Nehemia
Inleiding 1 Eljasib – de Schaapspoort – twee torens 2 De mannen van Jericho – Zakkur 3 De Vispoort – de nakomelingen van Senaä 4 Meremoth – Mesullam – Sadok 5 De Tekoïeten 6 De Oude Poort – Jojada en Mesullam 7 Melatja en Jadon 8 Uzziël en Hananja 9 Refaja 10 Jedaja – Hattus 11 Malchia en Hassub – de Bakoventoren 12 Sallum en zijn dochters 13 De Dalpoort – Hanun en de inwoners van Zanoah 14 De Mestpoort – Malchia 15 De Bronpoort en Sallun 16 Nehemia, de zoon van Azbuk 17-18 Rehum – Kehila – Hasabja – Bavai 19 Ezer 20 Baruch 21 Meremoth 22 De priesters 23 Benjamin en Hassub – Azarja 24 Binnuï 25 Palal – Pedaja 26 De tempeldienaren – de Waterpoort 27 De inwoners van Tekoa 28 De Paardenpoort – de priesters 29 Zadok – Semaja en de Oostpoort 30 Hananja en Hanun – Mesullam 31 Malchia – de Wachtpoort 32 Edelsmeden en handelaars – de Schaapspoort
Inleiding

Uit dit hoofdstuk straalt warmte en enthousiasme. De hele bevolking gaat in op de oproep van Nehemia om te bouwen. Ieder is met zijn plek tevreden, zonder jaloers te zijn op een ander. Bijna niemand ontloopt zijn taak, niemand moppert over zijn taak. Daardoor is er zorg voor ieder deel van de muur. Hoe onneembaar is een gemeente met zulke medewerkers.

De Geest neemt ons bij de hand en gaat met ons langs de muur. We mogen met Hem meekijken naar de voortgang van de bouw. We zien mensen bezig. Wij zijn geen inspecteurs, maar leerlingen. De Geest is de Inspecteur. Hij zegt hoe de mensen heten, waarmee ze bezig zijn, waar ze bezig zijn, waarom ze bezig zijn. Hij toont aan wie ijverig is en wie niets doet. Hij ziet de motieven waardoor iemand wordt geleid.

Alles wat wordt gedaan, wordt vastgelegd. Niet om later nog eens een leuke avond te verzorgen met een diapresentatie of een videovertoning en na te praten over de prestaties. Daar hoeft niets mis mee te zijn. Maar wat hier wordt vastgelegd, wordt op onuitwisbaar papier vastgelegd, namelijk in het register van God. Feilloos noteert de Geest de namen van de medewerkers en hun werkzaamheden.

De opsomming van de werkers herinnert aan de opsomming aan het einde van de brief aan de Romeinen (Rm 16:1-161Ik nu beveel u Fébe aan, onze zuster, die <ook> een dienares is van de gemeente die in Kenchreeën is,2opdat u haar ontvangt in [de] Heer, op een wijze de heiligen waardig, en haar bijstaat in elke zaak waarin zij u nodig mocht hebben; want ook zijzelf heeft bijstand verleend aan velen, ook aan mijzelf.3Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus4(die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben; niet ik alleen dank hen, maar ook alle gemeenten van de volken),5en de gemeente in hun huis. Groet Epénetus, mijn geliefde, die [de] eersteling van Asia is voor Christus.6Groet Maria, die veel voor u gearbeid heeft.7Groet Andrónicus en Junias, mijn verwanten en medegevangenen, die vermaard zijn onder de apostelen, die ook vóór mij in Christus zijn geweest.8Groet Ampliatus, mijn geliefde in [de] Heer.9Groet Urbanus, onze medearbeider in Christus, en Stachys, mijn geliefde.10Groet Apelles, de beproefde in Christus. Groet hen die tot de [huisgenoten] van Aristobúlus behoren.11Groet Heródion, mijn verwant. Groet hen die de [huisgenoten] van Narcissus in [de] Heer zijn.12Groet Tryféna en Tryfósa, die in [de] Heer arbeiden. Groet Persis, de geliefde, die veel gearbeid heeft in [de] Heer.13Groet Rufus, de uitverkorene in [de] Heer, en zijn moeder en de mijne.14Groet Asýncritus, Flegon, Hermes, Pátrobas, Hermas, en de broeders bij hen.15Groet Filólogus en Julias, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen bij hen.16Groet elkaar met een heilige kus. Al de gemeenten van Christus groeten u.). Het doet ook denken aan “de rechterstoel van Christus” (2Ko 5:1010Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.). Daar zal ieder “zijn eigen loon ontvangen naar zijn eigen arbeid” (1Ko 3:88En wie plant en wie begiet zijn een; maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen naar zijn eigen arbeid.). Dat geldt ook voor ons. Daarom is het zo leerzaam om mee te lopen met de Geest van God. Van elke werker in Gods koninkrijk, waarin ieder een eigen taak en terrein heeft, wordt nu genoteerd wat hij doet.

We zijn echter niet allemaal op eigen houtje bezig, voor een eigen koninkrijkje. We werken niet langs elkaar heen als we in eendracht met elkaar naar hetzelfde doel streven: de herbouw van de muur. Schouder aan schouder zijn ze bezig, wat zo mooi wordt aangegeven door het telkens terugkerende woord “daarnaast”.

Nergens is het zo belangrijk als juist in de gemeente van God om de juiste persoon op de juiste plaats te hebben. Daartoe “heeft God de leden, elk van hen, in het lichaam gesteld zoals Hij heeft gewild” (1Ko 12:1818Maar nu heeft God de leden, elk van hen, in het lichaam gesteld zoals Hij heeft gewild.). Daartoe is door de Geest aan ieder lid de benodigde gave gegeven (Rm 12:6-86Daar wij nu verschillende genadegaven hebben, naar de genade die ons gegeven is,7hetzij profetie, [laat het zijn] naar gelang van het geloof; hetzij dienst, in het dienen; hetzij wie leert, in het leren;8hetzij wie vermaant, in het vermanen; wie meedeelt, in eenvoudigheid; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid.). Dienst is niet alleen dienen met het Woord. Dienst is bezig zijn in het werk dat de Heer ieder heeft opgedragen. Het gaat om het doen van Zijn wil. Hij beloont naar de trouw waarmee iemand bezig is en niet naar de gave die iemand bezit.

Ieder heeft een persoonlijk en tevens uniek aandeel in het herstel van de muur van Jeruzalem. Niemand doet hetzelfde werk, niemand doet een ander na. Ieder heeft een van alle anderen onderscheiden aandeel. Dat zien we bij de discipelen van de Heer, bij de medewerkers van Paulus, bij de strijders van David.

Er is werk genoeg. Iedereen kan aan de slag gaan, niemand hoeft werkloos te zijn. Wie niets te doen heeft, mag zichzelf wel afvragen of dat komt door luiheid, jaloersheid of trots. Wie lui is, wil niet werken. Wie jaloers is, wil alleen een bepaald werk, maar dat al aan een ander is toebedeeld. Wie trots is, wil geen werk dat hij beneden zijn waardigheid acht. Ieder heeft een werk dat bij hem past en krijgt daarvoor de genade.

Het bouwen van de muur is geen bijkomstigheid, maar een noodzaak. Een muur dient voor afzondering, het is een middel tot verdediging tegen aanvallen van de vijand van buiten. Dat maakt de muur tevens een middel dat veiligheid biedt aan de samenleving binnen de muur. Door de aanwezigheid van de muur kunnen de inwoners van de stad zich concentreren op de waarden van de stad. De waarden van de stad worden bepaald door de tempel, het huis waar God woont. De muur maakt de stad ook tot een geheel.

De muur is niet bedoeld om de stad te isoleren van de omgeving. Afzondering staat niet gelijk aan isolatie. Het is prachtig om te zien hoe in deze muur liefst tien poorten zijn. Daardoor kan men ingaan en uitgaan. Het is wel noodzakelijk dat de poorten bewaakt worden. In het nieuwe Jeruzalem is bewaking niet meer nodig (Op 21:25,2725En haar poorten zullen overdag geenszins gesloten worden, want geen nacht zal daar zijn.27En geenszins zal iets onheiligs binnengaan, noch wie gruwel en leugen doet, behalve zij die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.).

De tien poorten zijn:
1. De Schaapspoort (vers 11Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren.)
2. De Vispoort (vers 33De Vispoort bouwden de nakomelingen van Senaä. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten de deuren ervan, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels.)
3. De Oude Poort (vers 66De Oude Poort herstelden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de zoon van Besodja. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten zijn deuren, met zijn sluitbalken en zijn grendels.)
4. De Dalpoort (vers 1313De Dalpoort herstelde Hanun, met de inwoners van Zanoah; zíj herbouwden hem en plaatsten zijn deuren, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels. [Zij herstelden] duizend el van de muur, tot aan de Mestpoort.)
5. De Mestpoort (vers 1414De Mestpoort herstelde Malchia, de zoon van Rechab, hoofd van het district Beth-Cherem; hij herbouwde hem en plaatste zijn deuren, [met] de sluitbalken ervan en zijn grendels.)
6. De Bronpoort (vers 1515De Bronpoort herstelde Sallun, de zoon van Kol-Hoze, hoofd van het district Mizpa. Hij herbouwde hem, overdekte hem, en plaatste zijn deuren, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels. Ook [herstelde hij] de muur van de vijver van Siloam bij de tuin van de koning en tot aan de trappen die afdalen vanuit de stad van David.)
7. De Waterpoort (vers 2626De tempeldienaren [die] op de Ofel woonden, [verrichtten herstelwerk] tot tegenover de Waterpoort aan de oost[kant] en de [hoog] uitstekende toren.)
8. De Paardenpoort (vers 2828Vanaf de Paardenpoort verrichtten de priesters herstelwerk, ieder tegenover zijn huis.)
9. De Oostpoort (vers 2929Daarachter verrichtte Zadok, de zoon van Immer, herstelwerk, tegenover zijn huis, en daarachter verrichtte Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaker van de Oostpoort, herstelwerk.)
10. De poort van Mifkad of Wachtpoort (vers 3131Daarachter verrichtte Malchia, een edelsmid, herstelwerk, tot aan het huis van de tempeldienaren en de handelaars, tegenover de poort van Mifkad en tot het bovenvertrek van het hoekpunt.)


Eljasib – de Schaapspoort – twee torens

1Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren.

Het verslag van de bouw begint bij de Schaapspoort in het noordoosten en loopt tegen de wijzers van de klok in naar het noorden (verzen 1-71Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren.2Daarnaast waren de mannen van Jericho aan het bouwen; en daarnaast bouwde Zakkur, de zoon van Imri.3De Vispoort bouwden de nakomelingen van Senaä. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten de deuren ervan, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels.4Daarnaast verrichtte Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz, herstelwerk; daarnaast verrichtte Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël, herstelwerk; daarnaast verrichtte Sadok, zoon van Baäna, herstelwerk.5Daarnaast verrichtten de inwoners van Tekoa herstelwerk, maar de vooraanstaanden onder hen zetten hun schouders niet onder de dienst van hun heren.6De Oude Poort herstelden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de zoon van Besodja. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten zijn deuren, met zijn sluitbalken en zijn grendels.7Daarnaast verrichtten de Gibeoniet Melatja en de Meronothiet Jadon herstelwerk, [met] de mannen van Gibeon en van Mizpa, tot de zetel van de landvoogd van [het gebied aan] deze zijde van de rivier.), westen (verzen 8-138Daarnaast verrichtte Uzziël herstelwerk, de zoon van Harhoja, een van de edelsmeden; en daarnaast verrichtte Hananja, een zalfbereider, herstelwerk. Men liet Jeruzalem tot aan de Brede Muur [ongemoeid].9Daarnaast verrichtte Refaja, de zoon van Hur, hoofd van de [ene] helft van het district Jeruzalem, herstelwerk.10Daarnaast verrichtte Jedaja, de zoon van Harumaf, herstelwerk, en tegenover zijn [eigen] huis; en daarnaast verrichtte Hattus, de zoon van Hasabneja, herstelwerk.11Het tweede gedeelte herstelde Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahat-Moab, met de Bakoventoren.12Daarnaast verrichtte Sallum herstelwerk, de zoon van Lohes, hoofd van de [andere] helft van het district Jeruzalem, hij en zijn dochters.13De Dalpoort herstelde Hanun, met de inwoners van Zanoah; zíj herbouwden hem en plaatsten zijn deuren, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels. [Zij herstelden] duizend el van de muur, tot aan de Mestpoort.), zuiden (vers 1414De Mestpoort herstelde Malchia, de zoon van Rechab, hoofd van het district Beth-Cherem; hij herbouwde hem en plaatste zijn deuren, [met] de sluitbalken ervan en zijn grendels.) en oosten (verzen 15-3215De Bronpoort herstelde Sallun, de zoon van Kol-Hoze, hoofd van het district Mizpa. Hij herbouwde hem, overdekte hem, en plaatste zijn deuren, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels. Ook [herstelde hij] de muur van de vijver van Siloam bij de tuin van de koning en tot aan de trappen die afdalen vanuit de stad van David.16Daarachter verrichtte Nehemia herstelwerk, de zoon van Azbuk, hoofd van de [ene] helft van het district Beth-Zur, tot tegenover de graven van David en tot aan de aangelegde vijver en tot aan het Huis van de Helden.17Daarachter verrichtten de Levieten herstelwerk: Rehum, de zoon van Bani. Daarnaast verrichtte Hasabja, het hoofd van de [ene] helft van het district Kehila, herstelwerk voor zijn district.18Daarachter verrichtten hun broeders herstelwerk: Bavai, de zoon van Henadad, hoofd van de [andere] helft van het district Kehila.19Daarnaast verrichtte Ezer herstelwerk, de zoon van Jesua, het hoofd van Mizpa, een tweede gedeelte, tegenover de helling omhoog naar het wapenhuis op de Punt.20Daarachter herstelde Baruch, de zoon van Zabbai, vol ijver een tweede gedeelte: van de Punt tot aan de deur van het huis van de hogepriester Eljasib.21Daarachter herstelde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz, een tweede gedeelte: van de huisdeur van Eljasib tot aan het einde van het huis van Eljasib.22Daarachter verrichtten de priesters, de mannen uit het omliggende gebied, herstelwerk.23Daarachter verrichtten Benjamin en Hassub herstelwerk, tegenover hun huis, en daarachter verrichtte Azarja, de zoon van Maäseja, de zoon van Hananja, herstelwerk, naast zijn huis.24Daarachter herstelde Binnuï, de zoon van Henadad, een tweede gedeelte: van het huis van Azarja tot aan de Punt, tot aan de hoek.25Palal, de zoon van Uzai, [verrichtte herstelwerk] tegenover de Punt en de toren die vanaf het huis van de koning [naar boven] uitsteekt, die aan het binnenplein van de wacht staat; daarachter [werkte] Pedaja, de zoon van Paros.26De tempeldienaren [die] op de Ofel woonden, [verrichtten herstelwerk] tot tegenover de Waterpoort aan de oost[kant] en de [hoog] uitstekende toren.27Daarachter herstelden de inwoners van Tekoa een tweede gedeelte: tegenover de grote [hoog] uitstekende toren tot aan de muur van de Ofel.28Vanaf de Paardenpoort verrichtten de priesters herstelwerk, ieder tegenover zijn huis.29Daarachter verrichtte Zadok, de zoon van Immer, herstelwerk, tegenover zijn huis, en daarachter verrichtte Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaker van de Oostpoort, herstelwerk.30Daarachter herstelden Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zesde zoon van Zalaf, een tweede gedeelte; daarachter verrichtte Mesullam, de zoon van Berechja, herstelwerk tegenover zijn kamer.31Daarachter verrichtte Malchia, een edelsmid, herstelwerk, tot aan het huis van de tempeldienaren en de handelaars, tegenover de poort van Mifkad en tot het bovenvertrek van het hoekpunt.32Tussen het bovenvertrek van het hoekpunt tot de Schaapspoort verrichtten de edelsmeden en de handelaars herstelwerk.) om weer bij de Schaapspoort in het noordoosten uit te komen.

Eljasib

De eerste die wordt genoemd als iemand die zich gereedmaakt om met de bouw te beginnen, is de hogepriester Eljasib. Zijn naam betekent ‘God herstelt’. Dat hij als eerste wordt genoemd, is helaas niet vanwege zijn toewijding aan het werk, maar vanwege zijn positie. Hij is niet trouw. Een vergelijking met de bouw van de volgende poorten maakt duidelijk dat hij de deuren in de Schaapspoort niet voorziet van sluitbalken en grendels (verzen 3,6,13,14,153De Vispoort bouwden de nakomelingen van Senaä. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten de deuren ervan, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels.6De Oude Poort herstelden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de zoon van Besodja. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten zijn deuren, met zijn sluitbalken en zijn grendels.13De Dalpoort herstelde Hanun, met de inwoners van Zanoah; zíj herbouwden hem en plaatsten zijn deuren, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels. [Zij herstelden] duizend el van de muur, tot aan de Mestpoort.14De Mestpoort herstelde Malchia, de zoon van Rechab, hoofd van het district Beth-Cherem; hij herbouwde hem en plaatste zijn deuren, [met] de sluitbalken ervan en zijn grendels.15De Bronpoort herstelde Sallun, de zoon van Kol-Hoze, hoofd van het district Mizpa. Hij herbouwde hem, overdekte hem, en plaatste zijn deuren, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels. Ook [herstelde hij] de muur van de vijver van Siloam bij de tuin van de koning en tot aan de trappen die afdalen vanuit de stad van David.).

Door het achterwege laten van de sluitbalken en grendels is de deur slechts een symbolische afsluiting. Iedereen is vrij hem te openen, en wie dit wil, zal geen enkele weerstand ondervinden. Maar dat is niet de bedoeling van een deur. Mensen die niets in de stad te zoeken hebben, moeten erdoor worden tegengehouden. De deur mag alleen worden geopend voor mensen die in de stad thuishoren en zich aan de regels van de stad houden.

Is deze nalatigheid misschien het gevolg van het feit dat hij een bloedverwant is van Tobia (Ne 13:44Hiervóór had Eljasib, de priester die aangesteld was over de kamers van het huis van onze God, [en] die verwant was aan Tobia,) en dat zijn kleinzoon is getrouwd met een dochter van Sanballat (Ne 13:2828[Een] van de zonen van Jojada, de zoon van Eljasib, de hogepriester, was een schoonzoon van Sanballat, de Horoniet. Daarom joeg ik hem bij mij weg.)? Wie familiebanden heeft met vijanden van God, staat bijzonder bloot aan het gevaar om het met de afzondering niet zo nauw te nemen. Dit is een te begrijpen moeilijkheid. Daarom moeten we erop letten dat familiebanden geen invloed uitoefenen op het innemen van een positie van afzondering voor God.

De Schaapspoort

Het eerste herstelwerk gebeurt aan de Schaapspoort, door de priesters. Door deze poort worden de schapen in de stad gebracht om te worden geofferd in de tempel. Hierdoor worden we direct al herinnerd aan de belangrijkste reden van het bestaan van de stad en de tempel: de eredienst aan God. Alle gelovigen zijn priesters. Herstel van de muur is allereerst noodzakelijk met het oog op de voortgang van de priesterlijke dienst. Alleen van deze poort wordt gezegd dat zij die “heiligden”, dat wil zeggen speciaal voor God afzonderen en aan Hem toewijden.

De Schaapspoort herinnert ook aan de Heer Jezus. Hij is de ware Schaapspoort. Hij zegt van Zichzelf: “Ik ben de deur van de schapen” (Jh 10:77Jezus dan zei opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen.). En even verder zegt Hij: “Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden” (Jh 10:99Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.). Ons persoonlijke leven kan worden vergeleken met een stad. We kunnen in ons leven alle mogelijke zonden toelaten, we kunnen zelfs van de zonde genieten. Zolang we van de wereld zijn, doen we dat ook. Maar genieten van de zonde geeft een bittere nasmaak en het einde is de dood. Dan moeten we tot de stad van God de toevlucht nemen.

De Schaapspoort is de ingang die we moeten hebben. Het echte herstel van ons leven begint, als we door de Heer Jezus behouden zijn van het oordeel. Als gevolg daarvan mogen we “ingaan”, dat is in het geloof in Gods tegenwoordigheid komen om Hem als priesters te naderen (Hb 10:1919Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,). We mogen ook “uitgaan”, dat is naar de wereld gaan, om van de Heer Jezus te getuigen en voor Hem te werken. Ook zullen we “weide vinden”, dat is rust en voedsel.

Ook de plaatselijke gemeente kunnen we zien als een stad. Als daar omheen geen muur is, als het met de afzondering van de wereld slecht is gesteld, kunnen het denken en handelen van de wereld er ongehinderd en ongeremd ingang vinden. Wie zich zorgen maakt over die ontwikkeling, moet beginnen met de herbouw van de Schaapspoort. De Heer Jezus moet weer de plaats krijgen als Degene aan Wie we onze behoudenis hebben te danken en door Wie we in Gods tegenwoordigheid mogen komen. Door Hem mogen we ook onze dienst in de wereld doen en bij Hem vinden we rust en voedsel.

De bouwers aan de Schaapspoort zijn de hogepriester en de priesters. Priesters zijn mensen die gewend zijn aan de tegenwoordigheid van God. Zij kennen Zijn heiligheid en Zijn goedheid. Zulke mensen zijn nodig om de Heer Jezus als de deur van de schapen voor te stellen. Wie God kent, wie weet wat Hem toekomt en wat Zijn verlangens zijn, zal graag wijzen op de deur die tot die God voert.

Twee torens

Vlak bij de poort staan twee torens: “de Honderdtoren” en “de Hananeëltoren”. Een toren is een uitkijkpost, waar een wachter tot ver buiten de stad kan zien wat de stad nadert. Dit doet denken aan waakzaamheid. De poort mag namelijk alleen opengaan voor schapen. Voor wolven moet de deur gesloten blijven. Paulus waarschuwt ervoor dat na zijn vertrek “wrede wolven … zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen” (Hd 20:2929Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;). Waar we vooral voor moeten oppassen, zijn “de valse profeten, die tot u komen in schapenvachten, maar van binnen zijn zij roofzuchtige wolven” (Mt 7:1515Past u op voor de valse profeten, die tot u komen in schapenvachten, maar van binnen zijn zij roofzuchtige wolven.).

De naam ‘Honderdtoren’ is in verband met de herder en de schapen opmerkelijk. Het herinnert aan de gelijkenis die de Heer Jezus uitspreekt over een herder die honderd schapen had, waarvan hij er één verliest (Lk 15:3-73Hij nu sprak tot hen deze gelijkenis en zei:4Welk mens onder u, die honderd schapen heeft en één daarvan verliest, laat niet de negenennegentig in de woestijn achter en gaat het verlorene na, totdat hij het vindt?5En als hij het vindt, legt hij het blij op zijn schouders.6En wanneer hij thuiskomt, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: Weest blij met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was.7Ik zeg u, dat er zo blijdschap in de hemel zal zijn over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben.). Het is de bedoeling dat alle honderd schapen in veiligheid worden gebracht en niet alleen het ene verloren schaap. Vanaf deze toren wordt er gewaakt over de hele kudde. Geen enkel schaap mag worden gemist.


De mannen van Jericho – Zakkur

2Daarnaast waren de mannen van Jericho aan het bouwen; en daarnaast bouwde Zakkur, de zoon van Imri.

De mannen van Jericho

De volgende mensen die we “daarnaast” bezig zien, zijn de mannen van Jericho. De naam Jericho roept herinneringen op. Het is de eerste stad die Israël bij de intocht van het land verovert. Als Israël het land binnentrekt en bij Jericho komt is de stad omgeven door een dikke muur. De poort is dicht. De stad is volkomen gesloten voor de Israëlieten. De muur om die stad moet worden afgebroken. Dat gebeurt door het geloof (Jz 6:1-6,201Jericho was volkomen gesloten vanwege de Israëlieten: er ging niemand uit en er ging niemand in.2Toen zei de HEERE tegen Jozua: Zie, Ik heb Jericho met zijn koning [en zijn] strijdbare helden in uw hand gegeven.3U, alle strijdbare mannen, moet rondom de stad gaan, de stad één keer rondtrekken. Zo moet u zes dagen doen.4Zeven priesters moeten voor de ark uit zeven ramsbazuinen dragen. En u moet op de zevende dag zeven keer rondom de stad gaan, en de priesters moeten op de bazuinen blazen.5En het zal gebeuren, als men de langgerekte [toon] op de ramshoorn blaast, als u het bazuingeschal hoort, dat heel het volk een luid gejuich zal aanheffen. Dan zal de stadsmuur instorten en het volk moet [eroverheen] klimmen, ieder recht voor zich uit.6Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters en zei tegen hen: Draag de ark van het verbond, en laat zeven priesters zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark van de HEERE uit.20Het volk juichte, toen zij op de bazuinen bliezen. En het gebeurde, zodra het volk het bazuingeschal hoorde, dat het volk een luid gejuich aanhief. En de muur stortte in en het volk klom de stad in, ieder recht voor zich uit, en zij namen de stad in.; Hb 11:3030Door [het] geloof vielen de muren van Jericho, nadat men er zeven dagen omheen getrokken was.). God spreekt Zijn vloek uit over die stad en over ieder die hem weer zal opbouwen en zijn poortdeuren erin zet (Jz 6:2626In die tijd liet Jozua [het volk] zweren: Vervloekt is die man voor het aangezicht van de HEERE die opstaat om deze stad Jericho te herbouwen. Laat hij haar fundering leggen op zijn eerstgeboren zoon en haar poorten oprichten op zijn jongste zoon!). Wat God gezegd heeft, is vervuld (1Kn 16:3434In zijn dagen bouwde Hiël uit Bethel Jericho [weer] op. Op zijn eerstgeboren zoon Abiram legde hij de fundamenten ervan, en op zijn jongste [zoon] Segub richtte hij de poorten ervan op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.).

De mannen bij wie we nu staan te kijken, zijn afkomstig uit de stad van de vloek. Daarmee willen ze echter niets meer te maken hebben. Ze zijn zich bewust van hun herkomst, maar er is een verandering in hun leven gekomen. Is het niet wonderlijk dat zij niet bouwen aan de muur van Jericho, maar aan de muur van de stad van God?

Iedere bouwer voor God is een bouwer voor de wereld geweest. We hebben ons eigen territorium gebouwd waar wij de macht hadden en alles naar onze eigen hand zetten. Voor het volk van God hebben we de poorten potdicht gehouden. God heeft echter de eigenmachtig gebouwde muren van ons hart en rondom ons leven afgebroken en we zijn tot geloof gekomen. Nu mogen we onze plaats innemen bij de bouw aan de muur rondom Zijn stad.

Zakkur

Naast de mannen van Jericho is Zakkur aan het werk. Zakkur is de verkorte vorm van Zacharia. Hij is een Leviet en is een van degenen die hun handtekening hebben gezet onder een verbond dat met de HEERE is gesloten om voortaan trouw te blijven (Ne 10:1212Zakkur, Serebja, Sebanja,). Dat geeft aan dat zijn hart op de HEERE gericht is en zijn gezindheid zo is, dat hij graag wil doen wat God welgevallig is.

Levieten zijn net als de priesters verbonden aan de tempel. Zij helpen de priesters bij het verrichten van hun dienst. Zakkur beseft dat er nooit een heilige, God welgevallige dienst in de tempel kan plaatsvinden, als de stad niet ommuurd is. Daarom neemt hij deel aan de herbouw van de muur.


De Vispoort – de nakomelingen van Senaä

3De Vispoort bouwden de nakomelingen van Senaä. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten de deuren ervan, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels.

De Vispoort

Dit is de tweede poort die we tegenkomen. De Vispoort is bekend in de dagen van de eerste tempel als een van de hoofdingangen van Jeruzalem (Zf 1:1010En op die dag, spreekt de HEERE,
zal er hulpgeroep [klinken] vanuit de Vispoort,
gejammer vanuit het nieuwe gedeelte [van de stad],
en groot nood[geschrei] vanuit de heuvels.
; 2Kr 33:1414Hierna bouwde hij de buitenmuur om de stad van David, aan de west[kant] van Gihon, in het dal, tot de ingang van de Vispoort; hij trok [die] om de Ofel heen en liet die zeer hoog optrekken. Hij stelde legerbevelhebbers aan in alle versterkte steden van Juda.)
. Hij dankt zijn naam aan de kooplieden die uit Tyrus of uit het meer van Galiléa er hun vis binnenbrengen voor de vismarkten (Ne 13:1616Ook woonden er Tyriërs, die vis aanvoerden en allerlei koopwaar, die zij op de sabbat aan de Judeeërs en in Jeruzalem verkochten.).

De Vispoort doet denken aan het evangelie. De Heer Jezus maakt van Zijn discipelen “vissers van mensen” (Mk 1:1717En Jezus zei tot hen: Komt achter Mij en Ik zal maken dat u vissers van mensen wordt.). Door de prediking van het evangelie worden mensen door de Vispoort in de stad van God gebracht. De poort spreekt van toezicht. Er moet op worden toegezien dat er een bijbels evangelie wordt gebracht. Alleen door de prediking van een bijbels evangelie komen mensen tot bekering en nieuw leven.

Als de prediking wordt aangepast aan de smaak van de mensen, wordt slechts het gevoel of het verstand aangesproken. Het geweten blijft onaangeroerd. Mensen die geloven vanwege het voordeel dat het evangelie hun biedt (vgl. Jh 6:2626Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: u zoekt Mij, niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u van de broden hebt gegeten en verzadigd bent.; 2:23-2523En toen Hij in Jeruzalem was op het Pascha, op het feest, geloofden velen in Zijn Naam, toen zij de tekenen zagen die Hij deed.24Maar Jezus Zelf vertrouwde Zich aan hen niet toe, omdat Hij allen kende,25en omdat Hij niet nodig had dat iemand van de mens getuigde, want Hij wist Zelf wat in de mens was.), horen niet in de stad van God thuis. Zij die aan de Vispoort werken, moeten daarop toezien (vgl. Mt 13:47-4847Het koninkrijk der hemelen is eveneens gelijk aan een sleepnet dat in de zee werd geworpen en van allerlei soort bijeenbracht;48toen het vol was, trokken zij het op het strand, en zij gingen zitten en verzamelden het goede in vaten, maar het bedorvene wierpen zij weg.).

Er zijn ook mensen die het evangelie als koopwaar aanbieden. Zij menen dat “de Godsvrucht een winst[bron] is” (1Tm 6:55voortdurend geruzie van mensen die verdorven zijn in hun denken en van de waarheid beroofd zijn, die menen dat de Godsvrucht een winst[bron] is.), een zaak die financieel voordeel oplevert. Dit zijn de broodpredikers; zij prediken omdat het hun beroep is, niet omdat de Geest hen daartoe dringt. Het volgen van een theologische opleiding staat voor iedereen open. Bekeerd hoeft men niet te zijn. Op grond van hun diploma matigen zij zich het recht aan mee te bouwen aan de Vispoort. Op zulke bouwers zit de stad van God niet te wachten. Zij moeten van de bouwplaats worden geweerd.

De nakomelingen van Senaä

De nakomelingen van Senaä worden genoemd onder hen die uit de ballingschap zijn teruggekeerd (Ea 2:3535de nakomelingen van Senaä: drieduizend zeshonderddertig.; Ne 7:3838de nakomelingen van Senaä: drieduizend negenhonderddertig.). In aantal is het de grootste groep die uit Babel is teruggekeerd. Zij herbouwen de Vispoort. Hoeveel nakomelingen aan het werk zijn, horen we niet. Wel wordt vermeld dat zij nauwgezet elk onderdeel van de poort afwerken. Van hen wordt vermeld dat zij de Vispoort voorzien van sluitbalken en grendels. Dit is wat bij het bouwen van de Schaapspoort door Eljasib wordt nagelaten (vers 11Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren.).


Meremoth – Mesullam – Sadok

4Daarnaast verrichtte Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz, herstelwerk; daarnaast verrichtte Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël, herstelwerk; daarnaast verrichtte Sadok, zoon van Baäna, herstelwerk.

Meremoth

Sommigen werken in groepen zoals de nakomeling van Senaä (vers 33De Vispoort bouwden de nakomelingen van Senaä. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten de deuren ervan, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels.). Anderen werken alleen, zoals Meremoth. Toch weten ook zij die alleen werken zich met de anderen verbonden. Het woord “daarnaast” geeft dat goed aan.

Meremoth hoeft zijn stuk muur niet vanaf de grond te herbouwen. Hij is bezig met “herstelwerk”. Van het deel van de muur dat hij voor zijn rekening heeft genomen, staat nog wel wat. Maar dat stuk is beschadigd, de functie ervan is aangetast. Misschien is het een stuk muur met gaten.

Herstellen is net zo belangrijk als herbouwen. Misschien denken we dat onze muur nog intact is, terwijl een nadere inspectie zou aantonen dat er hier en daar toch gaten zitten. Dan moeten we als een Meremoth aan de slag gaan om de schade te repareren. We kunnen in ons denken ideeën hebben toegelaten over het functioneren van de gemeente die we niet ontlenen aan Gods Woord, maar aan de wereld. Die ideeën uiten en uitvoeren slaat een gat in de muur. Herstel is nodig.

We komen zijn naam nog een enkele keer tegen. Mogelijk is Meremoth sneller klaar met zijn werk, omdat het alleen om herstelwerkzaamheden gaat en hij niet vanaf de grond hoeft te herbouwen. In elk geval is hij zo ijverig, dat hij na dit werk aan een ander deel van de muur aan de slag gaat (vers 2121Daarachter herstelde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz, een tweede gedeelte: van de huisdeur van Eljasib tot aan het einde van het huis van Eljasib.). Zijn naam wordt ook genoemd onder hen die het verbond ondertekenen (Ne 10:55Harim, Meremoth, Obadja,).

Mesullam

Evenals Meremoth komen we ook Mesullam tweemaal bij de bouw van de muur tegen. Na eerst een stuk voor anderen te hebben voltooid, gaat hij “tegenover zijn kamer” aan het werk (vers 30b30Daarachter herstelden Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zesde zoon van Zalaf, een tweede gedeelte; daarachter verrichtte Mesullam, de zoon van Berechja, herstelwerk tegenover zijn kamer.).

Evenals Eljasib (vers 11Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren.) is Mesullam door familiebanden aan Tobia verbonden. Zijn dochter is getrouwd met een zoon van Tobia (Ne 6:1818Velen in Juda waren namelijk met een eed aan hem verplicht, omdat hij een schoonzoon was van Sechanja, de zoon van Arach, en Johanan, zijn zoon, had de dochter van Mesullam, de zoon van Berechja, [tot vrouw] genomen.). Dat pleit niet voor hem. Een dergelijke verbinding is verkeerd. De Schrift is daar duidelijk over (Ea 9:1-31Toen deze [dingen] voltooid waren, traden de vorsten op mij toe en zeiden: Het volk van Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van de landen [rondom] wat hun gruwelen betreft, [namelijk] van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten.2Zij hebben immers uit hun dochters voor zichzelf en voor hun zonen [vrouwen] genomen en hebben het heilige zaad vermengd met de volken van de landen [rondom], en de vorsten en de machthebbers hebben als eersten de hand gehad in deze trouwbreuk.3Toen ik deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel en ik trok haar van mijn hoofd en uit mijn baard, en ging ontzet zitten.; 10:1-31Terwijl Ezra [zo] bad en [deze] belijdenis deed en zich huilend voor het huis van God liet neervallen, voegde een zeer grote gemeente van mannen, vrouwen en kinderen uit Israël zich bij hem; want [ook] het volk huilde luid.2Toen nam Sechanja, de zoon van Jehiël, van de nakomelingen van Elam, het woord en zei tegen Ezra: Wij zijn onze God ontrouw geweest, en wij hebben uitheemse vrouwen uit de volken van het land [bij ons] doen wonen. Evenwel, er is wat dit betreft hoop voor Israël.3Welnu, laten wij een verbond sluiten met onze God om alle vrouwen en het uit hen geborene weg te sturen, volgens de raad van de Heere en van hen die beven voor het gebod van onze God, en er zal overeenkomstig de wet gehandeld worden.; 2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?). Toch noteert de Geest zijn inzet voor de herbouw. Misschien heeft hij ingezien dat zijn toestemming voor dit huwelijk verkeerd is, waardoor hij bruikbaar is geworden voor God. Ook zijn naam komen we tegen in de lijst van hen die het verbond ondertekenen (Ne 10:2020Magpias, Mesullam, Hezir,).

Sadok

De naam Sadok wordt door meerdere personen gedragen. Het enige wat van deze Sadok bekend is, is dat hij de zoon is van Baäna. Sadok betekent ‘gerechtigheid’. Baäna betekent ‘zoon van het lijden’. Wie gerechtigheid doet, moet erop rekenen dat dit lijden met zich meebrengt. Daartegenover staat het ‘gelukkig’ dat Petrus, door de Geest van God geleid, uitspreekt tot ieder die zo lijdt (1Pt 3:14a14Maar al lijdt u ook ter wille van [de] gerechtigheid, gelukkig bent u. Vreest echter niet zoals zij vrezen, en wordt niet in verwarring gebracht,).


De Tekoïeten

5Daarnaast verrichtten de inwoners van Tekoa herstelwerk, maar de vooraanstaanden onder hen zetten hun schouders niet onder de dienst van hun heren.

Tekoa ligt ten zuiden van Bethlehem. De plaats is bekend als de woonplaats van Amos, de profeet (Am 1:11De woorden van Amos, die behoorde tot de veehouders uit Tekoa, die hij gezien heeft over Israël in de dagen van Uzzia, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël, twee jaar voor de aardbeving.) en van een wijze vrouw (2Sm 14:22stuurde Joab [een bode] naar Tekoa en liet vandaar een wijze vrouw halen. Hij zei tegen haar: Doe toch alsof u rouw draagt, trek toch rouwkleding aan, zalf u niet met olie, en wees als een vrouw die al vele dagen rouw draagt over een dode.). Mensen uit die stad zijn nu naar Jeruzalem gekomen om mee te helpen de muur te herbouwen. Hiermee kiezen ze als een Amos de kant van God en tonen ze als de vrouw wat ware wijsheid is.

Helaas zijn er onder de Tekoïeten mensen die niet meebouwen. Dat komt niet doordat ze ziek zijn geworden of iets dergelijks. De reden is dat zij zichzelf voor dit soort werk te goed vinden. Ze zijn mensen van aanzien. Dit werk past niet bij hun stand. Anderen aan het werk zetten kunnen ze goed, maar zij laten zich niet zelf aan het werk zetten. Anderen bevelen geven, prima, maar bevelen ontvangen, ho maar. Zij pikken het niet dat ze aan een ‘heer’ moeten gehoorzamen.

Te vaak blijkt dat een vooraanstaande plaats in de wereld een verhindering vormt voor het meewerken in Gods koninkrijk. Wel willen praten en besturen, maar niet de handen uit de mouwen steken en hun nek buigen onder het werk. Ze werken niet mee aan iets waar de mens zijn belangrijkheid verliest en alleen Gods eer telt.

Paulus voelt zich niet te goed om met zijn eigen handen te werken en te voorzien in zijn eigen behoeften en ook nog in de behoeften van anderen (Hd 20:3434U weet zelf, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren, hebben voorzien.). En is de Heer Jezus niet het volmaakte voorbeeld? Hij, Die aller Meester is, is te midden van Zijn discipelen als Eén Die dient (Lk 22:24-2824En er ontstond ook strijd onder hen, wie van hen wel [de] grootste mocht zijn.25Hij echter zei tot hen: De koningen van de volken heersen over hen, en zij die gezag over hen voeren, worden weldoeners genoemd.26U echter niet aldus, maar laat de grootste onder u als de jongste zijn, en de voorganger als een die dient.27Want wie is groter, hij die aanligt of hij die dient? Niet hij die aanligt? Ik echter ben in uw midden als Degene Die dient.28En u bent het die steeds bij Mij bent gebleven in Mijn verzoekingen.). De les die Hij daaraan verbindt, is dat ieder die een vooraanstaande plaats in de gemeente heeft gekregen, van Hem moet leren wat dienen inhoudt.


De Oude Poort – Jojada en Mesullam

6De Oude Poort herstelden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de zoon van Besodja. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten zijn deuren, met zijn sluitbalken en zijn grendels.

De Oude Poort

De derde poort in de muur is de Oude Poort. Het kan ook vertaald worden als “poort van de oude [stad]” of “poort van de oude [muur]”. In elk geval herinnert de poort aan vroeger, aan de glorietijd van de stad.

Voor ons is de herbouw van deze poort ook van belang. In het werk aan de ommuring van de stad van God om te beschermen wat van God is, moeten we terug naar wat van het begin is. God heeft ons Zijn Woord gegeven om te laten zien hoe de gemeente is ontstaan en hoe ze in het begin functioneert. Dit zien we in het boek Handelingen. Voor de problemen die het functioneren belemmeren, heeft Hij door Zijn Geest in de brieven van het Nieuwe Testament aanwijzingen gegeven. Die aanwijzingen hebben niets aan actualiteit ingeboet. Het is niet voor niets Gods eeuwig en blijvend Woord.

In de tijd van Nehemia is er alleen de herinnering aan de glorie van weleer. De dagen van Salomo keren niet terug. Zo is het ook voor de tijd waarin wij leven ten aanzien van de gemeente. We kunnen met weemoed denken aan de glorietijd van het begin van de gemeente, maar die tijd komt niet terug.

God is echter niet veranderd. Hij heeft voorzien hoe het zou gaan met de gemeente. Hij heeft ons de brieven van het Nieuwe Testament gegeven. Daarin vinden we alles wat noodzakelijk is om ook in de laatste dagen als gemeente te kunnen samenkomen en te kunnen samenleven. Het bedenken van nieuwe manieren van gemeente zijn die niet gebaseerd zijn op de Schrift, is niet nodig. Het is zelfs verkeerd. We mogen de Oude Poort herstellen en binnengaan. We mogen vragen naar de “aloude paden” en daar “rust vinden voor uw ziel” (Jr 6:1616Zo zegt de HEERE:
Ga staan op de wegen, en zie,
vraag naar de aloude paden,
waar toch de goede weg is, en bewandel die.
Dan zult u rust vinden voor uw ziel.
Maar zij zeggen: Wij bewandelen [die] niet.
)
.

Jojada en Mesullam

Aan de Oude Poort zijn twee bouwers bezig. Gemeenschap in de bouw van deze poort is onontbeerlijk. Het in praktijk brengen van de aloude beginselen van de gemeente kun je niet alleen. Minimaal zijn er twee nodig: “Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden”, zegt de Heer Jezus met het oog op de plaatselijke gemeente (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).

Van de beide bouwers wordt niets bekendgemaakt dan alleen hun namen en die van hun vader. Daardoor komt de nadruk te liggen op het werk dat ze doen. Belangrijk is wat ze doen, niet wie ze zijn. Dat geldt ook voor ons.


Melatja en Jadon

7Daarnaast verrichtten de Gibeoniet Melatja en de Meronothiet Jadon herstelwerk, [met] de mannen van Gibeon en van Mizpa, tot de zetel van de landvoogd van [het gebied aan] deze zijde van de rivier.

Soms wordt bij een naam vermeld wie de vader is. Soms wordt nog verder teruggegaan in het voorgeslacht en worden de namen van nog meer voorvaders vermeld. Dat is niet het geval bij Melatja en Jadon. Van hen krijgen we te horen waar ze vandaan komen. De vorming die ieder ondergaat, wordt niet alleen bepaald door zijn familie, maar ook door zijn omgeving.

In geestelijk opzicht is het niet alleen van belang dat iemand tot bekering komt en een kind van God wordt. Dat is wel het belangrijkste, maar het is ook van belang in welk geestelijk klimaat iemand opgroeit.

Als extra bijzonderheid lezen we onder wiens gezag zij staan. Het lijkt erop dat zij niet direct aan Nehemia verantwoording moeten afleggen, maar dat zij met toestemming van de landvoogd aan de herbouw meehelpen.


Uzziël en Hananja

8Daarnaast verrichtte Uzziël herstelwerk, de zoon van Harhoja, een van de edelsmeden; en daarnaast verrichtte Hananja, een zalfbereider, herstelwerk. Men liet Jeruzalem tot aan de Brede Muur [ongemoeid].

De volgende bouwers die ons worden voorgesteld zijn mannen van wie we ook het beroep te weten komen. Uzziël betekent ‘kracht van God’. Hij is goudsmid. Hananja betekent ‘Jahweh heeft begunstigd’. Hij is zalfbereider of apotheker.

Een edelsmid werkt met het edelste metaal en moet accuraat te werk gaan. Een zalfbereider werkt met allerlei oliën en geurende specerijen. Een edelsmid versiert mensen en materialen. Een zalfbereider levert middelen tot verzorging van het lichaam, waardoor het goed ruikt en die ook helpen in genezing van zieke delen van het lichaam.

In geestelijk opzicht zijn zulke mensen onmisbaar. Het zijn de ‘fijne’ werkers, met oog voor details. Zij zijn in staat de leden van de gemeente te versieren en te verzorgen. We herkennen ze in de herders en leraren.

Er is een stuk muur waaraan ze niets hoeven te doen. De Brede Muur is intact gebleven. Deze muur heeft alle aanvallen getrotseerd. In het leven van gelovigen of gemeenten kunnen naast zwakke plekken ook sterke plekken zijn. Sommige waarheden zijn onbekend. Dan moet er opbouw, onderwijs plaatsvinden, want anders zal de duivel van de onkunde gebruikmaken om binnen te dringen. Andere waarheden daarentegen zijn goed bekend en men is goed in staat die waarheid tegen aanvallen te verdedigen (1Th 5:1-21Maar wat de tijden en de gelegenheden betreft, broeders, hebt u niet nodig dat u geschreven wordt.2Want u weet zelf nauwkeurig dat [de] dag van [de] Heer komt als een dief in [de] nacht.).


Refaja

9Daarnaast verrichtte Refaja, de zoon van Hur, hoofd van de [ene] helft van het district Jeruzalem, herstelwerk.

We komen bij Refaja, wat betekent ‘Jahweh heeft genezen’. Hij bekleedt een voorname positie. Hij is belast met het toezicht op de helft van het gebied dat bij Jeruzalem hoort. Het is een gebied buiten Jeruzalem. Hij kent dat gebied en zal de gevaren ervan hebben gekend. Dat zal een extra aansporing voor hem zijn geweest om Jeruzalem tot een veilig gebied te maken.

Zij die buiten de stad van God speciale verantwoordelijkheden hebben en daardoor het maatschappelijke leven goed kennen, zullen zich niet aan hun aandeel in de bouw van de muur onttrekken. Zij weten beter dan veel anderen welke gevaren vanuit het maatschappelijke leven een bedreiging vormen voor het leven in de stad van God, de gemeente.


Jedaja – Hattus

10Daarnaast verrichtte Jedaja, de zoon van Harumaf, herstelwerk, en tegenover zijn [eigen] huis; en daarnaast verrichtte Hattus, de zoon van Hasabneja, herstelwerk.

Jedaja

Van Jedaja staat als speciaal kenmerk dat hij “tegenover zijn [eigen] huis” aan het bouwen is. Dit belangrijke kenmerk vinden we ook in de verzen 23,28,29,3023Daarachter verrichtten Benjamin en Hassub herstelwerk, tegenover hun huis, en daarachter verrichtte Azarja, de zoon van Maäseja, de zoon van Hananja, herstelwerk, naast zijn huis.28Vanaf de Paardenpoort verrichtten de priesters herstelwerk, ieder tegenover zijn huis.29Daarachter verrichtte Zadok, de zoon van Immer, herstelwerk, tegenover zijn huis, en daarachter verrichtte Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaker van de Oostpoort, herstelwerk.30Daarachter herstelden Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zesde zoon van Zalaf, een tweede gedeelte; daarachter verrichtte Mesullam, de zoon van Berechja, herstelwerk tegenover zijn kamer.. Het bouwen tegenover zijn eigen huis ziet op de zorg voor de eigen familie. Het behoort de eerste zorg van iedere vader te zijn dat hij zijn gezin voor God afzondert. Wie persoonlijk trouw wil zijn, zal daarvan doordrongen zijn. De zegen voor de gemeente van aan God toegewijde gezinnen is niet te overschatten. Een gemeente is net zo sterk als de families zijn waaruit zij bestaat.

De naam Jedaja betekent onder andere ‘een die de HEERE aanroept’. Jedaja is een bidder. Gebed is de basis waarop hij zijn huis bouwt. Ligt soms de muur van ons gezinsgebed of het gebed voor ons gezin in puin? Moet daar niet nodig met herstelwerkzaamheden worden begonnen?

Misschien zijn we de eerste huwelijksjaren zo begonnen, maar bidden we niet meer als man en vrouw en als gezin. Nu vallen er vaak harde en bittere woorden, is er een onaangename sfeer, voelen de kinderen niet meer de geborgenheid van vroeger. Misschien hebben de kinderen dat al langer aangevoeld en zijn ze onverschillig geworden ten aanzien van de geestelijke dingen.

Laten we dan weer aan de muur van het gebed gaan bouwen. Laten we de dag weer beginnen en eindigen met het aanroepen van God. Misschien moeten man en vrouw het tegen elkaar zeggen dat ze niet meer samen hebben gebeden. Laten ze dan direct op de knieën gaan en elkaar weer voor Gods aangezicht vinden.

Hattus

Hattus is weer zo iemand van wie we alleen de naam en de naam van zijn vader lezen. Maar hij staat in Gods gedachtenisboek. Met onuitwisbare inkt staat van hem geschreven dat ook hij zijn steentje aan de bouw van de muur heeft bijgedragen.


Malchia en Hassub – de Bakoventoren

11Het tweede gedeelte herstelde Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahat-Moab, met de Bakoventoren.

Malchia en Hassub

Beide mannen komen uit families die met Zerubbabel uit Babel zijn opgetrokken (Ea 2:6,326de nakomelingen van Pahat-Moab, van de nakomelingen van Jesua [en] Joab: tweeduizend achthonderdtwaalf;
32de nakomelingen van Harim: driehonderdtwintig;
)
. Zij herstellen een tweede stuk van de muur. Waarschijnlijk betekent het niet dat zij al een eerste stuk hebben gedaan, maar dat de muur in verschillende delen is verdeeld en dat zij aan het tweede stuk werken.

Niet iedereen wordt geroepen een werk van de Heer te beginnen. Het kan zijn dat sommigen worden geroepen een werk voort te zetten. Het een is niet minder dan het ander. We zien in dit voorbeeld hoezeer we een aanvulling op elkaar zijn. Niet alleen dat we samen met anderen een werk doen, maar ook dat we zorgen voor de voortgang van een werk dat de Heer in stand wil houden.

De Bakoventoren

Het is niet ondenkbaar dat de Bakoventoren in de Bakkerstraat staat. Dat is de straat vanwaar Jeremia een brood per dag krijgt als hij in de gevangenis zit (Jr 37:2121Toen gaf koning Zedekia bevel dat men Jeremia in verzekerde bewaring zou stellen op het binnenplein van de wacht. Men gaf hem elke dag een rond brood uit de Bakkerstraat, totdat al het brood in de stad op was. Zo verbleef Jeremia op het binnenplein van de wacht.). In de toren zijn meerdere ovens waar brood voor de stad wordt gebakken. Het is een prachtig werk om die toren te herstellen.

Het is van belang dat in de muur een toren is waar voedsel wordt klaargemaakt voor de inwoners van de stad. Deze toren dient enerzijds voor de uitkijk en spreekt zo van waakzaamheid met het oog op een naderende vijand. Anderzijds spreekt deze toren van voedselvoorziening voor de inwoners van de stad.


Sallum en zijn dochters

12Daarnaast verrichtte Sallum herstelwerk, de zoon van Lohes, hoofd van de [andere] helft van het district Jeruzalem, hij en zijn dochters.

Zijn vooraanstaande positie (vgl. vers 55Daarnaast verrichtten de inwoners van Tekoa herstelwerk, maar de vooraanstaanden onder hen zetten hun schouders niet onder de dienst van hun heren.) weerhoudt Sallum er niet van zijn handen uit de mouwen te steken en mee aan te pakken bij de bouw van de muur. Hij is niet alleen maatschappelijk een collega van Refaja (vers 99Daarnaast verrichtte Refaja, de zoon van Hur, hoofd van de [ene] helft van het district Jeruzalem, herstelwerk.), maar ook geestelijk heeft hij dezelfde interesse. Hij bezoekt niet met zijn collega de feestjes waar goed zaken kan worden gedaan. Zij zijn niet uit op betere voorzieningen in het eigen district. Samen zijn ze ervan overtuigd dat zij hun district het best dienen als zij meehelpen aan de veiligheid van de stad van God.

Een christen die als hoog opgeleide functionaris voor veel disciplines verantwoordelijk is, dient zijn bedrijf het best als hij zich allereerst en allermeest inzet voor de stad van God.

Als bijzonderheid wordt vermeld dat ook zijn dochters meehelpen aan de bouw van de muur. Dit is de enige keer dat we lezen van vrouwen die meehelpen. Vrouwen hebben bij de bouw een eigen, niet door mannen waar te nemen taak. Er zijn vrouwen die de Heer dienen met hun goederen (Lk 8:2-32en enige vrouwen die van boze geesten en ziekten waren genezen: Maria, Magdalena geheten, van wie zeven demonen waren uitgegaan,3en Johanna, [de] vrouw van Chusas, zaakwaarnemer van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die hen dienden met hun bezittingen.), die profeteren (Hd 21:99Deze nu had vier maagdelijke dochters die profeteerden.), die meestrijden in het evangelie (Fp 4:2-32Euódia vermaan ik en Syntyché vermaan ik eensgezind te zijn in [de] Heer.3Ja, ik vraag ook u, trouwe metgezel, wees hun behulpzaam die met mij hebben gestreden in het evangelie, samen met Clemens en mijn overige medearbeiders, van wie de namen in [het] boek van [het] leven staan.), die dienaressen van de gemeente zijn (Rm 16:1-21Ik nu beveel u Fébe aan, onze zuster, die <ook> een dienares is van de gemeente die in Kenchreeën is,2opdat u haar ontvangt in [de] Heer, op een wijze de heiligen waardig, en haar bijstaat in elke zaak waarin zij u nodig mocht hebben; want ook zijzelf heeft bijstand verleend aan velen, ook aan mijzelf.).

Sallum acht behalve zichzelf ook zijn dochters niet te goed om in dit zware werk hun aandeel te leveren. We lezen niet van iemand die samen met zijn zonen bezig is. De enige keer dat er sprake van is dat iemand met zijn kinderen aan de muur aan het werk is, is hier.

Er is geen aanwijzing over de leeftijd van deze dochters. De indruk is dat het jonge vrouwen zijn. Hier mag wel een toepassing worden gemaakt. Er wordt hier en daar wel eens geklaagd dat er weinig jeugd is. Het is voor een jonge gelovige ook niet gemakkelijk om in een plaatselijke gemeente niemand in de eigen leeftijdscategorie te hebben. Voor deze dochters echter was het ontbreken van andere jongeren geen verhindering hun vader mee te helpen bij de bouw. Als jongeren hun ouders in trouw hun aandeel aan de herbouw van de muur om de stad Gods zien leveren, zullen ze zich daarbij aansluiten.

Als er oprechtheid is, zal de Heer die trouw zegenen. Het zal anderen aantrekken die ook met en voor de Heer willen leven.


De Dalpoort – Hanun en de inwoners van Zanoah

13De Dalpoort herstelde Hanun, met de inwoners van Zanoah; zíj herbouwden hem en plaatsten zijn deuren, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels. [Zij herstelden] duizend el van de muur, tot aan de Mestpoort.

De Dalpoort

We komen bij de vierde poort, de Dalpoort. Die hebben we ook eerder al even bekeken (Ne 2:13-1513Ik ging 's nachts door de Dalpoort [de stad] uit, voorbij de Drakenbron, naar de Mestpoort, en inspecteerde de muren van Jeruzalem, waarin bressen waren geslagen en waarvan de poorten door vuur waren verteerd.14Ik ging verder naar de Bronpoort en naar de vijver van de koning. Er was echter geen ruimte om verder te gaan voor het dier waarop ik zat.15Toen klom ik in de nacht omhoog langs de beek, terwijl ik de muur inspecteerde, en ging [weer] terug. Ik kwam door de Dalpoort binnen en ging terug.). Ook die poort is verwoest en moet worden herbouwd.

In geestelijk opzicht spreekt de Dalpoort van nederigheid, vernedering, ootmoed. Als we ons gaan beroemen, wordt de Dalpoort verwoest. Dat gebeurt als we de dingen die God ons heeft gegeven, gaan gebruiken om onszelf belangrijk te maken. Dat hebben de inwoners van Jeruzalem gedaan, dat doet de gemeente nu. In de gemeente in Laodicéa vinden we de geest van hoogmoed ten voeten uit (Op 3:15-1715Ik weet uw werken, dat u niet koud bent en niet heet. Was u maar koud of heet!16Daarom omdat u lauw bent en niet heet of koud, zal Ik u uit Mijn mond spuwen.17Omdat u zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent,). Het is een weergave van de geest die in de gemeente alom aanwezig is. De herbouw van de Dalpoort kan beginnen als we onszelf vernederen, zowel ten opzichte van God als ten opzichte van elkaar (1Pt 5:5-65Evenzo u jongeren, weest aan [de] oudsten onderdanig. En weest allen tegenover elkaar met nederigheid omgord; want ‘God weerstaat [de] hoogmoedigen, maar [de] nederigen geeft Hij genade’.6Vernedert u dus onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt op Zijn tijd,).

De derde poort, de Oude Poort, doet denken aan wat van het begin is (vers 66De Oude Poort herstelden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de zoon van Besodja. Zij maakten er een zoldering in en plaatsten zijn deuren, met zijn sluitbalken en zijn grendels.). Het herbouwen van die poort is belangrijk. Even belangrijk is het dat de herbouw van de Dalpoort volgt. Als we denken aan Gods ideaal (‘de Oude Poort’), aan hoe Hij wil dat de gemeente is, en we zien hoever we daarvan zijn afgeweken, zal ons dat tot de herbouw van de Dalpoort brengen. Het zal ons ertoe brengen onszelf te vernederen.

Hanun en de inwoners van Zanoah

De Dalpoort wordt hersteld door Hanun, dat ‘begunstigd’ betekent, en de inwoners van Zanoah, dat ‘verworpen’ betekent. In deze namen vinden we wat nodig is om de Dalpoort te herstellen. We mogen bezig zijn in het besef dat we staan in de gunst of genade van God (Rm 5:22door Wie wij ook de toegang verkregen hebben <door het geloof> tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in [de] hoop op de heerlijkheid van God.). We zijn begenadigd of aangenaam gemaakt in de Geliefde (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,).

Als we iets beseffen van de genade die ons is gegeven, is er geen ruimte voor enige eigen roem. We zullen dan niet roemen in onze “hoogmoedigheden”, dat een boos roemen wordt genoemd (Jk 4:1616Nu roemt u echter in uw hoogmoedigheden; al zulk roemen is boos.). We zullen ons niet beroemen op onze gaven, terwijl we blind zijn voor de zonde die in de gemeente wordt gevonden. Dat roemen is niet goed (1Ko 5:1,61Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft.6Uw roemen is niet goed. Weet u niet, dat een beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt?). Integendeel, er zal behalve het besef van begenadigd te zijn ook het besef zijn dat alles wat van onszelf is, door God verworpen moet worden. Dat betreft niet alleen onze zonden en óngerechtigheden. Dat zien we zelf ook nog wel in. Maar juist al onze gérechtigheden zijn “als een bezoedeld kleed” (Js 64:66Echter, wij zijn allen als een onreine,
al onze rechtvaardige daden zijn als een bezoedeld kleed
wij allen vallen af als een blad
en onze misdaden voeren ons weg als de wind.
)
.

Er wordt door deze mannen ook nog een flink stuk muur gebouwd, liefst duizend el. Mogelijk is de muur hier niet tot de grond toe afgebroken en kan er in dezelfde tijd meer hersteld worden dan de tijd die nodig voor andere gedeelten die vanaf de grond moeten worden hersteld.


De Mestpoort – Malchia

14De Mestpoort herstelde Malchia, de zoon van Rechab, hoofd van het district Beth-Cherem; hij herbouwde hem en plaatste zijn deuren, [met] de sluitbalken ervan en zijn grendels.

De Mestpoort

De vijfde in de rij van poorten is de Mestpoort. Door deze poort wordt alle vuilnis van Jeruzalem naar buiten gebracht, naar de vuilnisbelt in het dal van Hinnom. Daar wordt het verbrand.

In geestelijk opzicht is het begrijpelijk dat de Mestpoort volgt op de Dalpoort. Als wij ons moeten vernederen, gaat dat gepaard met belijdenis van zonden. Door belijdenis worden de zonden weggedaan en worden we gereinigd. We moeten “onszelf reinigen van alle bevlekking van [het] vlees en van [de] geest” (2Ko 7:11Daar wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekking van [het] vlees en van [de] geest, en [de] heiligheid volbrengen in [de] vrees van God.). Alle vuiligheid moet uit ons leven worden weggedaan.

De herbouw van de Mestpoort lijkt op het eerste gezicht geen aangename bezigheid. Het stinkt er. Toch is het belangrijk dat ook de Mestpoort weer gaat functioneren. Hierdoor moet uit de stad van God worden weggedaan wat er niet in thuishoort. Dit kunnen we toepassen zowel op ons persoonlijke als op ons gemeenschappelijke leven.

Malchia

De hersteller van de Mestpoort heet Malchia, dat betekent ‘koning van (aangesteld door) Jahweh’. Hij is een overste. Toch schaamt hij zich er niet voor dit nederige werk te doen. Wij bouwen aan de Mestpoort als wij uit ons eigen leven de zonde verwijderen. Wij bouwen aan de Mestpoort als wij onze broeder of zuster helpen de zonde uit hun leven weg te doen (Mt 18:1515Als nu uw broeder <tegen u> zondigt, ga heen, overtuig hem tussen u en hem alleen;). Dat kunnen we alleen door ons met hem of haar te vereenzelvigen (Gl 6:11Broeders, zelfs als iemand door een overtreding overvallen wordt, brengt u die geestelijk bent zo iemand terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, opdat ook u niet in verzoeking komt.). Wij bouwen aan de Mestpoort als we de zonde uit de gemeente wegdoen (1Ko 5:13b13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.).

We bouwen alleen op de goede manier aan de Mestpoort als we kijken naar de Heer Jezus en in Zijn gezindheid aan het werk zijn. In de naam Malchia herkennen we de Heer Jezus, Die Zich er ook niet voor schaamt het minste werk, slavenwerk, te doen (Jh 13:1-171Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.2En tijdens [de] maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, [de zoon] van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren,3stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op4en legde Zijn kleren af; en Hij nam een linnen doek en omgordde Zich.5Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek waarmee Hij omgord was.6Hij kwam dan tot Simon Petrus; deze zei tot Hem: Heer, wast U mijn voeten?7Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar je zult het hierna begrijpen.8Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.9Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!10Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.11Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.12Toen Hij dan hun voeten gewassen en Zijn kleren genomen had en weer aanlag, zei Hij tot hen: Begrijpt u wat Ik u heb gedaan?13U noemt Mij Meester en Heer, en u zegt het terecht, want Ik ben het.14Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook u elkaars voeten te wassen;15want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u doet zoals Ik u heb gedaan.16Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een slaaf is niet groter dan zijn heer, en een gezant niet groter dan hij die hem heeft gezonden.17Als u deze dingen weet, gelukkig bent u als u ze doet.). Bovenal zien we dat in Hem als Hij op het kruis onze zonden op Zich neemt en tot zonde wordt gemaakt. Daar heeft Hij het oordeel over de zonden van ieder die gelooft, ontvangen en zo weggedaan.


De Bronpoort en Sallun

15De Bronpoort herstelde Sallun, de zoon van Kol-Hoze, hoofd van het district Mizpa. Hij herbouwde hem, overdekte hem, en plaatste zijn deuren, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels. Ook [herstelde hij] de muur van de vijver van Siloam bij de tuin van de koning en tot aan de trappen die afdalen vanuit de stad van David.

Na de Dalpoort en de Mestpoort volgt direct, als zesde poort, de Bronpoort. Het herstel van deze poort is ter hand genomen door Sallun, in het dagelijks leven overste van het district Mizpa. Het gebruikelijke, noodzakelijke werk dat eraan wordt gedaan, wordt weer vermeld. Maar er worden in verbinding met het herstel van deze poort ook enkele bijzonderheden vermeld. Er is sprake van “de muur van de vijver”, van “de tuin van de koning” en van “de trappen die afdalen vanuit de stad van David”.

De Bronpoort doet denken aan water dat in frisheid uit een bron opwelt. Dat herinnert aan wat de Heer Jezus zegt in Johannes 4 en Johannes 7. Daar spreekt Hij over een bron van levend water “dat springt tot in [het] eeuwige leven” (Jh 4:1414maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in [het] eeuwige leven.) en over “stromen van levend water” (Jh 7:37-3937En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus [daar] en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken!38Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.).

Evenals er in de geestelijke toepassing een verband te zien is tussen de Dalpoort en de Mestpoort, zo is er ook een verband te zien tussen de Mestpoort en de Bronpoort. Als het verkeerde uit ons leven is weggedaan, als we ons daarvan hebben gereinigd door belijdenis, komt er ruimte om te genieten van het levende water. Daarover spreekt de Heer met de vrouw aan de Jakobsbron (Jh 4:1010Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de Gave van God kende en Wie Hij is Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, dan zou u aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.). Ook komt er dan ruimte voor de Heilige Geest, Die ons hart vult met de heerlijkheid van de Heer Jezus (Jh 7:3939Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.).

Om de aanvoer van water te verzekeren moet de vijver worden beschermd. De verbinding met de bron moet in stand blijven. Als de toevoer wordt verhinderd, is het gedaan met het leven van de inwoners van de stad.

De vijver is bij de tuin van de koning. Het water hoort bij een tuin, een hof, die aan de koning toebehoort. Dat doet eraan denken dat het drinken van dit water, dat spreekt van het bezig zijn met Gods Woord, ons in de tegenwoordigheid van de Heer Jezus brengt. In de Geest bij Hem zijn is het grootste genot voor de gelovige.

Als we zo in Zijn tegenwoordigheid zijn geweest, mogen we langs de trappen van de stad van David afdalen. Wat we genoten hebben, mogen we gaan delen met anderen die buiten de stad wonen. Daarin kunnen we hen zien, die wel gelovigen zijn, maar geen oog hebben voor de gemeente van God als Zijn stad. Op die manier zullen we voor andere gelovigen, die er als het ware niet de voorkeur aan geven in de stad te wonen, toch een verkwikking zijn.


Nehemia, de zoon van Azbuk

16Daarachter verrichtte Nehemia herstelwerk, de zoon van Azbuk, hoofd van de [ene] helft van het district Beth-Zur, tot tegenover de graven van David en tot aan de aangelegde vijver en tot aan het Huis van de Helden.

We komen bij Nehemia, de zoon van Azbuk. Deze man heeft ook in het dagelijks leven het bestuur over een gebied. Hij is overste van het halve district Beth-Zur. Ook in dit vers worden enkele bijzonderheden vermeld. Aan het stuk muur dat hij bouwt, zijn drie plaatsen verbonden: “de graven van David”, “de aangelegde vijver” en “het Huis van de Helden”.

Deze Nehemia zorgt ervoor dat “de graven van David” – dat wil zeggen van David en zijn nageslacht (2Kr 32:3333Hizkia ging te ruste bij zijn vaderen en zij begroeven hem bij de weg omhoog met de graven van de zonen van David. Heel Juda en de inwoners van Jeruzalem bewezen hem eer bij zijn dood, en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.) – beschermd worden. Zoals eerder al is opgemerkt (Ne 2:33Ik zei tegen de koning: Moge de koning in eeuwigheid leven! Waarom zou mijn gezicht niet verdrietig staan, als de stad, de plaats van de graven van mijn vaderen verwoest ligt en zijn poorten door vuur verteerd zijn?), mogen we bij een graf waarin Godvrezende mensen zijn begraven, denken aan de toekomst. Deze gelovigen hebben bij hun leven niet ontvangen wat God heeft beloofd. Maar ze zijn gestorven in het geloof dat God Zijn beloften zal vervullen. Deze Nehemia zorgt er als het ware voor dat dit geloof bewaard blijft.

Hij zorgt ook voor bescherming van “de aangelegde vijver”, mogelijk een extra watervoorraad naast de waterleidingvijver genoemd in het vorige vers. Het is belangrijk voldoende water in voorraad te hebben om daaruit te kunnen drinken als de vijand de stad belegert. Wie bijbelteksten uit zijn hoofd leert, legt zo’n vijver aan. Soms kun je niet over een Bijbel beschikken. Dan is het levensreddend om het Woord van God te kennen en een tekst te weten die je kunt toepassen op de situatie die zich voordoet.

Ook “het Huis van de Helden” moet worden beschermd. Dit is waarschijnlijk een verblijfplaats geweest van de helden van David. De gedachtenis aan mensen die in het geloof hebben gestreden voor hun koning toen hij nog werd vervolgd, moet blijven bestaan. Hebreeën 11 is zo’n ‘Huis van de Helden’. De gelovigen die ons daar worden voorgesteld, vormen een “grote wolk van getuigen rondom ons” (Hb 12:11Daarom dan ook, daar wij zo’n grote wolk van getuigen rondom ons hebben, laten ook wij alle last en de zonde die [ons] licht omstrikt, afleggen en met volharding de wedloop lopen die vóór ons ligt,). Hun voorbeeld roept om navolging. Bovenal mogen we kijken naar dé Held, de Heer Jezus, Die de hele geloofsweg ons is voorgegaan (Hb 12:1-31Daarom dan ook, daar wij zo’n grote wolk van getuigen rondom ons hebben, laten ook wij alle last en de zonde die [ons] licht omstrikt, afleggen en met volharding de wedloop lopen die vóór ons ligt,2terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.3Want let op Hem Die zo’n tegenspraak door de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet moe wordt en in uw zielen bezwijkt.).


Rehum – Kehila – Hasabja – Bavai

17Daarachter verrichtten de Levieten herstelwerk: Rehum, de zoon van Bani. Daarnaast verrichtte Hasabja, het hoofd van de [ene] helft van het district Kehila, herstelwerk voor zijn district. 18Daarachter verrichtten hun broeders herstelwerk: Bavai, de zoon van Henadad, hoofd van de [andere] helft van het district Kehila.

Rehum

Na de priesters, genoemd in vers 11Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren., ontmoeten we nu Levieten. Ook zij zijn druk doende om te helpen de muur te herbouwen. Zij werken onder aanvoering van Rehum, de zoon van Bani. De gebruikelijke dienst van de Levieten is het helpen van de priesters bij het brengen van de offers. Ook voor hun gewone werk is het daarom van belang dat Jeruzalem als de stad van de tempel weer goed beschermd wordt.

Levietendienst in geestelijke zin vindt onder andere plaats als de gelovigen worden onderwezen uit het Woord van God. Daarbij zal altijd de Heer Jezus centraal moeten staan. En als Hij wordt gezien, zal dat de harten blij en dankbaar maken. Het gevolg zal zijn dat er priesterdienst wordt verricht: de gelovigen zullen aan God offers van lof en dank brengen.

Kehila

De oversten die samen het opzicht hebben over het hele gebied rond Kehila, zijn ook bij de bouw aanwezig. Kehila heeft zich in de tijd van David niet van haar beste kant laten zien. Het is een stad “met poorten en grendels” (1Sm 23:77dat Saul verteld werd dat David naar Kehila gekomen was. En Saul zei: God heeft hem in mijn hand overgegeven, want hij heeft zich ingesloten door een stad met poorten en grendels binnen te gaan.) die door de Filistijnen zwaar belaagd wordt. Dan komt David. Hij verslaat de Filistijnen en bevrijdt de inwoners van de stad. Van dankbaarheid is echter geen sprake. Zij zijn bereid David uit te leveren aan Saul (1Sm 23:1212Daarna zei David: Zullen de burgers van Kehila mij en mijn mannen overleveren in de hand van Saul? En de HEERE zei: Zij zullen [u] overleveren.).

Hasabja en Bavai

Bij Hasabja en Bavai wordt hier een andere geest gevonden. Met hun aandeel in de herbouw zorgen zij ervoor dat Kehila in de Schrift ook een positieve vermelding krijgt. Zo kan het ook in het leven van een gelovige of van een gemeente gaan. Er kunnen vroeger dingen zijn gebeurd, waarover we ons nu schamen (vgl. Rm 6:2121Welke vrucht had u dan toen van de dingen waarover u zich nu schaamt? Immers, het einde daarvan is [de] dood.). Mensen die ons van vroeger kennen, kunnen ons eraan herinneren. Het is te wensen dat die mensen ook zullen opmerken dat we inmiddels, door de genade van God, veranderd zijn.


Ezer

19Daarnaast verrichtte Ezer herstelwerk, de zoon van Jesua, het hoofd van Mizpa, een tweede gedeelte, tegenover de helling omhoog naar het wapenhuis op de Punt.

Op onze omgang rond de muur zijn we bij Ezer terechtgekomen. In de betekenis van de naam ‘Ezer’ ligt het woord ‘hulp’ opgesloten. Denk aan de steen die Samuel opstelt tussen Mizpa en Sen: “Hij gaf hem de naam Eben-Haëzer [betekent ‘steen van de hulp’], en zei: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen” (1Sm 7:1212Toen nam Samuel een steen en plaatste die tussen Mizpa en Sen; hij gaf hem de naam Eben-Haëzer en zei: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen.).

Ezer is als overste van Mizpa niet te beroerd om als hulp te fungeren. Zijn hulp bestaat uit het bouwen aan een volgend stuk muur. Dit stuk muur is uit tactisch oogpunt belangrijk. Het staat tegenover de opgang naar het wapenhuis. Het lijkt erop dat dit stuk muur ook nog eens een hoek in de muur vormt. Het wapenhuis moet daardoor naar twee kanten toe door de muur worden beschermd. Een moeilijkheidsfactor waarvoor Ezer niet opzij gaat.

Het bouwen van een hoek is altijd moeilijker dan het bouwen van een recht stuk muur. Het beschermen van het wapenhuis is vaak moeilijker dan de bescherming van andere objecten. Het wapenhuis kunnen we vergelijken met de wapenrusting van God (Ef 6:10-2010Overigens, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte.11Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.12Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].13Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,19en voor mij, dat mij bij [het] openen van mijn mond [het] woord gegeven mag worden om met vrijmoedigheid de verborgenheid van het evangelie bekend te maken20– waarvoor ik een gezant ben in een keten – opdat ik daarover vrijmoedig spreek, zoals ik moet spreken.). Als we het wapenhuis onbeschermd laten, als we de wapenrusting niet aandoen, zijn we weerloos.

Een man die in een Godvijandige omgeving moest verblijven, vertelde dat hij elke morgen de wapenrusting van God aantrok. Dat deed hij door de wapenrusting (Ef 6:14-1814Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,) uit zijn hoofd te leren en elke morgen op te zeggen. Zo beschermde hij het wapenhuis en daardoor zichzelf. Hij kon de aanvallen van de vijand afslaan met de wapens die God hem had gegeven.


Baruch

20Daarachter herstelde Baruch, de zoon van Zabbai, vol ijver een tweede gedeelte: van de Punt tot aan de deur van het huis van de hogepriester Eljasib.

We zijn bij Baruch aangekomen. Zijn naam betekent ‘gezegend’. Van hem staat als speciaal kenmerk dat hij “vol ijver”, vol vuur, aan het werk is. Deze extra vermelding wijst erop dat zijn mate van ijver bijzonder is. Zulke extra vermeldingen vinden we ook in de lijst met namen in Romeinen 16. De Geest noteert in elke vermelding van namen bij bepaalde namen bepaalde bijzonderheden, dingen waardoor sommigen meer opvallen dan anderen.

Er is, ook in het werk voor de Heer, onderscheid in kwantiteit en kwaliteit. Aan alle verschillen liggen oorzaken ten grondslag die hier niet worden genoemd, maar die voor de rechterstoel van Christus zichtbaar zullen worden. Achter alle daden van de mensen steken motieven.


Meremoth

21Daarachter herstelde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz, een tweede gedeelte: van de huisdeur van Eljasib tot aan het einde van het huis van Eljasib.

Meremoth is iemand die voor het huis van een ander bouwt en wel voor het huis van Eljasib, de hogepriester (vers 11Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren.). Hij doet dit als een extra werk, want hij heeft wel eerst een ander stuk van de muur hersteld (vers 44Daarnaast verrichtte Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz, herstelwerk; daarnaast verrichtte Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël, herstelwerk; daarnaast verrichtte Sadok, zoon van Baäna, herstelwerk.). Eljasib bouwt wel mee aan de Schaapspoort (vers 11Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren.), maar het lijkt erop dat hij zijn eigen huis verwaarloost. Het strekt Meremoth tot eer dat hij een taak op zich neemt die eigenlijk voor Eljasib zelf is. Hij zegt niet: ‘Ben ik de hoeder van mijn broer?’ (Gn 4:99En de HEERE zei tegen Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet [het] niet; ben ik de hoeder van mijn broer?). In plaats daarvan levert hij een extra inspanning ten gunste van zijn falende broeder. Hij zet zich in om te doen waar de ander in gebreke blijft. Dat vermindert de verantwoordelijkheid van Eljasib niet, temeer daar hij een zo vooraanstaande plaats onder het volk inneemt.

Het is te wensen dat er ook in de gemeente mannen zijn die zich extra willen inspannen voor hen die in het eigen gezin falen. Het is wel nodig dat zulke mannen in hun eigen huis de zaak op orde hebben. In 1 Timotheüs 3 staan de voorwaarden waaraan iemand moet voldoen die naar het opzienerschap streeft (1Tm 3:1-71Het woord is betrouwbaar: als iemand streeft naar [het] opzienerschap, begeert hij een goed werk.2De opziener dan moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, nuchter, ingetogen, waardig, gastvrij, geschikt om te leren,3geen drinker, geen vechter, maar inschikkelijk, niet twistziek, niet geldzuchtig,4iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid,5– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –6geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.7En hij moet ook een goed getuigenis hebben van hen die buiten zijn, opdat hij niet in opspraak komt en in [de] strik van de duivel valt.). Dit opzienerschap wordt “een goed werk” (1Tm 3:11Het woord is betrouwbaar: als iemand streeft naar [het] opzienerschap, begeert hij een goed werk.) genoemd. Dit voortreffelijke werk waarnaar de opziener verlangt, is niets minder dan het hoeden van de kudde van God (Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].; vgl. 1Pt 5:1-41[De] oudsten onder u vermaan ik dus, de medeoudste en getuige van het lijden van Christus en ook de deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden;2hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;3ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden.4En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.). Het is een werk, want het vraagt een investeren van energie.

Het streven naar het opzienerschap mag geen streven zijn om iets te willen zijn, maar om iets te willen doen. Het is niet zich uitstrekken naar een gezagspositie, maar naar de taak van een dienaar. Dienst wordt verricht voor God (Hij is de opdrachtgever) en aan de gemeente (vgl. Ea 7:1010Ezra had immers zijn hart erop gericht om de wet van de HEERE te onderzoeken, om die te doen en om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen.; Ne 2:1010Toen Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonitische dienaar, [dat] hoorden, was het volstrekt kwalijk in hun ogen dat er iemand gekomen was om het goede te zoeken voor de Israëlieten.).

Het motief van dit streven kan in niets anders liggen dan in overgave aan en in liefde voor de Heer Jezus en de wens om Hem in afhankelijkheid en gehoorzaamheid te dienen.


De priesters

22Daarachter verrichtten de priesters, de mannen uit het omliggende gebied, herstelwerk.

Hier ontmoeten we weer priesters (vers 11Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren.). Sinds vers 1515De Bronpoort herstelde Sallun, de zoon van Kol-Hoze, hoofd van het district Mizpa. Hij herbouwde hem, overdekte hem, en plaatste zijn deuren, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels. Ook [herstelde hij] de muur van de vijver van Siloam bij de tuin van de koning en tot aan de trappen die afdalen vanuit de stad van David. zijn we aan de oostelijke kant van de muur. Als we goed kijken, kunnen we de tempel al zien. Het is alsof we, naarmate we de tempel naderen, steeds vaker tempeldienaars tegenkomen. We zijn in vers 1717Daarachter verrichtten de Levieten herstelwerk: Rehum, de zoon van Bani. Daarnaast verrichtte Hasabja, het hoofd van de [ene] helft van het district Kehila, herstelwerk voor zijn district. de Levieten al gepasseerd. We zijn het huis van de hogepriester voorbijgegaan. Nu staan we weer bij priesters. In de verzen 26,3126De tempeldienaren [die] op de Ofel woonden, [verrichtten herstelwerk] tot tegenover de Waterpoort aan de oost[kant] en de [hoog] uitstekende toren.31Daarachter verrichtte Malchia, een edelsmid, herstelwerk, tot aan het huis van de tempeldienaren en de handelaars, tegenover de poort van Mifkad en tot het bovenvertrek van het hoekpunt. zullen we nog tempeldienaars bezig vinden en daar tussenin, bij de Paardenpoort, nog eens een aantal priesters (vers 2828Vanaf de Paardenpoort verrichtten de priesters herstelwerk, ieder tegenover zijn huis.).

De priesters die we hier bezig vinden, wonen in “het omliggende gebied”, dat is de Jordaanvallei. Het zal voor hen een vreugde zijn geweest zo dicht bij de tempel te mogen werken. Het vooruitzicht hun dienst in de tempel weer te kunnen verrichten zal hen aangespoord hebben.


Benjamin en Hassub – Azarja

23Daarachter verrichtten Benjamin en Hassub herstelwerk, tegenover hun huis, en daarachter verrichtte Azarja, de zoon van Maäseja, de zoon van Hananja, herstelwerk, naast zijn huis.

Benjamin en Hassub

Hier is voor de tweede keer sprake van mensen die voor hun huis bouwen. De namen van deze bouwers zijn Benjamin, dat betekent ‘zoon van mijn rechterhand’ en Hassub, dat betekent ‘zorgzaam’, ‘bezorgd’. De rechterhand is de hand van de kracht en ziet op bescherming en behoeden. Waardoor wordt een huis beschermd? Op welke manier dragen we zorg voor wat ons in ons huis(gezin) is toevertrouwd? Als het om de materiële kant gaat, kunnen we alle denkbare verzekeringen afsluiten voor allerlei onheil, zoals brand en diefstal. We kunnen allerlei beschermende veiligheidsmaatregelen nemen, zoals alarmsystemen en beveiligingsdiensten. Toch biedt dit alles geen zekere bescherming.

Maar er zijn nog veel ergere vijanden dan zij die ons materiële schade kunnen berokkenen. Dat zijn de vijanden die er constant op uit zijn ons geestelijke schade te berokkenen. Hoe kunnen we ons daartegen beschermen? Hoe trekken we daar een beschermende muur tegen op?

Van Benjamin, de zoon van Jakob, lezen we dat hij bij de HEERE zal wonen en daar zal hij veilig wonen (Dt 33:1212Over Benjamin zei hij:
            De door de HEERE beminde, hij zal onbezorgd bij Hem wonen.
                        Hij zal hem heel de dag beschermen,
                                    en tussen zijn schouders zal Hij wonen!
)
. Alleen God is onze zekerheid. Hoe rijk is een huis dat zijn zekerheid vindt in de bescherming door de Heer, waar men vertrouwt op de Almachtige en zich in Zijn armen geborgen weet. Het gaat hier niet om de zekerheid dat ziekte, armoede, lijden of dood ons huis niet kunnen treffen, maar dat het wonen bij de Heer ons altijd zal bewaren voor het kwaad, voor ruzie en angst.

Als we niet meer op de kracht van de Heer vertrouwen, ligt dat stuk muur in puin. Als we merken hoe ons gezin steeds meer uit elkaar valt omdat de bescherming weg is, moeten we die bescherming weer opzoeken. De kracht van de Heer is altijd beschikbaar voor wie er een beroep op doet.

Azarja

Azarja is bezig “naast zijn huis”. Het lijkt erop dat het stuk muur tegenover zijn huis nog intact is. Het is toch vrij zinloos naast je huis te gaan beginnen en het stuk voor je huis open te laten. Azarja betekent ‘Jahweh heeft geholpen’. Hij is er niet mee tevreden dat de muur voor zijn huis nog staat. Ook het open stuk daarnaast wil hij dicht hebben. Met de hulp van de HEERE sluit hij, voor zover het van hem afhangt, elk risico uit dat de vijand ook maar in de buurt van zijn huis kan komen. Het is belangrijk de vijand zo ver mogelijk uit de buurt te houden.

Elke interesse voor de vijand uit nieuwsgierigheid kan hem de gelegenheid geven toe te slaan. Die kans moeten we hem niet geven. Onze belangstelling mag slechts uitgaan naar de Heer Jezus en de dingen waarin Hij centraal staat. Voor zover we ons moeten bezighouden met de vijand als een opdracht van de Heer, bijvoorbeeld om anderen te kunnen waarschuwen voor zijn listen, mogen we rekenen op de bescherming van de Heer.


Binnuï

24Daarachter herstelde Binnuï, de zoon van Henadad, een tweede gedeelte: van het huis van Azarja tot aan de Punt, tot aan de hoek.

Waar Azarja is gestopt, gaat Binnuï verder met bouwen. Hij bouwt “tot aan de Punt, tot aan de hoek”. De naam Binnuï betekent ‘iemand die opbouwt’. Zijn vader is Henadad, een van de teruggekeerden uit Babel (Ea 3:99Toen trad Jesua aan, [met] zijn zonen en zijn broeders, [en] Kadmiël met zijn zonen, de nakomelingen van Juda, als één [man] om toezicht te houden op hen die het werk deden in het huis van God, [en ook] de zonen van Henadad, hun zonen en hun broeders, de Levieten.). Zijn zonen hebben meegeholpen met de bouw van de tempel. Hier zien we een zoon die meehelpt bij de bouw van de muur. Zijn vader heeft hem een naam gegeven die met bouwen te maken heeft. Het lijkt erop dat Henadad betrokken is bij alles wat met bouwen voor God te maken heeft. Binnuï maakt de naam waar die zijn vader hem heeft gegeven.

Welke naam geven wij onze kinderen? Daarmee bedoel ik: Welke verwachting hebben wij van hen? Als wij voor onszelf een positie, eer en aanzien in de wereld zoeken, zullen we dat ook voor onze kinderen wensen. In gedachten geven we hun de naam van een groot wetenschapper, van een beroemde sporter, van een gevierd musicus of van welke bekendheid dan ook. Maar als onze belangstelling uitgaat naar Gods huis en Gods stad, naar de eer van God in alle dingen, zullen we wensen dat dit ook zo zal zijn bij onze kinderen. Dan zullen we bidden dat ze dienstbaar zullen zijn voor de Heer Jezus in Zijn koninkrijk.


Palal – Pedaja

25Palal, de zoon van Uzai, [verrichtte herstelwerk] tegenover de Punt en de toren die vanaf het huis van de koning [naar boven] uitsteekt, die aan het binnenplein van de wacht staat; daarachter [werkte] Pedaja, de zoon van Paros.

Palal

Palal is bezig in de buurt van het huis van de koning en wel aan de kant van “het binnenplein van de wacht”, of “de voorhof der gevangenis”, zoals een andere vertaling zegt. Het is zeer waarschijnlijk dat Jeremia daar opgesloten is (Jr 32:2,8,122Het leger van de koning van Babel hield toen Jeruzalem belegerd, en de profeet Jeremia zat opgesloten op het binnenplein van de wacht die bij het huis van de koning van Juda ligt,8Hanameël, de zoon van mijn oom, kwam, overeenkomstig het woord van de HEERE, naar mij toe op het binnenplein van de wacht. Hij zei tegen mij: Koop toch mijn akker die in Anathoth is, dat in het land van Benjamin is, want u hebt het recht van bezit en u hebt [het recht van] lossing. Koop [hem] voor uzelf! Toen wist ik dat dit het woord van de HEERE was.12en gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameël, [de zoon van] mijn oom, voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden ondertekend, [en] voor de ogen van alle Judeeërs die op het binnenplein van de wacht zaten.; 33:11Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Jeremia, toen hij nog opgesloten zat op het binnenplein van de wacht:; 37:2121Toen gaf koning Zedekia bevel dat men Jeremia in verzekerde bewaring zou stellen op het binnenplein van de wacht. Men gaf hem elke dag een rond brood uit de Bakkerstraat, totdat al het brood in de stad op was. Zo verbleef Jeremia op het binnenplein van de wacht.; 38:6,13,286Zij namen Jeremia mee en wierpen hem in de put van Malkia, de zoon van de koning, die op het binnenplein van de wacht was, en zij lieten Jeremia met touwen neer. Nu was er geen water in de put, maar [wel] slijk. In dat slijk zakte Jeremia weg.13Toen trokken zij Jeremia met de touwen op en haalden hem uit de put omhoog. En Jeremia verbleef op het binnenplein van de wacht.28Jeremia verbleef op het binnenplein van de wacht tot de dag dat Jeruzalem werd ingenomen. Hij was er [nog] toen Jeruzalem werd ingenomen.; 39:1414Zij stuurden [boden], haalden Jeremia uit het binnenplein van de wacht en gaven hem over aan Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, om hem naar huis te brengen. Zo verbleef hij te midden van het volk.). Hij is daar opgesloten omdat hij heeft gewaarschuwd voor de komst van de koning van Babel. Hij heeft er ook op gewezen dat overgave de enige mogelijkheid is tot redding. Maar daar hebben de koning en zijn raadgevers niet van willen weten. Jeremia is zijn vrijheid kwijtgeraakt en Jeruzalem is veroverd en verwoest.

Misschien dat Palal daaraan denkt, als hij bij “het binnenplein van de wacht” bezig is aan de muur. Zijn naam betekent ‘rechter’. Een rechter weet wanneer de wet is overtreden en wat de strafmaat is die bij de overtreding hoort. Hij zal ermee instemmen dat God recht heeft gedaan door het schuldige Jeruzalem in handen van de Babyloniërs te geven. Dit oordeel hebben ze verdiend. Jeremia is verlost, het volk is in gevangenschap gevoerd.

Zal dat hem niet tot een biddende bouwer hebben gemaakt? We kunnen ons voorstellen dat hij heeft gebeden: ‘Heer, geef dat Uw volk U nu wel trouw zal dienen, wel naar U zal luisteren, zodat de stad niet opnieuw moet worden verwoest.’ Een dergelijk gebed past ook ons, die leven in dagen waarin het verval van de gemeente hand over hand toeneemt. Als we dan door Gods genade herstel mogen beleven, mogen we nooit vergeten hoezeer we als gemeente hebben gefaald.

Pedaja

Naast Palal is Pedaja bezig. Pedaja betekent ‘Jahweh verlost’. Dit sluit mooi aan op de ‘rechter’. God is rechtvaardig als Hij oordeelt, maar Hij verlost wie zich onder dit oordeel buigt. Pedaja stelt iemand voor die zich bewust is dat hij is verlost om zich in te zetten voor de veiligheid en geborgenheid van allen die tot de stad van God zijn.


De tempeldienaren – de Waterpoort

26De tempeldienaren [die] op de Ofel woonden, [verrichtten herstelwerk] tot tegenover de Waterpoort aan de oost[kant] en de [hoog] uitstekende toren.

De tempeldienaren

Tussen alle bedrijvigheid door wordt hier een opmerking gemaakt over de tempeldienaren. Ze wonen op de Ofel, een hoogte vlak voor de Waterpoort aan de zuidkant van de tempel. Tempeldienaren, ook wel Nethinim genoemd, worden altijd in het meervoud genoemd. Zij zijn verbonden aan de dienst in de tempel. Hun taken liggen op het terrein van allerlei hand-en-spandiensten. Zeer waarschijnlijk zijn zij nakomelingen van de Gibeonieten, die zich door list bij het volk van God hebben gevoegd (Jz 9:3-153Toen de inwoners van Gibeon hoorden wat Jozua met Jericho en Ai gedaan had,4gingen ook zij met list te werk. Zij gingen op weg en deden zich voor als gezanten. Zij namen versleten zakken op hun ezels, en versleten, gescheurde en [weer] dichtgebonden leren wijnzakken.5Ook [hadden zij] versleten en opgelapte schoenen aan hun voeten, en zij hadden versleten kleren aan, en alle brood [van hun] proviand was droog [en] kruimelig.6En zij gingen naar Jozua, naar het kamp in Gilgal, en zij zeiden tegen hem en tegen de mannen van Israël: Wij zijn uit een ver land gekomen. Nu dan, sluit een verbond met ons.7Toen zeiden de mannen van Israël tegen de Hevieten: Misschien woont u wel in ons midden, hoe kunnen wij dan een verbond met u sluiten?8Zij zeiden tegen Jozua: Wij zijn uw dienaren. Toen zei Jozua tegen hen: Wie bent u en waar komt u vandaan?9Zij zeiden tegen hem: Uw dienaren zijn uit een zeer ver land gekomen, omwille van de Naam van de HEERE, uw God, want wij hebben Zijn roem gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft,10en alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan [woonden]: Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, die in Astharoth [woonde].11Daarom zeiden onze oudsten en al de inwoners van ons land tegen ons: Neem proviand voor de reis mee, en ga hun tegemoet, en zeg tegen hen: Wij zijn uw dienaren. Nu dan, sluit een verbond met ons.12Dit brood van ons hebben wij warm als voedsel voor onderweg uit onze huizen meegenomen op de dag dat wij vertrokken om naar u toe te gaan. Maar zie, nu is het droog en kruimelig.13En deze leren wijnzakken waren nieuw toen wij ze vulden; maar zie, ze zijn gescheurd. En deze kleren van ons en onze schoenen zijn versleten door de zeer lange reis.14Toen namen de mannen van hun proviand en zij vroegen niet om een uitspraak van de HEERE.15En Jozua sloot vrede met hen en sloot een verbond met hen dat hij hen zou laten leven. En de leiders van de gemeenschap zwoeren hun [een eed].). Jozua vervloekt hen daarvoor en bepaalt dat zij nooit zullen ophouden “houthakkers en waterputters voor het huis van mijn God” te zijn (Jz 9:2323Nu dan, vervloekt bent u! U zult voor altijd slaven zijn, houthakkers en waterputters voor het huis van mijn God.).

In verbinding met de naam Pedaja zien we hoe de HEERE hen van de vloek heeft verlost. Zij hebben zich geschikt in de uitspraak van Jozua en daardoor is de vloek voor hen tot een zegen geworden. De muur dient ook om hen te beschermen en te bewaren voor de dienst die hun is opgelegd.

De Waterpoort

De Waterpoort, de zevende poort die in dit hoofdstuk wordt genoemd, maakt geen deel uit van de muur, maar ligt, evenals de Ofel, binnen de muur. Er staat niet dat de Waterpoort wordt hersteld. Wel wordt vermeld dat de poort aan “de oost[kant]” van de muur is, in de buurt van “de [hoog] uitstekende toren”.

Bij de Bronpoort (vers 1515De Bronpoort herstelde Sallun, de zoon van Kol-Hoze, hoofd van het district Mizpa. Hij herbouwde hem, overdekte hem, en plaatste zijn deuren, [met] zijn sluitbalken en zijn grendels. Ook [herstelde hij] de muur van de vijver van Siloam bij de tuin van de koning en tot aan de trappen die afdalen vanuit de stad van David.) hebben we al gezien dat het water spreekt van het Woord van God (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,). Daar is het water in actie, een bron die opspringt. Dat is het Woord dat zijn werk doet en werkt (1Th 2:1313En daarom ook danken wij God onophoudelijk, dat u, toen u van ons [het] Woord van [de] prediking van God hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, zoals het waarlijk is, als Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft.). Hier stelt het water ook het Woord van God voor, maar dan meer in zijn onveranderlijkheid. Dat is een duidelijke toepassing van het feit dat de Waterpoort niet hersteld hoeft te worden. Aan het Woord hoeft niets verbeterd te worden. Het blijft eeuwig in al zijn volmaaktheid bestaan (Ps 119:8989Voor eeuwig, HEERE,
staat Uw woord vast in de hemel.
; Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.; Op 19:1313En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.)
.

Dat geeft hoop voor de toekomst, waarvan de oostkant spreekt. De oostkant is de kant waar de zon opgaat. Wanneer de Heer Jezus verschijnt als “de Zon der gerechtigheid” (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
, zal Hij alles in vervulling doen gaan wat God in Zijn Woord heeft beloofd. Het is alsof “de [hoog] uitstekende toren” dat nog eens benadrukt. De wachter in die toren ziet uit naar het oosten om als eerste de Zon der gerechtigheid te zien opgaan.


De inwoners van Tekoa

27Daarachter herstelden de inwoners van Tekoa een tweede gedeelte: tegenover de grote [hoog] uitstekende toren tot aan de muur van de Ofel.

Bij deze groep bouwers hebben we ook eerder al stilgestaan (vers 55Daarnaast verrichtten de inwoners van Tekoa herstelwerk, maar de vooraanstaanden onder hen zetten hun schouders niet onder de dienst van hun heren.). Hier zijn ze bezig met een tweede gedeelte. Het is mogelijk dat de Tekoïeten een tweede stuk moeten doen omdat de aanzienlijken het beneden hun waardigheid vinden om mee te helpen.

Dit kunnen we toepassen op alle werk dat voor de Heer wordt gedaan. In het werk voor de Heer worden de lasten soms ongelijk verdeeld omdat er zijn die hun taak niet verrichten. Dan moet er door weinigen veel worden gedaan. Als ieder lid zijn of haar functie vervult (1Ko 14:4-114Wie in een taal spreekt, bouwt zichzelf op; maar wie profeteert, bouwt [de] gemeente op.5En ik wilde wel dat u allen in talen sprak, maar nog meer dat u profeteerde. En wie profeteert, is meer dan wie in talen spreekt, tenzij hij het uitlegt, opdat de gemeente opbouwing ontvangt.6En nu, broeders, als ik tot u kom en in talen spreek, welk nut zal ik u doen, als ik niet tot u spreek óf in openbaring, óf in kennis, óf in profetie, óf in leer?7Zelfs de onbezielde dingen die geluid geven, hetzij fluit, hetzij harp, als zij geen onderscheid in de tonen geven, hoe zal men weten wat op de fluit of wat op de harp gespeeld wordt?8Immers, als [de] bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich voor [de] oorlog gereedmaken?9Evenzo ook u, als u door de taal geen verstaanbaar woord geeft, hoe zal men weten wat gesproken wordt? Want u zult in [de] lucht spreken.10Er zijn wie weet hoeveel soorten geluiden in [de] wereld, en geen is zonder [eigen] klank.11Als ik nu de betekenis van het geluid niet ken, zal ik voor hem die spreekt, een vreemdeling zijn, en hij die spreekt, zal voor mij een vreemdeling zijn.), is er geen lid overbelast. Helaas is de praktijk anders. Sommigen menen dat zij niets kunnen betekenen. Zij verschuilen zich achter onkunde of geen tijd. Maar de Heer heeft iedere gelovige een taak gegeven. Verontschuldigingen zijn uitvluchten, geen geldige excuses, en in feite ongehoorzaamheid aan de Heer.


De Paardenpoort – de priesters

28Vanaf de Paardenpoort verrichtten de priesters herstelwerk, ieder tegenover zijn huis.

De Paardenpoort

We zijn aangekomen bij de achtste poort, de Paardenpoort. De Paardenpoort wordt zelf niet verbeterd. Hij wordt genoemd als het vertrekpunt van een aantal priesters om de muur tegenover hun huis te herbouwen. In bijna alle gevallen waar het paard in de Schrift wordt genoemd, gaat het om oorlogspaarden. Het paard wordt geroemd om zijn onverschrokkenheid, snelheid, uithoudingsvermogen en kracht. Een prachtige beschrijving ervan geeft de HEERE Zelf in Zijn antwoord aan Job (Jb 39:22-2822Kunt u het paard kracht geven?
Kunt u zijn nek met manen bekleden?
23Laat u het springen als een sprinkhaan?
De majesteit van zijn gesnuif is een verschrikking.
24Het schraapt in de dal[grond] en het is vrolijk in zijn kracht,
en het trekt uit, de wapens tegemoet.
25Het lacht om de angst en is niet ontsteld,
en keert niet om vanwege het zwaard.
26De pijlkoker klettert tegen hem aan,
het ijzer van de werpspies en de speer.
27Al trillend en briesend verslindt het de aarde,
en is niet te houden als het geluid van de bazuin [klinkt].
28Bij elke bazuinklank zegt het: Ha!
en van verre ruikt het de strijd,
[en het hoort] het tieren van de vorsten en het [krijgs]geschreeuw.
)
.

De genoemde kenmerken van het paard zijn nodig om vol te houden bij de bouw. Het einde van de muur komt in zicht. Soms kan het zicht op het einde een extra stoot energie geven. We denken aan wat er al is gebeurd en zetten alles op alles om het werk af te ronden. Soms ook kan het laatste stuk net te veel worden. Als we het werk dat nog gedaan moet worden, afmeten naar onze krachten, kunnen we ontmoedigd raken (Ne 4:1010Toen zei Juda: De kracht van de lastdragers schiet tekort en er is veel puin; wij zijn daarom niet in staat de muur te herbouwen.).

Als we ontmoedigd dreigen te raken, is het belangrijk eraan te denken dat we voor de genoemde kwaliteiten niet op onszelf of een schepsel moeten vertrouwen, maar op de Heer. In enkele psalmen wordt de grote kracht van het paard genoemd om te herinneren aan de grotere kracht van God (Ps 20:88Dezen [vertrouwen] op strijdwagens en die op paarden,
maar wíj zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen.
; 33:1717Het paard geeft valse [hoop] op de overwinning
en bevrijdt niet door zijn grote kracht.
; 76:77Door Uw bestraffing, o God van Jakob,
vielen strijdwagen en paard in een diepe slaap.
)
. Als we op Hem een beroep doen, zal Hij ons de kracht en het uithoudingsvermogen geven om de overwinning te behalen en het einddoel te bereiken.

De priesters

Meer dan voor iets anders geldt dit voor de priesterdienst. In de christenheid is er wel de belijdenis van het algemeen priesterschap, maar vaak niet de praktijk ervan. Hoe belangrijk is het deze voor God zo belangrijke waarheid vast te houden en in praktijk te brengen. God wil dat we Hem voortdurend – en niet maar af en toe – een lofoffer brengen (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.; 1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.).

Het is mogelijk dat de verhindering om deze priesterdienst te verrichten veroorzaakt wordt door het ontbreken van de muren voor de huizen van de priesters. Door het opgeven van de afzondering van de wereld – het neerhalen van de muur – is veel in de gezinnen van de gelovigen binnengedrongen wat niet bepaald aanzet tot priesterdienst. Hoeveel uren wordt er tv gekeken of gesurft op internet of besteed aan sociale media? En als er wordt gekeken en gesurft, wat ziet men dan?

Laten gelovige mannen en vrouwen, want zij zijn beiden priesters, de muren voor hun huis eens inspecteren. Zijn er door niet waakzaam te zijn gedachten het hart binnengedrongen en is daardoor de kijk op de Bijbel of de Heer Jezus veranderd? Bij eerlijk zelfonderzoek zal dan geconstateerd worden dat de priesterdienst voor God is afgenomen, de aanbidding van de Vader is verdwenen en de toewijding aan de Heer nauwelijks meer aanwezig is.

Laat de Paardenpoort weer binnen het gezichtsveld komen. Zoek de kracht van de Heer om de bouw van de muur weer te hervatten. Luister naar de bemoediging van Nehemia: Wees niet bevreesd voor hen [de tegenstanders]. Denk aan de grote en ontzagwekkende Heere, en strijd voor uw broeders, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen” (Ne 4:1414Ik zag [erop] toe en stond op en zei tegen de edelen, de machthebbers en de rest van het volk: Wees niet bevreesd voor hen. Denk aan de grote en ontzagwekkende Heere, en strijd voor uw broeders, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen.).


Zadok – Semaja en de Oostpoort

29Daarachter verrichtte Zadok, de zoon van Immer, herstelwerk, tegenover zijn huis, en daarachter verrichtte Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaker van de Oostpoort, herstelwerk.

Zadok

Ook Zadok is bezig tegenover zijn huis. Zadok betekent onder andere ‘oprecht’, ‘eerlijk’. Is de muur van oprechtheid om ons huis neergehaald? Zijn we eerlijk in onze omgang met anderen? Laten we dit, als we getrouwd zijn, eens toepassen op ons huwelijk. Herinneren we ons nog onze belofte van trouw aan elkaar op onze huwelijksdag? Zijn we trouw en eerlijk gebleven? Geldt dat ook voor het verlangen naar het gezelschap van onze partner dat groter moet zijn dan naar dat van iemand anders in de wereld? Of begeren we het gezelschap van iemand van wie we zeggen: ‘Die ligt me beter, is me sympathieker dan mijn eigen man of vrouw’? De heilige muur van eerlijkheid ligt dan in puin en moet worden herbouwd.

Misschien moet de man zijn vrouw of de vrouw haar man belijden dat er oneerlijkheid in de gedachten of misschien zelfs in de praktijk gekomen is. Het puin moet geruimd worden, voordat er weer kan worden gebouwd.

Zadok is de zoon van Immer, dat betekent ‘spraakzaam’. Er is geen lichaamsdeel dat zoveel schade aanricht als de tong. De muur van eerlijkheid wordt vaak een puinhoop door de praatzucht. Kritiek op elkaar, op de broeders en zusters, haalt de muur neer. Hoe praten wij over elkaar en met elkaar? Misschien dat ook daarvoor belijdenis moet worden gedaan, ook tegenover de kinderen die hebben gehoord hoe wij over onze broeders en zusters hebben gepraat.

Semaja en de Oostpoort

We zijn aangekomen bij Semaja. Van hem wordt als bijzonderheid vermeld dat hij “de bewaker van de Oostpoort” is. De Oostpoort, de negende poort in dit hoofdstuk, is een bijzondere poort. Via die poort verlaat de heerlijkheid van de HEERE de tempel en Jeruzalem (Ez 10:18-1918Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.; 11:2323Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.). Vanwege de zonden van Jeruzalem kan Gods heerlijkheid daar niet langer wonen. Maar Hij is niet vertrokken om voor altijd weg te blijven. De profeet Ezechiël ziet in een visioen de heerlijkheid van de HEERE weer terugkomen in de nieuwe tempel (Ez 43:44En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag.).

Dit geweldige perspectief is verbonden aan de naam Semaja. Zijn naam betekent ‘Jahweh hoort’. Hoezeer Gods volk ook in verval is, hoezeer Gods zichtbare heerlijkheid zich ook heeft moeten terugtrekken in de hemel, er komt een moment dat Hij terugkeert. Het geloof roept: ‘Hoelang nog HEERE?’ Het lijkt al zo lang te duren. Maar God luistert naar het geroep van Zijn volk. De Geest en de bruid zeggen: “Kom!” (Op 22:1717En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet.). De Heer Jezus antwoordt: “Ja, Ik kom spoedig!” (Op 22:2020Hij Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig! Amen, kom, Heer Jezus!).


Hananja en Hanun – Mesullam

30Daarachter herstelden Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zesde zoon van Zalaf, een tweede gedeelte; daarachter verrichtte Mesullam, de zoon van Berechja, herstelwerk tegenover zijn kamer.

Hananja en Hanun

Van deze bouwers weten we niet veel meer dan hun namen. In hun namen ligt een verbondenheid. Hananja betekent ‘Jahweh heeft begunstigd’ en Hanun betekent ‘begunstigd’. Van Hanun wordt nog wel een bijzonderheid vermeld: hij is de zesde zoon.

Zes is het getal van de mens (Op 13:1818Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.) en zijn werk (Ex 20:99Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,). Alles wat de mens is en doet, draagt het stempel van zonde en zwakheid. De mens is een door God begunstigd schepsel. Door te kiezen voor de zonde heeft de mens zich van God losgerukt. In zijn hoogmoed beroemt hij zich op zijn kwaliteiten. Het is dan ook dwaas hoog op te geven van die mens en op hem te vertrouwen in de dag van de bezoeking (Js 2:2222Zie voor uzelf [dan] af van de mens
– in zijn neus heeft hij [slechts] adem –
want als wat is hij [eigenlijk] te beschouwen?
)
.

Maar iedere ‘Hanun’ kan een ‘Hananja’ worden. Wie zijn zondigheid, hoogmoed en opstand tegenover God erkent, ontvangt vergeving van zonden. Hij mag zien op het werk van de Heer Jezus, Die als Mens volmaakt heeft beantwoord aan wat God van de mens vraagt. Hij heeft als Mens de zonden gedragen van allen die in Hem geloven. Wie in geloof aanvaardt dat Hij het ook voor hem heeft gedaan, komt in de gunst van God (Rm 5:22door Wie wij ook de toegang verkregen hebben <door het geloof> tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in [de] hoop op de heerlijkheid van God.).

Door bekering tot God wordt de verbinding met God hersteld. Door geloof in de Heer Jezus wordt iemand in Hem begenadigd, of voor God aangenaam gemaakt (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,). Dat is de ware genade (of gunst) waarin iemand moet staan (1Pt 5:1212Door Silvánus, die naar ik meen voor u een trouwe broeder is, heb ik in het kort geschreven om u te vermanen en te betuigen, dat dit [de] ware genade van God is waarin u moet staan.). ‘Hananja’ en ‘Hanun’ worden verenigd. ‘Hanun’ kan echt gaan beantwoorden aan het doel waartoe God hem geschapen heeft, dat is Hem dienen. Samen met ‘Hananja’ is hij inzetbaar bij de bouw van de muur.

Mesullam

Mesullam heeft eerst meegewerkt aan het herstel van een ander stuk van de muur (vers 4b4Daarnaast verrichtte Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz, herstelwerk; daarnaast verrichtte Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël, herstelwerk; daarnaast verrichtte Sadok, zoon van Baäna, herstelwerk.), maar hij verwaarloost “zijn kamer”, zijn eigen leefruimte, niet. Mesullam woont mogelijk alleen op een kamer. De toepassing ligt voor de hand. Veel jonge mensen gaan vandaag de dag ‘op kamers’. Ze verlaten het ouderlijk huis om in een andere stad te gaan studeren. Ze gaan op zichzelf wonen. Ze zijn zelf verantwoordelijk voor de inrichting van hun kamer en hun gedrag daarin. Ademt het de christelijke sfeer of ziet men de kans schoon alle bijbelse waarden en normen van thuis overboord te gooien? Heel wat jonge mensen hebben de muur waarachter ze thuis veilig zijn geweest, afgebroken.

Bij Mesullam is dat anders. Hoewel hij slechts een kamertje als thuis heeft, getuigt zijn leven van volkomen overgave. Daardoor leeft hij in een geheiligde atmosfeer. Zijn naam betekent ‘overgegeven’. Hij is de zoon van Berechja, dat betekent ‘Jahweh zegent’. Wie in overgave aan de Heer leeft, wordt door Hem gezegend. De zegen van de Heer hangt er niet van af of mijn huis groot of klein is, of het werk imponerend of onbeduidend is, maar of alles wordt gebruikt en gedaan in overgave aan Hem. De zegen die dan van de Heer komt, “die maakt rijk” (Sp 10:2222De zegen van de HEERE, die maakt rijk,
Hij voegt er geen zwoegen aan toe.
)
.

Wij bouwen allemaal aan de muur. Niemand mag denken dat hij te gering is. Het kleinste gat in de muur levert het gevaar op dat de vijand daardoor binnendringt. Als wij een gat laten ontstaan of bestaan, loopt de hele gemeente gevaar.


Malchia – de Wachtpoort

31Daarachter verrichtte Malchia, een edelsmid, herstelwerk, tot aan het huis van de tempeldienaren en de handelaars, tegenover de poort van Mifkad en tot het bovenvertrek van het hoekpunt.

Malchia

Nog een klein stukje en de rondgang om de muur is voltooid. We staan nog even stil bij Malchia, een edelsmid. Malchia betekent ‘Jahweh is Koning’. Hij kent de waarde van edelmetalen. Om het materiaal en het beroep te beschermen bouwt hij mee aan de muur.

Verder staat zijn werk in verbinding met “het huis van de tempeldienaren en de handelaars”. Hij heeft oog voor het werk dat de “tempeldienaren” doen. Hoe nederig ook, het is van belang dat dit werk kan gebeuren. Door de bouw van de muur zorgt hij ervoor dat de vijand niet via hun huis in de stad kan komen. Een tempeldienaar kan zijn werk zo onderwaarderen, dat hij probeert via andere kanalen wat aanzien te krijgen. Maar als de tempeldienaar in verbinding staat met ‘Malchia’ en naar de betekenis van die naam leeft en zijn werk doet, zal het de vijand niet lukken via hem in de stad van God te komen. De muur is daar goed gebouwd.

Ook “handelaars” kunnen alleen goed handel drijven als zij dat doen in overeenstemming met de regels die in de stad gelden. Het is lastig, maar niet onmogelijk, om eerlijk zaken te doen. De vijand heeft het bijzonder voorzien op zakenmensen om invloed te krijgen op het leven in de stad van God. Maar op de zakenman die verbonden is met ‘Malchia’ en naar de betekenis van die naam leeft en handelt, zal hij geen vat krijgen. De muur is daar goed gebouwd.

De Wachtpoort

De Wachtpoort is de tiende poort die in dit hoofdstuk wordt genoemd. De poort heet eigenlijk, zoals hier staat “de poort van Mifkad”. Het woord mifkad betekent onder andere ‘inspectie’.

Het werk zit er bijna op. Het is niet ongebruikelijk om aan het einde van een werk, aan het einde van een jaar, aan het einde van een leven eens terug te blikken op dat werk, dat jaar, dat leven. In geestelijk opzicht is het van belang regelmatig terug te kijken. Later zien we vaak beter hoe we te werk zijn gegaan dan in de tijd van dat werk zelf.

Paulus maakt aan het einde van zijn leven de balans op. Als de tijd van zijn heengaan is aangebroken, kan hij zeggen: “Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden” (2Tm 4:6-76Want ik word al als een drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken.7Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.). Tegelijkertijd weet hij dat de uiteindelijke ‘inspectie’ door de Heer gebeurt (1Ko 4:1-51Laat men ons zó beschouwen: als dienaren van Christus en rentmeesters van [de] verborgenheden van God.2Verder wordt hier van de rentmeesters vereist, dat men trouw wordt bevonden.3Maar het betekent voor mij het minste, dat ik door u of door een menselijk gericht word beoordeeld; ja, ik beoordeel ook mijzelf niet.4Want ik ben van mij niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij Die mij beoordeelt, is [de] Heer.5Oordeelt daarom niets vóór [de] tijd, totdat de Heer komt, Die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God.), als wij allen geopenbaard zullen worden “voor de rechterstoel van Christus” (2Ko 5:1010Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.).

Die ‘inspectie’ voor de rechterstoel vindt plaats in “het bovenvertrek”, in de hemel. Maar ook op aarde vinden we al een ‘bovenvertrek’, een plaats van gemeenschap met de Heer Jezus. Daar is de Heer Jezus met Zijn discipelen om er met hen het Pascha te vieren (Lk 22:1212En hij zal u een grote, toegeruste bovenzaal wijzen; bereidt het daar.). Bij die gelegenheid stelt Hij het avondmaal in, dat wij nog elke zondag mogen vieren. Dan denken we aan Hem en Zijn verlossingswerk op het kruis. We verkondigen Zijn dood. Maar dat kan niet zonder onszelf te oordelen, te onderzoeken, te ‘inspecteren’ (1Ko 11:2828Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker.). Als we tot de ontdekking komen dat er in ons leven iets van zonde is, moeten we dat eerst veroordelen. We moeten dat belijden tegenover God, en als er mensen bij betrokken zijn ook tegenover hen.

Na de hemelvaart van de Heer Jezus zijn de discipelen weer in de bovenzaal (Hd 1:1313En toen zij [de stad] waren binnengekomen, gingen zij op naar de bovenzaal, waar zij verblijf hielden: Petrus, Johannes, Jakobus en Andréas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus [de zoon] van Alfeüs, Simon de Zeloot en Judas, [de broer] van Jakobus.). Daar wachten ze op de uitstorting van de Heilige Geest. ‘Inspectie’ van het Woord maakt duidelijk dat het gebeuren met Judas in de Schrift is voorzegd (Hd 1:1616Mannen broeders, het Schriftwoord moest vervuld worden, dat de Heilige Geest door [de] mond van David tevoren heeft gezegd over Judas, die de leidsman is geweest van hen die Jezus gevangennamen;). De Schrift zegt de ‘onderzoekers’ ook dat een ander de plaats van Judas moet innemen (Hd 1:2020Want er staat geschreven in [het] boek van [de] Psalmen: ‘Laat zijn woonplaats woest worden en laat er niemand zijn die daarin woont’, en: ‘Laat een ander zijn opzienerschap nemen’.). Onderzoek van het Woord laat zien wat er moet gebeuren, totdat de belofte in vervulling gaat. Meer dan ooit kunnen we dit toepassen op de belofte van de komst van de Heer Jezus.


Edelsmeden en handelaars – de Schaapspoort

32Tussen het bovenvertrek van het hoekpunt tot de Schaapspoort verrichtten de edelsmeden en de handelaars herstelwerk.

Edelsmeden en handelaars

In dit vers worden geen naam of namen genoemd, maar twee beroepen: edelsmeden en handelaars. Zij zorgen ervoor dat het laatste gat in de muur wordt gedicht en de muur één geheel vormt. De edelsmeden werken met edelmetaal. Zij werken heel precies. Het resultaat van hun werk wordt altijd bewonderd. Handelaren gaan zo te werk dat zij het grootste rendement uit een zaak halen.

Bij de herbouw van de muur is het van belang tot het einde toe nauwkeurig te werk te gaan. Om in de herbouw van de muur te volharden is het noodzakelijk de waarde van dit werk te onderkennen. Ook is het van belang zo te werk te gaan dat het voor de Heer Jezus de grootste winst oplevert. Hij heeft ieder van de Zijnen talenten gegeven, met de opdracht: “Doet zaken totdat Ik terugkom” (Lk 19:1313Hij nu riep zijn tien slaven en gaf hun tien ponden en zei tot hen: Doet zaken totdat ik kom.).

In de gelijkenis van de ponden (Lk 19:11-2711Toen zij nu dit hoorden, sprak Hij bovendien een gelijkenis uit, omdat Hij dicht bij Jeruzalem was en zij meenden dat het koninkrijk van God onmiddellijk openbaar zou worden.12Hij zei dan: Een man van hoge geboorte reisde naar een ver land om voor zich een koninkrijk te ontvangen en terug te keren.13Hij nu riep zijn tien slaven en gaf hun tien ponden en zei tot hen: Doet zaken totdat ik kom.14Zijn burgers echter haatten hem en zonden hem een gezantschap achterna om te zeggen: Wij willen niet dat deze over ons regeert.15En het gebeurde toen hij terugkwam, nadat hij het koninkrijk had ontvangen, dat hij zei dat die slaven aan wie hij het geld had gegeven, bij hem geroepen moesten worden, om te weten wat zij aan de zaken hadden verdiend.16De eerste nu verscheen en zei: Heer, uw pond heeft tien ponden opgebracht.17En hij zei tot hem: Goed zo, goede slaaf; omdat je in [het] geringste trouw bent geweest, heb gezag over tien steden.18En de tweede kwam en zei: Uw pond, heer, heeft vijf ponden opgeleverd.19Hij nu zei ook tot deze: En jij, wees [heer] over vijf steden.20En de volgende kwam en zei: Heer, kijk, uw pond, dat ik in een zweetdoek had weggelegd;21want ik was bang voor u, omdat u een streng mens bent; u neemt weg wat u niet neergelegd en u maait wat u niet gezaaid hebt.22Hij zei tot hem: Uit je eigen mond zal ik je oordelen, boze slaaf. Je wist dat ik een streng mens ben, die wegneem wat ik niet neergelegd en maai wat ik niet gezaaid heb.23Waarom heb je mijn geld dan niet aan een bank gegeven? Dan zou ik het bij mijn komst met rente hebben opgevraagd.24En hij zei tot hen die daarbij stonden: Neemt het pond van hem af en geeft het aan hem die de tien ponden heeft.25<En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft [al] tien ponden.>26Ik zeg u, dat aan ieder die heeft, zal worden gegeven; van hem echter die niet heeft, zal ook wat hij heeft worden afgenomen.27Die vijanden van mij evenwel, die niet wilden dat ik over hen regeerde, brengt ze hier en slacht ze in mijn bijzijn af.) en van de talenten (Mt 25:14-3014Want [het is] als een mens die buitenslands ging en zijn eigen slaven riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde.15En de een gaf hij vijf talenten, de ander twee, de derde één, ieder naar zijn eigen bekwaamheid; en hij ging terstond buitenslands.16Hij nu die de vijf talenten had ontvangen, ging heen en handelde daarmee en won er vijf andere bij.17Evenzo won <ook> die met de twee er twee bij.18Degene echter die het ene had ontvangen, ging weg en groef in [de] grond en verborg het geld van zijn heer.19Na lange tijd nu kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen.20En hij die de vijf talenten had ontvangen, kwam bij hem en bracht vijf andere talenten en zei: Heer, vijf talenten hebt u mij toevertrouwd, zie, vijf andere talenten heb ik [daarbij] gewonnen.21Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.22Degene <nu> met de twee talenten kwam ook bij hem en zei: Heer, twee talenten hebt u mij toevertrouwd, zie, twee andere talenten heb ik [daarbij] gewonnen.23Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.24Hij nu die het ene talent had ontvangen, kwam ook bij hem en zei: Heer, ik wist van u dat u een hard mens bent, die maait waar u niet hebt gezaaid en inzamelt vanwaar u niet hebt uitgestrooid;25en ik was bang en ben weggegaan en heb uw talent verborgen in de grond; zie, hier hebt u het uwe.26Zijn heer antwoordde echter en zei tot hem: Boze en luie slaaf! Je wist dat ik maai waar ik niet heb gezaaid, en inzamel vanwaar ik niet heb uitgestrooid?27Dan had je mijn geld bij de bankiers moeten brengen, en ik zou bij mijn komst het mijne met rente hebben teruggekregen.28Neemt dan het talent van hem af en geeft het aan hem die de tien talenten heeft.29Want aan ieder die heeft, zal worden gegeven en hij zal overvloedig hebben; van hem echter die niet heeft, ook wat hij heeft zal van hem worden genomen.30En werpt de nutteloze slaaf uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.) gaat het om handelen met wat de Heer ons heeft toevertrouwd tijdens Zijn afwezigheid op aarde. Bij Zijn terugkeer zal Hij ons vragen wat we ermee hebben gedaan. Heeft ons leven winst voor Hem opgeleverd?

De Schaapspoort

Na de wandeling langs de muur rond de stad zijn we weer terug bij de Schaapspoort, waar we in vers 11Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren. zijn begonnen. De Schaapspoort herinnert aan de Heer Jezus als de deur van de schapen en hij herinnert aan Hem als de goede Herder, Die Zijn leven heeft gegeven voor Zijn schapen (Jh 10:1111Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;). Tot in eeuwigheid zal Hij zo voor onze aandacht staan. Tot in eeuwigheid zullen we Hem daarvoor aanbidden.


Lees verder