bezigheden. Ze worden door de vijand gebruikt om contacten te leggen. Deze contacten voeren geleidelijk tot nauwere banden, totdat de nauwste band, die van het huwelijk, wordt aangegaan. Een volgende, onvermijdelijke stap is het dienen van de goden van de huwelijkspartner.


Slecht in de ogen van de HEERE

7En de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE, en zij vergaten de HEERE, hun God, en dienden de Baäls en de gewijde palen.

Zeven keer lezen we in dit boek dat “de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE” (Ri 2:1111Toen deden de Israëlieten wat slecht was in de ogen van de HEERE en zij dienden de Baäls.; 3:7,127En de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE, en zij vergaten de HEERE, hun God, en dienden de Baäls en de gewijde palen.12Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen maakte de HEERE Eglon, de koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat zij deden wat slecht was in de ogen van de HEERE.; 4:11Toen Ehud gestorven was, deden de Israëlieten opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE.; 6:11Maar de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen gaf de HEERE hen over in de hand van Midian, zeven jaar.; 10:66Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE, en dienden de Baäls en de Astartes en de goden van Syrië, de goden van Sidon, de goden van Moab, de goden van de Ammonieten en de goden van de Filistijnen. Zij verlieten de HEERE en dienden Hem niet.; 13:11Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE. Daarom gaf de HEERE hen over in de hand van de Filistijnen, veertig jaar [lang].). Deze woorden luiden telkens een nieuwe periode van verval in. Het vergeten van de HEERE hun God en het dienen van de afgoden zijn de twee aspecten van het kwaad, die hier beide zichtbaar worden. Het tweede kwaad vloeit uit het eerste voort. Dat kan ook niet anders. Wie God vergeet, houdt geen rekening meer met Zijn geboden en luistert niet meer naar Hem. Er ontstaat een leegte.

Als er geen plaats is voor God, komt er plaats voor een afgod. Die zal de leegte die is ontstaan, opvullen met allerlei andere dingen waaraan iemand zijn aandacht, tijd en energie gaat wijden. Dat andere wordt dan een afgod. Bij de uitleg van Richteren 2:13 is al over de Baäl gesproken. De “gewijde palen” zijn mogelijk een soort schutting om de afgod heen, om hem te beschermen (vgl. Ri 6:2525En het gebeurde in diezelfde nacht dat de HEERE tegen hem zei: Neem een jonge stier van de runderen die van uw vader zijn, en wel de tweede jonge stier, van zeven jaar. Breek vervolgens het altaar van de Baäl af dat van uw vader is, en hak de gewijde paal om die erbij staat.).


Cusjan Risjataïm

8Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël en Hij leverde hen over in de hand van Cusjan Risjataïm, de koning van Mesopotamië. En de Israëlieten dienden Cusjan Risjataïm acht jaar.

“Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël.” God is diep gegriefd door de handelwijze van Zijn volk. Hij kan niet werkeloos blijven toezien. Vanuit een diepe verontwaardiging gaat God nu met Zijn volk handelen op een wijze die niet bepaald past bij de verkeerde indrukken die wij van een liefdevolle God kunnen hebben. God is niet de grootmoedige Vader van Wie wij soms denken dat Hij de zonde door de vingers ziet. Alsof Hij de handelwijze van Zijn volk zou vergelijken met kwajongensstreken, die je ook niet al te serieus moet beoordelen. Nee, God neemt de daden van Zijn volk hoogst ernstig. Hij moet hen hiervoor tuchtigen.

God handelt echter nooit vanuit een gevoel van irritatie, zoals wij dat wel kunnen doen. Als God Zijn volk moet tuchtigen, doet Hij dat met het oog op hun herstel. Hij wil dat zij tot inkeer en belijdenis komen, opdat Hij hen tot Zichzelf terug kan brengen en hen weer kan zegenen. Daarom worden ze door Hem overgeleverd in de hand van de vijand. God zegt als het ware tegen Zijn volk: ‘Jullie willen de wereld dienen? Goed, dan zul je weten hoe de wereld is.’ Wie als gelovige de wereld wil, zal de wereld krijgen, maar dan wel als meester.

Mesopotamië betekent ‘land van de twee rivieren’ en is een beeld van de wereld. Vermaak en genot aan de ene kant en godsdienst aan de andere kant zijn de twee rivieren die de wereld maken tot een aangename verblijfplaats voor de mens zonder God. Dat Mesopotamië een beeld van de wereld is, kunnen we afleiden uit Genesis 12 en Handelingen 7 (Gn 12:11De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.; Hd 7:22En hij zei: Mannen broeders en vaders, hoort. De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij in Mesopotamië was, voordat hij woonde in Haran,). Het is een gebied waar de afgoden worden gediend (Jz 24:22Toen zei Jozua tegen heel het volk: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaderen vanouds gewoond, [namelijk] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.). Uit die streek is Abraham geroepen om de stamvader van Israël te worden.

Iedere gelovige is door God geroepen om op dezelfde wijze als Abraham de wereld op te geven. Nergens lezen we in de Bijbel een oproep om in de wereld te blijven en die te verbeteren (vgl. Gl 1:44Die Zichzelf heeft gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit de tegenwoordige boze eeuw, naar de wil van onze God en Vader,). De gelovige is “niet van de wereld” (Jh 17:1616Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben.). Natuurlijk heeft hij er wel een taak, zoals de Heer er ook een taak heeft gehad, zoals Hij dat duidelijk zegt (Jh 20:21b21<Jezus> dan zei opnieuw tot hen: Vrede zij u! Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend ook Ik u.), maar de wereld heeft geen recht meer op ons.

De koning van Mesopotamië heet Cusjan Risjataïm. Zijn naam betekent ‘zwartheid (of: duisternis) van dubbele boosheid’. Dit spreekt van de duisternis waarin de wereld gehuld is. De wereld sluit zich af voor het licht van God, ze verwerpt zelfs het licht (Jh 1:55En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.; 3:1919En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen, en de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht, want hun werken waren boos.). Als het licht schijnt, maar het wordt toch verworpen, ontstaat de grootste duisternis.

Wie belijdt een christen te zijn, maar God de rug toekeert en de afgoden gaat dienen, zal alle licht verliezen dat hij eens heeft gehad. God zal moeten toelaten dat zo iemand het zicht heeft op Hem, de Bron van het licht, en op de Heer Jezus, het Licht van de wereld, kwijtraakt (1Jh 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.; Jh 8:1212Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.). Van zo iemand geldt: “Als het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot is de duisternis!” (Mt 6:2323maar als uw oog boos is, zal uw hele lichaam duister zijn. Als dan het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot is de duisternis!).

Pas als deze toestand acht jaar heeft geduurd, gaat het volk tot God roepen. Het getal acht spreekt van een nieuw begin na een afgesloten volkomen periode van zeven jaar. Pas als iemand volledig is vast komen te zitten en er zelf niet meer uitkomt, gaat hij tot God roepen en is hij bereid om een nieuwe start met God te maken.


Othniël

9Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE. En de HEERE deed voor de Israëlieten een verlosser opstaan, die hen verloste: Othniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, die jonger was dan hij.

Uit deze situatie kan Israël alleen worden bevrijd door een man als Othniël. We hebben hem al ontmoet in Richteren 1 (Ri 1:13-1513Othniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, die jonger was dan hij, nam [de stad] in en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot vrouw.14En het gebeurde, toen zij [bij hem] kwam, dat zij hem aanspoorde om een akker van haar vader te vragen. Toen zij van de ezel afsprong, zei Kaleb tegen haar: Wat is er met je?15Daarop zei zij tegen hem: Geef mij een zegen. Omdat u mij een dor [stuk] land gegeven hebt, geef mij [dan] ook waterbronnen. Toen gaf Kaleb haar hooggelegen bronnen en laaggelegen bronnen.). Daar komt hij naar voren als een man die trouw is en een overwinnaar binnen de eigen kring. Hij is iemand die belangstelling heeft voor de zegen van God. Hij laat zich aanvuren tot handelen in geloof. Het uitgangspunt van zijn leven is het Woord van God. Hij heeft immers Debir ingenomen (Ri 1:12-1312En Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer zal verslaan en het zal innemen, die zal ik mijn dochter Achsa tot vrouw geven.13Othniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, die jonger was dan hij, nam [de stad] in en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot vrouw.)? Debir betekent ‘spreken van God’.

We hebben ook in Richteren 1 gezien hoe belangrijk zijn relatie met Achsa is. Zijn huwelijk met Achsa toont aan dat hij niet meedoet met de algemene zonde van Israël die in vers 33vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Hevieten, die in het bergland van de Libanon woonden, van de berg Baäl-Hermon af tot aan Lebo-Hamath. van dit hoofdstuk wordt genoemd. Hij heeft geen vrouw uit de volken genomen, maar een uit het volk van God. Hij houdt zich aan Gods Woord. Om het met een woord uit 1 Korinthiërs 7 te zeggen, hij trouwt “in [de] Heer” (1Ko 7:3939Een vrouw is verbonden zolang haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, is zij vrij om te trouwen met wie zij wil, mits in [de] Heer.). Omdat hij persoonlijk vrij is van de zonden van het volk, kan God hem gebruiken. Al deze dingen maken duidelijk hoe het er in het persoonlijke leven van Othniël voorstaat.

Wie zijn zaken thuis niet inricht naar Gods Woord, moet niet denken dat hij iets kan doen ten gunste van het hele volk. “Wie trouw is in [het] minste, is ook in veel trouw” (Lk 16:1010Wie trouw is in [het] minste, is ook in veel trouw; en wie in [het] minste onrechtvaardig is, is ook in veel onrechtvaardig.). De vorming thuis, in het gezin, is nog steeds de beste voorbereiding om de Heer in de gemeente te gaan dienen.

Zoals al is opgemerkt, herkennen we richters vandaag vooral in de opzieners of oudsten in de gemeente. Van een opziener staat geschreven dat het iemand moet zijn “die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid, – maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God?” (1Tm 3:4-54iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid,5– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –). Dít zijn de mensen die vandaag andere gelovigen kunnen helpen te ontkomen aan de greep van de wereld waardoor zij weer gevangen zijn. Door hun hulp kunnen die gelovigen weer gaan genieten van Gods zegeningen.


De vijand verslagen

10En de Geest van de HEERE was op hem en hij gaf leiding aan Israël en trok ten strijde. En de HEERE gaf Cusjan Risjataïm, de koning van Syrië, in zijn hand, zodat hij de overhand kreeg op Cusjan Risjataïm. 11Toen had het land veertig jaar rust. En Othniël, de zoon van Kenaz, stierf.

Othniël heeft de overwinning die hij behaalt niet aan zichzelf te danken. Hoewel hij een geschikt instrument is, bezit hij in zichzelf geen kracht om de vijand te verslaan. Daarvoor is de kracht van “de Geest van de HEERE” nodig. Alleen de Heilige Geest kan ervoor zorgen dat de verkeerde elementen uit het leven van Gods volk worden weggedaan.

De eerste activiteit waarover we lezen, is dat Othniël leiding geeft aan Israël. Pas daarna trekt hij ten strijde. Hij houdt zich eerst bezig met de toestand van Gods volk. Hij maakt duidelijk waar ze fout zitten. Dat moet tot zelfveroordeling leiden. Niet-beleden zonden verzwakken het volk van God. Er is geen kracht om te strijden. Het eerste werk van de Geest is dat Hij ons bij onszelf laat ontdekken wat er mis is, zodat wij dit wegdoen uit ons leven. Op die manier worden we vrijgemaakt en kan de Geest ons vullen.

Vervolgens kan plaatsvinden wat als tweede wordt genoemd, namelijk optrekken voor de strijd. Het kenmerk van de jongelingen, dat zij de boze hebben overwonnen (1Jh 2:14-1714Ik heb u geschreven, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft en u de boze overwonnen hebt.15Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.16Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.17En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.), wordt in Othniël zichtbaar. Hij bezit de kracht van God – zijn naam betekent ‘leeuw van God’ –, en het Woord van God verblijft in hem – hij heeft eerder Kirjath-Sefer ingenomen en er Debir van gemaakt (Ri 1:11-1311En daarvandaan trok hij op tegen de inwoners van Debir. De naam van Debir was vroeger Kirjath-Sefer.12En Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer zal verslaan en het zal innemen, die zal ik mijn dochter Achsa tot vrouw geven.13Othniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, die jonger was dan hij, nam [de stad] in en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot vrouw.).

Na zijn overwinning heeft het land veertig jaar rust. Als de kracht van God regeert, is er een situatie waar de vijand geen kans krijgt om zijn boos werk te doen. Maar na veertig jaar sterft Othniël, dat wil zeggen dat de kracht van God is verdwenen. Het gevolg daarvan laat zich snel merken.


Moab en Eglon

12Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen maakte de HEERE Eglon, de koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat zij deden wat slecht was in de ogen van de HEERE.

Als Othniël is gestorven, duurt het niet land of de Israëlieten doen opnieuw wat slecht is in de ogen van de HEERE. Het lijkt of ze niets hebben geleerd van de vorige keer. Zijn ze daarmee niet een schrijnend voorbeeld van wie wij zijn? Veelzeggend is dat er staat dat de HEERE de vijand sterk maakt. Gods kracht is niet bij Zijn ongehoorzame volk Israël, maar bij de vijand Moab. Is Moab dan beter dan Israël? Nee, dat is hij niet, maar God wil Moab als een tuchtroede gebruiken om Zijn volk ertoe te brengen naar Hem terug te keren.

Ook deze vijand stelt iets voor. Wat dat is, kunnen we afleiden uit zijn naam en uit zijn geschiedenis. Zijn naam betekent ‘van de vader’. Wie is zijn vader? Dat is Lot (Gn 19:36-3736Zo werden de twee dochters van Lot zwanger van hun vader.37De eerstgeborene baarde een zoon en gaf hem de naam Moab. Hij is de vader van de Moabieten, tot op deze dag.). We zien in Lot een man die de wereld liefheeft. Hij ziet aan wat voor ogen is. Hij laat zich leiden door de begeerten van het vlees, dat is de oude natuur die iedere gelovige nog steeds in zich heeft. In Genesis 13 komt dat tot uiting in de keus die hij maakt (Gn 13:8-118En Abram zei tegen Lot: Laat er toch geen onenigheid zijn tussen mij en jou, en tussen mijn herders en jouw herders. Wij zijn immers mannen [die] broeders zijn!9Ligt heel het land niet voor je open? Scheid je toch van mij af: als jij naar links [gaat], dan zal ik naar rechts gaan, en als jij naar rechts [gaat], dan zal ik naar links gaan.10En Lot sloeg de ogen op en zag dat heel de Jordaanvlakte rijk aan water was; voordat de HEERE Sodom en Gomorra te gronde gericht had, was zij in de richting van Zoar als de hof van de HEERE, als het land Egypte.11Daarom koos Lot voor zichzelf heel de Jordaanvlakte en Lot trok naar het oosten; en zij werden van elkaar gescheiden.). In zijn geschiedenis worden twee kenmerken zichtbaar die voortkomen uit de begeerten van het vlees, namelijk gemakzucht en hoogmoed (Jr 48:11,2911Moab is vanaf zijn jeugd zonder zorgen geweest,
en heeft [als wijn] op zijn droesem stilgelegen.
Het is niet van het ene vat in het andere overgegoten:
het is niet in ballingschap gegaan.
Daarom heeft het zijn smaak behouden
en is zijn geur niet veranderd.
29Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogheid, zijn trots, zijn hoogmoed,
en zijn hooghartigheid.
; Js 16:66Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogmoed, zijn trots en zijn overmoed;
zijn holle praat is niet gepast!
)
. Moab stelt de werken van het vlees voor, waarvan er een aantal in Galaten 5 worden genoemd (Gl 5:19-2119Nu is het duidelijk wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid,20afgodendienst, toverij, vijandschappen, twist, jaloersheid, toorn, partijzucht, tweedracht, sekten,21afgunst, <moorden,> dronkenschappen, zwelgpartijen en dergelijke; waarvan ik u tevoren zeg, zoals ik ook tevoren heb gezegd, dat wie zulke dingen bedrijven, Gods koninkrijk niet zullen beërven.).

De man die over Moab regeert, heet Eglon. Eglon betekent ‘rond’ of ‘kring’. We zouden kunnen zeggen dat bij Moab (het vlees) zich alles afspeelt binnen de kring van eigen belang. ‘Ik’ staat centraal, en in die kring is voor God geen plaats. De vorige vijand, Cusjan Risjataïm, die een beeld is van de wereld, wordt opgevolgd door een vijand die een beeld is van het vlees. Aan deze vijand wordt nu de macht over Gods volk gegeven.

In het leven van een afgeweken gelovige betekent dit, dat hij zich vleselijk gaat gedragen, dat hij uit is op de bevrediging van zijn eigen begeerten. Dat geeft nooit echte voldoening.


Ammon en Amalek

13En hij verzamelde de Ammonieten en de Amalekieten bij zich en ging [op weg]. Hij versloeg Israël en zij namen de Palmstad in bezit.

Moab roept de hulp in van Ammon en Amalek. Ammon heeft dezelfde gruwelijke oorsprong als Moab (Gn 19:3838De jongste, ook zij, baarde een zoon en gaf hem de naam Ben-Ammi. Hij is de vader van de Ammonieten, tot op deze dag.). Zijn naam betekent ‘zelfstandig’ en laat de eigenwilligheid van het vlees zien. Amalek is een afstammeling van Ezau (Gn 36:1212Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde Amalek aan Elifaz. Dit waren de zonen van Ada, de vrouw van Ezau.). Zijn naam betekent ‘heersersvolk’. Hierin komt de geldingsdrang, de heerszucht van het vlees naar voren. “De Palmstad” is Jericho, de stad die de toegang tot het land vormt en door Israël is ingenomen (Jz 6:1,201Jericho was volkomen gesloten vanwege de Israëlieten: er ging niemand uit en er ging niemand in.20Het volk juichte, toen zij op de bazuinen bliezen. En het gebeurde, zodra het volk het bazuingeschal hoorde, dat het volk een luid gejuich aanhief. En de muur stortte in en het volk klom de stad in, ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in.). De vijand neemt die stad nu weer in bezit en heeft daardoor een strategisch punt in handen.

Als een gelovige ontrouw is, neemt het vlees bezit van belangrijke uitgangspunten in zijn leven. Hij laat zich bijvoorbeeld bij het nemen van belangrijke beslissingen niet leiden door de Geest, maar door het vlees. Als in een plaatselijke gemeente het vlees het voor het zeggen krijgt, komt er strijd en verwarring.

In de Bijbel is de gemeente in Korinthe daarvan een voorbeeld. Paulus moet hen vermanen omdat ze vleselijk zijn (1Ko 3:11En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot kleine kinderen in Christus.). Door die toestand kan hij niet met hen spreken over de zegeningen die het deel zijn van de christen. Hij moet hun weer de meest elementaire dingen van het geloof voorhouden, “Jezus Christus, en Die gekruisigd” (1Ko 2:22Want ik had mij voorgenomen niets onder u te weten dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.).


Periode van onderdrukking

14En de Israëlieten dienden Eglon, de koning van Moab, achttien jaar.

Tijdens de vorige overheersing heeft het acht jaar geduurd voordat Israël tot de HEERE is gaan roepen (verzen 8-98Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël en Hij leverde hen over in de hand van Cusjan Risjataïm, de koning van Mesopotamië. En de Israëlieten dienden Cusjan Risjataïm acht jaar.9Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE. En de HEERE deed voor de Israëlieten een verlosser opstaan, die hen verloste: Othniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, die jonger was dan hij.). Nu verstrijken er achttien jaar van overheersing voordat het volk zover komt. Het lijkt erop dat het opnieuw afwijken van de HEERE het volk ongevoeliger maakt voor de tucht die God stuurt. Pas na achttien jaar begint het besef door te dringen dat ze slaven zijn geworden en verlangen ze terug naar hun vrijheid. Dat is de ervaring die ook wij kunnen opdoen. Naarmate we God vaker vergeten, duurt het langer voordat we weer naar Hem terugkeren.


Ehud

15Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE, en de HEERE deed voor hen een verlosser opstaan: Ehud, de zoon van Gera, een Benjaminiet, een man die linkshandig was. De Israëlieten stuurden door zijn dienst schatting aan Eglon, de koning van Moab.

Ehud is de man die God laat opstaan om Zijn volk te bevrijden. Zijn naam betekent ‘de daadkrachtige’, ‘de sterke’. Hij is de zoon van Gera, dat ‘overdenking’ betekent. Hij komt uit de stam van Benjamin, dat ‘zoon van mijn rechterhand’ betekent. Als we deze namen overdenken, kunnen we in Ehud de volgende kenmerken waarnemen. Hij komt uit Benjamin, wat laat zien dat hij verbonden is met een positie van kracht, want daarvan spreekt de naam Benjamin. Het is echter niet voldoende alleen te weten dat we een bepaalde positie innemen. Het is ook de bedoeling dat we die positie tot ons eigendom maken. Dat wil zeggen dat we erover nadenken wat het betekent dat we die plaats hebben gekregen. Dat is terug te vinden in de naam Gera, ‘overdenking’. Het gevolg van deze ‘overdenking’ is dat er een krachtdadig optreden plaatsvindt.

Ehud is linkshandig. Daarom draagt hij zijn zwaard rechts (vers 1616Ehud maakte voor zichzelf een zwaard dat twee scherpe kanten had, met de lengte van een el, en hij gordde het aan onder zijn kleren, aan zijn rechterheup.). Dat is een ongebruikelijke plaats, maar voor hem de beste. Zo kan hij zijn wapen gebruiken op de manier die het beste bij hem past. Hieruit kunnen we leren dat we de Bijbel moeten gebruiken op de wijze die bij ons past en dat we in het gebruik ervan niet anderen moeten nadoen. Dat werkt niet. Zo heeft David niets aan het harnas en het zwaard van Saul. Hij weet wel hoe hij moet omgaan met slinger en steen en daarmee velt hij de vijand (1Sm 17:38-39,49-5038Vervolgens kleedde Saul David met zijn [eigen] kleren, zette een bronzen helm op zijn hoofd en deed hem een harnas aan.39David gordde zijn zwaard aan over zijn kleren en wilde gaan, maar hij was ongeoefend. Toen zei David tegen Saul: Ik kan hierin niet lopen, want ik ben ongeoefend; en David deed ze [weer] uit.49Vervolgens stak David zijn hand in de tas, nam daar een steen uit, slingerde [die weg], en raakte de Filistijn [daarmee] tegen zijn voorhoofd, zodat de steen in zijn voorhoofd drong en hij met zijn gezicht ter aarde viel.50Zo overwon David de Filistijn met een slinger en met een steen, hij versloeg de Filistijn en doodde hem. Maar een zwaard had David niet in [zijn] hand.).

De letterlijke vertaling van de woorden ‘die links was’ is ‘afgesloten van zijn rechterhand’. Hij kan zijn rechterhand blijkbaar niet gebruiken. Dat kan betekenen dat er iets mis is gegaan in zijn leven, dat hij bijvoorbeeld een ongeluk heeft gekregen waardoor hij het gebruik van zijn rechterhand moet missen.

In het leven van een gelovige kan ook iets fout gaan waardoor hij zijn greep op de dingen van God verliest. Iemand kan bijvoorbeeld de zegeningen kennen die in de brief aan de Efeziërs beschreven staan, maar zo druk zijn met de dingen van het aardse leven, dat hij geen tijd en aandacht meer heeft voor die zegeningen. Zo worden er ‘cadeautjes aan het vlees’ gegeven, wat we ook zien bij Israël, dat door de hand van Ehud schatting brengt aan Eglon. Voor ons kan deze schatting bestaan uit het voorbij laten gaan van gelegenheden om meer van Gods zegeningen te leren kennen. Die gelegenheden krijgen we nooit meer terug. We leven voor onszelf. We worden in beslag genomen door aardse zorgen en denken niet aan “de dingen die boven zijn” (Ko 3:11Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.).


Een tweesnijdend zwaard

16Ehud maakte voor zichzelf een zwaard dat twee scherpe kanten had, met de lengte van een el, en hij gordde het aan onder zijn kleren, aan zijn rechterheup.

Hier zien we de basis voor de overwinning. Deze wordt behaald doordat Ehud voor zichzelf een zwaard met “twee scherpe kanten” maakt. Daarmee overwint hij zijn persoonlijke handicap en wordt hij bruikbaar voor God tot zegen voor Zijn volk. Op verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament kunnen we lezen dat dit tweesnijdende zwaard een beeld is van het Woord van God (Hb 4:1212Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.; Ef 6:1717En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,; Op 1:1616En Hij had in Zijn rechterhand zeven sterren en uit Zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard, en Zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht.; 2:1212En schrijf aan de engel van de gemeente in Pérgamus: Dit zegt Hij Die het scherpe, tweesnijdende zwaard heeft:; 19:1515En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.). Het Woord van God is het wapen waarmee elke vijand kan worden verslagen. Maar we moeten het wel weten te hanteren, dat wil zeggen we moeten het Woord leren kennen zodat we het kunnen gebruiken.

De Heer Jezus hanteert dit ‘zwaard’ tegenover de duivel als Hij verzocht wordt in de woestijn. Hij pareert elke aanval van de tegenstander met “er staat geschreven” en citeert vervolgens een vers uit het boek Deuteronomium (Mt 4:4,7,104Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.7Jezus zei tot hem: Er staat eveneens geschreven: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.).

Het is een tweesnijdend zwaard, het heeft “twee scherpe kanten”, dat wil zeggen dat het naar twee kanten snijdt. Dit betekent voor ons dat wij het Woord eerst moeten toepassen op onszelf en daarna pas op de tegenstander. Deze volgorde houdt Paulus Timotheüs voor als hij tegen hem zegt: “Geef acht op jezelf en op de leer” (1Tm 4:1616Geef acht op jezelf en op de leer; volhard in deze dingen, want door dit te doen zul je zowel jezelf als hen die je horen, behouden.). We kunnen de tegenstander niet verslaan als wij in ons leven dingen toelaten die in strijd zijn met de Bijbel. We moeten eerst zelf naar de Bijbel luisteren en wegdoen wat daarmee in strijd is.

Het zwaard is een el lang. Het is een precies afgemeten maat, niet te groot en niet te klein. We mogen niets aan het Woord toevoegen en niets ervan afdoen. We hebben het hele Woord nodig, niet alleen onze favoriete gedeelten. Niets is onbelangrijk. Ook moeten we onze ideeën of tradities er niet aan toevoegen. Een el spreekt ook van iets onbetekenends (Lk 12:25-2625Wie van u echter kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?26Als u dan zelfs het geringste niet kunt, wat bent u voor het overige bezorgd?). Het Woord van God doet armoedig aan voor mensen die op zijn eigen verstand vertrouwen en bouwen. Maar de eenvoudigste waarheden van het Woord van God zijn in staat het vlees in al zijn verdorvenheid te treffen als ze in daadwerkelijk geloof worden gebruikt.

Ehud draagt het zwaard onder zijn kleren. Niemand ziet het. Dat doet denken aan het woord van de psalmist: “Ik heb Uw belofte in mijn hart opgeborgen, opdat ik tegen U niet zondig” (Ps 119:1111Ik heb Uw belofte in mijn hart opgeborgen,
opdat ik tegen U niet zondig.
)
. Tegelijk geeft het Woord kracht aan zijn wandel: hij draagt het “aan zijn rechterheup”.


Een zeer zwaarlijvig man

17Hij bood Eglon, de koning van Moab, de schatting aan. Nu was Eglon een zeer zwaarlijvig man.

Gewapend met zijn pasgemaakte zwaard gaat Ehud voor de laatste keer de schatting aan Eglon brengen. Eglon is een vet man. Zoals gezegd, is deze vijand een beeld van het vlees, waarbij alles draait om het eigen ‘ik’. Dat kan niet anders dan vadsigheid tot gevolg hebben. Alles wordt bekeken vanuit de gedachte hoe ‘ik’ er beter van kan worden. Aan anderen wordt niet gedacht. Het egoïsme viert hoogtij. ‘Ik’ wordt groot en omvangrijk. In het vlees is voor de geestelijk gezinde gelovige niets aantrekkelijks te vinden.


Een geheime boodschap

18En het gebeurde, toen hij gereed was met het aanbieden van de schatting, dat hij de mensen die de schatting gedragen hadden, wegstuurde. 19Zelf keerde hij echter vanaf de [afgods]beelden die in Gilgal waren terug en zei: Ik heb een geheime zaak voor u, koning. Deze zei: Stilte! En allen die om hem heen stonden, gingen bij hem weg.

God heeft Ehud als verlosser verwekt (vers 1515Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE, en de HEERE deed voor hen een verlosser opstaan: Ehud, de zoon van Gera, een Benjaminiet, een man die linkshandig was. De Israëlieten stuurden door zijn dienst schatting aan Eglon, de koning van Moab.). Na zijn persoonlijke voorbereiding is hij klaar voor zijn eigenlijke taak. Nadat hij samen met anderen aan zijn verplichting heeft voldaan, stuurt hij de anderen weg. De opdracht van God is aan hem persoonlijk gericht. Hij moet die in zijn eentje vervullen, zonder verdere aanwezigen. Hij behaalt zijn overwinning in het verborgene, zonder uiterlijk vertoon. De uitwerking van zijn geloofsdaad is wel openbaar en het hele volk heeft er voordeel van. Anderen, het volk, zullen van zijn daad mogen profiteren.

Gilgal neemt in zijn missie een belangrijke plaats in, daarvandaan vertrekt hij. Gilgal zijn we al eerder tegengekomen (Ri 2:11En een Engel van de HEERE ging van Gilgal naar Bochim en zei: Ik heb u uit Egypte geleid en u in het land gebracht dat Ik aan uw vaderen gezworen heb. En Ik heb gezegd: Ik zal Mijn verbond met u niet verbreken, voor eeuwig.). Daar hebben we gezien dat het de plaats is vanwaar Israël steeds is vertrokken om het land te veroveren en waarnaar het volk ook weer is teruggekeerd na een veroveringsstrijd. Dat doet Ehud ook (vers 2626Maar Ehud ontkwam, terwijl zij wachtten. Hij kwam langs de [afgods]beelden en ontkwam naar Sehira.).

Bij Gilgal heeft ook de besnijdenis plaatsgevonden. De geestelijke betekenis hiervan is het oordeel over het zondige vlees. De besnijdenis leert ons dat elke te voeren strijd nooit kan worden aangegaan in eigen kracht, in de kracht van ons vlees. Als we gaan in het bewustzijn dat in ons geen kracht is, kan God ons met Zijn kracht vullen.

De stenen van vers 1919Zelf keerde hij echter vanaf de [afgods]beelden die in Gilgal waren terug en zei: Ik heb een geheime zaak voor u, koning. Deze zei: Stilte! En allen die om hem heen stonden, gingen bij hem weg. zijn waarschijnlijk die, welke Jozua als gedenkteken op de oever heeft opgericht nadat het volk door de Jordaan is gegaan (Jz 4:2020Die twaalf stenen die zij uit de Jordaan genomen hadden, richtte Jozua op in Gilgal.). Maar hier zijn het gebeeldhouwde stenen. Het gedenkteken is verfraaid, misschien zelfs tot een ‘afgod’ vervormd. Ook met inzettingen die de Heer gegeven heeft, zoals doop en avondmaal, is dat gebeurd. De Bijbel verklaart dat beide te maken hebben met de dood van de Heer Jezus. Omdat in delen van de christenheid die gedachte is losgelaten, zijn het voor de roomse-katholieke kerk sacramenten geworden met een afgodische betekenis. Het zijn zelfs middelen geworden waardoor men, als men er gebruik van maakt, meent eeuwig leven te ontvangen.


Het oordeel over Eglon

20En Ehud kwam naar hem toe, terwijl hij in het koele bovenvertrek zat, dat hij voor zich alleen had. Toen zei Ehud: Ik heb een woord van God voor u. En hij stond op van de troon. 21Toen strekte Ehud zijn linkerhand uit, nam het zwaard van zijn rechterheup en stak het in zijn buik, 22zodat zelfs het heft achter het lemmet erin ging. Het vet sloot zich om het lemmet (hij trok het zwaard namelijk niet uit zijn buik) en de darminhoud kwam eruit. 23Toen ging Ehud naar buiten de galerij op. De deuren van het bovenvertrek sloot hij achter zich en deed [ze] op slot.

Eglon is alleen, in een omgeving die helemaal aan zijn wensen is aangepast. Hij zit daar op zijn gemak, om aan al zijn begeerten te voldoen. We zien hier een treffend beeld van het egoïsme van het vlees dat alles voor zich alleen wil hebben. Op zo’n houding is maar één antwoord en dat is het woord Gods dat Ehud spreekt. Hierdoor wordt het oordeel over Eglon voltrokken (Hb 4:1212Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.; Op 19:13-1513En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.). Het vlees kan alleen worden gedood in de tegenwoordigheid van God.

Dat Eglon opstaat, lijkt een zekere eerbied voor het Woord van God aan te geven, maar het is slechts een uiterlijke vorm. Er is niets in zijn hart dat echt voor dit Woord openstaat. Zulke mensen zijn er altijd geweest en ze zijn er nog steeds. Dat verandert echter niets aan het oordeel dat het Woord over hen uitspreekt. Hoe ze van nature zijn, blijkt zonneklaar als het Woord in zijn volle scherpte wordt toegepast. Zo gaat dat bij Eglon. Het zwaard gaat in zijn buik en “de darminhoud”, dat is zijn drek, komt eruit. Het verderf dat in hem is, komt door het zwaard naar buiten.

De verdorvenheid van het vlees wordt door Gods Woord openbaar gemaakt. Schrikken we soms ook niet van onszelf als er plotseling van die walgelijke gedachten in ons opkomen? Dat is het enige wat het vlees kan voortbrengen. Het vlees van een ongelovige en het vlees van een gelovige zijn precies gelijk. Het Woord maakt het openbaar en velt daarover zijn oordeel.

Nadat Ehud het op zichzelf heeft toegepast (verzen 16,1916Ehud maakte voor zichzelf een zwaard dat twee scherpe kanten had, met de lengte van een el, en hij gordde het aan onder zijn kleren, aan zijn rechterheup.19Zelf keerde hij echter vanaf de [afgods]beelden die in Gilgal waren terug en zei: Ik heb een geheime zaak voor u, koning. Deze zei: Stilte! En allen die om hem heen stonden, gingen bij hem weg.), past hij het nu toe op de vijand van Gods volk. Hij doet dat radicaal, diepgaand. Hij gaat niet zoetsappig en oppervlakkig met zijn vijand om. Hij neemt ook geen genoegen met een gedeeltelijke of tijdelijke overwinning maar hij wil een definitieve overwinning. Hij laat het zwaard zitten, hij trekt het er niet uit. Bovendien sluit hij de kamer af waarin hij Eglon heeft gedood.

Wat hem betreft, heeft hij alles gedaan om deze vijand van Gods volk volledig uit te schakelen zodat hij niet weer tevoorschijn kan komen. De toepassing is duidelijk. Als we een bepaalde werking van het vlees bij onszelf of bij anderen door het Woord hebben geoordeeld waardoor deze verdwenen is, dan moeten we niet toestaan dat deze zich weer zal laten gelden.


De dienaren van Eglon

24Toen hij naar buiten gegaan was, kwamen zijn dienaren kijken, maar zie, de deuren van het bovenvertrek zaten op slot. Toen zeiden zij: Hij doet zeker zijn behoefte in het koele vertrek. 25En zij bleven tot schamens toe wachten, maar zie, hij opende de deuren van het bovenvertrek niet. Toen namen zij de sleutel en deden open. En zie, hun heer lag dood op de grond.

Dat de koning van Moab is uitgeschakeld, betekent niet dat het volk van Moab van zijn kracht is beroofd. Eglon heeft dienaren en strijders (vers 2929En in die tijd versloegen zij de Moabieten, ongeveer tienduizend man, allemaal welgedane en strijdbare mannen, zodat niet één man ontkwam.). De dienaren hebben een goede verklaring voor de vergrendelde deur. Ze denken dat hij naar het toilet is gegaan. Als je veel eet, moet je ook vaak je behoefte doen.

Op een gegeven moment gaat het hun toch te lang duren. Ze vermoeden dat er iets is gebeurd. Ze halen een sleutel en ontdekken dat hun heer dood is. We lezen niet hoe ze daarop reageren. De handelingen en overleggingen van de dienaren passen helemaal bij het gedrag van hun heer. Zij behoren hem toe en bezitten zijn geest. Zo kent ook het vlees vele uitingen, maar al die verschillende uitingen ademen eenzelfde geest. Het gaat altijd om de bevrediging van het vlees.


De overwinning van het volk

26Maar Ehud ontkwam, terwijl zij wachtten. Hij kwam langs de [afgods]beelden en ontkwam naar Sehira. 27En het gebeurde, toen hij [daar] aankwam, dat hij op de bazuin blies in het bergland van Efraïm. En de Israëlieten daalden met hem af uit het bergland, en hijzelf [ging] vóór hen uit. 28En hij zei tegen hen: Volg mij, want de HEERE heeft uw vijanden, de Moabieten, in uw hand gegeven. En zij daalden af, achter hem aan, namen de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan naar Moab in en lieten niemand oversteken. 29En in die tijd versloegen zij de Moabieten, ongeveer tienduizend man, allemaal welgedane en strijdbare mannen, zodat niet één man ontkwam. 30Zo werd Moab op die dag onder de hand van Israël vernederd. En het land had tachtig jaar rust.

Nadat Ehud zijn overwinning heeft behaald, roept hij anderen op in zijn overwinning te delen. Hij rust niet voordat het hele volk er deel aan heeft. Dit is de ware geest van broederliefde. Hij zet zich in voor anderen. Hij onttrekt zich niet aan de strijd als hij zijn aandeel heeft geleverd, maar voert het leger aan om het werk af te maken.

Hoe belangrijk is het om anderen een goed voorbeeld te geven. Dat geldt met name voor een oudste of opziener van wie we in de richter een beeld kunnen zien. Als er door Gods Woord op radicale wijze met het vlees is afgerekend, kan een oudste of opziener zeggen “volg mij”, om vervolgens de gelovigen de weg naar de overwinning te wijzen.

Elke verbinding tussen Ehud en de vijand is verbroken. Zo moet er ook in ons leven openlijk en beslist met de wereld en het vlees worden afgerekend. Pas dan is er sprake van een duurzame overwinning. De enige oversteekplaats in de Jordaan wordt bezet. De Israëlieten zijn destijds de Jordaan overgestoken om het beloofde land binnen te gaan. Zij hebben de rivier alleen kunnen oversteken op de plaats waar de ark de weg voor het volk heeft vrijgemaakt. Voor ons spreekt de ark in de Jordaan van de dood en de opstanding van Christus waardoor wij een plaats hebben gekregen in de hemelse gewesten. Dit strategische punt moeten de gelovigen ten koste van alles behouden.

Eglon is vet en dat geldt ook voor velen in zijn leger. Zij lijken op hem, want zij staan in zijn dienst en strijden voor dezelfde zaak. Maar ook zij moeten worden omgebracht. Alle restanten van de wereld en het vlees, de tienduizend “welgedane en strijdbare mannen”, komen om aan de oever van de Jordaan, de plaats die spreekt van de dood en opstanding van Christus.

Moab wordt vernederd, niet vernietigd. Het vlees blijft een vijand zolang wij leven, maar we moeten hem in de dood houden. Door de overwinning van Ehud heeft het land tachtig jaar rust. Zolang het zwaard, dat is het Woord van God, werkzaam is, is er rust. Hoewel de periode van rust twee keer zolang is als de vorige periode van rust, komt er toch ook aan deze periode een einde, zoals we in het volgende hoofdstuk zullen zien.


Samgar

31Na hem nu kwam Samgar, zoon van Anath. Hij doodde de Filistijnen, zeshonderd man, met een prikstok voor ossen. Zo verloste ook hij Israël.

Aan een overwinning op de Filistijnen door een zekere Samgar wordt slechts één vers gewijd. Zijn naam betekent ‘vreemdeling’ of ‘bijwoner’. De naam is niet Joods. Dat lijkt erop te wijzen dat Samgar uit de heidenen komt. Hij is de zoon van Anath, dat ‘antwoord’ betekent. Zijn wapen, “een prikstok voor ossen” of ossenstok, spreekt ook van het Woord, maar dan zoals de wereld er tegenaan kijkt. Voor de wereld is het Woord zonder enige zichtbare waarde.

Samgar is blijkbaar een boer, een eenvoudige persoon, iemand die misschien bepaalde woorden niet eens goed kan uitspreken (vgl. 1Ko 1:26-2926Want kijkt naar uw roeping, broeders, dat er niet vele wijzen zijn naar [het] vlees, niet vele machtigen, niet vele aanzienlijken;27maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen,28en het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, <en> wat niets is, om wat iets is teniet te doen,29opdat geen vlees roemt voor God.). Mogelijk is hij ongeletterd (Hd 4:1313Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en merkten dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zij zich; en zij herkenden hen dat zij met Jezus waren geweest.). Hij heeft, om het in de taal van vandaag te zeggen, geen kennis van de grondtekst en hij heeft geen hoge opleiding genoten.

Het Filistijnse volk is een vijand die zich in het land bevindt. Ze bevolken een kleine strook grond aan de rand van de Middellandse Zee. Zij eisen het land voor zichzelf op en drukken er zelfs hun stempel op door hun naam eraan te verbinden. In het woord ‘Palestina’ klinkt de naam ‘Filistijnen’ door. Maar Samgar is door God onderwezen. Daardoor kent hij het onderscheid tussen een lid van Gods volk en een vijand ervan, al spreekt die vijand ook dezelfde taal als Gods volk.

Hij kent ‘zijn Bijbel’ en weet hoe hij die moet gebruiken. De prikstok van Samgar faalt nooit als hij die gebruikt voor zijn ossen. Hij kan op de werking ervan vertrouwen. Hij houdt zijn ossen ermee op de weg die hij wil dat ze gaan. Uit ervaring weten wij dat we op Gods Woord kunnen vertrouwen. Het heeft ons nooit in de steek gelaten.

Tegen zo’n getuigenis kan de vijand niet op. Zoals de ongelovige die spottend tegen een prediker zei dat hij niet kon geloven dat de Heer Jezus water in wijn had veranderd. Die prediker nodigde hem uit mee naar zijn huis te gaan. Hij zou hem daar een nog groter wonder laten zien: hoe bier was veranderd in huisraad. Vroeger was hij een dronkaard, maar Gods Woord had hem genezen. Hij was zijn geld toen anders gaan besteden.

We kunnen uit dit ene vers een aantal dingen leren en toepassingen maken:

1. Pas in Richteren 4 lezen we dat Ehud, de vorige richter, is gestorven (Ri 4:11Toen Ehud gestorven was, deden de Israëlieten opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE.). Het lijkt erop dat Samgar een tijdgenoot van Ehud is geweest. Na de overwinning van Ehud, dus niet na zijn dood, is Samgar dezelfde weg van het geloof gegaan. Hij is een medebevrijder. Zo kunnen wij samen, ieder op ons terrein, overwinningen behalen die het hele volk ten goede komen.

2. Zoals gezegd, betekent zijn naam ‘vreemdeling’. Het bewustzijn dat ons eigenlijke thuis de hemel is en dat er pas daar rust is voor de christen, maakt ons geschikt de vijand te overwinnen.

3. Anath, dat ‘antwoord’ of ‘verhoring’ betekent, roept de gedachte op dat het optreden van Samgar een antwoord is op het ‘roepen’ van Israël.

4. Deze vijand bevindt zich in het land, in tegenstelling tot Moab, de vorige vijand, die van buiten het land komt. Filistijn betekent ‘zwerver’. Dit lijkt op vreemdeling. Het verschil is dat een zwerver geen eigen woonplaats heeft, terwijl een vreemdeling die wel heeft.

5. Het getal zeshonderd heeft ons ook iets te zeggen. Behalve namen hebben ook getallen in de Bijbel hun betekenis. Het getal zes spreekt van (het werk van) de mens, die op de zesde dag is geschapen. Voorbeelden hebben we bij het beeld van Nebukadnezar (Dn 3:11Koning Nebukadnezar maakte een gouden beeld, waarvan de hoogte zestig el was, [en] zijn breedte zes el. Hij richtte het op in het dal Dura, in het gewest Babel.) en het getal van het beest (Op 13:1818Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.). Zes komt tekort om zeven te zijn; dat laatste stelt volmaaktheid voor. De overwinning van Samgar is geen definitieve overwinning.

6. De prikstok dient ervoor om de ossen in het juiste spoor te houden. Het is een stok met scherpe punten. Als een os afwijkt, wordt hij met die stok gecorrigeerd. Dit is een mooi beeld van wat Gods Woord in ons leven doet. We leren vaak het Woord in ons leven toe te passen doordat anderen ons daaruit iets voorhouden.
De woorden van wijzen zijn als prikkels en als spijkers, diep ingeslagen door meesters in het verzamelen. Zij zijn gegeven door één Herder” (Pr 12:1111De woorden van wijzen zijn als prikkels en als spijkers, diep ingeslagen door meesters in het verzamelen. Zij zijn gegeven door één Herder.). Zulke woorden laten de pelgrim in de juiste richting lopen in plaats van “hard tegen [de] prikkels achteruit te slaan” (Hd 26:1414En toen wij allen op de grond vielen, hoorde ik een stem tot mij zeggen in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij? Het valt je hard tegen [de] prikkels achteruit te slaan.).

7. “Zo verloste ook hij Israël.” We kunnen het woord “ook” benadrukken. Het geeft aan dat hij, evenals zijn voorgangers Othniël en Ehud, Israël uit een benarde positie heeft verlost. Daardoor hebben ze hun vrijheid teruggekregen.

Othniël is soldaat, Ehud een diplomaat en Samgar een ossenhoeder. God heeft hen allen kunnen gebruiken omdat ze zich voor Hem beschikbaar hebben gesteld en zij liefde hebben gehad voor Zijn volk.


Lees verder