Nehemia
Inleiding 1-2 Wie in de stad gaan wonen 3-24 Wie in Jeruzalem gingen wonen 25-36 Bewoners van andere dorpen en steden
Inleiding

De muur en de poorten zijn niet opgericht om de enkelen die binnen de muur wonen het alleenrecht op het huis van God te geven. Dat zou sektarisme betekenen. Het is niet de bedoeling om hen die buiten de muur wonen de toegang tot het huis van God te verbieden. Dan zou de muur tot hun eigen heerlijkheid dienen, ze zouden velen van het volk van God uitsluiten en de rechten van de HEERE loochenen.

Dat is wat de lieden in Ezechiël 11 doen (Ez 11:1515Mensenkind, het zijn uw broeders, uw broeders, mannen met het recht van lossing voor u, en heel het huis van Israël in zijn geheel, tegen wie de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Houd u ver van de HEERE, ons is dit land als erfelijk bezit gegeven.). Daar zien we dat als gevolg daarvan de heerlijkheid van de HEERE uit het huis verdwijnt (Ez 11:2323Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.). Ze raken kwijt, waarop ze aanspraak maken. God verbindt Zijn heerlijkheid niet met geestelijke hoogmoed en menselijke aanmatiging. Maar ook zien we daar dat de HEERE voor hen die buitengesloten worden, een heiligdom is (Ez 11:1616Zeg daarom: Zo zegt de Heere HEERE: Hoewel Ik hen ver weggedreven heb onder de heidenvolken en hoewel Ik hen in de landen verspreid heb, toch zal Ik voor hen een heiligdom zijn, [hoe] kort [ook], in de landen waarin zij gekomen zijn.).

De muur is niet gebouwd om scheiding te maken tussen hen die in Jeruzalem wonen en de andere leden van Gods volk, maar om de heiligheid van Gods huis te handhaven. De muur is nodig omdat het zonder afzondering onmogelijk is om de heiligheid van Gods huis in stand te houden. Maar we moeten ook duidelijk het gevaar zien dat de waarheid van de afzondering kan worden misbruikt om een ‘betere’ groep te vormen die velen buitensluit die tot het volk van God behoren. Op die manier worden de rechten van God geloochend en gaat ten slotte de eigenlijke waarheid van het huis van God verloren die door ware afzondering bewaard zou blijven.


Wie in de stad gaan wonen

1De vorsten van het volk woonden in Jeruzalem, maar de rest van het volk wierp [het] lot om één op de tien [van het volk naar voren] te brengen om in Jeruzalem, de heilige stad, te gaan wonen, en negen op de tien in de [andere] steden. 2Het volk zegende alle mannen die zich vrijwillig aanboden om in Jeruzalem te wonen.

Dit vers sluit aan bij Nehemia 7:4. De tussenliggende hoofdstukken hebben ons geïnformeerd over de godsdienstige toestand van het volk. Verrassend genoeg blijkt dat men niet staat te dringen om in Jeruzalem te gaan wonen, terwijl de muur toch voltooid is. De steden op het platteland zijn meer in trek. Jeruzalem is de ‘niet gewenste’ stad, of beter de ‘verlatene’. De stad is ruim genoeg, maar het aantal inwoners gering (Ne 7:44De stad was wijd uitgestrekt en groot, maar er [woonde] weinig volk in en er waren geen huizen gebouwd.). Dat zal in de toekomst anders zijn (Js 49:14-2114Sion zegt echter: De HEERE heeft mij verlaten,
de Heere heeft mij vergeten.
15Kan een vrouw haar zuigeling vergeten,
zich niet ontfermen over het kind van haar schoot?
Zelfs al zouden die het vergeten,
Ík zal u niet vergeten.
16Zie, Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd,
uw muren zijn steeds vóór Mij.17Uw kinderen zullen zich haasten,
[maar] uw vernielers en verwoesters
zullen van u weggaan.
18Sla uw ogen op, [kijk] om [u] heen en zie:
zij allen verzamelen zich, komen naar u toe.
[Zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE,
voorzeker, u zult zich met hen allen als met een sieraad tooien,
u zult ze ombinden zoals een bruid [doet].
19Want uw puinhopen, uw woestenijen
en uw vernielde land –
voorzeker, nu zult u te nauw zijn vanwege [zoveel] inwoners,
en wie u verslonden, zullen ver [van u] zijn.
20Ook zullen de kinderen, van wie u beroofd was,
in uw oren zeggen:
Deze plaats is te nauw voor mij.
Maak plaats voor mij, laat mij [hier] wonen!
21En u zult zeggen in uw hart:
Wie heeft deze [kinderen] voor mij voortgebracht,
aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was,
verbannen en verdreven?
Deze [kinderen] – wie heeft ze grootgebracht?
Zie, ik was alleen overgebleven.
Deze [kinderen] – waar waren die?
; Zc 8:44Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Er zullen weer oude mannen en oude vrouwen zitten
op de pleinen van Jeruzalem,
ieder met zijn stok in zijn hand vanwege de hoge leeftijd.
)
.

In 1 Kronieken 9 staat ook een opsomming van hen die Jeruzalem weer hebben bevolkt (1Kr 9:2-212De eerste inwoners die [zich] in hun bezit, in hun steden, [vestigden,] waren Israëlieten, de priesters, de Levieten en de tempeldienaren.3In Jeruzalem woonden van de nakomelingen van Juda, van de nakomelingen van Benjamin en van de nakomelingen van Efraïm en Manasse:4Uthai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, van de nakomelingen van Perez, de zoon van Juda.5Van de Silonieten: Asaja, de eerstgeborene en zijn zonen.6Van de zonen van Zerah: Jeuël, en van zijn broeders: zeshonderdnegentig [man].7Van de nakomelingen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodavja, de zoon van Hassenua;8Jibnea, de zoon van Jeroham; Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Michri; Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reuël, de zoon van Jibnia.9Verder hun broeders, [ingedeeld] naar hun afstamming, negenhonderdzesenvijftig. Al deze mannen waren familiehoofden van hun families.10Van de priesters: Jedaja, Jojarib, Jachin;11Azarja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, de verantwoordelijke voor het huis van God;12Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia; Masai, de zoon van Adiël, de zoon van Jahzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemith, de zoon van Immer,13met hun broeders, hoofden van hun families, duizendzevenhonderdzestig strijdbare helden voor het dienstwerk in het huis van God.14Van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, van de nakomelingen van Merari;15Bakbakkar, Heres, Galal en Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf;16Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun; Berechja, de zoon van Asa, de zoon van Elkana, die in de dorpen van de Netofathieten woonde.17De poortwachters waren Sallum, Akkub, Talmon, Ahiman en hun broeders. Sallum was het hoofd,18en tot nu toe [staan zij op wacht] bij de koningspoort aan de oostkant. Zij waren poortwachters bij de legerkampen van de Levieten.19Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, en zijn broeders uit zijn familie, de Korachieten, gingen over het dienstwerk [als] deurwachters bij de tabernakel, zoals hun vaderen in het kamp van de HEERE wachters bij de ingang geweest waren.20Pinehas, de zoon van Eleazar, was vroeger de verantwoordelijke [leider] van hen; de HEERE was met hem.21Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortwachter bij de ingang van de tent van ontmoeting.. Veel van de namen die daar worden vermeld, vinden we hier terug. Hun namen worden met vreugde door God vermeld (Ps 112:6b6Voorzeker, hij zal voor eeuwig niet wankelen, /kaph/
de rechtvaardige zal eeuwig in gedachtenis blijven. /lamed/
)
.

De vorsten van het volk gaan vrijwillig. Zij voelen zich verantwoordelijk voor een goed bestuur en een goede verdediging van de stad van God. Willen wij zo dicht mogelijk bij de Heer zijn? De plaats waar het heiligdom staat en waar God woont, is alleen voor het geloof aantrekkelijk, niet voor het vlees.

Jeruzalem wordt hier “de heilige stad” genoemd (vers 1818Alle Levieten in de heilige stad: tweehondervierentachtig.; Js 48:22Ja, ‘van de heilige stad’ noemen zij zich
en zij steunen op de God van Israël,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
; 52:11Ontwaak, ontwaak,
bekleed u met uw kracht, Sion,
trek uw mooiste kleren aan,
Jeruzalem, heilige stad!
Want voortaan zal in u
geen onbesnedene of onreine meer komen.
; Dn 9:2424Zeventig weken zijn er bepaald
over uw volk en uw heilige stad,
om de overtreding te beëindigen,
de zonden te verzegelen,
de ongerechtigheid te verzoenen,
om een eeuwige gerechtigheid [tot stand] te brengen,
om visioen en profeet te verzegelen,
en om de Heiligheid van heiligheden te zalven.
; Mt 4:55Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en liet Hem op de dakrand van de tempel staan; 27:5353en zij gingen uit de graven na Zijn opwekking en kwamen in de heilige stad en verschenen aan velen.; Op 11:22En de voorhof die buiten de tempel is, verwerp die en meet die niet, want hij is aan de naties gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden tweeënveertig maanden lang.)
, omdat God deze stad als Zijn stad heeft uitgekozen en de tempel als Zijn woonplaats zich daar bevindt. Dat is de reden voor de Godvrezende om er te willen wonen. Het wonen in die stad, zo in de onmiddellijke nabijheid van God, vraagt een nauwlettend toezien op de wandel. Ook zijn zij die er wonen bijzondere voorwerpen van de aanvallen van de vijand.

Deze twee aspecten kunnen de oorzaak ervan zijn dat de animo om er te wonen niet groot is. Wat wordt vergeten, is dat zoals Jeruzalem bijzonder gehaat en bedreigd wordt door haar vijanden, zij ook met bijzondere zorg beschermd wordt door haar God en tot een “veilige woonplaats” wordt gemaakt (Js 33:2020Aanschouw Sion, de stad van onze samenkomsten.
Uw ogen zullen Jeruzalem zien,
een veilige woonplaats, een tent die niet afgebroken zal worden,
waarvan de pinnen voor altijd niet uitgetrokken zullen worden
en waarvan geen enkel touw gebroken zal worden.
; Ps 46:5-65De beekjes van de rivier verblijden de stad van God,
het heiligdom, de woningen van de Allerhoogste.
6God is in haar midden, zij zal niet wankelen;
God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.
)
.

Het niet willen wonen in die stad, maar de voorkeur geven aan het wonen op het land, kan ook te maken hebben met overwegingen van zakelijke aard. Er kan buiten Jeruzalem meer ‘winst’ worden gemaakt. De toepassing voor ons is het zoeken van het eigen belang, het bedenken van de aardse dingen, in plaats van het zoeken en bedenken van de belangen en dingen van de Heer Jezus (Fp 2:2121want allen zoeken hun eigen [belang], niet dat van Jezus Christus.).

Voor wie zich niet door het geloof, maar door aanschouwen laat leiden, heeft de stad haar aantrekkelijkheid verloren. De wolk van de heerlijkheid is er niet meer, er regeert geen vorst uit het huis van Juda, maar een vreemde heerst er, de stad is verlaten en de huizen liggen voor het merendeel in puin. Door de zonden van het volk is alle heerlijkheid verdwenen. Maar het geloof houdt het in herinnering (Hg 2:44Wie is er onder u overgebleven
die dit huis gezien heeft
in zijn eerste heerlijkheid?
En hoe ziet u het nu?
Is het niet als niets in uw ogen?
)
en koestert de zekere hoop van de terugkeer ervan, om nooit meer weg te gaan.

Wat bepaalt in geestelijk opzicht de plaats waar wij willen wonen? Willen we zijn waar veel mensen zijn en veel actie wordt gevonden of bij de twee of drie die tot de Naam van de Heer Jezus samenkomen?

Om bewoners voor Jeruzalem te werven gaan ze zichzelf ‘vertienen’, zoals ze eerder hun goederen hebben vertiend (Ne 10:37-3837En de eerstelingen van ons deeg, onze hefoffers, de vrucht van elke boom, nieuwe wijn en olie zullen wij brengen naar de priesters, naar de [voorraad]kamers van het huis van onze God. De tienden van onze grond [brengen wij] naar de Levieten; de Levieten krijgen de tienden in alle steden waar wij werken.38Ook zal er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zijn, als de Levieten de tienden ontvangen. En de Levieten zullen een tiende van de tienden naar het huis van onze God brengen, naar de kamers van het voorraadhuis,). Dit gebeurt door het lot, waarvan zij weten dat het beleid ervan door de HEERE gebeurt (Sp 16:3333Het lot wordt in de schoot geworpen,
maar elke beslissing daardoor komt van de HEERE.
)
. Dit zal ruzie voorkomen, want de HEERE maakt op deze manier Zelf duidelijk wie er zullen wonen. Op deze wijze ook neemt de HEERE de tienden voor Zichzelf. Die ‘tienden’ vertegenwoordigen voor God het hele volk.

Wie er vrijwillig gaan wonen, oogsten de waardering van hun volksgenoten, alsof het een grote opgave is, een prestatie van formaat, om dat te doen. Wie het doen, laten wel alles achter, geven het prijs. Maar de keus voor de heilige stad, de stad van God, is een gezegende, want de keus die wordt gemaakt is ook Gods keus. Hij heeft die stad gekozen om er te wonen. De stad ligt nog in puin. Er kan alleen aantrekkelijkheid in zijn als er naar wordt gekeken met de ogen van God en met het oog van het geloof dat de toekomstige heerlijkheid van die stad ziet.

Mozes heeft ook een keer een tent opgericht voor de HEERE, waar hij heengaat, terwijl het volk hem nakijkt, maar niet meegaat (Ex 33:7-117En Mozes nam de tent en zette die voor zichzelf buiten het kamp op, een eind van het kamp vandaan; en hij noemde hem de tent van ontmoeting. Zo gebeurde het dat ieder die de HEERE zocht, naar de tent van ontmoeting moest gaan, die zich buiten het kamp bevond.8Telkens als Mozes naar de tent ging, gebeurde het dat heel het volk opstond en dat ieder bij de ingang van zijn tent ging staan en dat zij Mozes nakeken tot hij de tent was binnengegaan.9Zodra Mozes de tent binnenging, gebeurde het dat de wolkkolom neerdaalde en bij de ingang van de tent bleef staan en dat [de HEERE] met Mozes sprak.10En zodra heel het volk de wolkkolom zag staan bij de ingang van de tent, stond heel het volk op en boog zich neer, ieder in de opening van zijn tent.11De HEERE sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt. Daarna keerde hij terug naar het kamp, maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, een jongeman, week niet uit het midden van de tent.). Alleen zij die de HEERE zoeken, gaan naar die tent, waar de heerlijkheid van de HEERE op rust. Het zijn er niet velen. Allen die in hun eigen tent blijven, buigen zich wel neer bij het zien van de wolkkolom, maar alleen Mozes en Jozua genieten in die tent de gemeenschap met de HEERE.

Soms is er respect voor hen die in het geloof en daardoor vaak eenzaam hun weg gaan, terwijl er geen geloof is om diezelfde weg te gaan. Men houdt vast aan zichtbare, tastbare dingen in de mening dat die meer houvast bieden. Ze kennen God wel, maar vinden het een beetje angstig om zich met uitsluiting van al het andere aan Hem toe te vertrouwen. Als anderen dat kunnen, petje af. Maar zelf die weg gaan, ho maar.


Wie in Jeruzalem gingen wonen

3Dit zijn de hoofden van het gewest die in Jeruzalem woonden (in de steden van Juda woonden, ieder in zijn bezit, in hun steden: Israël, de priesters, de Levieten, de tempeldienaren en de nakomelingen van de slaven van Salomo). 4In Jeruzalem woonden [sommigen] van de nakomelingen van Juda en van de nakomelingen van Benjamin. Van de nakomelingen van Juda: Ataja, de zoon van Uzzia, de zoon van Zacharja, de zoon van Amarja, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalaleël, van de nakomelingen van Perez; 5en Maäseja, de zoon van Baruch, de zoon van Kol-Hoze, de zoon van Hazaja, de zoon van Adaja, de zoon van Jojarib, de zoon van Zacharja, de zoon van de Siloniet. 6Alle nakomelingen van Perez die in Jeruzalem woonden, waren vierhonderdachtenzestig bekwame mannen. 7Dit zijn de nakomelingen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Joëd, de zoon van Pedaja, de zoon van Kolaja, de zoon van Maäseja, de zoon van Ithiël, de zoon van Jesaja; 8en na hem Gabbai, Sallai: negenhonderdachtentwintig. 9Joël, de zoon van Zichri, was opzichter over hen, en Juda, de zoon van Senua, was de tweede over de stad. 10Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin, 11Seraja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, de verantwoordelijke voor het huis van God. 12En hun broeders die het werk in het huis verrichtten: achthonderdtweeëntwintig. Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amzi, de zoon van Zacharja, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia. 13En zijn broeders, familiehoofden: tweehonderdtweeënveertig. Amassai, de zoon van Azareël, de zoon van Achzai, de zoon van Mesillemoth, de zoon van Immer. 14En hun broeders, strijdbare helden: honderdachtentwintig. Opzichter over hen was Zabdiël, de zoon van Gedolim. 15Van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, de zoon van Bunni. 16En Sabbethai en Jozabad, van de hoofden van de Levieten, waren [verantwoordelijk] voor het werk buiten het huis van God. 17En Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, het hoofd [verantwoordelijk] voor de aanhef van de dankzegging bij het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broeders; en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun. 18Alle Levieten in de heilige stad: tweehondervierentachtig. 19De poortwachters, Akkub, Talmon en hun broeders, die de wacht hielden bij de poorten: honderdtweeënzeventig. 20De rest van Israël, de priesters [en] de Levieten woonden in alle steden van Juda, ieder in zijn erfelijk bezit. 21De tempeldienaren woonden op de Ofel; Ziha en Gispa waren [aangesteld] over de tempeldienaren. 22De opzichter van de Levieten in Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Hasabja, de zoon van Mattanja, de zoon van Micha; van de nakomelingen van Asaf waren de zangers verantwoordelijk voor het werk in het huis van God. 23Er was namelijk een gebod van de koning met betrekking tot hen, een vaste overeenkomst met betrekking tot de zangers, [zodat] elke dag het voor die dag benodigde er was. 24En Petahja, de zoon van Mesezabeël, uit de nakomelingen van Zerah, de zoon van Juda, stond de koning terzijde bij elke zaak van het volk.

Zij die zich in de stad vestigen, worden door God in gedachtenis gehouden. Psalm 87 toont wat God van Jeruzalem vindt. Dat moet genoeg zijn. De meeste namen worden door ons direct nadat we ze hebben gelezen, ook weer vergeten. Maar voor God is deze opsomming waardevol, evenals de andere lijsten met namen in deze boeken van na de ballingschap. Voor de rechterstoel van Christus zullen hun namen weer genoemd worden. Dan zullen deze vrijwilligen van hart opmerken hoe goed hun keus is geweest om het verlies in deze wereld te aanvaarden om des te beter te kunnen zorgen voor de stad van Gods keus.

Enkele bijzonderheden in dit gedeelte:

Het werk buiten het huis van God – vers 1616En Sabbethai en Jozabad, van de hoofden van de Levieten, waren [verantwoordelijk] voor het werk buiten het huis van God.

Zij die [verantwoordelijk] voor het werk buiten het huis van God zijn, zijn bezig met zaken die niet direct in Gods huis worden gedaan, maar die wel noodzakelijk zijn voor een goed verloop van de activiteiten in het huis van God. De activiteiten die in Gods huis plaatsvinden, hebben direct betrekking op het naderen tot God om Hem te eren. Er zijn ook activiteiten die niet dat directe doel hebben, maar die een bijdrage leveren om tot dat doel te komen.

We kunnen dat misschien toepassen op het “dienen van de tafelen” – dat is het beheren en verdelen van ingezameld geld van de gelovigen –, naast het “volharden in het gebed en in de bediening van het Woord” (Hd 6:2-42De twaalf nu riepen de menigte van de discipelen bijeen en zeiden: Het is niet bevredigend dat wij het Woord van God nalaten en [de] tafels dienen.3Ziet nu uit, broeders, naar zeven mannen uit u, met een [goed] getuigenis, vol van [de] Geest en van wijsheid, die wij over deze taak zullen stellen.4Wij echter zullen volharden in het gebed en in de bediening van het Woord.). Gelovigen die hierdoor ondersteund worden, zullen daarvoor God eren in Zijn huis. Te denken valt ook aan kosterdienst. Een koster zorgt ervoor dat de uiterlijke omstandigheden zo zijn, dat de dienst mogelijk is.

Het kan ook betrekking hebben op het in geestelijke zin repareren van gebreken aan de buitenkant van het huis van God. We kunnen daarbij denken aan gedrag van gelovigen in de wereld dat correctie nodig heeft. Het is een zegen als zulke gelovigen daarop worden gewezen. Dat is in zekere zin op te vatten als een “werk buiten het huis van God”. Zo gebeurt ook evangelisatie in de wereld, buiten de gemeente, maar staat er wel mee in verbinding.

De aanhef van de dankzegging – vers 1717En Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, het hoofd [verantwoordelijk] voor de aanhef van de dankzegging bij het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broeders; en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun.

Het gebed begint met lofzegging. Als we God onze noden bekend willen maken – en daar nodigt Hij ons van harte toe uit – is het belangrijk dat we Hem eerst danken voor alle weldaden die Hij ons al heeft gegeven.

Wonen in de steden – vers 2020De rest van Israël, de priesters [en] de Levieten woonden in alle steden van Juda, ieder in zijn erfelijk bezit.

Het wonen in de steden is niet van een mindere orde, wel van een andere orde, dan het wonen in Jeruzalem. Alles heeft onder het bestuur van God zijn plaats. Motieven komen openbaar, maar God kan alles zo leiden dat het beantwoordt aan Zijn opzet. Allen die niet in Jeruzalem gaan wonen, gaan naar hun eigen erfdeel.

Zorg voor de zangers – vers 2323Er was namelijk een gebod van de koning met betrekking tot hen, een vaste overeenkomst met betrekking tot de zangers, [zodat] elke dag het voor die dag benodigde er was.

Het heidense gezag, de koning van Perzië, wordt zelfs genoemd in verband met het huis van God. Zij die onderhouden moeten worden door het volk dat de tienden geeft, zijn nu afhankelijk van de overheersers. Waarschijnlijk heeft het volk gefaald in het brengen van de tienden, of het volk is te weinig in aantal, zodat er ook weinig tienden worden gebracht. God heeft het hart van de heidense vorst gunstig gestemd, om te voorzien in de mogelijke nalatigheid van Zijn volk.

Het betreft hier de zorg voor de zangers die door het volk mogelijk vergeten zijn, maar niet door God. Hij zorgt via het hoofd van de volken voor hun onderhoud. Als het hele volk de zangers vergeet, weet God op andere wijzen te bereiken dat de zangers hun werk kunnen doen.

De tempeldienst is niet alleen offerdienst, maar ook zangdienst. Op grond van het offer kan er gezongen worden. Alleen wie het offer kent en van het offer leeft, kan zingen. Begeleiding van de eredienst door middel van lofliederen en geestelijke liederen is het voorrecht van ieder lid van Gods volk vandaag. Als er weinig lof is, doordat het volk van God daarvoor geen stof geeft, zijn er altijd wel andere redenen om God lof te zingen.

De koning ter zijde staan – vers 2424En Petahja, de zoon van Mesezabeël, uit de nakomelingen van Zerah, de zoon van Juda, stond de koning terzijde bij elke zaak van het volk.

Pethahja, uit het geslacht van Juda, is een koninklijke agent die de Joodse aangelegenheden voor de koning van Perzië brengt en de Joden informeert over de wensen en bevelen van de koning. Hij is hierin een beeld van de Heer Jezus als de Voorspraak voor de Zijnen bij de Vader en de Apostel namens God bij de Zijnen.


Bewoners van andere dorpen en steden

25In de dorpen op het platteland waren [sommigen] van de nakomelingen van Juda gaan wonen: in Kirjat-Arba en de bijbehorende [plaatsen], in Dibon en de bijbehorende [plaatsen], in Jekabzeël en zijn dorpen, 26in Jesua, in Molada, in Beth-Palet, 27in Hazar-Sual, in Berseba en de bijbehorende [plaatsen], 28in Ziklag, in Mechona en de bijbehorende [plaatsen], 29in En-Rimmon, in Zora, in Jarmuth, 30Zanoah, Adullam en zijn dorpen, Lachis en zijn akkers, en Azeka en de bijbehorende [plaatsen]; zij vestigden zich van Berseba af tot het Dal van Hinnom toe. 31De nakomelingen van Benjamin van Geba [woonden in] Michmas, Aja en Bethel en de bijbehorende [plaatsen], 32Anathoth, Nob, Ananja, 33Hazor, Rama, Gitthaïm, 34Hadid, Zeboïm, Neballat, 35Lod en Ono, [in] de Vallei van de handwerkers. 36Van de Levieten [woonden sommigen in] land dat aan Juda [en] Benjamin toebedeeld was.

Wat ons op het eerste gezicht van niet veel belang lijkt, zal door de Joden in de laatste dagen met bijzondere belangstelling worden onderzocht. Het is een even getrouwe dienst voor sommigen om het land te bewerken en in de herstelde dorpen te wonen en op die manier het land voor God te bewaren, als het voor de anderen is om in de stad van God te wonen. God waardeert alles naar de bedoelingen van het hart, wat op de komende dag zal blijken.


Lees verder