Hosea
Inleiding 1 Het oordeel aangekondigd 2 Een lippenbelijdenis 3 Het goede 4 Koningen en afgoden 5 Hoe lang nog? 6 Het einde van de afgod 7 Zaaien en oogsten 8 Geen vat tot eer 9 Een wilde ezel 10 Valse hoop 11 De altaren 12 God behandelen als een vreemde 13 Gehoorzamen is beter dan offers brengen 14 De Maker vergeten
Inleiding

De bazuin kondigt het naderende oordeel aan over een volk dat met de lippen belijdt God te kennen, maar daarmee in zijn daden geen enkele rekening houdt. Ze hebben veel altaren gemaakt en bedrijven daar hun afgoderij, maar de woorden van God beschouwen ze als woorden van een vreemde. Ja, ze hebben Hem vergeten en leven voor hun eigen plezier. Maar God zal al hun werken door vuur (= oordeel) verteren.


Het oordeel aangekondigd

1De bazuin aan uw mond!
[De vijand zweeft] als een arend boven het huis van de HEERE,
omdat zij Mijn verbond hebben overtreden
en tegen Mijn wet in opstand zijn gekomen.

Het laatste deel van dit bijbelboek, Hosea 8-14, gaat waarschijnlijk over de tijd dat de laatste koning, Hosea, over het tienstammenrijk regeert. Het is niet duidelijk of de profeet ook de tijd van de wegvoering onder zijn naamgenoot heeft meegemaakt. Hij schrijft er niet over. In de vorige hoofdstukken heeft Hosea uitvoerig de zonden aangetoond. Nu gaat hij meer over het aanstaande oordeel spreken, dat God moet laten komen als gevolg van die zonden.

Dit hoofdstuk begint bijzonder dreigend. Er is oorlog op komst. De profeet moet de bazuin aan zijn mond zetten om te waarschuwen voor dit naderende oordeel dat naar het voornemen van God komt. Meerdere keren wordt in de profetische boeken de bazuin als een waarschuwingsinstrument genoemd (Ez 33:33en die ziet het zwaard over het land komen, en blaast op de bazuin en waarschuwt het volk,; Js 58:11Roep luidkeels, houd u niet in,
verhef uw stem als een bazuin,
verkondig Mijn volk hun overtreding,
en het huis van Jakob hun zonden.
; Jr 6:1717Ik heb wachters over u aangesteld:
Sla acht op het geluid van de bazuin!
Maar zij zeggen: Daar slaan wij geen acht op.
; Mt 24:3131En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van [de] uitersten van [de] hemelen tot <de> [andere] uitersten daarvan.; Op 8:66En de zeven engelen die de zeven bazuinen hadden, maakten zich gereed om te bazuinen.)
. Het blazen van de bazuin is te vergelijken met het spreken van het Woord van God. Dat moet niet vaag, maar duidelijk en zeker gebeuren (vgl. 1Ko 14:88Immers, als [de] bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich voor [de] oorlog gereedmaken?). De hoorders moeten weten waar ze aan toe zijn.

Helaas zijn er predikers die niet reppen over de verschrikkingen die over de mensheid zullen komen. Of ze leggen het Woord van God zo uit, dat het aangenaam is voor de mensen om het te horen. Dan laat de bazuin een onduidelijk geluid horen. Het geweten wordt niet aangesproken en daarom worden er geen maatregelen getroffen om aan het naderende oordeel te ontkomen.

Als de prediker trouw is aan zijn Zender, zal hij zo spreken, dat zijn woorden geen misverstand toelaten over de situatie waarin zijn toehoorders zich bevinden. Het gevolg is dan: “De schrandere ziet het kwaad en bergt zich” (Sp 22:33Een schrandere ziet het kwaad en verbergt zich,
maar onverstandigen gaan voort en zullen [daarvoor] boeten.
)
. Wie zich tot God bekeert, vindt bij de Heer Jezus bescherming. Als het volk zich zou bekeren, zou het aan het oordeel ontkomen.

De vijand, het oordeel, komt geruisloos en met de snelheid van een arend naar zijn prooi (Dt 28:4949De HEERE zal een volk van ver weg tegen u doen opkomen, van het einde van de aarde, zoals een arend aan komt zweven; een volk waarvan u de taal niet verstaat,). Als prooi wordt hier “het huis van de HEERE” genoemd. Het is mogelijk hierbij te denken aan de tempel, hoewel deze niet in Israël, maar in Jeruzalem in Juda staat. Waarschijnlijker is dat met “het huis van de HEERE” Israël als geheel wordt bedoeld. Israël als zodanig is ook een woonplaats voor God. In elk geval wordt het oordeel aangekondigd in verbinding met het wonen van God te midden van Zijn volk.

Waar God woont, moet alles beantwoorden aan Zijn Wezen. Als dat, ondanks vele vermaningen, niet gebeurt, kan God niet anders doen dan het kwaad en de kwaaddoeners oordelen. Datzelfde geldt nu voor de gemeente: “Want het is nu <de> tijd dat het oordeel begint bij het huis van God” (1Pt 4:17a17Want het is nu <de> tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; als het echter eerst bij ons [begint], wat zal het einde zijn van hen die het evangelie van God niet gehoorzamen?).

De oorzaak van het aangekondigde oordeel wordt gegeven. God heeft een verbond met hen gesloten. Dat hebben ze overtreden. God heeft Zijn wet gegeven. Daartegen zijn ze in opstand gekomen. Het volk is ontrouw geworden aan hun verbinding met Hem. Ze hebben Zijn uitspraken niet alleen naast zich neergelegd, ze hebben Hem Zijn uitspraken ook kwalijk genomen en openlijk verklaard dat ze zich er niet aan willen houden.

Deze vermetelheid treffen we ook aan bij de godsdienstige mens van vandaag. Die mens belijdt een verbinding met God te hebben, maar hij behoudt zich het recht voor daar zijn eigen invulling aan te geven. Op dezelfde manier gaat hij om met het Woord van God. Hij leest het, maar legt het uit zoals hem goeddunkt. Hoe God het bedoeld heeft, daaraan heeft hij geen boodschap.

In dit hoofdstuk worden als het ware vijf stoten op de bazuin gegeven die elk een reden voor het oordeel geven:
1. vers 1 overtreding en opstand;
2. vers 4 het aanstellen van valse koningen en regeerders zonder God te raadplegen;
3. vers 5 afgoderij;
4. vers 9 het vragen aan Assyrië om hulp;
5. vers 11 valse altaren.


Een lippenbelijdenis

2Zij roepen tot Mij:
Mijn God! Wij, Israël, kennen U!

Ze leven nog steeds in de waan dat ze in hun nood een beroep op God kunnen doen als Zijn volk. Maar dat is zelfmisleiding. De uitspraak dat ze Hem kennen, is louter lippenbelijdenis, zonder waarheid in het hart (Mt 7:2121Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar hij die de wil doet van Mijn Vader Die in de hemelen is.; 25:11-1211Daarna echter kwamen ook de overige maagden en zeiden: Heer, heer, doe ons open!12Hij echter antwoordde en zei: Voorwaar, ik zeg u: ik ken u niet. –; Lk 13:26-2726Dan zult u beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw bijzijn gegeten en gedronken, en U hebt in onze straten geleerd.27En Hij zal zeker tot u zeggen: Ik weet niet vanwaar u bent; gaat weg van Mij, alle werkers van ongerechtigheid.). Juist omdat zij kennis van God hebben, zijn ze des te schuldiger dat zij van Hem zijn afgeweken. Alleen als er ware verootmoediging is, zal God luisteren als er een beroep op Hem wordt gedaan.

Als in spreekkoren geeft het volk een reactie op de oordeelsaankondiging. De een roept “Mijn God”, anderen zeggen “wij kennen U”. Hiermee willen ze uitdrukken dat het voor hen ondenkbaar is dat God hen aan het oordeel zal prijsgeven. Dat kan toch niet? Zij zijn toch het verbondsvolk?


Het goede

3Israël heeft het goede verstoten,
de vijand zal hem achtervolgen.

Voor “het goede” kan hier, evenals in de eerste brief van Petrus, ook gelezen worden ‘de Goede’ (1Pt 3:1313En wie zal u kwaaddoen, als u ijveraars voor het goede bent geworden?). Het is duidelijk Wie met ‘de Goede’ wordt bedoeld: God. In plaats van ijverig te zijn in het navolgen van het goede of het navolgen van de Goede, verfoeit Israël het goede en daarmee ook de Goede.

Ze hebben Zijn wet versmaad. Over de wet wordt gezegd dat hij goed is (Rm 7:12-2112De wet is dus heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.13Is dan het goede mij de dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde, opdat zij zou blijken zonde te zijn, heeft door het goede mij [de] dood gewerkt, opdat de zonde uitermate zondig zou worden door het gebod.14Want wij weten dat de wet geestelijk is; maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.15Want wat ik doe, weet ik niet; want niet wat ik wil, bedrijf ik, maar wat ik haat, dat doe ik.16Als ik nu dat doe wat ik niet wil, stem ik met de wet in dat zij goed is.17Maar dan ben ik het niet meer die het doe, maar de zonde die in mij woont.18Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is bij mij aanwezig, maar het doen van het goede niet.19Want het goede dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade dat ik niet wil, dat bedrijf ik.20Als ik nu dat doe wat ik niet wil, dan doe ik het niet meer, maar de zonde die in mij woont.21Ik vind dus deze wet voor mij die het goede wil doen: dat het kwade bij mij voorhanden is.). Het doen van de wet betekende voor Israël het leven. Maar Israël heeft tegen Gods wet gerebelleerd. Daarom zal de vijand hem vervolgen. Het is onmogelijk te zeggen ‘mijn God’ en niet naar Hem te luisteren. Die ongehoorzaamheid komt tot uiting in het verfoeien van Zijn Woord en daarmee van Hemzelf.


Koningen en afgoden

4Zíj hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om;
zij hebben vorsten aangesteld, maar zonder Mij erin te kennen.
Van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelf afgods[beelden] gemaakt,
zodat zij uitgeroeid zullen worden.

In dit vers worden twee zonden genoemd:
1. het volk heeft koningen aangesteld naar eigen goeddunken en
2. het heeft afgoderij gepleegd.

Omdat niet God, maar het volk eigenmachtig koningen heeft aangesteld, worden alle koningen die Jerobeam II zijn opgevolgd aan het begin van dit bijbelboek niet genoemd (Hs 1:11Het woord van de HEERE dat gekomen is tot Hosea, de zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, de koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël.). God is er niet in gekend, ze hebben Hem genegeerd (vgl. Js 31:11Wee hun die afdalen naar Egypte om hulp,
die steunen op paarden,
vertrouwen op strijdwagens, omdat er zoveel zijn,
op ruiters, omdat die zeer machtig zijn,
maar die geen acht slaan op de Heilige van Israël
en de HEERE niet zoeken.
)
. Dat aanstellen van koningen buiten God om is in de kiem al aanwezig in hun verzoek om een koning zoals de volken (1Sm 8:1-101Het gebeurde nu, toen Samuel oud geworden was, dat hij zijn zonen tot richters over Israël aanstelde.2De naam van zijn eerstgeboren zoon was Joël en de naam van zijn tweede was Abia; zij waren richters in Berseba.3Maar zijn zonen gingen niet in zijn wegen; zij waren uit op winstbejag, namen geschenken aan en bogen het recht.4Toen kwamen alle oudsten van Israël bijeen, en zij kwamen bij Samuel in Rama.5Zij zeiden tegen hem: Zie, u bent oud geworden en uw zonen gaan niet in uw wegen. Stel daarom een koning over ons aan om ons leiding te geven, zoals alle volken.6Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons leiding te geven, was dit woord kwalijk in de ogen van Samuel. En Samuel bad tot de HEERE.7Maar de HEERE zei tegen Samuel: Geef gehoor aan de stem van het volk in alles wat zij tegen u zeggen; want zij hebben ú niet verworpen, maar Míj hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zou zijn.8Overeenkomstig alles wat zij [Mij] aangedaan hebben, vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte geleid heb tot deze dag toe, door Mij te verlaten en andere goden te dienen, doen zij nu ook u aan.9Welnu, luister naar hun stem, maar waarschuw hen nadrukkelijk en maak hun de handelwijze bekend van de koning die over hen zal regeren.10Daarop maakte Samuel al de woorden van de HEERE bekend aan het volk, dat een koning van hem verlangde.). In Saul krijgen ze de koning naar hun smaak. Dat herhaalt zich in koning Jerobeam I (1Kn 12:2020En het gebeurde, toen heel Israël hoorde dat Jerobeam was teruggekeerd, dat zij hem naar de volksvergadering lieten roepen, en hem over heel Israël koning maakten. Niemand volgde het huis van David dan alleen de stam van Juda.). Na Jehu hebben revolutie en doodslag koningen doen verdwijnen en verschijnen. Dit alles kan slechts hun verderf tot gevolg hebben.

Vandaag is men in de christenheid ook bezig de dingen in te richten naar eigen idee. Hoe God erover denkt, wordt niet gevraagd. Men legt Zijn Woord uit zoals dat uitkomt. Dat is bij allerlei groepen en kerken waarneembaar. Men tracht het iedereen naar de zin te maken. Leraren worden voor zichzelf gekozen, naar de smaak die ieder heeft (2Tm 4:33Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen;).

Soms wordt dit eigenmachtige handelen verdedigd met vroom klinkende, maar misleidende argumenten. Er wordt gezegd dat je toch niet overal voor hoeft te bidden? Je hoeft toch niet overal je geloof bij te halen? Je moet zakelijk zijn, de dingen nuchter bekijken, je moet je nuchtere verstand dat God je gegeven heeft, goed gebruiken. Zo wordt er geredeneerd en zo komen dingen ‘buiten Hem om’ tot stand.

Koningen zijn aangesteld zonder God te raadplegen; dat is het politieke terrein. Op godsdienstig terrein is het nog erger. God is vervangen door afgoden! Daartoe misbruiken ze hun zilver en goud. Afgoderij is de wortel van alle zonden, waardoor de mens niets kan genieten van wat God hem wil geven.

Deze gruwel voor God is ook het grote gevaar waarvoor de christen wordt gewaarschuwd. Johannes waarschuwt in het laatste vers van zijn eerste brief, waarin hij heeft geschreven over de Heer Jezus als het eeuwige leven in de gelovige: “Kinderen, wacht u voor de afgoden” (1Jh 5:2121Kinderen, wacht u voor de afgoden.).


Hoe lang nog?

5Uw kalf, Samaria, heeft [u] verstoten!
Mijn toorn is tegen hen ontbrand:
Hoelang [nog]? Zijn zij [dan] niet tot zuiverheid in staat?

De afgoderij wordt gehekeld. Ze vindt plaats in het land van Samaria, in navolging van het kalf dat in Bethel staat. God spreekt er Zijn afschuw over uit. Hoe lang moet Hij het nog verdragen, voordat zij zich van deze gruwelen zullen reinigen? De vraag “hoelang?” geeft Gods verlangen naar hun herstel aan, het toont Zijn lankmoedigheid. De HEERE roept met Zijn hart en dat kan nu juist niet van Israël worden gezegd, dat is wat bij hen ontbreekt.


Het einde van de afgod

6Want dat [kalf] komt uit Israël,
een vakman heeft het gemaakt,
een god is het niet.
Ja, het zal [tot] splinters worden,
dat kalf van Samaria!

Het kalf is mensenwerk, het komt niet van God. Een met handen gemaakte god is geen god. Toch meent de mens in zijn dwaasheid en verblindheid dat met handen gemaakte goden wel degelijk goden zijn. Als Paulus ervan wordt beschuldigd deze dwaasheid aan de kaak te hebben gesteld, krijgt hij de hele menigte tegen zich (Hd 19:26-2826en u ziet en hoort, dat deze Paulus een aanzienlijke menigte, niet alleen van Efeze maar bijna van heel Asia, heeft overreed en afkerig gemaakt door te zeggen dat [goden] die met handen worden gemaakt, geen goden zijn.27Nu is er niet alleen gevaar voor ons dat deze bedrijfstak in een kwade reuk komt, maar ook dat de tempel van de grote godin Artemis als niets wordt geteld en dat ook haar majesteit zal ten onder gaan, die door heel Asia en het aardrijk wordt vereerd.28Toen zij nu dit hoorden en met toorn werden vervuld, schreeuwden zij aldus: Groot is de Artemis van [de] Efeziërs!). Behalve dat het dwaas en onzinnig is, is het ook een gruwelijke zonde.

Ook Jesaja laat op spottende toon de dwaasheid zien om te knielen voor het werk van mensenhanden. Een beetje nuchter denken moet iemand de onzinnigheid ervan doen inzien. Jesaja beschrijft een man die naar het bos gaat en daar een boom omhakt die hij zelf gekweekt heeft. Een deel van die boom gebruikt hij om een vuurtje van te maken, zodat hij brood kan bakken. Van een ander deel van diezelfde boom maakt hij een gesneden beeld en knielt daarvoor neer (Js 44:13-1913De timmerman spant een meetlint uit,
tekent het [hout] af met een krijtstift,
maakt het [glad] met schaven,
tekent het af met een passer
en maakt het naar de vorm van een man,
naar de schoonheid van een mens, om het in een huis te laten wonen.
14Hij hakt voor zichzelf ceders om,
neemt een cipres of een eik,
en kweekt [die] voor zichzelf op tussen de bomen van het woud;
hij plant een olm en de regen maakt [die] groot.
15Ze dienen de mens tot brandhout,
hij neemt ervan en warmt zich erbij,
hij steekt het ook aan en bakt brood.
Ook maakt hij er een god van en buigt zich [ervoor],
hij maakt er een gesneden beeld van en knielt ervoor neer.
16De helft ervan verbrandt hij in het vuur.
Bij die helft eet hij vlees,
braadt een braadstuk en wordt verzadigd.
Ook warmt hij zich en zegt: Ha,
ik word warm, ik zie vuur!
17Van de rest ervan maakt hij een god, zijn gesneden beeld.
Hij knielt ervoor neer, buigt zich,
bidt het aan en zegt:
Red mij, want u bent mijn god.
18Zij weten niet en begrijpen niet,
want hun ogen zijn dichtgesmeerd, zodat zij niet zien,
[en] hun harten, zodat zij niet begrijpen.
19Niemand neemt het ter harte,
er is geen kennis en geen inzicht om te zeggen:
De helft ervan heb ik verbrand in het vuur,
ook heb ik brood gebakken op de houtskool ervan,
ik heb vlees gebraden en gegeten –
en zou ik van het overgebleven [hout] iets gruwelijks maken,
zou ik knielen voor een stuk hout?
)
.

Wat van het beeld overblijft, zijn slechts splinters of as, een toonbeeld van de machteloosheid van de afgod om zichzelf en zijn vereerders te beschermen. Er zal mee gebeuren wat Mozes heeft gedaan met het gouden kalf: En hij nam het kalf dat zij gemaakt hadden, verbrandde het in het vuur, vermaalde het totdat het tot stof verpulverd was, strooide dat uit op het wateroppervlak en liet het de Israëlieten drinken” (Ex 32:2020En hij nam het kalf dat zij gemaakt hadden, verbrandde het in het vuur, vermaalde het totdat het tot stof verpulverd was, strooide dat uit op het wateroppervlak en liet het de Israëlieten drinken.).


Zaaien en oogsten

7Want wind zaaien zij,
maar een wervelwind zullen zij oogsten.
Staand koren zonder aren geeft geen meel.
Wanneer ze al [aren] geven,
zullen vreemden die verslinden.

Elke daad die een mens verricht, heeft gevolgen. Goede daden hebben goede gevolgen, slechte daden hebben slechte gevolgen. Het is in de natuur te zien. Goed zaad geeft een goede oogst, slecht zaad een slechte oogst. Een mens ‘zaait’ de hele dag woorden en daden. Alles wat hij doet, heeft bepaalde gevolgen, voor hemzelf en mogelijk ook voor anderen. Soms zijn die gevolgen ingrijpend, soms zijn ze niet waarneembaar of meetbaar. In elk geval neemt God er altijd nota van.

Elk woord en elke daad wordt door God naar waarde gewogen en beoordeeld. Een mens is óf bezig met en voor zichzelf, óf met en voor God. Dat is de achtergrond van alles wat hij zegt of doet. Paulus houdt de wettisch gezinde gelovigen van de gemeenten in Galatië voor, dat een mens oogst wat hij heeft gezaaid (Gl 6:7-87Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.8Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie voor de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.; Hs 10:1313U hebt goddeloosheid geploegd,
onrechtvaardigheid geoogst,
leugenvrucht gegeten;
want u hebt vertrouwd op uw weg,
op uw grote aantal helden.
; Jb 4:88[Maar] zoals ik gezien heb: zij die onrecht ploegen
en moeite zaaien, oogsten dat [ook].
; Sp 22:88Wie onrecht zaait, zal onheil oogsten,
en de stok van zijn verbolgenheid zal vergaan.
)
. De afgodenvereerders, Israël, zaaien wind. Met “wind” wordt de leegte van Israëls zonde aangeduid; de “wervelwind” of storm die ze zullen oogsten, spreekt van Gods oordeel en het verderf. Naar de wet van de vermenigvuldiging is wat wordt geoogst altijd meer dan wat is gezaaid: de wind is een storm geworden, een macht die vernietigt.

In al het zaaien van de zonde door het volk is elke hoop op vrucht ijdel, tevergeefs (Pr 5:1515Daarom is ook dit een ziekmakend kwaad: op geheel dezelfde wijze als hij gekomen is, gaat hij heen. Welk voordeel heeft hij, dat hij zwoegt voor de wind?; Hk 2:1313Zie, is het niet
van de HEERE van de legermachten
dat volken zich inspannen voor het vuur
en natiën zich voor niets afmatten?
)
. Vruchteloosheid is het gevolg. Er is geen vrucht voor henzelf, ze lijden honger, maar er is ook geen vrucht voor God. En als er toch wat vrucht is, dan wordt dat allemaal verslonden door vreemden. En zelfs dat is nog niet het einde. Het volgende vers laat een nog grotere leegte zien.


Geen vat tot eer

8Verslonden is Israël!
Zij zijn nu onder de heidenvolken
als een pot waaraan niemand waarde hecht,

Niet alleen de vrucht is verslonden (vers 77Want wind zaaien zij,
maar een wervelwind zullen zij oogsten.
Staand koren zonder aren geeft geen meel.
Wanneer ze al [aren] geven,
zullen vreemden die verslinden.
)
, maar ook Israël zélf is verdwenen, verslonden door zijn vijanden. Dat ziet hier niet zozeer op de wegvoering in de verstrooiing door de Assyriërs, maar meer op het zich volledig vermengen met de volken, waardoor zij vele eeuwen hun eigen identiteit als volk kwijt zijn geweest. Israël is een waardeloze en nutteloze “pot” geworden (vgl. Jr 22:28a28Is deze man, Chonia, een afgedankte, stukgeslagen kruik?
Of is hij een pot waaraan niemand waarde hecht?
Waarom zijn hij en zijn nageslacht weggeslingerd, ja, weggeworpen
naar een land dat zij niet kenden?
)
.

Wie als persoon of als volk, maar ook als plaatselijke gemeente, niet of niet meer beantwoordt aan Gods doel, zal voor allen die er met Gods ogen naar kijken niets aantrekkelijks hebben. Het verlies van die aantrekkelijkheid komt door het invoeren van wereldse elementen, waardoor men meent zichzelf te kunnen aanprijzen. Maar wie meent beter over te komen door zich als de wereld te gaan gedragen, zal te maken krijgen met het omgekeerde effect: het stoot juist af.

Israël heeft zijn hoge roeping prijsgegeven en is een voorwerp van verachting geworden. Door zich met de volken te verbinden is het volk verslonden. Hetzelfde is met de christenheid gebeurd, zowel wat het verachten als wat het verslinden betreft. Tegenover deze “pot waaraan niemand waarde hecht”, kunnen wij een vat tot eer zijn, bruikbaar voor de meester (2Tm 2:19-2219Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.20In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer.21Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.22Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.).


Een wilde ezel

9want zíj gingen naar Assyrië:
een wilde ezel houdt zich afgezonderd,
maar Efraïm zoekt hulp bij minnaars.

Een wilde ezel is een schuw dier. Het leeft in de steppen, ver weg van het lawaai van de stad. Hiermee wordt Efraïm vergeleken, maar dan als tegenstelling. De wilde ezel, dit dier zonder verstand, schuwt de omgang met mensen om zijn zelfstandigheid en onafhankelijkheid te handhaven. Efraïm echter gaat, tegen zijn Goddelijke bestemming in, onnatuurlijke verbindingen aan met de volken om hen heen. In plaats van zich van Assyrië afgezonderd te houden, geeft Efraïm bewijzen van liefde aan Assyrië (2Kn 15:1919[Toen] kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land op; en Menahem gaf Pul duizend talent zilver, zodat deze op zijn hand zou zijn om het koninkrijk vast te doen zijn in zijn hand.) om er een bondgenootschap mee aan te gaan. Ze bieden zichzelf te koop aan. Liefdesgeschenken geven ze om hoererij te kunnen plegen.

Wat ze zouden moeten leren, is dat wilde ezels zich niet in de buurt van mensen wagen, want die zouden hen wel eens van hun vrijheid kunnen beroven. Maar Israël mist die wijsheid. Het volk gaat naar Assyrië om zich daarmee te verbinden en zet daarmee zijn vrijheid op het spel. Het is zijn vrijheid ook daadwerkelijk kwijtgeraakt.


Valse hoop

10Ook al zoeken zij hulp bij heidenvolken,
[toch] zal Ik hen nu bijeenbrengen.
Zij kunnen weinig beginnen
vanwege de last van de koning van de vorsten.

God zegt hier dat het volk niets hoeft te verwachten “van de koning van de vorsten”, dat is de koning van Assyrië. Zelfs al zou het erop lijken dat Assyrië ingaat op de toenadering van Israël, God zal ervoor zorgen dat het door hen gewenste resultaat niet wordt bereikt. Integendeel, Hij zal deze toenadering gebruiken om Zijn oordeelsaankondigingen te vervullen. Hij zal Assyrië gebruiken om Zijn volk te vergaderen in gevangenschap. Assyrië zal geen vriendschap met hen sluiten, maar hen verstrooien onder de volken. Die last zal hun alle bewegingsvrijheid ontnemen.


De altaren

11Ja, Efraïm heeft de altaren talrijk gemaakt om te zondigen,
het heeft [die] altaren om te zondigen!

God heeft Zijn volk slechts twee altaren gegeven: het koperen brandofferaltaar in de voorhof van de tempel en het gouden reukofferaltaar in de tempel. David spreekt over deze beide altaren als plaatsen waar een mens rust kan vinden (Ps 84:44Zelfs vindt de mus een huis
en de zwaluw haar nest,
waarin zij haar jongen legt:
bij Uw altaren,
HEERE van de legermachten,
mijn Koning en mijn God.
)
. Het koperen brandofferaltaar stelt het kruis van de Heer Jezus voor, waar de zondaar de last van zijn zonden kwijt kan en waar hij rust vindt voor zijn geweten. Het gouden reukofferaltaar spreekt van de aanbidding die iemand aan God mag brengen.

Alle andere altaren die worden genoemd, vertonen wel een schijn van godsdienstigheid, maar zijn in werkelijkheid alleen een aanleiding tot zondigen. Het zijn altaren die door mensen zijn bedacht en opgericht. Ze spreken van een naderen tot God op een voor de mens gemakzuchtige manier die geen rekening houdt met wat God heeft gezegd over het naderen tot Hem. Later komt Hosea op deze altaren terug (Hs 10:11Israël is een weelderige wijnstok,
hij brengt zijn vrucht voort.
Hoe groter zijn vrucht is,
hoe meer er voor de altaren is.
Hoe beter zijn land,
hoe mooier de gewijde stenen.
)
.


God behandelen als een vreemde

12Al schrijf Ik voor hen Mijn wet in tienduizendvoud,
[toch] beschouwt men die als iets vreemds.

Efraïm heeft de rechte, de goede weg wel kunnen kennen, maar het wil naar geen lering luisteren. Ze beschouwen dat wat God zegt als woorden van een vreemde. Ze luisteren niet naar wat Hij zegt, want het gaat hen niet aan, vinden ze. Ze begrijpen niet dat dit onderwijs van God voor hen bestemd is.

Ook wij kunnen met Gods Woord omgaan alsof Hij een vreemde voor ons is. We luisteren alleen naar Hem als we daar tijd voor of zin in hebben, of we raadplegen Hem door alleen bij speciale gelegenheden Zijn Woord te lezen. Soms lezen we de Bijbel om onze godsdienstige gevoelens te behagen, waarbij het lezen van de Bijbel dan als een aangenaam tijdverdrijf kan worden ervaren.

Wat bij dit alles ontbreekt, is de nuchtere toepassing van wat God zegt op alle terreinen van het leven. Van Mozes tot Hosea heeft God een overvloed aan onderwijs gegeven, zodat Israël geen enkel excuus heeft dat ze Gods wil niet kennen.


Gehoorzamen is beter dan offers brengen

13Zij brengen Mijn offergaven
en zij eten [zelf] van het vlees.
De HEERE schept er geen behagen in.
Nu zal Hij aan hun ongerechtigheid denken,
en hun zonden [aan hen] vergelden:
zij zullen terugkeren naar Egypte.

Als er niet naar Gods Woord wordt geluisterd (vers 1212Al schrijf Ik voor hen Mijn wet in tienduizendvoud,
[toch] beschouwt men die als iets vreemds.
)
, heeft het ook geen zin om te offeren. Daar heeft God dan geen boodschap aan. Hij wil die offers niet. Hij merkt ze niet eens op. Daarbij komt nog dat zij zelf naar hartenlust van hun offers eten, zoals de zonen van de priester Eli dat hebben gedaan (1Sm 2:12-1712De zonen van Eli echter waren verdorven mannen; zij kenden de HEERE niet.13Want de handelwijze van deze priesters met het volk was [aldus: wanneer] iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester, terwijl het vlees kookte, met een drietandige vork in zijn hand,14stak die in de kookpot, in de ketel, in de pan of in de pot, [en] alles wat de vork [dan] optrok, nam de priester voor zichzelf. Zo deden zij met al de Israëlieten die daar in Silo kwamen.15Ook vóór zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de knecht van de priester en zei tegen de man die het offer bracht: Geef dat vlees om te braden aan de priester, want hij wil geen gekookt vlees van u aannemen, maar rauw.16En wanneer die man tegen hem zei: Zij moeten dat vet beslist eerst in rook laten opgaan; neem daarna [maar] voor uzelf zoals uw ziel verlangt, [dan] zei hij tegen hem: Nee, u moet het nú geven, en zo niet, dan neem ik het met geweld.17Zo was de zonde van deze jongemannen voor het aangezicht van de HEERE erg groot, want de mensen verwierpen [hierdoor] het offer van de HEERE.). Hun hart is niet gericht op God, maar op henzelf. Daarom zijn de offers die ze brengen in Gods ogen alleen maar voedsel voor Zijn volk en geen offers voor Hem.

Het is ermee als met veel wat in de christenheid ‘aanbidding’ wordt genoemd. Het komt erop neer dat je er helemaal zelf in mag en moet opgaan, je geniet ervan, je smult ervan, en dan geloof je dat God er ook wel heel blij mee zal zijn. Over de inrichting van ons leven naar de wil van God maken we ons niet druk. Het lezen en bestuderen van Zijn Woord is maar een vermoeiende bezigheid.

Toch is onze gehoorzaamheid het enige waar God echt op zit te wachten. Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerkzaam zijn [beter] dan het vet van rammen” (1Sm 15:2222Maar Samuel zei:
Heeft de HEERE evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers
als in het gehoorzamen aan de stem van de HEERE?
Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer,
opmerkzaam zijn [beter] dan het vet van rammen.
)
. Waar die gehoorzaamheid niet wordt gevonden, mag ogenschijnlijk nog zoveel geestelijke activiteit zijn, God kan er niet verder mee. Hij zal al die godsdienstige mensen terugvoeren naar Egypte. Dat wil zeggen dat ze zullen terugkeren in de slavernij waarin ze vroeger zijn geweest en die ze vergeten zijn. Deze keer zullen de Assyriërs hen in slavernij wegvoeren (Hs 9:33Zij zullen niet blijven in het land van de HEERE:
Efraïm keert terug naar Egypte,
in Assyrië zullen zij eten wat onrein is.
; 11:55Hij zal niet terugkeren naar het land Egypte,
maar Assyrië, dat zal zijn koning zijn,
want zij weigeren zich te bekeren.
)
.


De Maker vergeten

14Israël vergat zijn Maker, en bouwde paleizen,
Juda heeft de versterkte steden talrijk gemaakt.
Daarom zal Ik vuur werpen in zijn steden;
dat zal zijn paleizen verteren.

Er wordt vaker over God als “Maker” gesproken (Dt 32:1515Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit
– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –
toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,
hij versmaadde de Rots van zijn heil.
; Jb 35:1010Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker,
Die psalmen geeft in de nacht?
; Ps 100:33Weet dat de HEERE God is;
Híj heeft ons gemaakt – en niet wij –
Zijn volk en de schapen van Zijn weide.
)
. Wat Hij maakt, is van Hem en voor Hem, om er nut van te hebben en vreugde aan te beleven. Als Maker heeft Hij Zijn maaksel uitgerust met allerlei functies, zodat Zijn maaksel optimaal kan functioneren, met een perfecte harmonie tussen de verschillende functies. Hij heeft in Zijn wet een gedetailleerde handleiding voor Zijn maaksel gegeven.

Maar helaas is het maaksel vergeten afhankelijk te blijven van zijn Maker. Ze hebben Zijn ‘gebruiksaanwijzingen’ naast zich neergelegd. Ze hebben een eigen invulling gegeven aan hun functioneren. Ze zijn vergeten van Wie ze zijn en wat hun opdracht is. Bij het aangaan van de band met Zijn volk heeft God gezegd: U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken” (Ex 19:66U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.). Dat zijn ze kwijt.

Het woord “vergat” betekent hier letterlijk ‘op de verkeerde plaats leggen’. God vergeten is dan niet hetzelfde als niet meer aan Hem denken, maar Hem niet de plaats geven die Hem toekomt. Zo kunnen we bijvoorbeeld als feit aannemen dat God bestaat, er intellectueel mee instemmen dat Hij er is, zonder dat dit invloed heeft op ons gedrag. Zo kunnen wij God verbannen tot de samenkomst of kerkdienst op zondag en Hem daar laten tot de volgende zondag.

Als God een verkeerde plaats heeft gekregen, heeft Hij Zijn actieve kracht over ons leven verloren. In het boek Deuteronomium waarschuwt Mozes het volk keer op keer om God niet te vergeten, Hem niet de verkeerde plaats te geven door geen rekening meer met Hem houden. Maar God wordt om zo te zeggen verbannen tot de tempel en daar gelaten.

Als het volk God niet meer de plaats geeft die Hem toekomt, is dat onder meer te zien aan de activiteiten die zij ontwikkelen. In plaats van zich bezig te houden met Zijn huis zijn ze bezig met het bouwen van hun eigen tempels of paleizen en versterkte steden. Tempels en paleizen wijzen beide op ruimte, uitgestrektheid. Het maakt daarbij niet uit of die ruimte gebruikt wordt voor aanbidding of voor genotzucht. De oorsprong is de wil en de lust van de mens. Het is de zucht naar grootsheid, een bouwen zonder God.

Het bouwen van versterkte steden ziet op de poging tot het verkrijgen van veiligheid en zekerheid buiten God om. Israël en Juda worden weer samen aangesproken. Ze zijn hun Maker vergeten en wijden zich aan aardse pracht en grootheid, paleizen waarin men weelderig leeft, en vaste steden waarin men zich veilig waant voor de vijand. Veiligheid is iets waarnaar de mens voortdurend op zoek is. Hij leeft voortdurend in angst voor wat hij kan verliezen aan bezit en gezondheid.

Tot straf zal God het allemaal prijsgeven aan het vuur. Zowel Israël als Juda krijgt met het oordeel te maken, ieder voor de zonde die het heeft begaan. Israël zal door de Assyriërs worden verstrooid en Juda zal in ballingschap naar Babel worden weggevoerd.


Lees verder