Markus
1-5 De overlevering van de ouden 6-13 Het gebod van God tenietgedaan 14-23 Onderwijs over verontreiniging 24-30 De Syro-Fenicische vrouw 31-37 Een doofstomme genezen
De overlevering van de ouden

1En tot Hem verzamelden zich de farizeeën en sommigen van de schriftgeleerden die van Jeruzalem waren gekomen; 2en toen zij zagen dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is met ongewassen handen brood aten, 3– want de farizeeën en al de Joden eten niet tenzij zij hun handen grondig wassen, daar zij de overlevering van de ouden houden; 4en als zij van de markt [komen], eten zij niet tenzij zij zich hebben gereinigd; en er zijn vele andere dingen die zij hebben aanvaard om zich daaraan te houden: reinigingen van drinkbekers en kannen en koperen vaten <en rustbanken> – 5vroegen de farizeeën en schriftgeleerden Hem: Waarom wandelen Uw discipelen niet volgens de overlevering van de ouden, maar eten het brood met onreine handen?

In dit hoofdstuk zien we hoe de Heer tegen de godsdienstige leiders optreedt en Zijn oordeel over hen velt. Zij durven het in hun zelfvertrouwen en trots aan om een smet te werpen op Zijn discipelen en daarmee ook op Hem. Het werk van genade wekt de tegenstand van de godsdienstige mens omdat die vervuld is van zijn eigen belangrijkheid. De discipelen krijgen onderwijs hoe ze personen hebben te bezien die alleen in uiterlijk opzicht godsdienstig zijn. De Heer wil hun het ware karakter van deze mensen laten zien.

Als mensen zich bij Hem verzamelen, heeft dat altijd een reden en een gevolg. Ze komen naar Hem toe omdat ze Hem nodig hebben in hun nood, of ze komen naar Hem toe om Hem te kunnen aanklagen. Het gevolg is altijd dat Hij Zijn heerlijkheid openbaart, hetzij in genade, hetzij in oordeel.

De farizeeën en schriftgeleerden die hier naar Hem toe komen, bezitten wat de aarde betreft het hoogste gezag. Zij komen uit de heilige stad Jeruzalem, de stad van de oude godsdienst. Zowel hun positie van godsdienstige leiders als de plaats waar ze vandaan komen, het godsdienstig centrum Jeruzalem, geeft hun aanzien. Ze zijn als het ware getooid met de wet van God en met de autoriteit die hun dat verleent.

Deze mensen nemen waar dat sommige van de discipelen van de Heer brood eten op een manier die niet voldoet aan de door hen voorgeschreven manier. Dit heeft niets te maken met innerlijk geestelijk leven of met de verhouding van de mens tot God. Zij beoordelen anderen slechts naar de uiterlijke vorm, een vorm die zij zelf hebben vastgelegd. In wat mensen aan vormen vastleggen, is geen ruimte voor genade. Daarbij komt – en misschien is dat nog wel meer de les – dat door het zich houden aan overleveringen de werkelijke onreinheid van het hart verhuld wordt en verborgen blijft.

God heeft alle publieke en persoonlijke verplichtingen in familiekring, maatschappij, godsdienst en politiek geregeld, maar zij hebben er nog veel meer geboden bij gemaakt. Daardoor wordt Gods gebod niet meer uitgevoerd, want zij plaatsen het volk onder het gezag van de overlevering van de ouden, dat zijn hun eigen tradities.

Tradities hebben het in zich om de mens belangrijk maken. Als tradities gewoontehandelingen worden zonder dat ze getoetst worden aan de Schrift, kunnen tradities zich tegen de Schrift keren. Zodra we iets doen, uitsluitend omdat onze vaderen het ook altijd zo hebben gedaan, dreigt het gevaar dat de Schrift vervangen wordt door de traditie. Wij moeten weten wat we doen en waarom we het doen en dat met de Schrift als basis en niet de traditie. De Heer Jezus treedt scherp op tegen de vervanging van de Schrift door de traditie.

Het openbare leven speelt zich af op de markt. De farizeeën en de Joden nemen daar wel deel aan, maar menen dat zij daardoor verontreinigd worden. Van deze verontreiniging moeten zij zich eerst reinigen door hun handen grondig te wassen. Zij menen dat zij zich door een dergelijke uiterlijke reiniging van hun zondige handelstransacties op de markten reinigen.

Misschien hebben op de rustbanken die ze op de markt hebben gekocht wel de zieken gelegen die daar waren gebracht (Mk 6:5656En waar Hij ook kwam, in dorpen of in steden of op de velden, [daar] legden zij de zieken op de markten en smeekten Hem of zij slechts de zoom van Zijn kleed mochten aanraken; en allen die Hem aanraakten werden behouden.)! Dus moeten de rustbanken eerst gereinigd worden, voordat zij er zelf op kunnen gaan liggen. Zij reinigen ook drinkbekers en kannen, want die zouden wel eens aangeraakt kunnen zijn door vreemdelingen. Om de reiniging daarvan maken zij zich druk, maar niet om de reiniging van hun harten.

Wat de discipelen doen, vinden zij in strijd met hun overleveringen en daarom verkeerd. Zeker zullen zij hun overleveringen ontleend hebben aan het Woord van God. Daarin is sprake van wassingen, bijvoorbeeld van de offers en bij het verrichten van de priesterdienst. Dan lijkt het een redelijke gevolgtrekking dit gebod aan het hele volk op te leggen en dat voor het leven van elke dag. Maar het is een toevoegen aan wat God heeft gezegd! Het is de mens eigen om, als God iets niet uitdrukkelijk heeft gezegd, van de opengelaten mogelijkheid zelf een wet te maken en die anderen op te leggen. Traditie komt voort uit de mens, niet uit God.


Het gebod van God tenietgedaan

6Hij zei echter tot hen: Treffend heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven staat: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij vandaan; 7en tevergeefs vereren zij Mij, door leringen te leren die geboden van mensen zijn’. 8Terwijl u het gebod van God nalaat, houdt u de overlevering van de mensen. 9En Hij zei tot hen: Treffend doet u het gebod van God teniet, opdat u uw overlevering bewaart. 10Want Mozes heeft gezegd: ‘Eer uw vader en uw moeder’, en: ‘Wie vader of moeder vloekt, moet [de] dood sterven’. 11Maar u zegt: ‘Als een mens tot zijn vader of zijn moeder zegt: [Het is] korban (dat is: een gave), wat u ook van mij ten nutte zou kunnen komen’, – 12dan laat u hem niet meer toe iets voor zijn vader of zijn moeder te doen, 13terwijl u het Woord van God krachteloos maakt door uw overlevering die u hebt overgeleverd; en vele dergelijke dingen doet u.

In Zijn antwoord gaat de Heer niet de oorsprong van de overlevering bespreken en evenmin de nutteloosheid ervan aantonen. Hij toont direct de invloed aan van de overlevering op de gehoorzaamheid aan God. Hiervoor citeert Hij het Woord van God door Jesaja. Hij noemt hen huichelaars vanwege de onoprechtheid van hun streven. Het gaat de farizeeën en de schriftgeleerden om de eer van mensen en het gevoel van zelfvoldaanheid. Uiterlijk streven ze naar perfectie, terwijl hun hart ver van God vandaan en koud is.

God zoekt “waarheid in het binnenste” (Ps 51:88Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
)
en wenst aanbeden te worden in geest en waarheid (Jh 4:2424God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.). Huichelaars doen dingen alleen vanwege het uiterlijk, zonder dat het hart erbij betrokken is. Wij zijn huichelaars als wij ons godsdienstig gedragen, terwijl ons hart niet op de Heer, maar op mensen en onszelf is gericht. Gods oordeel komt over mensen met deze houding en gezindheid.

Als leringen van mensen de basis worden voor het vereren van God, blijft die verering leeg en zonder resultaat. Het is totaal nutteloos voor Hem, hoe geweldig de mens daar zelf ook van geniet en tevreden over is. Wie prijsgeeft wat van God komt, valt in handen van mensen. Het houden van de overlevering van de mensen in plaats van Gods gebod te gehoorzamen bewerkt een dramatische omkeer in de verhouding tussen mensen. Traditie veroorzaakt niet alleen ongehoorzaamheid aan wat God heeft gezegd, een negeren van Zijn Woord, maar doet Gods Woord ook teniet. Overleveringen openbaren zich als vijanden van Gods gebod.

De Heer Jezus illustreert Zijn woorden met het gebod dat God door Mozes aan Zijn volk heeft gegeven ten aanzien van het respect dat Hij eist voor hun vader en moeder. Hij stelt hun dit gebod in positieve zin (eren) en in negatieve zin (vloeken) voor. Het is een duidelijk gebod en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.

De leiders hadden iets verzonnen waardoor zij het gebod van God om de ouders te eren konden omzeilen. Als de ouders arm waren, hadden de kinderen de plicht voor hen te zorgen. Maar daardoor ging er in de ogen van deze verdorven lieden geld verloren dat zij zich konden toe-eigenen. In hun verdorvenheid hadden ze een programma ontworpen om een bezit veilig te stellen voor godsdienstige doeleinden, waarbij tevens het geweten van de mensen ten aanzien van God werd gesust. De Israëliet die met zijn geld zijn behoeftige vader of moeder moest helpen, moest over dat geld gewoon het woord ‘korban’ uitspreken.

Het woord ‘korban’ bepaalde dat ze hun geld en goed aan God hadden gegeven. God is nu eenmaal hoger dan vader of moeder. Zo verviel hun geld en goed aan de godsdienstige leiders en bleven de ouders zonder hulp van de kinderen. Met gehuichelde vroomheid werd het geld aan God gewijd en aan de ouders onthouden, terwijl het in de zakken van de farizeeën en de schriftgeleerden verdween. Wat een duivelse manipulatie schuilt er in hun uitvinding van het uitspreken van het woord ‘korban’ over geld of goederen waarmee mensen hun ouders zouden moeten helpen.

Hier zien we de traditie tegenover de Schrift. De Heer behandelt de traditie om ‘korban’ te zeggen hier niet slechts als iets verkeerds tegen de ouders, maar als een opstandige daad tegen een uitdrukkelijk gebod van God, waardoor het zijn kracht wordt ontnomen. En dit is maar één voorbeeld. De Heer had er zo nog vele aan kunnen toevoegen. Hij doet dat niet, want als dit voorbeeld niet overtuigt, zal geen van de andere aantoonbare gevallen dat doen en ook alle gevallen samen zullen hen niet overtuigen. Hun hart is daarvoor te verhard.


Onderwijs over verontreiniging

14En toen Hij opnieuw de menigte bij Zich had geroepen, zei Hij tot hen: Hoort allen naar Mij en verstaat. 15Er is niets dat van buiten de mens in hem gaat dat hem kan verontreinigen; maar wat uit de mens naar buiten gaat, dat is het wat de mens verontreinigt. <16Als iemand oren heeft om te horen, laat hij horen!> 17En toen Hij van de menigte in huis was gekomen, vroegen Zijn discipelen Hem naar de gelijkenis. 18En Hij zei tot hen: Bent u ook zo onverstandig? Begrijpt u niet, dat alles wat van buiten in de mens gaat, hem niet kan verontreinigen? 19Want het gaat niet in zijn hart, maar in de buik en gaat in het toilet naar buiten, – waardoor Hij alle spijzen rein verklaarde. 20Hij nu zei: Wat uit de mens naar buiten gaat, dat verontreinigt de mens. 21Want van binnen uit het hart van de mensen gaan naar buiten de kwade overleggingen, hoererijen, 22diefstallen, moorden, overspel, hebzucht, boosheden, bedrog, losbandigheid, een boos oog, lastering, hoogmoed, onverstand; 23al deze boze dingen komen van binnen uit voort en verontreinigen de mens.

De Heer wil de menigte waarschuwen voor het verdorven onderwijs van de farizeeën en schriftgeleerden. Hij roept hen weer bij Zich. Met volmacht zegt Hij: “Hoort allen naar Mij.” Als Hij spreekt, moet de mens luisteren. Wijs is degene die aandachtig luistert en de bedoeling wil verstaan van wat Hij zegt. Dit onderwijs is buitengewoon belangrijk. Het gaat om het verschil tussen het Woord van God en leringen van mensen. Dit verschil moet met alle kracht helder naar voren worden gebracht, als een duidelijke waarschuwing tegen de valkuil van de overlevering.

Alles wat een mens eet, komt van God en kan hem niet verontreinigen. De mens mag dat genieten – met uitzondering van het bloed en het verstikte (Hd 15:20,2920maar hun aanschrijven zich te onthouden van de verontreinigingen van de afgoden, van de hoererij, van <het> verstikte en van het bloed.29u te onthouden van wat aan de afgoden is geofferd, van [het] bloed, van [het] verstikte en van [de] hoererij. Als u zich daarvoor in acht neemt, zult u wél doen. Vaarwel!’). De mens zonder God maakt er op een verkeerde manier gebruik van. Hij denkt niet aan God en dankt Hem dan ook niet voor dat eten (vgl. 1Tm 4:33Zij verbieden te trouwen [en gebieden] zich van voedsel te onthouden, dat God geschapen heeft om met dankzegging te worden genuttigd door hen die geloven en de waarheid kennen.). Bij het eten denkt hij alleen aan zijn eigen behoeften. Dit egoïsme en het begeren is wat uit de mens voortkomt en dat verontreinigt hem.

De Heer besluit Zijn rede met een oproep aan ieder van Zijn toehoorders persoonlijk om Zijn woorden ter harte te nemen.

Nadat Hij de menigte heeft onderwezen, komt Hij in huis. Het huis stelt de vertrouwde sfeer van Zijn omgang met Zijn discipelen voor. Daar geeft Hij hun nader onderwijs. De discipelen vragen Hem naar wat zij als gelijkenis hebben opgevat. Omdat Hij in duidelijke woorden heeft gesproken, zonder beelden te gebruiken, maakt Hij hun een verwijt over hun onverstand. Ze zouden toch moeten begrijpen dat de mens niet verontreinigd kan worden als hij eet wat God heeft gegeven. Het komt van buiten hem tot hem.

De spijzen zijn voor de buik en de buik is voor de spijzen (1Ko 6:1313De spijzen zijn voor de buik, en de buik is voor de spijzen, maar God zal zowel het een als het ander tenietdoen. Maar het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor de Heer, en de Heer voor het lichaam.). Zo heeft God het bij de schepping van de mens ingesteld. Hij heeft ook in het lichaam de spijsvertering geregeld, waarbij al het overtollige in het toilet het lichaam weer kan verlaten. Met deze uitspraak verklaart de Heer Jezus in algemene zin alle spijzen rein. Het gaat Hem erom duidelijk te maken dat het kwaad niet in het voedsel zit, maar in de mens.

Dit is een hard woord, zowel voor de mens die vindt dat hij alles met goede bedoelingen doet als voor de huichelaar die aan niets anders kan denken dan aan uiterlijke reinheid. De oorzaak zit in het arglistige hart van de mens. Hij kent zijn eigen hart niet, maar de Heer kent het volkomen (Jr 17:9-109Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
)
. Hier spreekt de Kenner van het hart.

Hij weet dat alle kwaad begint met “kwade overleggingen”. Dat maakt de mens ten volle verantwoordelijk voor alle volgende daden, waarvan de Heer als eerste “hoererijen” noemt. Al deze boze dingen berokkenen enorme schade aan anderen en ook aan de mens zelf die ze doet. Bovenal zijn ze zonden tegenover God Die wil dat de mens Hem dient met heel zijn hart. Maar in het boze hart van de mens blijkt niets voor Hem te zijn. De dingen die de Heer noemt, bevatten zowel gezindheid als daden, want die boze daden vinden hun oorsprong in het hart.

Hij noemt al de dingen die Hij heeft genoemd “boze dingen”. Er is in deze dingen niets goeds, niets wat met God in verbinding staat, niets wat uit Hem voortkomt. Door deze boze dingen wordt de mens onrein. Dit betekent dat een mens zonder God onrein is en dat de gelovige die een van deze boze dingen doet, daardoor onrein wordt. Alleen belijdenis ervan maakt de mens rein, want hij mag weten dat het bloed van Christus reinigt van alle zonde (1Jh 1:77Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.).


De Syro-Fenicische vrouw

24Hij nu stond vandaar op en ging weg naar het gebied van Tyrus <en Sidon>; en toen Hij een huis was binnengegaan, wilde Hij niet dat iemand het wist; Hij kon echter niet verborgen blijven. 25Maar een vrouw, wier dochtertje een onreine geest had, hoorde terstond van Hem en kwam en viel aan Zijn voeten neer 26(deze vrouw nu was een Griekse, een Syro-Fenicische van geboorte); 27en zij vroeg Hem de demon uit haar dochter uit te drijven. Maar Hij zei tot haar: Laat eerst de kinderen worden verzadigd, want het is niet juist het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen. 28Maar zij antwoordde en zei tot Hem: <Ja> Heer, [maar] ook de honden eten onder de tafel van de kruimels van de kinderen. 29En Hij zei tot haar: Vanwege dit woord, ga heen, de demon is uit uw dochter gegaan. 30En toen zij was weggegaan naar haar huis, vond zij het kind op bed liggen en de demon uitgegaan.

In het vorige gedeelte laat de Heer Jezus, met het Goddelijk volmaakte inzicht dat Hem eigen is, het hart van de mens zien. God wil daartegenover ook Zijn eigen hart laten zien. Hij doet dat in Christus aan hen die voelen dat ze behoefte aan Hem hebben en in geloof tot Hem komen, terwijl zij Zijn volmaakte goedheid erkennen en daarin rusten.

Voor het laten zien van Zijn eigen hart gaat de Heer naar streken buiten het grondgebied van Israël. Als ware Dienaar wil Hij niet bekend zijn, maar voor wie op zoek is naar de genade van God, kan Hij niet verborgen blijven. Hij kan Zijn natuur van liefde niet loochenen voor hen die Hem in hun nood nodig hebben. Door hen wordt Hij ook gevonden.

Er komt een vrouw bij Hem die als een echte moeder genezing zoekt voor haar bezeten kind. Ze hoort van Hem en aarzelt geen moment om naar Hem toe te gaan. Ze werpt zich aan Zijn voeten. Er is een volledige overgave aan Hem van de nood die ze bij zich draagt. Als extra bijzonderheid vermeldt Markus dat de vrouw tot een heidens ras behoort. Ze is geen lid van Gods uitverkoren volk. Ze is vrij van traditie en huichelarij en heeft geen verhard hart, maar een hart dat naar de genade verlangt.

Ze richt vanuit haar nederige houding haar verzoek tot de Heer. Dan geeft Hij haar een antwoord dat iedere rechtgeaarde Jood als muziek in de oren moet hebben geklonken. Er is niemand die hoeft te vragen naar de uitleg van de gelijkenis die de Heer gebruikt. Het beeld is te duidelijk. De kinderen zijn Gods volk en de honden zijn de heidenen.

Dit zou voor de vrouw een verpletterend antwoord zijn geweest als het gevoel van haar nood en van de goedheid van God daar niet bovenuit waren gegaan en elke andere gedachte hadden verdreven. Als de Heer deze woorden spreekt, heeft Hij dan ook iets totaal anders in gedachten dan het vleien van de superieure gevoelens van de trotse Jood. Zijn woorden zijn een uitdaging voor het geloof van de vrouw. Hij zegt er niet bij dat de kinderen het brood niet willen. Hij heeft het wel uitgedeeld, maar de kinderen verwerpen Hem als het ware brood.

Het geloof van de vrouw komt op sublieme wijze tot uiting. Met de woorden “ja, Heer” erkent ze de soevereiniteit van God. Zij is inderdaad slechts een hond uit de volken. Tegelijk ziet ze dat de goedheid van God zo groot is, dat er zelfs brood overblijft voor de honden, al zijn het slechts de kruimels. Ze maakt geen enkele aanspraak op rechten. De arme vrouw steunt alleen op genade.

Haar geloof legt, met een door God gegeven inzicht, de hand op de genade die uitgaat boven de beloften die aan Israël zijn gedaan. Zij behoort niet tot Gods volk, maar daardoor worden Gods goedheid en genade niet teruggedrongen. Ze dringt door tot het hart van de God van liefde zoals Hij geopenbaard is in Christus en ze geniet de vrucht ervan.

Het woord dat de vrouw heeft gesproken, komt uit een hart dat gelooft. Het uiterlijke woord weerspiegelt de gezindheid van haar hart. Hier is elke huichelarij afwezig. De Heer beloont haar belijdenis met de genezing van haar dochter. De vrouw vraagt Hem niet om mee te gaan. Ze twijfelt niet aan Zijn woord en gaat naar huis. Als ze thuiskomt, ziet ze dat haar geloof is beantwoord. Ze heeft gekregen naar haar geloof.


Een doofstomme genezen

31En toen Hij weer uit het gebied van Tyrus was weggegaan, kwam Hij door Sidon naar de zee van Galiléa, midden door het gebied van Dekápolis. 32En zij brachten een dove bij Hem die moeilijk sprak, en smeekten Hem deze de hand op te leggen. 33En Hij nam hem van de menigte afzonderlijk, stak Zijn vingers in zijn oren en na gespuwd te hebben raakte Hij zijn tong aan; 34en Hij keek op naar de hemel, zuchtte en zei tot hem: Effatha! dat is: Word geopend! 35En <terstond> werden zijn oren geopend en de band van zijn tong werd los en hij sprak goed. 36En Hij gebood hun dat zij het niemand zouden zeggen; maar wat Hij hun ook gebood, zij verbreidden het des te overvloediger. 37En zij stonden bovenmate versteld en zeiden: Hij heeft alles voortreffelijk gedaan, en Hij doet de doven horen en de stommen spreken.

De Heer trekt van Tyrus verder noordelijk en komt door Sidon, om vervolgens weer naar het zuiden te gaan, naar de zee van Galiléa. Daarvoor trekt Hij midden door het gebied van Dekápolis, het gebied waar de bezetene die door Hem is bevrijd, van Hem heeft getuigd (Mk 5:2020En hij ging weg en begon in Dekápolis te prediken alles wat Jezus aan hem had gedaan; en allen verwonderden zich.).

Als Hij daar komt, wordt een dove bij Hem gebracht. Mensen in nood bij de Heer brengen is een werk dat iedere gelovige kan doen. De man heeft geen oren om te horen, hij kan de vrucht van het Woord van God niet ontvangen. Daardoor kan hij Hem ook zijn nood niet bekendmaken en nog minder Hem prijzen. Dit is de situatie van Gods volk, dat doof is voor de stem van de goede Herder en niet in staat is God te prijzen.

De Heer verricht in totaal zeven handelingen om de man te genezen. Naar verhouding verricht Hij veel meer handelingen dan Hij woorden spreekt. Dat is kenmerkend voor de Dienaar.
1. De eerste handeling is dat Hij hem afzondert van de menigte. Elke nood die een mens heeft, kan slechts door Hem worden weggenomen als Hij met iemand alleen is.
2. Als tweede handeling steekt Hij Zijn vingers in de oren van de dove. Hij wijst als het ware de kwaal aan, maar het is met vingers met genezende kracht en niet met een opgeheven vinger. De vinger van God is een vinger die Gods kracht zichtbaar maakt en die kan worden herkend zowel door gelovigen als door ongelovigen (Ex 8:1919Toen zeiden de magiërs tegen de farao: Dit is de vinger van God! Maar het hart van de farao verhardde zich, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.; 31:1818En toen [de HEERE] geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinaï, gaf Hij Mozes de twee tafelen van de getuigenis, tafelen van steen, beschreven met de vinger van God.; Ps 8:44Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U [hun] plaats gegeven hebt,
; Dn 5:5-285Op hetzelfde ogenblik verschenen er vingers van een mensenhand, die op de gepleisterde wand van het koninklijk paleis schreven, tegenover de kandelaar, en de koning zag het gedeelte van de hand die schreef.6Toen veranderde de gelaatskleur van de koning, zijn gedachten verschrikten hem, zijn heupgewrichten verslapten en zijn knieën knikten.7[En] de koning riep met kracht dat men de bezweerders, de Chaldeeën en de toekomstvoorspellers moest laten komen. De koning nam het woord en zei tegen de wijzen van Babel: Iedereen die dit schrift kan lezen en mij de uitleg ervan te kennen kan geven, zal gekleed worden in purper, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal als derde in het koninkrijk heersen.8Toen traden al de wijzen van de koning binnen, maar zij waren niet in staat het schrift te lezen of de uitleg ervan aan de koning te laten weten.9Toen werd koning Belsazar zeer verschrikt, en zijn gelaatskleur veranderde. Ook zijn machthebbers raakten in verwarring.10Naar aanleiding van de woorden van de koning en zijn machthebbers trad de koningin het huis binnen [waar] de maaltijd [plaatsvond]. De koningin antwoordde en zei: O koning, leef in eeuwigheid. Laten uw gedachten u niet verschrikken en laat uw gelaatskleur niet veranderen.11Er is een man in uw koninkrijk in wie de geest van de heilige goden is, want in de dagen van uw vader is bij hem licht, verstand en wijsheid gevonden, zoals de wijsheid van goden. Daarom stelde koning Nebukadnezar, uw vader, hem aan als hoofd van de magiërs, de bezweerders, de Chaldeeën [en] de toekomstvoorspellers – uw [eigen] vader, o koning!12Want er werd een uitzonderlijke geest, kennis en verstand om dromen uit te leggen, onthulling van raadsels en ontwarring van knopen in hem gevonden, [namelijk] in Daniël, die de koning de naam Beltsazar had gegeven. Laat nu Daniël geroepen worden, zodat hij de uitleg [ervan] te kennen zal geven.13Toen werd Daniël bij de koning gebracht. De koning nam het woord en zei tegen Daniël: Bent u die Daniël, een van de ballingen uit Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda [hierheen] heeft gebracht?14Ik heb namelijk over u gehoord dat de geest van goden in u is, en dat in u licht, verstand en uitzonderlijke wijsheid gevonden worden.15Welnu, de wijzen [en] de bezweerders zijn bij mij gebracht om dit schrift te lezen en mij de uitleg ervan te laten weten, maar zij zijn niet in staat de uitleg van deze woorden te kennen te geven.16Ik echter, ik heb over u gehoord dat u uitleggingen kunt geven en knopen kunt ontwarren. Nu, als u het schrift kunt lezen en mij de uitleg ervan laat weten, zult u gekleed worden in purper, een gouden keten om uw hals [gehangen krijgen], en zult u als derde heersen in het koninkrijk.17Toen antwoordde Daniël en zei in de tegenwoordigheid van de koning: Houd uw geschenken voor uzelf, en geef uw beloningen aan een ander. Toch zal ik [nu] het schrift voor de koning lezen en de uitleg [ervan] zal ik hem laten weten.18Wat u, o koning, betreft, de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koningschap, grootheid, eer en majesteit gegeven.19Vanwege de grootheid die Hij hem had gegeven, beefden en sidderden alle volken, natiën en talen voor hem. Hij doodde wie hij wilde en hij liet in leven wie hij wilde. Hij verhoogde wie hij wilde en hij vernederde wie hij wilde.20Maar toen zijn hart zich verhief en zijn geest zich verhardde in hoogmoed, werd hij van zijn koninklijke troon gestoten en heeft men hem [zijn] eer ontnomen.21Hij werd uit de mensen[wereld] verstoten, zijn hart werd gelijk aan dat van de dieren, zijn verblijf was bij de wilde ezels, men gaf hem gras te eten zoals runderen, zijn lichaam werd bevochtigd door de dauw van de hemel, totdat hij erkende dat God, de Allerhoogste, Heerser is over het koningschap van de mensen en daarover aanstelt wie Hij wil.22Wat u, Belsazar, zijn zoon, betreft, u hebt uw hart niet vernederd, hoewel u dit alles wist.23U hebt zich verheven tegenover de Heere van de hemel, want de voorwerpen van Zijn huis heeft men bij u gebracht. En u, uw machthebbers, uw vrouwen en bijvrouwen hebben wijn eruit gedronken, en u hebt [uw] goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen geprezen, die niet kunnen zien en niet kunnen horen en geen kennis hebben. U hebt echter de God in Wiens hand uw adem is en aan Wie al uw wegen toebehoren, niet verheerlijkt.24Daarom is door Hem het gedeelte van de hand gezonden en dit schrift geschreven.25Dit is het schrift dat werd geschreven: MENE, MENE, TEKEL, UFARSIN.26Dit is de uitleg van deze woorden. MENE: God heeft [de dagen van] uw koningschap geteld en Hij heeft er een einde aan gemaakt.27TEKEL: u bent gewogen in de weegschaal en u bent te licht bevonden.28PERES: uw koninkrijk is verdeeld en het is aan de Meden en de Perzen gegeven.; Lk 11:20-2220Als Ik echter door [de] vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God tot u gekomen.21Wanneer de sterke wélbewapend zijn hofstede bewaakt, zijn zijn bezittingen in vrede.22Als echter iemand op hem af komt die sterker is dan hij en hem overwint, neemt die zijn hele wapenrusting waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit.)
.
3. Ten derde spuwt Hij. Speeksel is een symbool van Zijn innerlijke kracht die via Zijn mond naar buiten komt. Hij zal daarbij op Zijn hand hebben gespuwd en Zijn vinger daarmee nat hebben gemaakt.
4. Met de vinger met speeksel daaraan raakt Hij als vierde handeling de tong van de man aan, om daardoor als het ware Zijn innerlijke kracht vanuit Zijn mond in de mond van de man te leggen.
5. Ten vijfde brengt Hij de nood waarmee Hij bezig is in verbinding met de hemel. Het legt de nadruk op Zijn handelen in afhankelijkheid van Zijn Vader (Mk 6:4141En toen Hij de vijf broden en de twee vissen had genomen, keek Hij op naar de hemel en zegende, en Hij brak de broden en gaf ze aan Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorzetten, en de twee vissen deelde Hij onder allen.).
6. Zijn zesde handeling, zuchten, spreekt van de last die Hij in Zijn geest ervaart bij het genezen van de man.
7. Dan spreekt Hij ten zevende het verlossende woord. Het is een werkelijk verlossend woord, want het is een openend en losmakend woord.

Na al deze handelingen zijn de doofheid van de man en wat hem heeft verhinderd om goed te spreken, weggenomen. Nu is hij in staat om goed te spreken. Goed spreken wil zeggen goed over iemand spreken. De eerste goede woorden die hij spreekt, zullen over Christus zijn gegaan. Er kan alleen goed worden gesproken, als het oor is geopend. Christus doet de doven horen en de stommen spreken. Zo zal Hij als de Messias doen met het overblijfsel van Israël in de toekomst (Js 35:5-65Dan zullen de ogen van de blinden worden opengedaan,
de oren van de doven zullen worden geopend.
6Dan zal de kreupele springen als een hert,
de tong van de stomme zal juichen.
Want in de woestijn zullen wateren zich een weg banen
en beken in de wildernis.
)
.

Als de volmaakte Dienaar kan Hij niet anders dan zeggen dat dit wonder niet moet worden doorverteld. De ware Dienaar zoekt geen eer van mensen, geen eer voor Zichzelf. Maar het wonder heeft zo’n grote indruk gemaakt, dat niemand erover kan zwijgen. Het is een begrijpelijke reactie, maar toch ongehoorzaamheid aan de Heer.

De mensen komen tot de erkenning dat Hij alles voortreffelijk heeft gedaan. Er is in Zijn handelen slechts volmaaktheid waar te nemen. Hij is waarlijk de volmaakte Dienaar Wiens werk volkomen is.


Lees verder