Richteren
Inleiding 1-2 De verbinding verbroken 3-5 De wraak van Simson 6-8 Wraak beantwoord met wraak 9-13 De Filistijnen en de mannen van Juda 14 Bevrijd van de nieuwe touwen 15-17 Een verse ezelskaak 18-19 Bron van de roepende 20 Duur van Simsons richterschap
Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft – in praktische zin – het einde van Simsons dienst voor God. Het laatste vers maakt dat duidelijk. In het volgende hoofdstuk wordt Simson door God niet langer als Zijn dienaar erkend, hoewel Hij hem nog één keer gebruikt.


De verbinding verbroken

1En het gebeurde na [enkele] dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn vrouw bezocht met een geitenbokje. En hij zei: Laat mij bij mijn vrouw de kamer binnengaan. Haar vader stond hem echter niet toe om naar binnen te gaan. 2Want haar vader zei: Ik dacht werkelijk dat je haar zeer haatte. Daarom heb ik haar aan je metgezel gegeven. Is haar jongste zus niet knapper dan zij? Laat zij toch in haar plaats voor jou zijn.

Als zijn woede wat bedaard is, gaat Simson terug naar zijn vrouw om de huwelijkssluiting te voltooien door gemeenschap met haar te hebben. Hij neemt een geitenbokje mee, waarschijnlijk om daarmee feest te vieren. Het zijn de dagen van de tarweoogst, die eind mei, begin juni plaatsvindt en gepaard gaat met allerlei festiviteiten. Het kan ook zijn dat hij dit bokje meeneemt omdat hij zich schuldig voelt dat hij zich zo heeft laten gaan. Een geitenbokje wordt bij de offers vaak gebruikt als een zondoffer.

In de geestelijke betekenis vertelt de tarweoogst iets over de Heer Jezus en de vruchten van Zijn werk aan het kruis. In Johannes 12 zegt Hij: “Als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft draagt zij veel vrucht” (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.). In de dagen dat de tarwe rijp is om geoogst te worden, gaat Simson zijn Filistijnse vrouw bezoeken om zijn verbinding met haar te bekrachtigen! Geestelijk houdt dit wellicht het volgende in. Iemand die een nazireeër is, moet door het zien van de vruchten van het werk van de Heer Jezus beseffen, dat het ondenkbaar is om een verbinding aan te gaan met ‘iets’ wat niet gegrond is op dat werk.

Het is in elk geval ondenkbaar dat God in deze verbinding toestemt. Het is toch onvoorstelbaar dat een nazireeër getrouwd is met een Filistijnse! God voorkomt dat dit huwelijk definitief wordt gesloten. Maar Filistijnen zijn altijd bereid tot een nieuwe verbinding. De vader biedt hem een andere dochter aan, nog aantrekkelijker dan de eerste. Hierop gaat Simson niet in. Hij voelt zich bedrogen en gaat zich wreken.


De wraak van Simson

3Toen zei Simson tegen hen: Ik ben deze keer onschuldig tegenover de Filistijnen, als ik hun kwaad doe. 4En Simson ging [op weg] en ving driehonderd vossen. Hij nam fakkels, keerde staart aan staart en maakte in het midden tussen [elke] twee staarten een fakkel vast. 5Hij stak de fakkels aan en liet ze door het staande koren van de Filistijnen lopen. Zo stak hij zowel de korenhopen als het staande koren in brand, alsook de wijngaarden [en] olijfbomen.

De verbinding met de Filistijnen heeft Simson slechts ellende gebracht. Hij is persoonlijk gekwetst en handelt in vleselijke toorn. Hier is geen sprake van de Geest van de HEERE Die over Simson komt. Hij gebruikt zijn bijzondere kracht om vossen, of eigenlijk jakhalzen, te vangen. Dat zijn onreine dieren die een Jood, en zeker een nazireeër niet aanraakt. Vossen houden in de Bijbel verband met zwakheid (Ne 4:33En Tobia, de Ammoniet, [stond] naast hem en zei: Ook al bouwen ze, als er [slechts] een vos op klimt, maakt hij een bres in hun stenen muur.) en zonden (Hl 2:1515Vang voor ons de vossen,
de kleine vossen
die de wijngaarden te gronde richten,
nu onze wijngaarden bloeien.
)
. Hij maakt de onreine vos tot een dienaar van zijn wraak. Onreine, zondige middelen worden vaker gebruikt om uiting te geven aan verontwaardiging.

De betekenis van een fakkel hangt af van wie hem aansteekt. Als God het doet, heeft het een positieve betekenis, bijvoorbeeld in Genesis 15 (Gn 15:1717En het gebeurde dat de zon onderging en het donker werd; en zie, er was een rokende oven en een brandende fakkel, die tussen de stukken van de dieren doorging.). Hier steekt Simson die aan en spreekt het van vleselijke toorn. In Jakobus 3 wordt een vergelijking gemaakt tussen vuur en de menselijke tong: “Zie, hoe zo’n klein vuur zo’n groot bos aansteekt. Ook de tong is een vuur, de wereld van de ongerechtigheid” (Jk 3:5-65Zo is ook de tong een klein lid en zij beroemt zich op grote dingen. Zie, hoe zo’n klein vuur zo’n groot bos aansteekt.6Ook de tong is een vuur, de wereld van de ongerechtigheid. De tong is onder onze leden gesteld als dat wat het hele lichaam bevlekt en de loop van de natuur in vlam zet en door de hel in vlam gezet wordt.). Het vuur kan zijn werk alleen goed doen als het in bedwang wordt gehouden, net als de tong. Er moet zelfbeheersing zijn. Wie zich laat gaan, zoals Simson, en zijn tong niet in bedwang houdt, kan de grootste rampen ontketenen, zowel een wereldoorlog als een broedertwist.

Het vuur wordt hier verbonden met de staart. In de Bijbel wordt met de staart soms een dwaalleer aangegeven: “De leugen onderwijzende profeet: hij is de staart” (Js 9:1414De oudste en aanzienlijke: zij zijn de kop,
en de leugen onderwijzende profeet: hij is de staart.
; vgl. Op 9:10-1910en zij hadden staarten, aan schorpioenen gelijk, en angels, en hun macht was in hun staarten om de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang.11Zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond; in het Hebreeuws is zijn naam Abaddon; en in het Grieks heeft hij [de] naam Apollyon.12Eén ‘Wee!’ is voorbijgegaan, zie, er komt nog twee keer een ‘Wee!’ hierna.13En de zesde engel bazuinde, en uit de <vier> horens van het gouden altaar dat vóór God is, hoorde ik één stem14die zei tegen de zesde engel die de bazuin had: Maak de vier engelen los die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat.15En de vier engelen die gereed waren tegen het uur en de dag en de maand en het jaar om het derde deel van de mensen te doden, werden losgemaakt.16En het getal van de legers van de ruiterij was twintigduizend tienduizendtallen; ik hoorde hun getal.17En aldus zag ik in het gezicht de paarden en hen die erop zaten: zij hadden vuurrode, donkerrode en zwavelkleurige harnassen, en de koppen van de paarden waren als leeuwenkoppen en uit hun monden kwam vuur, rook en zwavel.18Door deze drie plagen werd het derde deel van de mensen gedood, door het vuur, de rook en de zwavel die uit hun monden kwamen.19Want de macht van de paarden is in hun mond en in hun staarten; want hun staarten zijn aan slangen gelijk en hebben koppen, en daarmee brengen zij schade toe.)
. Simson is hier wel ver beneden zijn waardigheid als nazireeër afgedaald. Wat een contrast tussen Simson en zijn driehonderd en Gideon en zijn driehonderd.

Laten we nog eens samenvatten wat in dit handelen van Simson wordt voorgesteld. Vossen of jakhalzen zijn dieren die in de aarde wroeten en zich met verderf voeden. Zij stellen de onreine, zondige middelen voor die een gelovige kan gebruiken om wraak te nemen voor geleden onrecht. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met het vuur van de tong, door daarmee leugens en kwaad gerucht te verspreiden.

Het resultaat van het handelen van Simson is dat de opbrengst van het land wordt verwoest. Zowel het staande koren als wat al gemaaid is en zelfs de wijngaarden en olijfbomen worden als gevolg van Simsons toorn in vlam gezet en kunnen niet meer dienen als voedsel. Simson had beter de Filistijnen kunnen verjagen en het genot van de opbrengst van het land aan zijn volksgenoten kunnen geven.

Hoe vaak is persoonlijke strijd al niet de oorzaak geweest van een verteren van de zegen die genoten had kunnen worden. In veel plaatselijke gemeenten is grote onrust omdat de gelovigen onderling in een woordenstrijd verwikkeld zijn. De vrucht van het land stelt de zegeningen voor waarmee de christen gezegend is in de hemelse gewesten in Christus (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,). Die vrucht is rijkelijk aanwezig. We leven als het ware ‘in de dagen van de tarweoogst’ (vers 11En het gebeurde na [enkele] dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn vrouw bezocht met een geitenbokje. En hij zei: Laat mij bij mijn vrouw de kamer binnengaan. Haar vader stond hem echter niet toe om naar binnen te gaan.).

In plaats van het bestrijden van de vijand om zo de opbrengst van het land uit zijn hand te redden wordt er een woordenstrijd gevoerd, “die tot niets dient dan tot ondergang van de hoorders” (2Tm 2:1414Breng dit in herinnering en betuig voor God dat zij geen woordenstrijd voeren, die tot niets dient dan tot ondergang van de hoorders.). Het gevolg is dat er niets te genieten overblijft. De oorzaak van dit alles is ‘slechts’ een gekwetst gemoed, dat niet in staat is de zaak voor de Heer te brengen. In plaats van samen met Hem naar een oplossing te zoeken, gaat hij zelf op een vleselijke manier aan de slag.


Wraak beantwoord met wraak

6Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de [man] uit Timna, omdat die zijn vrouw genomen en haar aan zijn metgezel gegeven heeft. Toen trokken de Filistijnen [daarheen] en verbrandden haar en haar vader met vuur. 7Daarop zei Simson tegen hen: Als u zo doet, zeker, dan zal ik me op u wreken, en [pas] daarna ophouden. 8En hij sloeg hun [met] een grote slag de botten stuk. Daarna vertrok hij en ging in een kloof van de rots Etam wonen.

Als de Filistijnen eenmaal weten wat de aanleiding voor Simsons wraak is geweest, treft zijn vrouw, en ook haar vader, alsnog het lot dat haar in Richteren 14 is voorgehouden (Ri 14:1515Toen gebeurde het op de zevende dag dat zij tegen de vrouw van Simson zeiden: Haal uw man over om ons het raadsel uit te leggen. Anders zullen wij u en het huis van uw vader met vuur verbranden. Hebt u ons uitgenodigd om ons ons bezit te ontnemen of zo?). Simson handelt opnieuw uit wraakgevoelens, maar die zijn nu ook meer gerechtvaardigd. Het gaat nu niet om het persoonlijk gekwetst zijn, maar om de vergelding van een brute daad. Simson gaat een directe en openlijke strijd met de vijand aan. In enkele woorden wordt meegedeeld dat hij een enorme overwinning behaalt.

Daarna gaat hij in de rotsspleet van Etam wonen. Een rots is een geschikte woonplaats voor een machteloos volk, zoals de klipdassen (Sp 30:2626klipdassen zijn een volk zonder macht,
maar ze bouwen hun huis in de rots,
)
, en ook voor alle mensen met ‘lang haar’. Ook Mozes kende die plaats (Ex 33:21-2221Ook zei de HEERE: Zie, [hier] is een plaats bij Mij, [waar] u op de rots moet gaan staan.22En het zal gebeuren, als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt, dat Ik u in een kloof van de rots neer zal zetten en u met Mijn hand zal bedekken totdat Ik voorbijgegaan ben.). De rots is een beeld van Christus (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)), Die hier wordt voorgesteld als de verblijfplaats van het geloof, de ware woonplaats van de nazireeër.

Simson keert niet terug naar het huis van zijn vader zoals hij eerder wel heeft gedaan (Ri 14:1919Toen werd de Geest van de HEERE vaardig over hem: hij ging naar de Askelonieten en sloeg dertig man van hen dood. Hij nam hun kleren en gaf een stel [daarvan] aan [elk van] hen die het raadsel hadden uitgelegd. Hij was echter in woede ontstoken en keerde weer terug naar het huis van zijn vader.), maar gaat zelfstandig in deze plaats wonen. Hij woont er afgezonderd van de Filistijnen, en ook afgezonderd van Gods ontrouwe volk.


De Filistijnen en de mannen van Juda

9Toen trokken de Filistijnen op, sloegen hun kamp op tegen Juda en verspreidden zich in Lechi. 10En de mannen van Juda zeiden: Waarom bent u tegen ons opgetrokken? En zij antwoordden: Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om met hem te doen, zoals hij met ons heeft gedaan. 11Daarop kwamen drieduizend man uit Juda naar de kloof van de rots Etam en zij zeiden tegen Simson: Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dit dan aangedaan? Maar hij zei tegen hen: Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan. 12En zij zeiden tegen hem: Wij zijn gekomen om u te binden [en] over te leveren in de hand van de Filistijnen. En Simson zei tegen hen: Zweer mij dat ú mij niet zult doodsteken. 13Daarop zeiden zij tegen hem: Nee, wij zullen u namelijk alleen binden en u in hun hand overleveren. Doden zullen wij u echter zeker niet. En zij bonden hem vast met twee nieuwe touwen en voerden hem mee van de rots.

Na de grote slag die Simson de Filistijnen heeft toegebracht, is het nu weer hun beurt om wraak te nemen. Het is Juda dat moet boeten als vergelding voor wat Simson hun heeft aangedaan. Naast de directe aanleiding voor het optrekken van de Filistijnen kan ook deze actie geestelijk worden toegepast. Als Simson zijn plaats van afzondering heeft ingenomen op de rots Etam, worden de vijanden actief. Een trouwe christen is veel meer een mikpunt van de aanvallen van de vijand dan iemand die het met zijn leven als christen niet zo nauw neemt.

De mannen van Juda informeren naar de plannen van de Filistijnen. Ze krijgen te horen dat zij zijn gekomen om Simson te binden. De Filistijnen zijn er altijd op uit om de nazireeër te binden. In zijn geestelijke toepassing is dit altijd een van de belangrijkste doelstellingen van de vijand. In de christenheid is het zelfs gebeurd met de Heilige Geest: Die is aan banden gelegd.

Nog erger dan wat de Filistijnen van plan zijn, is de opstelling van Juda. Ze lijden blijkbaar niet meer onder de heerschappij van de Filistijnen. Het juk drukt niet meer omdat ze zich ermee hebben verzoend en het hebben aanvaard. Ze nemen het Simson kwalijk dat hij hen in zo’n conflict met de vijand brengt, die juist zo vriendelijk voor hen is. Ze komen bij hem met de woorden: “Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen?” (vers 1111Daarop kwamen drieduizend man uit Juda naar de kloof van de rots Etam en zij zeiden tegen Simson: Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dit dan aangedaan? Maar hij zei tegen hen: Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan.). Zo laag is Juda gezonken. Juda betekent ‘lofprijzing’, ‘Godlover’. Is het niet tenhemelschreiend dat juist de stam met zo’n naam zich zó uitlaat?

Dit spreekt van een volledige acceptatie van het klerikalisme en traditionalisme. De godsdienst waarin het vlees in meerdere of mindere mate zeggenschap heeft, is algemeen geworden. Dat is in de christenheid overal het geval waar het onderscheid tussen geestelijken en leken een vaststaand feit is geworden; waar de dienst door één man of een select groepje wordt bepaald; waar op democratische wijze voorstellen worden behandeld; waar de eredienst, de dienst van lofprijzing, langs van tevoren uitgezette lijnen verloopt.

Wie goed leest, ziet dat het niet alleen bepaalde kerkelijke richtingen betreft, maar net zo goed op allerlei andere geloofsgemeenschappen van toepassing is. Het zit hem niet alleen in de officiële structuur, hoewel de kenmerken daar het meest herkenbaar zijn. Het geldt ook voor plaatsen waar weliswaar officieel geen structuren bestaan, maar waar bepaalde structuren als gevolg van ingesleten gewoonten wel degelijk aanwezig zijn.

Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier over de kenmerken van een systeem, officieel of niet-officieel, en niet over de mensen die daarvan deel uitmaken. Er zijn gelukkig heel wat oprechte christenen die God toegewijd dienen, maar zich niet bewust zijn van het kwaad dat aan zulke systemen kleeft.

Het is Gods genade wanneer Hij een bevrijder stuurt, zoals hier Simson. Maar Simson wordt ervaren als een rustverstoorder. Iemand die allerlei vleselijke dingen aan de kaak stelt die een plaats hebben gekregen in de persoonlijke of gemeenschappelijke dienst aan God, zal te horen krijgen dat hij tegen de heersende regels en vormen ingaat. Hem wordt bijvoorbeeld voorgehouden, dat hij niet te extreem moet zijn. De lauwheid wordt gerechtvaardigd.

In plaats van zich met hun held een te maken en zich te ontdoen van hun gemeenschappelijke vijand stellen de mannen van Juda zich op één lijn met de Filistijnen en verenigen zich met hun doel. Ze hebben geen enkele waardering voor de hun door God gegeven richter. Juda toont hier niet de waardigheid van de zegen die Jakob over hem uitspreekt (Gn 49:8-128Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
9Juda is een leeuwenwelp;
van [je] prooi ben je opgestaan, mijn zoon.
Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd,
als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
10De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok
en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok;
hij wast zijn kleren in wijn
en zijn gewaad in druivenbloed.
12Zijn ogen zijn donker door de wijn
en zijn tanden wit door de melk.
)
. In de geschiedenis van Juda zijn meer van zulke laagtepunten, zoals het uitleveren van Jozef (Gn 37:26-2726Toen zei Juda tegen zijn broers: Wat hebben [wij] er voor baat bij, als wij onze broer doden en zijn bloed verbergen?27Kom, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen; laten wij niet onze hand aan hem slaan. Hij is immers onze broer, ons [eigen] vlees. Zijn broers luisterden [naar hem].; Gn 38:1,11-18,24-261Het gebeurde in die tijd dat Juda van zijn broers wegtrok en zijn intrek nam bij een man uit Adullam; zijn naam was Hira.11Toen zei Juda tegen Tamar, zijn schoondochter: Ga [maar zolang] als weduwe in het huis van je vader wonen, totdat mijn zoon Sela groot is. Hij zei namelijk: Anders zal hij ook sterven, net zoals zijn broers! Zo ging Tamar weg en ging in het huis van haar vader wonen.12Toen veel dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de vrouw van Juda. Daarna vond Juda troost en ging hij naar zijn schaapscheerders, naar Timna, hij en zijn vriend Hira uit Adullam.13En men vertelde Tamar: Zie, uw schoonvader gaat naar Timna om zijn schapen te scheren.14Toen trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich met een sluier, omhulde zich en ging zitten bij de ingang van Enaïm, dat op de weg naar Timna ligt. Zij had namelijk gezien dat Sela groot geworden was en zij aan hem niet tot vrouw was gegeven.15Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar gezicht bedekt had.16En hij ging naar haar toe langs de weg en zei: Kom toch [mee], ik wil bij u komen; hij wist immers niet dat het zijn schoondochter was. En zij zei: Wat zult u mij geven, als u bij mij komt?17Hij zei: Ik zal u een geitenbokje van [mijn] kudde sturen. Zij zei: [Goed], als u een onderpand geeft, totdat u het [bokje] gestuurd hebt.18Toen zei hij: Wat is het onderpand dat ik u zal geven? Zij zei: Uw zegelring, uw snoer en uw staf, die u in uw hand hebt. Hij gaf ze haar, kwam bij haar, en zij werd zwanger van hem.24Het gebeurde ongeveer drie maanden later dat men Juda vertelde: Tamar, uw schoondochter, heeft hoererij bedreven en zie, ze is ook zwanger door [die] hoererij. Toen zei Juda: Breng haar [de stad] uit en laat haar verbrand worden!25Terwijl zij [de stad] uit gebracht werd, stuurde ze [een bode] naar haar schoonvader om te zeggen: Van de man van wie deze voorwerpen zijn, ben ik zwanger. Ze zei: Kijk toch eens van wie deze zegelring, deze snoeren en deze staf zijn.26En Juda herkende ze en zei: Zij staat in haar recht, meer dan ik, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sela gegeven heb. En hij had voortaan geen gemeenschap meer met haar.).

Simson wil geen strijd met zijn broeders, hoe diep zij ook gezonken zijn en hoezeer zij zich in wezen aan de kant van hun vijand scharen. Zo moeten ook wij niet strijden tegen onze broeders, maar tegen de beginselen die hen gevangen houden en waarmee ze zich zelfs hebben verzoend.

Simson vraagt om de verzekering dat ze hem niet zullen aanvallen, omdat hij anders genoodzaakt zal zijn zich te verdedigen met alle gevolgen van dien voor de Judeeërs. Hij krijgt de garantie dat dit niet zal gebeuren. Het enige wat ze willen doen, is hem binden met nieuwe touwen en in de hand van de Filistijnen overleveren. Het is werkelijk verbijsterend wat hier gebeurt. De mannen van Juda kiezen de kant van de Filistijnen en zijn bezig om de plannen van de vijand uit te voeren!

Simson moet, koste wat kost, van zijn roeping worden afgehouden. Nieuwe touwen zijn daarvoor, volgens hen, het geschikte middel. Als toepassing kunnen we zeggen dat toegewijde christenen vooral door nieuwe, populaire, menselijke middelen ertoe worden bewogen hun nazireeërschap prijs te geven. Het woord voor touwen komt van ‘vlechten’ en geeft de gedachte weer dat het een menselijk product is.

Simson laat zich binden en geeft toe aan hun wensen, omdat hij zijn kracht niet wil gebruiken, of misbruiken, door tegen zijn volk te strijden.


Bevrijd van de nieuwe touwen

14Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet. Maar de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en de touwen die om zijn armen zaten, werden als vlas dat door het vuur verbrand is. En zijn boeien vielen zomaar van zijn handen.

Als de mannen van Juda Simson bij de Filistijnen brengen, juichen zij. Ze menen hun gehate vijand in hun macht te hebben. De vreugde is echter van korte duur, want “de Geest van de HEERE werd vaardig over hem”. Als menselijke middelen waarmee een nazireeër gebonden kan zijn, met de Geest van God en het Woord van God in aanraking komen, worden ze als vlas dat door het vuur verbrand is”. Het in praktijk brengen van de oproep in 1 Petrus 4 doet alle Filistijnse touwen, in figuurlijke zin, tot as verteren. We worden daar aangemoedigd met de woorden: “Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God; als iemand dient, laat het zijn als uit sterkte die God verleent” (1Pt 4:1111Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God; als iemand dient, laat het zijn als uit sterkte die God verleent, opdat in alles God verheerlijkt wordt door Jezus Christus, aan Wie de heerlijkheid en de kracht is tot in alle eeuwigheid! Amen.).

Dit maakt iedereen vrij, zodat ieder zijn gave kan uitoefenen als alleen verantwoordelijk aan de Gever, los van elke menselijke aanstelling of tussenkomst. Dat is wat Paulus bedoelt als hij over zijn apostelschap schrijft: “Paulus, apostel, niet vanwege mensen, ook niet door een mens, maar door Jezus Christus en God [de] Vader, Die Hem uit [de] doden heeft opgewekt” (Gl 1:11Paulus, apostel, niet vanwege mensen, ook niet door een mens, maar door Jezus Christus en God [de] Vader, Die Hem uit [de] doden heeft opgewekt,). Hij geeft hiermee aan dat hij in de uitoefening van zijn apostelschap vrij is van alle ‘Filistijnse banden’.

Dat betekent zeker niet dat wij niets te maken zouden hebben met anderen en hun opmerkingen over onze dienst. In de samenkomst van de gemeente geldt bijvoorbeeld dat “twee of drie profeten spreken en laten de anderen het beoordelen” (1Ko 14:2929En laten twee of drie profeten spreken en laten de anderen het beoordelen.). Maar dat is wel wat anders dan het van tevoren bepalen wie iets moet zeggen en wat er gezegd moet worden in de samenkomst van de gemeente. Dat mogen anderen niet bepalen, want daarover mag alleen de Heilige Geest zeggenschap hebben.


Een verse ezelskaak

15En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.
16Toen zei Simson:
Met een ezelskaak heb ik één hoop, twee hopen,
met een ezelskaak heb ik duizend man doodgeslagen.
17En het gebeurde, zodra hij uitgesproken was, dat hij de kaak uit zijn hand wierp; en hij noemde die plaats Ramath-Lechi.

Simson bevrijdt zich van de nieuwe touwen door de kracht van de Geest. Voor het verslaan van zijn vijanden gebruikt hij een verse ezelskaak. Dat ziet op de zwakheid van het instrument in contrast met het resultaat. Niemand kan zeggen dat Simsons overwinning het gevolg is van een geweldig wapen. Het is een ‘vers’ wapen, niet een ‘dor’ (vgl. Ez 37:1-21De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.).

De ezel is dood, maar de kracht van het leven is als het ware nog in het been aanwezig. Dit spreekt van het leven dat wij door de dood en de opstanding van de Heer Jezus hebben gekregen en waardoor wij in staat zijn overwinningen te behalen. Dat betekent dat wij het oordeel over onszelf hebben erkend. De mens van nature wordt treffend vergeleken met een ezel (Ex 13:1313Maar alles wat [de baarmoeder] van een ezelin opent, moet u vrijkopen met een lam. Als u het niet vrijkoopt, moet u het de nek breken. Maar wat de mensen betreft, moet u alle eerstgeborenen onder uw zonen vrijkopen.).

Als Simson de overwinning heeft behaald, werpt hij zijn wapen weg. Hij wil het niet bewaren, het moet geen valstrik voor hem worden, zoals de efod voor Gideon (Ri 8:2727Gideon maakte daar een efod van en stelde die op in zijn stad, in Ofra. En heel Israël ging er als in hoererij achteraan, zodat het voor Gideon en zijn huis tot een valstrik werd.). Het wapen heeft het doel gediend en dat is voldoende. Dit beginsel is belangrijk, zowel voor degene die gebruikt wordt tot dienst als voor hen die gediend worden. Vaak wordt het ‘armzalige’ instrument dat God in Zijn genade heeft willen gebruiken, vereerd. We horen dan uitdrukkingen als ‘wat een spreker’ en ‘wat een uitstraling’.

Een voorbeeld van hoe het behoort te zijn, hebben we in Handelingen 8. Nadat Filippus aan de kamerling het evangelie heeft verkondigd en hem heeft gedoopt, “rukte [de] Geest van [de] Heer Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap” (Hd 8:3939Toen zij nu uit het water waren opgekomen, rukte [de] Geest van [de] Heer Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging zijn weg met blijdschap.). Filippus heeft zijn dienst gedaan. Hij hoeft geen eerbetoon en krijgt een ander arbeidsterrein. En de kamerling? Hij heeft geen oog meer voor Filippus, hij mist hem zelfs niet, want hij heeft de Heer Jezus in zijn hart gekregen en dat is meer dan voldoende.


Bron van de roepende

18Maar toen hij hevig dorst kreeg, riep hij tot de HEERE en zei: Ú hebt door de hand van Uw dienaar deze grote verlossing gegeven. Zou ik dan nu van dorst sterven en in de hand van deze onbesnedenen vallen? 19Toen kloofde God de holte die er in Lechi is, en er kwam water uit. Hij dronk en daarop kwam zijn geest [weer] terug en leefde hij op. Daarom gaf hij hem de naam Bron van de roepende, die tot op deze dag in Lechi is.

Na deze indrukwekkende overwinning krijgt Simson hevige dorst, zo erg, dat hij bang is dat hij zal sterven. In zijn nood roept hij tot God. Zijn gebed, het eerste dat van hem wordt vermeld(!), is kort en krachtig. Eerst zien we dat hij God de eer van de overwinning geeft: “Ú hebt.” Dat is mooi. Helaas schiet dan zijn geloof tekort en klaagt hij dat hij alsnog zal sterven, maar nu van dorst, en dat hij dus toch nog in handen van de vijand zal vallen.

We kunnen hieruit enkele dingen leren. In de eerste plaats dat strijd geen ‘dorst’ lest. We mogen misschien overwinningen voor de Heer behalen, maar de echte verkwikking ligt niet in de overwinning, maar in de Heer Zelf. Vervolgens zien we dat het hebben van dorst een uitdaging is om God om uitkomst te vragen. Hij verhoort graag. God heeft al eerder uitkomst gegeven toen een heel volk dorst had (Ex 17:1-71Daarna brak heel de gemeenschap van de Israëlieten uit de woestijn Sin op [en trok] van rustplaats tot rustplaats, op bevel van de HEERE, en zij sloegen hun kamp op in Rafidim. Daar was echter geen water voor het volk om te drinken.2En het volk kreeg onenigheid met Mozes en zei: Geeft u ons water, zodat wij kunnen drinken! Mozes zei tegen hen: Waarom hebt u onenigheid met mij? Waarom stelt u de HEERE op de proef?3Het volk smachtte daar naar water en het volk morde tegen Mozes en het zei: Waarom hebt u ons toch uit Egypte laten vertrekken? Om mij, mijn kinderen en mijn vee van dorst te laten omkomen?4Toen riep Mozes tot de HEERE: Wat moet ik met dit volk doen? Het scheelt niet veel of zij zullen mij stenigen.5De HEERE zei tegen Mozes: Trek vóór het volk uit, en neem [enkelen] van de oudsten van Israël met u mee. Neem uw staf, waarmee u de Nijl sloeg, in uw hand en ga op weg.6Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij de Horeb staan. Dan moet u op de rots slaan, en er zal water uitkomen, zodat het volk kan drinken. En Mozes deed dit voor de ogen van de oudsten van Israël.7Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba, vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE [nu] in ons midden of niet?).

Simson roept in totaal twee keer tot God, hier in vers 1818Maar toen hij hevig dorst kreeg, riep hij tot de HEERE en zei: Ú hebt door de hand van Uw dienaar deze grote verlossing gegeven. Zou ik dan nu van dorst sterven en in de hand van deze onbesnedenen vallen? en in Richteren 16 (Ri 16:2020En zij zei: De Filistijnen over je, Simson! Hij ontwaakte uit zijn slaap en zei: Ik zal net als de andere keren vrijkomen en [hen] van mij afschudden. Hij wist namelijk niet dat de HEERE van hem geweken was.). Beide keren wordt hij verhoord. Als we bedenken dat de tijd waarin Simson leeft te vergelijken is met de laatste dagen en zware tijden die in 2 Timotheüs 3 worden genoemd (2Tm 3:1-51Maar weet dit, dat er in [de] laatste dagen zware tijden zullen zijn;2want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedigen, lasteraars, [de] ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig,3liefdeloos, onverzoenlijk, kwaadsprekend, onbeheerst, ruw, zonder liefde tot het goede,4verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God.5Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af.), dan hebben we hier een grote bemoediging. We zien dat het aanroepen van de Naam van de Heer een speciale bron is voor de laatste dagen. God opent die bron voor ieder die roept. Wie ervan drinkt, zal de kracht ervaren die Simson ervaart. Er komen weer levenskracht en opleving. De enige mogelijkheid om persoonlijk of gemeenschappelijk een opleving te ervaren ligt
1. in het besef dat we dorst hebben;
2. in het roepen tot God in onze nood;
3. in het drinken uit de bron die God opent.

Het is alsof de schrijver van dit boek daarop onze speciale aandacht wil richten als hij zegt dat de “Bron van de roepende” in Lechi is “tot op deze dag”. Letterlijk betekent het, dat die bron er nog is op het moment dat dit boek is geschreven. De geestelijke betekenis van deze uitdrukking en de geestelijke kracht die ervan uitgaat, is toch wel deze, dat de bron die God ontsloten heeft, altijd beschikbaar is voor ieder die roept, ook vandaag.

Er is al eerder gewezen op Johannes 4, waar de Heer Jezus in Zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw wijst op de bron van levend water “dat springt tot in [het] eeuwige leven” (Jh 4:1414maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven.). Drinken van de bron die Hij ontsloten heeft, brengt de ‘roepende’ in verbinding met het eeuwige leven. Het eeuwige leven is leven in de sfeer van de Vader en de Zoon waarin de gelovige gebracht is door het kennen van de Vader en de Zoon (Jh 17:33En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus Die U hebt gezonden.).

Het eeuwige leven is ook de Heer Jezus Zelf (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.). Dat is waar de Heilige Geest de roepende wil brengen en wat zijn dorst zal lessen. Het eeuwige leven is door geen verval of afval aan te tasten. Juist de brief die spreekt over laatste dagen en zware tijden, begint met te wijzen op “[de] belofte van [het] leven dat in Jezus Christus is” (2Tm 1:1,91Paulus, apostel van Christus Jezus door [de] wil van God, naar [de] belofte van [het] leven dat in Christus Jezus is,9Die ons heeft behouden en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en [de] genade die ons gegeven is in Christus Jezus vóór [de] tijden van de eeuwen,).

Ons oog wordt hierdoor gericht op de Heer Jezus en alles wat in Hem gevonden wordt. Dat geeft een innerlijke bevrediging die groter is dan de meest klinkende overwinning.


Duur van Simsons richterschap

20En hij gaf leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen, twintig jaar [lang].

Simson is een ander soort bevrijder dan zijn voorgangers. Hij geeft leiding aan Israël terwijl de Filistijnen regeren. Het is mogelijk dat Simson is teruggegaan naar de rots Etam (vers 88En hij sloeg hun [met] een grote slag de botten stuk. Daarna vertrok hij en ging in een kloof van de rots Etam wonen.) om van daaruit zijn functie als richter uit te oefenen. De periode waarin hij aan Israël leiding geeft, heeft vermoedelijk gelegen tussen 1075-1055 v.Chr., een tijd waarin ook Samuel (geboren omstreeks 1080 v.Chr.) actief begint te worden.

Voor God houdt hier de geschiedenis van Simson op. De mededeling in dit vers volgt op de rots als woonplaats (vers 88En hij sloeg hun [met] een grote slag de botten stuk. Daarna vertrok hij en ging in een kloof van de rots Etam wonen.), een openlijke strijd met de Filistijnen (vers 1515En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.
)
en de rots waaruit water vloeit (vers 1919Toen kloofde God de holte die er in Lechi is, en er kwam water uit. Hij dronk en daarop kwam zijn geest [weer] terug en leefde hij op. Daarom gaf hij hem de naam Bron van de roepende, die tot op deze dag in Lechi is.). Dat zijn situaties waarin hij losgekomen is van de vijand en waardoor hij leiding aan Israël kan geven. Wat volgt, is zijn totale val.

In Richteren 14-15 staan in totaal zes daden van Simson vermeld:
1. uiteenscheuren van een jonge leeuw (Ri 14:66Toen werd de Geest van de HEERE vaardig over hem, zodat hij hem uiteenscheurde, zoals men een bokje uiteenscheurt, zonder dat hij iets in zijn hand had. Maar hij vertelde zijn vader en moeder niet wat hij gedaan had.);
2. doden van dertig Filistijnen (Ri 14:1919Toen werd de Geest van de HEERE vaardig over hem: hij ging naar de Askelonieten en sloeg dertig man van hen dood. Hij nam hun kleren en gaf een stel [daarvan] aan [elk van] hen die het raadsel hadden uitgelegd. Hij was echter in woede ontstoken en keerde weer terug naar het huis van zijn vader.);
3. zijn actie met de driehonderd vossen (Ri 15:4-54En Simson ging [op weg] en ving driehonderd vossen. Hij nam fakkels, keerde staart aan staart en maakte in het midden tussen [elke] twee staarten een fakkel vast.5Hij stak de fakkels aan en liet ze door het staande koren van de Filistijnen lopen. Zo stak hij zowel de korenhopen als het staande koren in brand, alsook de wijngaarden [en] olijfbomen.);
4. zijn wraak op de Filistijnen (Ri 15:88En hij sloeg hun [met] een grote slag de botten stuk. Daarna vertrok hij en ging in een kloof van de rots Etam wonen.);
5. het bevrijden van zijn touwen (Ri 15:1414Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet. Maar de Geest van de HEERE werd vaardig over hem, en de touwen die om zijn armen zaten, werden als vlas dat door het vuur verbrand is. En zijn boeien vielen zomaar van zijn handen.);
6. het doden van duizend Filistijnen (Ri 15:1515En hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, nam die en sloeg er duizend man mee dood.
)
.

Simson komt er één tekort voor het getal zeven, het getal van de volmaaktheid.


Lees verder