Daniël
Inleiding 1 Aanhef van de proclamatie 2-3 Nebukadnezar eert God 4-5 Nebukadnezar krijgt een droom 6-9 Wie weet de uitleg van de droom? 10-12 De boom 13-16 Wat met de boom gebeurt 17 Doel van het bevel 18-19 Daniël moet de droom uitleggen 20-26 De uitleg van de droom 27 Raad van Daniël 28-33 Vervulling van de droom 34-37 Nebukadnezar krijgt zijn verstand terug
Inleiding

In Daniël 4 horen we niets over het gelovig overblijfsel. Het gaat in dit hoofdstuk over de heerser van het wereldrijk. Het sluit wel aan op Daniël 3, waar we, in wat de drie vrienden van Daniël is overkomen, de lotgevallen van het overblijfsel zien. Een ‘gelovig overblijfsel’ is dat waarin God het ware geloof vindt; de kenmerken van het hele volk worden daar gevonden. Samen met Daniël 3 beschrijft dit hoofdstuk de lotgevallen van de twee hoofdrolspelers in de eindtijd, het gelovig overblijfsel en de wereldheerser.

Zoals al eerder is opgemerkt, is er met het aantreden van Nebukadnezar een keerpunt in Gods handelen met Zijn volk en de volken gekomen. God heeft de heerschappij over de wereld, die Hij aanvankelijk aan Israël heeft toebedeeld, gelegd in de handen van een heidense vorst en een heidens rijk. Hiermee zijn “de tijden van de volken” begonnen (Lk 21:2424En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.). Aan die tijden van de volken komt een einde bij de bevrijding van Jeruzalem. Die bevrijding komt vanwege de verzoening door en de komst van de Messias. We zullen dat zien in Daniël 9.

Dat God de heerschappij in handen van een heidense heerser heeft gelegd en Zijn handen van Zijn volk heeft afgetrokken, betekent niet dat Hij de wereld aan zichzelf overlaat. In zekere zin is dat wel het geval, want de wereld gaat zijn eigen gang en daarmee zijn ondergang tegemoet. Tegelijk is het zo, dat God het opperbestuur houdt. Dat zien we in wat met Nebukadnezar gebeurt.

Het onderwerp van Daniël 4 is de hoogmoed van de heerser en hoe God daarmee handelt. Hoogmoed is de oerzonde (1Tm 3:66geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.). Elke andere zonde vloeit daaruit voort. Tegen deze zonde wordt vaak gewaarschuwd en ook wij moeten in ons leven oog hebben voor het gevaar van hoogmoed (Jk 4:66Hij geeft echter grotere genade. Daarom zegt Hij: ‘God weerstaat hoogmoedigen, maar nederigen geeft Hij genade’.; 1Pt 5:55Evenzo u jongeren, weest aan [de] oudsten onderdanig. En weest allen tegenover elkaar met nederigheid omgord; want ‘God weerstaat [de] hoogmoedigen, maar [de] nederigen geeft Hij genade’.; Sp 3:3434De spotters zal Híj wel bespotten,
maar zachtmoedigen zal Hij genade geven.
; 16:1818Trots komt vóór de ondergang,
en hoogmoed komt vóór de val.
; 18:1212Vóór de ondergang verheft zich het mensenhart,
maar nederigheid gaat vóór de eer.
)
.


Aanhef van de proclamatie

1Koning Nebukadnezar aan alle volken, natiën en talen die op de hele aarde wonen: Moge uw vrede groot worden.

Het is wel opmerkelijk dat het getuigenis over de vernedering van Nebukadnezar niet uit de mond van Daniël, maar uit de mond van Nebukadnezar zelf komt. Net zo opmerkelijk is dat hij zijn ervaringen niet ergens in een binnenkamertje aan enkele vertrouwelingen vertelt, maar dat hij wat er met hem is gebeurd aan alle volken meedeelt.

We hebben hier een voorbeeld van een heidens man die onder de werking van Gods Geest dingen meedeelt die hij van nature nooit zou vertellen. Maar als God wil dat deze machtige vorst tegenover de hele wereld getuigenis aflegt van het feit dat Hij de Allerhoogste is en dat Nebukadnezar als machtige vorst niets tegen Hem heeft in te brengen, dan gebeurt dat ook.

Zo zal het ook in de eindtijd gebeuren. Alle volken en vooral hun koningen zullen zich voor de Heer Jezus buigen. Hij, de Messias, is allerhoogste God (Dn 4:22Het behaagt mij de tekenen en wonderen die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft, te kennen te geven.
)
. Dat zal worden erkend door allen “die op de hele aarde wonen”. Zij ‘die op de aarde wonen’, zijn zij die hun ziel en zaligheid aan de aarde verbonden hebben. Zij kijken niet verder dan de aarde en leven alleen daarvoor (Op 3:1010Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen.; 6:1010En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?; 8:1313En ik zag en ik hoorde een arend in [het] midden van de hemel, die met luider stem zei: Wee, wee, wee hun die op de aarde wonen, vanwege de overige stemmen van de bazuin van de drie engelen die gaan bazuinen.; 11:1010En zij die op de aarde wonen, verblijden zich over hen en zijn vrolijk en zullen elkaar geschenken zenden, omdat deze twee profeten hen die op de aarde wonen gepijnigd hadden.; 13:8,12,148En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.; 14:66En ik zag een andere engel vliegen in [het] midden van de hemel, die [het] eeuwig evangelie had, om het te verkondigen aan hen die op de aarde wonen en aan elke natie en geslacht en taal en volk,; 17:2,82met wie de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en zij die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij.8Het beest dat u gezien hebt, was en is niet en zal uit de afgrond opstijgen en ten verderve gaan; en zij die op de aarde wonen, van wie de naam van [de] grondlegging van [de] wereld af niet geschreven is in het boek van het leven, zullen zich verwonderen als zij het beest zien, dat het was en niet is en zal zijn.). Met “de hele aarde” wordt hier bedoeld het deel van de aarde dat bekend is en waarover Nebukadnezar regeert (vgl. Dn 2:3939Na u zal een ander koninkrijk opkomen, lager [van waarde] dan het uwe. Daarna [nog] een ander, het derde koninkrijk, van koper, dat heersen zal over de hele aarde.; Lk 2:11Het gebeurde nu in die dagen dat er een bevel uitging van keizer Augustus dat het hele aardrijk moest worden ingeschreven.).

Het is niet duidelijk wanneer Nebukadnezar deze proclamatie heeft uitgesproken. Het lijkt erop dat hij op het toppunt van zijn macht is en er vrede in zijn rijk heerst (vers 44Ik, Nebukadnezar, leefde zorgeloos in mijn huis en in welstand in mijn paleis.). Als goed heerser en bestuurder wenst hij al zijn onderdanen vergroting van de vrede toe. Ook mensen die geen rekening houden met God, zien vaak de grote zegen van vrede en wensen dat anderen toe.


Nebukadnezar eert God

2Het behaagt mij de tekenen en wonderen die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft, te kennen te geven.
3Hoe groot zijn Zijn tekenen
en hoe machtig Zijn wonderen!
Zijn Koninkrijk is een eeuwig Koninkrijk
en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.

Door te beginnen met “het behaagt mij”, maakt hij duidelijk dat hij als hoofd van zijn rijk niet handelt op bevel van iemand anders. Hij zegt niet dat hij zijn getuigenis geeft omdat God hem daartoe de opdracht heeft gegeven. Hij vindt het goed om dat te doen en daarom doet hij het ook. Dat God hem ertoe aanzet, is hij zich niet bewust.

Hij spreekt echter wel over God als Degene Die door “tekenen en wonderen” met hem heeft gehandeld. Tekenen en wonderen worden vaker in de Schrift samen genoemd (Ex 7:33Maar Ík zal het hart van de farao verharden en Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte talrijk maken.; Dt 4:3434Of heeft God [ooit] getracht om voor Zich een volk uit het midden van een [ander] volk weg te halen, met beproevingen, met tekenen, met wonderen en met strijd, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met grote ontzagwekkende daden, zoals de HEERE, uw God, dat alles met u in Egypte voor uw ogen gedaan heeft?; 13:11Als in uw midden een profeet opstaat of iemand die dromen heeft, en u een teken of wonder geeft,; 34:1111met al de tekenen en wonderen waarmee de HEERE hem gezonden had om die in het land Egypte te doen bij de farao, bij al zijn dienaren en bij heel zijn land;; Js 8:1818Zie, ik en de kinderen die de HEERE mij gegeven heeft, dienen tot tekenen en wonderen in Israël,
afkomstig van de HEERE van de legermachten, Die op de berg Sion woont.
; Jr 32:2020U, Die tekenen en wonderen verricht hebt in het land Egypte tot op deze dag, in Israël en onder [de andere] mensen, en U hebt Uzelf een Naam gemaakt, zoals het heden ten dage is.)
. Niet elk teken is een wonder, maar elk wonder is wel een teken. Tekenen zijn gebeurtenissen of dingen met een bepaalde betekenis.

Een teken hoeft niet iets buitengewoons of bovennatuurlijks te zijn. Als de Heer Jezus geboren is, wordt tegen de herders gezegd dat dit “het teken” voor hen zal zijn: “U zult een Kindje vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe” (Lk 2:1212En dit zal voor u het teken zijn: u zult een Kindje vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.). Een kind in een kribbe en in doeken gewikkeld is geen wonder, het is niets buitengewoons. Maar dit Kind en de wijze waarop Hij in de wereld is gekomen, is wel een teken. Zijn komst op aarde heeft een diepe betekenis.

In een teken toont God Zijn aanwezigheid en macht. Een wonder is iets wat grote verbazing bewerkt, vanwege het onbegrijpelijke en onnavolgbare voor de mens. Een wonder toont Gods aanwezigheid en macht in een bovennatuurlijk handelen met de bedoeling dat de mens tot de erkenning komt dat God handelt.

Nebukadnezar noemt God hier “de allerhoogste God”. Daarmee erkent hij dat God boven alle dingen staat en ook boven zijn eigen goden. Tot deze conclusie komt hij, nadat hij door God op de diepste wijze is vernederd. Een mens erkent pas Gods verhevenheid boven alle dingen als hij heeft ervaren hoe gering hij zelf is. Die ervaring moet God de mens laten opdoen omdat hij zich verheft en beroemt op zijn eigen persoon en werken.

Nebukadnezar is diep onder de indruk van de tekenen en wonderen die de Allerhoogste aan hem heeft gedaan. Hij geeft uiting aan zijn verbazing daarover door te spreken over “hoe groot” en “hoe machtig” ze zijn. Dat houdt in dat hij die tekenen en wonderen ziet als niet te omvatten of te beschrijven of uit te leggen. Ze zijn uniek en met niets te vergelijken. In het leven van Nebukadnezar is dat zichtbaar geworden zowel in zijn vernedering tot de staat van een dier als in zijn herstel, waarbij hij zelfs meer grootheid en heerlijkheid krijgt dan hij vóór zijn vernedering heeft (vers 3636Tegelijkertijd kwam mijn verstand weer in mij terug. Ook kwamen, tot eer van mijn koninkrijk, mijn majesteit en mijn waardigheid weer op mij terug. Mijn raadslieden en machthebbers maakten hun opwachting bij mij. Ik ben in mijn koningschap hersteld. Mij werd [zelfs] meer grootheid verleend.).

Opmerkelijk is zijn belijdenis dat het koninkrijk van God “een eeuwig Koninkrijk” is (Dn 2:4444In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.; 7:14,2714Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap,
en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren.
Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die [Hem] niet ontnomen zal worden,
en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.27Maar het koningschap en de heerschappij
en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel
zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste.
Zijn koninkrijk zal een eeuwig koninkrijk zijn,
en alles wat heerschappij heeft, zal Hem eren en gehoorzamen.
; Ps 145:1313Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, /mem/
Uw heerschappij [omvat] alle generaties.
)
. Het betekent dat hij zijn eigen koninkrijk als voorbijgaand beziet. Zijn hoge dunk is weg en hij geeft God alle eer, zowel in Zijn Persoon als in Zijn koninkrijk. Met dat koninkrijk verbindt Nebukadnezar een heerschappij die is “van generatie tot generatie”. Dat houdt in dat hij het opperbestuur van God erkent door de tijden heen, van het begin van de schepping tot nu toe en ook verder.

Ook voor ons is het belangrijk daaraan vast te houden. De heerschappij van de Heer Jezus in de hele geschiedenis van de mensheid mag ons bemoedigen door eraan te denken dat Hij ook alle heerschappij heeft in ons persoonlijk leven. Er loopt Hem niets uit de hand. Nebukadnezar wordt tot die erkenning gedwongen. Soms moet dat ook wel eens in ons leven gebeuren. Maar het resultaat van die erkenning is dat we ons leven met een gerust hart en met vreugde aan Hem toevertrouwen.


Nebukadnezar krijgt een droom

4Ik, Nebukadnezar, leefde zorgeloos in mijn huis en in welstand in mijn paleis. 5Ik zag [echter] een droom, die mij bevreesd maakte, en de gedachten die ik op mijn bed kreeg en de visioenen die ik voor ogen kreeg, verschrikten mij.

Na zijn inleidende proclamatie over de grootheid van God vertelt Nebukadnezar vertellen er met hem is gebeurd. Hij gaat terug naar het moment dat hij zorgeloos in zijn huis en in welstand in zijn paleis leeft. Hij lijkt alles onder controle te hebben. Van zijn vijanden heeft hij niets te vrezen, want die zijn overwonnen. In zijn paleis, dat wil zeggen zijn regering, loopt alles voorspoedig. Ook intern is alles in orde. Zijn heerschappij is goed gevestigd. Hij is op het hoogtepunt van zijn macht.

Tegelijk is een toestand van rust een gevaarlijke toestand (vgl. Ez 16:4949Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: trots, overvloed van voedsel en zorgeloze rust had zij met haar dochters. De hand van de arme en de behoeftige ondersteunde zij echter niet.; 2Sm 11:1-41Het gebeurde bij het aanbreken van het nieuwe jaar, in de tijd dat de koningen [ten strijde] trekken, dat David Joab en zijn manschappen met hem en heel Israël eropuit stuurde. Zij richtten de Ammonieten te gronde en belegerden Rabba. David bleef echter in Jeruzalem.2Tegen de avond gebeurde het dat David opstond van zijn slaapplaats en op het dak van het huis van de koning wandelde. Vanaf het dak zag hij een vrouw die zich aan het wassen was; deze vrouw nu was heel knap om te zien.3David stuurde [een bode] en liet naar deze vrouw vragen; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, de Hethiet?4Toen stuurde David boden en liet haar halen. Toen zij bij hem gekomen was, sliep hij met haar – zij had zich zojuist van haar onreinheid gezuiverd. Daarna keerde zij terug naar haar huis.) als die rust wordt toegekend aan eigen inspanning. Dan moet God laten zien dat Hij er is. Dat doet Hij door een droom. Nebukadnezar wordt in zijn zorgeloze rust en voorspoed gestoord. Dat gebeurt niet door een vijand van buiten die hij over het hoofd heeft gezien of door een vertrouweling die een paleisrevolutie ontketent, maar door Iemand met Wie hij helemaal geen rekening heeft gehouden.

Een mens kan alles onder controle hebben, maar op zijn geest in onbewuste toestand heeft hij noch een ander mens vat. De Enige Die de geest van een mens tegen diens wil in kan benaderen, is God. Hij kan dat op verschillende manieren doen. Hier doet Hij dat door een droom. Vaak is het zo, dat “de droom komt door veel bezigheid” (Pr 5:22Want [zoals] de droom komt door veel bezigheid,
[zo] ook het gepraat van de dwaas door veelheid van woorden.
)
. Dat is hier niet het geval. God komt opnieuw door een droom zijn leven binnen. De vorige droom, die in Daniël 2, gaat over zijn rijk. De droom die hij nu krijgt, gaat over hem persoonlijk.

De man die voor geen kleintje vervaard is, wordt bevangen door schrik vanwege de visioenen die hij voor ogen krijgt. Op zijn zachte bed, dat wel goed bewaakt zal zijn, dringt Iemand tot hem door Die hem iets te vertellen heeft. Als God een mens wil benaderen, dringt Hij door tot het meest innerlijke van de mens, hoezeer die mens zich ook heeft voorzien van afweermechanismen om te voorkomen dat God hem ‘lastig valt’.


Wie weet de uitleg van de droom?

6Daarom werd door mij bevel gegeven al de wijzen van Babel bij mij te brengen, opdat zij mij de uitleg van de droom zouden laten weten. 7Toen traden de magiërs, de bezweerders, de Chaldeeën en de toekomstvoorspellers binnen, en ik vertelde de droom in hun tegenwoordigheid, maar zij konden mij de uitleg ervan niet laten weten. 8Totdat ten slotte Daniël – zijn naam is Beltsazar, naar de naam van mijn god – bij mij binnentrad, en in wie de geest van de heilige goden is. Ik vertelde in tegenwoordigheid van hem de droom: 9Beltsazar, hoofd van de magiërs, aangezien ik zelf weet dat de geest van de heilige goden in u is en dat geen verborgenheid voor u te moeilijk is, vertel mij de visioenen van mijn droom, die ik gezien heb, te weten de uitleg ervan.

Evenals bij de eerste droom is het bij deze tweede droom voor Nebukadnezar duidelijk dat het niet zomaar een droom is. Hij beseft dat het een droom met een boodschap is. Die boodschap wil hij weten. Om achter de betekenis van de droom te komen laat hij alle wijzen van Babel aantreden. Ze staan als een grote groep om hem heen. In tegenstelling tot de eerste droom (Dn 2), die hij mogelijk werkelijk vergeten was, vertelt hij nu wel wat hij heeft gedroomd.

Maar al zijn geleerden schieten tekort; ze kunnen hem de uitleg niet vertellen. Toen ze waren geroepen naar aanleiding van zijn eerste droom, hebben ze nog beweerd dat Nebukadnezar de droom maar hoefde te vertellen en dat zij hem dan de uitleg zouden vertellen (Dn 2:4,74Toen spraken de Chaldeeën tot de koning, [in het] Aramees: O koning, leef in eeuwigheid! Vertel uw dienaren de droom, dan zullen wij de uitleg [ervan] te kennen geven.7Zij antwoordden voor de tweede keer en zeiden: Laat de koning zijn dienaren de droom vertellen, dan geven wij de uitleg [ervan] te kennen.). Het is duidelijk waarom ze ook nu de droom niet kunnen uitleggen al heeft hij die nu wel verteld. De droom is namelijk van God afkomstig en alleen God kan dan ook de uitleg geven, want niemand kent het innerlijk van God dan de Geest van God (1Ko 2:1111Want wie van de mensen kent het innerlijk van de mens, dan de geest van de mens die in hem is? Zo kent ook niemand het innerlijk van God, dan de Geest van God.).

Ten slotte komt Daniël. Is hij Daniël vergeten? Of is het zijn eer te na om weer door een Joodse balling geholpen te moeten worden? In elk geval kan hij niet om hem heen. Daniël verschijnt op het toneel als alle wereldse wijsheid heeft gefaald en geen oplossing heeft kunnen geven. Na zijn eerdere ervaring met het uitleggen van dromen zou het begrijpelijk zijn geweest als de koning het eerst aan Daniël had gedacht. Maar zo snel vergeet de mens, en zeker de mens die niet met God leeft, het vroegere handelen van God in zijn leven. De les moet opnieuw worden geleerd.

De laatsten aan wie de wereld denkt, zullen de eersten zijn die door God worden erkend. We zien dat ook bij de vrouw die voor haar ziekte alles heeft uitgegeven aan dokters. Als er niemand is die haar heeft kunnen helpen, als alle hulpbronnen die zij heeft aangeboord, geen resultaat hebben opgeleverd, gaat ze ten slotte naar de Heer Jezus. Bij Hem vindt ze de zo lang gezochte en begeerde genezing (Mk 5:25-3425En een vrouw die twaalf jaar een bloedvloeiing had gehad26en veel had geleden van vele artsen, en alles wat van haar was, besteed en geen enkele baat gevonden had maar veeleer achteruit was gegaan,27had over Jezus gehoord en kwam in de menigte van achteren en raakte Zijn kleed aan;28want zij zei: Als ik maar Zijn kleren aanraak, zal ik behouden worden.29En terstond droogde de bron van haar bloeding op en zij merkte aan haar lichaam, dat zij van de kwaal gezond was geworden.30En terstond onderkende Jezus in Zichzelf de kracht die van Hem was uitgegaan, keerde Zich om in de menigte en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt?31En Zijn discipelen zeiden tot Hem: U ziet dat de menigte tegen U opdringt, en U zegt: Wie heeft Mij aangeraakt?32En Hij keek rond om haar te zien die dat had gedaan.33De vrouw nu, bang en bevend, daar zij wist wat er met haar was gebeurd, kwam en viel voor Hem neer en zei Hem de hele waarheid.34En Hij zei tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal.). Zo nemen veel mensen pas hun toevlucht tot de Bijbel als alle andere boeken niet hebben gegeven wat ze zochten. Gods Woord is de laatste toevlucht.

Als Nebukadnezar over Daniël spreekt en ook als hij hem aanspreekt, blijkt hij nog steeds een afgodendienaar te zijn. Hij verbindt Daniël met zijn god, ziet Daniël als iemand in wie de geest van de heilige goden is en spreekt hem aan als “hoofd van de magiërs”. Hij twijfelt er niet aan dat Daniël inzicht heeft in de meest verborgen dingen. Vol vertrouwen in de ‘vakkundigheid’ van Daniël om dromen uit te leggen, vertelt hij hem zijn droom.


De boom

10De visioenen nu die ik voor ogen kreeg op mijn bed, waren [deze]:
Ik zag,
en zie, een boom,
midden op de aarde,
groot was zijn hoogte.
11De boom werd groot en sterk,
zijn hoogte reikte tot de hemel
en hij was te zien tot aan het einde van heel de aarde.
12Zijn loof was prachtig en zijn vruchten waren talrijk,
er zat voedsel aan voor allen.
Onder hem vonden de dieren van het veld schaduw
en de vogels in de lucht woonden in zijn takken.
Alle schepselen werden door hem gevoed.

Nebukadnezar ziet een boom. Eerst noemt hij de plaats waar deze boom staat, “midden op de aarde”. Dan spreekt hij over de hoogte ervan, het is een boom van grote hoogte. Maar er zit ook nog groei in de boom. Hij neemt toe in grootte en sterkte. Hij wordt zo hoog, dat hij tot de hemel reikt. Vanwege zijn enorme hoogte is hij “te zien tot aan het einde van heel de aarde”. Overal waar mensen wonen, kunnen ze de boom zien.

Het is ook nog eens een prachtige boom om te zien. Tevens levert de boom talrijke vruchten die als “voedsel … voor allen” dienen. Ten slotte blijkt de boom schaduw voor de dieren op aarde en een woonplaats voor de vogels in de lucht te bieden. Zo is deze boom voor alle schepselen een weldaad.

In de uitleg wordt duidelijk dat deze boom Nebukadnezar voorstelt. Bomen worden wel vaker gebruikt als een beeld van een mens (Ez 17:22-2322Zo zegt de Heere HEERE: Ík zal Zelf [een deel] van de kruin van de hoge ceder nemen en [in de grond] zetten. Van de top met zijn jonge loten zal Ik een breekbaar [twijgje] afplukken en Ik zal dat Zelf op een hoge en verheven berg planten.23Op de hoge berg van Israël zal Ik het planten. Het zal takken dragen, vruchten vormen en een machtige ceder worden, zodat daaronder allerlei soorten vogels zullen wonen: in de schaduw van zijn takken zullen ze wonen.; 31:3,183Zie, Assyrië was een ceder op de Libanon, [met] mooie takken,
[als] een woud dat schaduw geeft en hoog van stam is;
zijn kruin reikte tot in de wolken.
18Met wie bent u dus in luister en grootheid
te vergelijken onder de bomen van Eden?
U zult met de bomen van Eden in de onderste plaatsen van de aarde neergestort worden. Te midden van onbesnedenen zult u liggen, met hen die vielen door het zwaard. Dat is de farao en zijn hele menigte, spreekt de Heere HEERE.
; Ps 1:33Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
; 92:1313De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
hij zal opgroeien als een ceder op de Libanon.
)
. In het beeld dat hem in de boom wordt geschetst, zien we Nebukadnezar als het centrum van de aarde. Hij is de wereldheerser. Zijn macht neemt nog meer toe. Tegelijk zien we dat zijn macht tot de hemel reikt, wat aangeeft dat hij zijn macht zelfs tot in de hemel wil uitbreiden.

Het herinnert aan de torenbouw van Babel (Gn 11:44En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!). Die toren moet ook tot aan de hemel reiken en over de hele aarde zichtbaar zijn. Het is een uiting van de hoogmoed van de mens en van zijn opstand tegen God. We zien dat ook hier bij Nebukadnezar, de koning van Babel. Babel is het zinnebeeld van hoogmoed en ongehoorzaamheid gekoppeld aan afgoderij.

De heerschappij van Nebukadnezar heeft voor zijn rijk aanzien gebracht en ook een goed leven voor al zijn onderdanen die zich naar zijn heerschappij schikken. Tegelijk echter zien we hoe er in zijn rijk ook plaats is voor allerlei gedierte, zowel voor dieren op aarde als dieren die in het luchtruim leven, de vogels. De vogels van de lucht stellen vaak demonische machten en invloeden voor die een verderfelijke invloed op de geest van de mens uitoefenen (Op 18:22En hij riep met krachtige stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden.; Mt 13:3232het is wel kleiner dan alle zaden, maar als het is opgegroeid, is het groter dan de groenten en wordt een boom, zodat de vogels van de hemel in zijn takken komen nestelen.).


Wat met de boom gebeurt

13Ik zag [verder] in de visioenen die ik voor ogen kreeg op mijn bed, en zie, een wachter, namelijk een heilige, daalde neer uit de hemel.
14Hij riep met kracht en sprak als volgt:
Houw die boom om, kap zijn takken,
stroop zijn loof af, verstrooi zijn vruchten,
zodat de dieren er vanonder wegvluchten
en de vogels van zijn takken.
15Maar laat de stam
[met] zijn wortels in de aarde,
en [wel] in een ijzeren en koperen band,
in het jonge gras van het veld.
Laat hem bevochtigd worden door de dauw van de hemel
en laat zijn deel, samen met de dieren, in het gras van de aarde zijn.
16Laat zijn hart worden veranderd, zodat het niet meer dat van een mens is,
laat hem het hart van een dier worden gegeven.
Laten er zeven tijden over hem voorbijgaan.

Het is alsof Nebukadnezar na de beschrijving van de boom even adem haalt. Er komt nog meer. Er zal namelijk iets met de boom gebeuren. Dat wordt hem bekendgemaakt in het vervolg van zijn visioen of droom. Hij vertelt Daniël dat hij in zijn droom ziet dat “een wachter, namelijk een heilige”, uit de hemel neerdaalt. Het lijkt erop dat we hierbij aan een engel moeten denken. De engel zegt wat met de boom moet gebeuren. Dat gebeurt niet met zachte stem, maar met een krachtige uitroep.

De kracht waarmee wordt gesproken, past bij de inhoud van wat wordt gezegd. Er moet met kracht met de boom worden afgerekend. De boom moet worden omgehouwen, en aan elke zegen die aan de boom is verbonden, moet een einde worden gemaakt. Er mag niets meer overblijven van zijn indrukwekkende gestalte die overal op aarde zichtbaar is. Alles wat de boom biedt aan schaduw, woonplaats en voedsel, moet verdwijnen. Zo zal het met alle voorspoed gaan waarop de mens vertrouwt.

Maar het afhouwen van de boom betekent niet het definitieve einde van de boom. Dat blijkt uit het bevel dat de stam met zijn wortels in de aarde moeten blijven. Hierin ligt de belofte opgesloten van een toekomstig herstel (vgl. Jb 14:7-97Want voor een boom is er, als hij omgehakt wordt, [nog] hoop
dat hij zich weer vernieuwt,
en zijn jonge loten niet ophouden [uit te lopen].
8Al wordt zijn wortel in de aarde oud,
en sterft zijn stronk in het stof,
9bij het ruiken van water zal hij [weer] uitlopen,
en maakt hij [weer] een twijg, zoals een plant.
; Js 6:1313Al zal daarin nog een tiende deel [over] zijn,
het zal weer verwoest worden.
[Maar] zoals van de eik en de haageik
na het omhakken een stronk overblijft,
zal hun stronk een heilig zaad zijn.
; 11:11Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
)
. Tot die tijd wordt de stam door een “ijzeren en koperen band” in bedwang gehouden om voortijdige opbloei te voorkomen. Tot dat ogenblik staat de stam “in het jonge gras van het veld”. Van de boom die zich ver boven het gras verheft, is niets meer over. Hij is gelijk geworden aan het gras en voor de voorzetting van het leven net zo afhankelijk van de dauw als het tere, vergankelijke gras.

De stam is daarmee teruggebracht tot zijn oorspronkelijke nietigheid. “Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem van [het] gras. Het gras verdort en de bloem valt af, maar het Woord van [de] Heer blijft tot in eeuwigheid” (1Pt 1:24-2524Want: ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem van [het] gras. Het gras verdort en de bloem valt af,25maar het Woord van [de] Heer blijft tot in eeuwigheid’. Dit nu is het Woord dat u verkondigd is.). Dat maakt de overstap in vers 1616Laat zijn hart worden veranderd, zodat het niet meer dat van een mens is,
laat hem het hart van een dier worden gegeven.
Laten er zeven tijden over hem voorbijgaan.
van het beeld van de boom naar een mens en een dier minder vreemd. De boom, die de mens Nebukadnezar voorstelt, heeft een hart. Maar omdat zijn hart niet op God is gericht, moet zijn hart veranderen in het hart van een dier.

De omgehouwen boom, waarvan alleen de stam is overgebleven, is vergelijkbaar met een dier. Een boom is verbonden met de aarde. Een boom heeft ook geen enkel besef van God. Zo is het ook met een dier. Een dier is verbonden met de aarde en heeft geen enkel besef van God. Dat moet Nebukadnezar aan den lijve gaan ervaren (Pr 3:1818Wat de mensenkinderen betreft, zei ik in mijn hart dat God hen zal toetsen, en dat zij zullen inzien dat zij voor zichzelf [als] de dieren zijn.).

In die situatie zal hij zeven tijden, mogelijk zeven jaren, blijven. Er zal een volkomen – het getal zeven is het getal van volkomenheid – periode verstrijken, voordat Nebukadnezar weer hersteld zal zijn. De tucht van God moet een volkomen uitwerking hebben.


Doel van het bevel

17Dit bevel berust op het besluit van de wachters
en dit verzoek op het woord van de heiligen,
opdat de levenden erkennen dat de Allerhoogste Heerser is over het koningschap van mensen en dat geeft aan wie Hij wil, en daarin zelfs de laagste onder de mensen aanstelt.

De droom eindigt met de vermelding dat het besluit vastligt in de hemel. Engelen stemmen ermee in. Elk besluit dat God neemt, krijgt altijd de instemming van alle hemelingen. Wat met Nebukadnezar zal gebeuren, is de inwilliging van een “verzoek op het woord van de heiligen”. Het kan zijn dat hier met andere woorden hetzelfde wordt gezegd als in het eerste deel van de zin. Een aanwijzing daarvoor zien we in het gebruik van het woord “wachters” in het eerste deel van de zin en het gebruik van het woord “heiligen” in het tweede deel van de zin. In vers 1313Ik zag [verder] in de visioenen die ik voor ogen kreeg op mijn bed, en zie, een wachter, namelijk een heilige, daalde neer uit de hemel.
is sprake van “een wachter, namelijk een heilige” waaruit duidelijk blijkt dat met ‘wachter’ en ‘heilige’ een en dezelfde persoon worden bedoeld. Nog een aanwijzing dat het om hemelse wezens lijkt te gaan, is het contrast met “de levenden” die in de volgende zin worden genoemd. Daarmee worden alle op aarde levende mensen bedoeld.

Het doel van Gods handelen met Nebukadnezar is dat alle mensen op aarde tot de erkenning komen dat Hij regeert. Dat geldt niet alleen voor de mensen in het algemeen, maar zeker ook voor alle hooggeplaatsten (vgl. 1Tm 2:1-21Ik vermaan dan allereerst dat smekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen,2voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een rustig en stil leven leiden in alle Godsvrucht en eerbaarheid.). Het gaat hier immers over Nebukadnezar en het koningschap dat God geeft aan wie Hij wil. Voor Gods kinderen is dit een bemoediging, omdat zij vaak te maken hebben met regeringen die zich niets van God aantrekken en hun verbieden naar Gods wil te leven. Regeerders kunnen alleen macht uitoefenen binnen de ruimte die God hun daarvoor geeft. Het is zelfs zo, dat Hij bepaalt aan wie Hij regeringsmacht geeft (Dn 2:2121Hij verandert de tijden en gelegenheden,
Hij zet koningen af en stelt koningen aan,
Hij geeft de wijsheid aan wijzen,
de kennis aan wie verstand hebben.
; Rm 13:1b1Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.)
. Hij kan “zelfs de laagste onder de mensen” een positie van eer geven (1Sm 2:88Hij verheft de geringe uit het stof;
uit het vuil verhoogt Hij de arme
om [hen] bij edelen te doen zitten,
om hen een erezetel te laten verkrijgen.
Want de grondvesten van de aarde zijn van de HEERE
en Hij heeft de wereld daarop geplaatst.
; Jb 5:1111om de nederigen op een hoogte te plaatsen,
om de treurenden in een veilige vesting van heil te zetten.
; Ps 113:7-87Die de geringe opricht uit het stof,
de arme verheft uit het vuil,
8om [hem] te doen zitten bij edelen,
bij de edelen van Zijn volk;
; 75:7-87Want niet uit het oosten of uit het westen
of uit de woestijn [komt] het verhogen,
8maar God is Rechter:
Hij vernedert de een en verhoogt de ander.
)
. David, die de laagste onder zijn broers is, is daarvan een mooi voorbeeld.


Daniël moet de droom uitleggen

18Deze droom heb ík, koning Nebukadnezar, gezien. En u, Beltsazar, vertel de uitleg ervan, omdat geen van al de [andere] wijzen van mijn koninkrijk mij de uitleg [ervan] heeft kunnen laten weten. U bent er [wel] toe in staat, want de geest van de heilige goden is in u. 19Toen stond Daniël – zijn naam is Beltsazar – een enkel ogenblik verbijsterd. Zijn gedachten verschrikten hem. De koning antwoordde en zei: Beltsazar, laten de droom en de uitleg ervan u niet verschrikken. Beltsazar antwoordde en zei: Mijn heer, moge de droom [overkomen] wie u haten en de uitleg ervan uw tegenstanders.

Nadat Nebukadnezar de droom heeft verteld die hij heeft gezien, zegt hij tegen Daniël hem de uitleg ervan te vertellen. Hij zegt erbij dat al zijn wijzen in gebreke zijn gebleven hem de uitleg te vertellen. Enerzijds is Daniël zijn laatste hoop, anderzijds twijfelt hij er niet aan dat Daniël hem de uitleg zal geven. Hij schrijft dat weer toe aan de heilige goden. Tegelijk beseft hij dat het niet zijn goden zijn.

Als Daniël de droom heeft gehoord, weet hij direct de uitleg. Daarover raakt hij verbijsterd. Hoe lang die verbijstering duurt, waardoor hij niet in staat is een woord te spreken, is niet duidelijk. Het is in elk geval zo lang, dat de koning aan hem ziet dat de uitleg van de droom Daniël verschrikt en dat hij hem moet aansporen de uitleg te vertellen.

Het kan ons misschien verbazen dat Daniël van de droom is geschrokken. De droom maakt toch bekend dat Nebukadnezar een geduchte les te leren krijgt? Zou hij niet juist blij mogen zijn? Dit is even een mooie gelegenheid om Nebukadnezar sarcastisch te vertellen wat er met hem zou gebeuren. Die man heeft immers zijn volk, dat is Gods volk, zoveel kwaad gedaan. En hij is zelf door hem uit het land van God weggevoerd. Maar van enig wraakgevoel of leedvermaak is geen spoor te vinden. Integendeel, Daniël schrikt van het oordeel dat over de koning zal komen.

Dat brengt ons wel tot de vraag hoe het is met onze bewogenheid over al die mensen die regelrecht naar de hel op weg zijn en daar ook zullen komen als ze zich niet bekeren. In zijn algemeenheid hebben we die bewogenheid misschien wel en roepen wij, gedrongen door de liefde van Christus, de mensen op om zich te bekeren. Maar is die bewogenheid er ook voor hen onder wie wij lijden, die ons het leven moeilijk of misschien wel bijna ondraaglijk maken?

Door Gods genade voelt Daniël geen haat tegen Nebukadnezar, maar medelijden. Paulus roept op om te bidden voor alle mensen en speciaal voor hen die in hoogheid zijn, zoals de wrede keizer van Rome (1Tm 2:1-21Ik vermaan dan allereerst dat smekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen,2voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een rustig en stil leven leiden in alle Godsvrucht en eerbaarheid.). Als we harten hebben als Daniël en Paulus, zullen we voor zulke heersers bidden. We zullen hun niet de hel toewensen, maar voor hen wensen dat ze behouden worden (Hd 26:2929Paulus echter zei: Ik zou God wel willen bidden dat én straks én voor lange tijd niet alleen u, maar ook allen die mij vandaag horen, zodanig werden zoals ook ik ben, uitgezonderd deze boeien.).


De uitleg van de droom

20De boom die u gezien hebt – hij was groot en sterk geworden, zijn hoogte reikte tot aan de hemel en hij was te zien over heel de aarde, 21zijn loof was prachtig en zijn vruchten talrijk, er zat voedsel aan voor allen, de dieren van het veld verbleven eronder en de vogels in de lucht nestelden in zijn takken – 22dat bent u, o koning, u die groot en sterk bent geworden. Want uw grootheid is [zo] toegenomen dat ze reikt tot de hemel, en uw heerschappij [reikt] tot het einde van de aarde. 23Dat nu de koning een wachter, namelijk een heilige, heeft zien neerdalen uit de hemel, die zei: Houw deze boom om, vernietig hem, maar laat de stam [met] zijn wortels in de aarde, en [wel] met een ijzeren en koperen band in het jonge gras van het veld; laat hem bevochtigd worden door de dauw van de hemel en laat zijn deel met de dieren van het veld zijn, totdat er zeven tijden over hem voorbij zijn gegaan – 24dit is de uitleg [ervan], o koning, en het is een besluit van de Allerhoogste dat mijn heer de koning overkomt: 25Men zal u namelijk uit de mensen[wereld] verstoten, en u zult uw verblijf hebben bij de dieren van het veld. Men zal u gras te eten geven, zoals runderen, en u zult bevochtigd worden door de dauw van de hemel. Zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat u erkent dat de Allerhoogste Heerser is over het koningschap van de mensen en dat geeft aan wie Hij wil. 26Dat er ook gezegd is dat men de stam [met] de wortels van de boom moest laten [staan] – uw koningschap zal bestendig zijn nadat u erkend zult hebben dat de [God van] de hemel de Heerser is.

In zijn uitleg van de droom begint Daniël met een bijna woordelijke herhaling van het eerste deel van de droom. Hierdoor laat hij Nebukadnezar merken dat hij de droom goed heeft gehoord en begrepen. Door de droom nog eens te herhalen zal de koning nog sterker de toepassing ervan ondergaan. Direct na zijn herhaling van dit deel van de droom zegt Daniël van de boom: “Dat bent u, o koning.”

Zo heeft hij het Daniël bij de uitleg van de eerste droom ook horen zeggen: “U bent dat gouden hoofd” (Dn 2:3838Overal waar de mensenkinderen wonen, heeft Hij de dieren van het veld en de vogels in de lucht in uw hand gegeven. Hij heeft u aangesteld tot heerser over dit alles. U bent dat gouden hoofd.). Dat zal hem hebben gevleid. Ook de toepassing van de boom op hem zou hij met genoegen hebben gehoord als er niet meer zou volgen. Zijn grootheid is overweldigend, zowel in de hoogte – die “reikte tot aan de hemel” – als in de breedte – “hij was te zien over heel de aarde”.

Dan herhaalt Daniël het gedeelte van de droom dat over de wachter gaat en wat deze heeft gezegd. Hij doet dat in wat sterkere bewoordingen dan in de weergave van Nebukadnezar. Zo spreekt Daniël over “vernietig hem”. In wat de wachter zegt, zien we wat de hemel denkt over deze geweldige boom, over deze geweldige Nebukadnezar, die van zichzelf onder de indruk is en van wie mensen onder de indruk zijn.

De hemel zegt: “Wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God” (Lk 16:1515En Hij zei tot hen: U bent het die u rechtvaardig voordoet voor de mensen, maar God kent uw harten; want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor God.). Daarom klinkt de stem uit de hemel: ‘Omhouwen die zaak, en van alle uiterlijke schijn mag niets overblijven.’ Van de boom moet echter de stam blijven staan. Er wordt geen definitief einde aan het leven van Nebukadnezar gemaakt. Dat wordt aangegeven door het woord “totdat”. Het betreft een tijdelijke vernedering en wel voor de duur van zeven tijden.

Na de herhaling van het tweede deel van de droom legt Daniël uit wat de betekenis is. Hij leidt de uitleg in met de ernstige verzekering dat wat Nebukadnezar volgens de uitleg overkomt, “een besluit van de Allerhoogste is”. Hiermee plaatst hij de koning, die hij met gepaste eerbied aanspreekt met “mijn heer de koning”, in de tegenwoordigheid van God als de Allerhoogste. Het gaat erom dat Nebukadnezar wordt overtuigd van Zijn bestaan en Zijn soevereiniteit. Wat hem zal overkomen, is een besluit van de Allerhoogste en daarom niet door een mens aan te passen of te negeren.

De inhoud van het besluit is dat Nebukadnezar uit het woongebied van de mensen zal worden verstoten en te midden van de dieren zal verblijven. Zijn plaats tussen de mensen zal hij kwijtraken en hij zal zich begeven in het gezelschap van de dieren en zich gedragen als een van hen. Zijn woning, zijn voedsel, zijn kleding, zijn waardigheid, alles wat zijn grootheid als mens uitmaakt, verliest hij. In plaats daarvan zal hij in het open veld zijn, zonder bedekking, en zal hij gras eten als een rund. Hij zal zijn dorst niet meer lessen met uitgelezen wijnen, maar genoegen moeten nemen met de dauw van de hemel.

De vernedering is voltooid en eindigt als hij “erkent dat de Allerhoogste Heerser is over het koningschap van de mensen en dat geeft aan wie Hij wil”. Voordat hij zover is, zullen er zeven tijden zijn voorbijgegaan, een volkomen periode. Dat er een einde aan die periode van vernedering komt, ligt opgesloten in de woorden “dat men de stam [met] de wortels van de boom moest laten [staan]”, woorden die Nebukadnezar ook heeft gehoord. Daniël voegt eraan toe dat na zijn erkenning “dat [de God] van de hemel de Heerser is”, zijn koningschap bestendig zal zijn.

Voor ieder mens geldt dat er pas een verbinding met God kan komen, wanneer hij erkent dat God de Allerhoogste Heerser is over alles. God is soeverein. Het erkennen daarvan geeft rust aan het gemoed. Dat moeten wij ook als gelovigen regelmatig leren in ons leven, waarin zoveel dingen kunnen gebeuren waaruit blijkt dat we dit vergeten zijn.


Raad van Daniël

27Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn: breek met uw zonden door gerechtigheid [te betrachten] en met uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen. Misschien zal er [dan] verlenging van uw voorspoed zijn.

Als Daniël de droom heeft uitgelegd, voegt hij er nog een persoonlijk woord aan toe. Hij geeft Nebukadnezar ongevraagd, maar uit pure bewogenheid, de raad om met zijn zonden te breken. De heerschappij van Nebukadnezar die door allen die zich aan hem onderwerpen als een weldaad wordt ervaren, betekent niet dat hij geen zondaar is en geen ongerechtigheden doet. Zijn heerschappij is geen rechtvaardige heerschappij. Hij leeft voor zichzelf. Daniël wijst hem erop dat hij de ellendigen geen genade bewijst. Wil hij verlenging van zijn voorspoed, dan moet hij daar verandering in aanbrengen. Dat kan alleen als hij zich bekeert en met zijn hart God als de Heerser over alles erkent.

Wat Daniël zegt, betekent niet dat Nebukadnezar door nu rechtvaardig te gaan handelen en genade te gaan bewijzen, zijn zonden ongedaan kan maken. Het is niet mogelijk op grond van goede werken van zonden gereinigd te worden. Een mens raakt zijn zonden alleen kwijt door ze te belijden en te geloven in het verzoenend sterven van Christus. In de tijd dat de Heer Jezus nog niet is gekomen, kan God zonden vergeven met het oog op het offer dat Christus zal brengen (Rm 3:23-2623Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God,24en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is.25Hem heeft God gesteld tot een genadetroon door <het> geloof, in Zijn bloed, tot betoning van Zijn gerechtigheid wegens het voorbij laten gaan van de zonden die tevoren hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God;26tot betoning van Zijn gerechtigheid in de tegenwoordige tijd, opdat Hij rechtvaardig is en hem rechtvaardigt die op grond van geloof in Jezus is.). Voor de mens is er voor en na het kruis niets veranderd. God vergeeft zonden alleen op grond van belijdenis (1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.), waarbij de grondslag voor de vergeving het offer van Christus is (Hb 9:22b22En met bloed wordt bijna alles naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving.).


Vervulling van de droom

28Dit alles overkwam koning Nebukadnezar. 29Na verloop van twaalf maanden was hij aan het wandelen op [het dak van] het koninklijk paleis van Babel. 30De koning nam het woord en zei: Is dit niet het grote Babel dat ík als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterke macht en ter ere van mijn majesteit? 31Dit woord was nog in de mond van de koning [of] er klonk een stem vanuit de hemel: U, koning Nebukadnezar, wordt aangezegd: Het koningschap is van u weggegaan! 32Men zal u uit de mensen[wereld] verstoten en u zult uw verblijf hebben bij de dieren van het veld. Men zal u gras te eten geven zoals aan de runderen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u erkent dat de Allerhoogste Heerser is over het koningschap van de mensen en dat geeft aan wie Hij wil. 33Op hetzelfde moment werd dat woord over Nebukadnezar voltrokken. Hij werd uit de mensen[wereld] verstoten, hij at gras zoals runderen, en zijn lichaam werd bevochtigd door de dauw van de hemel, totdat zijn haar zo lang werd als [de veren] van arenden en zijn nagels als [die] van vogels.

Het besluit staat vast, zo heeft Nebukadnezar te horen gekregen. Maar hij heeft ook de raad van Daniël te horen gekregen. Als het besluit van God vaststaat dat een zondaar naar de hel gaat, maar de zondaar laat zich waarschuwen, dan komt er een keer in zijn lot. Zo had ook het voorzegde niet over Nebukadnezar hoeven te komen als hij zich had laten waarschuwen. Hij heeft de waarschuwing echter niet ter harte genomen. Na verloop van tijd, dat wil zeggen na een jaar, wordt openbaar wat er in het hart van Nebukadnezar is en gebeurt er wat hem is aangezegd in zijn droom die hem is uitgelegd door Daniël.

Hij wandelt in grote zelfvoldaanheid op het dak van zijn paleis en kijkt naar Babel. Zijn hart zwelt op van trots. Hij geeft uiting aan zijn trots door het woord te nemen en zichzelf te eren. Alles wat hij ziet, is aan hem te danken, hij heeft het eigenmachtig, in eigen kracht gedaan en hem komt daarvoor alle eer toe.

Er is bij hem geen enkele gedachte aan God, hij negeert God eenvoudig, noemt Hem niet, rekent niet met Hem. Hij erkent niet dat hij zijn macht aan God te danken heeft. Al zijn bouwwerken verkondigen zijn heerlijkheid. Hij ziet zijn eigen naam op alles wat Babel is. Hier zien we een staaltje van hoogmoed. De hoogmoed is de zonde van de duivel (1Tm 3:66geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.). Het is de eerste zonde in de schepping.

Heel wat mensen hebben een eigen koninkrijkje, bijvoorbeeld in een bedrijf met verschillende afdelingen waar iedere chef zijn afdeling bestuurt als een eigen koninkrijk. Het kan ook opgaan voor een vader die zijn gezin als een eigen koninkrijk beziet en alles wat er aan fraais wordt gevonden aan zijn eigen verdienste toeschrijft. Misschien hebben we zelf wel iets waarvan we vinden dat we daarin net wat beter zijn dan een ander. Als we ons daarop beroemen, is dat hoogmoed.

We moeten leren dat het woord waar is: “Wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En als u het dan hebt ontvangen, waarom beroemt u zich, alsof u het niet had ontvangen?” (1Ko 4:77Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En als u het dan hebt ontvangen, waarom beroemt u zich, alsof u het niet had ontvangen?). De Heer Jezus is onder Zijn discipelen als Eén Die dient. Hij heeft nooit ergens over opgeschept. Integendeel, Hij heeft Zichzelf vernederd. Nebukadnezar ervaart de waarheid van het woord: “God weerstaat hoogmoedigen” (Jk 4:66Hij geeft echter grotere genade. Daarom zegt Hij: ‘God weerstaat hoogmoedigen, maar nederigen geeft Hij genade’.). Dat zullen wij ook ervaren als we hoogmoedig zijn.

De koning is nog niet uitgesproken, de klank van de woorden is nog niet weggestorven, of er klinkt een andere stem, een stem uit de hemel. Die stem laat een proclamatie horen: “Het koningschap is van u weggegaan!” Vanaf het ogenblik dat hij zich beroemt op zijn prestaties, is hij zijn koningschap kwijt. Een gelovige die zich op eigen werken beroemt, verliest ook zijn koninklijke waardigheid en krijgt de hemel tegen zich. Wat een contrast met de Heer Jezus. Boven Hem klinkt uit de hemel de stem van “God [de] Vader” Die van Hem getuigt: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden” (2Pt 1:1717Want Hij ontving van God [de] Vader eer en heerlijkheid, toen van de luisterrijke heerlijkheid zo’n stem tot Hem kwam: ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’.).

Alles wat over Nebukadnezar is gezegd, komt over hem. Hij wordt op hetzelfde ogenblik van zijn verstand beroofd. Hij is plotseling krankzinnig en wordt in zijn gedrag gelijk “aan de dieren, [die] vergaan” (Ps 49:2121De mens, [die wel] in aanzien is, maar geen inzicht heeft,
wordt gelijk aan de dieren, [die] vergaan.
)
. Zoals is aangekondigd, wordt hij door de mensen verstoten en neemt als een rund zijn plaats in tussen de runderen. Daar staat hij in het open veld en eet gras. Zo gaan zeven tijden over hem heen.

Aan de beschrijving van de droom door Nebukadnezar en de herhaling daarvan door Daniël wordt nu nog toegevoegd dat zijn haar en zijn nagels al die tijd doorgroeien. Van enige lichamelijke verzorging is geen sprake. Het beeld van de eens zo machtige heerser vervaagt steeds meer.

Zo nietig is zelfs de machtigste man op aarde als hij zich verheft tegen God door zichzelf op de plaats van God te stellen. Een dier heeft geen bewustzijn van zijn Schepper. Als een mens de verbinding met God opzegt, wordt hij gelijk aan een dier. Dit is de situatie van ieder mens die niet God, maar slechts zichzelf voor ogen heeft.


Nebukadnezar krijgt zijn verstand terug

34Na verloop van die dagen sloeg ík, Nebukadnezar, mijn ogen op naar de hemel, want mijn verstand kwam in mij terug, en ik loofde de Allerhoogste en prees en verheerlijkte [Hem] Die eeuwig leeft,
Zijn heerschappij is immers een eeuwige heerschappij,
en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht.
35Al de bewoners van de aarde worden als niets geacht.
Hij doet naar Zijn wil met de legermacht in de hemel
en de bewoners van de aarde.
Er is niemand die Zijn hand kan wegslaan
of tegen Hem kan zeggen: Wat doet U?
36Tegelijkertijd kwam mijn verstand weer in mij terug. Ook kwamen, tot eer van mijn koninkrijk, mijn majesteit en mijn waardigheid weer op mij terug. Mijn raadslieden en machthebbers maakten hun opwachting bij mij. Ik ben in mijn koningschap hersteld. Mij werd [zelfs] meer grootheid verleend. 37Nu prijs en roem en verheerlijk ik, Nebukadnezar, de Hemelkoning, omdat al Zijn daden waarheid zijn en Zijn paden gerechtigheid: Hij is in staat te vernederen wie in hoogmoed [hun weg] gaan.

Als de dagen dat Nebukadnezar een dier is, voorbij zijn, slaat hij zijn ogen op naar de hemel. Een dier kijkt alleen naar de aarde en heeft geen bewustzijn van de Schepper. Als Nebukadnezar opkijkt naar de hemel, is dat omdat hij weer bij zijn verstand is. God heeft hem het verstand ontnomen en geeft het hem weer terug. Hij heeft met Zijn tucht Zijn doel bereikt. Dat blijkt uit de eerste woorden die Nebukadnezar uitspreekt. Het zijn woorden van lof en prijs aan het adres van de Allerhoogste. Hem verheerlijkt hij.

De naam ‘Allerhoogste’ is de naam van God in het vrederijk. De eerste keer komt die naam voor als Melchizedek Abraham tegemoet gaat die door strijd zijn neef Lot heeft bevrijd uit de macht van enkele koningen. Melchizedek is een priester van “God, de Allerhoogste” en zegent Abraham namens “God, de Allerhoogste” (Gn 14:18-2018En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
20En geloofd zij God, de Allerhoogste,
Die overgeleverd heeft
uw tegenstanders in uw hand!
En [Abram] gaf hem van alles een tiende deel.
)
. Die situatie doet denken aan de bevrijding door de Heer Jezus van het gelovig overblijfsel van Israël in de toekomst. Na Zijn overwinning is Hij de ware Melchizedek Die brood en wijn uitdeelt tot versterking en tot vreugde. Daarvan zal het vrederijk vol zijn.

Nebukadnezar erkent God ook als de eeuwig Levende Wiens regering eeuwig is. Hij regeert niet alleen tot in alle eeuwigheid, Hij regeert ook vanaf het moment dat er iets is om over te regeren, dat is vanaf het moment dat Hij iets heeft geschapen. Er is nooit een tijd geweest dat Hij niet de heerschappij heeft gehad en zo’n tijd zal er ook nooit komen.

Tegenover die grootheid erkent Nebukadnezar de nietigheid van de mens, niet alleen als individu, maar als totale mensheid. Alle mensen samen vermogen niets tegen Hem. Ook alle hemelbewoners staan onder Zijn gezag, net als alle aardbewoners. Niemand is sterk genoeg om Zijn hand weg te slaan en zich daarmee aan Zijn gezag te onttrekken. Welk mens is zo vermetel het woord tegen Hem op te nemen en Hem ter verantwoording te roepen (vgl. Rm 9:2020Ja maar, mens, wie bent u, dat u tegen God het woord opneemt? Zal het maaksel tegen zijn maker zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?)? Wie dit doet, zondigt tegen zijn leven.

Na deze erkenning, die het gevolg is van het terugkeren van zijn verstand, krijgt hij ook het koningschap weer terug. Zijn machthebbers zoeken hem weer op. Hij krijgt daarbij meer grootheid dan hij voor die tijd heeft bezeten (Sp 29:2323De hoogmoed van een mens zal hem vernederen,
maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
)
. Vaak is het zo, dat we meer verliezen dan winnen wanneer we een weg gaan die niet goed is. Maar het is ook wel eens zo, dat God meer geeft dan we hadden.

We zien dat bij Petrus. Na zijn herstel krijgt hij een grote taak onder de gelovigen. Zijn twee brieven zijn daarvan een bewijs. Iemand die waarachtig tot berouw is gekomen over een verkeerde weg of een verkeerde daad, oogst soms meer lof dan in het leven dat hij voor die tijd heeft geleefd.

Nebukadnezar besluit zijn proclamatie met een nieuwe lofprijzing. Hij noemt God de “Hemelkoning”, Hij Die alle gezag in de hemel heeft. Met die positie verbindt hij Zijn daden en paden op aarde. Alles wat Hij doet, is waarheid en in overeenstemming met de hemel waar alles waarheid is. Elke weg die Hij gaat, hetzij met een mens, hetzij met een volk, is een weg in gerechtigheid, dat is de gerechtigheid van de hemel. Alles in de hemel beantwoordt aan Zijn Wezen van waarheid en gerechtigheid. De uitvloeisels daarvan zien we op aarde.

Als de Heer Jezus op aarde regeert, zijn alle daden en paden op aarde een weerspiegeling van de hemel. Hij Die in de hemel regeert, Wiens troon in de hemel staat, zal dan op aarde regeren en Zijn troon zal op aarde staan. Dan zal de bede in vervulling gaan: “Moge … Uw wil gebeuren, zoals in de hemel, zo ook op aarde” (Mt 6:1010Uw koninkrijk komen, Uw wil gebeuren, zoals in [de] hemel, zo ook op aarde.). Met het oog op die tijd mag het ons gebed zijn dat dit nu al in ons persoonlijk leven zichtbaar wordt.


Lees verder