Nehemia
Inleiding 1-8 Nehemia en de priesters tekenen 9-13 De Levieten tekenen 14-27 De hoofden van het volk tekenen 28 De overigen die tekenen 29-31 De zichzelf opgelegde verplichtingen 32 Een derde sikkel voor het huis van God 33 De voorzieningen voor het huis van God 34 Offer van het hout voor het huis van God 35-37 De eerstelingen voor het huis van God 38-39 De tienden voor het huis van God
Inleiding

In de verzen 1-271Onder hen die [hun] zegel zetten waren: Zijne Excellentie Nehemia, de zoon van Hachalja, en Zidkia,2Seraja, Azarja, Jeremia,3Pashur, Amarja, Malchia,4Hattus, Sebanja, Malluch,5Harim, Meremoth, Obadja,6Daniël, Ginnethon, Baruch,7Mesullam, Abia, Mijamin,8Maäzja, Bilgai, [en] Semaja; dat waren de priesters.9De Levieten: Jesua, de zoon van Azanja, Binnuï; van de zonen van Henadad, Kadmiël.10En hun broeders: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,11Micha, Rehob, Hasabja,12Zakkur, Serebja, Sebanja,13Hodia, Bani, [en] Beninu.14De hoofden van het volk: Paros, Pahat-Moab, Elam, Zatthu, Bani,15Bunni, Azgad, Bebai,16Adonia, Bigvai, Adin,17Ater, Hizkia, Azzur,18Hodia, Hasum, Bezai,19Harif, Anathoth, Nebai,20Magpias, Mesullam, Hezir,21Mesezabeël, Zadok, Jaddua,22Pelatja, Hanan, Anaja,23Hosea, Hananja, Hassub,24Hallohes, Pilha, Sobek,25Rehum, Hasabna, Maäseja,26Achia, Hanan, Anan,27Malluch, Harim, [en] Baëna. staan de namen van hen die hun zegel onder de vaste overeenkomst zetten. Na te hebben opgehouden met kwaad te doen willen ze nu leren goed te doen (Js 1:16-1716Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de weduwe!
)
.

Het aangaan van een overeenkomst of verbond, hoe goed bedoeld ook, is toch een miskenning van het onvermogen van de mens om aan de verplichtingen ervan te voldoen. Dat is gebleken bij de Sinaï, waar ze zich hebben verplicht alles te doen wat God zegt (Ex 24:3,73Mozes kwam [terug] en vertelde al de woorden van de HEERE en al de bepalingen aan het volk. Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.7Hij nam het boek van het verbond en las [dit] ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en [Hem] gehoorzamen.; Hd 7:5353u die de wet door beschikking van engelen hebt ontvangen en niet gehouden!), en onder Josia (2Kn 23:33De koning ging bij de pilaar staan en sloot een verbond voor het aangezicht van de HEERE, om de HEERE te volgen en Zijn geboden, Zijn getuigenissen en Zijn verordeningen met heel zijn hart en met heel zijn ziel in acht te nemen, door de woorden van dit verbond die in deze boek[rol] beschreven zijn, te bevestigen. En het hele volk trad toe tot dit verbond.; Jr 3:1010Zelfs in dit alles heeft haar trouweloze zuster Juda zich niet tot Mij bekeerd met heel haar hart, maar [slechts] in schijn, spreekt de HEERE.).

Het aangaan van een verbond geeft de schijn dat het in de toekomst beter zal gaan. Maar in de mens is daarvoor geen garantie aanwezig. Integendeel. Elke belofte die een mens aflegt om niet meer in een bepaalde fout te vallen, toont een gebrek aan zelfkennis. Toch is in die tijd de wet de grondslag van Gods handelen met de mens. Daarom is het deze Israëlieten niet kwalijk te nemen dat ze zichzelf deze verplichting opleggen. Het geeft hun oprechte verlangen aan om te voldoen aan Gods wil.

Pas met de komst en verwerping van Christus verandert de grondslag van Gods handelen met de mens. Het kruis is het grote keerpunt daarin. Bij het kruis is de volkomen hopeloosheid om van de mens nog iets goeds te verwachten ten volle gebleken. Ieder die zich nu nog stelt op de grondslag van de wet, heeft nog niet tot zich laten doordringen wat de betekenis van het kruis is. Maar tot die tijd staat de mens onder de zichzelf opgelegde verantwoordelijkheid om aan Gods inzettingen te gehoorzamen. Daarom is het voor hen die hier tot het verbond toetreden de juiste weg.


Nehemia en de priesters tekenen

1Onder hen die [hun] zegel zetten waren: Zijne Excellentie Nehemia, de zoon van Hachalja, en Zidkia, 2Seraja, Azarja, Jeremia, 3Pashur, Amarja, Malchia, 4Hattus, Sebanja, Malluch, 5Harim, Meremoth, Obadja, 6Daniël, Ginnethon, Baruch, 7Mesullam, Abia, Mijamin, 8Maäzja, Bilgai, [en] Semaja; dat waren de priesters.

Nehemia is de eerste die zijn handtekening zet. Daarna zetten tweeëntwintig priesters hun handtekening. Opmerkelijk genoeg ontbreekt de handtekening van Ezra. Zou hij inzien dat een handtekening geen garantie is? Wat voor de een goed is, daaraan hoeft een ander geen deel te hebben. Waarschijnlijk begrijpt Ezra, door meer inzicht in Wie God is en wie de mens is, dat God hem niet roept om zijn handtekening te zetten. Dit soort onderscheid tussen gelovigen vinden we in de gemeente in Rome. Daar treffen we zwakke en sterke gelovigen aan. Zij moeten leren met elkaar om te gaan en elkaar te verdragen in zaken die met het geweten te maken hebben (Rm 14-15).


De Levieten tekenen

9De Levieten: Jesua, de zoon van Azanja, Binnuï; van de zonen van Henadad, Kadmiël. 10En hun broeders: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan, 11Micha, Rehob, Hasabja, 12Zakkur, Serebja, Sebanja, 13Hodia, Bani, [en] Beninu.

Na de priesters tekenen zeventien Levieten het verbond. Onder hen zijn er veel die de mond van de vergadering zijn geweest in het gebed (Ne 9:2,52En het nageslacht van Israël zonderde zich af van alle vreemdelingen. Ze gingen staan en beleden hun zonden en de ongerechtigheden van hun vaderen.5De Levieten Jesua, Kadmiël, Bani, Hasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja [en] Petahja zeiden: Sta op, loof de HEERE, uw God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en laat men Uw heerlijke Naam loven, die boven alle lof en prijs verheven is.). Dit toont aan dat zij zelf onder de indruk zijn van wat ze hebben gezegd, en dat zij anderen geen lasten willen opleggen die ze zelf weigeren aan te raken. Zij die voorgaan in het gebed, moeten ook voorgaan in ieder ander goed werk.


De hoofden van het volk tekenen

14De hoofden van het volk: Paros, Pahat-Moab, Elam, Zatthu, Bani, 15Bunni, Azgad, Bebai, 16Adonia, Bigvai, Adin, 17Ater, Hizkia, Azzur, 18Hodia, Hasum, Bezai, 19Harif, Anathoth, Nebai, 20Magpias, Mesullam, Hezir, 21Mesezabeël, Zadok, Jaddua, 22Pelatja, Hanan, Anaja, 23Hosea, Hananja, Hassub, 24Hallohes, Pilha, Sobek, 25Rehum, Hasabna, Maäseja, 26Achia, Hanan, Anan, 27Malluch, Harim, [en] Baëna.

Na de Levieten hebben vierenveertig van de hoofden van het volk hun handtekening gezet dat zij Gods geboden willen houden. Als hoofden van het volk doen zij dat ook voor allen die zij vertegenwoordigen en op wie zij door hun positie invloed hebben. Hun namen zijn hier vermeld tot hun eer als mannen die ijverig werkzaam zijn om de dienst van God te laten herleven en in stand te houden in hun land. De nagedachtenis van zulke mannen zal tot zegening zijn.

Het is opmerkelijk dat de meesten van hen, die eerder zijn genoemd als hoofden van huizen (Ne 7), hier genoemd worden onder de eersten van de hoofden van het volk die het verbond ondertekend hebben. Opmerkelijk is ook dat velen die tegenwoordig hoofd zijn, dezelfde naam dragen als zij, die hoofden zijn bij de uittocht uit Babel (Ea 2:3-353de nakomelingen van Paros: tweeduizend honderdtweeënzeventig;
4de nakomelingen van Sefatja: driehonderdtweeënzeventig;
5de nakomelingen van Arach: zevenhonderdvijfenzeventig;
6de nakomelingen van Pahat-Moab, van de nakomelingen van Jesua [en] Joab: tweeduizend achthonderdtwaalf;
7de nakomelingen van Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;
8de nakomelingen van Zattu: negenhonderdvijfenveertig;
9de nakomelingen van Zakkai: zevenhonderdzestig;
10de nakomelingen van Bani: zeshonderdtweeënveertig;
11de nakomelingen van Bebai: zeshonderddrieëntwintig;
12de nakomelingen van Azgad: duizend tweehonderdtweeëntwintig;
13de nakomelingen van Adonikam: zeshonderdzesenzestig;
14de nakomelingen van Bigvai: tweeduizend zesenvijftig;
15de nakomelingen van Adin: vierhonderdvierenvijftig;
16de nakomelingen van Ater, van Hizkia: achtennegentig;
17de nakomelingen van Bezai: driehonderddrieëntwintig;
18de nakomelingen van Jora: honderdtwaalf;
19de nakomelingen van Hasum: tweehonderddrieëntwintig;
20de nakomelingen van Gibbar: vijfennegentig;
21de nakomelingen van Bethlehem: honderddrieëntwintig;
22de mannen van Netofa: zesenvijftig;
23de mannen van Anathoth: honderdachtentwintig;
24de nakomelingen van Azmaweth: tweeënveertig;
25de nakomelingen van Kirjath-Arim, Kefira en Beëroth: zevenhonderddrieënveertig;
26de nakomelingen van Rama en Gaba: zeshonderdeenentwintig;
27de mannen van Michmas: honderdtweeëntwintig;
28de mannen van Bethel en Ai: tweehonderddrieëntwintig;
29de nakomelingen van Nebo: tweeënvijftig;
30de nakomelingen van Magbis: honderdzesenvijftig;
31de nakomelingen van een andere Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;
32de nakomelingen van Harim: driehonderdtwintig;
33de nakomelingen van Lod, Hadid en Ono: zevenhonderdvijfentwintig;
34de nakomelingen van Jericho: driehonderdvijfenveertig;
35de nakomelingen van Senaä: drieduizend zeshonderddertig.
)
.


De overigen die tekenen

28De rest van het volk, de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempeldienaren, en al wie zich had afgezonderd van de volken van de landen om de wet van God [te houden], hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, al wie kennis [en] inzicht had,

Ook de kinderen worden in het verbond betrokken. Zij maken deel uit van het volk van God en delen in de voorrechten en verantwoordelijkheden ervan. Ze zijn geheiligd in de ouders, die de verplichting hebben hen op te voeden “in [de] tucht en vermaning van de Heer” (Ef 6:44En u, vaders, prikkelt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in [de] tucht en vermaning van de Heer.). Ook zijn er nog proselieten die tekenen. Dit zijn “al wie zich had afgezonderd van de volken van de landen.


De zichzelf opgelegde verplichtingen

29verbonden zich met hun broeders en hun vooraanstaanden en namen met een [zelf]vervloeking en een eed [de verplichting op zich] dat ze zouden wandelen volgens de wet van God, die gegeven was door de dienst van Mozes, de dienaar van God, en dat zij alle geboden van de HEERE, onze Heere, al Zijn bepalingen en Zijn verordeningen, in acht zouden nemen en houden: 30Wij zullen onze dochters niet aan de volken van het land geven, en hun dochters zullen wij niet voor onze zonen nemen. 31Als de volken van het land op de sabbatdag [hun] waren en allerlei [soorten] graan zullen brengen om te verkopen, dan zullen wij dat niet op de sabbat of op een [andere] heilige dag van hen aannemen. Wij zullen het zevende jaar [het land] braak laten liggen, en [afzien van] allerhande rente.

Allen die de overeenkomst zijn aangegaan, worden “broeders” genoemd. Ze nemen allen voor God dezelfde plaats in. Ook de “vooraanstaanden” onder hen zijn “broeders”. Trouw aan God vernedert de hoge en verhoogt de geringe. Ze zijn niet alleen verbonden door familiebanden, maar ook door een gemeenschappelijk verlangen. Ze willen allen gehoorzaam zijn aan de wet van God.

De vooraanstaanden sluiten het verbond door hun handtekening en hun zegel. Het volk bevestigt met een vloek en een eed dat ze de wet zullen gehoorzamen. Ze verklaren daarmee plechtig hun oprechtheid voor God, terwijl ze Zijn rechtvaardige toorn inroepen als zij trouweloos handelen.

Als toepassing voor ons, die niet onder de wet staan, kunnen we zeggen dat de verplichting die zij aangaan om de wet te gehoorzamen voor ons een vernieuwing van de wens om te gehoorzamen inhoudt. Gehoorzaamheid is een grondbeginsel in het leven van de christen op elk terrein van zijn leven: familie, maatschappij en gemeente. Voor ons geldt de vermaning van Barnabas, die de gemeente in Antiochië vermaant “met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven” (Hd 11:2323Toen hij daar aankwam en de genade van God zag, verblijdde hij zich en vermaande allen met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven.) en dat we dat laten gelden voor alle genoemde terreinen.

De verzen 29-3129verbonden zich met hun broeders en hun vooraanstaanden en namen met een [zelf]vervloeking en een eed [de verplichting op zich] dat ze zouden wandelen volgens de wet van God, die gegeven was door de dienst van Mozes, de dienaar van God, en dat zij alle geboden van de HEERE, onze Heere, al Zijn bepalingen en Zijn verordeningen, in acht zouden nemen en houden:30Wij zullen onze dochters niet aan de volken van het land geven, en hun dochters zullen wij niet voor onze zonen nemen.31Als de volken van het land op de sabbatdag [hun] waren en allerlei [soorten] graan zullen brengen om te verkopen, dan zullen wij dat niet op de sabbat of op een [andere] heilige dag van hen aannemen. Wij zullen het zevende jaar [het land] braak laten liggen, en [afzien van] allerhande rente. beschrijven de verplichtingen waaraan het volk zichzelf en hun gezinnen onderwerpt. Het verbond heeft betrekking op
1. hun persoonlijke wandel (vers 2929verbonden zich met hun broeders en hun vooraanstaanden en namen met een [zelf]vervloeking en een eed [de verplichting op zich] dat ze zouden wandelen volgens de wet van God, die gegeven was door de dienst van Mozes, de dienaar van God, en dat zij alle geboden van de HEERE, onze Heere, al Zijn bepalingen en Zijn verordeningen, in acht zouden nemen en houden:),
2. hun kinderen met het oog op de huwelijksverbintenissen die zij aangaan (vers 3030Wij zullen onze dochters niet aan de volken van het land geven, en hun dochters zullen wij niet voor onze zonen nemen.) en
3. het houden van de sabbat en het sabbatsjaar (vers 3131Als de volken van het land op de sabbatdag [hun] waren en allerlei [soorten] graan zullen brengen om te verkopen, dan zullen wij dat niet op de sabbat of op een [andere] heilige dag van hen aannemen. Wij zullen het zevende jaar [het land] braak laten liggen, en [afzien van] allerhande rente.).

De eerste verplichting is dus die voor ieder persoonlijk, de tweede voor de kinderen. Als er geen gehoorzaamheid is in het persoonlijk leven of in het gezin, kan God onmogelijk geëerd worden. Gehoorzaamheid brengt scheiding met de wereld teweeg. De vriendschap met de wereld wordt opgegeven en in plaats daarvan komt er toewijding aan God. Zij willen wandelen in Gods wet, dat wil zeggen in onderworpenheid aan de heilige Schrift. De persoonlijke gehoorzaamheid aan Gods Woord is het uitgangspunt.

In de tweede plaats willen zij de afzondering handhaven van de volken van het land en daarom willen zij hun kinderen niet toestaan een ongelijk juk aan te gaan. Afzondering van het kwaad en toewijding aan God is het eerste gevolg van gehoorzaamheid.

Ten derde willen zij God eren door het houden van de sabbat en niet toegeven aan hebzucht naar aanleiding van wat de volken aanbieden op die heilige dag. De sabbat is de rust van God waarin Zijn volk mag delen.

Ten vierde zeggen ze toe in het zevende jaar het land braak te laten liggen, want omdat zij dat niet hebben gedaan, zijn zij destijds naar Babel weggevoerd (Ex 23:1111maar [in] het zevende [jaar] moet u het met rust laten en het braak laten liggen, zodat de armen onder uw volk kunnen eten; en het overschot ervan kunnen de dieren van het veld eten. U moet hetzelfde doen met uw wijngaard [en] met uw olijfbomen.; Lv 26:33-3533Ik zal u dan onder de heidenvolken verstrooien en Ik zal achter u een zwaard trekken. Uw land zal een woestenij worden en uw steden een puinhoop.34Dan zal het land behagen scheppen in zijn sabbats[jaren], alle dagen dat het verwoest ligt en u in het land van uw vijanden bent. Dan zal het land rusten en zal het behagen scheppen in zijn sabbats[jaren].35Alle dagen dat het verwoest ligt, zal het rusten, omdat het niet rustte gedurende uw sabbatten, toen u het bewoonde.). Het betekent ook dat zij de schulden die hun broeders tegenover hen hebben, niet zullen opeisen en daarmee niet toegeven aan de geest van heersen. Het sabbatsjaar is het jaar van vrijlating en kwijtschelding (Dt 15:1-21Na verloop van zeven jaar moet u kwijtschelding verlenen.2Dit nu is wat de kwijtschelding [inhoudt]: iedere schuldeiser die [iets] aan zijn naaste geleend heeft, moet [hem dat] kwijtschelden. Hij mag van zijn naaste of zijn broeder geen betaling eisen, aangezien men een kwijtschelding heeft uitgeroepen voor de HEERE.).

In die geest wil God dat wij met onze broeders en zusters omgaan. Dit zijn allemaal lessen voor ons, als wij Christus Zijn plaats als Hoofd willen geven en willen handelen naar de eenheid van Zijn lichaam, de gemeente, en de eenheid van de Geest willen bewaren. Zijn wij niet ontrouw geweest aan het Woord van God? We hebben ons beroemd op onze positie in Christus, maar we hebben ons niet persoonlijk onderworpen aan Gods Woord. De stem van mensen in de gemeente klinkt luider dan de stem van God door het Woord. De traditie heeft meer gezag dan de Schrift.

Hebben we ook niet de ware afzondering gemist? We zijn misschien wel afgezonderd van kerkelijke systemen, maar in onze handel en wandel lijken we op mensen van de wereld. Is de geest van de wereld niet in onze huizen en in de gemeenten gekomen? Wat zegt gemeentelijke afzondering als we op andere wijzen met de wereld verbonden zijn?

Zijn we soms niet koel in onze betrekkingen tot Godvrezende gelovigen van wie we soms in een kleinigheid van mening verschillen, terwijl we in warme hartelijkheid met wereldse mensen omgang hebben? Al deze vragen kunnen we beter nu onder ogen zien dan pas voor de rechterstoel van Christus.

De sabbat spreekt van de rust die Christus ons heeft gegeven op grond van Zijn werk. Maar doen we die rust niet tekort als we menen dat we op grond van iets in onszelf een bepaalde verdienste bezitten, een zekere winst kunnen behalen, is het niet bij God dan toch wel bij onze medechristenen?

En hoe zit het met het leven in geloof? Het braak laten liggen van het land in het zevende jaar stelt het vertrouwen voor dat God zal voorzien al lijkt het voor ons alsof het mis gaat. Het is een erkenning van Gods recht op het land. Die erkenning bepaalt ons bij God Zelf. Gaat het in ons leven echt alleen om Hem? We kunnen ‘samenkomen op Goddelijke grondslag’, ‘op Schriftuurlijke wijze brood breken’, ‘het getuigenis handhaven’ en allerlei andere dingen doen die alleen uiterlijk waarneembaar en toetsbaar zijn, terwijl onze waardering voor de eeuwige en onzienlijke dingen steeds verder afneemt en we slechts leven voor hier-en-nu.

De vijfde verplichting, die van het niet opeisen van schulden, hangt met de vorige samen. Zijn we niet vaak veeleisend ten aanzien van onze medegelovigen naarmate we het zicht op de eeuwige dingen kwijtraken en leven voor het tegenwoordige? “Zie, de Rechter staat voor de deur” (Jk 5:9b9Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur.). Het einde van deze bedeling is in zicht. Het is de hoogste tijd dat we ophouden met van elkaar te eisen, en gaan leven in het besef van alles wat ons is vergeven door God. Een eisende houding verhindert gemeenschap. Als we die oordelen, zullen we samen God en Zijn waarheid kunnen hooghouden en Hem eren.


Een derde sikkel voor het huis van God

32Wij leggen onszelf de geboden op dat wij een derde sikkel per jaar zullen geven voor de dienst van het huis van onze God;

Nu volgen verplichtingen met betrekking tot het huis van God. De zorg voor het huis van God – dat negen keer wordt genoemd in de verzen 32-3932Wij leggen onszelf de geboden op dat wij een derde sikkel per jaar zullen geven voor de dienst van het huis van onze God;33voor het uitgestalde brood en het voortdurende graanoffer, voor het voortdurende brandoffer, de sabbatten, de nieuwe maanden, voor de feestdagen, voor de geheiligde [gaven], voor de zondoffers om verzoening te doen voor Israël, en [voor] heel de dienst van het huis van onze God.34Wij, de priesters, de Levieten en het volk, hebben het lot geworpen over het offer van het hout, om [dat] naar het huis van onze God te brengen, [ingedeeld] naar onze families, op vastgestelde tijden, jaar op jaar, om [dat] te verbranden op het altaar van de HEERE onze God, overeenkomstig wat in de wet beschreven staat.35[Wij nemen de verplichting op ons] om de eerstelingen van onze grond en de eerstelingen van elke vrucht van elke boom jaar op jaar naar het huis van de HEERE te brengen,36en de eerstgeborenen van onze zonen en van onze dieren, overeenkomstig wat beschreven staat in de wet; en om de eerstgeborenen van onze runderen en van ons kleinvee naar het huis van onze God te brengen, naar de priesters die dienst doen in het huis van onze God.37En de eerstelingen van ons deeg, onze hefoffers, de vrucht van elke boom, nieuwe wijn en olie zullen wij brengen naar de priesters, naar de [voorraad]kamers van het huis van onze God. De tienden van onze grond [brengen wij] naar de Levieten; de Levieten krijgen de tienden in alle steden waar wij werken.38Ook zal er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zijn, als de Levieten de tienden ontvangen. En de Levieten zullen een tiende van de tienden naar het huis van onze God brengen, naar de kamers van het voorraadhuis,39want de Israëlieten en de Levieten moeten het hefoffer van graan, nieuwe wijn en olie naar de [voorraad]kamers brengen; daar zijn immers de voorwerpen van het heiligdom, de priesters die dienst doen, de poortwachters en de zangers. Wij zullen het huis van onze God niet verwaarlozen., in elk vers een keer en in vers 3636en de eerstgeborenen van onze zonen en van onze dieren, overeenkomstig wat beschreven staat in de wet; en om de eerstgeborenen van onze runderen en van ons kleinvee naar het huis van onze God te brengen, naar de priesters die dienst doen in het huis van onze God. twee keer – neemt in de vaste overeenkomst een grote plaats in. Over de muur, wat toch het hoofdonderwerp van dit boek is, wordt niet gesproken. De grote toetssteen van trouw aan God is het in stand houden van Zijn huis, de tempel, het onderhouden van hen die erin dienen en het gehoorzamen aan de inzettingen die de orde in het huis regelen.

Als in de individuele levens van de leden van Gods volk alles op God wordt gericht en de levens naar Zijn wil worden ingericht, zal ook het gemeenschappelijke belang zich in voorspoed ontwikkelen. Dat komt tot uiting in de zorg voor Gods huis, dat is nu de gemeente van God. Er zal een verlangen komen om in de gemeente alles zo te regelen als God in Zijn Woord voorschrijft (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). Er zullen voldoende middelen zijn om het zichtbare getuigenis te handhaven. Als er geen geestelijke gezindheid is, zullen harten en beurzen gesloten blijven. Als die gezindheid er wel is, zullen beide opengaan.

Het oorspronkelijke bedrag, per hoofd te betalen, is een halve sikkel (Ex 30:1313Dit moeten allen die bij de getelden gaan behoren, geven: een halve sikkel, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom (de sikkel is twintig gera [waard]), een halve sikkel als een hefoffer voor de HEERE.). Het kan zijn dat vanwege de armoede van het volk dit niet kan worden opgebracht. Maar dan zien we dat de armoede van het volk geen barrière vormt. Als de gewetens worden geoefend, zal het mogelijke worden gegeven en soms meer dan het mogelijke (2Ko 8:1-51Maar wij maken u bekend, broeders, de genade van God die in de gemeenten van Macedonië gegeven is,2dat onder veel beproeving van verdrukking de overvloed van hun blijdschap en hun diepe armoede overvloedig zijn geweest in de rijkdom van hun liefdadigheid.3Want ik getuig dat zij naar vermogen en boven vermogen,4uit eigen beweging, ons met veel aandrang smeekten om deze gunst en de gemeenschap in de dienst aan de heiligen.5En het was niet zoals wij verwachtten, maar zij gaven zichzelf eerst aan de Heer en [daarna] aan ons door [de] wil van God,). God zal er dan voor zorgen dat het mindere tot hetzelfde resultaat voert als het meerdere. Hierdoor straalt Zijn grootheid des te meer, zoals dat altijd het geval is waar de mens meer op Gods goedheid vertrouwt.


De voorzieningen voor het huis van God

33voor het uitgestalde brood en het voortdurende graanoffer, voor het voortdurende brandoffer, de sabbatten, de nieuwe maanden, voor de feestdagen, voor de geheiligde [gaven], voor de zondoffers om verzoening te doen voor Israël, en [voor] heel de dienst van het huis van onze God.

Door de bijdrage van één derde sikkel per jaar kunnen de volgende voorzieningen worden getroffen, waardoor de werkzaamheden in het huis van God en de feesten in verbinding daarmee voortgang kunnen vinden:
1. Het bereiden van het toonbrood
2. Het dagelijkse spijsoffer (graanoffer)
3. Het dagelijkse brandoffer
4. Het offer voor de sabbatten
5. Het offer voor de nieuwe maanden
6. De drie grote feesten (Pascha, Pinksterfeest en Loofhuttenfeest)
7. De heilige gaven (waarschijnlijk dank- of vredeoffers)
8. De zondoffers
9. Allerlei werk in Gods huis

“Het uitgestalde brood” – dat zijn de twaalf toonbroden – vertegenwoordigt het hele volk. De eenheid van het volk is door de verstrooiing niet meer te zien, maar voor God is die eenheid er wel. Het overblijfsel mag eraan denken in de eredienst. Dit is het eerste wat door de bijdrage voor Gods aandacht wordt gebracht en daardoor ook als eerste voor onze aandacht wordt geplaatst.

Het “voortdurende graanoffer (of:) spijsoffer”, dat is het dagelijkse spijsoffer, spreekt van de Heer Jezus in Zijn leven op aarde als volmaakt toegewijd aan God. Het “voortdurende brandoffer”, dat is het dagelijkse brandoffer, spreekt van de Heer Jezus in Zijn volle overgave aan God in Zijn dood aan het kruis. Het offer voor de “sabbatten” laat het werk van de Heer Jezus zien in zijn resultaat: rust voor God en rust voor de gelovige. Het offer voor “de nieuwe maanden” ziet op het werk van Christus als de basis voor het herstel van Israël.

De “feestdagen”, dat zijn de drie grote feesten, zien op de grote resultaten van het werk van Christus, te weten de bevrijding van een volk uit de macht van de zonde (Pascha), het ontstaan van de gemeente (Pinksterfeest) en de vestiging van het vrederijk (Loofhuttenfeest). “De geheiligde [gaven]”, dat zijn de dank- of vredeoffers, zien op de gemeenschap van de gelovigen onderling en van de gelovigen met God en de Heer Jezus. “De zondoffers” zijn “om verzoening te doen voor Israël”. Christus bewerkt verzoening tussen de heilige God en de zondige mens, een verzoening op grond waarvan eens alle dingen – niet: alle mensen! – verzoend worden met God (Ko 1:20-2220en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, <door Hem,> hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.21En u, die er vroeger vreemd aan was en vijandig gezind was door uw boze werken, heeft Hij echter nu verzoend22in het lichaam van Zijn vlees door de dood, om u heilig, onberispelijk en onstraffelijk voor Zich te stellen;). Alle werk dat in Gods huis gebeurt, vindt plaats op de grondslag van de verzoening.


Offer van het hout voor het huis van God

34Wij, de priesters, de Levieten en het volk, hebben het lot geworpen over het offer van het hout, om [dat] naar het huis van onze God te brengen, [ingedeeld] naar onze families, op vastgestelde tijden, jaar op jaar, om [dat] te verbranden op het altaar van de HEERE onze God, overeenkomstig wat in de wet beschreven staat.

Om de wil van God te leren kennen wordt vaak het lot geworpen, dat wil zeggen in de tijd van het Oude Testament. De laatste keer dat we lezen over het werpen van het lot is in het begin van Handelingen (Hd 1:2626En zij wierpen het lot over hen en het lot viel op Matthias; en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.). Het gebeurt
1. bij het verdelen van het land onder de stammen (Nm 26:5555Het land zal echter door het lot verdeeld worden; volgens de namen van de stammen van hun vaderen zullen zij [het] in erfelijk bezit nemen.; Jz 14:22Door het lot [werd] hun het erfelijk bezit [toegewezen], zoals de HEERE door de dienst van Mozes geboden had met betrekking tot de negenenhalve stam.; 18:1010Toen wierp Jozua het lot voor hen in Silo, voor het aangezicht van de HEERE. En Jozua verdeelde daar voor de Israëlieten het land, volgens hun indelingen.);
2. om een schuldige te ontdekken (Jz 7:1414U moet in de ochtend per stam naar voren komen. En het zal gebeuren dat de stam die de HEERE aanwijst, per geslacht naar voren zal komen; en het geslacht dat de HEERE aanwijst, zal per familie naar voren komen; en de familie die de HEERE aanwijst, zal man voor man naar voren komen.; 1Sm 14:4242Toen zei Saul: Werp [het lot] tussen mij en mijn zoon Jonathan. Toen werd Jonathan aangewezen.; Jn 1:77Daarop zeiden de mannen tegen elkaar: Kom, laten wij het lot werpen, zodat wij weten door wie dit onheil ons [overkomt]. Zij wierpen het lot, en het lot viel op Jona.);
3. om de eerste koning, Saul, aan te wijzen (1Sm 10:19-2119Maar u hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en u hebt tegen Hem gezegd: Stel een koning over ons aan. Nu dan, stel u op voor het aangezicht van de HEERE, overeenkomstig uw stammen en uw duizenden.20Toen Samuel al de stammen van Israël naar voren liet komen, werd de stam van Benjamin [door het lot] aangewezen.21Toen hij de stam van Benjamin naar voren liet komen, [opgesteld] naar zijn geslachten, werd het geslacht van Matri aangewezen; en Saul, de zoon van Kis, werd aangewezen. Ze zochten hem, maar hij werd niet gevonden.);
4. bij het oplossen van geschillen (Sp 18:1818Het lot doet geschillen ophouden,
en maakt scheiding tussen de machtigen.
)
;
5. bij het indelen van diverse Levietenorden (1Kr 24:55Zij deelden hen in door het lot, zowel de ene als de andere groep, want de leiders van het heiligdom en de door God [aangestelde] leiders waren uit de zonen van Eleazar en uit de zonen van Ithamar.; 25:88Zij wierpen het lot over de taken, zowel de jongste als de oudste, de volleerde [samen] met de leerling.; 26:1313En zij wierpen, zowel de jongste als de oudste, naar hun families, voor elke poort het lot.; Lk 1:99dat hij naar de gewoonte van het priesterambt door het lot werd aangewezen om te reukofferen, na het tempelhuis van de Heer te zijn binnengegaan.);
6. het aanwijzen wie in Jeruzalem zou wonen (Ne 11:11De vorsten van het volk woonden in Jeruzalem, maar de rest van het volk wierp [het] lot om één op de tien [van het volk naar voren] te brengen om in Jeruzalem, de heilige stad, te gaan wonen, en negen op de tien in de [andere] steden.) en
7. om de vervanger van Judas Iskariot aan te wijzen (Hd 1:2626En zij wierpen het lot over hen en het lot viel op Matthias; en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.).

Er is nog een enkele keer sprake van het werpen van het lot, zonder dat er sprake is van het leren kennen van de wil God. We zien dat het lot bijgelovig geworpen wordt door Haman om de tijd te weten die het meest geschikt zou zijn om de Joden uit te roeien (Es 3:77In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men het 'pur', dat is het lot, in de tegenwoordigheid van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, [tot] de twaalfde maand, dat is de maand Adar.; 9:2424Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van alle Joden, had immers tegen de Joden [het plan] bedacht hen om te brengen, en hij had het 'pur', dat is het lot, geworpen om hen in verwarring te brengen en hen om te brengen.). De soldaten werpen het lot over de kleding van de Heer Jezus (Mt 27:3535Nadat zij Hem nu hadden gekruisigd, verdeelden zij Zijn kleren door [het] lot te werpen.; Mk 15:2424En zij kruisigden Hem en verdeelden Zijn kleren door het lot erover te werpen wat ieder mocht nemen.; Lk 23:3434<Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.> En om Zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover.; Jh 19:2424Zij dan zeiden tot elkaar: Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten van wie dit zal zijn; opdat de Schrift vervuld werd die zegt: ‘Zij hebben Mijn kleren onder elkaar verdeeld en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen’. De soldaten dan hebben dit gedaan;).

Nadat de Heilige Geest op aarde is gekomen, is er geen sprake meer van het werpen van het lot om daardoor de wil van God te leren kennen. De nieuwtestamentische gelovige wordt niet geleid door het lot, maar door het Woord van God en de Geest van God.

Voor “het offer van het hout” treffen we nergens een speciaal gebod van God aan. Toch is wat hier gebeurt naar Gods gedachten, want zonder hout kan niet geofferd worden. Het is een belangrijk offer, zo belangrijk, dat Nehemia dit offer aan het slot van zijn boek nog een keer vermeldt (Ne 13:3131en [ook] voor het offer van het hout op de vastgestelde tijden en voor de eerstelingen. Denk aan mij, mijn God, ten goede.). Als de harten op God en Zijn belangen worden gericht, wordt er ook gedacht aan wat niet uitdrukkelijk in Gods Woord wordt genoemd, maar wat wel belangrijk is voor de dienst in Gods huis.

Hout groeit uit de aarde en is een beeld van de mens als op aarde geboren. Als iedere gelovige iets aandraagt, zodat het brengen van het offer mogelijk wordt, wil dat zeggen dat hij zelf in Gods huis komt. Als de gelovigen niet komen, zullen er immers geen offers worden gebracht.

Het hout wordt op de vastgestelde tijden gebracht, naar de families. Om de beurt zorgt een familie ervoor dat het benodigde hout op de juiste tijd aanwezig is, zodat de offers kunnen worden gebracht. De gemeente heeft haar geregelde bijeenkomsten. Daar komt de hele familie van God samen, om in overeenstemming met Gods Woord en Gods verlangen aan de tafel van de Heer offers te brengen. Het hout verbrandt. Hierin kunnen we zien dat verdwijnt wat wij zelf zijn. Het gaat om het offer. Wat opstijgt, is de geur van het offer, dat is wat de gemeente aan God aanbiedt van de Heer Jezus.


De eerstelingen voor het huis van God

35[Wij nemen de verplichting op ons] om de eerstelingen van onze grond en de eerstelingen van elke vrucht van elke boom jaar op jaar naar het huis van de HEERE te brengen, 36en de eerstgeborenen van onze zonen en van onze dieren, overeenkomstig wat beschreven staat in de wet; en om de eerstgeborenen van onze runderen en van ons kleinvee naar het huis van onze God te brengen, naar de priesters die dienst doen in het huis van onze God. 37En de eerstelingen van ons deeg, onze hefoffers, de vrucht van elke boom, nieuwe wijn en olie zullen wij brengen naar de priesters, naar de [voorraad]kamers van het huis van onze God. De tienden van onze grond [brengen wij] naar de Levieten; de Levieten krijgen de tienden in alle steden waar wij werken.

Het gewillige volk gaat door met hun toewijding aan de HEERE. Ze zijn niet tevreden met een gedeeltelijke overgave. Ze willen in alles gehoorzaam zijn aan de wet. Daarom willen ze ook de eerstelingen van wat het land oplevert aan de HEERE aanbieden (Ex 23:1919De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land moet u in het huis van de HEERE, uw God, brengen. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.; 34:2626De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land moet u in het huis van de HEERE, uw God, brengen. U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.; Lv 19:23-2423Wanneer u in het land komt en allerlei vruchtbomen plant, moet u de vruchten ervan als verboden beschouwen. Drie jaar [lang] zullen ze voor u verboden zijn, er mag niet van gegeten worden.24Maar in het vierde jaar zullen alle vruchten ervan heilig zijn, tot lofzegging voor de HEERE.). Het land is van de HEERE en zij mogen er de vrucht van genieten. Maar ze willen er niet van genieten zonder Hem.

Genieten van al Gods goede gaven, of het nu zegeningen van de aarde of zegeningen in de hemel zijn, is pas echt genieten, als we Hem van Wie we alles hebben gekregen, erbij betrekken. Dat wil Hij ook. Hij heeft er recht op. Het brengen van de eerstelingen is de erkenning dat alles aan de HEERE toebehoort.

Nadat de eerstelingen aan de HEERE zijn aangeboden in Zijn huis, worden ze aan de priesters en Levieten gegeven voor hun levensonderhoud (Nm 18:1313De eerste vruchten van alles wat op hun land is, die zij de HEERE zullen brengen, zullen voor u zijn. Ieder die in uw huis rein is, mag dat eten.; Dt 26:1-111En wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het [zó] zijn2dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.3U moet naar de priester gaan die er in die dagen zal zijn, en tegen hem zeggen: Ik verklaar heden voor de HEERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land dat de HEERE onze vaderen gezworen heeft ons te geven.4Daarop zal de priester de korf uit uw hand nemen en die neerzetten voor het altaar van de HEERE, uw God.5Dan moet u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, betuigen en zeggen: Mijn vader was een verloren Syriër. Hij trok naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling met weinig mensen, maar hij werd daar tot een groot, machtig en talrijk volk.6Maar de Egyptenaren deden ons kwaad, onderdrukten ons en gaven ons harde slavenarbeid [te verrichten].7Toen riepen wij tot de HEERE, de God van onze vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en Hij zag onze ellende, onze moeite en onze onderdrukking.8En de HEERE leidde ons uit Egypte, met een sterke hand, met een uitgestrekte arm, met grote ontzagwekkende daden, met tekenen en met wonderen.9En Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land dat overvloeit van melk en honing.10En nu, zie, ik heb de eerstelingen van de vruchten van het land dat U, HEERE, mij gegeven hebt, gebracht. Dan moet u ze neerzetten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u neerbuigen voor het aangezicht van de HEERE, uw God,11en u verblijden over al het goede dat de HEERE, uw God, aan u en uw gezin gegeven heeft; u, de Leviet, en de vreemdeling die in uw midden is.). Zo gaat de HEERE om met alles wat Hij ons geeft. Als we het aan Hem geven, geeft Hij het aan ons terug als voedsel om onze priesterdienst te verrichten en onze taak als Leviet (onze gave) te kunnen uitoefenen.

Na de eerste opbrengst van het land worden de eerstgeborenen tot de priesters in het huis van God gebracht (Ex 13:11-1511Het zal gebeuren, als de HEERE u in het land van de Kanaänieten gebracht heeft, zoals Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en Hij het u gegeven heeft,12dat u alles wat de baarmoeder opent, aan de HEERE zult afstaan. Ook alles wat [de baarmoeder] opent van de dracht van het vee dat u toebehoort: de mannetjes zullen voor de HEERE zijn.13Maar alles wat [de baarmoeder] van een ezelin opent, moet u vrijkopen met een lam. Als u het niet vrijkoopt, moet u het de nek breken. Maar wat de mensen betreft, moet u alle eerstgeborenen onder uw zonen vrijkopen.14Het zal gebeuren, als uw zoon u morgen vraagt: Wat is dit? dat u tegen hem zult zeggen: De HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte, uit het slavenhuis, geleid.15Want toen de farao zich verhardde [en weigerde] ons te laten gaan, gebeurde het dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte doodde, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee toe. Daarom offer ik aan de HEERE de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent, maar alle eerstgeborenen van mijn zonen koop ik vrij.). Het betreft zowel de eerstgeborenen van de mensen als die van het vee. Ze worden tot de priester gebracht. Priesters offeren. Daarom zien we hier in beeld dat nieuw leven aan God gewijd en geofferd wordt. Hij is de Gever van nieuw leven en heeft er recht op. Wie de ontfermingen van God heeft leren kennen en daardoor nieuw leven heeft gekregen, zal zijn lichaam “tot een levende offerande” aan God ter beschikking willen stellen (Rm 12:11Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, [dat is] uw redelijke dienst.).

Er worden nog meer offers gebracht. Deze offers worden naar de priesters gebracht, niet opdat zij die zullen offeren of opdat ze tot hun levensonderhoud zullen dienen, maar om ze in de vertrekken van Gods huis te brengen. Dit legt de nadruk op het duurzame karakter dat deze offers voor Gods aangezicht hebben. Ze zijn voortdurend in Gods tegenwoordigheid, voor Zijn aandacht. Vervolgens worden de tienden gebracht tot ondersteuning van de Levieten. Als God Zijn deel krijgt, zal er ook zorg zijn voor Zijn dienaren.


De tienden voor het huis van God

38Ook zal er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zijn, als de Levieten de tienden ontvangen. En de Levieten zullen een tiende van de tienden naar het huis van onze God brengen, naar de kamers van het voorraadhuis, 39want de Israëlieten en de Levieten moeten het hefoffer van graan, nieuwe wijn en olie naar de [voorraad]kamers brengen; daar zijn immers de voorwerpen van het heiligdom, de priesters die dienst doen, de poortwachters en de zangers. Wij zullen het huis van onze God niet verwaarlozen.

De heffing van de tienden door de Levieten gebeurt onder toezicht van een priester. Wat dient tot onderhoud van Gods dienaren, behoort op een priesterlijke wijze te worden gegeven. Wat geestelijk aan God wordt aangeboden en wat materieel aan Zijn dienaren wordt gegeven, worden allebei “offers” genoemd (Hb 13:15-1615Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.16En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen.).

De Levieten zullen op hun beurt de tienden geven van de tienden die zij hebben gekregen. De tienden van de Levieten worden naar de kamers van het voorraadhuis in Gods huis gebracht. Daar ligt het in Gods tegenwoordigheid. Hij waakt erover en beschikt erover. Op de juiste tijd zal Hij daaruit geven aan hen die het nodig hebben. Alles wat we toevertrouwen aan de Heer, wordt op de beste manier beheerd. Elke gedachte aan speculatie ontbreekt. Wie in geloof in Gods huis investeert, krijgt het hoogste rendement.

Wie het huis van God niet aan zijn lot overlaat (vgl. Hg 1:4-94Is het voor u wel de tijd
om in uw fraai overdekte huizen te wonen,
terwijl dit huis verwoest ligt?5Nu dan, zo zegt de HEERE van de legermachten:
Let aandachtig op uw wegen.6U zaait veel maar brengt weinig binnen.
U eet maar niet tot verzadiging.
U drinkt maar wordt niet dronken.
U kleedt u, maar wordt niet warm.
De dagloner ontvangt zijn loon in een doorboorde buidel.7Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Let aandachtig op uw wegen.8Ga het gebergte in, haal hout,
en herbouw dit huis.
Dan zal Ik er behagen in scheppen, en verheerlijkt worden,
zegt de HEERE.9U rekent op veel, maar zie, het wordt weinig.
Wat u in huis bracht, daar blies Ik in.
Waarom? spreekt de HEERE van de legermachten.
Vanwege Mijn huis, dat verwoest ligt,
terwijl u zich uitslooft, ieder voor zijn eigen huis.
)
, zal geven. Ondanks de zware belastingheffing door de koning van Perzië (Ne 5:44Verder waren er die zeiden: Wij hebben geld geleend voor de belasting aan de koning, [op] onze velden en onze wijngaarden.), herinnert Nehemia eraan dat de HEERE recht heeft op de eerstelingen. We moeten aan de keizer geven wat van de keizer is en aan God wat van God is (Mt 22:2121Zij zeiden tot Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tot hen: Geeft dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.). Trouw in het geven is een groot onderdeel van een opwekking. Naast trouw in het geven zal er ook trouw zijn in het bezoeken van de samenkomsten van de gemeente. Ook in dat opzicht wordt de zorg voor het huis van God zichtbaar.

Overal waar de liefde van Christus heerst, zal er liefde zijn voor Gods huis. Ondanks dat de heerlijkheid, die er in de dagen van Salomo op is neergedaald, er niet meer is, gaat het hart van het volk naar dat huis uit, omdat het Góds huis is. Dat geldt ook voor ons, die worden opgebouwd “tot een woonplaats voor God in [de] Geest” (Ef 2:2222in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.). De Geest is de Geest van de waarheid Die altijd bij ons en in ons zal zijn (Jh 16:16-1716Een korte tijd, en u aanschouwt Mij niet meer; en nog eens een korte tijd, en u zult Mij zien.17[Sommigen] dan van Zijn discipelen zeiden tot elkaar: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een korte tijd, en u aanschouwt Mij niet; en nog eens een korte tijd, en u zult Mij zien; en: Omdat Ik heenga tot de Vader?).

De zorg voor het huis van God vat alle voorgaande aangegane verplichtingen samen. Onder leiding van Ezra en Nehemia is het volk ertoe gebracht aan de geestelijke dingen prioriteit te geven en daardoor ook de herstelde tempel te voorzien van wat voor de dienst nodig is. De hoofdelementen zijn graan (een beeld van Christus), nieuwe wijn (stelt blijdschap, gemeenschap voor) en olie (een beeld van de Heilige Geest).

Het volk van God besluit hun overeenkomst met de indrukwekkende wens: Wij zullen het huis van onze God niet verwaarlozen.Is dat ook ons verlangen met het oog op wat nu “het huis van onze God” is: “Dat is de gemeente van de levende God, de pilaar en grondslag van de waarheid” (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.)?


Lees verder