Nehemia
Inleiding
Inleiding

Vooraf

Zoals al vaker is gebeurd, is het houden van lezingen over dit bijbelboek de aanleiding tot het schrijven van dit commentaar. In Gummersbach, Duitsland, heb ik met veel vreugde de rijke lessen uit dit boek mogen delen met de gelovigen die de lezingen bezochten. Wat ik in de voorbereiding heb mogen verzamelen, heb ik zodanig bewerkt dat het geheel, nu als commentaar, kan worden aangeboden aan ieder die er kennis van wil nemen.

Het boek bevat rijke lessen voor hen die in de gemeente van God voorgangers zijn. Hiermee bedoel ik niet door mensen aangestelde voorgangers, maar gelovigen die in hun leven laten zien dat zij naar de normen van Gods Woord willen leven en daarin voorbeelden voor anderen zijn (Hb 13:77Houdt uw voorgangers in herinnering die het Woord van God tot u gesproken hebben, en volgt, terwijl u het einde van hun wandel beschouwt, hun geloof na.). Het zijn rijpere gelovigen die zorg dragen voor Gods gemeente (Hb 13:1717Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig.; Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].). Zulke gelovigen zullen niet heersen, maar dienen (1Pt 5:1-31[De] oudsten onder u vermaan ik dus, de medeoudste en getuige van het lijden van Christus en ook de deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden;2hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;3ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden.). Hun grote voorbeeld is de Heer Jezus, Die in het midden van de discipelen was “als Degene Die dient” (Lk 22:26-2726U echter niet aldus, maar laat de grootste onder u als de jongste zijn, en de voorganger als een die dient.27Want wie is groter, hij die aanligt of hij die dient? Niet hij die aanligt? Ik echter ben in uw midden als Degene Die dient.).

Dat betekent niet dat dit boek geen lessen zou hebben voor hen die geen voorgangers zijn. De Heer Jezus is hét Voorbeeld van dienstbaarheid voor iedere gelovige. Ieder van Gods kinderen wordt opgeroepen te leren van Hem als de Voorbeelddienaar. Omdat Nehemia zoveel op Hem lijkt, staat dit boek vol van toepassingen voor iedere gelovige.

De geschiedenis en de persoon van Nehemia geven een scala aan situaties die we zo naar onze tijd kunnen vertalen. In elke situatie zien we Nehemia optreden op een wijze die bij die situatie past. Het lijkt wel alsof hij overal aanwezig is en overal een passend antwoord op heeft. Hij weet trouwens ook op tijd terug te treden. We zullen ontdekken dat het geheim daarvan zijn intense gebedsleven is.

Dienstbaar zijn betekent niet een ‘watje’ zijn. Nehemia is geen slappeling. Voor God maakt hij zich klein; daarom is hij onbevreesd in zijn optreden voor mensen. Hij treedt met gezag en, indien nodig, hardhandig op, ongeacht wie hij voor zich heeft. Zo roept hij kwade praktijken een halt toe en brengt hij een omkeer in verkeerde situaties.

Wat is deze man tot zegen voor Gods volk geweest! Geve God dat wij op Nehemia willen lijken en daartoe de lessen van dit boek ter harte nemen.

Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk een vers voor vers commentaar te geven met de nadruk op de toepassing. Bij de bespreking van Nehemia 1-2 ga ik bij elk vers uit van vragen die ik bij de tekst kan stellen. Er zullen zeker nog andere vragen te bedenken zijn. Dat laat ik voor de volgende hoofdstukken graag aan de lezer zelf over. Het kan een hulpmiddel zijn om de tekst beter te begrijpen en toe te passen. Na de vraag volgt een verklaring of toelichting, met daarin toepassingen verweven. In de eerste twee hoofdstukken sluit ik, als een soort samenvatting, elk vers af met enkele lessen die ik erin zie. Ik hoop dat het een stimulans voor de lezer is, zelf deze lessen in de volgende hoofdstukken te ontdekken.

Ger de Koning
Middelburg, herzien 2018

Inleiding op het boek Nehemia

Het boek is geschreven door Nehemia zelf en is daarom een autobiografie. Toch vertelt hij niet meer over zichzelf dan nodig is voor het zien van zijn verbinding met het volk van God en zijn dienst aan hen.

Het onderwerp van het boek Nehemia is de herbouw van de stadsmuur rondom Jeruzalem. De stad is het gebied waar het leven van alle dag zich afspeelt. Het boek handelt over het burgerleven van de Israëlieten, maar in een situatie dat zij aan de heidenen onderworpen zijn.

Nehemia verschijnt in het twintigste jaar van Arthahsasta in Jeruzalem. Dat is dertien of veertien jaar na de terugkeer van Ezra in Jeruzalem, die daar in het zevende jaar van Arthahsasta is aangekomen. Tussen de terugkeer onder Kores, vermeld in Ezra 1 (Ea 1:11In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:), en de aankomst van Nehemia in Jeruzalem (Ne 2:1-111Het gebeurde in de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Arthahsasta, [toen er] wijn voor hem [gereedstond], dat ik de wijn nam en aan de koning gaf. Nu was ik nooit in zijn tegenwoordigheid verdrietig geweest.2Toen zei de koning tegen mij: Waarom staat uw gezicht [zo] verdrietig, terwijl u [toch] niet ziek bent? Dit is niets anders dan hartenpijn. Toen werd ik heel erg bevreesd.3Ik zei tegen de koning: Moge de koning in eeuwigheid leven! Waarom zou mijn gezicht niet verdrietig staan, als de stad, de plaats van de graven van mijn vaderen verwoest ligt en zijn poorten door vuur verteerd zijn?4De koning zei tegen mij: Wat verzoekt u dan? Toen bad ik tot de God van de hemel5en zei tegen de koning: Als het de koning goeddunkt, en als uw dienaar u welgevallig is, dat u mij [dan] naar Juda stuurt, naar de stad met de graven van mijn vaderen, zodat ik die [weer] op kan bouwen.6Toen zei de koning tegen mij, terwijl de koningin naast hem zat: Hoelang zal uw reis duren en wanneer zult u terugkeren? Het was goed in de ogen van de koning. Hij liet mij gaan toen ik hem een bepaalde tijd opgegeven had.7Verder zei ik tegen de koning: Als het de koning goeddunkt, laat men mij [dan] brieven geven voor de landvoogden van [het gebied aan] de overzijde van de rivier, dat zij mij doorgang verlenen totdat ik in Juda ben aangekomen,8en een brief voor Asaf, de bewaker van het [kroon]domein dat de koning heeft, dat hij mij hout geeft om een zoldering te maken voor de poorten van de burcht die bij het huis [van God] hoort, voor de stadsmuur en voor het huis waar ik naartoe zal gaan. En de koning gaf ze mij, omdat de goede hand van mijn God over mij was.9Toen kwam ik aan bij de landvoogden van [het gebied aan] de overzijde van de rivier en gaf hun de brieven van de koning. De koning had legerofficieren en ruiters met mij meegestuurd.10Toen Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonitische dienaar, [dat] hoorden, was het volstrekt kwalijk in hun ogen dat er iemand gekomen was om het goede te zoeken voor de Israëlieten.11Ik kwam aan in Jeruzalem en was daar drie dagen.) ligt ca. negentig jaar. Met de komst van Ezra en later die van Nehemia, heeft God Zijn eigen bedoelingen. Nehemia respecteert de plaats die Ezra heeft. Nehemia heeft daar oog voor, zoals blijkt uit zijn boek (Ne 8:1-2,101Toen de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden waren,2verzamelde heel het volk zich als één man op het plein dat voor de Waterpoort ligt; en zij zeiden tegen Ezra, de schriftgeleerde, dat hij het boek moest brengen met de wet van Mozes, die de HEERE Israël had geboden.10En Nehemia (hij was [Zijne] Excellentie, [de stadhouder]), Ezra, de priester [en] schriftgeleerde, en de Levieten die het volk onderwezen, zeiden tegen heel het volk: Deze dag is heilig voor de HEERE uw God. Rouw [dan] niet en huil niet. Heel het volk huilde namelijk toen ze de woorden van de wet hoorden.; 12:27-4327Bij de inwijding van de muur van Jeruzalem zochten zij de Levieten uit al hun [woon]plaatsen om hen naar Jeruzalem te brengen, om met blijdschap de inwijding te verrichten, met dank[zegging] en met gezang, [met] cimbalen, luiten en harpen.28De nakomelingen van de zangers verzamelden zich, zowel vanuit het omliggende gebied van Jeruzalem als vanuit de dorpen van de Netofatieten,29en vanuit het huis van Gilgal, en vanuit de velden van Geba en Azmaveth, want de zangers hadden dorpen voor zichzelf gebouwd rond Jeruzalem.30De priesters en de Levieten reinigden zich; vervolgens reinigden zij het volk, de poorten en de muur.31Toen liet ik de vorsten van Juda de muur opgaan. Ik stelde twee grote dank[koren] en processies op: [de ene ging] naar rechts, over de muur, naar de Mestpoort,32en achter hen liep Hosaja met de helft van de vorsten van Juda,33en Azarja, Ezra en Mesullam,34Juda, Benjamin, Semaja en Jeremia,35en van de nakomelingen van de priesters met trompetten: Zacharja, de zoon van Jonathan, de zoon van Semaja, de zoon van Mattanja, de zoon van Michaja, de zoon van Zakkur, de zoon van Asaf,36en zijn broeders Semaja en Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneël en Juda, [en] Hanani, met muziekinstrumenten van David, de man Gods. En Ezra, de schriftgeleerde, [ging] voor hen uit.37[Zij gingen] vervolgens naar de Bronpoort, en recht voor hen uit gingen zij via de trappen van de stad van David naar boven, waar de muur oploopt, boven het huis van David [langs] tot aan de Waterpoort in het oosten.38Het tweede dank[koor] ging in tegenovergestelde richting, met mij erachter, en [met] de helft van het volk, over de muur, boven de Bakoventoren [langs], tot aan de Brede Muur,39boven de Efraïmpoort [langs], en over de Oude Poort en over de Vispoort, de Hananeëltoren en de Honderdtoren, tot aan de Schaapspoort. Vervolgens bleven ze bij de Gevangenpoort staan.40Daarna stelden de twee dank[koren] zich op in het huis van God, ook ik en de helft van de machthebbers met mij,41en de priesters Eljakim, Maäseja, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zacharja [en] Hananja, met trompetten,42en Maäseja, Semaja, Eleazar, Uzzi, Johanan, Malchia, Elam en Ezer. Ook lieten de zangers zich horen, en Jizrahja, de opzichter.43Zij brachten op die dag grote offers en waren verblijd, want God had hen in grote mate verblijd, en ook de vrouwen en de kinderen waren verblijd, zodat de blijdschap van Jeruzalem van ver gehoord werd.). Er is geen jaloersheid.

Ezra is een schriftgeleerde en ook een priester. Hij is een onderzoeker van het Woord van God, waarin hij zijn bronnen heeft die hem voorzien van kracht om te handelen. Nehemia is meer een praktische man, een man die bezig is met de dingen van alledag. Ze hebben beiden dezelfde gezindheid. Hoe komt het dat de situatie zo is geworden dat er een Nehemia nodig is, terwijl Ezra toch ook in Jeruzalem is? Is de energie bij Ezra wat weggezakt?

De mensen die we in het boek Nehemia ontmoeten, zijn zij die in het boek Ezra zijn teruggekeerd, maar dan een tijd later. Het verval is gekomen. Nehemia wordt gekenmerkt door een diep gevoel van de vervallen toestand van Gods volk. Aan de andere kant wordt Nehemia ook gekenmerkt door het besef van de trouw van God. Gelukkig dat de Heer mannen als Nehemia kan sturen wanneer de dienst van Ezra niet meer zo nadrukkelijk aanwezig is.

In Nehemia gaat het om de bouw van een muur om de stad van God, waarin de tempel van God staat. Hij woont bij Zijn volk. De persoonlijke toepassing van het boek is dat wij rond de stad van onze ziel een muur bouwen, in het besef dat ons “lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest” (1Ko 6:1919Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?). Bij deze bouw ontmoeten we tegenstand. Die moeten we overwinnen. Dat geeft strijd en vraagt om waakzaamheid. Als het volk zegt ‘laten we opstaan en bouwen’, zegt de vijand ‘ik zal opstaan en weerstand bieden’.

Het boek Nehemia is misschien wel het meest fundamentele boek van de Bijbel als het gaat om de persoonlijke dienst voor God. Er bestaat voor de mens in het algemeen en voor de gelovige in het bijzonder geen recht op het kiezen van een eigen invulling van het leven. Het beginnen aan een studie voor een beroep of het opzetten van een carrière in het zakenleven of het bezig zijn met welk ander werk dan ook, zonder naar de wil van God te vragen, is niet alleen dwaas, het is ook zonde.

De aanspraken van de Heer moeten volledig worden erkend. Hij moet in alle dingen de eerste plaats innemen. Ons gebed moet zijn: ‘Heer wat wilt U dat ik doen zal en hoe en waar en wanneer wilt U dat ik het doe?’ Daartoe moeten alle gebieden van ons leven aan Hem worden uitgeleverd: gezin, beroep, gemeente. Dan kan God Zijn doel met ons bereiken en zal ons leven in de ware zin van het woord succesvol zijn.

Een indeling van het boek:
1. De dienaar en zijn bijzondere opdracht (Nehemia 1-3).
   a. De dienaar wordt voorbereid, de verborgen oefeningen van het hart (Nehemia 1).
   b. De weg wordt voorbereid, de omstandigheden bestuurd (Nehemia 2).
   c. De herbouw van de muur en de poorten (Nehemia 3).
2. Tegenstand en maatregelen tegen de aanvallen van de vijand (Nehemia 4-7).
3. Het weer instellen van het gezag van Gods woord (Nehemia 8-10).
4. Het bestuur van de stad (Nehemia 11-13).


Lees verder