Nehemia
Inleiding 1-3 Afzondering op grond van het Woord 4-9 Een vijand verwijderd uit Gods huis 10-13 De Levieten vergeten 14 Gebed van Nehemia 15-22a De heiliging van de sabbat hersteld 22b Gebed van Nehemia 23-28 Het kwaad van gemengde huwelijken 29 Gebed van Nehemia 30-31 Reiniging en herstel
Inleiding

Nehemia 12 zou een mooi slot van het boek zijn geweest. Het zou echter geen juist en geen eerlijk slot zijn geweest. In het voor ons liggende hoofdstuk wordt duidelijk dat op aarde de volmaaktheid niet wordt bereikt. Ondanks de wijding van de muur met de goede dingen die daarbij bij het volk aanwezig zijn, is lang niet alles goed. In dit hoofdstuk leren we dat uitoefening van tucht nodig is om de heiligheid van de stad te bewaren. Nehemia oefent persoonlijk tucht uit. Dat kan nu niet. Uitoefening van tucht is de verantwoordelijkheid van de hele plaatselijke gemeente (Mt 18:15-2015Als nu uw broeder <tegen u> zondigt, ga heen, overtuig hem tussen u en hem alleen;16als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Als hij echter niet luistert, neem nog één of twee met u mee, opdat door [de] mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.17Als hij echter hun geen gehoor geeft, zeg het aan de gemeente; als hij echter ook de gemeente geen gehoor geeft, laat hij voor u zijn als de heiden en de tollenaar.18Voorwaar, Ik zeg u: alles wat u zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in [de] hemel; en alles wat u zult ontbinden op de aarde, zal in [de] hemel ontbonden zijn.19<Voorwaar,> Ik zeg u tevens, dat als twee van u overeenstemmen op de aarde over enige zaak die zij maar zouden vragen, het hun ten deel zal vallen van Mijn Vader Die in [de] hemelen is.20Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).

We zien hier een groot contrast tussen de prijzenswaardige ijver van Nehemia in het ontdekken van en handelen met verschillende vormen van afwijking, en de voortdurende neiging van het volk om af te wijken van de gehoorzaamheid aan God. In zekere zin is deze tweede opgave die hij voor zich heeft, zwaarder dan de eerste, de herbouw van de muur. Hier gaat het om morele afwijkingen, om innerlijke ontrouw.

Een afwijking kent twee karakters. Aan de ene kant is er de waarheid van de afzondering die eenzijdig wordt gehandhaafd. Dan is de positie alles, terwijl de toestand wordt verwaarloosd. Het resultaat is farizeïsme: leerstellig op hoofdpunten juist, maar in de praktijk koud, strak en harteloos. We vinden daar een roemen in de afzondering, maar tevens een loochening van de belangrijkere zaken van ware Godsvrucht en Goddelijke weldadigheid.

Aan de andere kant is er een overgevoeligheid voor alles wat naar zuiverheid riekt. Elke opmerking over reinheid wordt versterkt ontvangen. De reactie van de massa van het volk daarop is onverschilligheid en zorgeloosheid. Dan is het gevolg dat er ruimte komt voor afgoderij en wordt het volk even goddeloos als hun vaderen die daarom zijn weggevoerd.

Dit hoofdstuk bevat de waarschuwing om conditie nooit los te maken van positie, om de Godsvrucht nooit los te maken van genade tegenover mensen in nood.


Afzondering op grond van het Woord

1Op die dag werd er voorgelezen uit het boek van Mozes voor de oren van het volk. Daarin werd voorgeschreven bevonden dat een Ammoniet of een Moabiet tot in eeuwigheid niet in de gemeente van God mocht komen, 2omdat zij de Israëlieten niet met brood en water tegemoetgekomen waren, en men Bileam tegen hen had ingehuurd om hen te vervloeken; onze God had de vloek echter veranderd in zegen. 3Het gebeurde, toen zij de wet hoorden, dat zij alle mensen van allerlei herkomst afzonderden van Israël.

De Israëlieten keren terug tot de eerste beginselen. Wat ze al meerdere malen in Deuteronomium 23 gelezen hebben aangaande de Ammoniet en Moabiet, passen ze nu toe (Dt 23:3-43Een Ammoniet of Moabiet mag niet in de gemeente van de HEERE komen; zelfs hun [nakomelingen van de] tiende generatie mogen tot in eeuwigheid niet in de gemeente van de HEERE komen,4vanwege het feit dat zij u onderweg niet met brood en water tegemoetgekomen zijn toen u uit Egypte wegtrok; en omdat hij Bileam, de zoon van Beor, uit Pethor in Mesopotamië, tegen u ingehuurd heeft om u te vervloeken.). Niet alleen het Woord is nodig, ook de Geest is nodig om het Woord levend voor ons te maken. Gemengde beginselen worden afgewezen. De vermenging is niet die met de wereld, de ongelovigen, maar met verwanten, zij die een verbinding met Gods volk claimen, maar er niet toe behoren.

Bij God verjaart de smaad niet die Zijn volk is aangedaan. De tijd heeft niets veranderd aan de zonde en het karakter van die volken. De houding van deze volken tegenover Gods volk is tweeërlei. Ze doen iets niet en ze doen iets wel. Ze geven geen brood en water, maar doen al het mogelijke om een vloek over Gods volk te brengen. Zo wordt er gehandeld door de christelijke wereld, door hen die belijden Gods volk te zijn, maar geen leven uit God hebben. Ze geven het volk van God geen voedsel en verkwikking. In plaats daarvan zullen ze trachten een vloek over Gods volk te brengen.

Zodra het volk de wet gehoord heeft, handelen zij ernaar. Er is directe gehoorzaamheid. Dat ontbreekt vandaag veelal. Als God iets duidelijk zegt, begint de mens te redeneren. De mens moet eerst de redelijkheid van iets inzien, wil hij gehoorzamen. Zo werkt dat hier niet bij Israël en zo werkt het ook niet bij ieder die voor Gods Woord beeft. Er zijn er ook die het Woord lezen, maar dan reageren als de Romeinse stadhouder Felix die tegen Paulus zegt: “Ga nu maar weg; als ik echter weer gelegenheid heb, zal ik u bij mij roepen” (Hd 24:2525Toen hij echter sprak over rechtvaardigheid, zelfbeheersing en het toekomstige oordeel, werd Felix bang en antwoordde: Ga nu maar weg; als ik echter weer gelegenheid heb, zal ik u bij mij roepen,). Dat zijn van die besluiteloze mensen. Even zijn ze onder de indruk, maar een beslissing nemen ze niet.

Het is een list van de vijand om Gods volk zich te laten vermengen met hen die geen leven uit God hebben. Hierdoor wordt de kracht van het volk weggenomen. Wie niet tot Gods volk behoren, maar er toch in opgenomen worden, brengen een denk- en handelwijze mee die tegengesteld is aan Gods wil. Dat beïnvloedt het volk van God in negatieve zin. Dan moet er ruimer worden gedacht en optreden tegen het kwaad is niet aan de orde. Waar deze elementen zich voordoen, moet er krachtig tegen worden opgetreden. Dat gebeurt hier.


Een vijand verwijderd uit Gods huis

4Hiervóór had Eljasib, de priester die aangesteld was over de kamers van het huis van onze God, [en] die verwant was aan Tobia, 5een grote kamer voor hem gemaakt; daar brachten zij vroeger steeds het graanoffer, de wierook, de voorwerpen, de tienden van het graan, van de nieuwe wijn en de olie – [overeenkomstig] het gebod voor de Levieten, de zangers en de poortwachters – en het hefoffer voor de priesters. 6Toen dit alles [plaatsvond] was ik niet in Jeruzalem, want in het tweeëndertigste jaar van Arthahsasta, de koning van Babel, [moest] ik bij de koning [terug]komen, maar na verloop van dagen kreeg ik [weer] verlof van de koning. 7Toen ik in Jeruzalem aankwam, kreeg ik inzicht in het kwaad dat Eljasib ten behoeve van Tobia gedaan had, door een kamer voor hem te maken in de voorhoven van het huis van God. 8Dit was volstrekt kwalijk in mijn [ogen]; daarom wierp ik al het huisraad van Tobia uit de kamer naar buiten. 9Ik zei dat ze de kamers moesten reinigen, en ik liet de voorwerpen van het huis van God daar terugbrengen, met het graanoffer en de wierook.

Een volgend kwaad wordt ontdekt, ditmaal pas als Nehemia weer terug is in Jeruzalem. Hij is namelijk na de inwijding van de tempel teruggegaan naar het hof van de koning van Perzië en zal daar zijn oude beroep van schenker weer hebben uitgeoefend. Als hij dit enige tijd heeft gedaan, vraagt hij opnieuw toestemming om naar Jeruzalem te mogen gaan. De toestanden die hij dan aantreft, brengen hem tot een kordaat optreden tegen de heersende misstanden van verschillende aard.

Hij treedt overigens pas op als het kwaad is komen vast te staan. Zijn optreden lijkt hard. Het optreden van Nehemia is echter niet hard; de zonde is hard en bitter. Het harde optreden van Nehemia is als het harde optreden van Paulus tegen valse broeders, omdat zij de waarheid van het evangelie ondermijnden en tegen Petrus, omdat hij en Barnabas niet recht wandelden naar de waarheid van het evangelie (Gl 2:4-5,11-144en [dat] vanwege de binnengeslopen valse broeders, die zich hadden binnengedrongen om onze vrijheid te bespieden die wij in Christus Jezus hebben, met het doel ons tot slavernij te brengen.5Voor hen zijn wij ook geen uur geweken door ons te onderwerpen, opdat de waarheid van het evangelie bij u blijft.11Maar toen Kefas in Antiochië kwam, weerstond ik hem in zijn gezicht, omdat hij te veroordelen was.12Want voordat er enigen van Jakobus kwamen, at hij met [die uit] de volken; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en zonderde zich af uit vrees voor die uit [de] besnijdenis;13en met hem huichelden <ook> de overige Joden, zodat zelfs Barnabas door hun huichelarij werd meegesleept.14Maar toen ik zag dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het evangelie, zei ik tot Kefas in het bijzijn van allen: Als u, die een Jood bent, leeft als de volken en niet als de Joden, waarom dwingt u de volken naar Joodse wijze te leven?).

Het eerste kwaad dat hij opmerkt, betreft een man die vanwege zijn hoge positie aanzien onder het volk geniet. Het gaat om de hogepriester Eljasib (vers 44Hiervóór had Eljasib, de priester die aangesteld was over de kamers van het huis van onze God, [en] die verwant was aan Tobia,; vers 2828[Een] van de zonen van Jojada, de zoon van Eljasib, de hogepriester, was een schoonzoon van Sanballat, de Horoniet. Daarom joeg ik hem bij mij weg.; Ne 3:11Toen stonden Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, op en herbouwden de Schaapspoort. Zij heiligden die en plaatsten de deuren ervan. Tot aan de Honderdtoren heiligden ze hem, tot aan de Hananeëltoren.). Een officiële status onder het volk van God is echter geen garantie om niet af te dwalen. Eljasib presteert het om Gods huis te verontreinigen door er plaats te bieden aan een vijand van Gods volk, de Ammoniet Tobia. Hij heeft een groot vertrek voor de grote tegenstander van Gods werk ingericht. Dit doet ruimhartig aan, terwijl het optreden van Nehemia als enghartig aangemerkt zou kunnen worden. Maar bij Eljasib zien we de ruimhartigheid van het vlees, terwijl wat Nehemia doet, geheel in overeenstemming met de gedachten van God is.

Het vertrek waar Tobia intrek heeft genomen, is een vertrek waar eerder van alles opgeslagen heeft gelegen wat van belang is voor de dienst in het huis van God. Eerder heeft het volk zich nog verplicht ervoor te zorgen dat het daaraan niet zal ontbreken (Ne 10:32-3932Wij leggen onszelf de geboden op dat wij een derde sikkel per jaar zullen geven voor de dienst van het huis van onze God;33voor het uitgestalde brood en het voortdurende graanoffer, voor het voortdurende brandoffer, de sabbatten, de nieuwe maanden, voor de feestdagen, voor de geheiligde [gaven], voor de zondoffers om verzoening te doen voor Israël, en [voor] heel de dienst van het huis van onze God.34Wij, de priesters, de Levieten en het volk, hebben het lot geworpen over het offer van het hout, om [dat] naar het huis van onze God te brengen, [ingedeeld] naar onze families, op vastgestelde tijden, jaar op jaar, om [dat] te verbranden op het altaar van de HEERE onze God, overeenkomstig wat in de wet beschreven staat.35[Wij nemen de verplichting op ons] om de eerstelingen van onze grond en de eerstelingen van elke vrucht van elke boom jaar op jaar naar het huis van de HEERE te brengen,36en de eerstgeborenen van onze zonen en van onze dieren, overeenkomstig wat beschreven staat in de wet; en om de eerstgeborenen van onze runderen en van ons kleinvee naar het huis van onze God te brengen, naar de priesters die dienst doen in het huis van onze God.37En de eerstelingen van ons deeg, onze hefoffers, de vrucht van elke boom, nieuwe wijn en olie zullen wij brengen naar de priesters, naar de [voorraad]kamers van het huis van onze God. De tienden van onze grond [brengen wij] naar de Levieten; de Levieten krijgen de tienden in alle steden waar wij werken.38Ook zal er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zijn, als de Levieten de tienden ontvangen. En de Levieten zullen een tiende van de tienden naar het huis van onze God brengen, naar de kamers van het voorraadhuis,39want de Israëlieten en de Levieten moeten het hefoffer van graan, nieuwe wijn en olie naar de [voorraad]kamers brengen; daar zijn immers de voorwerpen van het heiligdom, de priesters die dienst doen, de poortwachters en de zangers. Wij zullen het huis van onze God niet verwaarlozen.). Ze hebben plechtig verklaard het huis van hun God niet aan zijn lot over te laten.

We zijn nu twaalf jaar later. Het vertrek is leeg wat betreft de middelen waardoor de dienst in Gods huis voortgang kan vinden. In plaats daarvan heeft de vijand deze ruimte aangeboden gekregen om er te wonen. Als ons leven niet gevuld is met dienst aan God, zal de duivel ons leven gebruiken om zijn doel te dienen. Ons leven zal dan bijdragen aan de afbraak van de dienst aan God.

Nehemia is er de man niet naar om het kwaad te omzeilen en te doen alsof hij het niet ziet. Als hij ziet wat er is gebeurd, gaat hij niet vriendelijk aan Eljasib vragen of die ervoor wil zorgen dat Tobia uit de tempel wordt verwijderd. Hij wordt toornig en pakt alle spullen van Tobia en werpt die uit de tempel. Dit is een toorn die terecht komt over de zonde die ongestraft in Gods huis plaatsvindt. Iedere Godvrezende komt tegen zulke brutaliteit in opstand. Het gedrag van Eljasib is zo strijdig met Gods heiligheid, dat elke traagheid om hiertegen op te treden, als zonde moet worden aangemerkt.

Het is niet de aanwezigheid van het kwaad waardoor het karakter van de tafel van de Heer teniet wordt gedaan, maar de weigering om het te oordelen. Het vreselijkste kwaad is geen reden om weg te blijven van de tafel van de Heer. Het roept de verplichting op alles te doen om het kwaad te verwijderen. Het is in de gemeente niet een zaak die door één persoon behandeld kan worden. God wil dat de gemeente als geheel handelt. Als Paulus heeft gehoord van het vreselijke kwaad dat in de gemeente in Korinthe wordt gevonden (1Ko 5:11Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft.), schrijft hij niet dat zij nu geen gemeente van God meer zijn, maar dat zij het kwaad moeten wegdoen.

Tobia, de man van wie Nehemia heeft gezegd dat hij part noch deel heeft aan Jeruzalem (Ne 2:2020Toen gaf ik hun antwoord en zei tegen hen: De God van de hemel, Hij zal ons doen slagen en wij, Zijn dienaren, zullen opstaan en gaan bouwen. Maar u hebt geen deel, geen recht, en geen herinnering in Jeruzalem.), heeft nota bene een kamer in het huis van God gekregen tijdens zijn afwezigheid. Dit is alleen mogelijk geweest door onoplettendheid van de poortwachters.

Welke ‘Tobia’ hebben wij ruimte in ons hart gegeven, omdat ‘Nehemia’ in ons een tijd afwezig is geweest? Wie of wat staat centraal in ons leven, als het niet (meer) de Heer Jezus en Zijn belangen zijn? Welke huisraad van Tobia is de tempel van ons leven binnengekomen en heeft de Heilige Geest eruit verdreven wat Zijn werkzaamheid betreft? Heel wat christenen veroorloven machten invloed uit te oefenen in hun leven die alleen de Heilige Geest zou moeten hebben.

We moeten Tobia en al zijn huisraad er zonder pardon uitgooien. Wat staat er in onze boekenkast, welke tijdschriften lezen we, naar welke films kijken we, wat zoeken we op het wereldwijde web op, naar welke muziek luisteren we? Moeten we iets uit onze collectie gooien? Welke plaats neemt de klerenkast in ons denken in? Er moet ruimte komen voor God en de dienst aan Hem!

Nehemia is totaal niet onder de indruk van de hoge plaats van Eljasib. Het vereist juist een des te doortastender optreden en een openbare bestraffing (vgl. Gl 2:11-1411Maar toen Kefas in Antiochië kwam, weerstond ik hem in zijn gezicht, omdat hij te veroordelen was.12Want voordat er enigen van Jakobus kwamen, at hij met [die uit] de volken; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en zonderde zich af uit vrees voor die uit [de] besnijdenis;13en met hem huichelden <ook> de overige Joden, zodat zelfs Barnabas door hun huichelarij werd meegesleept.14Maar toen ik zag dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het evangelie, zei ik tot Kefas in het bijzijn van allen: Als u, die een Jood bent, leeft als de volken en niet als de Joden, waarom dwingt u de volken naar Joodse wijze te leven?; 1Tm 5:2020Stel hen die zondigen in tegenwoordigheid van allen aan de kaak, opdat ook de overigen vrees hebben.). Hij verontschuldigt zich ook niet. Hij handelt op een wijze die we later zien bij de Heer Jezus als Hij de tempel reinigt (Jh 2:14-1614En Hij vond in de tempel hen die runderen, schapen en duiven verkochten, en de wisselaars die [daar] zaten.15En Hij maakte een zweep van touwen en dreef allen uit de tempel, ook de schapen en de runderen; en het geld van de wisselaars stortte Hij uit en de tafels keerde Hij om;16en tot hen die de duiven verkochten zei Hij: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.).

De vertrekken zijn verontreinigd door de bewoning van Tobia. Ze moeten daarom eerst gereinigd worden, voordat er weer iets in kan worden gebracht wat tot Gods eer is. Als wij dingen hebben toegelaten in ons leven of in de gemeente, dan is het niet voldoende dat te verwijderen. Het verwijderen moet gebeuren onder belijdenis dat het door onze onoplettendheid mogelijk is geworden. We zullen ons opnieuw aan de Heer moeten toewijden, in het besef dat in ons geen garantie is dat het niet weer zal gebeuren.


De Levieten vergeten

10Verder kwam ik te weten dat de delen voor de Levieten niet werden gegeven, en dat de Levieten en de zangers, die het werk verrichtten, waren gevlucht, ieder naar zijn [eigen] veld. 11Ik riep de machthebbers ter verantwoording en zei: Waarom is het huis van God verlaten? Ik bracht hen bij elkaar en ik deed hen hun plaats [weer] innemen. 12Toen bracht heel Juda de tienden van het graan, de nieuwe wijn en de olie [weer] naar de voorraad[kamers]. 13En ik gaf Selemja, de priester, en Zadok, de schrijver, en van de Levieten Pedaja, de leiding over de voorraad[kamers], en naast hen Hanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Mattanja, want zij werden betrouwbaar geacht, en het was aan hen om [alles] onder hun broeders te verdelen.

Het kwaad van een vijand in Gods huis staat niet op zichzelf. Nehemia verneemt dat Tobia er een kamer heeft kunnen krijgen omdat die leeg is. Dat is het gevolg van het verzuim van het volk om daarheen te brengen wat tot onderhoud van de Levieten dient. En als de vijand er een keer woont, komt er ook niet meer in wat daar oorspronkelijk in thuishoort. Waar de vijand wordt toegelaten in Gods huis, worden de dienaren van God veronachtzaamd.

Nehemia constateert dat de Levieten niet meer voor Gods huis zorgen. Omdat ze niet meer worden onderhouden, voelen ze zich gedwongen zelf voor hun onderhoud te gaan werken. Dit gaat ten koste van het werk van God. De werkers krijgen dan niet meer de bijdragen die zij nodig hebben om hun dienst te kunnen uitoefenen. Als andere belangen een rol gaan spelen, wordt niet meer aan deze instelling van God gedacht. De Korinthiërs moeten ook aan deze zaak herinnerd worden (2Ko 8:1111Maar voltooit nu ook het doen, opdat, zoals de bereidheid tot het willen er was, zo ook het voltooien mag zijn naar wat u hebt.).

Nehemia spreekt de leiders van het volk daarop aan met een indringende vraag. Het karakter en de toewijding van leiders wordt vaak weerspiegeld in de houding en handelwijze van het volk. Dat geeft leiders een grote verantwoordelijkheid. Zonder, zo lijkt het tenminste, op antwoord te wachten neemt hij maatregelen. Hij brengt de Levieten bij elkaar en herinnert hen aan de hun opgedragen taak. Ze moeten hun dienst in het huis van God weer oppakken.

De vraag van vers 1111Ik riep de machthebbers ter verantwoording en zei: Waarom is het huis van God verlaten? Ik bracht hen bij elkaar en ik deed hen hun plaats [weer] innemen. hangt samen met in Nehemia 10 is beloofd (Ne 10:3939want de Israëlieten en de Levieten moeten het hefoffer van graan, nieuwe wijn en olie naar de [voorraad]kamers brengen; daar zijn immers de voorwerpen van het heiligdom, de priesters die dienst doen, de poortwachters en de zangers. Wij zullen het huis van onze God niet verwaarlozen.). Wat daar beloofd is, wordt niet gedaan. Alleen de Heer Jezus heeft het huis van God nooit vergeten of aan zijn lot overgelaten. De ijver ervoor heeft Hem verteerd (Jh 2:1717Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: ’De ijver voor Uw huis zal Mij verteren’.). Liefde voor Hem zal ook liefde voor Gods huis betekenen. Liefde voor Gods huis is een graadmeter van onze liefde voor God.

Alles wat niet in Gods huis thuishoort, heeft Nehemia eruit gegooid. Zo wordt plaatsgemaakt voor de terugkeer van de Levieten en de dingen die er wel in thuishoren. Hij zorgt ervoor dat weer in het onderhoud van de Levieten wordt voorzien en zij hun taak met betrekking tot het huis van God weer kunnen verrichten. Nehemia zorgt er ook voor dat alleen betrouwbare mannen de taak van de verdeling uitvoeren (vgl. 2Ko 8:18-2118En wij hebben ook de broeder met hem meegezonden, wiens lof in het evangelie in al de gemeenten [verbreid] is;19en [dit] niet alleen, maar hij is ook door de gemeenten gekozen als onze reisgenoot met deze genade, die door ons bediend wordt tot heerlijkheid van de Heer <Zelf> en [als bewijs] van onze bereidheid,20zodat wij dit voorkomen, dat iemand ons verdacht maakt bij deze overvloed die door ons bediend wordt;21want wij behartigen wat eerlijk is, niet alleen voor [de] Heer, maar ook voor [de] mensen.).

Betrouwbaar zijn is een van de waardevolste kenmerken van een gelovige. Het is een kenmerk dat iedere gelovige kan sieren en waarnaar hij zich kan uitstrekken. Betrouwbaar zijn betekent niet feilloos zijn, maar bedacht zijn op wat eerlijk en rechtvaardig is in alles wat we doen. De gelovige wordt niet beoordeeld naar de grootte van zijn gave of de geleverde krachtsinspanningen, maar of hij trouw heeft gedaan wat de Heer hem heeft opgedragen (1Ko 4:22Verder wordt hier van de rentmeesters vereist, dat men trouw wordt bevonden.). Zeker als het om geld gaat, moet iemand onkreukbaar betrouwbaar, trouw, zijn.


Gebed van Nehemia

14Denk hierom aan mij, mijn God, wis mijn blijken van goedertierenheid niet uit, die ik aan het huis van mijn God en aan de [ere]dienst daarin, heb bewezen.

Nehemia richt zich tot God omdat alleen Hij volmaakt weet te waarderen en te belonen wat hij heeft gedaan voor Zijn huis. Hij vraagt niet om loon. Hij weet zich een slaaf die slechts gedaan heeft wat hij behoort te doen (Lk 17:1010Zo ook u, wanneer u alles hebt gedaan wat u is bevolen, zegt dan: Wij zijn nutteloze slaven; wat wij behoorden te doen, hebben wij gedaan.). Maar hij weet ook dat God niet onrechtvaardig is om te vergeten wat voor Hem is gedaan (Hb 6:1010Want God is niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten en de liefde die u betoond hebt voor Zijn Naam, doordat u de heiligen gediend hebt en dient.).

Het gaat er Nehemia alleen om dat hij zijn werk aan God ter beoordeling voorlegt en dat hij kan zeggen dat hij uit liefde voor Gods huis bezig is geweest. Daarom kan hij Hem vragen zijn werk niet uit te wissen. Hij weet dat hij in overeenstemming met God bezig is geweest. Toch beroemt hij zich daar niet op, maar vraagt ootmoedig of God, wat hij voor Hem heeft gedaan, als zodanig wil bewaren.

Zo mogen ook wij onze werken bij de Heer aanbevelen en Hem vragen de werken van onze handen te bevestigen (Ps 90:1717De lieflijkheid van de Heere, onze God, zij over ons;
bevestig het werk van onze handen over ons,
ja, het werk van onze handen, bevestig dat.
)
. Als we niet in oprechtheid naar Hem toe kunnen gaan met alles wat we hebben gedaan, zijn we niet voor Hem bezig geweest. We moeten dat dan belijden en kunnen opnieuw en dan met en voor Hem aan het werk gaan.


De heiliging van de sabbat hersteld

15In die dagen zag ik in Juda [mensen] die op de sabbat de wijnpersen aan het treden waren en die hopen [graan] brachten en [die] op ezels laadden, en ook wijn, druiven en vijgen en allerlei [andere] lasten. Zij brachten die naar Jeruzalem op de sabbatdag. Op de dag dat zij dat voedsel gingen verkopen, waarschuwde ik [hen]. 16Ook woonden er Tyriërs, die vis aanvoerden en allerlei koopwaar, die zij op de sabbat aan de Judeeërs en in Jeruzalem verkochten. 17Toen riep ik de edelen van Juda ter verantwoording en zei tegen hen: Wat is dit voor een wandaad die u verricht, waardoor u de sabbatdag ontheiligt? 18Deden uw vaderen niet evenzo? En [vervolgens] bracht onze God al dit kwaad over ons en over deze stad. En u voegt nog [eens] toe aan de brandende [toorn] over Israël door de sabbat te ontheiligen! 19Het gebeurde, toen de poorten van Jeruzalem hun schaduwen afwierpen, vóór de sabbat, dat ik zei dat de deuren gesloten moesten worden, en ik zei dat zij ze niet mochten openen tot na de sabbat. Ik plaatste [een aantal] van mijn knechten bij de poorten, [zodat er] geen last zou binnenkomen op de sabbatdag. 20Toen overnachtten de handelaars en de verkopers van allerlei koopwaar buiten Jeruzalem, een keer of twee. 21Ik waarschuwde hen en zei tegen hen: Waarom overnacht u bij de muur? Als u dat nog eens doet, zal ik de hand aan u slaan! Vanaf die tijd kwamen ze niet meer op de sabbat. 22a Ik zei tegen de Levieten dat ze zich moesten reinigen en dat ze de poorten zouden komen bewaken om de sabbatdag te heiligen.

Als het huis van God wordt veronachtzaamd, wordt de sabbat verwereldlijkt. In plaats van aan de HEERE gewijd, wordt hij gebruikt voor het voldoen aan eigen genoegens en zo tot een gewone dag gedegradeerd. Het volk is vergeten wat het in Nehemia 10 heeft beloofd (Ne 10:3131Als de volken van het land op de sabbatdag [hun] waren en allerlei [soorten] graan zullen brengen om te verkopen, dan zullen wij dat niet op de sabbat of op een [andere] heilige dag van hen aannemen. Wij zullen het zevende jaar [het land] braak laten liggen, en [afzien van] allerhande rente.).

Terwijl Nehemia bezig is alles weer in orde te maken voor de dienst in het huis van God, ziet hij hoe de sabbat wordt ontheiligd. Hij waarschuwt de handelaars. Vervolgens stapt hij op de edelen af en onderhoudt hen over deze kwalijke praktijken. Er is niets tegen handel, als er maar niet op de sabbat wordt gehandeld. Hij wijst erop dat juist hierom God rampspoed over het volk heeft gebracht (Jr 17:21-2721Zo zegt de HEERE: Wacht u er omwille van uw leven voor om op de sabbatdag een last te dragen en [die] door de poorten van Jeruzalem binnen te brengen.22Ook mag u op de sabbatdag geen last uit uw huizen naar buiten brengen en geen enkel werk mag u doen. U moet de sabbatdag heiligen, zoals Ik uw vaderen geboden heb.23Zij hebben echter niet geluisterd en hun oor niet geneigd, maar zij waren halsstarrig door niet te luisteren en geen vermaning te aanvaarden.24Het zal echter gebeuren, als u daadwerkelijk naar Mij zult luisteren, spreekt de HEERE, door op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad naar binnen te brengen, en door de sabbatdag te heiligen [en] daarop geen enkel werk te doen,25dat dan koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, door de poorten van deze stad naar binnen zullen komen, rijdend op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Dan zal deze stad voor eeuwig bewoond blijven.26Zij zullen uit de steden van Juda komen, en uit de omstreken van Jeruzalem, uit het land van Benjamin, uit het Laagland, uit het Bergland en uit het Zuiderland, terwijl zij brandoffers, slachtoffers, graanoffers en wierook brengen, en terwijl zij lofoffers zullen brengen [in] het huis van de HEERE.27Maar als u niet naar Mij luistert door de sabbatdag te heiligen en door daarop geen last te dragen als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem binnenkomt, dan zal Ik een vuur aansteken in zijn poorten; dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren, en het zal niet geblust worden.). Dan neemt hij maatregelen om dit boze werk te laten ophouden door zijn knechten bij de poorten te laten posten.

Als hij ziet dat er handelaars zijn die de sabbat dan maar net buiten Jeruzalem doorbrengen om binnen te komen zodra de poorten opengaan, treedt hij ook daartegen op. Hij weet wat voor invloed het heeft als het kwaad dat verwijderd is, zich toch in de buurt ophoudt. De handelaren zouden de Joden dan wel niet tot overtreding van het sabbatsgebod kunnen brengen, de Joden zouden er wel de hele tijd aan herinnerd worden. Hun gedachten zouden gevuld worden met de zaken die ze morgen zouden kunnen doen, met de winst die hun toelacht. God zou uit hun gedachten verdreven worden. Om dit kwaad het hoofd te bieden laat hij naast zijn knechten ook nog eens Levieten de poorten bewaken.

Voordat de Levieten de poorten gaan bewaken, moeten zij zich eerst reinigen. Om de poorten te kunnen bewaken mag er niets bij hen aanwezig zijn dat hen zou belemmeren hun taak goed te verrichten. Zo kunnen ook wij alleen dreigend kwaad op afstand houden, als we uit ons leven hebben verwijderd wat een aanknopingspunt kan geven aan het kwaad dat we moeten tegenhouden.

Het sabbatsgebod is een gebod dat als geen ander gebod iedere Israëliet om eenvoudige gehoorzaamheid vraagt. Van elk ander gebod kan na overdenking de redelijkheid worden ingezien omdat het de verhouding regelt tussen God en mensen en mensen onderling. Het sabbatsgebod is gegeven omdat God wil dat de sabbat wordt gehouden. Zeker heeft hij daarmee het welzijn van de mens op het oog. Maar de gevallen mens vindt juist het sabbatsgebod iets lastigs. De sabbat is de duidelijkste test van gehoorzaamheid voor de mens onder de wet.

De christen leeft “niet onder [de] wet, maar onder [de] genade” (Rm 6:14b14Want [de] zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder [de] wet, maar onder [de] genade.). Daarom staat hij ook niet onder het sabbatsgebod. Hij staat in de vrijheid van Christus in de hemel. Iedere christen die dat echt begrijpt, zal er niet op los leven. Zijn leven is onderworpen aan Christus. De norm van zijn leven is niet de wet, maar Christus. Hij heeft belangstelling voor alles waar Christus belangstelling voor heeft. De belangstelling van Christus gaat bijzonder uit naar het huis van God, de gemeente.

Voor de gemeente is niet de sabbat, maar de zondag de speciale dag van de week. Dat wil niet zeggen dat wat in Israël voor de sabbat geldt, in het christendom voor de zondag geldt. Het gaat om een dag die op een speciale manier van de Heer is. Een opmerkelijke verbinding in het woordgebruik in twee bijbelteksten geeft dit duidelijk aan. We lezen namelijk van “’s Heren avondmaal” of “het avondmaal van de Heer” (1Ko 11:2020Wanneer u nu op één plaats samenkomt, is dat niet ‘s Heren avondmaal eten;) en van “de dag van de Heer” (Op 1:1010Ik kwam in [de] Geest op de dag van de Heer, en ik hoorde achter mij een luide stem als van een bazuin,). Ik citeer de voetnoot die de TELOS-vertaling bij Openbaring 1:10 plaatst: ‘In het Gr. staat hier een bijv. naamw. van ‘Heer’ afgeleid (dus anders dan bijv. in 1Th 5:22Want u weet zelf nauwkeurig dat [de] dag van [de] Heer komt als een dief in [de] nacht.), in de zin van toebehorend aan de Heer. Het woord komt verder alleen nog voor in 1Ko 11:2020Wanneer u nu op één plaats samenkomt, is dat niet ‘s Heren avondmaal eten;.’

Uit deze twee Schriftplaatsen blijkt hoezeer het avondmaal van – dus in de zin van toebehorend aan – de Heer, dat gevierd wordt door de gemeente, verbonden is aan de dag van – dus in de zin van toebehorend aan – de Heer. Het kan geen twijfel lijden dat de dag van de Heer geen andere is dan de eerste dag van de week, de zondag. Er zijn meerdere aanwijzingen in de Schrift dat de eerste dag van de week de dag bij uitstek is, waarop de gemeente samenkomt (Mk 16:2,62En zeer vroeg op de eerste [dag] van de week kwamen zij bij het graf, toen de zon opging.6Hij zei echter tot hen: Weest niet ontsteld. U zoekt Jezus de Nazaréner, de Gekruisigde; Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie, de plaats waar zij Hem hebben gelegd.; Lk 24:13,33-4913En zie, twee van hen waren op diezelfde dag op reis naar een dorp dat zestig stadiën van Jeruzalem verwijderd was, genaamd Emmaüs,33En zij stonden op datzelfde ogenblik op en keerden terug naar Jeruzalem, en zij vonden de elf en hen die bij hen waren, samenvergaderd, die zeiden:34De Heer is werkelijk opgewekt en is aan Simon verschenen.35En zij verhaalden wat er onderweg [gebeurd] was en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken van het brood.36Terwijl zij nu hierover spraken, stond Hijzelf in hun midden en zei tot hen: Vrede zij u.37Zij werden echter angstig en erg bang en meenden een geest te zien.38En Hij zei tot hen: Waarom bent u ontsteld en waarom komen er overleggingen in uw hart op?39Ziet Mijn handen en Mijn voeten, dat Ik het Zelf ben; betast Mij en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb.40En toen Hij dit zei, toonde Hij hun Zijn handen en voeten.41Toen zij het nu van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden, zei Hij tot hen: Hebt u hier iets te eten?42Zij nu gaven Hem een stuk van een gebakken vis <en van een honingraat>.43En Hij nam het en at het voor hun ogen.44Hij nu zei tot hen: Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog bij u was, dat alles moest worden vervuld wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en in de profeten en psalmen.45Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden,46en zei tot hen: Zó staat er geschreven dat de Christus moest lijden en uit [de] doden opstaan op de derde dag,47en in Zijn Naam bekering tot vergeving van zonden moest worden gepredikt aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem.48U bent getuigen van deze dingen.49En <zie>, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; u echter, blijft in de stad totdat u wordt bekleed met kracht uit [de] hoogte.; Jh 20:19-2919Toen het dan avond was op die eerste dag van [de] week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus, ging in het midden staan en zei tot hen: Vrede zij u!20En toen Hij dit had gezegd, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan verblijdden zich toen zij de Heer zagen.21<Jezus> dan zei opnieuw tot hen: Vrede zij u! Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend ook Ik u.22En toen Hij dit had gezegd, blies Hij in hen en zei tot hen: Ontvangt [de] Heilige Geest.23Wie u ook de zonden vergeeft, zij zijn hun vergeven; wie u ook [de zonden] houdt, zij zijn [hun] gehouden.24Thomas nu, een van de twaalf, die Didymus heette, was niet bij hen toen Jezus kwam.25De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Heer gezien! Maar hij zei tot hen: Als ik in Zijn handen niet het teken van de nagels zie en mijn vinger steek in het teken van de nagels en mijn hand steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven.26En na acht dagen waren Zijn discipelen weer binnen en Thomas bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, ging in het midden staan en zei: Vrede zij u!27Daarna zei Hij tot Thomas: Breng je vinger hier en zie Mijn handen, en breng je hand en steek die in Mijn zijde, en wees niet ongelovig maar gelovig.28Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God!29Jezus zei tot hem: Omdat je Mij hebt gezien, heb je geloofd? Gelukkig zij die niet gezien en [toch] geloofd hebben.; Hd 2:11En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.; 20:77Toen wij nu op de eerste [dag] van de week vergaderd waren om brood te breken, sprak Paulus, die de volgende dag zou vertrekken, hen toe en rekte zijn rede tot middernacht.). En als het een dag is die speciaal aan de Heer toebehoort, is er alles voor te zeggen dat we die dag ook als zodanig besteden.

In deze besteding geeft de Heer ons alle vrijheid – behalve dat Hij tegen ons zegt dat we “onze eigen bijeenkomst niet verzuimen” (Hb 10:2525en laten wij onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen gewoon zijn, maar [elkaar] vermanen en dat zoveel temeer naarmate u de dag ziet naderen.). Elke gedachte aan het handelen onder druk van een wet is vreemd aan de vrijheid waarin de christen staat. Als echter de belangstelling voor Gods huis vermindert, wordt de dag van de Heer ook steeds meer een dag waarop de eigen genoegens worden bevredigd. We bezoeken misschien nog wel de samenkomst, maar verder hangen we voor de tv, surfen eindeloos op internet, gaan we erop uit, doen we van alles en nog wat, maar zonder ons in te zetten voor de dienst van onze Heer.

Nu is ‘hangen voor de tv’ sowieso niet een activiteit (nou ja, activiteit … ) die een christen siert. Een christen wordt geacht bewust voor de Heer te leven, elke dag van zijn leven. Maar als de Schrift zelf een dag speciaal als ‘Zijn’ dag kenmerkt, is het toch wel een oproep om ons op die dag speciaal in te zetten voor Zijn huis. Op die dag kunnen we ons bijvoorbeeld toch wat meer toeleggen op de gemeenschap met de medegelovigen.

Het is goed een dag te hebben waarop we, voor zover mogelijk, afstand nemen van dingen waarmee we ons, in opdracht van de Heer, op de andere dagen van de week moeten bezighouden. Het is ermee als met het avondmaal van de Heer. We zullen, als het goed is, ons elke dag met Zijn dood bezighouden. Daaraan hebben we immers alles te danken. Maar hoe goed is het een speciale gelegenheid te hebben om aan Zijn dood te denken, die te gedenken, als we met dat doel als gemeente bij elkaar komen.


Gebed van Nehemia

22b Denk ook hierom aan mij, mijn God, en spaar mij overeenkomstig de grootheid van Uw goedertierenheid.

Nadat Nehemia de sabbat weer de juiste plaats onder het volk heeft gegeven, deze dag opnieuw aan God heeft toegewijd, spreekt hij zich weer uit voor God. Dat doet hij elke keer als hij een werk heeft gedaan. Hij vraagt of God hem wil gedenken met betrekking tot wat hij voor de handhaving van de sabbat heeft gedaan. De vorige keer heeft hij dat gevraagd met betrekking tot wat hij voor Gods huis heeft gedaan. Elk werk afzonderlijk plaatst hij voor Gods aangezicht.

Hij vraagt of God Zich over hem wil ontfermen. Na zijn kordate optreden kan er een gevoel van uitputting zijn gekomen. Het kost veel inspanning om Gods volk de juiste weg te wijzen en daarvoor te corrigeren wat verkeerd is. Zolang de inspanning geleverd moet worden, is er kracht. Maar als het werk is gedaan, kun je je heel moe voelen. Dat mogen we tegen de Heer zeggen.

Ook voelen we dat ons optreden, hoe krachtig ook, toch met veel zwakheid gebeurt. Dan mogen we, net als Nehemia, een beroep doen op Gods grote goedertierenheid. Hij weet wie we zijn, Hij kent ons door en door, want Hij heeft ons gemaakt. Dat te bedenken geeft moed om door te gaan. Dat doet Nehemia dan ook.


Het kwaad van gemengde huwelijken

23Ook zag ik in die dagen Joden die Asdoditische, Ammonitische [en] Moabitische vrouwen [bij zich] hadden doen wonen. 24Hun kinderen spraken voor de helft Asdoditisch, en ze konden geen Judees spreken, maar [spraken] overeenkomstig de taal van elk volk. 25Ik had onenigheid met hen en ik vervloekte hen. En ik sloeg [sommige] mannen van hen en trok hun de haren uit. Ik liet hen zweren bij God: U zult uw dochters niet aan hun zonen geven en van hun dochters niemand voor uw zonen of voor uzelf nemen! 26Is het niet met betrekking tot deze dingen dat Salomo, de koning van Israël, gezondigd heeft? Terwijl er onder veel heidenvolken geen koning was zoals hij, en hij zijn God lief was en God hem tot koning gesteld had over heel Israël? Ook hem deden de uitheemse vrouwen zondigen. 27Zullen wij dan naar u luisteren door al dit grote kwaad te doen door onze God ontrouw te zijn door uitheemse vrouwen bij u te doen wonen? 28[Een] van de zonen van Jojada, de zoon van Eljasib, de hogepriester, was een schoonzoon van Sanballat, de Horoniet. Daarom joeg ik hem bij mij weg.

Nehemia neemt een nieuw kwaad waar. Het gaat niet goed in de gezinnen van de Judeeërs. Hij merkt dat aan de spraak van de kinderen uit die gezinnen. Hij spreekt de Judeeërs erover aan en raakt zo verbolgen, dat hij hen vervloekt, slaat en de haren uittrekt en hen bij God bezweert niet door te gaan met deze zonde. Zijn heftige reactie laat zien, hoe groot dit kwaad is.

Nehemia wijst zijn gehoor op Salomo. Met alle respect voor koning Salomo, maar ook hij heeft hierin zeer gezondigd (1Kn 11:1-81Koning Salomo had veel uitheemse vrouwen lief, en dat naast de dochter van de farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische, en Hethitische [vrouwen],2uit de volken waarvan de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd: U mag niet naar hen toe gaan en zij mogen niet bij u komen. Zij zouden ongetwijfeld uw hart doen afwijken, achter hun goden aan. Aan hen hechtte Salomo zich in liefde.3Hij had zevenhonderd vrouwen – vorstinnen – en driehonderd bijvrouwen. Zijn vrouwen deden zijn hart afwijken.4Het was in de tijd van Salomo’s ouderdom [dat] zijn vrouwen zijn hart deden afwijken, achter andere goden aan, zodat zijn hart niet volkomen was met de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David,5want Salomo ging achter Astoreth aan, de god van de Sidoniërs, en achter Milkom, de afschuwelijke [afgod] van de Ammonieten.6Zo deed Salomo wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij volhardde er niet in de HEERE na te volgen, zoals zijn vader David.7Toen bouwde Salomo een [offer]hoogte voor Kamos, de afschuwelijke [afgod] van de Moabieten, op de berg die voor Jeruzalem ligt, en voor Molech, de afschuwelijke [afgod] van de Ammonieten.8Zo deed hij voor al zijn uitheemse vrouwen, die hun afgoden reukoffers en slachtoffers brachten.). Het feit dat hij door God bijzonder bevoorrecht is, heeft hem niet kunnen bewaren voor dit grote kwaad. God verbloemt het kwaad niet, ook niet en juist niet van hen die het dichtst bij Hem zijn. Door Salomo als voorbeeld aan te halen laat Nehemia zien dat een bevoorrechte positie geen vrijbrief is voor de zonde. Juist het kwaad dat bevoorrechte mensen doen, zal God bestraffen, omdat zij beter moeten weten (Am 3:22Alleen u heb Ik gekend
uit alle geslachten op de aarde.
Daarom zal Ik u vergelden
al uw ongerechtigheden.
)
.

Zonder aanzien des persoons wijst Nehemia op Salomo. Zonder aanzien des persoons handelt Nehemia met de familie van de hogepriester Eljasib. Wat is begonnen met het inrichten van een grote kamer voor Tobia (verzen 3-43Het gebeurde, toen zij de wet hoorden, dat zij alle mensen van allerlei herkomst afzonderden van Israël.4Hiervóór had Eljasib, de priester die aangesteld was over de kamers van het huis van onze God, [en] die verwant was aan Tobia,), eindigt in een huwelijk tussen de kleinzoon van de hogepriester en de dochter van de vijand van Gods werk (Ne 2:1010Toen Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonitische dienaar, [dat] hoorden, was het volstrekt kwalijk in hun ogen dat er iemand gekomen was om het goede te zoeken voor de Israëlieten.). En zoals Nehemia Tobia met al zijn spullen uit Gods huis heeft gegooid (vers 88Dit was volstrekt kwalijk in mijn [ogen]; daarom wierp ik al het huisraad van Tobia uit de kamer naar buiten.), zo jaagt hij de man weg die deze gruwelijke verbinding is aangegaan.

Het betreft hier een priester. Deze heeft een duidelijk voorschrift overtreden. Wat voor het hele volk geldt, dat hij alleen met iemand uit zijn volk mag trouwen, geldt zeker voor de priester (Lv 21:7,147Zij mogen geen vrouw nemen die een hoer of ontheiligde is. Zij mogen ook geen vrouw nemen die door haar man verstoten is, want [een priester] is heilig voor zijn God.14Een weduwe, een verstoten vrouw of een door hoererij ontheiligde vrouw, deze mag hij niet nemen, maar hij moet een maagd tot vrouw nemen uit zijn volksgenoten,). Hij is iemand met een voorbeeldfunctie. Als zo iemand fout gaat, mag hij onder geen beding in zijn functie gehandhaafd blijven, maar moet er met hem gehandeld worden naar het voorbeeld dat Nehemia stelt.

Als de werkelijke belangstelling voor Gods huis vermindert, komen daarvoor de vriendschappen met de wereld in de plaats. Wij mogen onszelf wel afvragen: Welke ‘dochter van Sanballat’ heeft onze liefde gevangengenomen en ons hart beroofd van onze trouw aan de Heer? Welke ‘vreemdeling’ of ‘buitenlander’ heeft ons van de Heer weggetrokken? Welke ‘Delila’ heeft onze geestelijke kracht weggenomen (Ri 16:16-2116En het gebeurde, toen zij alle dagen [zo] met haar woorden bij hem aandrong en hem lastigviel, dat zijn ziel het niet langer verdragen kon, tot stervens toe.17Toen vertelde hij haar alles en zei tegen haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben als nazireeër aan God [gewijd], van mijn moeders buik af. Als ik geschoren zou worden, dan zou mijn kracht van mij wijken en zou ik zwak worden, en als alle mensen zijn.18Toen Delila nu zag dat hij haar alles verteld had, stuurde zij [een bode] en liet zij de Filistijnse stadsvorsten roepen, en zei: Kom ditmaal hierheen, want hij heeft mij alles verteld. En de Filistijnse stadsvorsten kwamen naar haar toe en brachten het geld mee.19Daarna liet zij hem op haar knieën slapen, riep een man en liet hem de zeven haarlokken van zijn hoofd afscheren. En zij begon hem te vernederen en zijn kracht week van hem.20En zij zei: De Filistijnen over je, Simson! Hij ontwaakte uit zijn slaap en zei: Ik zal net als de andere keren vrijkomen en [hen] van mij afschudden. Hij wist namelijk niet dat de HEERE van hem geweken was.21Toen grepen de Filistijnen hem en staken hem de ogen uit. En zij voerden hem af naar Gaza en bonden hem met twee bronzen kettingen. En hij maalde [meel] in de gevangenis.)?

We leren belangrijke lessen van de verkeerde verbintenissen die worden aangegaan door de kinderen van de families die tot Gods volk behoren. We zien hoe een verbintenis met de wereld tot uiting komt in de taal die onze kinderen spreken. Het onderwijs van de moeder (Sp 1:88Mijn zoon, luister naar de vermaning van je vader
en veronachtzaam het onderricht van je moeder niet,
)
neemt in de ontwikkeling van het kind een grote plaats in. Een kind uit zich zoals het dat van zijn moeder leert. Nehemia hoort een mix van Judees en Asdoditisch, waarbij het Asdoditisch de boventoon voert.

Asdoditisch is de taal die wordt gesproken in Asdod, een Filistijnse stad, die onder Gods oordeel ligt (Jr 25:2020aan alle mensen van allerlei herkomst en al de koningen van het land Uz, aan al de koningen van het land van de Filistijnen, aan Askelon, Gaza, Ekron en het overblijfsel van Asdod,). Filistijnen zijn een beeld van belijders van het christendom, maar zonder nieuw leven te hebben. Het zijn die christenen die af en toe een bijbels geluid laten horen, maar die hun leven niet onderwerpen aan de wil van God (2Tm 3:55Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af.). Ze leven voor hier-en-nu. Aan God en Zijn Woord wordt slechts ruimte gegund voor zover zij dat kunnen gebruiken om indruk en winst te maken.

De populariteit van de Nieuwe Bijbelvertaling is daarvan een actueel en onthutsend voorbeeld. Met een mediaspektakel dat rond de presentatie van een bijbelvertaling nooit eerder is vertoond (2010), is dit boek op de markt gelanceerd. Alles ademt een werelds denken en doen, terwijl men zegt dat men het Woord van God wil promoten.

Wie voedt onze kinderen op? Doen we dat zelf, aan de hand van en onderworpen aan Gods Woord? Iemand schreef: We krijgen te maken met een eerste generatie die niet is opgevoed door een vader en moeder, maar door de media. Zullen wij toestaan dat de media onze kinderen opvoeden? Ziet u de volgende vragen eens eerlijk onder ogen: Kent uw kind de sms-taal, twitter-taal, straattaal en sporttermen beter dan de taal en termen van de Bijbel? Kent uw kind beter de liederen van de wereld, dan de liederen van Gods kinderen?

Als u (een van) deze vragen met ‘ja’ moet beantwoorden, is het de hoogste tijd hierin verandering aan te brengen. Voelt u zich hiertoe niet in staat? Vraag hulp! Maar laat die situatie niet voortbestaan. Roep met alle kracht tot God om hulp. Belijd Hem en uw kinderen uw falen. Dan zal Hij zeker de uitweg wijzen. Deel uw nood met anderen. Zoek gebedsmedestanders om met u te strijden in de gebeden voor uw kinderen en ook die van anderen.

De noodklok moet worden geluid. Er mag geen tijd meer verloren gaan. Elke seconde telt. Het gaat om de gezinnen van Gods kinderen. Ouders verliezen het contact met hun kinderen. Ze lijken machteloos te moeten toezien hoe hun kinderen steeds meer in het wereldwijde web komen vast te zitten. Ik bedoel hiermee niet te zeggen dat u net zoveel van internet moet weten als uw kind. De vraag is, hoe uw contact met God is. Het loopt Hem niet uit de hand.

Richt opnieuw uw vertrouwen op Hem en wees bereid Zijn aanwijzingen met uw hele hart op te volgen. Hij zegt: Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan; Ik geef raad, Mijn oog is op u (Ps 32:88Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan;
Ik geef raad, Mijn oog is op u.
)
. Wij mogen een voorbeeld nemen aan Ezra en ons daardoor laten bemoedigen: Toen riep ik daar bij de rivier Ahava een vasten uit, om ons te verootmoedigen voor het aangezicht van onze God [en] om Hem om een voorspoedige reis te verzoeken voor ons, voor onze kleine kinderen en voor al onze bezittingen,” … “Wij vastten en verzochten onze God hierom, en Hij liet Zich door ons verbidden(Ea 8:21,2321Toen riep ik daar bij de rivier Ahava een vasten uit, om ons te verootmoedigen voor het aangezicht van onze God [en] om Hem om een voorspoedige reis te verzoeken voor ons, voor onze kleine kinderen en voor al onze bezittingen,23Wij vastten en verzochten onze God hierom, en Hij liet Zich door ons verbidden.).

Laten wij gehoor geven aan de oproep van Jeremia:
Stort uw hart uit als water
voor het aangezicht van de Heere!
Hef tot Hem uw handen op,
vanwege het leven van uw kleine kinderen” (Kl 2:19b19Sta op, weeklaag in de nacht, /koph/
vanaf de eerste [nacht]wake!
Stort uw hart uit als water
voor het aangezicht van de Heere!
Hef tot Hem uw handen op,
vanwege het leven van uw kleine kinderen,
die van honger versmachten
op de hoek[en] van alle straten.
)
.


Gebed van Nehemia

29Denk aan hen, mijn God, vanwege de ontwijding van het priesterschap, namelijk het verbond van het priesterschap en van de Levieten.

Na zijn krachtige optreden tegen de verkeerde verbintenissen, richt Nehemia zich weer tot God. Hij brengt het kwalijke van speciaal de priesters voor Gods aangezicht. Hij legt God als het ware uit, waarom hij zo tekeer is gegaan. Het is voor hem onaanvaardbaar dat God wordt genaderd door een priesterschap dat niet beantwoordt aan Gods heiligheid.

Wat in de gezinnen van Gods kinderen verkeerd gaat, heeft grote gevolgen voor het priesterschap. En waar het priesterschap bevlekt wordt, wordt God beroofd van wat Hem toekomt (vgl. Jl 1:1313Omgord u en bedrijf rouw, priesters,
weeklaag, dienaren van het altaar.
Kom, overnacht in rouwgewaden,
dienaren van mijn God,
want graanoffer en plengoffer
zijn aan het huis van uw God onthouden.
)
. Gelovigen die leven in verbinding met de wereld, kunnen hun dienst als priester en Leviet niet naar behoren uitoefenen. Als zulke mensen toch God willen naderen, wordt God niet serieus genomen. Geeft dat bij ons ook een gevoel van verontwaardiging? Hoe voelen wij ons als mensen ons niet serieus nemen?


Reiniging en herstel

30Zo reinigde ik hen van al het vreemde en ik stelde diensten vast voor de priesters en de Levieten, ieder voor zijn werk, 31en [ook] voor het offer van het hout op de vastgestelde tijden en voor de eerstelingen. Denk aan mij, mijn God, ten goede.

Nehemia is niet alleen bezig met het wegdoen van het verkeerde. Dat is zeker noodzakelijk, maar dan wel om daarna de vrijgekomen ruimte te vullen met het goede. Nehemia reinigt de Levieten. Daarin is hij een beeld van de Heer Jezus (Ml 3:33Hij zal zitten [als iemand] die zilver smelt en reinigt:
Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver.
Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid.
)
. Daarna stelt hij ieder weer aan in de taak die te verrichten is.

Kritiek op bepaalde zaken in de gemeente kan terecht en noodzakelijk zijn. Maar het mag nooit vanaf de zijlijn gebeuren. Echte betrokkenheid bij de dingen die niet goed zijn, zal zich uiten in een zich inzetten om Gods aanwijzingen weer op te volgen.

Deze laatste handelingen die we van Nehemia lezen, hebben te maken met de dienst in het huis van God. Hij zorgt ervoor dat priesters en Levieten weer het werk kunnen doen dat van hen verwacht mag worden. In bedekte termen betrekt hij het hele volk erbij, want hij regelt ook de levering van hout (Ne 10:3434Wij, de priesters, de Levieten en het volk, hebben het lot geworpen over het offer van het hout, om [dat] naar het huis van onze God te brengen, [ingedeeld] naar onze families, op vastgestelde tijden, jaar op jaar, om [dat] te verbranden op het altaar van de HEERE onze God, overeenkomstig wat in de wet beschreven staat.) en de eerstelingen (Ne 10:35-3735[Wij nemen de verplichting op ons] om de eerstelingen van onze grond en de eerstelingen van elke vrucht van elke boom jaar op jaar naar het huis van de HEERE te brengen,36en de eerstgeborenen van onze zonen en van onze dieren, overeenkomstig wat beschreven staat in de wet; en om de eerstgeborenen van onze runderen en van ons kleinvee naar het huis van onze God te brengen, naar de priesters die dienst doen in het huis van onze God.37En de eerstelingen van ons deeg, onze hefoffers, de vrucht van elke boom, nieuwe wijn en olie zullen wij brengen naar de priesters, naar de [voorraad]kamers van het huis van onze God. De tienden van onze grond [brengen wij] naar de Levieten; de Levieten krijgen de tienden in alle steden waar wij werken.). Hij weet dat het resultaat ervan tot eer van God is. Wat de handelingen van Nehemia betreft, is dit een prachtig en passend slot van dit boek. Daar heeft hij het allemaal voor gedaan.

We zien hoe Nehemia tot op het laatst bezig is anderen te motiveren om het werk te doen naar de positie de ze hebben en waartoe ze de bekwaamheid hebben. Zulke motiverende mensen zijn ook vandaag nodig. Het motief voor zijn dienst is om zijn God te dienen en te behagen. Hij heeft een levendig voorbeeld gegeven van leiderschap zoals God het wenst.

Het boek eindigt met een gebed van Nehemia (vers 31b31en [ook] voor het offer van het hout op de vastgestelde tijden en voor de eerstelingen. Denk aan mij, mijn God, ten goede.). Het boek is ook met een biddende Nehemia begonnen. In dit boeiende boek hebben we de memoires van deze actieve man Gods gelezen. Nu vraagt hij of God hem wil gedenken. Dit is geen hoogmoed, maar ootmoed. Hij beveelt zijn werk bij God aan. Hij geeft het Hem ter beoordeling en vertrouwt op Zijn goedheid. Nehemia moet het van God hebben, van Gods denken, want Gods denken is doen.

Nehemia heeft laten zien dat zijn levenswerk alleen heeft kunnen plaatsvinden onder voortdurend gebed. Hij heeft biddend gebouwd aan de muur en het volksleven. Hij heeft ook bouwend gebeden voor allerlei mensen en zaken. Hij bidt, terwijl hij bouwt, en bouwt, terwijl hij bidt. Zo moeten wij altijd “bidden en niet moedeloos worden” (Lk 18:11Hij nu sprak ook een gelijkenis tot hen, met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden,).